Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758898
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758898/1
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht 2026
Geldend van 01-04-2026 t/m heden
Intitulé
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht 2026De raad van de gemeente Maastricht
- •
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 januari 2026;
- •
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikelen 3.8, tweede lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
- •
gezien het advies van de domeinvergadering Sociaal van de gemeenteraad d.d. 24 februari 2026.
overwegende
- •
dat inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;
- •
dat van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;
- •
dat inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;
- •
dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet;
- •
en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;
Heeft in zijn vergadering van 3 maart 2026 besloten de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht 2026 vast te stellen.
Hoofdstuk 1: begripsbepalingen
Artikel 1. Definities
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- 1.
algemeen gebruikelijke voorziening: Voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau;
- 2.
algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning (artikel 1.1.1 Wmo2015). Dit onderzoek is niet diepgaand;
- 3.
andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- 4.
besluit nadere regels: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht;
- 5.
budgetbeheerder: persoon die verantwoordelijk is voor het beheer van het budget als de budgethouder hier zelf niet toe in staat is. Dit kan bijvoorbeeld een wettelijk vertegenwoordiger zijn, zoals een ouder, voogd, curator, bewindvoerder of mentor. De budgetbeheerder zorgt ervoor dat het pgb correct wordt besteed aan passende zorg en dat alle administratieve verplichtingen worden nageleefd. Dit kunnen ook meerdere personen zijn;
- 6.
budgethouder: een ondersteuningsbehoevende aan wie ingevolge de verordening maatschappelijke ondersteuning een persoonsgebonden budget is toegekend, dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger;
- 7.
bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;
- 8.
cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (artikel 1.1.1 Wmo2015);
- 9.
crisisopvang: kortdurende opvang bij acute dakloosheid;
- 10.
eigen kracht: het vermogen van de cliënt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen;
- 11.
financiële tegemoetkoming: wijze van verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een forfaitair of gemaximeerd bedrag;
- 12.
formele hulp: hulp die beroepsmatig wordt geleverd op structurele of regelmatige basis aan één of meer cliënten door:
- a.
een zorgaanbieder die als zorgverlenende organisatie staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel conform de vereisten van de Handelsregisterwet 2007 (artikel 5) en niet behoort tot het sociaal netwerk van de aanvrager, of;
- b.
een zorgaanbieder die staat ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) en niet behoort tot het sociaal netwerk van de aanvrager;
- c.
een zelfstandige zonder personeel (zzp’er) die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 onderdeel b Handelsregisterwet 2007) en niet behoort tot het sociaal netwerk.
- a.
- 13.
fraude: het met opzet verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens waarvan het voor de belanghebbende, waaronder mede begrepen de zorgaanbieder, redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze informatie van invloed kan zijn op het recht, op de hoogte of de duur van een (maatwerk)voorziening. Vaststelling hiervan geschiedt door de strafrechter en/of Openbaar Ministerie;
- 14.
gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (artikel 1.1.1 Wmo2015);
- 15.
gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;
- 16.
hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet;
- 17.
inkomen zoals van toepassing bij de algemene voorziening Scootmobielen: de van toepassing zijnde norm zoals bepaald in art. 21 en 22 van de Participatiewet, afgestemd op de leeftijd en huishoudsamenstelling van de gebruiker;
- 18.
informele hulp: hulp die geboden wordt: door een persoon uit het sociaal netwerk van de inwoner, of door een persoon die niet onder de definitie van formele hulp valt;
- 19.
ingezetene: cliënt die het hoofdverblijf heeft in de gemeente Maastricht;
- 20.
maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen (artikel 1.1.1 Wmo2015):
- a.
ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,
- b.
ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,
- c.
ten behoeve van beschermd wonen en opvang.
- a.
- 21.
maatschappelijke opvang: opvang en begeleiding voor mensen en gezinnen die dak- of thuisloos zijn geraakt;
- 22.
melding: melding van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;
- 23.
ondersteuningsplan: de schriftelijke verslaglegging van de adviezen, verwijzingen en afspraken die in samenspraak met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding, alsmede de beoogde resultaten en de evaluatie daarvan;
- 24.
persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;
- 25.
pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;
- 26.
sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo2015).
- 27.
tegemoetkoming meerkosten: een forfaitair of gemaximeerd bedrag gebaseerd op artikel 2.1.7 van de wet. De tegemoetkoming is bedoeld voor personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben. Hierbij wordt rekening gehouden met de werkelijke kosten en/of het inkomen;
- 28.
veilige opvang: opvang en begeleiding voor mensen en gezinnen die dak- of thuisloos zijn geraakt in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van geweld in afhankelijkheidsrelatie;
- 29.
voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt;
- 30.
wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet of de Algemene Wet Bestuursrecht. Alle bedragen die in deze verordening worden genoemd, betreffen prijspeil 2026 en zijn inclusief btw, tenzij anders is vermeld.
Hoofdstuk 2: melding en onderzoek
Artikel 2. Melding hulpvraag
-
1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld (artikel 2.3.2 lid 1 en 2.3.3 Wmo2015).
-
2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk (artikel 2.3.2 lid 1 en 2.3.3 Wmo2015).
-
3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek (artikel 2.3.2 lid 1 en 2.3.3 Wmo2015).
Artikel 3. Cliëntondersteuning
-
1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op gratis en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is (artikel 2.2.4 en 1.1.1 Wmo2015).
-
2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis en onafhankelijke cliëntondersteuning (artikel 2.2.4 en 1.1.1 Wmo2015).
Artikel 4. Persoonlijk plan
-
1. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. (Artikel 2.3.2 lid 2 Wmo2015).
-
2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het eerste lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6 (artikel 2.3.2 lid 2 Wmo2015).
Artikel 5. Onderzoek
-
1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.
-
2. De cliënt verschaft het college, voor of tijdens het gesprek, alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage (artikel 2.3.2 lid 7 Wmo2015).
-
3. Het college vraagt een daartoe door hem aangewezen adviseur met relevante deskundigheid om advies, indien dat advies naar het oordeel van het college nodig is voor een zorgvuldig onderzoek rond een melding, aanvraag of heronderzoek.
Artikel 6. Gesprek
-
1. Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie of cliëntondersteuner, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig (artikel 2.3.2 lid 4 Wmo2015):
- a.
de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling van de cliënt en het probleem of de hulpvraag;
- b.
het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;
- c.
de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
- d.
de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
- e.
de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
- f.
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
- g.
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
- h.
de noodzaak om een maatwerkvoorziening te verstrekken;
- i.
welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 en artikel 2.1.4a van de wet verschuldigd zal zijn, en
- j.
de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.
- a.
-
2. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten, de vervolgprocedure en de wijze waarop de verwerking van de over te leggen persoonsgegevens plaatsvindt.
-
3. Als de hulpvraag en de situatie van cliënt genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overeenstemming met de cliënt afzien van een gesprek.
-
4. De cliënt is op basis van artikel 2.3.8, derde lid van de wet verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Hieronder begrepen is de aanwezigheid van de cliënt en/of diens vertegenwoordiger bij het gesprek. Op het moment dat de cliënt en/of diens vertegenwoordiger aangeeft zelf niet te willen deelnemen aan (onderdelen van) het onderzoek dient er een zorgvuldige beoordeling plaats te vinden in hoeverre dit redelijkerwijs noodzakelijk is. In voorkomende gevallen wordt in het ondersteuningsplan verplicht aandacht besteed aan onderstaande punten. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang:
- a.
de motivatie van cliënt (of diens) vertegenwoordiger waarom hij niet wil deelnemen aan het onderzoek;
- b.
de mogelijkheden om op een andere manier voldoende informatie over de situatie van de cliënt te verkrijgen;
- c.
de gevolgen voor de cliënt.
- a.
Artikel 7. Gebruikelijke hulp
-
1. De cliënt komt pas in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als hij zelf geen oplossing kan vinden voor de hulpvraag met gebruikelijke hulp. Dit is de normale, dagelijkse hulp die huisgenoten elkaar onderling moeten bieden, omdat ze samen een duurzaam huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden en voor elkaar.
-
2. Het college maakt bij de beoordeling of de (gebruikelijke) hulp van de huisgenoot verwacht mag worden onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
- a.
Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. Het gaat hierbij om een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden in een tijdsbestek van 12 maanden.
- b.
Langdurend: het gaat om chronische situaties waarin naar verwachting de hulp bij de zelfredzaamheid en/of participatie langer dan drie aaneengesloten maanden nodig is.
- a.
-
3. Het college verwacht van huisgenoten dat zij in kortdurende situaties de benodigde hulp bieden. Het gaat hierbij ook om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt.
-
4. Het college verwacht van huisgenoten dat zij in langdurende situaties de gebruikelijke hulp bieden. Wat gebruikelijke hulp is, wordt bepaald aan de hand van de leden 5, 6 en 7,
-
5. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp in langdurende situaties houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren betreffende de cliënt:
- a.
De aard van de relatie met de huisgenoot
- b.
De mate van hulp die cliënt nodig heeft
- c.
De aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit
- d.
De mate van planbaarheid van de hulp
- e.
De behoeften en mogelijkheden van de cliënt.
- a.
-
6. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp in langdurende situaties houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren betreffende de huisgenoot:
- a.
De leeftijd van de huisgenoot
- b.
De woonsituatie
- c.
De beschikbaarheid om de hulp te bieden, rekening houdend met verplichtingen die de huisgenoot heeft, bijvoorbeeld voor werk en sociale activiteiten
- d.
De kennis, kunde en leerbaarheid van de huisgenoot om de noodzakelijke hulp te bieden
- e.
De lichamelijke en mentale belastbaarheid van de huisgenoot
- f.
Of er sprake is van belemmerende problematiek bij de huisgenoot
- g.
Het belang van de huisgenoot om een inkomen uit arbeid te krijgen
- h.
De vraag of financiële problemen (kunnen) ontstaan door het bieden van de hulp
- a.
-
7. Bij de belastbaarheid en bij (dreigende) overbelasting geldt bovendien het volgende:
- a.
Er moet een verband zijn tussen de (dreigende) (over)belasting en de hulp aan de cliënt.
- b.
Als de (over)belasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de hulpverlening aan de cliënt om, moet de huisgenoot eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.
- c.
Bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.
- d.
Als de (dreigende) (over)belasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de huisgenoot verwacht.
- a.
-
8. Als sprake is van (dreigende) overbelasting, wordt geen pgb voor het verlenen van hulp aan cliënt door die huisgenoot verstrekt. Een al eerder hiervoor verleend pgb kan worden ingetrokken. Een andere zorgverlener kan worden ingezet voor de benodigde hulp.
Artikel 8. Beoordelingskader voor een maatwerkvoorziening
Het college onderzoekt de noodzaak van de inzet van een maatwerkvoorziening aan de hand van de volgende stappen:
- 1.
De hulpvraag van de cliënt wordt vastgesteld.
- 2.
De beperkingen van de cliënt bij de zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving worden in kaart gebracht. Indien noodzakelijk laat het college zich adviseren.
- 3.
Op grond van de beperkingen die in stap 2 zijn vastgesteld wordt beoordeeld welke ondersteuning naar aard en omvang noodzakelijk is om de resultaatsgebieden van de Wmo 2015 te bereiken.
- 4.
Voordat de inzet van een maatwerkvoorziening wordt overwogen, wordt onderzocht of de resultaatsgebieden van de Wmo 2015 eventueel ook bereikt kunnen worden met:
- a.
Eigen kracht en eigen mogelijkheden en/of;
- b.
gebruikelijke hulp en/of;
- c.
mantelzorg en/of;
- d.
hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;
- e.
algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;
- f.
algemene voorzieningen en/of;
- g.
andere voorzieningen.
- a.
- 5.
De client wordt geïnformeerd over de mogelijkheid van het aanvragen van een pgb. Indien een pgb wordt aangevraagd, wordt beoordeeld of aan de voorwaarden voor een pgb wordt voldaan.
Artikel 9. Ondersteuningsplan
-
1. De cliënt ontvangt een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek
-
2. Binnen 21 dagen na het gesprek verstrekt het college het ondersteuningsplan aan de cliënt.
-
3. De cliënt tekent het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt over dit ondersteuningsplan zullen als bijlage aan het ondersteuningsplan worden toegevoegd. De cliënt zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen 21 dagen wordt geretourneerd.
-
4. Als de cliënt tekent voor gezien, geeft hij daarbij tevens aan wat de reden is waarom hij niet akkoord is.
Hoofdstuk 3: Proceswaarborgen voor cliënt
Artikel 10. Klachtregeling
-
1. Voor de afhandeling van klachten in het kader van de uitvoering van de verordening is het gemeentelijk klachtenreglement op grond van de Verordening interne klachtbehandeling gemeente Maastricht van toepassing.
Artikel 11. Periodiek onderzoek en nazorg
-
1. Het college onderzoekt in beginsel om de drie jaar of er aanleiding is een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet te heroverwegen. Heronderzoek kan vaker of minder vaak plaatsvinden afhankelijk van de situatie van de cliënt, de aard van de ondersteuning en de vorm waarin deze wordt verstrekt.
-
2. Het college onderzoekt in gevallen waar de melding is afgesloten met een ondersteuningsplan uiterlijk 6 weken na verzending van het ondersteuningsplan, al dan niet steekproefsgewijs, of het in het ondersteuningsplan beoogde doel wordt bereikt.
Hoofdstuk 4: Aanvraag en beschikking
Artikel 12. Aanvraag
-
1. Een aanvraag als bedoeld in 2.3.5. van de wet kan niet worden gedaan eerder dan het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen een termijn van zes weken na de melding (artikel 2.3.2 lid 1 en 2.3.5 lid 2 Wmo2015).
-
2. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag indienen bij het college.
-
3. Een aanvraag dient altijd schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).
-
4. De cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening, biedt het college desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.
-
5. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag (artikel 2.3.5 lid 2 Wmo2015).
-
6. Het college zal een ondertekend ondersteuningsplan van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het reactieformulier bij dit ondersteuningsplan heeft aangegeven.
Artikel 13. Criteria voor een maatwerkvoorziening
-
1. Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.
-
2. De volgende soorten maatwerkvoorzieningen kunnen worden onderscheiden:
- a.
Hulp bij het huishouden
- b.
Woonvoorzieningen
- c.
Een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en herinrichting
- d.
Lokale vervoersvoorzieningen
- e.
Rolstoelvoorzieningen
- f.
Hulpmiddelen
- g.
Begeleiding individueel
- h.
Begeleiding groep
- i.
Persoonlijke verzorging in de vorm van begeleiding bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen
- j.
Kortdurend verblijf
- k.
Beschermd wonen en (maatschappelijke) opvang
- a.
-
3. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo2015):
- a.
ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 6 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of
- b.
ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 6 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
- a.
-
4. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan.
-
5. Als maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college soortgelijke verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,
- a.
tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;
- b.
tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of als eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.
- a.
-
6. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. Het college kan in het besluit nadere regels stellen ten aanzien van de beoordeling van de aanspraak.
-
7. Bij het bepalen van de omvang van hulp bij het huishouden wordt toepassing gegeven aan het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 zoals opgesteld door bureau HHM en opgenomen in het Besluit nadere regels.
-
8. Geen woonvoorziening wordt verstrekt als:
- a.
de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen.
- b.
de woonruimte niet geschikt is voor permanente bewoning.
- c.
de noodzaak voor een voorziening het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen noodzaak was. Van noodzaak is in beginsel sprake indien deze arbeid gerelateerd is, voortkomt uit scheiding of uit belemmerende gezinsomstandigheden.
- d.
de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college.
- e.
de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.
- a.
-
9. Voor zover belanghebbende kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning waarbij de verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat, zal deze mogelijkheid eerst beoordeeld worden (primaat van verhuizing). Deze beoordeling vindt alleen plaats indien de nu en in de toekomst verwachte maatwerkvoorzieningen een bedrag van € 10.000,- te boven gaat, rekening houdend met nu bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. Het college kan in voorkomende gevallen een verhuisindicatie en een financiële tegemoetkoming verstrekken voor verhuis- en inrichtingskostenkosten. Het in dit lid genoemde bedrag wordt jaarlijks per 1 januari aangepast met maximaal de jaarmutatie oktober van de inputprijsindex bouwkosten nieuwbouwwoningen (laatst vastgestelde basisjaar) zoals gepubliceerd door het CBS.
-
10. Het primaat van verhuizing, zoals bedoeld in lid 9 wordt niet toegepast indien:
- a.
naar verwachting van het college er niet binnen een tijdsbestek van 1 jaar een woning beschikbaar komt waar naartoe de belanghebbende kan verhuizen, tenzij uit onderzoek blijkt dat het medisch verantwoord is om de in dit lid genoemde termijn te verruimen;
- b.
er een contra-indicatie tot verhuizen aanwezig is op grond van objectieve psychische en/of sociale redenen;
- c.
de woning waarnaartoe kan worden verhuisd niet geschikter is dan de huidige woning;
- d.
de woning waarnaartoe kan worden verhuisd zich niet binnen de gemeentegrenzen bevindt.
- a.
-
11. Ten aanzien van het oplossen van beperkingen ten aanzien van het zich lokaal verplaatsen, geldt het volgende:
- a.
Een vervoersvoorziening stelt de aanvrager in staat zich te verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving in een straal van 25 kilometer rond de woning met in beginsel een maximum van 1.500 kilometer per jaar.
- b.
Het primaat ligt bij het collectief vraagafhankelijk vervoer (“Omnibuzz”). Het college hanteert bij indicatiestelling de Richtlijn indicatiestelling Collectief Vraagafhankelijk Vervoer “Omnibuzz” zoals opgenomen in het Besluit nadere regels. Dit vervoer wordt uitgevoerd conform de actuele versie van het vervoerreglement van Omnibuzz, welke kenbaar is gemaakt aan de gebruiker. Op kalenderjaarbasis wordt een reisbudget van maximaal 590 zones toegekend aan een cliënt, rekening houdend met de grens van maximaal 5 reiszones per rit. In afwijking hierop kan op aanvraag van een cliënt en na onderzoek door het college in bijzondere individuele gevallen een hoger reisbudget worden toegekend door het college.
- a.
-
12. Bij de (elektrisch aangedreven) individuele vervoersvoorziening, welke verstrekt is als maatwerkvoorziening of beschikbaar is gesteld via de algemene voorziening scootmobielen Maastricht, geldt voor een stallingsplek:
- a.
Er moet een brandveilige stallingsplek beschikbaar zijn.
- b.
Medewerking is vereist aan het realiseren van een geschikte individuele of gezamenlijke stalling.
- c.
Het college kan een aanvraag voor een individuele vervoersvoorziening weigeren of intrekken als er geen geschikte stalling in of rond de woning mogelijk is.
- a.
Artikel 14. Voorziening gerealiseerd of gekocht voor melding
-
1. De cliënt komt niet in aanmerking voor een voorziening als de cliënt:
- a.
de voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen en de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kunnen worden vastgesteld;
- b.
de voorziening na de melding en vóór besluitdatum heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan worden vastgesteld.
- a.
Artikel 15. Inhoud beschikking
-
1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura, als pgb of als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt en indien van toepassing welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
-
2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
- a.
wat de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;
- b.
wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;
- c.
hoe de voorziening wordt verstrekt, en,
- d.
of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.
- a.
-
3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
- a.
voor welk resultaat het pgb dient te worden aangewend;
- b.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
- c.
wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
- d.
wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;
- e.
de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb en,
- f.
of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten.
- a.
-
4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
- a.
De hoogte van de financiële tegemoetkoming;
- b.
voor welk resultaat de financiële tegemoetkoming dient te worden aangewend;
- c.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van de financiële tegemoetkoming;
- d.
wat de duur is van de verstrekking waarvoor de financiële tegemoetkoming is bedoeld;
- e.
de wijze van verantwoording van de besteding van de financiële tegemoetkoming en
- f.
of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten.
- a.
Hoofdstuk 5: persoonsgebonden budget en financiële tegemoetkoming
Artikel 16. Regels voor pgb
-
1. Verstrekking van een pgb vindt plaats op basis van een door aanvrager opgesteld en door het college geaccordeerd budgetplan. In het plan staat hoe de budgethouder zijn hulp wil organiseren, wie deze hulp gaat leveren en op welke manier de kwaliteit van de hulp en de veiligheid van de aanvrager zijn geborgd. Het plan bevat alle informatie ten aanzien van:
- a.
de te treffen voorziening en het beoogde doel,
- b.
de voorgenomen uitvoering daarvan,
- c.
de kwalificaties van de uitvoering,
- d.
een motivering waarom hij een persoonsgebonden budget wenst en,
- e.
de aan de uitvoering verbonden kosten,
- f.
in het plan staat bovendien als voorwaarde geformuleerd dat de hulpverlener calamiteiten dient te melden bij de toezichthouder genoemd in artikel 23 en medewerking moet verlenen aan onderzoek door deze toezichthouder aangaande rechtmatigheid, kwaliteit en veiligheid.
- a.
-
2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de melding heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was, zoals bepaald in artikel 14 van deze verordening.
-
3. De hoogte van een pgb:
- a.
is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld en door het college vastgesteld plan zoals beschreven in lid 1;
- b.
wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en,
- c.
bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura.
- a.
-
4. De hoogte van een pgb voor een zaak wordt bepaald:
- a.
Op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt middels een contract tussen college en leverancier, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering.
- b.
Als de zaak een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering.
- c.
Indien de zaak geen onderdeel uitmaakt van een contract tussen het college en een door haar gecontracteerde leverancier, wordt de hoogte gebaseerd op ten hoogste de door het college goedgekeurde goedkoopst adequate offerte indien van toepassing verhoogd met een bedrag voor onderhoud, reparatie en verzekering.
- a.
-
5. De hoogte van een pgb voor dienstverlening wordt bepaald:
- a.
Op ten hoogste de kostprijs van de dienstverlening die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt middels een contract tussen college en leverancier, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting.
- b.
Afhankelijk van de ondersteuningsvorm en onverminderd het bepaalde in sub a van dit lid, hanteren we voor dienstverlening een tarief per uur (individuele dienstverlening), per dagdeel (groepsbegeleiding) of per etmaal (verblijf), indien van toepassing tevens gespecificeerd naar mate van complexiteit. Een overzicht van de toepasselijke tarieven is opgenomen in bijlage 1.
- a.
-
6. Onverminderd het bepaalde in dit artikel is de richtlijn bestedingsmogelijkheden persoonsgebonden budget van toepassing zoals opgenomen in bijlage 2. Het college kan in individuele situaties afwijkende bestedingsmogelijkheden toestaan. Indien van toepassing worden deze vastgelegd in de beschikking.
-
7. De persoonsgebonden budget tarieven voor de dienstverlening in het kader van de Wmo 2015 worden, jaarlijks, met ingang van 1 januari, geïndexeerd:
- a.
Bij formele hulp geldt een gewogen prijsindexcijfer dat bestaat uit de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA,90%) en het Prijsindexcijfer Particuliere Consumptie (PPC,10%). Het toe te passen prijsindexcijfer betreft de som van het voorlopig prijsindexcijfer OVA-PPC voor het komende jaar en een correctie van het prijsindexcijfer OVA-PPC van het lopende jaar. Indien deze bedragen wijzigen draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen.
- b.
Bij informele hulp geldt dat de tarieven worden geïndexeerd volgens de Wet Minimumloon en minimumvakantietoeslag. Indien deze bedragen wijzigen draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen.
- a.
-
8. Als de inwoner ervoor kiest zijn hulp te ontvangen via een pgb, dan is hij in principe ook de budgetbeheerder.
-
9. De inwoner kan het pgb door een ander laten beheren, op voorwaarde dat er sprake is van onafhankelijkheid, aanwezigheid en bereikbaarheid. De beheerder van het pgb mag niet dezelfde persoon zijn als degene die de met het pgb ingekochte hulp verleent.
-
10. De inwoner of zijn budgetbeheerder is in ieder geval verantwoordelijk voor:
- a.
het inkopen van de hulp;
- b.
het aansturen van de hulpverlener en het houden van toezicht op de kwaliteit van de geleverde hulp;
- c.
het beheren van het pgb en alle regels die daarbij horen;
- d.
het erop toezien dat de met het pgb ingekochte hulp veilig, doeltreffend, cliëntgericht, doelmatig en rechtmatig wordt geleverd;
- e.
het jaarlijks uit eigen beweging en steeds wanneer het college of de Sociale verzekeringsbank (SVB) daarom verzoeken, afleggen van verantwoording aan het college en de SVB over het pgb en de kwaliteit van de geleverde maatwerkvoorziening.
- a.
-
11. De inwoner of zijn budgetbeheerder moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
- a.
hij is handelingsbekwaam;
- b.
hij overziet de situatie van de inwoner en heeft een duidelijk beeld van diens hulpvraag;
- c.
hij is op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb, of hij weet die zelf bij de desbetreffende instanties (online) te vinden;
- d.
hij is in staat om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden, heeft inzicht in de bestedingen van het pgb en kan die verspreiden over de periode waarvoor het pgb is afgegeven;
- e.
hij is voldoende vaardig om te communiceren met instanties zoals de gemeente, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en zorgverleners;
- f.
hij is in staat om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een hulpverlener te kiezen;
- g.
hij is in staat om afspraken te maken en vast te leggen en om deze te verantwoorden aan het college;
- h.
hij kan beoordelen en beargumenteren of de geleverde hulp middels een pgb passend, veilig en kwalitatief goed is;
- i.
hij kan de inzet van hulpverleners coördineren, waardoor de hulp door kan gaan, ook bij verlof of ziekte;
- j.
hij is in staat om als werk- of opdrachtgever de hulpverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren;
- k.
hij heeft voldoende juridische kennis over het werk- of opdrachtgeverschap of weet deze kennis te vinden;
- l.
de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst in woord en geschrift voor zover relevant voor de uitvoering van de werkzaamheden en contractuele verplichtingen.
- a.
-
12. Een pgb voor beschermd wonen is in beginsel exclusief de kosten voor huisvesting.
-
13. Eventuele groepsbegeleiding (met of zonder vervoer) bij beschermd wonen wordt apart geïndiceerd en hierbij gelden de tarieven voor groepsbegeleiding zoals opgenomen in bijlage 1.
-
14. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Bij formele hulp is er het onderscheid tussen ZZP’ers en hulpverleners in dienst bij een instelling.
-
15. De inwoner kan het pgb besteden aan formele hulp door een hulpverlener die ZZP’er is. De eisen aan ZZP’ers zijn:
- a.
De ZZP’er staat als professional voor de via het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven bij de Kamer van Koophandel volgens de eisen van de Handelsregisterwet 2007 en,
- b.
De ZZP’er werkt met een systeem voor dossiervorming en kwaliteitsbewaking en,
- c.
In geval van een pgb voor beschermd wonen en/of begeleiding gelden de volgende aanvullende eisen: De ZZP’er heeft ervaring, kwalificaties en/of opleidingen die passend zijn bij de te verrichten activiteiten, complexiteit en aard van de problematiek(en) van de cliënt. Dit kan blijken uit:
- I.
een registratie bij het Registerplein als Sociaal Werker, GGZ Agoog, Maatschappelijk werker of Cliëntondersteuner; en/of
- II.
een diploma van een relevante opleiding die is erkend door het Centraal Register Beroepsopleidingen (Crebo). Een relevant diploma is bijvoorbeeld de beroepsopleiding Maatschappelijke zorg (code BC310 in Crebo) of de beroepsopleiding Cultureel werk (code BC348 in Crebo).
- I.
- a.
-
16. De inwoner kan het pgb besteden aan formele hulp door een hulpverlener bij een instelling. De eisen aan hulpverleners bij een instelling zijn:
- a.
De hulpverlener is in dienst van een organisatie die voor de met het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel volgens de eisen van de Handelsregisterwet 2007 en,
- b.
De organisatie waar de hulpverlener in dienst is, werkt met een systeem voor dossiervorming en kwaliteitsbewaking en,
- c.
In geval van een pgb voor beschermd wonen en/of begeleiding gelden de volgende aanvullende eisen: De hulpverlener heeft ervaring, kwalificaties en/of opleidingen die passend zijn bij de te verrichten activiteiten, complexiteit en aard van de problematiek(en) van de cliënt. Dit kan blijken uit:
- I.
een registratie bij het Registerplein als Sociaal Werker, GGZ Agoog, Maatschappelijk werker of Cliëntondersteuner; en/of
- II.
een diploma van een relevante opleiding die is erkend door het Centraal Register Beroepsopleidingen (Crebo). Een relevant diploma is bijvoorbeeld de beroepsopleiding Maatschappelijke zorg (code BC310 in Crebo) of de beroepsopleiding Cultureel werk (code BC348 in Crebo).
- I.
- a.
-
17. De inwoner kan het pgb besteden aan hulp door een informele hulpverlener, als die hulpverlener:
- a.
aannemelijk maakt dat de hulp niet tot overbelasting van de hulpverlener leidt;
- b.
zich voldoende op de hoogte heeft gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van de hulp verbonden zijn;
- c.
aantoont dat hij hulp kan bieden die van goede kwaliteit is en waarbij het belang van de inwoner centraal staat. De hulpverlener moet op basis van opleiding en ervaring in staat worden geacht de in de individuele situatie vereiste hulpverlening te bieden; en
- d.
een Verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG - specifiek screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’) kan overleggen. De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden voor de datum van de aanvraag. Bij een eventuele verlenging van een PGB mag de VOG niet ouder zijn dan 3 jaar.
- a.
-
18. Hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt altijd als hulp door een informele hulpverlener gezien, los van eventuele opleiding en ervaring. Met het sociale netwerk wordt in ieder geval bedoeld bloed- of aanverwanten in de 1e en 2e graad.
Artikel 17: criteria voor weigering persoonsgebonden budget
-
1. Een persoonsgebonden budget is uitsluitend mogelijk voor maatwerkvoorzieningen.
-
2. Het college kent geen pgb toe:
- a.
als de inwoner naar het oordeel van het college op eigen kracht onvoldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake of als de budgetbeheerder onvoldoende in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
- b.
voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening of;
- c.
indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e.
- d.
als de inwoner niet voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 16 van deze verordening;
- e.
als bij de inwoner en/of de budgetbeheerder sprake is van crisisopvang, maatschappelijke opvang of veilige opvang;
- f.
als er niet wordt voldaan aan de 10 punten pgb-vaardigheidscheck (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2021/09/21/infographic-met-toelichting---toetsing-10-punten-pgb-vaardigheid) van het ministerie van VWS;
- g.
als het bieden van een keuze voor het persoonsgebonden budget negatieve gevolgen zou hebben voor het voortbestaan van het systeem van de desbetreffende maatwerkvoorzieningen in natura, te weten: Het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer voor Wmo-geïndiceerden;
- a.
Artikel 18: uitbetaling en controle van het persoonsgebonden budget
-
1. Het persoonsgebonden budget wordt niet uitbetaald op de bankrekening van de budgethouder, maar op rekening van het servicecentrum PGB van de Sociale verzekeringsbank. Budgethouders hebben een trekkingsrecht op basis van het toegekende persoonsgebonden budget.
-
2. In afwijking van het eerste lid kan het college besluiten eenmalige persoonsgebonden budgetten uit te keren op een andere rekening dan die van het servicecentrum PGB van de Sociale verzekeringsbank. Uitbetaling vindt ook in deze gevallen in principe achteraf plaats.
-
3. Het trekkingsrecht op basis van een persoonsgebonden budget geldt in beginsel per kalenderjaar.
-
4. In individuele gevallen kan worden afgeweken van het bepaalde in het derde lid.
-
5. De Sociale verzekeringsbank controleert vooraf de zorgovereenkomst(en) tussen de budgethouder en zijn zorgverlener arbeidsrechtelijk.
-
6. Het college controleert vooraf de zorgovereenkomst op de afspraken zoals overeengekomen in het budgetplan.
-
7. Het college kan, achteraf, na afloop van de verstrekking dan wel na afloop van enig kalenderjaar, de verstrekte persoonsgebonden budgetten, middels een steekproef controleren.
-
8. Het college kan op basis van een steekproef een verdere controle uitvoeren aan de hand van door de budgethouder te overleggen relevante, originele en gedateerde facturen en/of betaalbewijzen en/of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen.
-
9. In verband met de in lid 8 van dit artikel genoemde controle dient de budgethouder gedurende een periode van 3 jaar bewijsstukken te bewaren van de besteding van het persoonsgebonden budget.
-
10. Indien, met de in dit artikel genoemde bescheiden niet of niet volledig de adequate besteding van het persoonsgebonden budget aangetoond kan worden of bij gebleken misbruik dan wel aanwending van het persoonsgebonden budget ten behoeve van andere zaken dan waartoe dit is toegekend, kan het college bij gebleken misbruik (fraude) het al verstrekte persoonsgebonden budget geheel of ten dele intrekken en terugvorderen. In de overige gevallen kan het college het persoonsgebonden budget geheel of ten dele intrekken.
-
11. Ingeval een persoonsgebonden budget voor een eenmalige aanschaf vooraf wordt uitbetaald, controleert het college de besteding hiervan achteraf. Cliënt dient binnen 3 maanden na verstrekking van het persoonsgebonden budget desgevraagd een originele nota te overleggen. Het vastgestelde persoonsgebonden budget betreft een maximumvergoeding. Indien de ingediende nota lager is dan het toegekende PGB, zal het PGB worden gelijkgesteld met het bedrag vermeld in de nota.
-
12. Bij overlijden van de cliënt zal het persoonsgebonden budget voor periodieke dienstverlening worden stopgezet per eerste dag van de maand volgend op de maand van overlijden.
-
13. Indien het een pgb voor een materiele voorziening betreft die wordt uitgekeerd op een andere rekening dan die van het servicecentrum PGB van de Sociale verzekeringsbank, kan het college ervoor kiezen om het pgb in maandelijkse termijnen te betalen. Dit kan aan de orde zijn indien dit de periodiciteit is die bij een soortgelijke materiele voorziening in natura wordt toegepast indien deze via een gecontracteerde aanbieder zou worden verstrekt.
Artikel 19. Regels voor financiële tegemoetkomingen
-
1. Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken.
- a.
De financiële tegemoetkoming die per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (eigen) auto bedraagt € 1.445,-;
- b.
De financiële tegemoetkoming die per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een taxi bedraagt € 1.445,-;
- c.
De financiële tegemoetkoming die per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een rolstoeltaxi, bedraagt € 2.166,-;
- d.
De financiële tegemoetkoming die per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een bruikleenauto bedraagt € 930,-;
- e.
De financiële tegemoetkoming die verstrekt wordt voor een autoaanpassing bedraagt maximaal € 2.723,- rekening houdende met het hiertoe in de nadere regels bepaalde;
- f.
De financiële tegemoetkoming voor verhuis- en (her)inrichtingskosten bedraagt in beginsel € 2.045,-. Bij aantoonbare noodzakelijke meerkosten kan dit bedrag in het individuele geval hoger worden vastgesteld. Daarbij geldt dat de hoogte van deze financiële tegemoetkoming definitief wordt bepaald op het moment dat daadwerkelijke verhuizing plaatsvindt, te weten op het bedrag dat op dat moment van toepassing is in de vigerende verordening;
- g.
Een sportrolstoel wordt uitsluitend verstrekt als financiële tegemoetkoming. Het bedrag bedraagt maximaal € 4.766,- en is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel voor een periode van drie jaar;
- h.
Een woningaanpassing conform hetgeen hiertoe is vastgesteld in de nadere regels;
- i.
De financiële tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van een woonruimte, niet zijnde woonverblijf, bedraagt maximaal € 4.285,- ten behoeve van maximaal één woning.
- a.
-
2. De tarieven in dit artikel – uitgezonderd lid h. - worden, jaarlijks, met ingang van 1 januari, geïndexeerd conform het CPI-indexcijfer, alle huishoudens (laatst gepubliceerde reeks). De aanpassing zal worden berekend op basis van de jaarmutatie van de maand juli en wordt afgerond op één decimaal. Indien deze bedragen wijzigen draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen.
Hoofdstuk 6: bijdrage aan voorzieningen
Artikel 20. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen, pgb’s of financiële tegemoetkomingen.
-
1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb of financiële tegemoetkoming, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb of financiële tegemoetkoming wordt verstrekt.
-
2. De bijdrage voor maatwerkvoorzieningen, pgb of financiële tegemoetkomingen bedraagt 100% van de in artikel 2.1.4a lid 4 of 2.1.4 lid 3 van de wet genoemde bijdrage per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet, of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, of op basis van deze verordening geen bijdrage is verschuldigd.
-
3. Er geldt geen eigen bijdrage:
- a.
voor rolstoelen;
- b.
voor de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten;
- c.
voor personen tot 18 jaar met in achtneming van het bepaalde in lid 6 van dit artikel;
- d.
Binnen het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (“Omnibuzz”) is een algemeen gebruikelijke klantbijdrage aan de orde. Deze klantbijdrage is per 1 januari 2026 vastgesteld op €0,99 per (instap)zone, voor maximaal 590 zones per kalenderjaar, behoudens het gestelde in de nadere regels. Vanaf 590 zones geldt een klantbijdrage van € 6,32 per zone. De klantbijdrage wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd met de LTI-index en door de uitvoeringsorganisatie ‘Omnibuzz’ kenbaar gemaakt aan reizigers. Voor minima geldt de Regeling gratis vraagafhankelijk vervoer gemeente Maastricht 2026 e.v.
- e.
Bij aanpassingen in algemene en collectieve ruimte(n) in die gevallen waarbij het individueel gebruik daarvan door de cliënt niet aannemelijk dan wel geborgd is.
- f.
Voor crisisopvang
- a.
-
4. De kostprijs van een maatwerkvoorziening, pgb of financiële tegemoetkoming wordt als volgt vastgesteld:
- a.
De kostprijs voor een zaak wordt vastgesteld op maximaal 100% van de kosten van de goedkoopst adequate voorziening in natura, indien van toepassing inclusief onderhoud, verzekering en reparatie, zoals door het college aan een door haar gecontracteerde leverancier zou worden betaald.
- b.
De kostprijs voor een zaak die geen onderdeel uitmaakt van een contract tussen het college en een door haar gecontracteerde leverancier, wordt vastgesteld op maximaal 100% van de kosten van de goedkoopst adequate voorziening, indien van toepassing verhoogd met een bedrag voor onderhoud, verzekering en reparatie, vast te stellen door het college op basis van een offerte.
- a.
-
5. De vaststelling van de eigen bijdrage door het college voor veilige opvang gebeurt als volgt:
- a.
De eigen bijdrage voor de veilige opvang bedraagt € 550,- per maand en wordt jaarlijks per 1 januari aangepast met maximaal de jaarmutatie van de CPI totale besteding (laatst vastgestelde basisjaar) zoals gepubliceerd door het CBS;
- b.
Deze eigen bijdrage geldt voor de cliënt die 18 jaar of ouder is en de eventuele minderjarige kinderen als tenminste 1 etmaal verblijf nodig is;
- c.
De bijdrage(n) voor een maatwerkvoorziening of pgb worden vastgesteld en geïnd door de instelling waar veilige opvang wordt geboden. Geen gegevensuitwisseling vindt plaats met het Centraal Administratiekantoor (CAK).
- a.
-
6. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. Zij zijn allen hoofdelijk aansprakelijk.
-
7. Vaststelling en inning van de eigen bijdrage gebeurt op basis van de landelijke regels door het Centraal administratiekantoor (CAK). Uitzondering hierop vormt de eigen bijdrage voor veilige opvang. Zie lid 5 van dit artikel.
Artikel 21. Regels voor bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen
-
1. Regels voor de algemene voorziening scootmobielen:
- a.
Ten behoeve van de verstrekking van scootmobielen kent de gemeente een algemene voorziening waarvoor een lichte toegangstoets plaatsvindt. Het betreft hier een algemene voorziening waarbij geen sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie als bedoeld in art. 2.1.4, lid 3 van de wet.
- b.
Gebruikers van de onder a. genoemde algemene voorziening, die hiertoe een bruikleenovereenkomst afsluiten met de door het college gecontracteerde leverancier, betalen een bijdrage. Deze bijdrage wordt bepaald op de kostprijs per maand van de verstrekte scootmobiel zoals overeengekomen tussen de gecontracteerde leverancier en het college.
- c.
Aan de volgende categorieën gebruikers wordt op aanvraag een tegemoetkoming in de meerkosten verleend op de in lid b genoemde bijdrage:
- -
Inkomen tot 110%: 60% tegemoetkoming op kostprijs,
- -
Inkomen tussen 110% en 150%: 30% tegemoetkoming op de kostprijs.
- -
- a.
-
2. De in lid 1 sub a. benoemde lichte toegangstoets omvat de volgende voorwaarden, waarbij aan elke voorwaarde voldaan dient te worden door de persoon die gebruik maakt van deze algemene voorziening:
- a.
Inwoner van de gemeente Maastricht (controle via BRP),
- b.
Minimale leeftijd van 18 jaar (controle via BRP),
- c.
Situatie van uiterst beperkte mobiliteit (beoordeling door inwoner zelf op basis van (para)medische documenten)
- d.
Voldoende aangetoonde rijvaardigheid op de scootmobiel (beoordeling door gecontracteerde hulpmiddelenleverancier),
- e.
Adequate stallingsmogelijkheid aanwezig voor de scootmobiel (beoordeling door gecontracteerde hulpmiddelenleverancier).
- a.
-
3. De in lid 1 sub b. en c. benoemde kostprijzen zijn als volgt:
- a.
Scootmobiel STANDAARD-COMPACT (A): €44,90 per maand;
- b.
Scootmobiel STANDAARD (B): €44,90 per maand;
- c.
Scootmobiel COMFORT (C): €69,50 per maand.
- a.
-
4. De in lid 3 van dit artikel genoemde kostprijzen worden jaarlijks per 1 januari aangepast met maximaal de jaarmutatie september van de CPI totale besteding (laatst vastgestelde basisjaar) zoals gepubliceerd door het CBS.
-
5. De in lid 1 sub b. gestelde verplichting tot het betalen van een bijdrage start vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgend op de maand waarin de bruikleenovereenkomst is aangegaan. Deze verplichting loopt door tot het einde van de kalendermaand waarin de bruikleenovereenkomst is beëindigd. Daarbij zijn enkel volledige maandbedragen van toepassing, ook als de bruikleenovereenkomst eerder eindigt.
-
6. Personen die gebruik maken van de in lid 1 sub c. benoemde tegemoetkoming in de meerkosten, zijn verantwoordelijk voor de juistheid en juiste aanlevering van de relevante gegevens waaronder het inkomen, rekening houdend met het bepaalde in artikel 1 lid 18 en 28 van deze verordening. Hieronder wordt tevens verstaan het uit eigen beweging en onverwijld doorgeven van mutaties hierin indien deze van invloed zijn op deze tegemoetkoming. Indien uit materiële controle achteraf door het college blijkt dat de verstrekking van de tegemoetkoming op onjuiste of onvolledige gronden is gebaseerd, kan het college van de cliënt de geldwaarde terugvragen van de ten onrechte genoten tegemoetkoming, conform het hiertoe bepaalde in artikel 2.3.10 en 2.4.1 van de Wmo2015.
Hoofdstuk 7: kwaliteit en toezicht
Artikel 22. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
-
1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:
- a.
het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt en ;
- b.
het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning die inwoner ontvangt, waaronder informele zorg en;
- c.
erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard en;
- d.
voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de relevante deskundigheid van beroepskrachten ten minste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.
- a.
-
2. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.
-
3. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn.
-
4. Het college kan in overeenkomsten en bij subsidieverlening aanvullende eisen stellen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten, goed werkgeverschap, de klachtregeling en medezeggenschapseisen daaronder begrepen.
-
5. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.
Artikel 23. Veiligheid, kwaliteit en rechtmatigheid
-
1. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.
-
2. Het college treft een regeling, zoals bedoeld in artikel 6.1 van de wet, voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.
-
3. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.
-
4. De toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
-
5. Toezicht en handhaving gericht op rechtmatigheid wordt verricht door de gemeentelijke Sociale recherche. Het college treft hiertoe een nadere regeling.
Hoofdstuk 8: herziening, intrekking, terugvordering, voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015
Artikel 24. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015
-
1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb of financiële tegemoetkoming zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
-
2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. (artikel 2.3.8 Wmo2015).
-
3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat (artikel 2.3.10 lid 1 Wmo2015):
- a.
de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
- b.
de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen. Een beleidswijzing valt hier ook onder;
- c.
de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;
- d.
de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de maatwerkvoorziening of het pgb, of
- e.
de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt;
- f.
wijzigingen in het landelijk en/of gemeentelijk beleid hier aanleiding toe geven, waarbij een overgangsperiode wordt geboden.
- a.
-
4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
-
5. Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, waaronder de zorgaanbieder, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.
-
6. Ingeval van door de strafrechter en/of het Openbaar Ministerie vastgestelde fraude zoals genoemd in het vijfde lid, kan het college een zorgaanbieder uitsluiten van verdere dienstverlening.
Artikel 25. Opschorting betaling uit het pgb
-
1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.
-
2. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste lid.
Hoofdstuk 9: waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen
Artikel 26. Jaarlijkse waardering mantelzorgers
-
1. Mantelzorgers ontvangen automatisch een jaarlijkse blijk van waardering indien zij voldoen aan de volgende voorwaarden:
- a.
De mantelzorger verleent minimaal 8 uur per week onbetaalde mantelzorg;
- b.
De persoon voor wie wordt gezorgd, woont in de gemeente Maastricht. De mantelzorger hoeft zelf niet in Maastricht te wonen;
- c.
De mantelzorger staat ingeschreven bij Steunpunt Mantelzorg Zuid.
- a.
-
2. De jaarlijkse blijk van waardering omvat een cadeaukaart ter waarde van 75 euro.
-
3. Het college kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.
Hoofdstuk 10: medezeggenschap en inspraak
Artikel 27. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
-
1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, onder wie in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
-
2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
-
3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.
-
4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.
Hoofdstuk 11: overige bepalingen
Artikel 28. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
-
1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:
- a.
een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of
- b.
een reële prijs die geldt als ondergrens voor:
- i.
een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en
- ii.
de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.
- i.
- a.
-
2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:
- a.
overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en
- b.
rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.
- a.
-
3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:
- a.
de kosten van de beroepskracht;
- b.
redelijke overheadkosten;
- c.
kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;
- d.
reis en opleidingskosten;
- e.
indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;
- f.
overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen, aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening, instructie over het gebruik van de voorziening, onderhoud van de voorziening, en verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. sociaal wijkteams).
- a.
-
4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.
-
5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.
Artikel 29. Evaluatie
-
1. Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk
Artikel 30. Nadere regels en hardheidsclausule
-
1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
-
2. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening.
-
3. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt
Artikel 31. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
-
1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht 2020 wordt ingetrokken.
-
2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht 2020, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.
-
3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht 2020 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.
-
4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht 2020, wordt beslist met inachtneming van die verordening.
-
5. Een krachtens de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht 2020 toegekende voorziening geldt als voorziening toegekend krachtens deze verordening
Hoofdstuk 12: slotbepaling
Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze verordening treedt in werking op 1 april 2026
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht 2026
Ondertekening
Aldus besloten door de Raad der gemeente Maastricht in zijn openbare vergadering van 3 maart 2026
De Secretaris a.i. ,
G.G.H.M Haanen
De Burgemeester,
W.A.G. Hillenaar
Bijlage 1: tarieven persoonsgebonden budgetten Wmo
Tabel 1a: Tarieven ambulante dienstverlening vanaf inwerkingtreding Verordening maatschappelijke ondersteuning 2026 voor nieuwe aanvragers en na herindicatie bestaande cliënten
|
Informele hulp |
||
|
Dienstverlening |
Tariefbepaling |
2026 |
|
Huishoudelijke hulp |
per uur |
€ 18,20 |
|
individuele begeleiding |
per uur |
€ 18,20 |
|
Persoonlijke verzorging |
per uur |
€ 18,20 |
|
Groepsbegeleiding |
per dagdeel |
€ 18,20 |
|
Kortdurend verblijf |
per etmaal |
€ 45,50 |
|
Formele hulp |
||
|
Dienstverlening |
Tariefbepaling |
2026 |
|
Huishoudelijke hulp |
per uur |
€ 31,38 |
|
individuele begeleiding |
per uur |
€ 46,97 |
|
Persoonlijke verzorging |
per uur |
€ 35,96 |
|
Groepsbegeleiding |
per dagdeel |
€ 46,97 |
|
Groepsbegeleiding met vervoer |
|
€ 51,97 |
|
Kortdurend verblijf |
per etmaal |
€ 132,43 |
De tarieven van bovenstaande ambulante dienstverlening zijn als volgt tot stand gekomen:
- -
Huishoudelijke hulp informeel: het wettelijk minimumloon te vermeerderen met vakantietoeslag (8%) en de tegenwaarde van de verlofuren (237 uren). In dit tarief is geen rekening gehouden met mogelijke aanpassing per 1 januari 2026 van de Regeling dienstverlening aan Huis (zie hieronder).
- -
Begeleiding individueel informeel: het wettelijk minimumloon te vermeerderen met vakantietoeslag (8%) en de tegenwaarde van de verlofuren (237 uren). In dit tarief is geen rekening gehouden met mogelijke aanpassing per 1 januari 2026 van de Regeling dienstverlening aan Huis (zie hieronder).
- -
Persoonlijke verzorging informeel: het wettelijk minimumloon te vermeerderen met vakantietoeslag (8%) en de tegenwaarde van de verlofuren (237 uren). In dit tarief is geen rekening gehouden met mogelijke aanpassing per 1 januari 2026 van de Regeling dienstverlening aan Huis (zie hieronder).
- -
Groepsbegeleiding informeel: het informeel uurtarief begeleiding individueel als dagdeeltarief. Hulpverlener is zelf verantwoordelijk voor een minimale groepsgrootte van 4 personen.
- -
Kortdurend verblijf informeel: 2 uur informele begeleiding/ADL per etmaal (informeel begeleidingstarief) + 0,5 uur informeel toezicht per etmaal (informeel begeleidingstarief). Verblijfskosten worden niet vergoed.
- -
Huishoudelijke hulp formeel: het uurloon van de gemiddelde periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag (8%), eindejaarsuitkering (8%), opslag sociale lasten (27%) en de correctie voor productiviteit (79%).
- -
Begeleiding individueel formeel: het uurloon van de periodiekmix van de gemiddelde periodiek behorende bij begeleiding individueel van de voor de betreffende periode geldende cao SW (Sociaal Werk, 50%) en cao GGZ (Geestelijke Gezondheidszorg, 50%), te vermeerderen met vakantietoeslag (8%), eindejaarsuitkering (8%), opslag sociale lasten (27%) en de correctie voor productiviteit (79%).
- -
Persoonlijke verzorging formeel: het uurloon van de gemiddelde periodiek behorende bij persoonlijke verzorging (FWG30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag (8%), eindejaarsuitkering (8%), opslag sociale lasten (27%) en de correctie voor productiviteit (79%).
- -
Groepsbegeleiding formeel (inclusief of exclusief vervoer): het formeel uurtarief begeleiding individueel als dagdeeltarief. Hulpverlener is zelf verantwoordelijk voor een minimale groepsgrootte van 4 personen. Indien vervoer naar de locatie waar groepsbegeleiding plaatsvindt aan de orde is, geldt een forfaitaire opslag van €5,- per dagdeel.
- -
Kortdurend verblijf formeel: 2 uur formele begeleiding/ADL per etmaal (formeel begeleidingstarief) +0,5 uur formeel toezicht per etmaal (formeel begeleidingstarief) + verblijfskosten forfaitair tarief (€15,-)
- -
Opslag werkgeverslasten i.v.m. aanpassing Regeling Dienstverlening aan Huis: indien de Regeling Dienstverlening aan Huis wordt aangepast met als gevolg dat informele pgb’s worden belast met werkgeverslasten, dan worden de in de tabel opgenomen tarieven verhoogd met de van toepassing zijnde opslag werkgeverslasten (in het individuele geval). Dit kan een laag of een hoog tarief zijn. De SVB stelt gemeente en inwoner in kennis van het van toepassing zijnde percentage.
Tabel 1b: Tarieven Beschermd Wonen vanaf inwerkingtreding Verordening maatschappelijke ondersteuning 2026 voor nieuwe aanvragers en na herindicatie bestaande cliënten
|
Informeel |
Formeel instelling |
Formeel instelling exclusief huisvestings-component |
Formeel ZZP-er of instelling met minder dan 5 personen |
Formeel ZZP-er of instelling met minder dan 5 personen exclusief huisvestings-component |
|
|
BW basis (= incl. huisvesting) |
€ 36,69 |
€ 204,32 |
€ 167,75 |
€ 173,67 |
€ 142,58 |
|
BW licht (= incl. huisvesting) |
€ 36,69 |
€ 141,10 |
n.v.t. |
€ 119,94 |
n.v.t. |
|
BW licht zelfst. woonsituatie (= excl. huisvesting |
€ 36,69 |
€ 116,67 |
n.v.t. |
€ 99,17 |
n.v.t. |
|
BW zonder verblijf (= excl. huisvesting) |
€ 36,69 |
€ 71,62 |
n.v.t. |
€ 60,88 |
n.v.t. |
De tarieven van Beschermd Wonen zijn als volgt tot stand gekomen:
- -
Informeel tarief: conform informeel tarief zoals opgenomen in de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Maastricht 2020 geldend vanaf 01-01-2026.
- -
Formeel tarief instelling: 100% ZIN-tarief.
- -
Formeel instelling exclusief huisvestingscomponent: 100% ZIN-tarief minus huisvestingscomponent van 17,9% van het ZIN-tarief
- -
Formeel voor ZZP-ers of instellingen met minder dan 5 personen: 85% van ZIN-tarief. Dit conform werkwijze in de verordening Jeugdhulp Maastricht 2025 waarin een korting wordt toegepast van 15% in verband met lagere overheadkosten.
- -
Formeel ZZP-er of instelling met minder dan 5 personen exclusief huisvestingscomponent: 100% ZIN-tarief minus huisvestingscomponent van 17,9% van het ZIN-tarief
Overgangsregeling pgb-tarieven voor bestaande cliënten
Voor cliënten die op het moment van inwerkingtreding van voorliggende verordening in het bezit waren van een pgb dat toegekend is op basis van de voorgaande Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020 gemeente Maastricht, geldt dat het tarief per eenheid (uur/dagdeel/etmaal) van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020 gemeente Maastricht van toepassing blijft tot het moment van herindicatie. Deze tarieven zijn hieronder in tabel 2a en b (ongewijzigd) opgenomen. Na herindicatie gelden de nieuwe tarieven zoals opgenomen in tabel 1a en b.
Enkel in die gevallen dat het tarief per eenheid van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020 gemeente Maastricht (tabel 2a en b) hoger is dan het nieuwe tarief voor een soortgelijk pgb op basis van voorliggende Verordening maatschappelijke ondersteuning 2026 (tabel 1a en b) – waarbij herindicatie zou leiden tot een verlaging van het tarief per eenheid – blijft het hieronder in tabel 2a en b opgenomen tarief van toepassing. Daarbij geldt dat deze tarieven in tabel 2a en b – in afwijking op het gestelde in artikel 16 lid 7 van deze Verordening - niet worden geïndexeerd (tariefbevriezing). Op het moment dat het nieuwe tarief per eenheid (tabel 1a en b) het tarief in tabel 2a en b overschrijdt, wordt bij de betreffende client toepassing gegeven aan het nieuwe tarief conform tabel 1a en b.
Indien van toepassing wordt op onderstaande tarieven een opslag werkgeverslasten verstrekt indien hiertoe in het individuele geval aanleiding bestaat vanuit een aanpassing van de Regeling Dienstverlening aan Huis.
Tabel 2a: Tarieven voor bestaande cliënten die op het moment van inwerkingtreding van voorliggende verordening reeds een pgb ontvangen op basis van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020 gemeente Maastricht.
|
Informele hulp |
||
|
Dienstverlening |
Tariefbepaling |
2026 |
|
Huishoudelijke hulp |
per uur |
€ 20,47 |
|
individuele begeleiding |
per uur |
€ 20,47 |
|
Persoonlijke verzorging |
per uur |
€ 20,47 |
|
Groepsbegeleiding |
per dagdeel |
€ 24,48 |
|
Kortdurend verblijf |
per etmaal |
€ 39,69 |
|
Formele hulp |
||
|
Dienstverlening |
Tariefbepaling |
2026 |
|
Huishoudelijke hulp |
per uur |
€ 20,47 |
|
individuele begeleiding |
per uur |
€ 43,99 |
|
Persoonlijke verzorging |
per uur |
€ 33,13 |
|
Groepsbegeleiding |
per dagdeel |
€ 54,37 |
|
Groepsbegeleiding met vervoer |
€ 59,96 |
|
|
Kortdurend verblijf |
per etmaal |
€ 123,55 |
Tabel 2b
|
2026 |
|
|
|
|
|
|
Dienstverlening beschermd wonen |
Tariefbepaling |
Informele hulp |
Formele hulp |
||
|
|
|
|
Woon- zorg |
Dagbesteding Activering |
Vervoer |
|
A. Begeleid zelfstandig wonen: |
per etmaal |
€ 36,69 |
€ 44,70 |
€ 16,74 |
€ 4,46 |
|
B. Beschut-begeleid wonen: |
per etmaal |
€ 36,69 |
€ 89,38 |
€ 16,74 |
€ 4,46 |
|
C. Beschermd wonen met intensievere begeleiding: |
per etmaal |
€ 36,69 |
€ 126,27 |
€ 22,33 |
€ 4,46 |
|
D. Beschermd Wonen met intensieve begeleiding en gedragsregulering. |
per etmaal |
€ 36,69 |
€ 163,87 |
€ 33,51 |
€ 4,46 |
|
Beschermd wonen exclusief dagbesteding per etmaal |
|||||
|
€ 129,08 |
|||||
|
Beschermd wonen inclusief dagbesteding per etmaal |
|||||
|
€ 165,92 |
|||||
Bijlage 2: richtlijn bestedingsmogelijkheden persoonsgebonden budget
|
Automatisch of handmatig accorderen zorgovereenkomsten |
Keuze handmatig accorderen zodat de mogelijkheid voor controle door de gemeente tijdens het jaarmogelijk blijft. |
|
|
De hoogte maximaal tarief per uurof dagdeel |
Maximaal 100euro |
|
|
Gemeentelijk beleid relevant voorde uitvoering doorbudgethouder: budget datniet rechtstreeks aan zorg wordt uitgegeven |
||
|
Bemiddelingskosten |
nee |
|
|
Administratiekosten |
nee |
|
|
Vrij besteedbaar bedrag |
€ 75,- |
|
|
Eenmalige uitkering |
Geen eenmalige uitkering |
|
|
Gemeentelijk beleidin uitvoering door de budgethouder als werk- of opdrachtgever: budget dat volledig aan zorg wordt uitgegeven |
||
|
Reiskosten |
nee |
|
|
Feestdagenuitkering |
nee |
|
|
Automatisch uitbetaald maandloon aan de zorgverlener |
Ja |
|
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl