Financiële verordening gemeente Zwolle

Geldend van 20-03-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Financiële verordening gemeente Zwolle

De Raad van de gemeente Zwolle heeft in de vergadering van 9 maart 2026 de verordening artikel 212 Gemeentewet vastgesteld.

Deze verordening treedt 1 januari 2026 in werking

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    programma:

    onder programma wordt verstaan het programma zoals bedoeld in het Besluit Begroting en Verantwoording: een samenhangend geheel van activiteiten, genoemd in de begroting en jaarstukken

  • b.

    administratie:

    het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente Zwolle en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd

  • c.

    financiële administratie:

    het onderdeel van de administratie dat omvat het systematisch maken en verwerken van aantekeningen betreffende de financiële gegevens van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente Zwolle, teneinde te komen tot een goed inzicht in:

    • 1.

      de financieel-economische positie;

    • 2.

      het financiële beheer ;

    • 3.

      de uitvoering van de begroting;

    • 4.

      het afwikkelen van vorderingen en schulden;

    • 5.

      het afleggen van de jaarrekening en verantwoording.

  • d.

    financieel beheer:

    de activiteiten die moeten bewerkstelligen dat de uitvoering van de begroting volgens de gestelde plannen en doelen en binnen de gestelde kaders plaatsvinden en dat de financiële positie daarmee in overeenstemming is.

  • e.

    rechtmatigheidsverantwoording:

    de rapportage van burgemeester en wethouders waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving.

  • f.

    rechtmatigheid:

    het in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving, waaronder gemeentelijke verordeningen, raadsbesluiten en collegebesluiten.

  • g.

    doelmatigheid:

    de mate waarin de gewenste prestaties en beoogde maatschappelijke effecten worden gerealiseerd met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen, of met de beschikbare middelen zo veel mogelijk resultaat wordt bereikt.

  • h.

    doeltreffendheid:

    de mate waarin met de geleverde prestaties de gestelde doelen of de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid daadwerkelijk worden behaald.

  • i.

    bestuurlijke planning:

    de jaarplanning waarin de jaarcyclus - begroting - beleidsrapportage - jaarrekening is opgenomen

  • j.

    bedrijfsvoering :

    alle activiteiten die dienen ter ondersteuning van het primaire proces.

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Programmabegroting

  • 1. Jaarlijks wordt door het college de programmabegroting aangeboden aan de gemeenteraad.

  • 2. De begroting is ingedeeld overeenkomstig de voorgeschreven indeling in het Besluit Begroting en Verantwoording.

  • 3. De raad stelt de programma-indeling vast.

  • 4. De raad stelt jaarlijks, op voorstel van het college, per programma vast:

    • a.

      de beleidsdoelen;

    • b.

      de indicatoren, waaronder de indicatoren bedoeld in artikel 25 lid 2a van het BBV, waarmee de beleidsdoelen worden gemonitord;

    • c.

      de baten en lasten.

    De raad stelt jaarlijks, op voorstel van het college, vast:

    Het overzicht van de baten en lasten van de taakvelden.

  • 5. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra beleidsparagrafen naast de verplichte paragrafen in de begroting en jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

  • 6. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties, beleidsdoelen en maatschappelijke effecten, opdat de beoogde doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.

  • 7. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie (paragraaf investeringen).

  • 8. Nieuwe investeringen die die niet in de begroting zijn opgenomen worden via een voorstel aan de raad voorgelegd.

  • 9. In het overzicht van de geraamde incidentele lasten en baten worden posten vanaf € 200.000 afzonderlijk gespecificeerd.

  • 10. De begroting past een post onvoorzien. De hoogte van de post onvoorzien is € 200.000.

Artikel 3. Meerjarig kader begroting

  • 1. De raad stelt in principe jaarlijks de Perspectiefnota, die een periode van 4 jaar beslaat (begrotingsjaar en de 3 jaren daarna), vast waarin indicatief de beleidskaders en de toedeling van de financiële middelen worden benoemd.

  • 2. In de jaarlijkse begroting vindt de uitwerking en actualisering van de meerjarige kaders en budgetten plaats.

  • 3. De uiterste datum voor aanbieding van de Perspectiefnota door het college, en het moment van vaststelling door de raad, wordt jaarlijks vastgelegd in de bestuurlijke planning.

Artikel 4. Uitvoering begroting

  • 1. Burgemeester en wethouders stellen regels vast die waarborgen dat de uitvoering van de begroting rechtmatig, doelmatig en doeltreffend verloopt.

  • 2. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat :

    • a.

      wijzigingen in de omvang van een programmabudget vooraf door de raad worden geautoriseerd m.u.v. lid 3 en 4 van dit artikel.

    • b.

      de werkelijke lasten en baten op de juiste wijze worden toegewezen aan de programma’s in de programmabegroting

  • 3. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij de uitvoering van de begroting in de loop van het jaar te besluiten de netto lasten van een programmabudget of een krediet te overschrijden onder de voorwaarden dat:

    • a.

      de door de raad vastgestelde doelen (art. 2) ongewijzigd en uitvoerbaar blijven;

    • b.

      het bedrag maximaal € 100.000 bedraagt bij baten en lasten (programmabudget);

    • c.

      het bedrag maximaal € 50.000 bedraagt bij kredieten;

    • d.

      de budgetwijzigingen achteraf ter vaststelling aan de raad worden aangeboden via de beleidsrapportage respectievelijk de periodieke begrotingswijziging of bij de overboekingswijziging .

  • 4. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om bij de opstelling van de jaarrekening middelen te storten in en bij de uitvoering van de begroting in de loop van het jaar middelen te onttrekken aan de reserves Nog uit te voeren werken onder de voorwaarden dat:

    • a.

      het restanten van middelen betreft in verband met over het jaar heen lopende werkzaamheden voor een activiteit waarvoor de raad deze incidentele middelen beschikbaar heeft gesteld.

    • b.

      de onttrekkingen afzonderlijk, ter besluitvorming aan de raad worden aangeboden via de periodieke begrotingswijziging als onderdeel van de beleidsrapportage.

  • 5. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd te besluiten om bij de opstelling van de jaarrekening saldi op begrotingsposten die een relatie hebben met een egalisatiereserve nog in betreffende boekjaar te verrekenen met die egalisatiereserve onder de voorwaarden dat:

    • a.

      de verrekening past binnen het door de raad geformuleerde beleid

    • b.

      uit de doelomschrijving van de reserve blijkt dat het gaat om een egalisatiereserve

    • c.

      de verrekening past binnen de door de raad vastgestelde voorwaarden die gelden voor verrekening.

Artikel 5. Interne controle

  • 1. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteren burgemeester en wethouders daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 9 lid 2. Daarnaast informeren burgemeester en wethouders de raad over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

  • 2. Burgemeester en wethouders zorgen voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd. Bij afwijkingen in de administratie nemen burgemeester en wethouders maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

Artikel 6. Tussentijdse rapportage en informatie

  • 1. Burgemeester en wethouders bieden de raad minimaal één beleidsrapportage aan over de tussentijdse realisatie van de begroting overeenkomstig de bestuurlijke planning.

  • 2. De inrichting van de beleidsrapportage sluit aan bij de programma indeling van de begroting.

  • 3. In de rapportage wordt in ieder geval aandacht besteed aan afwijkingen betreffende beoogde beleidsdoelen, beoogde activiteiten en op afwijkingen betreffende geautoriseerde baten en lasten en investeringskredieten. Daarnaast kunnen beleidsinterventies op beleidsdoelen worden voorgesteld.

  • 4. De raad bepaalt aan de hand van de uitvoering van de programma’s of bijstelling van de onder lid 3 genoemde onderwerpen nodig is.

  • 5. Bij de behandeling van de beleidsrapportages in de raad doen burgemeester en wethouders voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde budgetten en de investeringskredieten.

Artikel 7. Jaarstukken

  • 1. Burgemeester en wethouders leggen in de jaarstukken verantwoording af aan de raad over de uitvoering van de programma's. In de verantwoording geven burgemeester en wethouders aan:

    • a.

      welke beoogde beleidsdoelen zijn bereikt;

    • b.

      de activiteiten en projecten die uitgevoerd zijn om de beleidsdoelen te realiseren;

    • c.

      wat de lasten en baten zijn geweest;

    • d.

      hoe de resultaten zich verhouden tot de in de programmabegroting gestelde doelen.

  • 2. Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken bieden burgemeester en wethouders de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat.

Artikel 8. EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als de burgemeester en wethouders een aanpassing nodig acht, doen de burgemeester en wethouders een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Hoofdstuk 3. Rechtmatigheidsverantwoording

Artikel 9. Verantwoordings- en rapporteringsgrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1. De raad stelt op advies van de auditcommissie vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid.

  • 2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteren burgemeester en wethouders aan de raad over fouten boven de verantwoordingsgrens van twee procent van de totale lasten van de gemeente, exclusief de dotaties aan de reserves.

  • 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde fouten boven de rapporteringstolerantie van tien procent van de verantwoordingsgrens nader toegelicht.

Artikel 10. Voorwaardencriterium

  • 1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

  • 2. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien.

Artikel 11. Begrotingscriterium

  • 1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen.

  • 2. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van de jaarschijf, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

  • 3. Uitgangspunt is dat iedere overschrijding van lasten en/of investeringsbudgetten van de begroting na begrotingswijzigingen, als onrechtmatig wordt beschouwd. Deze overschrijdingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:

    • a.

      Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren.

    • b.

      Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling.

    • c.

      De overschrijding past binnen het bestaande beleid van de raad, is toereikend toegelicht in o.a. de paragraaf begrotingsrechtmatigheid in de jaarrekening en had niet via een eerder raadsbesluit geautoriseerd kunnen worden.

  • 4. Onderschrijdingen van lasten en/of investeringsbudgetten en afwijkingen van baten zijn onrechtmatig als deze niet tijdig aan de raad zijn gemeld. De genoemde onderschrijdingen en afwijkingen zijn tijdig gemeld als deze zijn opgenomen in een beleidsrapportage of begrotingswijziging gedurende het jaar dan wel toereikend zijn toegelicht in de jaarrekening over het betreffende boekjaar.

  • 5. Begrotingsonrechtmatigheden worden in de rechtmatigheidsverantwoording verantwoord voor zover de verantwoordingsgrens is overschreden. Begrotingsonrechtmatigheden die niet als acceptabel worden aangemerkt volgens lid 3 van dit artikel worden toegelicht in de rechtmatigheidsverantwoording.

Artikel 12. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

  • 2. Burgemeester en wethouders zorgen voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.

Hoofdstuk 4. Financieel beleid

Artikel 13. Waarderring & afschrijving vaste activa

  • 1. De raad stelt de beleidslijn ten aanzien van activering, waardering en afschrijving vast in een nota activa- en afschrijvingsbeleid. Het college legt een voorstel tot actualisatie van deze nota voor aan de raad indien daartoe aanleiding is.

  • 2. Burgemeester en wethouders voegen jaarlijks bij de begrotingsstukken de geldende afschrijvingstabel toe.

  • 3. In deze tabel is het onderscheid tussen investeringen met Maatschappelijk nut en investeringen met Economisch nut opgenomen.

Artikel 14. Reserves en voorzieningen

  • 1. De raad stelt jaarlijks bij de programmabegroting het overzicht van reserves en voorzieningen vast.

  • 2. De bevoegdheid tot het instellen, opheffen en wijzigen van de bestemming van een reserve berust bij de raad.

  • 3. Uitzonderingen daargelaten geldt de hoofdregel dat er geen rente toevoeging aan reserves plaatsvindt.

  • 4. Het overzicht van reserves en voorzieningen bevat:

    • a.

      de vorming, doel en vrijval van reserves en voorzieningen

    • b.

      de geldende beleidsregels van reserves en voorzieningen

    • c.

      de voeding van en onttrekking aan reserves en voorzieningen

    • d.

      de eventuele normering en bandbreedte

    • e.

      de toerekening en verwerking van prijsstijging over de voorzieningen

  • 5. De hoogte van de reserves worden jaarlijks getoetst en de onderliggende bestedingsplannen worden hierbij geactualiseerd.

Artikel 15. Kostentoerekening

  • 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rentekosten voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  • 2. Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW), de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid en de oninbare vorderingen betrokken.

  • 3. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.

  • 4. Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden wordt uitgegaan van het bij de begroting vastgestelde overheadtarief per uur.

  • 5. De omslagrente voor de rentetoerekening van de kapitaallasten wordt jaarlijks bij de begroting vastgesteld.

Artikel 16. Prijzen economische activiteiten

  • 1. Voor de levering van goederen, diensten of werken aan overheidsbedrijven en derden en met welke bijbehorende activiteiten de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt tenminste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking doen de burgemeester en wethouders vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd.

  • 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties aan overheidsbedrijven en derden brengt de gemeente de geraamde integrale kosten in rekening. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of garantie wordt gemotiveerd.

  • 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaan burgemeester en wethouders uit van een vergoeding van tenminste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

  • 4. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is van een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet.

Artikel 17. Vaststelling hoogte belastingen, leges en heffingen

Burgemeester en wethouders doen de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, leges en heffingen.

Artikel 18. Financieringsfunctie

  • 1. Burgemeester en wethouders dragen bij de uitoefening van de financieringsfunctie zorg voor een juiste uitvoering van de richtlijnen zoals vastgelegd in het door de raad vastgestelde Treasurystatuut.

  • 2. Het Treasurystatuut wordt periodiek geëvalueerd en ten minste geactualiseerd wanneer dit wet technisch noodzakelijk blijkt.

Hoofdstuk 5. Paragrafen bij de begroting en jaarstukken

Artikel 19. Lokale heffingen

  • 1. Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale heffingen de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

  • 2. In of bij de begroting doet het college voorstellen met betrekking tot de tarieven, heffingen en prijzen in samenhang met de kosten per verstrekte dienst.

Artikel 20. Weerstandsvermogen en risicobeheersing

  • 1. De raad stelt de beleidsregels rondom weerstandsvermogen en risicomanagement vast in een nota. Deze nota bevat tenminste:

    • -

      Kaders over inrichting van risicomanagement

    • -

      Kaders over de wijze waarop voorkomende risico's worden gedekt

    • -

      Kaders voor de omvang van het weerstandsvermogen

    Burgemeester en wethouders doen voorstellen tot actualisatie van deze nota indien hier aanleiding toe is.

Artikel 21. Onderhoud kapitaalgoederen

Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen, op grond van artikel 12 van het BBV, verslag over de voortgang van het geplande onderhoud en het eventuele achterstallig onderhoud aan openbaar groen, water, wegen, kunstwerken, straatmeubilair, riolering, speelvoorzieningen en gemeentelijke gebouwen.

Artikel 22. Bedrijfsvoering

Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op:

  • a.

    een toelichting op alle afwijkingen in rechtmatigheid die in de rechtmatigheidsverantwoording zijn opgenomen, voor zover deze de rapporteringstolerantie, zoals bedoeld in artikel 9 lid 3, overschrijden;

  • b.

    een overzicht van en toelichting op niet-financiële onrechtmatigheden in verband met het niet naleven van bepalingen in de Wet financiering decentrale overheden en de bijbehorende ministeriële regelingen, als deze voorkomen;

  • c.

    rapportage van het veelvuldig niet naleven van normen uit de gids proportionaliteit en/of slechte documentatie of naleving hiervan, als deze voorkomen;

  • d.

    geconstateerde fraude door eigen medewerkers, als dit voorkomt.

Artikel 23. Verbonden partijen

  • 1. Burgemeester en wethouders stellen regels vast die over de samenwerking van de gemeente met verbonden partijen en delen deze regels ter informatie met de raad.

  • 2. De Handreiking Verbonden Partijen wordt geactualiseerd als daar aanleiding voor is.

  • 3. In de paragraaf verbonden partijen bij de begroting en de jaarstukken neemt het college de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op.

Artikel 24. Grondbeleid

  • 1. In de paragraaf grondbeleid van de begroting en de jaarstukken worden de verplichte onderdelen op grond van artikel 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten opgenomen en wordt ingegaan op de belangrijkste financiële ontwikkelingen zoals verlies / winstverwachtingen, de verwerving van gronden en de relatie tussen reserves en risico’s.

  • 2. In de jaarstukken wordt bovendien een risicoanalyse opgenomen van de nog niet in exploitatie genomen gronden, het zogenaamde strategisch bezit.

Artikel 25. Openbaarheidsparagraaf

Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de openbaarheidsparagraaf conform het BBV, verslag van de beleidsvoornemens ten aanzien van de uitvoering van de Wet open overheid (Woo) en de uitvoering daarvan.

Artikel 26. Niet verplichte paragrafen

  • 1. De raad formuleert inhoudelijke eisen over paragrafen die zij wenst toe te voegen aan de begroting en jaarstukken.

  • 2. De begroting en de jaarstukken bevat een paragraaf Investeringen met een totaaloverzicht van de vervangingsinvesteringen, de vastgestelde investeringen en voorgenomen investeringen.

  • 3. In de paragraaf Investeringen zijn alle investeringen toebedeeld naar begrotingsprogramma’s.

Hoofstuk 6. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 27. Administratie

De administratie zodanig van opzet en werking is, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van activa, voorraden, vorderingen en schulden, enzovoorts;

  • c.

    het verschaffen van informatie aan de budgethouders en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het afleggen van verantwoording over en de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake geldende wet- en regelgeving.

Artikel 28. Financiële organisatie

Burgemeester en wethouders dragen zorg voor :

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;

  • c.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    de te maken afspraken binnen de organisatie over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  • g.

    het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;

  • h.

    de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 29. Intrekken oude verordening

De Financiële verordening gemeente Zwolle vastgesteld op 22-01-2024, wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het boekjaar 2025.

Artikel 30. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 1 januari 2026.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Zwolle

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 9 maart 2026

P. Snijders, burgemeester

E. Meurs, griffier