Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758687
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758687/1
Gemeenschappelijke Regeling Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio
Geldend van 17-03-2026 t/m heden
Intitulé
Gemeenschappelijke Regeling Samenwerkingsverband Welzijnszorg OosterschelderegioDe gemeenteraden en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland en Tholen, ieder voor zover zij voor de eigen bevoegdheid betreft;
overwegende dat het wenselijk is bindende afspraken te maken over de beleidsvoorbereiding, besluitvorming en uitvoering ten aanzien van bovengemeentelijke voorzieningen en activiteiten op het terrein van de welzijnszorg;
gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, het besluit Begroting en Verantwoording provincie en gemeenten, de Wet Educatie en Beroepsonderwijs en de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen;
besluiten te herzien de gemeenschappelijke regeling (laatstelijk gewijzigd 12 april 2017) genaamd:
‘Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio’
HOOFDSTUK 1: Algemene bepalingen
Artikel 1 - Begripsomschrijvingen
-
1. Deze regeling verstaat onder:
- a.
SWVO: het openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 2;
- b.
Gemeenten: de bij de regeling aangesloten gemeenten i.c. Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland en Tholen
- c.
Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland;
- d.
De regeling: de gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio
- e.
Welzijnszorg: voorzieningen en activiteiten op het terrein van zorg, educatie, welzijn, onderwijs en cultuur zoals genoemd in Hoofdstuk 2 van de regeling.
- f.
Wgr: de Wet gemeenschappelijke regelingen.
- g.
BBV: Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
- a.
-
2. Artikelen en bepalingen uit andere regelingen zijn van overeenkomstige toepassing 'de gemeente', 'de raad', 'het college' en ‘de burgemeester' te worden gelezen onderscheidenlijk: 'het openbaar lichaam', 'het algemeen bestuur', 'het dagelijks bestuur' en ‘de voorzitter'.
Artikel 2 - Openbaar lichaam
-
1. Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio gevestigd in de gemeente Goes.
-
2. Het rechtsgebied van het Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten.
-
3. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
Artikel 3 – Doel & Missie
SWVO is ingesteld om de gezamenlijke belangen van de deelnemers te behartigen op het gebied van de taken en bevoegdheden genoemd in artikel 6. Zij stelt zich in deze op als een dienstverlenende organisatie voor gemeenten. Zij is klantgericht en streeft naar een efficiënte en doelmatige ondersteuning van gemeenten, zodat deze hun (lokale) taken in het sociaal domein optimaal kunnen uitvoeren.
Bij de uitvoering van de kerntaken handelt het SWVO vanuit haar kernwaarden/ competenties, te weten expertise, verbinding, constante kwaliteit en resultaat.
Artikel 4 - Bestuursorganen
Het Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio kent de volgende bestuursorganen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.
HOOFDSTUK 2: Belang, taken en bevoegdheden
Artikel 5 - Belang
Het Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio voert de in artikel 6 genoemde regelingen uit. De regeling is getroffen met het oog op de volgende belangen:
- a.
de realisering van de gezamenlijke beleidsvoorbereiding, besluitvorming en beleidsuitvoering op het terrein van de welzijnszorg;
- b.
het bevorderen van de onderlinge afstemming van beleid van de deelnemers over voorzieningen en aangelegenheden op het terrein van de welzijnszorg, anders dan bedoeld onder a.
Artikel 6 - Taken
-
1. Ter uitvoering van de in artikel 5, onder a genoemde belangen worden de navolgende taken en bevoegdheden overgedragen aan het dagelijks bestuur van de regeling:
- a.
beleidsvoorbereiding en beleidsvorming voor de uitvoering van de Wmo met uitzondering van de toekenning van maatwerkvoorzieningen;
- b.
het organiseren en zorgdragen voor de uitvoering van clientondersteuning en andere algemene voorzieningen waaronder het algemeen maatschappelijk werk, ex. artikelen 2.2.3 en 2.2.4 Wmo;
- c.
inkoop en aanbesteding van maatwerkvoorzieningen Wmo, ex. artikel 2.6.3 tot en met 2.6.5 Wmo;
- d.
het organiseren en zorg dragen voor de uitvoering van volwasseneducatie op grond van de artikelen 2.3.3, 2.3.4 en 2.3.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- e.
cultuureducatie op grond van de Regeling Cultuureducatie met Kwaliteit Fonds voor Cultuurparticipatie 2021-2024;
- f.
organiseren en uitvoeren bibliotheekwerk op grond van de Wet stelsels openbare bibliotheekvoorzieningen;
- g.
beleidsvoorbereiding en beleidsvorming op het gebied van preventief gezondheidsbeleid.
- a.
-
2. Ter uitvoering van de in artikel 5, onder a genoemde belangen worden de navolgende taken in mandaat en bij volmacht overgedragen aan het dagelijks bestuur van de regeling:
- a.
het toekennen van leerlingenvervoer, op grond van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer ex. Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en Wet op de expertisecentra;
- b.
de inkoop en aanbesteding van uitvoerders van leerlingenvervoer, op grond van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer ex Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en Wet op de expertisecentra;
- c.
het uitvoeren van de toezichthoudende taak met de bevoegdheid van ondermandaat, om toezichthouders aan te wijzen voor toezicht op de naleving van het bepaalde binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en Jeugdwet.
- a.
-
3. Tevens dragen de colleges aan het dagelijks bestuur van de GR de taken en bevoegdheden over ten aanzien van de uitvoering van wet- en regelgeving die in plaats treedt van de hiervoor genoemde wet- en regelgeving, alsmede het ter zake geldende overgangsrecht.
-
4. Het algemeen bestuur kan besluiten, met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, dat voor één of meer gemeenten additionele voorzieningen worden getroffen en additionele activiteiten worden ontplooid. In afwijking van hetgeen bepaald in artikel 11 neemt het algemeen bestuur dit besluit bij eenparigheid van stemmen.
Artikel 7 – Vrijstelling en partieel uittreden
-
1. De in artikel 6 genoemde taken worden voor alle deelnemers uitgevoerd, behoudens de vrijstellingen zoals zijn vastgelegd in de toegevoegde bijlage van deze regeling.
-
2. Een deelnemer kan aan het algemeen bestuur een verzoek indienen om ten aanzien van een taak zoals genoemd in artikel 6 partieel uit te treden. Voor een dergelijke partiële uittreding gelden de bepalingen uit hoofdstuk 11.
Artikel 8 - Bevoegdheden
-
1. De in artikel 6 omschreven activiteiten kunnen ook voor andere rechtspersonen, niet zijnde de deelnemers worden uitgeoefend krachtens overeenkomst.
-
2. Het algemeen bestuur besluit tot het aangaan van een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid. In afwijking van hetgeen bepaald in artikel 11 neemt het algemeen bestuur dit besluit bij eenparigheid van stemmen.
-
3. Het algemeen bestuur kan de bevoegdheid genoemd in het tweede lid niet delegeren en evenmin mandateren.
-
4. Het algemeen bestuur ziet er bij de uitoefening van de in het tweede lid genoemde bevoegdheid op toe dat de opbrengst van activiteiten bedoeld in het eerste lid niet meer dan een marginaal percentage van de omzet van het samenwerkingsverband bedraagt. Het algemeen bestuur stelt hieromtrent nadere regels vast.
-
5. Voor de behartiging van de in artikel 6 aan het openbaar lichaam toebedeelde taken is het algemeen bestuur bevoegd te besluiten tot het oprichten van en deelneming in vennootschappen. Dit besluit wordt niet genomen dan nadat de gemeenteraden en colleges van de deelnemende gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.
Artikel 8a – Bezwaar en beroep
Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een verordening als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 8b – Klachtrecht
Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een verordening over de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de behandeling van deze klachten wordt aangesloten bij de Nationale Ombudsman.
Artikel 8c – Subsidieverordening
Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een subsidieverordening als bedoeld in artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht ter uitvoering van de taken als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder a, b, d en e.
HOOFDSTUK 3: Het Algemeen Bestuur
Artikel 9 - Samenstelling
-
1. Het algemeen bestuur bestaat uit zoveel leden als er deelnemers zijn.
-
2. De raad van iedere deelnemende gemeente wijst een lid en een plaatsvervangend lid uit de leden van het College van Burgemeesters en Wethouders aan. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege zodra het lid zijn functie bij de gemeente verliest.
-
3. De raden van de deelnemende gemeenten beslissen in beginsel binnen één maand na de benoeming van de wethouders van elke zittingsperiode over de aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur.
-
4. Het algemeen bestuur wijst uit haar midden een voorzitter en diens plaatsvervanger aan.
-
5. De leden van het algemeen bestuur die tussentijds ontslag nemen, stellen de voorzitter van het algemeen bestuur evenals de raad die hen heeft aangewezen hiervan op de hoogte. Het ontslag is onherroepelijk.
-
6. Leden van het algemeen bestuur die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat in hun opvolging is voorzien.
-
7. De aanwijzing voor de vervulling van plaatsen die zijn opengevallen, vindt binnen twee maanden plaats door de raad die het aangaat.
Artikel 10 - Bevoegdheden van het algemeen bestuur
-
1. Aan het algemeen bestuur komen in het kader van deze regeling alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen. Het algemeen bestuur kan alle bevoegdheden delegeren aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen delegatie verzet.
-
2. Het algemeen bestuur maakt de verordeningen die het ter behartiging van de in artikel 6, eerste lid, benoemde belangen nodig acht.
-
3. Het algemeen bestuur is bevoegd tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen indien dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.
-
4. Tot de bevoegdheden van het algemeen bestuur behoren tevens:
- a.
uitbrengen van adviezen aan de colleges over voorzieningen en aangelegenheden zoals aangeduid in artikel 6, tweede lid, van deze regeling;
- b.
het benoemen van leden van adviescommissies, die ingesteld worden ten aanzien van voorzieningen en activiteiten, zoals bedoeld in artikel 6;
- c.
het besluiten tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen;
- d.
het besluiten omtrent aanbestedingsprocedures;
- a.
-
5. De volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn niet overdraagbaar:
- a.
het vaststellen van de begroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenraming, respectievelijk begrotingswijzigingen en de jaarstukken;
- b.
het vaststellen van een reglement van orde;
- c.
het vaststellen van de Financiële verordening en de Controle verordening;
- d.
het vaststellen van een verordening tot instelling van een commissie ex artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, en de verordening voor de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht;
- e.
het doen van voorstellen tot wijziging, toetreding, uittreding en opheffing van deze gemeenschappelijke regeling;
- f.
Het instellen van commissies als bedoeld in artikel 24 en 25 van de Wgr.
- a.
Artikel 11 - Werkwijze
-
1. Het algemeen bestuur stelt een Reglement van Orde voor zijn vergaderingen vast en brengt dit ter kennis aan de deelnemende gemeenten.
-
2. Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten, maar minimaal twee keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste twee leden van het algemeen bestuur dit verzoeken (onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen).
-
3. In het laatste geval vindt de vergadering binnen 2 weken plaats.
-
4. De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.
-
5. Tegelijkertijd met de oproep maakt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering openbaar. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de Hoofdstuk Va, Gemeentewet genoemde stukken waarop geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproep ter inzage gelegd. (Gemeentewet art. 19 en art. 24 Wgr).
-
6. In de vergadering van het algemeen bestuur worden alle besluiten genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen der aanwezige leden of hun plaatsvervangers.
De leden, aangewezen door de onderscheidene gemeenteraden brengen ter vergadering hun stem uit volgens de verhouding van inwonertallen, met dien verstande dat per 1000 inwoners één stem wordt toegerekend.
-
7. Uit de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing het bepaalde in art. 20 (quorum voor opening van vergadering), art. 22 (onschendbaarheid, verschoningsrecht), art. 26 (handhaving orde vergadering), art. 28 (niet-deelname aan de stemming), art. 29 (quorum voor geldige stemming), art. 30 (tot stand komen besluit), art. 31 (geheime stembriefjes), art. 32 (overige stemmingen) en art. 33 (ambtelijke bijstand leden van het algemeen bestuur).
Artikel 12 - Besloten vergadering/geheimhouding
In een besloten vergadering van het algemeen bestuur worden geen besluiten genomen over de begroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen, begrotingswijzigingen, de jaarstukken en het liquidatieplan.
HOOFDSTUK 4: Het dagelijks bestuur
Artikel 13 - Samenstelling
-
1. Het dagelijks bestuur bestaat uit een voorzitter en 2 leden.
-
2. De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen door en uit het algemeen bestuur. Aanwijzing gebeurt in de eerste vergadering van het algemeen bestuur nadat in overeenstemming met artikel 9 de leden van het algemeen bestuur zijn aangewezen.
-
3. De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die openvallen, vindt plaats binnen twee maanden na de melding van de opengevallen plaats.
-
4. Het dagelijks bestuur heeft minder leden dan de helft van het algemeen bestuur.
Artikel 14 - Einde lidmaatschap
-
1. Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt indien het lid ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur.
-
2. De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop de zittingsperiode van de gemeenteraad afloopt. Zij blijven hun functie waarnemen tot het moment dat het algemeen bestuur in de nieuwe samenstelling nieuwe leden voor het dagelijks bestuur heeft aangewezen.
-
3. Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur geniet. In dit geval is het bepaalde in artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 15 - Werkwijze
-
1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of een ander lid van het dagelijks bestuur dit nodig acht met opgave van de te behandelen onderwerpen. De vergadering vindt plaats binnen twee weken nadat het verzoek is ingekomen. Voor zover deze regeling niet anders bepaalt, kan het dagelijks bestuur zijn werkzaamheden verdelen over zijn leden. Het dagelijks bestuur deelt zijn besluiten daarover mee aan het algemeen bestuur.
-
2. Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
-
3. Het dagelijks bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen vaststellen, dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overlegd.
-
4. Voor de besluitvorming in het dagelijks bestuur en de verplichting tot geheimhouding zijn de overeenkomstige bepalingen, zoals die zijn opgenomen in de Gemeentewet voor het college, van toepassing.
Artikel 16 - Taak
De taak van het dagelijks bestuur is:
- 1.
Het uitvoeren van alle taken en bevoegdheden die op grond van de in artikel 6 genoemde wetten en algemeen verbindende voorschriften aan de colleges van burgemeester en wethouders toekomen.
- 2.
Voorts is het dagelijks bestuur belast met:
- a.
de beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te voeren;
- b.
regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam;
- c.
het beheer van de eigendommen en geldmiddelen van SWVO;
- d.
het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en het verlies van recht of bezit;
- e.
het houden van een voortdurend toezicht op het beheer en de exploitatie van de SWVO, evenals op al wat het SWVO aangaat, waaronder de zorg voor de archiefbescheiden;
- f.
het benoemen, schorsen en ontslaan van het personeel.
- g.
het behartigen van de belangen van het SWVO bij andere overheidslichamen en instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor het SWVO van belang is.
- a.
- 3.
Het dagelijks bestuur heeft de verplichting om het algemeen bestuur actief inlichtingen te verstrekken.
HOOFDSTUK 5: De voorzitter
Artikel 17 - Benoeming en Taak
-
1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen.
-
2. Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.
-
3. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.
-
4. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door een lid van het dagelijks bestuur, aan te wijzen door het dagelijks bestuur.
-
5. De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.
-
6. De voorzitter vertegenwoordigt het SWVO in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door deze aan te wijzen gemachtigde.
-
7. Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente, die partij is in een geding waarbij de SWVO is betrokken, wordt het SWVO door een ander, door het dagelijks bestuur aan te wijzen, lid van het dagelijks bestuur vertegenwoordigd.
HOOFDSTUK 6: De directeur
Artikel 18 - Functie, Benoeming en Taak
-
1. De bestuursorganen van de dienst worden bijgestaan door een directeur, aan wie in het dagelijks bestuur een adviserende stem toekomt. De directeur vervult ten behoeve van het algemeen bestuur en ten behoeve van het dagelijks bestuur de functie van ambtelijk secretaris.
-
2. De directeur wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het dagelijks bestuur.
-
3. De directeur is belast met de dagelijkse leiding van het SWVO.
-
4. De directeur ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan.
-
5. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur worden vastgelegd in een statuut. Het statuut wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur.
-
6. De directeur is verantwoording schuldig aan het dagelijks bestuur.
-
7. De directeur is bestuurder in de zin van de Wet op ondernemingsraden.
HOOFDSTUK 7: Inlichtingen, verantwoording en ontslag
Artikel 19 - Intern
-
1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.
-
2. Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.
-
3. Zij geven samen, dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen.
-
4. Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur bezit. In dit geval is het bepaalde in artikel 49 en verder van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
-
5. De leden 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.
Artikel 20 - Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur
-
1. Het algemeen en het dagelijks bestuur geven aan de raden van de deelnemende gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is.
-
2. Het algemeen en het dagelijks bestuur verstrekken aan de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die door een of meer raden worden verlangd.
-
3. Die informatie wordt in dat geval ook verstrekt aan de overige raden.
-
4. Belangrijke financiële, beleidsmatige en/of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke afwijkingen van de samenwerkingsafspraken zenden het algemeen en dagelijks bestuur middels een tussentijdse rapportage tijdig naar de raden van de deelnemende gemeenten ter informatie.
Artikel 21 - Informatieverstrekking door individuele leden van het bestuur
-
1. Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan de raad door wie hij is benoemd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 Wgr verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van de raad aangegeven wijze.
-
2. Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door de raad waarbinnen dit lid functioneert, worden ontslagen, indien dit lid niet meer het vertrouwen van de raad bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
HOOFDSTUK 8: Het personeel
Artikel 24 - Personeel
-
1. Bij het SWVO is personeel werkzaam.
-
2. Het algemeen bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden.
HOOFDSTUK 9: Financiele bepalingen
Artikel 25 - Begrotingsprocedure
-
1. Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting voor het komende kalenderjaar met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen voor de drie daarop volgende jaren van het SWVO aan de raden van de deelnemende gemeenten. Het bepaalde in art. 190 lid 1 van de Gemeentewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV).
-
2. De ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen wordt door de gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd. Het bepaalde in artikel 190 lid 2 en 3 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.
-
3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen twaalf weken na ontvangst van de ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijze van de raden zijn vervat, bij de ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen, die aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.
-
4. Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten.
-
5. Nadat deze is vastgesteld, stuurt het algemeen bestuur de begroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen aan de raden van de deelnemende gemeenten.
-
6. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing.
-
7. Het algemeen bestuur zendt jaarlijks vóór 30 september de ontwerp-begrotingswijziging, voorzien van een memorie van toelichting, naar de betrokken gemeenteraden.
-
8. Het bestuur geeft de deelnemende gemeenten 12 weken gelegenheid om wensen en bedenkingen in te geven over begrotingswijzigingen.
-
9. Het algemeen bestuur stelt vervolgens met inachtneming van de ontvangen commentaren vóór 31 december de begrotingswijziging vast.
-
10. Een begrotingswijziging blijft achterwege voor uitgaven die binnen een programma van de eigen begroting kunnen worden opgevangen en/of die geen belangrijke beleidswijzigingen betreffen en/of geen structurele gevolgen hebben voor de begroting van het volgende jaar en/of volgende jaren.
Artikel 26 - Bijdragen van de gemeenten
-
1. In de begroting staat welke bijdrage elke gemeente verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van het SWVO. De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot op de vijftiende dag van de maand een/twaalfde deel van de bedoelde bijdrage.
-
2. De bijdrage voor de secretariaatskosten wordt berekend op basis van het aantal inwoners van de gemeenten op 1 januari van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor de bijdrage is verschuldigd.
-
3. De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de gemeenschappelijke regeling over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen te kunnen voldoen.
-
4. Indien aan het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.
Artikel 27 - Reserve
-
1. Het SWVO vormt een reserve ten laste van de gemeentelijke bijdragen aan de uitvoeringskosten tot maximaal 5% van de jaaromzet, inclusief de bijdrage van de deelnemers.
-
2. Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Bij beslissingen op gemeentelijke verzoeken hierover past het dagelijks bestuur de afspraken tussen de deelnemende gemeenten over de te vormen reserve toe.
Artikel 28 - Jaarstukken
-
1. Het dagelijks bestuur legt vóór 15 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdragen, naast het rapport en de controleverklaring van de met de controles belaste accountant.
-
2. De jaarstukken worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden.
-
3. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt haar vast uiterlijk 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, evenals de bijdragen die de deelnemende gemeenten betalen in het eventuele exploitatietekort.
-
4. De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar vóór 15 juli.
-
5. Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken verleent - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.
-
6. Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid gesteld binnen 12 weken na ontvangst een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming.
HOOFDSTUK 10: Het archief
Artikel 29 - Archief
-
1. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet.
-
2. Deze regeling wordt aan Gedeputeerde Staten toegestuurd.
-
3. Voor de bewaring van de, op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995, over te brengen archiefbescheiden wijst het algemeen bestuur een archiefbewaarplaats aan.
HOOFDSTUK 11: Toe-/uittreding, wijziging, geschillen, opheffing, liquidatie
Artikel 30a - Toetreding, uittreding
-
1. Het college van de gemeente dat wenst toe te treden, richt het verzoek hiertoe aan het algemeen bestuur.
-
2. Het algemeen bestuur stuurt het verzoek als bedoeld in lid 1 na ontvangst door aan de colleges van de deelnemende gemeenten onder overlegging van zijn advies over de toetreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden.
-
3. Toetreding vindt plaats indien de deelnemers daarmee instemmen.
Artikel 30b - Aanvang uittredingsprocedure
-
1. De deelnemer zendt, na verkregen toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan het Algemeen Bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het bestuur het besluit heeft ontvangen.
-
2. Het Algemeen Bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het concept-uittredingsplan.
-
3. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding.
-
4. De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van één jaar na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij het Algemeen Bestuur bij unanimiteit en de uittredende deelnemer een andere opzegtermijn overeenkomen.
Artikel 30c - Procedure voor vaststelling uittredingsplan
-
1. Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding.
-
2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom.
-
3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het Algemeen Bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
-
4. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het Algemeen Bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het bestuur van de uittredende deelnemer.
-
5. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 30d, zevende lid gelet op de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.
-
6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast.
-
7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.
-
8. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uit-treedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen (maximaal 5 jaartermijnen) of in een keer dient te betalen.
Artikel 30d - Te vergoeden kosten, de uittreedsom
-
1. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten,
-
2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn.
-
3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door SWVO die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.
-
4. Het Algemeen Bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 30c zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 30c, achtste lid, anders is vastgelegd.
-
5. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer.
-
6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 30b, vierde lid.
-
7. Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoeld in artikel 30c vierde lid in relatie tot de verwachtte uittredesom daartoe aanleiding geeft, kan het Algemeen Bestuur in overleg met deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%.
-
8. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
Artikel 30e - Verplichtingen uittreder
-
1. De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van SWVO die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.
-
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.
Artikel 31 - Wijziging (geen betrekking op toekennen van nieuwe taken)
-
1. De regeling wordt gewijzigd, indien de colleges van twee derde van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten.
-
2. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de colleges van de deelnemende gemeenten.
-
3. Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemende gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de raden van de deelnemende gemeenten doet toekomen, waarna deze deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel.
-
4. De bij wet voorgeschreven toezending van de wijziging aan Gedeputeerde Staten, geschiedt door het dagelijks bestuur.
Artikel 32 - Geschillen
-
1. Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 Wgr de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie.
-
2. De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Een lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en een lid wordt aangewezen door de betrokken gemeente(n). Deze twee leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens als voorzitter van de commissie optreedt.
-
3. De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen.
-
4. De geschillencommissie brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.
-
5. Indien het advies van de commissie niet leidt tot oplossing van het gerezen geschil wordt bij het verzoek om een beslissing van Gedeputeerde Staten een afschrift van het advies van de commissie gevoegd.
Artikel 33 - Ontbinding en liquidatie
-
1. De regeling kan worden ontbonden, op voorstel van het algemeen bestuur, gelezen artikel 9 Wgr, bij een daartoe strekkend besluit van de colleges van tenminste twee derde van de deelnemende gemeenten.
-
2. Ingeval van een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een twee derde meerderheid genomen, gehoord de raden van de deelnemende gemeenten. Een liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemende gemeenten alle rechten en verplichtingen van de gemeenschappelijke regeling over de deelnemende gemeenten te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.
-
3. Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten en de financiële gevolgen van de ontbinding van de regeling.
-
4. Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de ontbinding heeft voor het personeel.
-
5. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.
-
6. Het besluit tot ontbinding of tot wijziging van deze regeling wordt direct gezonden aan de gemeenten en Gedeputeerde Staten.
-
7. De organen van de gemeenschappelijke regeling blijven ook na het tijdstip van ontbinding in functie, totdat de vereffening is voltooid.
-
8. Gedurende de vereffening wordt de aanduiding van de regeling aangevuld met de afkorting van 'in liquidatie', zodat het opschrift komt te luiden:"(SWVO i.l.)"
HOOFDSTUK 12: Overige bepalingen
Artikel 35 – Participatie
-
1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid.
-
2. (facultatief bij actieve inwonersparticipatie) Ingezetenen en belanghebbenden worden in ieder geval betrokken bij: ….
-
3. Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken:
- a.
bij ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;
- b.
indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;
- c.
indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;
- d.
inzake de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;
- e.
indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;
- f.
indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving.
- a.
-
4. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt
Artikel 36 - Informatieveiligheid
-
1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die zij onder zich heeft.
-
2. Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan de deelnemende gemeenten moeten voldoen.
Artikel 37 - Inwerkingtreding
-
1. De herziene Gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio treedt in werking na bekendmaking conform artikel 26 Wgr.
-
2. Alle eerdere gemeenschappelijke regelingen Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio worden ingetrokken.
-
3. Het college van de gemeente van vestiging zorgt namens alle deelnemende gemeenten voor bekendmaking in haar gemeenteblad.
Artikel 38 – Overgangsbepaling begroting
-
1. De begroting wordt voor de eerste keer vastgesteld voor de periode die begint op de dag waarop de regeling in werking treedt tot het einde van het kalenderjaar, dan wel, wanneer het algemeen bestuur dit bepaalt, tot het einde van het volgende kalenderjaar.
-
2. De eerste jaarstukken hebben betrekking op de periode waarvoor de eerste begroting geldt.
-
3. In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet beslist het algemeen bestuur.
Artikel 39 - Zittingsperiode
Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter van het openbaar lichaam blijven hun functies vervullen tot de zittingsperiode van de gemeenteraden is beëindigd en in hun opvolging is voorzien.
Artikel 40 - Evaluatie
De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft vooral betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. Daarnaast dient ook gekeken te worden naar de uitvoering van de specifieke taken. De manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd, is eveneens onderdeel van de evaluatie.
Artikel 41 - Titel
De regeling kan worden aangehaald als: ‘Gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio.
Ondertekening
Aldus voorgelegd en akkoord bevonden door burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten, alsmede en definitief vastgesteld in de bestuursvergadering SWVO op 04-02-2026
Namens deze getekend door,
C.W.G.J. van Leeuwen
Voorzitter
P.C. Verburg
Directeur/secretaris
Bijlage 1 Vrijstellingen
Verleende vrijstellingen in het kader van artikel 7 van de ‘Gemeenschappelijke regeling SWVO’:
De gemeente Schouwen-Duiveland neemt niet deel aan:
Algemeen Maatschappelijk Werk en Clientondersteuning Wmo als bedoeld in artikel 6, eerste lid onder b.
De gemeente Tholen neemt niet deel aan:
Algemeen Maatschappelijk Werk en Clientondersteuning Wmo als bedoeld in artikel 6, eerste lid onder b.
De gemeente Noord- Beveland neemt niet deel aan:
Bibliotheekwerk als bedoeld in artikel 6, eerste lid onder f.
Bijlage 2: Addendum
De WGR-commissie heeft aangegeven dat met de aanpassingen in de tekst niet beoogd is om het takenpakket en de bevoegdheden te wijzigingen, maar juist de huidige praktijk te codificeren in de tekst. De bestaande taken zijn dus niet gewijzigd. Zij geeft aan dat de genoemde beleidsvoorbereiding en beleidsvorming van de WMO (art. 6, lid 1, onder a) en de beleidsvoorbereiding en beleidsvorming van preventief gezondheidsbeleid (art. 6, lid 1, onder g) moeten worden gelezen in samenhang met artikel 5. Dus SWVO heeft tot taak het realiseren van een gezamenlijke beleidsvoorbereiding met de deelnemers en het bevorderen van onderlinge afstemming van beleid van de deelnemers.
Dit is een juiste verwoording van wat er in de praktijk plaatsvindt. Het is dus geenszins de bedoeling dat het SWVO zich bezighoudt met de beleidsvoorbereiding en beleidsvorming van de individuele gemeenten. Dit is de afgelopen 30 jaar ook niet het geval geweest. Als toevoeging en betere afbakening van de genoemde taak is nog toegevoegd dat de overgedragen taak geldt "met uitzondering van de indicatiestelling van de maatwerkvoorzieningen", omdat deze taak bij de GR-de Bevelanden en gemeenten zelf is belegd.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl