Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland

Geldend van 19-03-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland

De raad van de gemeente Steenwijkerland,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24-11-2025,

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4 lid 3, 2.1.4 lid 6, 2.1.4a, 2.1.4a lid 6, 2.1.4b lid 2, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 lid 4 en 2.6.6 lid 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; en artikel 5.4 van het uitvoeringsbesluit Wmo.

overwegende dat:

inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;

van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;

inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;

besluit vast te stellen de:

Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland

Hoofdstuk 1: Definities en Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau;

  • b.

    beperking: aan de persoon verbonden factoren die ertoe leiden dat deze niet (volledig) in staat is tot zelfredzaamheid en/of participatie;

  • c.

    beschermd thuis: lokaal zorgaanbod voor wonen en begeleiding voor mensen met een psychische kwetsbaarheid, die ondersteuning nodig hebben gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, 24/7 uurs beschikbaarheid op afroep van professionele begeleiding en toezicht in de nabije omgeving;

  • d.

    budgetplan: een plan opgesteld door of namens de inwoner waaruit blijkt dat de besteding van het PGB voldoet aan de voorwaarden van de wet en/of deze verordening;

  • e.

    CRvB: Centrale Raad van Beroep

  • f.

    dagactiviteit: dagbesteding in groepsverband als structurele tijdsbesteding met een doel dat gericht is op zelfredzaamheid en participatie van de inwoner dan wel op het ontlasten van de mantelzorger;

  • g.

    eigen kracht: het vermogen van de inwoner om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen

  • h.

    financieel besluit Wmo: een door het college vastgestelde regeling waar op grond van deze verordening nadere regels en bedragen zijn gesteld;

  • i.

    hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de inwoner met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en op dit adres is ingeschreven inde Basisregistratie Personen (BRP);

  • j.

    huishoudelijke ondersteuning: het ondersteunen bij of overnemen van door de Wmo-consulent vastgestelde Huishoudelijke taken op het gebied van het verzorgen van het huishouden van de inwoner dan wel van de leefeenheid waartoe de inwoner behoort voor zover de huisgenoten naar oordeel van het college geen gebruikelijke hulp kunnen bieden. Daaronder kan ook het aanleren van deze activiteiten vallen;

  • k.

    ingezetene: inwoner die hoofdverblijf heeft in de gemeente Steenwijkerland;

  • l.

    logeerzorg: (planbare) zorg buitenhuis om mantelzorg te ontlasten

  • m.

    melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college;

  • n.

    nadere regels: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van deze verordening nadere regels zijn gesteld;

  • o.

    normale gebruik van de woning: het kunnen uitvoeren van de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid;

  • p.

    ondersteuningsplan: het door de inwoner, in overleg met de aanbieder op te stellen plan over de ondersteuningstaken die worden geleverd voor het realiseren van het resultaat zoals opgenomen in het onderzoeksverslag;

  • q.

    onderzoeksverslag: een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 8 van de wet;

  • r.

    persoonlijk plan: plan waarin de inwoner de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning volgens inwoner noodzakelijk is;

  • s.

    PGB: persoonsgebonden budget;

  • t.

    PGB-vaardigheid: het vermogen van een budgethouder om het PGB rechtmatig en doelmatig te beheren, getoetst aan de hand van de 10 PGB-vaardigheidspunten zoals vastgesteld door Per Saldo.

  • u.

    professionele organisatie: een rechtspersoon die met personeel zorg verleent en ingeschreven is in het Handelsregister conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007.

  • v.

    respijtverblijf: kortdurend verblijf als bedoeld in de wet;

  • w.

    spoedeisende situatie: een (onvoorziene) situatie die geen uitstel verdraagt, waaronder de gevallen waarin met spoed opvang noodzakelijk is en waarbij mogelijke risico’s voor de veiligheid ontstaan als gevolg van huiselijk geweld.

  • x.

    uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

  • y.

    vervoersvoorziening: een voorziening, al dan niet gemotoriseerd, waarmee de inwoner zich in zijn leefomgeving kan verplaatsen;

  • z.

    wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • aa.

    woning: een tot bewoning bestemd gebouw dat bestemd is voor permanente bewoning.

  • bb.

    woonvoorziening: een woningaanpassing of hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning.

  • cc.

    Zorgverlener zonder personeel: een natuurlijke persoon die als zelfstandig ondernemer zorg verleent op basis van een overeenkomst van opdracht, zonder personeel en zonder dienstverband bij een zorginstelling.

Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2: Procedure

Artikel 2. Melding

  • 1. Een melding is vormvrij en kan door of namens de inwoner bij het college ingediend worden.

  • 2. Een persoon die nog geen ingezetene is kan een melding doen, als duidelijk is dat de persoon binnen drie maanden hoofdverblijf zal hebben in de gemeente Steenwijkerland.

  • 3. In afwijking van lid 2, geldt landelijke toegankelijkheid voor beschermd wonen en opvang toegankelijkheid, wat inhoudt dat ingezetenen van Nederland zich tot elk college kunnen wenden.

  • 4. Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk of per e-mail. Daarbij wijst het college op de mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning en tot het indienen van een persoonlijk plan.

  • 5. In spoedeisende gevallen treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3. Onderzoek

  • 1. Een gesprek met de inwoner maakt deel uit van het onderzoek. Het eerste gesprek wordt gevoerd met de inwoner zelf, zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger, andere niet-professioneel betrokken personen, en indien gewenst de onafhankelijk cliëntondersteuner. De onafhankelijk cliëntondersteuner kan echter alleen deelnemen als de inwoner hier geen bezwaar tegen maakt.

  • 2. Het college informeert de inwoner over de gang van zaken bij het gesprek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de inwoner indien nodig om toestemming voor het verwerken of het uitwisselen van zijn persoonsgegevens.

  • 3. De aspecten genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet Wmo 2015, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek. Daarnaast wordt een eventueel persoonlijk plan betrokken bij het onderzoek.

Artikel 4. Onderzoeksverslag

  • 1. Het college stelt na het onderzoek een onderzoeksverslag op volgens het stappenplan van de CRvB.

  • 2. Het college beschrijft in het onderzoeksverslag daar waar van toepassing ook de behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger en de mogelijke inzet van algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen of voorliggende (wettelijke) voorzieningen

  • 3. De inwoner ontvangt na het onderzoek het onderzoeksverslag schriftelijk of digitaal.

  • 4. Opmerkingen of aanvullingen van de inwoner op het onderzoeksverslag moeten aan het dossier worden toegevoegd.

Artikel 5. De aanvraag

  • 1. De inwoner kan na het onderzoek een aanvraag indienen door het onderzoeksverslag zoals bedoeld in art.4 lid 3 ondertekend voor akkoord terug te sturen of met een ondertekend aanvraagformulier.

  • 2. De aanvraag bevat:

    • volledige naam, adres, geboortedatum van de aanvrager en

    • aanvraagdatum

    • omschrijving van de gevraagde maatwerkvoorziening

  • 3. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een maatwerkvoorziening.

Artikel 6. Onderzoek en advies

  • 1. Het college kan in aanvulling op het onderzoek als bedoeld in art.3 een extern deskundige om aanvullend of volledig advies vragen als dit nodig is voor het onderzoek of de beoordeling van de aanvraag.;

  • 2. Afhankelijk van de situatie en welke deskundigheid daarvoor vereist is, beslist het college welke adviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt

  • 3. Het college is bevoegd om de inwoner en in geval van gebruikelijke hulp zijn huisgenoten uit te nodigen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip voor een onderzoek door één of meer daartoe aangewezen deskundigen.

  • 4. De inwoner dan wel de personen die onderdeel zijn van de leefeenheid verlenen hun medewerking aan het onderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid voor zover die redelijkerwijs kan worden gevergd.

Artikel 7. Inhoud beschikking

  • 1. De beschikking is mede gebaseerd op het onderzoeksverslag, de wet Wmo 2015, de actuele Wmo-verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland en de vastgestelde beleidsregels Wmo Steenwijkerland.

  • 2. Het door de aanbieder en de inwoner op te stellen ondersteuningsplan na de toewijzing:

    • a.

      maakt integraal onderdeel uit van de beschikking

    • b.

      is ondertekend door zowel de aanbieder als de inwoner,

    • c.

      is op elk gewenst moment opvraagbaar door de gemeente

  • 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt,

    • b.

      wat de ingangsdatum en einddatum van de verstrekking is,

    • c.

      wat de omvang en duur van de verstrekking is wanneer het een indicatie in minuten of uren betreft;

    • d.

      indien van toepassing het programma van eisen of het plan van aanpak

    • e.

      of er een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten en jaarlijks vastgestelde systematiek zoals uitgewerkt in het financieel besluit WMO Steenwijkerland.

    • f.

      de kostprijs van een voorziening die gehanteerd wordt als basis voor de eigen bijdrage daar waar van toepassing volgens de wet Wmo 2015.

  • 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB wordt in de beschikking aanvullend in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      aan welk doel het PGB moet worden besteed;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het PGB;

    • c.

      wat de hoogte van het PGB is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      hoe de besteding van het PGB verantwoord moet worden en;

    • e.

      de termijn van drie maanden waarbinnen de inwoner het PGB moet gaan inzetten.

Hoofdstuk 3: Beoordeling van de aanspraak

Artikel 8. Algemene criteria maatwerkvoorziening

De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner voldoende en op aanvaardbare wijze in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Artikel 8.1 Criteria maatwerkvoorziening

  • 1. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de inwoner de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen:

    • a.

      door gebruik te maken van zijn eigen kracht;

    • b.

      met gebruikelijke hulp van huisgenoten;

    • c.

      met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk;

    • d.

      door gebruik te maken van algemene voorzieningen;

    • e.

      door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zaken of diensten.

  • 2. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als gevolg van psychische of psychosociale problemen wanneer de inwoner deze problemen niet zelf kan verminderen of wegnemen:

    • a.

      door gebruik te maken van zijn eigen kracht;

    • b.

      met gebruikelijke hulp van huisgenoten;

    • c.

      met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk;

    • d.

      door gebruik te maken van algemene voorzieningen;

    • e.

      door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zaken of diensten

  • 3. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening wanneer de inwoner vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, en de inwoner de problemen niet kan verminderen of wegnemen:

    • a.

      door gebruik te maken van zijn eigen kracht;

    • b.

      met gebruikelijke hulp van huisgenoten;

    • c.

      met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk;

    • d.

      door gebruik te maken van algemene voorzieningen;

    • e.

      door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zaken of diensten.

  • 4. De maatwerkvoorziening als bedoeld in het 8.1.2 en 8.1.3 levert een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner voldoende en op aanvaardbare wijze in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Artikel 8.2 Gebruikelijke hulp

  • 1. Bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4. onder b. van de wet Wmo 2015 beoordeelt het college of er gebruikelijke hulp van huisgenoten als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 beschikbaar is.

  • 2. Huisgenoten van de inwoner zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, aan het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onder a. genoemde onderzoek, alsmede bij heronderzoek als bedoeld in artikel 2.3.9 van de wet.

Artikel 8.3 Beoordeling leefeenheid gebruikelijke hulp

Bij de beoordeling als bedoeld in artikel 8.2 1. wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met:

  • 1.

    de samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en diens huisgenoot of huisgenoten;

  • 2.

    de aard van de relatie tussen de inwoner en diens huisgenoten;

  • 3.

    de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner;

  • 4.

    de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de inwoner bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;

  • 5.

    de mate waarin en de wijze waarop de inwoner voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;

  • 6.

    overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de inwoner die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de inwoner hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving.

In aansluiting op de artikelen 1.2.1, onder a. en 2.3.5 lid 3 van de wet Wmo 2015 wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt voor zover de inwoner de problematiek waarvoor in het gegeven geval een maatwerkvoorziening wordt aangevraagd, kan verminderen of wegnemen:

  • a.

    door gebruik te maken van zijn eigen kracht;

  • b.

    met gebruikelijke hulp van huisgenoten;

  • c.

    met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk;

  • d.

    door gebruik te maken van algemene voorzieningen;

  • e.

    door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zaken of diensten.

Artikel 8.4 Maatwerkvoorzieningen

Maatwerkvoorzieningen in Steenwijkerland kunnen onder andere bestaan uit:

  • 1.

    huishoudelijke ondersteuning;

  • 2.

    individuele begeleiding

  • 3.

    dagbesteding;

  • 4.

    logeerzorg

  • 5.

    maatschappelijke opvang en vrouwenopvang

  • 6.

    beschermd thuis;

  • 7.

    beschermd wonen;

  • 8.

    woningaanpassingen;

  • 9.

    woonvoorzieningen

  • 10.

    rolstoelen;

  • 11.

    vervoersvoorzieningen.

Het college bepaalt het product, omvang en duur (wanneer van toepassing) en uitvoering van de maatwerkvoorziening op basis van het onderzoeksverslag en de ondertekende aanvraag.

Artikel 8.5 Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen over de maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen die op grond van dit artikel beschikbaar zijn. Deze zijn vastgelegd in de “Wmo- nadere regels Steenwijkerland”, de “Beleidsregels Wmo Steenwijkerland” en de “Nadere regels Beschermd wonen”.

Artikel 9. Voorwaarden en weigeringsgronden maatwerkvoorzieningen

  • 1. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst passende voorziening.

  • 2. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze gezien de beperkingen van de inwoner, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.

  • 3. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      als de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake was van een acute noodsituatie waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;

    • b.

      als de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd en de noodzaak en passendheid van de voorziening of de gemaakte kosten niet achteraf kan worden vastgesteld, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven;

    • c.

      als de gevraagde voorziening al eerder aan de inwoner is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij:

      • i.

        de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen of

      • ii.

        de inwoner de restwaarde van de verloren gegane voorziening geheel of gedeeltelijk vergoedt;

    • d.

      als deze niet hoofzakelijk en in eerste instantie op het individu is gericht;

    • e.

      als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan.

  • 4. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als:

    • a.

      deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden

    • b.

      de inwoner geen ingezetene is van de gemeente Steenwijkerland.

  • 5. Bij het bepalen van de omvang van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 van Bureau HHM.

  • 6. Logeerzorg in het kader van de Wmo wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      het noodzakelijk is om de mantelzorger voor een beperkte periode te ontlasten;

    • b.

      de inwoner na de logeerzorg weer terug kan naar de bestaande woonomgeving

    • c.

      er geen andere verblijfsopties binnen voorliggende wetgeving aanwezig is.

  • 7. Bij de te verstrekken vervoerskosten voorziening wordt er rekening gehouden met

    • a.

      de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving kilometer op jaarbasis

    • b.

      het uitgangspunt dat het te verstrekken bedrag wordt vastgesteld op basis van de al aanwezige en de te indiceren maatwerkvoorzieningen

  • 8. Geen woonvoorziening of woningaanpassing wordt verstrekt:

    • a.

      als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, slechtstaat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;

    • b.

      als de inwoner zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen;

    • c.

      deze ten behoeve zijn van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Het college kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting verstrekken;

    • d.

      als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is;

    • e.

      als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;

    • f.

      als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen had kunnen worden.

  • 9. Geen tegemoetkoming in de kosten voor verhuizen en herinrichting wordt verstrekt als:

    • a.

      de inwoner voor het eerst zelfstandig gaat wonen;

    • b.

      de inwoner verhuist naar een Wlz-instelling.

  • 10. Bezoekbaar maken van woning

    • a.

      De inwoner moet zijn hoofdverblijf hebben in een Wlz-instelling of in een woonvorm daarmee vergelijkbaar.

    • b.

      Het bezoekbaar maken van één woning is bedoeld om een inwoner met een lichamelijke beperking in staat te stellen een woning van derden te bezoeken, waarbij minimaal toegang tot één verblijfsruimte en een toilet wordt gerealiseerd.

    • c.

      Een maatwerkvoorziening voor het bezoekbaar maken van een woning kan worden verstrekt indien:

      • i.

        de inwoner regelmatig sociale contacten onderhoudt met personen die in de betreffende woning wonen;

      • ii.

        de inwoner door fysieke beperkingen zonder aanpassing geen toegang heeft tot de woning;

      • iii.

        er geen andere passende of goedkopere oplossing beschikbaar is.

    • d.

      De voorziening omvat uitsluitend de noodzakelijke bouwkundige of technische aanpassingen om:

      • i.

        toegang tot de woning mogelijk te maken (zoals hellingbanen, drempelhulpen);

      • ii.

        toegang tot één verblijfsruimte en een toilet te realiseren.

    • e.

      De voorziening wordt verstrekt in natura of via een persoonsgebonden budget (PGB), afhankelijk van wat het meest passend is voor de situatie van de cliënt. De gemeente hanteert het principe van de laagst adequate voorziening.

    • f.

      De vergoeding wordt eenmalig verstrekt op basis van declaratie met een maximumbedrag zoals vermeld in het financiële besluit Wmo van Steenwijkerland

  • 11. Beschermd wonen wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      een beschermde woonomgeving noodzakelijk is voor inwoner door psychische of psychosociale problemen;

    • b.

      24 uurs (maatschappelijke) opvang, beschermd thuis of andere ambulante maatwerkvoorziening(en) begeleiding, dagactiviteit eventueel gecombineerd met logeerzorg geen passende oplossing bieden;

    • c.

      dit (mede) gericht is op het in staat stellen van de inwoner om zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 12. De beschermde woonomgeving als bedoeld in het elfde lid gaat gepaard met verblijf in een accommodatie van een instelling waar het toezicht en de aangewezen ondersteuning wordt geboden. Onder toezicht wordt in beginsel 24 uurs permanent toezicht (wakend of slapend) verstaan, tenzij dat uit het onderzoek blijkt dat beschikbaarheid en/of bereikbaarheid van de aanbieder voldoet om verwaarlozing, maatschappelijke overlast of gevaar voor de inwoner of anderen wordt voorkomen.

  • 13. Maatschappelijke opvang wordt alleen verstrekt als:

    • a.

      de inwoner dak- of thuisloos is geraakt en

    • b.

      de inwoner zich niet op eigen kracht of met hulp van het sociaal netwerk kan handhaven in de samenleving.

  • 14. Sportvoorziening

    • a.

      Het college kan op aanvraag van een inwoner met een lichamelijke beperking, een chronisch psychisch of psychosociaal probleem, die niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening op basis van artikel 8, een tegemoetkoming verlenen voor de aanschaf van een sportvoorziening.

    • b.

      Het college verstrekt deze tegemoetkoming als er geen aanspraak bestaat op grond van een andere regeling om in deze kosten te voorzien.

    • c.

      De tegemoetkoming wordt slechts één keer per drie jaar verleend.

    • d.

      Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de tegemoetkoming wordt verstrekt.

Artikel 10. Herindicatie van maatwerkvoorzieningen

  • 1. Het college kan een heronderzoek instellen naar een toegekende maatwerkvoorziening indien:

    • a.

      de omstandigheden van de inwoner aantoonbaar zijn gewijzigd;

    • b.

      signalen van derden daartoe aanleiding geven

    • c.

      de looptijd van de beschikking is verstreken;

    • d.

      de inwoner hierom verzoekt;

    • e.

      beleidswijzigingen of een nieuwe verordening dit noodzakelijk maken.

  • 2. Bij een herindicatie wordt opnieuw beoordeeld of en in hoeverre de inwoner is aangewezen op maatschappelijke ondersteuning.

  • 3. Het heronderzoek vindt plaats met inachtneming van de uitgangspunten van de Wmo 2015, waaronder het bieden van maatwerk, het versterken van de eigen kracht en het betrekken van het sociaal netwerk.

  • 4. De inwoner wordt tijdig geïnformeerd over het voornemen tot herindicatie en krijgt de gelegenheid om zijn of haar zienswijze kenbaar te maken.

Hoofdstuk 4: Financiële tegemoetkoming en PGB

Artikel 11. Voorwaarden financiële tegemoetkoming

  • 1. Het college kan ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie en als onderdeel van de maatwerkvoorziening voor zover dit niet in eerdere artikelen van deze verordening is beschreven, op aanvraag een financiële tegemoetkoming verstrekken voor:

    • a.

      verhuis-en inrichtingskosten daar waar verhuizen naar een geschikte woning voorliggend is en de kosten voor woningaanpassingen meer bedragen dan €6.000

      De vergoeding is voor stofferingskosten en de huur van een vervoermiddel.

    • b.

      voor woningaanpassingen kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt tot maximaal tweemaal het bedrag dat geldt voor verhuis- en inrichtingskosten, indien een geschikte woning wordt geweigerd.

    • c.

      individueel taxi- en rolstoelvervoer.

      • i.

        Het aantal kilometers wordt vastgesteld op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief, rekening houdend met het feitelijk vervoerspatroon van de cliënt,

      • ii.

        met een maximum van 2.000 kilometer per jaar.

      • iii.

        met als uitgangspunt dat de hoogte van het kilometerbedrag gelijk is aan de belastingvrije kilometervergoeding die jaarlijks door de rijksoverheid wordt vastgesteld. Het jaarlijks bedrag staat vermeld in het financieel besluit Wmo Steenwijkerland 2026.

  • 2. Het college beoordeelt in bijzondere gevallen een gemotiveerd verzoek om van deze tarieven af te wijken.

  • 3. De tegemoetkomingen genoemd in artikel 9,10 en 9.14, alsmede in artikel 11, lid 1, onderdelen a en b worden jaarlijks geïndexeerd aan de hand van het prijsindexcijfer van de consumentenprijsindex voor alle huishoudens (CBS, methode Schulinck).

  • 4. De tegemoetkomingen genoemd onder lid c worden jaarlijks geïndexeerd op basis van de maximale belastingvrije kilometervergoeding zoals vastgesteld door de belastingdienst.

  • 5. De tegemoetkomingen worden jaarlijks gepubliceerd in het financiële besluit WMO van de gemeente Steenwijkerland.

Artikel 12. Voorwaarden voor toekenning van een PGB

  • 1. De inwoner dient een PGB-plan waarin de aard, omvang en kosten van de gewenste voorziening zijn onderbouwd;

  • 2. Het college beoordeelt de PGB-vaardigheid van de inwoner aan de hand van de ‘Handreiking voor toetsing op (minimale) PGB-vaardigheid’.

Artikel 13. Hoogte PGB

  • 1. De hoogte van het PGB wordt vastgesteld op basis van de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening in natura.

  • 2. Voor beschermd wonen geldt een maximum van 100 % van de kostprijs van de voorziening in natura.

Artikel 14. Eigen bijdrage

  • 1. Voor maatwerkvoorzieningen in de vorm van Zorg in Natura en PGB kan een eigen bijdrage verschuldigd zijn, zoals vastgesteld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland

  • 2. De inning van de eigen bijdrage vindt plaats via het Centraal Administratie Kantoor (CAK).

  • 3. De eigen bijdrage wordt jaarlijks vastgesteld door het CAK, ongeacht inkomen of vermogen.

  • 4. De hoogte van de eigen bijdrage wordt jaarlijks vermeld in het financieel besluit WMO Steenwijkerland en vastgesteld door het college.

Hoofdstuk 5: Persoonsgebonden budget

Artikel 15. Regels voor een PGB

  • 1. Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een PGB, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6. lid 2 van de wet opgenomen voorwaarden.

  • 2. De inwoner dient een budgetplan in. Het college kan een format voor dit budgetplan vaststellen.

  • 3. De budgethouder is verplicht om gebruik te maken van de op zijn situatie van toepassing zijnde modelovereenkomst van de SVB.

  • 4. Het PGB mag niet worden besteed aan:

    • a.

      kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • b.

      kosten voor het voeren van een PGB-administratie;

    • c.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een PGB;

    • d.

      kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering.

  • 5. Reiskostenvergoeding bedraagt een maximaal tarief per kilometer (per 1 januari 2026) (zie financieel besluit lopende jaar) en valt binnen het toegekende budget.

  • 6. Het PGB bevat geen vrij besteedbaar deel.

  • 7. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het PGB voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de inwoner het PGB in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

  • 8. Het college kan nadere regels stellen over de aan het PGB verbonden voorwaarden en verplichtingen.

Artikel 16. Hoogte PGB

  • 1. De hoogte van het PGB voor een hulpmiddel of aanpassing wordt maximaal vastgesteld op:

    • a.

      het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of;

    • b.

      het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten.

  • 2. De hoogte van het PGB voor het gebruik van individueel (rolstoel)taxivervoer wordt vastgesteld op bedragen op jaarbasis, waarbij het uitgangspunt geldt dat 2000 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd.

    Het college kan op het jaarbedrag een korting toepassen als sprake is van:

    • a.

      verblijf in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg;

    • b.

      een samenvallende vervoersbehoefte;

    • c.

      een beperkte (zelfstandige) vervoersbehoefte;

    • d.

      andere aanwezige vervoersvoorzieningen of vervoersmogelijkheden.

  • 3. De uitbetaling van een PGB voor (rolstoel)taxivervoer vindt plaats op basis van trekkingsrecht met een maximum van in de financiële verordening Wmo Steenwijkerland vastgestelde prijs per enkele rit.

  • 4. Tariefbepaling bij professionele organisaties

    Het tarief voor dienstverlening bedraagt 100% van het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, indien:

    • a.

      De zorg wordt geleverd door een organisatie die is ingeschreven in het Handelsregister conform artikel 5, onderdelen a, c, d of e van de Handelsregisterwet 2007;

    • b.

      De medewerkers beschikken over relevante beroepskwalificaties of diploma’s voor de uit het PGB te verrichten taken.

      Toelichting: Dit artikel waarborgt dat professionele zorgaanbieders met personeel aanspraak maken op het volledige PGB-tarief, mits zij voldoen aan de gestelde eisen.

  • 5. Tarief en inzet van zorgverleners zonder personeel

    • a.

      Voorwaarden

      • i.

        De budgethouder toont aan dat de zorgverlener voldoet aan de criteria voor zelfstandig ondernemerschap zoals vastgesteld door de Belastingdienst.

      • ii.

        Er mag geen sprake zijn van gezagsverhouding, structurele afhankelijkheid of exclusieve inzet.

    • b.

      Toetsing

      • i.

        Het college toetst bij aanvraag of de inzet rechtmatig is en geen risico vormt op schijnzelfstandigheid.

      • ii.

        Het college kan aanvullende informatie opvragen, waaronder een motivering en alternatieve zorgopties.

    • c.

      Controle en handhaving

      • i.

        Het college controleert periodiek op rechtmatigheid.

      • ii.

        Indien er sprake is van opzet kan het PGB bij schijnzelfstandigheid of onrechtmatige inzet worden aangepast, ingetrokken of teruggevorderd

    • d.

      Overgangsregeling

      • i.

        Voor bestaande budgethouders geldt een overgangsperiode tot 01-01-2027 om te voldoen aan de regels in de geldende verordening.

        Toelichting: Dit artikel voorkomt misbruik en waarborgt de kwaliteit van zorg door zzp’ers.

    • e.

      Tariefbepaling zzp’ers versus organisaties

      • i.

        Het tarief bedraagt 75% van het natura-tarief indien de zorg wordt geleverd door een zelfstandige zonder personeel.

      • ii.

        Het tarief bedraagt 100% van het natura-tarief indien de zorg wordt geleverd door een organisatie met personeel, conform artikel 2.

        Toelichting: Dit artikel maakt onderscheid op basis van professionaliteit, continuïteit en toezicht.

    • f.

      Het tarief voor dienstverlening door een persoon uit het sociaal netwerk (ook indien deze persoon beroepsmatig ondersteuning verleend) bedraagt een reële vergoeding. De hoogte van de vergoeding wordt gebaseerd op onderstaande uitgangspunten:

      • i.

        De hoogte van het PGB voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het minimumloon, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd.

      • ii.

        Een tegenwaarde voor de verlofuren wordt voor de informele hulpverlener alleen vergoed aan zorgverleners als dit noodzakelijk is voor de kosten van een tijdelijke vervanger tijdens verlofuren.

        Toelichting: Dit artikel volgt jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en voorkomt onderbetaling van informele zorgverleners.

    • g.

      PGB-vaardigheid van de budgethouder

      • i.

        De budgethouder toont aan dat hij of zij in staat is het PGB rechtmatig en doelmatig te beheren.

      • ii.

        Het college toetst dit aan de hand van een PGB-plan, de 10 PGB-vaardigheidspunten en eventueel een gesprek.

      • iii.

        Indien de budgethouder onvoldoende vaardig blijkt, kan het PGB worden geweigerd of beperkt.

        Toelichting: Dit artikel borgt dat het PGB alleen wordt toegekend aan personen die het verantwoord kunnen beheren.

    • h.

      De hoogte van het PGB voor beschermd wonen wordt vastgesteld op basis van het voor de inwoner van toepassing zijnde zorgarrangement.

    • i.

      Kwaliteitseisen PGB – Wmo 2026

      De gemeente stelt eisen om te waarborgen dat de ondersteuning veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt geleverd. In de nadere regels zijn de kwaliteitseisen beschreven die gelden voor zorgverleners die worden ingezet via een Persoonsgebonden Budget (PGB) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015.

    • j.

      Het college stelt de hoogte van de tarieven vast in het financieel besluit WMO Steenwijkerland.

Hoofdstuk 6: Bijdrage in de kosten

Artikel 17. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen

  • 1. Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een PGB zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het PGB wordt verstrekt.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:

    • a.

      rolstoelen, waaronder een sportrolstoel zoals benoemen in artikel 9.14;

    • b.

      begeleiding in geval de inwoner gebruik maakt van de maatschappelijke opvang;

    • c.

      het gebruik van een vervoerskostenvergoeding;

Artikel 18. Hoogte bijdrage in de kosten

  • 1. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of PGB, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het bedrag genoemd in artikel 2.1.4a, vierde lid van de wet.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt de bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang vastgesteld conform het Uitvoerings Besluit Maatschappelijke ondersteuning 2015. De kosten voor de eigen bijdrage beschermd wonen worden uitgevoerd door het CAK.

  • 3. Voor opvang kan het college nadere regels stellen over de manier waarop de bijdrage in de kosten wordt verminderd met een bedrag voor persoonlijke uitgaven met inachtneming van het uitvoeringsbesluit.

  • 4. De hoogte van de bijdrage overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.

  • 5. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt.

  • 6. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB is gelijk aan de hoogte van het PGB.

  • 7. De jaarlijkse tarieven worden vastgesteld in het financiële besluit WMO van Steenwijkerland.

Hoofdstuk 7: Herziening, intrekking en terugvordering

Artikel 19. Herziening of intrekking

Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beschikking herzien of intrekken als blijkt dat de inwoner niet of onvoldoende heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in de wet of die bij of krachtens deze verordening van toepassing zijn, waaronder inbegrepen het niet nakomen van de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit de bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst.

Artikel 20. Terugvordering en verrekenen

Het college kan een terug te vorderen bedrag, zoals bedoeld in artikel 2.4.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, verrekenen met nog uit te keren betalingen op grond van deze wet.

Hoofdstuk 8: Overige bepalingen

Artikel 21. Jaarlijkse blijk waardering mantelzorgers

  • 1. Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers als mantelzorg wordt verleend aan een inwoner die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Steenwijkerland.

  • 2. De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van inwoners in de gemeente bestaat uit een jaarlijks vastst stellen bedrag zoals vermeld in het financieel besluit Wmo Steenwijkerland.

  • 3. De bijdrage voor mantelzorg wordt per jaar aan maximaal 2 personen per adres toegekend

  • 4. De jaarlijkse blijk van waardering wordt op aanvraag verleend.

Artikel 22. Regeling voor klachtenafhandeling aanbieders

  • 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van alle voorzieningen.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek (CEO).

Artikel 23. Regeling voor medezeggenschap aanbieders

  • 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.

  • 2. Naast andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 24. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door:

    • a.

      voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      voorzieningen af te stemmen op andere vormen van hulp en ondersteuning of zorg;

    • c.

      inzet van de juiste deskundigheid;

    • d.

      ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector;

    • e.

      er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen over de veiligheid, kwaliteit van ondersteuning, doeltreffendheid, doelmatigheid en cliëntgerichtheid en de wijze waarop de invulling van de kwaliteitseisen wordt gewogen in toetsingskaders

  • 3. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.

  • 4. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 25. Prijs-kwaliteitsverhouding Maatwerkvoorzieningen

  • 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college de volgende criteria vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt bij een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en bij het aangaan overeenkomst met een derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • i.

        een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

      • ii.

        de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht als, bedoeld in artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, als bedoeld in artikel 2.6.5 lid 2 van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met:

    • a.

      kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

    • d.

      reis- en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van loon binnen een overeenkomst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:

    • a.

      de marktprijs van de voorziening, en

    • b.

      de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:

      • i.

        aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;

      • ii.

        instructie over het gebruik van de voorziening;

      • iii.

        onderhoud van de voorziening, en

      • iv.

        verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.

Artikel 26. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels over de manier waarop inspraak wordt verleend.

  • 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Artikel 27. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 door een zorgverlener en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2. Zorgverleners melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3. De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4. Het college kan bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld.

Artikel 28. Fraudepreventie en controle en toezicht

Het college zet in op fraudepreventie. Onderdeel daarvan is de manier waarop het college inwoners informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening (in natura of in de vorm van een PGB zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik.

Onrechtmatigheid of vermoedens van fraude worden afgehandeld volgens het geldende fraudebeleidskader.

Artikel 28.1 Tegengaan oneigenlijk gebruik

Het college treft de nodige maatregelen om het oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen en PGB’s te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:

  • 1.

    het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen;

  • 2.

    het college verricht zo nodig onderzoek bij zorgverleners van maatwerkvoorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Steenwijkerland onderhouden of die ondersteuning verlenen op grond van een PGB aan inwoners van Steenwijkerland en die verplicht zijn om kosteloos hun medewerking te verlenen;

  • 3.

    het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties;

  • 4.

    het college controleert, al dan niet steekproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in het voorgaande lid worden nagekomen;

  • 5.

    het college beperkt de looptijd van de indicaties of voert periodiek controles uit bij langlopende indicaties;

  • 6.

    het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een PGB op:

    • a.

      de regiemogelijkheden van de inwoner of degene die de cliënt als vertegenwoordiger wenst in te schakelen conform artikel 10 lid 2.a

    • b.

      de kwaliteit van de invulling van het door de inwoner en de PGB-aanbieder te overleggen zorgplan mede met het oog op de te bereiken resultaten conform artikel 7 lid 4 b

  • 7.

    het college monitort het gebruik van het PGB en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen

Artikel 28.2 Toezichthouders

  • 1. Het college wijst toezichthoudende ambtenaren aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015.

  • 2. De aangewezen toezichthouder is belast met:

    • a.

      de bevoegdheid inlichtingen te vorderen;

    • b.

      de bevoegdheid inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden en daarvan kopieën te maken;

    • c.

      de bevoegdheid, met medeneming van de benodigde apparatuur, plaatsen te betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner;

    • d.

      de bevoegdheid onderzoek te doen aan zaken, deze aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen;

    • e.

      de bevoegdheid identificatie te vorderen als bedoeld in de Wet op de identificatieplicht; ende verplichting voor eenieder om aan de toezichthouder alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen. Eenieder is verplicht de door de toezichthouders gevorderde medewerking binnen een door hen gestelde redelijke termijn te verlenen

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 29. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van hetgeen bij deze verordening is bepaald, voor zover toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 30. Intrekking oude verordening, overgangsrecht en her-indicaties

  • 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2020 wordt ingetrokken.

  • 2. Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2020, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2020 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld conform deze verordening.

  • 4. Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2020, gebeurt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2020 die daarvoor zijn geldigheid behoudt.

  • 5. Van het derde lid kan ten gunste van de inwoner worden afgeweken.

Artikel 31. Nadere regels, Financieel besluit Wmo Steenwijkerland en Beleidsregels

Deze verordening wordt vastgesteld door de gemeenteraad.

Ter uitvoering van deze verordening stelt het college de volgende onderliggende documenten vast:

  • 1.

    Financieel besluit Wmo Steenwijkerland: hierin worden bepalingen opgenomen over de financiële kaders en vergoedingen die voortvloeien uit deze verordening.

  • 2.

    Nadere regels Wmo: deze bevatten technische en procedurele uitwerkingen van de bepalingen in deze verordening, voor zover nodig voor een goede uitvoering.

  • 3.

    Beleidsregels Wmo: hierin wordt aangegeven op welke wijze het college gebruik maakt van de bevoegdheden die voortvloeien uit deze verordening, met inachtneming van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

De in het eerste, tweede en derde lid genoemde documenten worden openbaar gemaakt en zijn beschikbaar via de gemeentelijke website en/of het lokale regelgevingsregister.

Bij strijdigheid tussen deze verordening en de onderliggende documenten, prevaleert de verordening.

Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht naar 01-01-2026

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland.

Ondertekening

Bijlagen en documentatie