Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758575
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758575/1
Beleidsregels Inkomen Participatiewet gemeente Midden-Delfland 2026
Geldend van 13-03-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Beleidsregels Inkomen Participatiewet gemeente Midden-Delfland 2026Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland
gelet op:
- •
artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht
- •
de artikelen 19a, 27, 28, 31, 33, 41, 43a, 44, 48, 50 van de Participatiewet
- •
de artikelen 8, 15a en 16a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw); en
- •
artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz);
Besluit:
Vast te stellen de ‘Beleidsregels Inkomen Participatiewet gemeente Midden-Delfland 2026’.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
-
1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.
-
2. In deze beleidsregels en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan onder:
- a.
aanvullende inkomstenvrijlating: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid onderdeel r van de Participatiewet, artikel 8, vijfde lid van de Ioaw en artikel 8, negende lid van de Ioaz;
- b.
algemene inkomstenvrijlating: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid onderdeel n van de Participatiewet, artikel 8, tweede lid van de Ioaw en artikel 8, derde lid van de Ioaz;
- c.
AOW: Algemene Ouderdomswet;
- d.
belanghebbende: de persoon die algemene bijstand ontvangt op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de Ioaw of de Ioaz;
- e.
bijstandsperiode: een periode dat algemene bijstand op grond van de Participatiewet wordt ontvangen of een uitkering op grond van de Ioaw of een uitkering op grond van de Ioaz;
- f.
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland;
- g.
commerciële (onder-)huur: het gebruik maken van een onroerende zaak van een verhuurder, voor een bepaalde periode en tegen een periodieke betaling en een marktconforme prijs;
- h.
commerciële (onder-)verhuur: het in gebruik geven van een onroerende zaak voor een bepaalde periode aan een huurder, tegen een periodieke betaling en een marktconforme prijs;
- i.
gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de wet;
- j.
inkomstenvrijlating medische urenbeperkte: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid onderdeel y van de Participatiewet, artikel 8, zevende lid van de Ioaw en artikel 8, elfde lid van de Ioaz.
- k.
jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de wet;
- l.
probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden.
- m.
vermogen: de waarde van de bezittingen waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de schulden.
- n.
wet: de Participatiewet
- o.
woning: een woning als bedoel in artikel 1, onderdeel j van de Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoel in artikel 3, zesde lid van de wet.
- p.
woonkosten;
- (1)
als een eigen woning wordt bewoond: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten;
- (2)
als een huurwoning wordt bewoond de per maand geldende huurprijs, als bedoeld in artikel 1, onderdeel d van de Wet op de huurtoeslag.
- (1)
- q.
woonlasten: alle kosten die verbonden zijn aan het bewonen van een woning.
- r.
zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de wet.
- a.
Hoofdstuk 2 Vaststellen van de bijstandsnorm
Artikel 2.1 Toepassing van deze beleidsregel
De bepalingen in dit hoofdstuk gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde AOW-leeftijd. In geval van gehuwden gelden de bepalingen in dit hoofdstuk alleen als beide echtgenoten 21 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn.
Artikel 2.2 Geen woonlasten
-
1. De verlaging in verband met de woonsituatie, zoals bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt 20% van de gehuwdennorm.
-
2. Van lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan dan waarin de norm voorziet als gevolg van de woonsituatie is in ieder geval sprake:
- a.
bij het niet aanhouden van een woning;
- b.
als een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden;
- c.
als een derde de woonkosten betaalt.
- a.
Artikel 2.3 Inkomsten uit commerciële (onder-)verhuur
-
1. Het college verstaat onder een marktconforme en commerciële prijs zoals bedoeld in artikel 19a, eerste lid onderdelen b en c van de wet, een huurprijs van ten minste € 310,- per maand;
-
2. De inkomsten zoals bedoeld in artikel 33, vierde lid van de wet worden in de situatie waarbij sprake is van (onder-)verhuur, op de uitkering van de verhuurder in mindering gebracht, onder aftrek van € 70,00 per maand.
-
3. Bij drie of meer (onder-)huurders wordt de (onder-)verhuurder geacht een bedrijf te exploiteren en dient voor bijstand een beroep te worden gedaan op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004.
-
4. Ten aanzien van het gestelde in het eerste lid, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
- a.
De afspraken over (onder-)huur of (onder-)verhuur van (een deel van) de woning moeten schriftelijk zijn vastgelegd in een huurovereenkomst; en
- b.
De belanghebbende toont de huurovereenkomst en bankafschriften waaruit duidelijk blijkt dat de werkelijke prijs feitelijk wordt betaald.
- a.
-
5. In de huurovereenkomst is ten minste opgenomen:
- a.
wie de huurder is;
- b.
wie de verhuurder is;
- c.
de huurprijs (all-in of uitgesplitst in kale huur en servicekosten);
- d.
het adres en de omschrijving van het gehuurde;
- e.
de datum van ingang van het huurcontract;
- f.
het tijdstip en de wijze van betaling;
- g.
de datum waarop jaarlijks de huur wordt verhoogd; en
- h.
de handtekening van de huurder en de verhuurder.
- a.
Artikel 2.4 Geen commerciële (onder-)verhuur
-
1. Overeenkomstig artikel 19a, eerste lid van de wet wordt een overeenkomst tussen bloedverwanten in de eerste en tweede graad niet aangemerkt als een commerciële overeenkomst.
-
2. Een bestaande, niet-zakelijke overeenkomst wordt door het aangaan van een (onder-) huurcontract of (onder-)verhuurcontract niet geaccepteerd als een zakelijke overeenkomst.
Artikel 2.5 Verblijf in een inrichting
-
1. Als de belanghebbende wordt opgenomen in een inrichting, wordt de algemene bijstand betaald naar de norm die zou gelden als er geen sprake zou zijn van verblijf in een inrichting, tot de eerste dag van de tweede maand na opname in de inrichting.
-
2. Na afloop van de periode genoemd in het eerste lid:
- a.
beëindigt het college de algemene bijstand als de belanghebbende permanent wordt opgenomen in een inrichting buiten de gemeente of de opname naar verwachting langer dan zes maanden duurt;
- b.
wijzigt het college de norm van belanghebbende naar de norm als bedoeld in artikel 23 van de wet, als de opname buiten de gemeente tijdelijk is, doch naar verwachting niet langer duurt dan zes maanden na datum van de opname;
- c.
wijzigt het college de norm van belanghebbende naar de norm als bedoeld in artikel 23 van de wet, als de inrichting gelegen is in de gemeente Midden-Delfland.
- a.
-
3. In afwijking van het tweede lid wordt de uitkering van een belanghebbende jonger dan 21 jaar die wordt opgenomen in een inrichting beëindigd na afloop van de periode genoemd in het eerste lid.
Hoofdstuk 3 Giften
Artikel 3.1 Vrijlaten giften in individuele gevallen
-
1. Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:
- a.
giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;
- b.
giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;
- c.
eenmalige giften van de Stichting Urgente Noden en de Stichting Gezinsherenigingen Vluchtelingen Delft;
- d.
giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand;
- e.
giften die worden verstrekt en ingezet om een crisissituatie te voorkomen.
- a.
-
2. Giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de wet, worden vrijgelaten voor zover zij worden verstrekt en ingezet voor een situatie genoemd in het eerste lid.
Hoofdstuk 4 Vrijlating van het inkomen
Artikel 4.1 Bijdragen aan arbeidsinschakeling
Inkomsten uit arbeid dragen naar het oordeel van het college bij aan de arbeidsinschakeling, indien:
- a.
de inkomsten uit arbeid aanvangen na ingangsdatum van de bijstand; of
- b.
bij een structurele urenuitbreiding van ten minste 4 uur per week bij die belanghebbende, die al inkomsten uit arbeid heeft bij aanvang van de bijstand.
Artikel 4.2 Algemene inkomstenvrijlating
-
1. Het recht op de algemene inkomstenvrijlating bestaat bij gehuwden voor ieder van de partners afzonderlijk.
-
2. Het recht op de algemene inkomstenvrijlating bestaat over maximaal zes maanden gedurende één bijstandsperiode. Deze periode van zes maanden hoeft niet aaneengesloten te zijn.
-
3. Als de bijstandsperiode ten minste 30 dagen, overeenkomstig artikel 45, derde lid van de Participatiewet, wordt onderbroken, ontstaat er een nieuw recht op de algemene inkomstenvrijlating.
-
4. Het college ziet af van het verstrekken van de algemene inkomstenvrijlating indien een eerdere bijstandsperiode is beëindigd wegens schending van de inlichtingenplicht.
Artikel 4.3 Aanvullende inkomstenvrijlating
De alleenstaande ouder heeft recht op de aanvullende inkomstenvrijlating indien:
- a.
hij de zorg heeft over een ten laste komend kind tot 12 jaar;
- b.
de periode van de algemene inkomstenvrijlating van 6 maanden verstreken is; en
- c.
hij voldoet aan de voorwaarden als gesteld in artikel 4.1 van deze beleidsregels.
Artikel 4.4 Inkomstenvrijlating jongeren
Van de belanghebbende die 18 jaar of ouder is, maar jonger dan 27 jaar, wordt maximaal 12 maanden (aaneengesloten) 15% van de netto-inkomsten per maand vrijgelaten, voor zover het naar het oordeel van het college bijdraagt aan arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 4.1.
Artikel 4.5 Inkomstenvrijlating bij een medisch urenbeperking
-
1. De belanghebbende, die inkomsten uit arbeid ontvangt en waarvan het college heeft vastgesteld dat hij/zij medisch urenbeperkt is als bedoeld in de wet, heeft recht op inkomstenvrijlating van 15% van de inkomsten uit arbeid tot een wettelijk vastgesteld maximum.
-
2. De inkomstenvrijlating duurt zolang er sprake is van een medische urenbeperking.
-
3. Het recht op de inkomstenvrijlating bij een medische urenbeperking bestaat bij gehuwden voor ieder van de partners die aan de voorwaarden voldoet afzonderlijk.
-
4. Deze vrijlating wordt niet gegeven zolang de belanghebbende met een medisch urenbeperking de algemene inkomstenvrijlating of de aanvullende inkomstenvrijlating ontvangt.
Artikel 4.6 Toekenning
-
1. Het college kent de inkomstenvrijlating ambtshalve toe bij een dienstverband van ten minste 10 uur per week.
-
2. Bij een 0-urencontract dan wel een dienstverband van minder dan 10 uur per week, treedt het college in overleg met de belanghebbende over het al dan niet toepassen van de inkomstenvrijlating.
Artikel 4.7 Gelijkstelling met inkomsten uit arbeid
Naast inkomsten uit arbeid geldt de vrijlating ook voor de volgende inkomsten:
- a.
loondoorbetaling bij ziekte, ongeacht wie dit betaalt;
- b.
een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZ); en
- c.
inkomsten uit arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep als deeltijdzelfstandige.
Artikel 4.8 Geen inkomstenvrijlating bij niet of te laat melden
-
1. Het college past geen inkomstenvrijlating toe:
- a.
indien de belanghebbende geen of onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over de inkomsten uit arbeid; of
- b.
indien de belanghebbende te laat inlichtingen heeft verstrekt over de inkomsten uit arbeid.
- a.
-
2. Van te laat verstrekken van inlichtingen is sprake indien de belanghebbende de gegevens met betrekking tot de inkomsten uit arbeid niet binnen twee weken verstrekt, nadat deze voor de belanghebbende beschikbaar zijn.
Hoofdstuk 5 Vaststellen van het vermogen
Artikel 5.1 Vrijlaten waarde auto’s, motoren, boten, caravans
-
1. Een auto of motor met een waarde tot maximaal € 3.500,- is naar het oordeel van het college algemeen gebruikelijk en wordt niet tot de middelen van belanghebbende gerekend.
-
2. Een auto of motor met een waarde hoger dan bedoeld in het eerste lid, wordt alleen tot de middelen van belanghebbende gerekend voor het deel van de waarde waarmee het bedrag zoals bedoeld in lid 1 wordt overschreden.
-
3. Als een belanghebbende beschikt of redelijkerwijs beschikt over meer dan één auto of motor, geldt de vrijlating zoals bedoeld in het eerste of tweede lid, slechts voor één voertuig.
-
4. Voor de vaststelling van de waarde van auto’s en motoren wordt in principe uitgegaan van de dagwaarde volgens Independer.nl.
-
5. Een boot en caravan worden naar het oordeel van het college niet als algemeen gebruikelijk gezien.
Artikel 5.2 Materiële schadevergoeding
-
1. Een vergoeding voor materiële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid onderdeel s van de Participatiewet wordt vrijgelaten, indien de belanghebbende deze vergoeding aantoonbaar gebruikt om de schade te herstellen.
-
2. Indien de belanghebbende de vergoeding niet gebruikt voor het herstellen van de schade, wordt de vergoeding toegerekend tot het vermogen van de belanghebbende.
-
3. Een schadevergoeding voor het verlies van inkomsten wordt gezien als inkomen en met de uitkering verrekend.
Artikel 5.3 Immateriële schadevergoeding
-
1. Een vergoeding voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid onderdeel s van de Participatiewet wordt in ieder geval vrijgelaten, indien deze vergoeding lager is dan het bedrag aan vrij te laten vermogen voor een alleenstaande, als bedoeld in artikel 34, derde lid onderdeel a van de Participatiewet.
-
2. Indien de immateriële schadevergoeding hoger is dan het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande, als bedoeld in artikel 34, derde lid onderdeel a van de Participatiewet, beoordeelt het college in hoeverre het meerdere van de vergoeding verenigbaar is met de bijstand. In deze overweging neemt het college mee:
- a.
de omstandigheden waarmee de rechter rekening heeft gehouden bij de toekenning van de vergoeding voor immateriële schade;
- b.
de leeftijd van de belanghebbende;
- c.
de mogelijkheid van de belanghebbende om in de toekomst eigen inkomsten te verwerven; en
- d.
de duur van de nog te verwachten periode van bijstandsverlening.
- a.
-
3. Het bedrag aan immateriële schadevergoeding, hoger dan het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande, als bedoeld in artikel 34, derde lid onderdeel a van de Participatiewet en waarvan het college van oordeel is dat dit niet verenigbaar is met de bijstand, wordt toegerekend tot het vermogen van de belanghebbende.
Hoofdstuk 6 Aanvraag
Artikel 6.1 Verkorte aanvraagprocedure
-
1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de wet, te gebruiken, wanneer:
- a.
dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;
- b.
de nieuwe aanvraag is ingediend binnen zes maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en,
- c.
de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege werkaanvaarding;
- a.
-
2. Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:
- a.
het hoofdverblijf;
- b.
de gezinssituatie; en
- c.
het inkomen en het vermogen.
- a.
-
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Ioaw.
Artikel 6.2 Bijstand met terugwerkende kracht
-
1. Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de wet als:
- a.
er omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:
- 1°
de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;
- 2°
de belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;
- 3°
een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;
- 4°
een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt;
- 5°
de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;
- 6°
de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.
- 7°
de belanghebbende heeft zich aantoonbaar ingespannen om betaald werk te vinden in de vier weken voorafgaand aan de melding voor bijstand.
- 1°
- b.
er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:
- 1°
de belanghebbende heeft probleemschulden;
- 2°
na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is belanghebbende is failliet verklaard;
- 3°
na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten.
- 1°
- a.
-
2. Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.
-
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw.
Artikel 6.3 Zoektermijn jongeren
Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:
- a.
de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- b.
de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding:
- 1°
in een inrichting verbleven;
- 2°
opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of
- 3°
bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet.
- 1°
- c.
voor de jongere gold uiterlijk binnen een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet;
- d.
de jongere in een kwetsbare situatie verkeert en een zorgbehoefte heeft;
- e.
de jongere niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen of niet met een woonadres, maar met een briefadres ingeschreven is in de basisregistratie personen;
- f.
de jongere heeft uiterlijk zes maanden voorafgaand aan de melding algemene bijstand ontvangen;
- g.
de jongere heeft probleemschulden, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast;
- h.
de jongere zich aantoonbaar voldoende heeft ingespannen om betaald werk te vinden in de vier weken voor de melding voor bijstand;
- i.
de jongere in het kader van de wettelijke taakstelling huisvesting vergunninghouders wordt gehuisvest.
Hoofdstuk 7 Bijstand en eigen woning
Artikel 7.1 Vorm van de lening
-
1. Indien bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening als bedoeld in artikel 50 tweede lid van de Participatiewet, is de vorm hiervan de vestiging van een hypotheekrecht op een eigen woning of een woonschip zijnde een registergoed, en van de vestiging van een pandrecht op een woonwagen of een woonschip zijnde een niet-registergoed;
-
2. Indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting minder bedraagt dan tweemaal het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37 eerste lid van de Participatiewet, wordt niet tot de vestiging van een hypotheek- of pandrecht overgegaan. De eventueel te verlenen bijstand kan als geldlening of om niet verstrekt worden, afhankelijk van het bepaalde in artikel 50 van de Participatiewet, samen met artikel 48 eerste en tweede lid van de Participatiewet;
-
3. Verlening van bijzondere bijstand onder verband van hypotheek of pand is slechts mogelijk indien aan belanghebbende eveneens algemene bijstand wordt verstrekt;
-
4. Het college verbindt aan de verlening van bijstand onder verband van krediethypotheek of -pand als bedoeld in het eerste lid de verplichting dat de belanghebbende zich schriftelijk bereid verklaart hieraan mee te werken. Bij weigering de verklaring te ondertekenen, kan geen bijstand of voorschot worden verstrekt.
Artikel 7.2 Vaststelling waarde woning
-
1. De geldlening als bedoeld in artikel 7.1, is ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34 tweede lid onder b en d van de Participatiewet;
-
2. De waarde van de woning of de woonwagen wordt vastgesteld overeenkomstig de waarde zoals vermeld op de laatste aanslag in het kader van Wet waardering onroerende zaken, tenzij de laatste aanslag ouder is dan twaalf maanden. In dat geval wordt de woning, c.q. de woonwagen getaxeerd door een in overleg met belanghebbende aan te wijzen erkende makelaar in Delft, tenzij al een taxatierapport van niet ouder dan twaalf maanden aanwezig is. Dit taxatierapport moet uitgaan van de waarde van de woning indien onbewoond en vrij van huur;
-
3. In geval van een woonschip wordt de waarde vastgesteld op basis van een taxatie door een in overleg met belanghebbende aan te wijzen erkende makelaar in Delft, tenzij belanghebbende een taxatierapport toont, dat niet ouder is dan twaalf maanden, van het betreffende woonschip. Dit taxatierapport moet uitgaan van de waarde van het woonschip indien onbewoond en vrij van huur;
-
4. De kosten van taxatie, de hypotheekakte, de inschrijving van de hypotheek en de bijkomende kosten komen ten laste van de eigenaar. De bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als bijzondere bijstand. Indien niet wordt overgegaan tot het vestigen van een krediethypotheek buiten de schuld van belanghebbende, kunnen de kosten van taxatie als bijzondere bijstand om niet aan belanghebbende worden verleend;
-
5. Indien van toepassing moet in plaats van het begrip hypotheek het begrip pand worden gelezen.
Artikel 7.3 Voorwaarden en bedingen
-
1. Aan de geldlening worden in ieder geval verbonden de voorwaarden genoemd in de artikelen 7.4 en 7.5;
-
2. De in het eerste lid genoemde voorwaarden worden tezamen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheek- of pandakte.
Artikel 7.4 Vaststelling hoogte aflossing
-
1. Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste 10 jaar;
-
2. De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats;
-
3. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van 1 jaar vastgesteld. In beginsel is dit maandbedrag 1/120ste van de totale lening;
-
4. Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3 paragraaf 3.2 en 3.3 van de Participatiewet, wordt geen aflossing gevergd;
-
5. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast;
-
6. Bij de beoordeling van de omstandigheden, als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel, wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen;
-
7. Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van 10 jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.
Artikel 7.5 Restant vordering
-
1. Indien door toepassing van artikel 7.4 vierde tot en met zesde lid, na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening;
-
2. De rente, bedoeld in het eerste lid, is de op dat moment geldende wettelijke rente, verminderd met 3 procent. Hierbij geldt 0 procent als minimum;
-
3. Indien belanghebbende naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening;
-
4. Indien belanghebbende naar het oordeel van het college geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening;
-
5. Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.
Artikel 7.6 Verkoop van de woning
-
1. Bij verkoop of vererving van de woning, en indien het gehuwden betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 7.5 derde en vierde lid, bijgeschreven rente, terstond afgelost;
-
2. Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende dan wel wegens werkaanvaarding elders door belanghebbende, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van een krediethypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het derde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning;
-
3. Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering komt, voor zover de opbrengst daartoe toereikend is, aan belanghebbende in ieder geval het bedrag toe dat op grond van artikel 34 derde lid van de Participatiewet, bij de vaststelling van de geldlening op de waarde van de woning in mindering is gebracht;
-
4. Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden;
-
5. Onder woning wordt in dit artikel tevens woonschip of woonwagen begrepen. Indien van toepassing moet in plaats van het begrip hypotheek het begrip pand worden gelezen.
Artikel 7.7 Herleving recht op bijstand
Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandsverlening onder verband van krediethypotheek of -pand wederom het recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van het laatst gevestigde hypotheek- of pandrecht.
Artikel 7.8 Opgave
Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen.
Hoofdstuk 8 Slotbepalingen
Artikel 8.1 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de verzoeker afwijken van de bepalingen van deze beleidsregels, indien toepassing van deze beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 8.2 Inwerkingtreding
-
1. Deze beleidsregels treden in werking met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026.
-
2. Per 1 januari 2026 vervallen de volgende beleidsregels:
- a.
Beleidsregels vrijlating inkomsten, giften en vergoedingen voor (im)materiële schade in de Participatiewet, Ioaw en Ioaz 2018
- b.
Beleidsregels krediethypotheek en –pand;
- c.
Beleidsregel verlagen van de bijstand in verband met de woonsituatie en de inkomsten uit commerciële (onder-)verhuur Participatiewet.
- a.
Artikel 8.3 Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Inkomen Participatiewet gemeente Midden-Delfland 2026.
Ondertekening
Aldus vastgesteld bij besluit van 3 maart 2026.
De gemeentesecretaris
M.A.I. Born
De burgemeester
F.I. Noordermeer – Van Slageren
Toelichting
Op 1 januari 2026 treedt het wetsvoorstel Participatiewet in balans in werking. Met dit wetsvoorstel krijgen gemeenten enkele nieuwe bevoegdheden bij de uitvoering van de Participatiewet. Doel van deze wijzigingen is onder meer dat het verlenen van bijstand beter aansluit bij de situatie van de inwoner. Om willekeur te voorkomen, wil het college nadere uitvoeringsregels vastleggen. Tegelijkertijd heeft het college van de mogelijkheid gebruik gemaakt om twee bestaande beleidsregels samen te voegen en enkele andere uitvoeringsregels vast te leggen. Dit komt de eenduidigheid van de uitvoering van de Participatiewet in Midden-Delfland ten goede.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Hoofdstuk 1Algemene bepalingen
In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregel. Voor het overige gelden de definities uit de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begrippen uit de beleidsregel worden hieronder nader toegelicht.
Probleemschulden
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) wordt het begrip ‘probleemschulden’ (of: 'problematische schulden') niet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven voor wie schuldhulpverlening is bedoeld. In artikel 1 van de Wgs staat:
‘het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’
Voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) geldt een vergelijkbaar criterium. In de definitie zijn iets eenvoudiger woorden gebruikt om dit uit te drukken. Daarbij speelt ook de overweging, dat het niet de bedoeling is om exact te gaan boekhouden bij het beoordelen van iemands financiële situatie. Het is voldoende dat ‘naar het oordeel van’ het college iemand zijn schulden niet meer kan aflossen of is gestopt met betalen.
Hoofdstuk 2Vaststellen van de bijstandsnorm
De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om de norm lager vast te stellen in twee situaties, namelijk als de belanghebbende geen of lage woonlasten heeft (artikel 27) en als de belanghebbende schoolverlater is (artikel 28). Daarnaast is met de introductie van de kostendelersnorm in 2015 relevant of de belanghebbende een commerciële huurrelatie heeft met zijn of haar medebewoners. Het is wenselijk dat het college vastlegt wat zij verstaat onder een commerciële huurrelatie.
Schoolverlaterskorting
Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid om de norm lager vast te stellen als de belanghebbende schoolverlater is. Uit jurisprudentie (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2020:624) blijkt dat de bijstandsnorm niet lager mag worden vastgesteld dan wat eerder aan studiefinanciering werd ontvangen. Dit is tijdrovend om voor elk individu te beoordelen. Het is mogelijk om met een vast verlagingspercentage te werken. Het percentage zou dan echter zo gering worden, dat een dergelijke beleidsregel dan geen toegevoegde waarde meer heeft.
Artikel 2.1 Toepassing van deze beleidsregel
De norm voor jongeren tot 21 jaar is lager. Het verlagen van de uitkering zou dan erg grote gevolgen hebben. Ook de kostendelersnorm is pas van toepassing vanaf 21 jaar. Om deze redenen hebben de bepalingen dit hoofdstuk alleen betrekking op personen van 21 jaar en ouder.
Artikel 2.2 Geen woonlasten
De Participatiewet biedt het college de mogelijkheid de bijstandsnorm van een belanghebbende lager vast te stellen, voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning (artikel 27 Participatiewet). Immers, als iemand geen woonlasten heeft, heeft hij of zij lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Voor de verlaging met 20% van de gehuwdennorm is aangesloten bij de regiogemeenten en bij het beleid zoals dit voorheen was vastgelegd in de ‘Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012 gemeente Midden-Delfland’. Een lagere korting toepassen zou een aanzuigende werking vanuit de regio kunnen hebben.
Artikel 2.3 Inkomsten uit commerciële (onder-)verhuur
Volledig zakelijke relaties zoals (onder-)huurschap en (onder-)verhuurschap of kostgever- en kostnemersschap blijven voor de kostendelersnorm buiten beschouwing. Bij deze relaties is er immers sprake van deelname aan het economisch verkeer en wordt een commerciële prijs voor het gehuurde en de overeengekomen diensten betaald.
De Participatiewet geeft niet aan wat wordt verstaan onder een commerciële prijs. In het eerste lid, onderdeel c is daarom vastgelegd dat het college een bedrag, hoger dan € 310,- per maand beschouwt als een marktconforme, commerciële huurprijs. Dit bedrag is ongeveer gelijk aan het bedrag dat iedereen tenminste aan huur zou moeten kunnen betalen volgens de Wet op de huurtoeslag.
Artikel 33, vierde lid van de Participatiewet geeft aan dat indien de belanghebbende de woning bewoont met een of meer huurders, onderhuurders of kostgangers, de daaruit voorvloeiende lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan als inkomen in aanmerking worden genomen, mits hiermee bij het vaststellen van de bijstandsnorm nog geen rekening is gehouden. Met andere woorden: enkel in situaties waarbij de kostendelersnorm niet van toepassing is. In het tweede lid van artikel 2.3 is vastgelegd dat de inkomsten uit (onder-)verhuur of kostgeverschap op de uitkering van verhuurder in mindering worden gebracht. Van de huurinkomsten wordt € 70,- per maand vrijgelaten, omdat hier ook kosten tegenover staan, zoals extra energiekosten, hoger watergebruik en dergelijke.
Bij drie of meer kostgangers en/of (onder-)huurders wordt de (onder-)verhuur en/of kostgever geacht een bedrijf te exploiteren. Om dan voor bijstand in aanmerking te komen dient een beroep te worden gedaan op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004. Dit is vastgelegd in het derde lid van artikel 2.3.
Artikel 2.4 Geen commerciële (onder-)verhuur
Een overeenkomst tussen bloedverwanten in de eerste en tweede graad wordt niet als commerciële overeenkomst erkend. Dit volgt uit artikel 19a, eerste lid van de Participatiewet.
In het tweede lid is opgenomen het college niet accepteert dat een al bestaande, niet-zakelijke overeenkomst door het (alsnog) sluiten van een (ver)huurovereenkomst, een zakelijke overeenkomst wordt. Hiermee wordt voorkomen dat belanghebbenden op deze wijze een hogere uitkering verkrijgen, terwijl er feitelijk geen sprake is van commerciële (ver)huur, maar van woningdelen.
Artikel 2.5 Verblijf in inrichting
Artikel 23 Participatiewet bepaalt dat bij verblijf in een inrichting afwijkende bedragen gelden voor de te verlenen bijstand. Van verblijf in een inrichting is sprake vanaf het moment van opname in een inrichting. Opnames in inrichting kunnen van korte duur zijn. Ook kan sprake zijn van herhaalde (korte) opnames kort achter elkaar. In dergelijke gevallen is het niet wenselijk om de norm (telkens) meteen om te zetten, mede gelet op de administratieve last voor zowel belanghebbende als gemeente. Bovendien zullen vaste lasten van belanghebbenden in dergelijke situaties vaak doorlopen waarvoor steeds bijzondere bijstand verleend zou moeten worden. Ook een permanente opname komt vaak onverwacht en is het niet mogelijk vaste lasten (zoals huur) direct te stoppen. Daarom vindt het college een overgangsperiode wenselijk.
In deze beleidsregel is bepaald dat de voorheen geldende bijstandsnorm ‘de maand uit plus één maand’ na de dag van opname behouden blijft. Zowel bij tijdelijk als langdurig verblijf in een inrichting. Pas daarna wordt de normale uitkeringsnorm omgezet naar de norm voor verblijf in een inrichting.
Bijvoorbeeld: Een alleenstaande wordt op 15 juni opgenomen in een inrichting. De alleenstaande norm van artikel 21 onderdeel a Participatiewet wordt nog voor de maand van opname en de volledige maand erna verstrekt. Dat betekent dus dat belanghebbende deze norm behoudt tot en met 31 juli. Vanaf 1 augustus geldt de inrichtingsnorm.
Wanneer een inrichting in een andere gemeente is, kan het zijn dat iemand zijn hoofdverblijf niet meer in Midden-Delfland heeft. Na zes maanden wordt iemand geacht zijn hoofdverblijf niet meer in Midden-Delfland te hebben. Artikel 40, eerste lid Participatiewet verzet zich dan tegen bijstandsverlening. Als de belanghebbende stelt dat het verblijf tijdelijk is en hij de reële intentie heeft om terug te keren naar Midden-Delfland en dit concreet kan maken, kan op individuele gronden de bijstand worden voortgezet.
Derde lid
Personen jonger dan 21 jaar en wonend in een inrichting, zijn uitgesloten van het recht op algemene bijstand (artikel 13 lid 2 onder a Participatiewet). Daarom wordt hun uitkering, na afloop van de overgangsperiode uit het eerste lid, beëindigd.
Hoofdstuk 3 Giften
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, eerste lid, onderdelen m en s, van de wet. Het begrip ‘gift’ wordt hier niet nader omschreven. Uit de wetshistorie van achtereenvolgende bijstandswetten en de jurisprudentie daaromtrent blijkt dat het bij een gift moet gaan om een bevoordeling van de ontvanger, met een onverplicht karakter (vrijgevigheid), zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2016:1160. Daarmee wordt aangesloten bij de omschrijving van ‘gift’ in artikel 7:186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek: “Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt”. Voor het aannemen van een gift is het dus nodig dat sprake is van een drietal vereisten: de verarming van de gever, de verrijking van de ontvanger, als gevolg van een (onverplichte) handeling uit vrijgevigheid waar partijen zich bewust van zijn (zie ook Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD7272).
In de Participatiewet geldt een gift als middel dat vrijgelaten wordt als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening (artikel 31, tweede lid, onderdeel s). Dit artikel blijft ongewijzigd, maar ingevoegd wordt, dat giften en kostenbesparingen tot een bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar in ieder geval niet tot de middelen worden gerekend (artikel 31, tweede lid, onderdeel m). Dit bedrag wordt periodiek aangepast. De wetgever heeft niet beoogd beleidsruimte te bieden om dat bedrag categoriaal te verhogen of te verlagen.
Eerste lid
Naast de categoriale vrijlatingsregeling heeft het college enkele omstandigheden genoemd waarin het verantwoord is om giften buiten beeld te houden bij het beoordelen van het recht op bijstand. Het college kiest hier voor giften die bedoeld zijn voor kosten die het noodzakelijk vindt, maar niet altijd vergoed (kunnen) worden door de gemeente. Bijvoorbeeld noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen (waarvoor een regeling in bijzondere bijstand zit) of zorgkosten waarvoor iemand geen beroep kan doen op de collectieve zorgverzekering. Ook giften die gebruikt worden om een crisissituatie te voorkomen worden vrijgelaten. Daarbij valt te denken aan het voorkomen van een uithuiszetting of afsluiting van energie.
De gemeente Midden-Delfland werkt samen met de (financiële) noodfondsen Stichting Urgente Noden (SUN) en de Stichting Gezinsherenigingen Vluchtelingen Delft (SGVD). Deze stichtingen bieden onder bepaalde voorwaarden financiële ondersteuning bij urgente noodsituaties. Alleen hulpverlenende instanties kunnen namens een belanghebbende een aanvraag indienen bij de SUN en/of de SGVD. Deze aanvragen worden vervolgens beoordeeld aan de hand van stringente voorwaarden. De giften van de SUN en SGVD hebben altijd een specifieke bestemming en zijn dus niet vrij besteedbaar voor de belanghebbende. Om deze reden worden de giften van de SUN en SGVD vrijgelaten. Voor giften van overige charitatieve instellingen, zoals kerken en Klein Maar Dapper, geldt het gestelde in artikel 3.1.
Het is echter mogelijk ook giften in andere situaties vrij te laten. Bepalend is, dat een belanghebbende door de gift niet in een positie komt die niet langer verenigbaar is met bijstandverlening. Daarvoor zijn aanknopingspunten te vinden in de financiële situatie van de belanghebbende. Als er beslag op de uitkering ligt, of als de belanghebbende een schuldregeling heeft getroffen, zal dit bijvoorbeeld eerder aanleiding vormen om giften in het individuele geval buiten beeld te houden, dan als er geen financiële problematiek speelt.
Tweede lid
Ook giften in natura kunnen als middel bij de bijstandverlening betrokken worden. Gaat het om giften in natura voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, dan kunnen die als besparingsbijdragen worden aangemerkt en moet beoordeeld te worden of deze leiden tot afstemming van de algemene bijstand. Andersoortige giften in natura (bijv. een antieke klok) kunnen als middel in aanmerking worden genomen als het om zaken gaat die in redelijkheid te gelde gemaakt kunnen worden.
Als het gaat om giften in natura die bestemd zijn voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, spreken we over ‘bijdragen die leiden tot een kostenbesparing’ (zie ook artikel 18, dertiende lid, van de wet). Deze zgn. besparingsbijdragen worden niet als middel aangemerkt, die als inkomen of vermogen bij de bijstandverlening betrokken moeten worden. Zij kunnen echter wel leiden tot verlaging van de algemene bijstand, vanwege lagere bestaanskosten. Met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Wet wordt de bijstand dan afgestemd op die lagere bestaanskosten (individualiseringsbeginsel). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden. Zulke besparingsbijdragen van derden vallen ook onder de giftenvrijlating van thans maximaal € 1.200 per kalenderjaar. Zij vallen echter niet onder de surplus-regeling voor giften, die in het individuele geval gelet op artikel 31, eerste lid, onderdeel s, van de Wet, vrijgelaten kunnen worden bovenop de algemene vrijlating van € 1.200 per kalenderjaar. Daarom is het nodig beide soorten bijdragen goed af te bakenen.
Hoofdstuk 4 Vrijlating van het inkomen
De Participatiewet, de Ioaw en de Ioaz kennen een aantal uitzonderingen op het uitgangspunt dat bijstand aanvullend is op eigen middelen. In een paar situaties mag een belanghebbende (tijdelijk) een deel van de inkomsten uit arbeid behouden boven op de bijstandsuitkering. Het doel van het (tijdelijk) vrijlaten van inkomsten uit arbeid is het bevorderen van de arbeidsparticipatie en het stimuleren van de belanghebbende om een parttime baan te accepteren.
Artikel 4.1 Bijdragen aan arbeidsinschakeling
Voor de algemene inkomstenvrijlating en de aanvullende inkomstenvrijlating geldt dat hier slechts aanspraak op bestaat, als naar het oordeel van het college de inkomsten bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de belanghebbende.
Het is vrij lastig om in iedere individuele situatie vast te stellen of de inkomsten uit arbeid bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de belanghebbende. Ook bestaat het gevaar op rechtsongelijkheid, omdat dit door iedere klantmanager op een andere wijze kan worden geïnterpreteerd.
Met parttime arbeid doet een belanghebbende werkervaring op en laat hij zien dat hij wil werken. Om de belanghebbende te belonen en om rechtsongelijkheid tegen te gaan, is in dit artikel vastgelegd dat het college van mening is dat het starten met parttime werk tijdens de bijstand altijd bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de belanghebbende.
Een belanghebbende die al over een parttime baan beschikt bij aanvang van de uitkering, hoeft niet direct ‘beloond’ te worden voor deze werkzaamheden. De belanghebbende heeft dan nog geen activiteiten verricht om vanuit de bijstand tot een hoger inkomen te komen. Daarom is in het tweede lid van dit artikel vastgelegd dat de inkomstenvrijlating pas geldt als er vanuit de bijstand werk wordt aanvaard of er sprake is van een structurele urenuitbreiding van de bestaande werkzaamheden.
In de situaties dat de belanghebbende pas zeer kort voor aanvang van de bijstand aan het werk is gegaan (circa maximaal een maand), kan in het individuele geval besloten worden toch direct de inkomstenvrijlating toe te passen.
Artikel 4.2 Algemene inkomstenvrijlating
De algemene inkomstenvrijlating geldt voor belanghebbenden die bijstand ontvangen en daarnaast inkomsten hebben uit parttime arbeid.
De ‘algemene inkomstenvrijlating’ is wettelijk vastgelegd in artikel 31, tweede lid, onderdeel n van de Participatiewet, artikel 8, tweede lid van de Ioaw en artikel 8, derde lid van de Ioaz. Op basis van deze wetsartikelen hebben belanghebbenden, ouder dan 27 doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, recht op een inkomstenvrijlating van 25% van de inkomsten uit arbeid tot een wettelijk maximumbedrag per maand. Deze inkomstenvrijlating kan maximaal 6 maanden worden ingezet, indien deze inkomsten naar oordeel van het college bijdragen aan de arbeidsinschakeling.
Bij partners geldt dat wanneer beide partners onder de doelgroep vallen, iedere partner afzonderlijk recht heeft op de algemene inkomstenvrijlating.
Voor belanghebbenden, ouder dan de pensioengerechtigde leeftijd, geldt de voorwaarde dat de inkomsten moeten bijdragen aan de arbeidsinschakeling niet. Evenmin geldt de maximumtermijn van 6 maanden. Bij pensioengerechtigden met inkomsten uit arbeid kan de inkomstenvrijlating structureel worden ingezet.
De algemene inkomstenvrijlating kan eenmaal per bijstandsperiode worden toegekend. In dit artikel ligt vast welke regels het college hanteert ten aanzien van de start van een nieuwe bijstandsperiode. Hierbij wordt aangesloten bij het gestelde in artikel 45, derde lid van de Participatiewet.
Indien de eerdere uitkering beëindigd is wegens schending van de inlichtingenplicht, kan het college besluiten om geen nieuwe vrijlatingsperiode toe te kennen, tot het moment dat er twee jaar zijn verstreken.
Artikel 4.3 Aanvullende inkomstenvrijlating
Alleenstaande ouders, ouder dan 27 jaar die de volledige zorg dragen over een ten laste komend kind, jonger dan 12 komen onder voorwaarden in aanmerking voor een inkomstenvrijlating van 12,5% van inkomsten uit arbeid een wettelijk vastgesteld maximumbedrag per maand. Dit betekent dat indien het jongste ten laste komende kind gedurende de vrijlatingsperiode 12 jaar wordt, de vrijlating vervalt. Het recht op vrijlating bestaat dan tot en met de maand waarin het kind 12 jaar wordt.
In tegenstelling tot bij de algemene inkomstenvrijlating, moet het bij deze inkomstenvrijlating gaan om een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden. Dit betekent dat – indien de belanghebbende gedurende deze 30 maanden een periode geen inkomsten uit arbeid heeft – de vrijlating over deze maanden vervalt. De aanvullende inkomstenvrijlating dient voorafgegaan te worden door de periode van de algemene inkomstenvrijlating.
Artikel 4.4 Inkomstenvrijlating jongeren
Met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Participatiewet in balans krijgen jongeren tot 27 jaar ook recht op de generieke inkomstenvrijlating van 15% voor 12 maanden. Deze maatregel gaat in per 1 januari 2027. Gemeenten mogen echter, bij wijze van gedogen, al in 2026 hierop vooruitlopen.
Het college ziet deze maatregel als een goede ontwikkeling en wil in het gedoogjaar hiervan gebruik maken. Daarvoor is het nodig dit in beleidsregels vast te leggen.
Artikel 4.5 Inkomstenvrijlating bij een medische urenbeperking
Volgens artikel 6b van de Participatiewet, artikel 4b van de Ioaw en artikel 4b van de Ioaz is er bij een belanghebbende sprake van een medische urenbeperking, indien rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen dat de belanghebbende als gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling voor een geringer aantal uren belastbaar is dan de normale arbeidsduur. Het UWV verricht hiervoor het onderzoek en adviseert het college hierover.
Indien het college heeft vastgesteld dat er sprake is van een medische urenbeperking, bestaat recht op een inkomstenvrijlating van 15% van de inkomsten uit arbeid tot een wettelijk vastgesteld maximumbedrag per maand.
Bij de inkomstenvrijlating medische beperking geldt niet het leeftijdscriterium van 27 jaar. Ook is er geen tijdslimiet aan verbonden. Zolang de belanghebbende een medische beperking heeft en inkomsten uit parttime werk, bestaat er recht op de inkomstenvrijlating.
De vrijlating van inkomsten voor medisch beperkten is niet verenigbaar met de algemene inkomstenvrijlating en de aanvullende inkomstenvrijlating.
Artikel 4.6 Toekenning
Het college kent de inkomstenvrijlating ambtshalve toe bij een arbeidscontract van meer dan 10 uur werk per week. Bij een 0-urencontract of een contract, minder dan 10 uur in de week treedt het college eerst in overleg met de belanghebbende. Het kan in die situaties namelijk voor belanghebbende gunstiger uitpakken om te wachten met het inzetten van de vrijlating, bijvoorbeeld wanneer de verwachting is dat de inkomsten na bijvoorbeeld 2 maanden hoger zijn dan bij aanvang van het dienstverband.
Artikel 4.7 Gelijkstelling met inkomsten uit arbeid
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 4.8 Geen inkomstenvrijlating bij niet of te laat melden
Het college is niet verplicht de inkomstenvrijlating toe te passen, indien de belanghebbende de inkomsten heeft verzwegen. Dit volgt onder andere uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY6572).
Hoofdstuk 5 Vaststellen van het vermogen
Artikel 5.1 Vrijlaten waarde auto’s, motoren, boten, caravans
Auto’s, motoren, boten en caravans gelden als bezittingen die meetellen voor de vermogensvaststelling. Op grond van vaste jurisprudentie geldt dat een auto, motor, boot of caravan tot het vermogen van de belanghebbende behoort als hij daar daadwerkelijk de beschikking over heeft of redelijkerwijs over kan beschikken.
Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn (artikel 34 lid 2 onderdeel a Participatiewet). Het college heeft in dit artikel hierover regels neergelegd.
De waarde van een auto of motor wordt bepaald aan de hand van de dagwaarde volgens Independer.nl. Deze site vraagt minder gegevens dan de ANWB Koerslijst waardoor de uitvoering makkelijker is. Deze werkwijze wordt niet gebruikt als:
- •
deze lijst niet ziet op de in geding zijnde periode;
- •
er voldoende gegevens voorhanden zijn waaruit volgt dat de waarde van de auto afwijkt van de waarde volgens Independer.nl.
Is een auto of motor niet (meer) is opgenomen in de koerslijst, dan is het toelaatbaar de waarde ervan vast te stellen op basis van bij een erkende dealer per telefoon ingewonnen toereikende informatie. Is de auto ten hoogste 3 maanden geleden aangeschaft, dan kan voor de waardebepaling uitgegaan worden van de recent betaalde aankoopprijs, als niet gesteld of gebleken is dat die prijs niet reëel zou zijn.
Artikel 5.2 Materiële schadevergoeding
In artikel 31, tweede lid onder l van de Participatiewet is vastgelegd dat een aantal bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor (im)materiële schade niet tot de middelen behoren. Welke uitkeringen en vergoedingen dit zijn, ligt vast in artikel 7 van de Regeling Participatiewet, Ioaw en Ioaz.
Alle vergoedingen voor (im)materiële schade die niet in deze lijst voorkomen, worden op grond van artikel 31, tweede lid onderdeel m vrijgelaten, voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.
In dit artikel ligt vast hoe het college omgaat met vergoedingen voor materiële schade. Een materiële schadevergoeding is bedoeld om kosten te betalen die gemaakt zijn of nog gemaakt moeten worden, bijvoorbeeld voor de vervanging van (een deel van) de inboedel na een brand.
De belanghebbende dient aan te tonen waarvoor de schadevergoeding bedoeld is. Ook dient de belanghebbende bewijsstukken in te leveren dat de vergoeding besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is.
Een belanghebbende kan ook materiële schadevergoeding krijgen die bedoeld is als tegemoetkoming voor (gederfde) inkomsten. De belanghebbende kan bijvoorbeeld door letselschade zijn baan verliezen, waardoor het inkomen lager is of helemaal wegvalt. Bij de beoordeling of een dergelijke vergoeding als inkomen beschouwd moet worden, dient gekeken te worden op welke periode de vergoeding betrekking heeft. Het schadebedrag wordt vervolgens gedeeld door het aantal maanden van deze periode en maandelijks gekort als inkomen. Dat kan vanwege de lange afhandelingsduur van dergelijke letselschades ook een periode in het verleden zijn. Terugvordering is dan aan de orde.
Artikel 5.3 Immateriële schadevergoedingen
Vergoedingen voor immateriële schade worden vrij gelaten tot het bedrag van het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande, als bedoeld in artikel 34, derde lid onderdeel a van de Participatiewet. De betekenis van dit artikel is verder niet van belang, het gaat alleen om het bedrag. Het maakt dus ook niet uit of de belanghebbende alleenstaand is of gehuwd. Gehuwden krijgen dus samen één keer de vrijlating.
Het meerdere van de schadevergoeding wordt toegerekend tot het vermogen van de belanghebbende. Of de schadevergoeding gevolgen heeft op het recht op uitkering, hangt dan af van de hoogte van de schadevergoeding en het overige vermogen van de belanghebbende.
Hoofdstuk 6 Aanvraag
Artikel 6.1 Verkorte aanvraagprocedure
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om een verkorte aanvraag in behandeling te nemen als de belanghebbende eerder een uitkering heeft ontvangen. Het college beperkt de termijn tot 6 maanden na beëindiging van de eerdere uitkering. De reden hiervoor is dat in het geval van werkaanvaarding de belanghebbende na 6 maanden recht heeft op een WW-uitkering voor ten minste drie maanden.
De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van artikel 43a van de wet. Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Het college benut dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.
Eerste lid
Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. Het college kiest hier voor de situatie dat de eerdere bijstandsverlening is beëindigd door werkaanvaarding. Doel is dat inwoners gemakkelijker weer de bijstand in kunnen stromen, wat de drempel verlaagt om aan het werk te gaan. Vanwege het recht op een WW-uitkering na 6 maanden werken, wordt de periode van de verkorte aanvraag beperkt tot 6 maanden.
In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag.
Tweede lid
Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten.
Derde lid
De tekst van het nieuwe artikel 43a van de wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is in het derde lid opgenomen, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 6.2 Bijstand met terugwerkende kracht
Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Het college krijgt in artikel 44, vijfde lid van de wet de ruimte om in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt. Het blijft ook mogelijk om in bijzondere omstandigheden verder terug te gaan, op grond van vaste rechtspraak. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen.
Eerste lid
In lijn met de Memorie van Toelichting bij de wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden:
- 1.
De melding is te laat gedaan als gevolg van de individuele omstandigheden.
- 2.
De gevolgen van de late melding zijn ernstig voor de bijstandsgerechtigde.
De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.
Onderdeel a
Hier worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Voor de onderdelen 1, 2 en 5 geldt, dat het (vooral) gaat om omstandigheden van persoonlijke aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’). Voor de onderdelen 3, 4 en 6 geldt dat het meer om systeemtechnische omstandigheden gaat (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). Ook het nemen van eigen verantwoordelijkheid door zelf te solliciteren, wil het college niet afstraffen (onderdeel 7). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening.
Onderdeel b
Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. In dit onderdeel zijn enkele indicatoren genoemd die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden (onderdelen 1 en 2), of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Een ongeluk komt zelden alleen, vaak is er meer aan de hand dan uitsluitend financiële problematiek, daarom is van belang te benadrukken dat het gaat om indicatoren. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.
Tweede lid
Artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld. Met dit artikellid in de beleidsregel stelt het college vast wat in normale gevallen de maximale termijn voor terugwerkende kracht zal zijn.
Derde lid
De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de Ioaw. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het derde lid toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 6.3 Zoektermijn jongeren
Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief.
Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.
In aanvulling op deze situaties kan het college besluiten geen zoektermijn in te zetten als naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven (artikel 41 lid 11 van de wet). In artikel 6.3 worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.
Daarnaast heeft het college twee situaties genoemd waarin het opleggen van de zoektermijn niet van toegevoegde waarde is. Het gaat onder andere om jongeren die aantoonbaar zelfstandig naar werk hebben gezocht (sub h). Het college wil deze groep niet ‘straffen’ met een zoektermijn, terwijl zij eerst op eigen kracht naar werk of opleiding hebben gezocht.
Hoofdstuk 7 Bijstand en eigen woning
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om een krediethypotheek te vestigen als bijstand wordt verstrekt in de vorm van een gelding omdat de belanghebbende waarde in de eigen woning heeft. Hoewel van de belanghebbende in beginsel wordt verlangd dat hij de woning te gelde maakt alvorens bijstandsverlening aan de orde is, gaat het college zeer terughoudend om met opleggen van de deze verplichting. Dit leidt namelijk tot een verplichte verhuizing die grote financiële en sociale gevolgen kan hebben voor de belanghebbende en zijn gezin.
Artikel 7.1 Vorm van de lening
Het college kiest ervoor om een drempelbedrag te hanteren alvorens wordt overgegaan tot het vestigen van een krediethypotheek. Dit om de kosten van het vestigen van een hypotheek in verhouding te laten staan tot de verwachte hoogte van de lening. Het drempelbedrag is ongeveer tweemaal het netto minimumloon per maand. Op deze manier wordt aangesloten bij het drempelbedrag dat is opgenomen in artikel 50, tweede lid Participatiewet.
Artikel 7.2 Vaststelling waarde woning
De kosten die gemaakt worden om de krediethypotheek te vestigen, komen ten laste van de belanghebbende. Als daarvoor de middelen ontbreken, kan hiervoor bijzondere bijstand worden verleend. Deze bijzondere bijstand alleen in de vorm van bijstand om niet kan worden verleend, tenzij er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, of indien er sprake is van binnenkort te ontvangen middelen voor dit doel.
Artikel 7.3 Voorwaarden en bedingen
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Artikel 7.4 Vaststelling hoogte aflossing
Aflossing van de lening vindt in principe plaats in 120 gelijke maandelijkse termijnen. Daarmee is de lening in tien jaar afgelost. Op deze manier wordt aangesloten bij de termijnen genoemd in artikel 58, zevende lid van de Participatiewet. Daarin staan de bepalingen over terugvordering van andere bijstandsschulden. Het artikel biedt de ruimte om het maandelijkse bedrag af te stemmen op de situatie van de belanghebbende.
Artikel 7.5 Restant vordering
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Artikel 7.6 Verkoop van de woning
Als de woning wordt verkocht, wordt de lening terstond afgelost. Echter, in bijzondere omstandigheden kan het college de belanghebbende toestaan het bedrag van de lening te gebruiken voor de aankoop van een nieuwe woning. De aflossingsverplichtingen blijven echter onverkort van toepassing.
Artikelen 7.7 en 7.8
Deze artikelen behoeven geen toelichting.
Hoofdstuk 8 Slotbepalingen
Artikel 8.1 Hardheidsclausule
Dit artikel biedt ruimte om af te wijken van bepalingen in de beleidsregels als de toepassing ervan zou leiden tot onbillijkheden bij de belanghebbende. Hoewel het college hiertoe al verplicht is op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, hecht hij eraan dit voor de duidelijkheid ook hier te benoemen.
Artikelen 8.2 en 8.3
Deze artikelen behoeven geen toelichting
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl