Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758606
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758606/1
Verordening jeugdhulp gemeente Bernheze 2026
Geldend van 13-03-2026 t/m heden
Intitulé
Verordening jeugdhulp gemeente Bernheze 2026De raad van de gemeente Bernheze,
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Bernheze;
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet en artikel 147 Gemeentewet;
overwegende dat:
- •
de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd;
- •
het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;
- •
Het noodzakelijk is om regels vast te stellen over:
- o
de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen;
- o
de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van de hulpvraag en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;
- o
de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;
- o
de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;
- o
de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;
- o
de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;
- o
onder welke voorwaarden met een persoonsgebonden budget een persoon uit het sociale netwerk kan worden ingekocht,
- o
besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Bernheze 2026.
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
ARTIKEL 1. BEGRIPSBEPALINGEN
-
1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a.
Andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, die niet vallen onder de wet;
- b.
Budgethouder: de persoon die een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt op grond van de wet;
- c.
Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning voor informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;
- d.
College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze;
- e.
Eigen kracht: De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) zelf of met behulp van het sociale netwerk om te voorzien in of bij te dragen aan het oplossen van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;
- f.
Huiselijke kring: een familielid, een huisgenoot, de echtgenoot of voormalig echtgenoot of een mantelzorger;
- g.
Hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;
- h.
Individuele voorziening: een jeugdhulpvoorziening voor de jeugdige en/of ouder(s) die door het college in natura (zorg in natura) of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) wordt verstrekt;
- i.
ONS Welzijn: door het college gemandateerde instantie die preventieve jeugd- en gezinshulp verleent onder de wet en namens het college aanvragen in het kader van de wet behandelt en hierover adviseert aan het college. De besluitvorming over het toekennen of afwijzen van de individuele hulp in het kader van de wet is aan het college;
- j.
Overige voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of zijn ouders;
- k.
Persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouder (of budgethouder) waarmee zij de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort bij derden kunnen inkopen;
- l.
Plan van aanpak: document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken. Ook staan hierin de bijdragen die het college, de jeugdige en/of ouder(s) en het sociale netwerk hieraan kunnen leveren;
- m.
Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige en/of de ouders een sociale relatie onderhouden.
- n.
Wet: Jeugdwet;
- o.
Zorg in natura: de hulp die aan personen wordt geleverd door aanbieders die door de gemeente zijn gecontracteerd.
- a.
-
2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.
HOOFDSTUK 2. OVERIGE VOORZIENINGEN
ARTIKEL 2. BESCHIKBARE OVERIGE VOORZIENING
-
1. Een overige voorziening is vrij toegankelijk. Het is een voorziening op basis van de Jeugdwet, die voor elke jeugdige beschikbaar is. Er is geen of een beperkte toegangsbeoordeling.
-
2. De volgende overige voorzieningen zijn beschikbaar:
- a.
lichte opvoedondersteuning;
- b.
informatie en advies;
- c.
jongerencentra;
- d.
cursussen voor ouders en jeugdigen;
- e.
jeugdgezondheidszorg;
- f.
generalistische basishulp door jeugdprofessional ONS Welzijn;
- g.
voorzieningen voor spoedeisende situaties;
- h.
kinderopvang en buitenschoolse opvang;
- i.
voorzieningen voor ontspanning, sport en bewegen.
- a.
-
3. Het college kan nadere regels vaststellen over welke overige voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.
HOOFDSTUK 3. INDIVIDUELE VOORZIENINGEN
ARTIKEL 3. BESCHIKBARE INDIVIDUELE VOORZIENINGEN
-
1. De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:
- a.
consultatie en advies;
- b.
respijtzorg;
- c.
begeleiding;
- d.
daghulp;
- e.
orthopedagogische behandeling;
- f.
GGZ;
- g.
diagnostiek en behandeling bij ernstige dyslexie;
- h.
medicatie consultatie;
- i.
vaktherapie;
- j.
specialistische intensieve netwerkondersteuning;
- k.
pleegzorg;
- l.
gezinsvervangende/gezinsgerichte zorg;
- m.
verblijf;
- n.
gezinsopname;
- o.
crisishulp;
- p.
vervoer in het kader van de wet.
- a.
-
2. Het college kan in nadere regels vaststellen welke individuele voorzieningen concreet op basis van het eerste lid beschikbaar zijn en toelichten wat deze inhouden.
ARTIKEL 4. TOEGANG JEUGDHULP VIA HET MEDISCH DOMEIN
-
1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts.
-
2. De huisarts, medisch specialist of jeugdarts mogen alleen naar gecontracteerde aanbieders verwijzen.
-
3. Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen en legt de inzet van de jeugdhulp vast in een beschikking.
-
4. Als de jeugdhulpaanbieder na een verwijzing beoordeelt welke specifieke vorm van jeugdhulp nodig is en/of wat de omvang en de duur van de jeugdhulp is, houdt hij zich daarbij aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij met de gemeente heeft gemaakt in het contract.
ARTIKEL 5. TOEGANG JEUGDHULP VIA DE GECERTIFICEERDE INSTELLINGEN (GI), DE RECHTER, HET OPENBAAR MINISTERIE EN DE JUSTITIËLE JEUGDINRICHTING IN HET KADER VAN HET JEUGDSTRAFRECHT
-
1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de GI nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie of de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.
-
2. Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp die nodig wordt geacht. Het college verstrekt geen beschikking.
ARTIKEL 6. TOEGANG EN AANVRAAG INDIVIDUELE VOORZIENINGEN JEUGDHULP VIA DE GEMEENTE
-
1. Een jeugdige, een ouder of een andere belanghebbende kunnen schriftelijk of digitaal een aanvraag indienen. In de aanvraag moet duidelijk zijn om wie het gaat: naam en adres van de betreffende jeugdige en wat de hulpvraag is. Binnen 8 weken vindt er onderzoek plaats om tot een plan van aanpak te komen.
-
2. Het college wijst de betreffende jeugdige of een ouder op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning.
-
3. De ouder(s) en/of jeugdige kunnen zelf een familiegroepsplan opstellen, waarin zij samen met hun netwerk aangeven hoe ze de opvoed- en opgroeisituatie kunnen verbeteren. En waarin zij een oplossing kunnen aandragen om de problemen van de jeugdige in eigen kring op te lossen. De gemeente informeert de ouder(s) en/of de jeugdige over deze mogelijkheid.
-
4. Het onderzoek dat na de aanvraag wordt gedaan wordt afgesloten met een gespreksverslag voorzien van plan van aanpak dat na ondertekening leidt tot de beschikking van de jeugdhulp.
-
5. Het college kan nadere regels vaststellen over de procedure voor de aanvraag van jeugdhulp.
ARTIKEL 7. DESKUNDIG ONDERZOEK, DESKUNDIGE TOELEIDING EN BEOORDELING
-
1. Het college zet voor het onderzoek naar aanleiding van een aanvraag voor jeugdhulp de daarvoor benodigde specifieke deskundigheid in en zorgt ervoor dat de deskundigheid bekend is bij de aanvrager.
-
2. Het onderzoek vindt plaats door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:
- a.
bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd (SKJ);
- b.
bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen;
- c.
op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.
- a.
-
3. De uitvoeringstaken in het kader van de Jeugdwet kunnen extern zijn belegd of de besluitvorming op aanvragen voor jeugdhulp kan zijn gemandateerd aan andere bestuursorganen of aanbieders. In die gevallen draagt het college zorg voor het voorkomen van een rolvermenging bij advisering, gemandateerde besluitvorming en levering van individuele voorzieningen door deze partijen.
-
4. Het gestelde in de voorgaande leden is ook van toepassing op heronderzoek als bedoeld in artikel 8.1.3 van de wet.
ARTIKEL 8. ONDERZOEK EN OPSTELLEN GESPREKSVERSLAG MET PLAN VAN AANPAK
-
1. Het college onderzoekt binnen 8 weken in een gesprek met de jeugdige en/of ouder(s):
- a.
wat de hulpvraag is van de jeugdige en/of ouder(s);
- b.
de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s);
- c.
of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige en om welke problemen het concreet gaat;
- d.
het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
- e.
welke hulp gelet op de vastgestelde problematiek naar aard en omvang nodig is om de jeugdige in staat te stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
- f.
de mogelijkheid van de jeugdige en/of ouder(s) om zelf of met ondersteuning van het sociale netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
- g.
de mogelijkheden om de hulpvraag op te lossen door het inzetten van een algemene voorziening of een andere voorziening;
- h.
of en welke ondersteuning nodig is in de vorm van een individuele voorziening;
- i.
de manier waarop een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen.
- a.
-
2. Het college informeert jeugdige en/of ouder(s) over de mogelijkheid om een pgb aan te vragen en geeft uitleg over wat de regels, gevolgen en verantwoordelijkheden zijn van een pgb.
-
3. Ter voorbereiding van het gesprek verstrekken de jeugdige en/of zijn ouder(s) alle gegevens en stukken die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de jeugdige en/of ouder(s) beschikken.
-
4. Het college kan, met instemming van de jeugdige en/of ouder(s), informatie opvragen bij andere instanties, zoals school, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest passende hulp.
-
5. Als het nodig is vraagt de gemeente om advies van een deskundige.
-
6. Het college kan in overleg met de jeugdige en/of ouder(s) afzien van een gesprek.
-
7. Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in een plan van aanpak. De jeugdige en/of ouder(s) kunnen binnen een termijn van 2 weken hierop reageren. Ook legt het college in afstemming met jeugdige en/of ouder(s) hierin afspraken vast over het bespreken van de resultaten van het plan van aanpak.
-
8. Het college kan nadere regels vaststellen over de inhoud van het onderzoek en de manier waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.
ARTIKEL 9. CRITERIA INDIVIDUELE VOORZIENINGEN
-
1. Jeugdigen en/of ouder(s) komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening wanneer het college of een andere verwijzer vaststelt dat:
- a.
sprake is van concrete opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige;
- b.
inzet noodzakelijk is om de jeugdige gelet op deze problemen in staat te stellen:
- •
Gezond en veilig op te groeien
- •
Te groeien naar zelfstandigheid
- •
Voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, en
- •
- c.
de jeugdige en/of ouder(s) zelf of met hun sociale netwerk geen passende oplossing voor de hulpvraag kunnen vinden (eigen kracht). Wanneer hiervan sprake is, staat in artikel 10 van deze verordening, en
- d.
een algemene voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag, en
- e.
de jeugdige en/of ouder(s) geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag op te lossen.
- a.
-
2. Als de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, verstrekt het college alleen een voorziening:
- a.
als op het moment van de aanvraag sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en
- b.
voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.
- a.
-
3. Het college verstrekt alleen een voorziening als bedoeld in lid 2 als de gemaakte kosten betrekking hebben op een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag.
-
4. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening.
-
5. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en waar beschikbaar er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie.
-
6. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:
- a.
de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;
- b.
de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;
- c.
de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).
- a.
ARTIKEL 10. AFWEGINGSKADER EIGEN MOGELIJKHEDEN EN PROBLEEMOPLOSSEND VERMOGEN
-
1. Een individuele voorziening voor jeugdhulp wordt niet verstrekt als uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige en de ouders op eigen kracht kunnen voorzien in of bijdragen aan het oplossen van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.
-
2. Bij het beoordelen van de eigen kracht heeft het college als uitgangspunt dat de ouders en andere verzorgers en opvoeders in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het verzorgen en opvoeden van de jeugdige en het houden van toezicht. Zij doen alles wat binnen hun mogelijkheden past om ervoor te zorgen dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien. Deze verantwoordelijkheid geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening of beperking heeft.
-
3. Om te bepalen wat de jeugdige en de ouders op eigen kracht kunnen oplossen, beoordeelt het college in ieder geval:
- a.
De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige;
- b.
De voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan;
- c.
De mogelijkheden, de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders;
- d.
De samenstelling van het gezin en de woonsituatie;
- e.
Het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen, waarbij geen financiële draagkrachtmeting wordt gedaan;
- f.
De mogelijkheden van het sociale netwerk om de jeugdige en de ouders te ondersteunen;
- g.
De mogelijkheid om gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen;
- h.
Overige relevante omstandigheden van de jeugdige en de ouders die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de benodigde hulp zelf te bieden.
- a.
ARTIKEL 11. VERVOER
-
1. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt minimaal twee keer halen en brengen per week in ieder geval beschouwd als behorend tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s).
-
2. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige van het verblijfadres naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.
-
3. Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening.
-
4. Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 10, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.
-
5. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.
ARTIKEL 12. DYSLEXIE
-
1. De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet.
-
2. De inzet van het product dyslexie gaat via het dyslexieteam.
HOOFDSTUK 4 AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB
ARTIKEL 13. AANVULLENDE REGELS OM IN AANMERKING TE KOMEN VOOR EEN PGB
-
1. Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is opgenomen:
- a.
de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is;
- b.
welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;
- c.
de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;
- d.
op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;
- e.
de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;
- f.
indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;
- a.
-
2. Het college verstrekt een pgb als:
- a.
de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend achten;
- b.
uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 14 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en
- c.
naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 16 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.
- a.
-
3. Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag:
- a.
fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;
- b.
betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;
- c.
veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf;
- d.
op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder; of
- a.
-
4. Het college weigert een pgb
- a.
voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening;
- b.
de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
- c.
de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het persoonsgebonden budget;
- d.
de jeugdige of zijn ouders het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.
- a.
ARTIKEL 14. PGB-VAARDIGHEID
-
1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:
- a.
een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;
- b.
op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;
- c.
in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;
- d.
voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;
- e.
in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;
- f.
in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;
- g.
in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;
- h.
in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;
- i.
in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en
- j.
voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.
- a.
-
2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
- a.
het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder;
- b.
er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden:
- 1°
schuldenproblematiek;
- 2°
ernstige verslavingsproblematiek;
- 3°
aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
- 4°
een aanmerkelijke verstandelijke beperking;
- 5°
een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;
- 6°
een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;
- 7°
het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;
- 1°
- a.
ARTIKEL 15. ONDERSCHEID FORMELE EN INFORMELE HULP
-
1. Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:
- a.
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
- b.
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
- a.
-
2. Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.
-
3. Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk.
-
4. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van informele hulp.
ARTIKEL 16. KWALITEITSEISEN INDIVIDUELE VOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB
-
1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:
- a.
beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis;
- b.
beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;
- c.
houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;
- d.
is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;
- e.
werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;
- f.
voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;
- g.
stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s);
- h.
stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken;
- i.
respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;
- j.
neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;
- k.
meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;
- l.
werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en
- m.
is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.
- a.
-
2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:
- a.
hetgeen is bepaald in artikel 18;
- b.
handelt in overeenstemming met de professionele standaard;
- c.
werkt op basis van een hulpverleningsplan;
- d.
werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;
- e.
hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en
- f.
stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.
- a.
-
3. Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is.
ARTIKEL 17. HOOGTE PGB
-
1. Bij het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt uitgegaan van een gedifferentieerde tariefstelling voor de inkoop bij een professionele zorgverlener (erkende zorginstellingen, een zelfstandige zonder personeel (ZZP) of eenmansbedrijf). De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp bedraagt 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. We sluiten hiervoor aan bij het regionale productenboek.
-
2. Als het op basis van lid 1 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de passende jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de jeugdhulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht.
-
3. Het tarief formele jeugdhulp wordt geïndexeerd volgens het gecontracteerde aanbod jeugdhulp in natura.
-
4. Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.
-
5. De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp bedraagt 100% van het minimumloon (minimumloon van 21 jaar en ouder inclusief vakantiegeld).
-
6. Voor hulp uit het sociaal netwerk wordt een vaste tegemoetkoming verstrekt. Deze tegemoetkoming valt niet onder de werking van de Wet minimumloon (Wml) en staat los van de intensiteit van de zorg.
-
7. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd.
ARTIKEL 18. UITGESLOTEN VAN PGB
-
1. De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb:
- a.
kosten voor bemiddeling;
- b.
kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;
- c.
kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
- d.
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
- e.
kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor jeugdhulpverlening in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;
- f.
kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 11 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;
- g.
kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag;
- a.
ARTIKEL 19. HET BESLUIT
-
1. Het college legt de beslissing over het toekennen of afwijzen van een individuele voorziening vast in een beschikking.
-
2. In spoedeisende gevallen treft het college zo snel mogelijk een passende voorziening. Het college legt de beslissing over de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.
-
3. Het college neemt een beslissing op basis van de feiten en omstandigheden die volgen uit het onderzoek naar de hulpvraag.
-
4. De jeugdige en/of ouders moeten zich binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder of het pgb binnen 3 maanden hebben besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt.
ARTIKEL 20. INHOUD EN GELDIGHEIDSDUUR BESCHIKKING
-
1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening staat in ieder geval:
- a.
of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt;
- b.
de termijn van drie maanden waarbinnen de jeugdige zich moet melden bij een jeugdhulpaanbieder, of het pgb moet besteden aan het doel waarvoor het is verstrekt;
- c.
hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
- a.
-
2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
- a.
welke jeugdhulp toegekend is;
- b.
wie de jeugdhulp biedt;
- c.
wat de gestelde doelen zijn;
- d.
de aard, de omvang en de duur van de in te zetten jeugdhulp en vanaf welke datum de jeugdhulp start.
- a.
-
3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval naast de in lid 1 en 2 genoemde zaken vastgelegd:
- a.
de hoogte van het pgb en hoe deze is bepaald;
- b.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
- c.
de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
- a.
-
4. Het plan van aanpak maakt deel uit van de beschikking.
-
5. In het besluit verstrekt het college informatie over de rechten en de plichten van de jeugdige en/of ouder(s) op grond van de wet, de verordening en de nadere regels.
-
6. Het college kan periodiek onderzoeken of er een reden is een besluit te heroverwegen.
HOOFDSTUK 5. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK
ARTIKEL 21. HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING
-
1. De jeugdige en/of ouder(s) aan wie het college een individuele voorziening heeft verstrekt, is verplicht zo snel mogelijk het college te informeren over veranderingen in zijn of haar situatie die tot een heroverweging van het besluit kunnen leiden.
-
2. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college 1 van deze gronden vaststelt:
- a.
de jeugdige of zijn ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en het college met de juiste of volledige gegevens een andere beslissing had genomen;
- b.
de jeugdige of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;
- c.
de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer passend is;
- d.
de jeugdige of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb;
- e.
de jeugdige of zijn ouder(s) de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bedoeld.
- a.
-
3. Het college kan de kosten voor de verstrekte individuele voorziening waar jeugdige en/of ouder(s) geen recht op hadden voor een deel of helemaal terugvorderen als de voorziening is ingetrokken op de grond genoemd in lid 2 sub a.
ARTIKEL 22A. ONDERZOEK NAAR RECHT- EN DOELMATIGHEID INDIVIDUELE VOORZIENINGEN IN NATURA EN IN DE VORM VAN PGB’S
-
1. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.
-
2. Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen.
-
3. Het college kan het gebruik van pgb’s onderzoeken met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan
-
4. Het college kan nadere regels stellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.
ARTIKEL 22B. OVERIGE MAATREGELEN TER VOORKOMING ONEIGENLIJK GEBRUIK, MISBRUIK EN NIET GEBRUIK
-
1. Het college informeert jeugdigen en ouders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
-
2. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
-
3. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract.
-
4. het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet.
HOOFDSTUK 6. AFSTEMMING MET ANDERE DOMEINEN
ARTIKEL 23. AFSTEMMING ZORGVERZEKERINGSWET EN WET LANGDURIGE ZORG
-
1. In artikel 4 is de mogelijkheid opgenomen dat jeugdigen en/of ouders via het medisch domein jeugdhulp kunnen ontvangen. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en met de zorgverzekeraars, over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing plaatsvindt. Dit volgt uit artikel 2.7 lid 4 van de wet.
-
2. De inzet van hulp voor een jeugdige die 18 jaar wordt, kan wijzigen. Als het gaat om zorg die vanaf het 18e jaar onder de Zorgverzekeringswet valt, zorgt het college in samenwerking met de zorgverzekeraars voor een soepele overgang. Het college doet dit door afspraken te maken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De afspraken gaan over hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen. Dit om te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.
-
3. Het college draagt zorg dat de jeugdige en/of ouder(s) ondersteund worden richting het CIZ, als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.
ARTIKEL 24. AFSTEMMING MET GECERTIFICEERDE INSTELLINGEN
-
1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over:
- a.
het overleg over de jeugdhulp dat nodig is als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering aan de jeugdige is opgelegd, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 1 van de wet,
- b.
het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering,
- c.
de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt,
- d.
wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een pgb kan zijn namens de jeugdige en/of ouder(s),
- e.
hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet moet worden.
- a.
-
2. Het college en de gecertificeerde instelling werken volgens de regionaal vastgelegde werkafspraken.
ARTIKEL 25. AFSTEMMING JUSTITIEDOMEIN
-
1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de wet.
-
2. Het college en de betrokken gecertificeerde instellingen nemen de afspraken op in de werkafspraken zoals bedoeld in artikel 24 lid 2 van deze verordening. Het college en de Raad voor de Kinderbescherming leggen de manier van samenwerken en de gemaakte afspraken vast in het protocol bedoeld in artikel 3.1 lid 5 van de wet.
ARTIKEL 26. AFSTEMMING VOORSCHOOLSE VOORZIENINGEN, ONDERWIJS EN LEERPLICHT
-
1. Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor kinderopvang, peuterspeelzaal, primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij het toegangsteam van de gemeente.
-
2. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in lid 1 genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren.
-
3. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken voor een jeugdige worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige.
ARTIKEL 27. AFSTEMMING WMO
-
1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen en/of ouder(s) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
-
2. Het college draagt zorg voor de continuïteit van zorg als de jeugdige 18 jaar wordt en de zorg na het 18e jaar onder de Wmo valt.
ARTIKEL 28. AFSTEMMING WERK EN INKOMEN
Het college draagt zorg dat het toegangsteam, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren. Als het nodig is zorgt het college ervoor dat jeugdigen en/of ouder(s) de juiste ondersteuning krijgen vanuit de gemeentelijke voorzieningen om deze belemmeringen weg te nemen, zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen.
ARTIKEL 29. OVERGANG 18- NAAR 18+
-
1. Als een jeugdige gebruik maakt van een individuele voorziening en bijna 18 jaar wordt, zorgt het college ervoor dat er op tijd een gesprek plaatsvindt over de veranderingen vanaf 18 jaar en welke voorziening na 18 jaar nodig is.
-
2. De jeugdhulpaanbieder stelt voor jeugdigen die jeugdhulp krijgen vanaf het 16e jaar een ‘toekomstplan’ op waarin staat:
- a.
Welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf de 18e verjaardag;
- b.
Hoe en vanuit welke wet (Wmo, Wlz, Zorgverzekeringswet of verlengde jeugdhulp vanuit de Jeugdwet) de hulp vanaf 18 jaar wordt ingezet.
- c.
Naast hulp en ondersteuning is er in het toekomstplan ook aandacht voor support, wonen, school & werk en inkomen.
- a.
-
3. De jeugdhulpaanbieder betrekt de jeugdige, (indien passend) het gezin en het college bij (het opstellen van) het toekomstplan.
ARTIKEL 30. VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT JEUGDHULPAANBIEDERS EN GECERTIFICEERDE INSTELLINGEN
-
1. De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding bij het vaststellen van de tarieven voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering door:
- a.
een vaste prijs te bepalen. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder; of
- b.
een reële prijs vast te stellen.
- a.
-
2. De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met:
- a.
de aard en omvang van de te verrichten taken;
- b.
de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;
- c.
een redelijke toeslag voor overheadkosten, zoals huisvestingskosten;
- d.
kosten van beroepskrachten cliëntgebonden, zoals kosten voor het opmaken van rapportages en het volgen van multidisciplinair overleg;
- e.
kosten van beroepskrachten niet-cliëntgebonden, zoals een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
- f.
cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten, bijvoorbeeld kosten van verblijf of voedingskosten;
- g.
kosten van indexering.
- a.
-
3. De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven voor door derden te leveren vrij toegankelijke hulp in het kader van jeugdhulp, in ieder geval rekening met:
- a.
de marktprijs van de voorziening, en
- b.
de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de aanbieder worden gevraagd, zoals verplichte deelname aan samenwerkingsverbanden.
- a.
-
4. Lid 1, 2 en 3 geldt ook voor subsidies als deze worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of ouders en de subsidie bedoeld is om de te verrichtte diensten volledig te betalen.
HOOFDSTUK 7. KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP
ARTIKEL 31. KLACHTREGELING
Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen, ouders en hun wettelijk vertegenwoordigers die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening.
ARTIKEL 32. BETREKKEN INGEZETENEN BIJ ONTWIKKELEN BELEID
Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN
ARTIKEL 33. EVALUATIE
Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar geëvalueerd.
ARTIKEL 34. HARDHEIDSCLAUSULE
Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de jeugdige en/of ouder(s) afwijken van de bepalingen van deze verordening als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
ARTIKEL 35. INTREKKING OUDE VERORDENING EN OVERGANGSRECHT
-
1. De verordening Jeugdhulp gemeente Bernheze 2021 wordt ingetrokken per 1 januari 2026.
-
2. Een jeugdige en/of ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de verordening Jeugdhulp gemeente Bernheze 2021, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.
-
3. Aanvragen die zijn ingediend onder de verordening Jeugdhulp gemeente Bernheze 2021 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening.
ARTIKEL 36. INWERKINGTREDING EN CITEERTITEL
-
1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Bernheze 2026.
Ondertekening
Vastgesteld door de raad van de gemeente Bernheze in zijn openbare vergadering van 26 februari 2026.
Leandra Kilian
griffier
Mark de Man
voorzitter
TOELICHTING OP DE VERORDENING JEUGDHULP BERNHEZE 2026
Doel van de verordening
De gemeente Bernheze is verantwoordelijk voor goede en toegankelijke jeugdhulp. Ouders en jeugdigen zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor een gezonde en veilige opvoeding. We noemen dit de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Ze kunnen daarbij hulp vragen aan hun omgeving. Als dat niet lukt, biedt de gemeente hulp.
In een verordening staan regels die door het college van Burgemeester en Wethouders zijn vastgesteld. Deze regels gelden voor iedereen en wordt steeds op dezelfde manier toegepast. Een verordening zorgt ervoor dat afspraken duidelijk zijn en dat inwoners eerlijk en veilig worden behandeld. In deze verordening staat onder andere:
- •
Welke soorten hulp er zijn
- •
Wanneer je er recht op hebt
- •
Hoe je die hulp aanvraagt
- •
Welke extra regels gelden voor een persoonsgebonden budget (pgb).
Naast de verordening is het goed om te weten dat ook in de jeugdwet, het Regionaal beleidsprogramma en Breed Maatschappelijk beleid afspraken staan.
Soorten hulp
Er zijn twee soorten hulp (voorzieningen)
- -
Overige voorzieningen. Hier kan iedereen gebruik van maken, zonder beschikking of indicatie. Je kunt hierbij denken aan hulp bij opvoedvragen, informatie en advies, cursussen en ondersteuning van ONS welzijn
- -
Individuele voorzieningen. Dit is hulp op maat. Hiervoor doe je een aanvraag bij de gemeente. Vervolgens wordt er onderzoek gedaan naar de juiste vorm van hulp. Je kunt hierbij denken aan begeleiding.
Hoe vraag je hulp aan
Je kunt hulp aanvragen via de Wegwijzer van de gemeente. Heb je hulp nodig bij het aanvragen van jeugdhulp? Dan kun je een Onafhankelijke cliëntondersteuner vragen om samen met je een aanvraag in te dienen.
Na een aanvraag wordt er onderzocht hoe het thuis/op school gaat, wat je zelf kunt doen en welke hulp nodig is. Binnen 8 weken krijg je een besluit.
Ook een arts, rechter en sommige zorgorganisaties kunnen hulp organiseren.
Wanneer krijg je jeugdhulp
De gemeente kijkt eerst of je het zelf of met hulp van anderen op kunt lossen. Daarna kijkt de gemeente of een ‘overige voorziening’ voldoende is. Is er meer hulp nodig dan geeft de gemeente een ‘beschikking’ af voor een ‘individuele voorziening’. In een beschikking staat welke zorgorganisatie je kan helpen en aan welke doelen jullie gaan werken. Ook staat in een beschikking hoe lang de hulp duurt. Wil je andere hulp dan het aanbod van de gemeente, dan betaal je de kosten zelf.
Persoonsgebonden budget
Als uit het onderzoek van de gemeente komt dat er hulp nodig is dan is er een mogelijkheid om zelf de hulp in te kopen. Dit kan via een Persoonsgebonden budget. Je hebt dan zelf de vrijheid om een aanbieder te kiezen en de zorg te organiseren. Je bent dan ook onder andere verantwoordelijk om de administratie bij te houden, de zorg te coördineren, de kwaliteit van de zorg te waarborgen en te sturen op het behalen van de doelen.
Samenvatting
Heb je hulp nodig? Praat met de mensen om je heen om te kijken of zij je kunnen helpen. Is dit niet genoeg? Vraag dan hulp aan de gemeente Bernheze via de Wegwijzer. De gemeente kijkt wat er speelt en wat jullie kunnen. Is er hulp in de buurt die kan helpen? Of is er meer nodig? Als er meer nodig is, zorgt de gemeente voor jeugdhulp.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl