Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758604
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758604/1
Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad Beesel 2026
Geldend van 13-03-2026 t/m heden
Intitulé
Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad Beesel 2026De raad van de gemeente Beesel;
gelezen het voorstel van het presidium van 13 januari 2026;
gelet op de artikelen 16 en 84 van de Gemeentewet;
besluit de volgende verordening vast te stellen:
Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad Beesel 2026
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
- -
amendement: voorstel van een raadslid of meerdere raadsleden tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing;
- -
griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger;
- -
initiatiefvoorstel: voorstel van een raadslid of meerdere raadsleden voor een verordening of ander voorstel;
- -
lijst van toezeggingen: overzicht van door het college of de burgemeester aan de raad of raadscommissie gedane toezeggingen;
- -
motie: verklaring waarmee een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken;
- -
subamendement: voorstel van een raadslid of meerdere raadsleden tot wijziging van een aanhangig amendement;
- -
voorzitter: voorzitter van de raad of diens plaatsvervanger;
- -
wet: Gemeentewet.
Artikel 2. De voorzitter
De voorzitter is belast met:
- 1.
het leiden van de vergadering;
- 2.
het handhaven van de orde;
- 3.
het doen naleven van het reglement van orde;
- 4.
hetgeen de wet of dit reglement hem verder opdraagt.
Artikel 3. De griffier
-
1. De griffier is aanwezig in raadsvergaderingen en vergaderingen van het presidium en kan aanwezig zijn in de overige bijeenkomsten van de raad.
-
2. Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een plaatsvervanger die door de raad is aangewezen.
-
3. De griffier kan op uitnodiging van de voorzitter aan beraadslagingen in raadsvergaderingen deelnemen voor zover het procesmatige aangelegenheden betreft.
Artikel 4. Het presidium
-
1. Er is een presidium dat bestaat uit de fractievoorzitters.
-
2. De fractievoorzitters wijzen elk een raadslid aan dat hen bij afwezigheid in het presidium vervangt.
-
3. De voorzitter van de raad is de voorzitter van het presidium.
-
4. De plaatsvervangend voorzitter van de raad vervangt de voorzitter bij afwezigheid. Ingeval de plaatsvervangend voorzitter van de raad geen fractievoorzitter is, is deze agenda-lid van het presidium.
-
5. Elke lid heeft één stem in het presidium.
-
6. Het presidium kan anderen uitnodigen deel te nemen aan zijn vergaderingen. De griffier en de gemeentesecretaris zijn vaste genodigden bij vergaderingen van het presidium.
-
7. Het presidium vergadert zo dikwijls de voorzitter dit wenselijk acht of indien een lid van het presidium hierom verzoekt.
-
8. Het presidium heeft de navolgende taken:
- a.
het voorbereiden van de voorlopige agenda’s van de commissievergaderingen en van de raadsvergaderingen;
- b.
het vaststellen van de vergaderdata voor de vergaderingen van de raad;
- c.
het evalueren van vergaderingen of processen die hebben plaatsgevonden;
- d.
het behandelen van een verzoek van raadsleden of het college voor het instellen van werkgroepen of klankbordgroepen;
- e.
voorbereiden en afdoen van raadsvoorstellen over de werkwijze van de raad en/of vanwege de raad ingestelde bestuursorganen;
- f.
het bewaken van de voortgang van de afdoening van de lijst van toezeggingen;
- g.
het behandelen van een aanvraag van een raadslid voor het deelnemen aan een cursus, congres, seminar of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of verzorgd;
- h.
uitvoering geven aan de taken zoals opgenomen in de actuele verordening rechtspositie raadsleden en fractievertegenwoordigers;
- i.
kennis nemen van de tussentijdse afrekening en eindafrekening fractievergoedingen;
- j.
andere algemene zaken de raad betreffende.
- a.
-
9. De vergaderingen van het presidium zijn openbaar.
-
10. Van een vergadering van het presidium wordt een beknopt verslag gemaakt. Er worden geen videotulen gemaakt.
Artikel 5. Het seniorenconvent
-
1. Er is een seniorenconvent dat bestaat uit de fractievoorzitters.
-
2. De voorzitter van de raad is de voorzitter van het seniorenconvent.
-
3. De fractievoorzitters wijzen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter aan die de voorzitter vervangt bij afwezigheid.
-
4. Elke lid heeft één stem in het seniorenconvent.
-
5. Het seniorenconvent kan anderen uitnodigen deel te nemen aan zijn vergaderingen. De griffier en de gemeentesecretaris zijn vaste genodigden bij vergaderingen van het seniorenconvent.
-
6. In het seniorenconvent kunnen de volgende zaken aan de orde komen:
- a.
de bespreking van gevoelige en vertrouwelijke zaken (personele aangelegenheden, e.d.).
- b.
het behandelen van een melding van een (vermoed) overtreden van de gedragscode voor leden van de raad en de fractievertegenwoordigers of een (vermoed) overtreden van artikel 15 in de wet;
- c.
het behandelen van een melding over het vermoeden van een misstand met betrekking tot de griffie, college of de raad;
- d.
vertrouwelijke mededelingen of politiek gevoelige zaken ter bespreking, maar niet om deze in stemming te brengen.
- a.
-
7. Het seniorenconvent vergadert incidenteel en zo dikwijls de voorzitter dit wenselijk acht of indien een lid van het seniorenconvent hierom verzoekt.
-
8. De vergaderingen van het seniorenconvent zijn niet openbaar.
Hoofdstuk 2. Toelating, beëdiging, benoeming en fracties
Artikel 6. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden
-
1. Bij de benoeming van nieuwe raadsleden stelt de raad een commissie in bestaande uit vier raadsleden, allen uit een andere raadsfractie.
-
2. Deze commissie onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van de nieuw benoemde raadsleden en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de toelating van de nieuw benoemde raadsleden tot de raad. Indien van toepassing, wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies.
-
3. Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de raadsverkiezingen.
-
4. De commissie wijst uit zijn midden een voorzitter aan.
-
5. Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten raadsleden op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.
-
6. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd raadslid op voor de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.
Artikel 7. Benoeming wethouders
-
1. De raad stelt uiterlijk 10 dagen voorafgaand aan de benoemingsvergadering een commissie ‘Benoembaarheid wethouder(s)’ in, die onderzoek verricht naar de benoembaarheid van een of meerdere wethouders en de raad hierover schriftelijk adviseert.
-
2. De commissie bestaat uit vier raadsleden, allen uit een andere raadsfractie.
-
3. De commissie wijst uit zijn midden een voorzitter aan.
-
4. De kandidaat wethouder verstrekt de documenten en informatie die nodig zijn voor de in het hiernavolgende lid door de commissie te verrichten toetsing. De kandidaat wethouder maakt bovendien alle overige door hem/haar in dat verband relevant geachte informatie aan de commissie kenbaar. De commissie toetst deze en door de kandidaat wethouder op verzoek van de commissie desgewenst mondeling beschikbaar gestelde informatie in een niet openbare vergadering, waarvan geen verslaglegging plaatsvindt.
-
5. De commissie toetst de van de kandidaat wethouder ontvangen documenten en informatie aan de hand van in elk geval vijf voorschriften:
- -
de artikelen 35, 36a, 10 en 41a Gemeentewet (benoembaarheidsvereisten)
- -
de artikelen 41b en 12 Gemeentewet (nevenfuncties)
- -
artikel 36b Gemeentewet (onverenigbare functies)
- -
de artikelen 41c, 15 en 46 Gemeentewet (onverenigbare of verboden handelingen)
- -
de bestuurlijke gedragscode
- -
-
6. De kandidaat wethouder wordt in de gelegenheid gesteld de documenten en aangedragen informatie mondeling toe te lichten.
-
7. Op basis van de beoordeelde informatie brengt de commissie verslag uit aan de raad ten aanzien van de benoembaarheid van de aanbevolen wethouder(s) en voegt daarbij een voorstel voor een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een minderheidsstandpunt. Het verslag en het voorstel worden minimaal een week voor de benoemingsvergadering aan de raad toegezonden.
-
8. Indien de leden van de commissie tot een negatief of verdeeld advies komen, stellen zij de voorzitter van de raad hiervan in kennis. Deze treedt vervolgens in overleg met de leden van de ad hoc commissie over de aard van de bezwaren. In gezamenlijkheid wordt beoordeeld of aanvullende maatregelen en/of aanvullend onderzoek gewenst is.
Artikel 8. Risicoanalyse integriteit
In opdracht van de burgemeester wordt voor aanvang van iedere ambtstermijn ten behoeve van de wethouder(s) een risicoanalyse integriteit uitgevoerd. De burgemeester deelt het eindresultaat van deze risicoanalyse mede aan de in artikel 7 genoemde commissie benoembaarheid wethouders.
Artikel 9. Benoeming fractievertegenwoordigers
-
1. Iedere fractie kan bij de raad maximaal vier personen voordragen die als fractievertegenwoordiger namens de fractie deel kunnen nemen aan de technische behandeling, de beeldvorming en de oordeelsvorming (i.c.: de commissievergadering).
-
2. Bij de benoeming van nieuwe fractievertegenwoordigers onderzoekt de commissie genoemd in artikel 5, lid 1 de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van de nieuw te benoemen fractievertegenwoordiger(s) en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de toelating van de nieuw te benoemen fractievertegenwoordiger(s). Indien van toepassing, wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies.
-
3. De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een minderheidsstandpunt.
-
4. De voorzitter van de raad roept de voorgedragen fractievertegenwoordigers op om tijdens een raadsvergadering de voorgeschreven eed of belofte af te leggen.
-
5. De fractievertegenwoordigers krijgen toegang tot alle beschikbare informatie over de geagendeerde onderwerpen, inclusief informatie waarop geheimhouding is opgelegd.
-
6. Tot fractievertegenwoordigers kunnen alleen zij benoemd worden die ingezetenen zijn van de gemeente Beesel en de leeftijd van 16 jaar bereikt hebben.
-
7. Personen die namens een fractie worden voorgedragen als fractievertegenwoordiger hoeven geen deel uit te maken van de kieslijst van de betreffende fractie. Als deze situatie zich voordoet, informeert de fractievoorzitter het presidium voorafgaand aan de voordracht.
-
8. Zodra een fractievertegenwoordiger niet langer ingezetene van de gemeente Beesel is, houdt hij met onmiddellijke ingang op fractievertegenwoordiger te zijn. De raad wordt in een dergelijk geval geïnformeerd door de griffier.
-
9. De zittingsduur van de fractievertegenwoordigers is gelijk aan die van de leden van de zittende raad, behoudens hun bevoegdheid om tussentijds ontslag te nemen.
-
10. Als een fractievertegenwoordiger voortijdig zijn of haar functie neerlegt, kan op verzoek van een fractie in opvolging worden voorzien.
Artikel 10. Fracties
-
1. Raadsleden die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard worden bij de aanvang van de zittingsperiode als één fractie beschouwd.
-
2. Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen aanduiding was geplaatst, deelt de fractie in de eerste raadsvergadering aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad zal voeren.
-
3. De naam van de fractievoorzitter wordt zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.
-
4. Als één of meer raadsleden van één of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden of zich aansluiten bij een andere fractie, of als twee of meer fracties als één fractie gaan optreden, wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter. Met de beschreven veranderde situatie wordt rekening gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad na de mededeling daarvan.
-
5. Een nieuwe naam van een fractie voldoet aan de eisen uit artikel G3, vierde lid, van de Kieswet en wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende raadsvergadering na naamswijziging.
Hoofdstuk 3. Vergaderingen
Paragraaf 1. Voorbereiding
Artikel 11. Vergadermodel: beeldvorming, oordeelvorming en besluitvorming
-
1. De gemeenteraad maakt onderscheid in een commissievergadering (beeldvormende en oordeelvormende behandeling) en een raadsvergadering (besluitvormende behandeling van onderwerpen).
-
2. Het presidium stelt het karakter van de behandeling vast.
-
3. Technische vragen worden voorafgaand aan de commissievergadering schriftelijk gesteld en beantwoord. De fracties leveren de technische vragen uiterlijk op de donderdag in de week na de publicatie van de stukken voor de commissievergadering aan bij de griffie. De beantwoording van de schriftelijke technische vragen vindt uiterlijk op de dinsdag voorafgaand aan de commissievergadering plaats.
-
4. Beeldvormende en oordeelsvormende behandeling van voorstellen vindt plaats in de commissievergadering. Hier is tevens ruimte voor het stellen van verdiepende technische vragen naar aanleiding van de schriftelijke gestelde vragen en gegeven antwoorden.
-
5. Oordeelsvormende en besluitvormende behandeling van onderwerpen vinden plaats in de raadsvergadering.
-
6. Door het college worden informatieavonden georganiseerd. Hiervoor wordt per raadscyclus één vaste avond vastgelegd.
Artikel 12. Vergaderdoelen
-
1. Beeldvormende behandeling van een onderwerp heeft tot doel raadsleden zich te laten informeren door college, ambtenaren, belanghebbenden en/of deskundigen over het onderwerp en heeft zoveel mogelijk een informeel karakter. Inspraak door derden is mogelijk voorafgaand aan de commissievergadering. Tijdens de beeldvormende behandeling is het stellen van verdiepende technische vragen toegestaan.
-
2. Oordeelvormende behandeling van een onderwerp heeft tot doel dat de raadsleden argumenten wisselen en zich politiek kunnen profileren over het geagendeerde onderwerp.
-
3. Besluitvormende behandeling heeft tot doel besluiten te nemen over geagendeerde onderwerpen.
-
4. Doel van de door het college georganiseerde informatieavonden is het voorzien van de raad van informatie over een bepaald proces of project en/of het vroegtijdig betrekken van de raad bij nieuwe (beleids)keuzes in de vorm van discussie- en ophaalbijeenkomsten.
- a.
Informatieavonden zijn bedoeld om raadsleden en fractievertegenwoordigers te informeren, te bevragen over een onderwerp of om een voorstel vrijblijvend opiniërend te bespreken om bij de raad na te gaan welke informatie er eventueel aanvullend nodig is voor het kunnen nemen van een besluit.
- b.
Tijdens informatieavonden vindt geen besluitvorming plaats.
- c.
Informatieavonden worden aangekondigd in de agenda van het raadsinformatiesysteem en zijn in beginsel openbaar. Geïnteresseerden kunnen informatieavonden bezoeken na aanmelding bij de griffie
- d.
Tijdens informatieavonden kunnen meerdere onderwerpen aan bod komen. Voorafgaand aan informatieavonden wordt de agenda voor de bijeenkomst besproken in het presidium.
- a.
Artikel 13. Oproep en agenda
-
1. De voorzitter zendt de raadsleden een schriftelijke oproep en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken 20 dagen voorafgaand aan de commissievergadering.
-
2. Voor verzending van de agenda en daarbij behorende stukken wordt gebruik gemaakt van de vergadertool iBabs.
-
3. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van een schriftelijke oproep een aanvullende agenda opstellen. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang van de raadsvergadering wordt deze met de daarbij behorende stukken aan de leden gezonden.
-
4. Op de stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, is artikel 14, derde lid, van toepassing.
-
5. De agenda wordt bij aanvang van een raadsvergadering door de raad vastgesteld.
-
6. Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare beraadslaging voorbereid acht, kan hij besluiten het onderwerp van de agenda af te voeren en hiermee terug in handen van het college te stellen.
Artikel 14. Ter inzage leggen van stukken
-
1. Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op een agenda dienen en niet digitaal via het raadsinformatiesysteem kunnen worden verspreid, worden gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep op het gemeentehuis ter inzage gelegd. Als na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk door middel van openbare kennisgeving.
-
2. Digitaal beschikbare stukken worden op de website van de gemeente geplaatst.
-
3. Informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie waaromtrent op grond van hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is opgelegd, wordt niet openbaar zichtbaar gepubliceerd via het raadsinformatiesysteem.
Artikel 15. Openbare kennisgeving
-
1. Raadsvergaderingen worden ter openbare kennis gebracht door aankondiging in het (digitale) lokale weekblad waarin de gemeentepagina is opgenomen.
-
2. In spoedeisende gevallen kan de openbare kennisgeving uitsluitend langs elektronische weg plaatsvinden, en wel op de website van de gemeente.
Paragraaf 2. Ter vergadering
Artikel 16. Presentielijst
-
1. De griffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van raadsvergaderingen.
-
2. Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen raadsleden de presentielijst, die aan het einde van elke raadsvergadering door de voorzitter en de griffier door ondertekening wordt vastgesteld.
Artikel 17. Opening en sluiting vergadering
-
1. De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur indien het daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de raad blijkens de presentielijst aanwezig is.
-
2. Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de wet.
Artikel 18. Zitplaatsen
-
1. De orde van de zitplaatsen is zodanig dat aan de rechterzijde van de voorzitter de griffier plaatsneemt.
-
2. De leden van de raad hebben een vaste zitplaats, waarbij de volgorde wordt bepaald op basis van grootte van de fractie gebaseerd op het absolute aantal stemmen. Deze plaatsbepaling geldt gedurende de gehele zittingsperiode.
-
3. De wethouders hebben een vaste zitplaats aan de collegetafel. De volgorde wordt in beginsel bepaald op basis van grootte van de fractie. Als een wethouder namens meerdere partijen wordt aanbevolen, wordt het aantal zetels van deze partijen bij elkaar opgeteld voor de bepaling van de zitvolgorde.
Artikel 19. Aantal spreektermijnen
-
1. Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in debatvorm in beginsel in twee termijnen, tenzij de raad anders beslist.
-
2. In de eerste termijn leveren alle fracties naar behoefte hun inbreng zonder interrupties. Daarna reageert het college naar behoefte. In de tweede termijn is er ruimte voor debat met interruptie.
-
3. Fracties die geen inbreng hebben in de eerste termijn, kunnen in de tweede termijn deelnemen aan het debat, maar brengen in de tweede termijn geen nieuwe zaken in (‘verkapte eerste termijn’). Uitzondering hierop vormt het geven van een reactie op de inbreng van een andere fractie in eerste of tweede termijn.
-
4. Spreektermijnen worden door de voorzitter afgesloten.
-
5. Voorafgaand aan de besluitvormende vergadering worden de zogenaamde hamerstukken geïnventariseerd. Deze inventarisatie gebeurt bij de afronding van de behandeling van een voorstel tijdens de commissievergadering. Over hamerstukken wordt ter vergadering niet meer gedebatteerd. Bij de vaststelling van de agenda worden de hamerstukken definitief bepaald.
Artikel 20. Deelname aan de beraadslaging door anderen
Onverminderd artikel 21, eerste en tweede lid, van de wet, kan de raad besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging.
Artikel 21. Voorstellen van orde
Raadsleden kunnen tijdens een raadsvergadering mondeling een voorstel van orde betreffende de vergadering doen. De raad beslist hier direct over.
Paragraaf 3. Stemmingen
Artikel 22. Stemverklaring
Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, kunnen raadsleden hun voorgenomen stemgedrag toelichten. Een stemverklaring is niet bedoeld om nieuwe informatie te delen of om andere fracties in aan te spreken.
Artikel 23. Beslissing
-
1. De voorzitter sluit de beraadslaging als hij vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist.
-
2. Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel voor de te nemen beslissing.
Artikel 24. Stemming; procedure hoofdelijke stemming
-
1. De voorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is dit niet het geval dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen. Een stemming kan plaatsvinden bij hand opsteken of hoofdelijk. Een besluit kan ook zonder stemming worden genomen. In dat geval is er sprake van een hamerstuk.
-
2. Als een raadslid om stemming of hoofdelijke stemming vraagt, doet de voorzitter daarvan mededeling aan de raad.
-
3. In een stemming bij hand opsteken wordt gekeken welke leden vóór of tegen zijn, en aan de hand daarvan bepaalt de voorzitter de uitslag. Is de uitkomst daarvan onduidelijk dan kan alsnog tot een hoofdelijke stemming worden overgegaan.
-
4. Bij hoofdelijke stemming roept de griffier de raadsleden bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het raadslid van de grootste fractie dat op de hoek van de vergadertafel zitting heeft en verloopt verder in de zitvolgorde van de raadsleden.
-
5. Bij hoofdelijke stemming brengen ter vergadering aanwezige raadsleden die zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, hun stem uit door zich 'voor' of 'tegen' te verklaren, zonder enige toevoeging.
-
6. Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan deze vergissing herstellen tot het volgende raadslid heeft gestemd. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later, dan kan deze nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt aantekening vragen van zijn vergissing. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming.
-
7. De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee en doet daarbij mededeling van het genomen besluit.
Artikel 25. Volgorde stemming over amendementen en moties
-
1. Als op een aanhangig voorstel amendementen zijn ingediend, wordt eerst over die amendementen gestemd en vervolgens over het voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel.
-
2. Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat betrekking heeft.
-
3. Als meerdere amendementen of subamendementen op eenzelfde gedeelte van een aanhangig voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en tweede lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of subamendement gestemd.
-
4. Als aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie. De raad kan besluiten van deze volgorde af te wijken.
Artikel 26. Stemming over personen
-
1. De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen is geheim.
-
2. Bij stemming over personen voor benoemingen of het opstellen van voordrachten of aanbevelingen, benoemt de voorzitter twee raadsleden tot stembureau.
-
3. Aanwezige raadsleden die zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, zijn verplicht een door het stembureau verstrekt stembriefje in te leveren.
-
4. Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje.
-
5. In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad op voorstel van de voorzitter.
Artikel 27. Beslissing door het lot
-
1. Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven.
-
2. Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal gedeponeerd en omgeschud.
-
3. Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen.
Paragraaf 4. Verslaglegging; ingekomen stukken
Artikel 28. Verslag en besluitenlijst
-
1. De griffie draagt zorg voor verslagen en besluitenlijsten van raadsvergaderingen.
-
2. Van het gesprokene wordt een beeld- en audioverslag gemaakt. Het beeld- en audioverslag van de raadsvergadering wordt beschikbaar gesteld via de website van de gemeente Beesel.
-
3. Uit een besluitenlijst blijkt in ieder geval:
- a.
de namen van de voorzitter, de griffier, de wethouders en de raadsleden, allen voor zover aanwezig, alsmede van de overige personen die het woord gevoerd hebben;
- b.
een aantekening van welke raadsleden afwezig waren;
- c.
een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;
- d.
een zakelijke samenvatting van de toezeggingen, tenzij toezeggingen in strijd zijn met het uiteindelijk genomen raadsbesluit. In dat geval wordt een toezegging niet opgenomen;
- e.
een overzicht van het verloop van elke stemming met vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de raadsleden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de raadsleden die zich overeenkomstig de wet van stemming hebben onthouden, een stemverklaring hebben afgegeven, of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist;
- f.
de tekst van de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties, amendementen en subamendementen, en
- g.
bij het desbetreffende agendapunt, de naam en de hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van artikel 19 door de raad is toegestaan deel te nemen aan de beraadslagingen.
- a.
-
4. Een conceptbesluitenlijst wordt gelijktijdig met de verzending aan de raadsleden verzonden aan de overige personen die het woord hebben gevoerd in de raadsvergadering waarop het betrekking heeft.
-
5. Vastgestelde besluitenlijsten worden ondertekend door de voorzitter en griffier.
-
6. Voor zover de aard en de inhoud van de besluitvorming zich daartegen niet verzet, wordt de besluitenlijst zo spoedig mogelijk na de raadsvergadering openbaar gemaakt op de website van de gemeente.
Artikel 29. Ingekomen stukken
-
1. Bij de raad ingekomen stukken worden op een lijst geplaatst en – indien nodig geanonimiseerd – ter inzage gelegd. Uitzondering hierop vormen de zogenaamde ‘burgerbrieven’, brieven van inwoners over zeer persoonlijke kwesties.
-
2. Tijdens de raadsvergadering krijgen raadsleden de gelegenheid om het college in politieke zin te bevragen over op de lijst geplaatste ingekomen stukken. De steller van een vraag kan ter vergadering één maal verdiepende vragen stellen naar aanleiding van het antwoord van de portefeuillehouder. Er vindt geen debat plaats. Mondelinge vragen worden voorafgaand gedeeld met het college.Technische vragen over ingekomen stukken worden schriftelijk aan het college gesteld.
-
3. De griffier inventariseert voorafgaand aan de raadsvergadering over welke ingekomen stukken raadsleden vragen wensen te stellen.
-
4. Met toestemming van de voorzitter kunnen raadsleden ter vergadering beslissen een vraag te stellen over een niet vooraf bij de griffier aangemeld ingekomen stuk.
-
5. De raad stelt de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.
Paragraaf 5. Besloten raadsvergaderingen
Artikel 30. Toepassing reglement op besloten vergaderingen
Op besloten raadsvergaderingen is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering en de te behandelen stukken.
Artikel 31. Verslag en besluitenlijst besloten vergadering
-
1. De besluitenlijst, dan wel het beeld- en audioverslag van een besloten vergadering wordt niet gepubliceerd op de gemeentelijke website maar uitsluitend digitaal aan de raadsleden verstrekt via de vergadertool.
-
2. De besluitenlijst wordt zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet openbaar maken van deze besluitenlijst. De vastgestelde besluitenlijst wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend.
-
3. Als een besloten vergadering enkel als doel heeft om de besluitenlijst van een eerdere besloten vergadering vast te stellen, wordt hierover geen nieuwe besluitenlijst opgesteld.
Artikel 32. Opheffing geheimhouding
Als de raad op grond van artikel 89, vierde lid, van de wet voornemens is de geheimhouding van aan de raad verstrekte informatie op te heffen, wordt, als het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een besloten raadsvergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.
Paragraaf 6. Toehoorders en pers
Artikel 33. Toehoorders en pers
-
1. Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare raadsvergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde plaatsen.
-
2. Het blijkgeven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is hen verboden.
Artikel 34. Geluid- en beeldregistraties door derden
Degenen die van een openbare raadsvergadering geluid- of beeldregistraties willen maken, doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen.
Artikel 35. Inspraak derden
-
1. Inwoners of belanghebbenden kunnen voorafgaand aan de commissievergadering het woord richten tot de raad over onderwerpen die op de agenda van de raad staan en actuele thema’s, bij twijfel al dan niet naar beoordeling door de voorzitter. De beoordeling van de voorzitter is niet vatbaar voor bezwaar of beroep.
-
2. Degene die het woord wil voeren, meldt dit uiterlijk één dag vóór de commissievergadering schriftelijk of telefonisch bij de griffier. Inspreker vermeldt daarbij naam, adres, telefoonnummer en het onderwerp waarover het woord wordt gevoerd.
-
3. Een inspreker kan over hetzelfde onderwerp maximaal éénmaal per drie maanden het woord voeren, tenzij naar het oordeel van de voorzitter sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die relevant zijn voor de beraadslaging.
-
4. Het woord kan niet worden gevoerd over:
- a.
een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of beroep openstaat of heeft opengestaan;
- b.
benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen;
- c.
indien een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend;
- d.
onderwerpen waarover reeds is beraadslaagd in de vorige raads- of commissievergadering (voortzetting van discussie);
- e.
de besluitenlijst (incl. toezeggingen).
- a.
-
5. De voorzitter geeft het woord in volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de vergadering.
-
6. Elke spreker krijgt maximaal 5 minuten het woord. De voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de insprekers als er meer dan 6 sprekers zijn. De voorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd.
-
7. Insprekers dienen zich tijdens hun bijdrage respectvol en fatsoenlijk te uiten. Beledigende, discriminerende, bedreigende of anderszins ongepaste uitlatingen zijn niet toegestaan.
-
8. De voorzitter is bevoegd om:
- a.
een inspreker het woord te ontnemen bij herhaalde of ernstige overtreding van het zevende lid;
- b.
Een inspreker een officiële waarschuwing te geven bij herhaalde ernstige overtreding van het zevende lid;
- c.
een verzoek tot inspraak af te wijzen indien de inspreker zich eerder onbehoorlijk heeft gedragen, inspreker hiervoor een officiële waarschuwing heeft ontvangen en dit naar het oordeel van de voorzitter herhaling doet vermoeden. In het geval een dergelijke situatie zich voordoet, zal de voorzitter dit vooraf afstemmen met het presidium.
- a.
Hoofdstuk 4. Bevoegdheden, instrumenten raadsleden
Artikel 36. Amendementen en subamendementen
-
1. Raadsleden dienen amendementen en subamendementen voor het sluiten van de beraadslaging van het voorstel waarop deze betrekking hebben schriftelijk in bij de voorzitter, tenzij de voorzitter oordeelt dat – met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde – mondelinge indiening volstaat.
-
2. Intrekking door de indiener van een amendement of subamendement is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond.
Artikel 37. Moties
-
1. Raadsleden dienen moties schriftelijk in bij de voorzitter, tenzij de voorzitter oordeelt dat – met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde – mondelinge indiening volstaat.
-
2. De behandeling van een motie vindt gelijktijdig plaats met de beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop het betrekking heeft.
-
3. De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda opgenomen onderwerpen zijn behandeld.
-
4. Intrekking of aanhouding door de indiener van een motie is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond.
-
5. De raad besluit over de afdoening van aangenomen moties. Hiertoe doet het college afdoeningsvoorstellen aan de raad.
Artikel 38. Initiatiefvoorstel
-
1. Raadsleden dienen initiatiefvoorstellen schriftelijk in bij de voorzitter. Deze brengt een ingediend voorstel zo spoedig mogelijk ter kennis van het college.
-
2. Het college kan binnen 21 dagen nadat het ter kennis is gesteld van een voorstel schriftelijk wensen en bedenkingen met betrekking tot het voorstel ter kennis van de raad brengen.
-
3. Nadat het college schriftelijk wensen of bedenkingen ter kennis van de raad heeft gebracht of kenbaar heeft gemaakt hiertoe niet te zullen overgaan, dan wel nadat de in het tweede lid gestelde termijn is verlopen, wordt het voorstel op de agenda van de eerstvolgende raadsvergadering geplaatst. Als de schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden is wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende raadsvergadering geplaatst.
Artikel 39. Raadsvoorstel voorbereid door het college
-
1. Een voorstel van het college aan de raad dat op het moment dat de openbare publicatie van de commissievergadering heeft plaatsgevonden, vermeld staat op de voorlopige agenda van de commissie- en raadsvergadering, wordt niet ingetrokken zonder toestemming van de raad.
-
2. Als de raad van oordeel is dat het nodig is een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies terug te zenden aan het college, bepaalt de raad binnen welke termijn het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.
-
3. Als bij de behandeling van een voorstel in de commissievergadering blijkt dat er sprake is van storende spel- en stijlfouten of technische en/of feitelijke onjuistheden, dan kan een voorstel hierop voorafgaand aan de besluitvormende raadsvergadering worden gecorrigeerd door het college.
-
4. Een inhoudelijke wijziging van een advies en/of voorstel aan de raad door het college is na de openbare publicatie van het voorstel ten behoeve van de behandeling in de commissie vergadering en in de periode tussen de commissie- en raadsvergadering niet meer mogelijk.
Artikel 40. Interpellatie
-
1. Raadsleden dienen verzoeken tot het houden van een interpellatie schriftelijk in bij de voorzitter. Het verzoek bevat in ieder geval de te stellen vragen.
-
2. De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en de wethouders.
-
3. Over verzoeken die ten minste 48 uur voor aanvang van een raadsvergadering zijn ingediend of in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, wordt tijdens de eerstvolgende raadsvergadering gestemd. In andere gevallen tijdens de daaropvolgende raadsvergadering.
-
4. De interpellant voert niet vaker dan tweemaal het woord. De overige raadsleden, de burgemeester en de wethouders niet vaker dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.
Artikel 41. Interruptie
-
1. Interruptie is uitsluitend toegestaan na toestemming door de voorzitter.
-
2. De voorzitter mag de onderbrekende deelnemer het woord weer ontnemen.
-
3. De spreker die eigenlijk aan het woord is mag via de voorzitter aangeven dat hij voorkeur heeft om zijn betoog voort te zetten of zelfs af te ronden alvorens geïnterrumpeerd te worden.
-
4. De interruptie duurt maximaal 15 seconden en eindigt met een vraag aan de geïnterrumpeerde.
-
5. De interruptie is niet bedoeld als instrument om een zelfstandige toespraak of standpuntverklaring mogelijk te maken.
Artikel 42. Rondvraag
-
1. Vragen voor de rondvraag dienen uiterlijk twee werkdagen voorafgaand aan de raadsvergadering schriftelijk te worden ingediend bij de griffier (met uitzondering van de vragen zoals bedoeld onder lid 4 van dit artikel).
-
2. Een overzicht van alle gestelde rondvragen wordt uiterlijk de vrijdag voorafgaand aan de raadsvergadering door de griffier verspreid onder alle raadsleden, fractievertegenwoordigers en collegeleden.
-
3. Beantwoording van de ingediende rondvragen vindt plaats tijdens de openbare raadsvergadering door de verantwoordelijk portefeuillehouder. De steller van een vraag kan ter vergadering één maal een verdiepende vraag stellen naar aanleiding van het antwoord van de portefeuillehouder. Er vindt geen debat plaats.
-
4. Indien er sprake is van politiek actuele vragen, kunnen deze met instemming van de voorzitter ad hoc worden ingebracht. Het raadslid dat hier gebruik van wenst te maken, stelt de voorzitter voor aanvang van de vergadering hiervan in kennis.
Artikel 43. Schriftelijke vragen
-
1. Raadsleden dienen schriftelijke vragen aan het college of de burgemeester in bij de griffier, waarbij wordt aangegeven of er een voorkeur voor schriftelijke of mondelinge beantwoording bestaat.
-
2. De griffier brengt de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college of de burgemeester.
-
3. Schriftelijke beantwoording gebeurt zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen dertig dagen nadat de vragen zijn ingediend.
-
4. Schriftelijke antwoorden van het college of de burgemeester worden door de griffier aan de raadsleden toegezonden.
-
5. Zowel de schriftelijke vraag alsmede het bijbehorend antwoord door het college worden op de lijst met ingekomen stukken voor de eerstvolgende raadsvergadering opgevoerd.
-
6. De vragensteller kan bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in dezelfde raadsvergadering nadere inlichtingen vragen over het door het college of de burgemeester gegeven antwoord, tenzij de raad anders beslist.
Artikel 44. Inlichtingen
-
1. Raadsleden dienen verzoeken tot inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de wet schriftelijk in bij de griffier.
-
2. De griffier brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college of de burgemeester.
-
3. De verlangde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk aan de raad verschaft, in ieder geval binnen dertig dagen nadat het verzoek is ingediend.
Artikel 45. Werkgroepen of klankbordgroepen
-
1. Raadsleden en/of het college kunnen een verzoek doen tot het inrichten van een werkgroep of klankbordgroep bestaande uit raadsleden en/of fractievertegenwoordigers.
-
2. Een verzoek tot het instellen van een werkgroep of klankbordgroep wordt altijd voorgelegd aan het presidium, tenzij de raad tot de instelling heeft besloten.
-
3. Een verzoek tot het instellen van een werkgroep of klankbordgroep bevat altijd minimaal de volgende elementen:
- a.
Doel van het instellen van de werkgroep of klankbordgroep.
- b.
Een beschrijving van de voorgestelde rol en daarbij passend het gebruik van de term werkgroep of klankbordgroep.
- c.
Een beschrijving van de activiteiten van de werkgroep of klankbordgroep.
- d.
Een voorstel voor de gewenste bemensing van een werkgroep of klankbordgroep.
- e.
Een beschrijving van de wijze waarop terugkoppeling plaatsvindt vanuit de werkgroep of klankbordgroep naar de overige raadsleden en fractievertegenwoordigers.
- f.
Een indicatie van de tijdsinvestering uitgedrukt in het voorziene aantal bijeenkomsten en de tijdspanne waarin de werkgroep of klankbordgroep actief is.
- a.
-
4. De verantwoordelijk portefeuillehouder is aanwezig bij de bijeenkomst(en) van de werkgroep of klankbordgroep.
-
5. Een door de raad of het presidium ingestelde werkgroep of klankbordgroep heeft geen beslissingsmandaat namens de raad of opdrachtgeversmandaat richting het college.
Artikel 46. Werkwijze geven wensen en bedenkingen
-
1. Indien het college voornemens is een besluit te nemen over onderwerpen waarover de raad wensen en bedenkingen kan uiten, informeert zij de gemeenteraad hierover met een raadsinformatiebrief.
-
2. Raadsleden en/of fracties kunnen hun wensen en bedenkingen schriftelijk via de griffie ter kennis van het college brengen binnen 10 werkdagen na verzending van de raadsinformatiebrief.
-
3. Nadat deze termijn is verstreken, maakt het college een inventarisatie van de ingebrachte wensen en bedenkingen. Vervolgens komt het college tot een besluit.
-
4. Het college koppelt met een raadsinformatiebrief terug of er wensen en bedenkingen zijn ontvangen, hoe hier door het college mee is omgegaan en welk definitief besluit er genomen is.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 47. Uitleg reglement
In gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de voorzitter.
Artikel 48. Intrekking oude reglement
Het Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van Beesel 2023 wordt ingetrokken.
Artikel 49. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Dit reglement treedt in werking op de dag na bekendmaking.
-
2. Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van Beesel 2026.
Ondertekening
Aldus vastgesteld door de raad van Beesel in zijn openbare vergadering van 23 februari 2026.
griffier,
N.H.P. Vintcent MA
voorzitter,
M.F.W. Derks
Toelichting bij Reglement van Orde Beesel 2026
Artikelsgewijs
Artikel 1. Begripsbepalingen
In artikel 1 worden een aantal begrippen uit dit reglement van orde gedefinieerd. Deze spreken grotendeels voor zich. Voor wat betreft het begrip ‘voorzitter’ geldt dat de burgemeester voorzitter is van de raad. Artikel 9 van de Gemeentewet (hierna: wet) schrijft dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, van de wet is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de wet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen.
Artikel 3. De griffier
De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikelen 100 en 107 van de wet). De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig (eerste lid). De wet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid, van de wet). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22 van de wet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging.
Artikel 4. Het presidium
Het presidium heeft voornamelijk een procedurele rol (vaststellen voorlopige agenda, uitnodigen externen, wijzigen vergadermomenten e.d.). Het is van belang dat in het presidium elke partij een stem heeft die even zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een dualistisch stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle fracties bij de raadsvergaderingen vergroten. Het instellen van een presidium is overigens niet verplicht, maar verdient wel aanbeveling, aangezien het een waardevolle bijdrage kan leveren aan de dualisering van verhoudingen tussen raad en college.
De griffier is bij elke vergadering van het presidium aanwezig, omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. De griffier moet weten hoe de agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden. De burgemeester is vanuit zijn hoedanigheid als voorzitter van de gemeenteraad aanwezig bij het presidium en is tevens voorzitter. De aanwezigheid van de secretaris is ook gewenst, omdat de secretaris aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die worden voorbereid door de ambtelijke organisatie. De secretaris wordt dus tevens uitgenodigd om de vergaderingen van het presidium bij te wonen. De plaatsvervangend voorzitter van de raad vervangt bij afwezigheid de voorzitter van het presidium. Deze plaatsvervanger hoeft geen fractievoorzitter te zijn.
Artikel 5. Het seniorenconvent
Het seniorenconvent is een overlegorgaan waarin de fractievoorzitters van de gemeenteraad samenkomen onder voorzitterschap van de voorzitter van de raad. De vergaderingen van het seniorenconvent zijn besloten en worden bijeengeroepen wanneer de voorzitter dit nodig acht of wanneer een lid van het convent dit verzoekt. De beslotenheid van het overleg is van belang omdat het seniorenconvent zich richt op onderwerpen die (nog) niet in de openbaarheid kunnen worden besproken. Het gaat daarbij om gevoelige of vertrouwelijke zaken. Het seniorenconvent vergadert dus incidenteel en functioneert als een instrument om in een veilige en besloten setting onderwerpen te bespreken die voorbereiding of vertrouwelijkheid vereisen, voordat deze eventueel in de openbare raadsvergadering aan de orde komen.
Artikel 6. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden
Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde, kennis van zijn benoeming (artikel V1 Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2 Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt, worden aan de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de GBA met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum, en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, lid 2 Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk.
Eerste en tweede lid
De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd.
Derde lid
Het onderzoek van het proces-verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten.
Het derde lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (of deze juist is vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang omdat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad een dergelijk besluit kan baseren. Het ligt niet voor de hand dat besloten wordt tot een hertelling waarvan tevoren duidelijk is dat deze niet tot een andere samenstelling in de raad kan leiden. Ook een verschil in zetels tussen de voorlopige uitslag en de definitieve uitslag is geen reden om over te gaan tot hertelling.
Vierde en vijfde lid
Na een raadsverkiezing kunnen de toegelaten raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling als bedoeld in artikel 18 van de wet de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen (vijfde lid).
Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden (vijfde lid). De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de wet vastgelegd.
Artikel 7. Benoeming wethouders
Artikel 7 geeft invulling aan een leemte in de wet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De wet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden.
Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen (eerste lid). De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (artikelen 36a, 36b, 41b en 41c van de wet). Voor wethouders is er de aanvullende verplichting om een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) te kunnen overleggen (artikel 36a, tweede lid, van de wet). De VOG kent een screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers.
Artikel 8. Risicoanalyse integriteit
Bij de benoeming van een wethouder vindt er een risicoanalyse integriteit plaats. De gedragscode politieke ambtsdragers speelt hierbij een rol.
De burgemeester krijgt zicht op de volledige rapportage van de risicoanalyse. Zo heeft hij een goed beeld van de kandidaat en kan hij met de kandidaat een gesprek voeren over de uitkomsten. De burgemeester kan ten aanzien van de risicoanalyse en de conclusies geheimhouding opleggen aan de raad. Met de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur (artikel 87 van de wet) is de burgemeester hiertoe expliciet bevoegd gemaakt.
Artikel 8 is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd. De incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen dan immers opnieuw beoordeeld te worden.
Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de wet).
Artikel 9. Benoeming fractievertegenwoordigers
Fractievertegenwoordigers ondersteunen de raadsfractie en kunnen een actieve rol innemen tijdens de commissievergadering. Een fractievertegenwoordiger overlegt voorafgaand aan zijn of haar beëdiging de geloofsbrieven. De commissie onderzoek geloofsbrieven doet onderzoek naar de benoembaarheid en rapporteert hierover aan de raad. De fractievertegenwoordiger wordt tijdens een openbare vergadering van de raad beëdigd. Hiermee wordt het belang van integer handelen benadrukt.
Het aantal fractievertegenwoordigers is vastgesteld op maximaal vier per fractie. Hiermee wordt een reële verhouding gezocht met het aantal raadsleden (in Beesel 15).
Artikel 10. Fracties
Eerste en tweede lid
De Kieswet en de Gemeentewet kennen het begrip fractie niet. In artikel 33, tweede lid, van de wet wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractieondersteuning). Vanaf de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd (eerste lid). De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee (tweede lid).
Vierde lid
In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede (vierde lid). Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen.
Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd. Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de wet en artikel 129 van de Grondwet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen. De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.
Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen. Een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij, maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen.
Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie.
Dit betekent ook dat:
- -
kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn vanwege strijd met de wet en de Kieswet;
- -
personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen;
- -
als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren.
Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische gevolgen hebben. Te denken valt aan: fractievergoedingen en -faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door burgerraadsleden.
Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet).
Vijfde lid
De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde: deze toetsing vindt immers ook plaats wanneer een politieke groepering zich voor het eerst wil laten registreren. Op grond van artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet wordt de naam van de nieuwe fractie onder meer geweigerd als deze in strijd is met de openbare orde of als deze overeenkomt met of erg lijkt op de naam van een politieke groepering die al geregistreerd is voor de Tweede Kamer- of Statenverkiezingen, én daardoor verwarring te duchten is. Voor het overige is de nieuwe fractie vrij in het kiezen van een naam.
Artikel 11. Vergadermodel: beeldvorming, oordeelvorming en besluitvorming
We hanteren met de invoering van het reglement van orde 2026 een BOB-model (beeldvorming, oordeelsvorming en besluitvorming). In de commissievergadering laten we het principe van enkel stellen van technische vragen los. De diepgaande technische vragen worden voorafgaand aan de commissievergadering schriftelijk gesteld en worden voorafgaand aan de commissievergadering schriftelijk door het college beantwoord.
Hierdoor is er in de commissievergadering meer ruimte voor een combinatie van beeldvorming en oordeelsvorming. Het apolitieke karakter van de commissievergadering (dat regelmatig tot krampachtige situaties leidde) is in 2023 losgelaten. Hiermee wordt ook de rol van fractievertegenwoordigers aantrekkelijker: er wordt meer ruimte gecreëerd om ‘het politieke spel’ te leren. Omdat in de commissievergadering geen besluitvorming plaatsvindt, is een meer politieke rol voor de fractievertegenwoordigers (die geen mandaat hebben voor besluitvorming) mogelijk.
De mogelijkheid om werkvergaderingen te organiseren wordt vervangen door vaste informatieavonden die per raadscyclus worden ingepland. Primair worden deze bijeenkomsten inhoudelijk gevuld door het college met medewerking van de ambtelijke organisatie. Voorafgaand aan een informatieavond wordt door het college een agenda voor de invulling van deze avond aan het presidium voorgelegd.
Artikel 13. Oproep en agenda
In artikel 19, eerste lid, van de wet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.
Het presidium bepaalt hoe de voorlopige agenda eruitziet. Het eerste lid stelt verplicht dat de voorzitter de leden een schriftelijke oproep, waarin de vergadering wordt aangekondigd, en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken stuurt. Uiteraard is het mogelijk, indien de raad dit wenst, de oproep en stukken per elektronische weg te versturen. De oproep vermeldt de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering.
In het eerste lid gaat het om een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen (tweede lid).
Het vijfde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Enerzijds kunnen individuele raadsleden via hun fractievoorzitter in het presidium onderwerpen voor de agenda voordragen. Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.
Indien er een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering, en de stemmen staken, is artikel 32, vierde lid, van de wet logischerwijs niet van toepassing en geldt artikel 32, vijfde lid, van de wet.
Artikel 14. Ter inzage leggen van stukken
Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage aangeboden (eerste lid). Primair gebeurt dit op digitale wijze via de gemeentelijke website, tenzij stukken niet via de vergadertool verspreid kunnen worden. Inwoners die geen toegang kunnen krijgen tot de digitale stukken, kunnen via de griffie papieren exemplaren ontvangen.
Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet open overheid (hierna: Woo). Een ‘document’ houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s, verslagen, (concept)adviezen, al dan niet in elektronische vorm, verkrijgen de status van ‘document’ in de zin van de Woo.
Onder de ‘informatie’ als bedoeld in het derde lid wordt verstaan: informatie van de raad en aan de raad verstrekte informatie, waaronder bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de reikwijdte van de Gemeentewet uitgebreid van ‘stukken’ naar ‘informatie’ (artikel 19, tweede lid, van de wet). Verder hoeft de raad de geheimhouding niet meer te bekrachtigen (artikel 89, vierde lid, van de wet). College, burgemeester en commissies mogen voortaan zelf geheimhouding opleggen (artikel 87 van de wet). Dit geldt ook voor zogeheten ‘achterliggende’ stukken waarvan in raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.) waarop geheimhouding is gelegd.
Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop geheimhouding is gelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Ook kan worden overwogen hiervan geen kopieën te laten maken, omdat het gevaar bestaat dat vaak gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen. Indien de geheimhouding op informatie anders dan in schríftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de wet).
Artikel 16. Presentielijst
De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de wet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de wet.
De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom zorgt hij voor het bijhouden van de presentielijst en stelt hij samen met de voorzitter deze vast en ondertekent deze (tweede lid). Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was.
Artikel 18. Zitplaatsen
Leden hebben een vaste zitplaats tijdens vergaderingen. Aan de linkerzijde, vanuit het oogpunt van de voorzitter, zit de grootste fractie en aan de rechterzijde zit de kleinste fractie. In het geval dat twee fracties even groot zijn, zit de fractie die de meeste stemmen ophaalde tijdens de verkiezingen verder naar links.
Artikel 19. Aantal spreektermijnen
De raad beraadslaagt over onderwerpen in debatvorm, in beginsel in maximaal twee termijnen. Indien de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten (eerste lid). Het vierde lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn.
Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren.
De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp (artikel 29 van de wet).
Het presidium kan bij de vaststelling van de conceptagenda voor de raadsvergadering besluiten om voor agendapunten een maximale behandeltijd te hanteren om de voortgang van de vergadering te bevorderen.
Tijdens de commissievergadering wordt bepaald of aan de raad kan worden voorgesteld om een raadsvoorstel als zogenaamd hamerstuk te behandelen. Over hamerstukken wordt tijdens de raadsvergadering niet meer beraadslaagd. Bij de definitieve vaststelling van de agenda wordt bepaald welke agendapunten als hamerstuk worden beschouwd. Als één raadslid verzoekt om een punt dat als hamerstuk is aangeduid alsnog inhoudelijk te behandelen, dan dient dit verzoek te worden gehonoreerd.
Artikel 20. Deelname aan de beraadslaging door anderen
Deze bepaling is noodzakelijk in verband met de in artikel 22 van de wet geregelde immuniteit. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen.
De raad kan op grond van artikel 3, derde lid, bepalen dat de griffier deelneemt aan de beraadslagingen. De burgemeester en de wethouder(s) hebben het recht (het woord te voeren en) deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van artikel 21, eerste en tweede lid, van de wet.
Artikel 21. Voorstellen van orde
De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (omdat het ordevoorstel betrekking heeft op de lopende vergadering is artikel 32, vierde lid, van de wet hierop logischerwijs niet van toepassing is). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 30 van de wet).
Artikel 22. Stemverklaring
Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming begint.
Artikel 23. Beslissing
De voorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist (eerste lid). De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing (tweede lid). Indien geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de wet.
Artikel 24. Stemming; procedure hoofdelijke stemming
Indien een raadslid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden (eerste lid). De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de wet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen (tweede lid). Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog gewezen op artikel 209, tweede lid, van de wet, dat tot hoofdelijke stemming verplicht bij het aangaan van een verplichting voordat de begroting is goedgekeurd.
De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele raadsleden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van deelname aan stemming op grond van artikel 28 van de wet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden.
Bij hand opsteken
In een stemming bij hand opsteken wordt gekeken welke fracties vóór of tegen zijn, en aan de hand daarvan bepaalt de Voorzitter de uitslag. Is de uitkomst daarvan onduidelijk dan kan alsnog tot een hoofdelijke stemming worden overgegaan.
Hoofdelijk
Bij een hoofdelijke stemming leest een griffier de namen van alle aanwezige leden op, waarbij ieder lid op het moment dat zijn of haar naam klinkt 'voor' of 'tegen' zegt. Als een lid zich vergist, kan de vergissing alleen worden hersteld voordat de volgende naam is afgeroepen. Als het lid de vergissing te laat bemerkt, kan dit na afloop van de stemming wel worden vastgelegd, zonder dat het de uitslag beïnvloedt.
Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de wet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
In gemeenten kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden waarbij de openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond van de wet.
In het vierde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming. Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering.
In het vijfde lid is de term ‘uitspreken’ vervangen door de term ‘verklaren’, waarmee buiten twijfel staat dat dit artikellid ook van toepassing is op digitale stemmingen.
Artikel 25. Volgorde stemming over amendementen en moties
Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement strekt tot wijziging van een voorstel en komt daarom in stemming voorafgaand aan de stemming over dat voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. Bovendien kan de raad besluiten af te wijken van deze stemvolgorde middels een ordevoorstel.
Artikel 26. Stemming over personen
Artikel 31, eerste lid, van de wet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Sinds 1 februari 2016 is artikel 31 ook van toepassing op de stemming over de benoeming van een wethouder (artikel 35, eerste lid, van de Gemeentewet). Datzelfde geldt voor de stemming over het ontslag van een wethouder in het geval een motie van wantrouwen niet tot onmiddellijk aftreden leidt (artikel 49 van de Gemeentewet). Ook dat gebeurt schriftelijk en is daarmee geheim. Het is mogelijk om met elektronische stemsystemen te werken, maar het Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van Beesel 2026 gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, blz. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld.
Bij de benoeming van wethouders is er sprake van een vrije stemming. Dat is dus anders dan bij een voordracht, waarbij de keus beperkt is tot twee of meer kandidaten.
Bij een vrije stemming is artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid, van de wet niet van toepassing. Daarin is bepaald dat een raadslid zich van stemming onthoudt wanneer hij “behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt". Zoals vermeld is dat bij de benoeming van wethouders niet aan de orde. Een raadslid kan op het stembriefje de naam van elke kandidaat die zijn voorkeur heeft invullen: die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander. Dat geldt dus ook voor raadsleden die zelf genomineerd zijn; die kunnen op zichzelf stemmen als ze dat willen.
De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze:
- -
Een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en mevrouw Pieterse aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen;
- -
Een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een voordracht;
- -
Het is denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken.
Artikel 27. Beslissing door het lot
Loting wordt gebruikt als uiterste middel wanneer de stemmen staken bij een besluit dat betrekking heeft op personen, bijvoorbeeld bij benoemingen. Als loting aan de orde is, is de procedure hiervoor beschreven in dit artikel.
Artikel 28. Verslag en besluitenlijst
Artikel 28 regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de wet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid, van de wet en het zesde lid).
Het conceptverslag wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep verstuurd aan de leden en overige personen die het woord gevoerd hebben (derde lid).
De griffier verleent de ambtelijke bijstand aan de raad. Daarom is de griffier aangewezen om het verslag op te stellen en deze, tezamen met de voorzitter, te ondertekenen (vierde lid).
De besluitenlijst dient op zo kort mogelijke termijn te worden gepubliceerd (vijfde lid). Dit kan voordat het verslag is vastgesteld aangezien de besluitenlijst 'slechts' een overzicht geeft van (alle) door de raad genomen beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de Awb maar ook bijvoorbeeld een afspraak om een werkbezoek af te leggen).
Andere vormen van verslaglegging zijn ook mogelijk, bijvoorbeeld een (beeld- en geluids)opname van de raadsvergadering met een overzicht van de sprekers, de onderwerpen – voorzien van tijdscodes – en een besluitenlijst.
Artikel 29. Ingekomen stukken
Over aan de raad gerichte inkomende stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld kennisnemen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie of het college, etc. Raadsleden kunnen het college ter vergadering bevragen over ingekomen stukken. Technische vragen over ingekomen stukken dienen schriftelijk te worden gesteld. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid. De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in principe ook bij de raad binnen. De mededelingen zijn dan ook een ingekomen stuk. De raad stelt de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.
Artikel 30. Toepassing reglement op besloten vergaderingen
Artikel 30 bepaalt dat de bepalingen van het Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van Beesel 2026 van overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie en het maken van het verslag.
De bepalingen van het Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van Beesel 2026 zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in artikel 23, vierde lid van de wet wordt opgeheven.
In artikel 23 van de wet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt.
Artikel 31. Verslag en besluitenlijst besloten vergadering
In artikel 31 wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, vierde lid, van de wet. In overeenstemming met de bepaling over het verslag van de raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor het verslag van een besloten vergadering. Conceptverslagen en -besluitenlijsten van besloten raadsvergaderingen liggen voor de raadsleden ter inzage bij de griffier (eerste lid).
Artikel 32. Opheffing geheimhouding
De raad kan geheimhouding opheffen. Wanneer hij dit doet, worden de verslagen van deze besloten vergadering openbaar gemaakt.
Artikel 33. Toehoorders en pers
De in artikel 33 aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 van de wet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.
Artikel 34. Geluid- en beeldregistraties door derden
Aangezien de vergaderingen van de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft. Wel dient rekening gehouden te worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen hebben een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts vanaf een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat burgers die inspreken niet gefilmd mogen worden, uiteraard in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met beeldregistraties.
Artikel 35. Inspraak derden
Een belangrijk onderdeel van een democratisch stelsel is de mogelijkheid voor inwoners om in te kunnen spreken ten aanzien van zaken die bij de raad op de agenda staan of zaken die in de gemeente spelen. Voorafgaand aan de commissievergadering wordt ruimte gecreëerd voor inwoners om gebruik te maken van hun spreekrecht. Door in te spreken voorafgaand aan de commissievergadering (die voorafgaand aan de besluitvormende raadsvergadering plaatsvindt), hebben raadsleden de ruimte om de inspraakreactie te betrekken bij hun standpuntbepaling ten aanzien van gedane voorstellen die in de besluitvormende raadsvergadering worden behandeld en voor besluitvorming worden aangeboden.
In het artikel is een aantal onderwerpen opgenomen waarop geen inspraak mogelijk is. Het betreft voornamelijk onderwerpen waarvoor eigenstandige procedures bestaan om bezwaar of beroep aan te tekenen of een klacht in te dienen. Ook betreft het zaken waarvoor een formele klachtenprocedure open staat. Afsluitend betreft het een aantal interne aangelegenheden van de gemeenteraad.
De raad hecht veel waarde aan het spreekrecht en een kritische bijdrage mag uiteraard worden geleverd. Daarbij geldt wel dat de raad een respectvolle en fatsoenlijke bijdrage van insprekers verwacht. Om deze reden is in dit artikel tevens opgenomen dat beledigende, discriminerende, bedreigende of anderszins ongepaste uitlatingen niet zijn toegestaan en in het uiterst geval kunnen leiden tot het ontnemen van het woord of het afwijzen van een verzoek tot inspraak door de voorzitter.
Artikel 36. Amendementen en subamendementen
Elk lid van de raad kan wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen ter behandeling in de raad, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel 18).
Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de wet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in artikel 36. Op basis van artikel 147b, tweede lid, juncto artikel 147a, tweede lid, van de wet is de raad verplicht een amendement te behandelen, overeenkomstig de door de raad vastgestelde regels. Uit de bewoordingen van artikel 147b, tweede lid, van de wet blijkt dat het recht om amendementen in te dienen aan elk individueel raadslid toekomt; drempelsteun is derhalve niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).
Artikel 37. Moties
In artikel 1 is de definitie van het begrip ‘motie’ gegeven. Een ‘motie’ is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke of procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom is het college formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken.
Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft (tweede lid).
Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats (derde lid). Dergelijke moties benaderen de in artikel 38 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad.
In de wet wordt één specifieke motie uitgewerkt, namelijk in artikel 49. Dit betreft de “motie van wantrouwen” waarbij de raad uitspreekt het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.
In lid 5 wordt geregeld dat aangenomen moties niet enkel op aangeven van het college zijn afgedaan, maar dat de raad middels een besluit bepaalt of een motie op een passende wijze is afgehandeld. Het college stelt hiervoor afdoeningsvoorstellen op, waarin wordt aangegeven op welke wijze en binnen welke termijn uitvoering is gegeven aan de motie. De raad behoudt hiermee de regie over de opvolging van zijn besluiten en kan het college hierop controleren en indien nodig aanspreken.
Artikel 38. Initiatiefvoorstel
Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen, maar de raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend.
In artikel 147a, eerste lid, van de wet is dit uitgewerkt. Hier is bepaald dat een lid van de raad een initiatiefvoorstel kan indienen; met deze formulering wordt tot uitdrukking gebracht dat dit recht aan elk individueel raadslid toekomt, drempelsteun is dus niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).
Het tweede en derde lid van artikel 147a van de wet bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld.
Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van de eis van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie.
De wet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet aanhangig worden gemaakt door het schriftelijk en ondertekend aan de voorzitter te zenden (eerste lid). De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets anders dan een verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen.
In het tweede lid is een termijn gesteld van 21 dagen om het college in de gelegenheid te stellen zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen.
In het vierde lid van artikel 147a van de wet is sinds 1 februari 2016 bepaald dat het college de gelegenheid moet krijgen om wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Het college moet immers de besluiten van de raad uitvoeren (artikel 160, eerste lid, onder b, van de wet). Deze zgn. voorhangregeling is uitgewerkt in het tweede lid van dit artikel. Het is in eerste instantie aan de indiener om te beslissen wat hij met die inbreng doet en uiteindelijk beslist de raad over het al dan niet gewijzigde voorstel (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33691, 3, p. 2-3).
Het derde lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst nadat het college in de gelegenheid is gesteld om zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Als de oproep voor die vergadering echter al verzonden is, dan plaatst de voorzitter het niet op de agenda van eerstvolgende, maar daaropvolgende raadsvergadering. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 8, tweede lid, voor te stellen het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Voor zover de in het tweede lid gestelde termijn dan nog niet verlopen is zal er echter niet over het voorstel besloten kunnen worden (artikel 147a, van de Gemeentewet, juncto tweede lid van artikel 30). Dit staat er weliswaar niet aan in de weg dat er al over wordt beraadslaagd in de raadsvergadering, maar de voorzitter van de raad zal dan vervolgens de stemming over het voorstel aan moeten houden totdat het college in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Ook kan nadere beraadslaging op dat moment wenselijk worden geacht.
Voor het overige is het aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt behandeld als het op de agenda staat. Indien de wensen of bedenkingen van het college daar aanleiding toe geven kan de indiener van het voorstel eventuele wijzigingen doorvoeren. Hij of zij is daartoe echter niet verplicht, omdat de wet alleen aangeeft dat het college de mogelijkheid moet hebben om een visie op het initiatiefvoorstel te hebben. Er is geen verplichting om de wensen of bedenkingen ook daadwerkelijk in het voorstel te verwerken.
Artikel 39. Raadsvoorstel voorbereid door het college
Artikel 39 heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven (eerste lid).
Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw wordt behandeld. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan de agendacommissie overlaten.
Artikel 40. Interpellatie
Artikel 40 stelt nadere regels bij artikel 155, tweede lid, van de wet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht en is een zwaarder instrument. Het gaat om het recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig, omdat de vergaderorde wordt doorbroken.
Artikel 41. Interruptie
Een interruptie is een onderbreking van de woordvoering van een raadslid door een ander raadslid, teneinde tijdens een betoog een verhelderende of politieke vraag te stellen.
Artikel 42. Rondvraag
In dit artikel wordt toegelicht onder welke voorwaarden raadsleden gebruik kunnen maken van het instrument rondvraag.
Artikel 43. Schriftelijke vragen
Het vragenrecht stelt de leden van de raad in staat informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. Deze dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het college of de burgemeester geeft daarom het schriftelijke antwoord. In de praktijk zal een schriftelijk antwoord van het college vaak door de desbetreffende portefeuillehouder gegeven worden (artikel 168 van de wet).
De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is dat de verantwoordelijke portefeuillehouder of de burgemeester in de raadsvergadering e.e.a. komt toelichten en nadere vragen komt beantwoorden. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad anders kan beslissen.
In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen.
Artikel 44. Inlichtingen
In artikel 44 wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad. De passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de wet is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee wordt voorkomen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid.
De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is, zo blijkt uit de bewoordingen van artikel 169 van de wet, wettelijk objectief en algemeen omschreven. Het moet dan gaan om zwaarwegende belangen.
In de praktijk bestaan verschillende wettelijke en politieke figuren om als de raad en het college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. De openbaarheid van stukken en vergaderingen bijvoorbeeld kan al dan niet tijdelijk worden opgeheven. Vervolgens kent de wet een algemene actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, van de wet verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Het college moet permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht.
Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid, van de wet verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, van de wet indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien de raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. De term ‘ingrijpend’ is in de wet niet nader omschreven. De raad en het college dienen, op basis van de situatie in de eigen gemeente, tot een afbakening te komen. De wetgever heeft destijds het oog gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. De raad en het college moeten hier derhalve zelf een modus in vinden.
Artikel 45. Werkgroepen of klankbordgroepen
Dit artikel regelt hoe werkgroepen en klankbordgroepen binnen de gemeenteraad kunnen worden ingesteld. Het biedt een duidelijk proces om te zorgen dat deze groepen een ondersteunende en adviserende rol hebben, zonder formele besluitvormingsbevoegdheid.
Een werkgroep heeft een actieve rol: zij werkt inhoudelijk mee aan het uitwerken van een onderwerp, verzamelt informatie en bereidt voorstellen of adviezen voor. Het resultaat is vaak een concreet product, zoals een rapport of aanbevelingen. Een klankbordgroep daarentegen fungeert vooral als sparringpartner; zij denkt mee, geeft feedback en toetst ideeën of concepten. Het artikel waarborgt dat er vooraf duidelijkheid is over doel, rol, samenstelling en werkwijze, zodat transparantie en efficiëntie worden bevorderd. De portefeuillehouder neemt deel aan de bijeenkomst(en) zodat er een directe link is met het college.
Artikel 46. Werkwijze geven en wensen en bedenkingen
Dit artikel beschrijft de procedure waarmee de gemeenteraad zijn wensen en bedenkingen kan uiten bij voorgenomen besluiten van het college. Het waarborgt dat de raad tijdig geïnformeerd wordt en de mogelijkheid heeft invloed uit te oefenen voordat het college een definitief voorstel maakt. Deze werkwijze bevordert transparantie en geeft de raad een formele mogelijkheid om invloed uit te oefenen op voorstellen van het college waarbij de wet vereist dat er wensen en bedenkingen kunnen worden geuit.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl