Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758764
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758764/1
Beleidsregels Samenwonen op proef gemeente Voorst
Geldend van 17-03-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels Samenwonen op proef gemeente VoorstBURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE VOORST
gelet op titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht; artikel 160 lid 1 onder a van de Gemeentewet; artikel 3 lid 3 en lid 4 van de Participatiewet; artikel 3 lid 3 en lid 4 van de IOAW en artikel 3 lid 3 en lid 4 van de IOAZ;
overwegende dat het college van burgemeester en wethouders (hierna het college):
het wenselijk vindt om aan te geven in welke situaties en onder welke voorwaarden inwoners met een bijstandsuitkering gebruik kunnen maken van een proefperiode om samen te wonen;
het belangrijk acht om hierbij zowel de uitgangspunten van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ als de persoonlijke omstandigheden van inwoners in acht te nemen; en
daartoe beleidsregels wenst vast te stellen;
B E S L U I T:
vast te stellen: de Beleidsregels Samenwonen op proef gemeente Voorst.
Artikel 1 Begripsbepalingen
1.1 Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht (Awb);
1.2 Proefperiode: een periode van maximaal zes maanden waarin de gemeente bijstandsgerechtigde(n) toestemming geeft om samen te wonen op proef, zoals bedoeld in deze regeling, zonder gevolgen voor het recht op en de hoogte van de uitkering;
1.3 Bijstandsgerechtigde: de persoon die een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ. Indien slechts één van de partners bijstandsgerechtigd is, zijn deze beleidsregels van toepassing op die persoon.
Artikel 2 Gezamenlijke huishouding
2.1 Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
2.2 Hoofdverblijf: bij de vaststelling waar iemand zijn hoofdverblijf heeft is niet de inschrijving in de BRP of het hebben van een (huur)woning op een ander adres dan het adres waar iemand hoofdzakelijk verblijft bepalend, maar de feitelijke situatie.
2.3 Gedurende de proefperiode ziet het college, in afwijking van het uitgangspunt van artikel 3 van de Participatiewet, af van het verbinden van gevolgen aan het (tijdelijk) gezamenlijk verblijven, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van deze beleidsregels.
Artikel 3 Proefperiode
3.1 Op verzoek kan aan één of beide personen die een uitkering ontvangen op grond van de Participatiewet, IOAW of de IOAZ, maximaal eens per vijf jaar per persoon een proefperiode worden toegestaan. Indien in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag door één van de aanvragers al gebruik is gemaakt van een proefperiode, wordt de aanvraag afgewezen.
3.2 De proefperiode vangt niet eerder aan dan nadat schriftelijk toestemming is verleend door de gemeente.
3.3 De duur van de proefperiode wordt individueel bepaald en vastgesteld op de periode die nodig wordt geacht om een definitief besluit te kunnen nemen over het samenwonen. Als de periode is vastgesteld op minder dan zes maanden, dan kan de periode bij een door de consulent vastgestelde noodzakelijkheid worden verlengd tot maximaal zes maanden in totaal. Bij het vaststellen van de duur wordt rekening gehouden met de aard van de relatie, eerdere samenwoonervaringen en de noodzaak om tot een zorgvuldig besluit te komen.
3.4 Gedurende de proefperiode ontvangt de bijstandsgerechtigde een uitkering naar de norm die de bijstandsgerechtigde ontving ten tijde van de aanvraag van de proefperiode, tenzij deze norm wijzigt wegens andere omstandigheden dan het samenwonen op proef.
Artikel 4 Voorwaarden voor gebruik maken van proefperiode
4.1 Beide partners vragen gezamenlijk vooraf in de gemeente waar de bijstandsgerechtigde de uitkering ontvangt aan of ze op proef mogen samenwonen, ook als de partner geen uitkering heeft. Wanneer beide partners een uitkering ontvangen van verschillende gemeenten, ziet deze beleidsregel uitsluitend op de bijstandsgerechtigde van de gemeente Voorst. Het is de verantwoordelijkheid van de partners om afstemming te zoeken met de andere betrokken gemeente.
4.2 Beide aanvragers behouden hun eigen woonadres, blijven daar ingeschreven in de BRP en houden de woning beschikbaar voor eigen gebruik. Het is niet toegestaan de woning te (onder) verhuren. Het college kan gemotiveerd afwijken indien vasthouden aan deze voorwaarde leidt tot onredelijke of onbillijke gevolgen.
4.3 Het vereiste van het beschikbaar houden van de woning kan buiten toepassing worden gelaten indien de aanvrager niet beschikt over een eigen woonruimte.
4.4 Een eventuele verhuurder (wooncorporatie) is door de aanvrager op de hoogte gesteld van het tijdelijk niet volledig bewonen van de woonruimte en akkoord is met het tijdelijk niet volledig bewonen van de woonruimte.
4.5 Indien één van de partners gedurende de proefperiode langer dan 28 aaneengesloten dagen buiten Nederland verblijft, wordt de proefperiode beëindigd. Indien de partner na terugkeer opnieuw in aanmerking wil komen voor samenwonen op proef, kan een nieuwe aanvraag worden ingediend. Daarbij wordt rekening gehouden met de reeds verstreken duur van de proefperiode, met dien verstande dat de totale duur van de proefperiode niet meer bedraagt dan zes maanden.
Artikel 5 Uitsluitingen
Geen proefperiode wordt verleend indien:
-
a. Er sprake is van het rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding, zoals bedoeld in artikel 3 lid 4 Participatiewet, artikel 3 lid 4 IOAW, artikel 3 lid 4 IOAZ;
-
b. Aanvragers reeds voorbereidingen hebben getroffen voor een huwelijk of geregistreerd partnerschap;
-
c. Eén van de aanvragers in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag van de proefperiode al gebruik heeft gemaakt van de proefperiode;
-
d. Aanvragers bloedverwanten in de eerste of tweede graad zijn.
Artikel 6 Verplichtingen
Tijdens de proefperiode van samenwonen blijven alle verplichtingen van de Participatiewet, IOAW of de IOAZ, inclusief de inlichtingenplicht en deelname aan re-integratieactiviteiten, onverkort van toepassing.
Artikel 7 Onvoorziene situaties en maatwerk
7.1 In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, of waarin strikte toepassing daarvan leidt tot onbillijke gevolgen, kan het college gemotiveerd afwijken van deze beleidsregels.
7.2 Bij de toepassing van het eerste lid betrekt het college in ieder geval de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, de mate waarin sprake is van een zorgvuldige en onderzoekende fase van samenwonen, en het doel van deze beleidsregels om financiële risico's en onnodige schulden te voorkomen.
7.3 Afwijking op grond van dit artikel vindt uitsluitend plaats op basis van een individuele beoordeling en wordt schriftelijk gemotiveerd.
Artikel 8 Titel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Samenwonen op proef gemeente Voorst.
Artikel 9 Ingangsdatum
Deze beleidsregels treden in werking op de dag na de datum van bekendmaking.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 17 februari 2026.
Lisette Wolbers-Cents, secretaris
Paula Jorritsma-Verkade, burgemeester
Toelichting Beleidsregels Samenwonen op proef gemeente Voorst
Algemeen
Met deze beleidsregels geeft de gemeente Voorst inwoners met een uitkering op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ de mogelijkheid om voor een beperkte periode samen te wonen op proef. Inwoners krijgen hiermee ruimte om zorgvuldig te onderzoeken of samenwonen in hun situatie haalbaar en duurzaam is, zonder dat dit direct gevolgen heeft voor hun uitkering.
De regeling beoogt financiële risico’s, zoals schulden of woonproblemen, te voorkomen en draagt bij aan een zorgvuldige en rechtmatige uitvoering van de bijstand. Daarnaast ondersteunt de regeling inwoners bij het toewerken naar een duurzame samenlevings- en woonsituatie.
Toepassingsbereik
Deze beleidsregels zijn van toepassing op de persoon die een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW of de IOAZ ontvangt van de gemeente Voorst. De regeling Samenwonen op proef kan daarom worden toegepast in situaties waarin één of beide partners een uitkering ontvangen op grond van de Participatiewet, IOAW of de IOAZ van de gemeente Voorst.
Indien de partner een uitkering ontvangt van een andere gemeente of een andere instantie, dan wel beschikt over een andere inkomensbron, ziet deze regeling uitsluitend op de bijstandsgerechtigde van de gemeente Voorst. De gemeente Voorst heeft geen mandaat om besluiten te nemen namens een andere gemeente of instantie. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de partner om het samenwonen op proef af te stemmen met de andere betrokken gemeente, instantie of inkomensverstrekker.
Artikel 1 Begripsbepalingen
Met de proefperiode wordt bedoeld een periode van maximaal zes maanden. Deze termijn biedt voldoende tijd om een afgewogen beslissing te nemen, zonder dat dit direct gevolgen heeft voor het recht op en de hoogte van de uitkering.
Artikel 2 Gezamenlijke huishouding
In de wet is vastgelegd wanneer sprake is van een gezamenlijke huishouding. Gedurende de proefperiode ziet het college, in afwijking van dit uitgangspunt, af van het verbinden van gevolgen aan het tijdelijk gezamenlijk verblijven, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de beleidsregels.
Hiermee wordt voorkomen dat het recht op bijstand en de hoogte van de uitkering direct wijzigen bij de start van de proefperiode.
Artikel 3 Proefperiode
Een proefperiode kan maximaal eens per vijf jaar per persoon worden toegestaan. Deze begrenzing voorkomt dat de regeling structureel wordt ingezet als alternatief voor het vaststellen van een gezamenlijke huishouding.
De proefperiode vangt niet eerder aan dan nadat het college schriftelijk toestemming heeft verleend. De duur van de proefperiode wordt door het college individueel vastgesteld, afgestemd op de persoonlijke omstandigheden, tot een maximum van zes maanden. Bij het bepalen van de duur betrekt het college de wens en situatie van de partners, waarbij de uiteindelijke vaststelling plaatsvindt door het college.
Artikel 4 Voorwaarden voor gebruikmaken van de proefperiode
Voor het gebruikmaken van de proefperiode gelden de voorwaarden die erop zijn gericht de tijdelijke en onderzoekende aard van de regeling te waarborgen. Beide partners vragen de proefperiode gezamenlijk aan bij de gemeente Voorst.
De partners behouden ieder hun eigen woonadres en blijven ingeschreven in de BRP. De woonruimte blijft beschikbaar voor eigen gebruik, zodat terugkeer naar de oorspronkelijke situatie mogelijk is indien samenwonen niet haalbaar blijkt. In situaties waarin vasthouden aan deze voorwaarde leidt tot onredelijke of onbillijke gevolgen, kan het college hiervan gemotiveerd afwijken.
Indien één van de partners gedurende de proefperiode langer dan 28 aaneengesloten dagen buiten Nederland verblijft, wordt de proefperiode beëindigd. Een nieuwe aanvraag is mogelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de reeds verstreken duur van de proefperiode en met dien verstande dat de totale duur niet meer bedraagt dan zes maanden.
Artikel 5 Uitsluitingen
Een proefperiode wordt niet verleend indien feitelijk reeds sprake is van een gezamenlijke huishouding, indien partners concrete voorbereidingen hebben getroffen voor een huwelijk of geregistreerd partnerschap, indien in de voorafgaande vijf jaar reeds gebruik is gemaakt van een proefperiode, of indien aanvragers bloedverwanten in de eerste of tweede graad zijn.
Met deze uitsluitingen wordt geborgd dat de regeling uitsluitend wordt toegepast in situaties waarin daadwerkelijk sprake is van een tijdelijke en onderzoekende fase.
Hoewel het huwelijk of geregistreerd partnerschap op zichzelf niet in alle gevallen betekent dat partners feitelijk samenwonen, geldt dat met het aangaan daarvan een duurzame gezamenlijke huishouding wordt beoogd. De regeling Samenwonen op proef, die gericht is op een tijdelijke en onderzoekende fase, past daarom niet bij deze situaties.
Artikel 6 Verplichtingen
Tijdens de proefperiode blijven alle wettelijke verplichtingen op grond van de Participatiewet, IOAW of de IOAZ onverkort van toepassing, waaronder de inlichtingenplicht en de verplichting tot arbeidsinschakeling.
Artikel 7 Onvoorziene situaties en maatwerk
Omdat zich situaties kunnen voordoen die niet in de beleidsregels zijn voorzien, is een vangnetartikel opgenomen. Dit biedt het college de mogelijkheid om in bijzondere individuele omstandigheden maatwerk te leveren, met inachtneming van het doel en de uitgangspunten van deze beleidsregels.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl