Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758533
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758533/1
Verordening Werk, Inkomen en Schuldhulp Bernheze 2026
Geldend van 12-03-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Verordening Werk, Inkomen en Schuldhulp Bernheze 2026De raad van de gemeente Bernheze besluit, op basis van het bijbehorende voorstel van burgemeester en wethouders van 6 januari 2026:
- 1.
De verordening Werk, Inkomen en Schuldhulp Bernheze 2026 met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 vast te stellen, en gelijktijdig de volgende verordeningen in te trekken:
- •
Participatieverordening 2017 Gemeente Bernheze;
- •
Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ Bernheze 2017;
- •
Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Bernheze 2017;
- •
Verordening Handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ Bernheze 2017;
- •
Verordening Afstemming Participatiewet, IOAW en IOAZ Bernheze 2017;
- •
Verordening gemeentelijk minimabeleid Bernheze 2017;
- •
Verordening beslistermijn schuldhulpverlening gemeente Bernheze 2021;
- •
Wijziging re-integratieverordening Participatiewet 2017 op onderdeel individuele studietoeslag;
- •
Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive participatiewet Bernheze 2017;
- •
Re-integratieverordening Participatiewet Bernheze 2024;
- •
Verordening kinderopvang Bernheze 2005.
- •
Verordening Werk, Inkomen en Schuldhulp Bernheze 2026
De raad van de gemeente Bernheze wil voor de inwoners van zijn gemeente in één verordening aangeven welke regels gelden voor:
- •
werken en participeren;
- •
uitkeringen;
- •
schuldhulpverlening;
Deze regels zijn te vinden in deze verordening Werk, Inkomen en Schuldhulp Bernheze 2026
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Waar gaat deze verordening over?
Deze verordening Werk en Inkomen geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen:
- •
werken en participeren;
- •
uitkeringen;
- •
schuldhulpverlening.
1.2 Waarom deze regels?
In Bernheze vinden we het belangrijk dat:
- •
iedereen kan (blijven) meedoen en bijdragen naar vermogen;
- •
iedereen zich optimaal kan ontwikkelen en ontplooien
- •
mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen;
- •
mensen hun financiën op orde hebben;
1.3 Taak van de gemeente
Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de:
- •
Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);
- •
Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs)
De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn nog extra regels nodig, waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Het college is bevoegd daarvoor nadere regels of beleidsregels vast te stellen. Ook dat is in deze verordening geregeld.
1.4 Kerndoelen
Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kerndoelen:
- 1.
We gaan uit van maatwerk en de menselijke maat.
- 2.
De inwoner staat centraal.
- 3.
Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de genoemde doelen te realiseren.
- 4.
De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoners.
- 5.
De gemeente ondersteunt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk).
- 6.
Kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, hebben extra hulp nodig om volwaardig mee te kunnen doen aan de samenleving.
1.5 Leeswijzer
- •
Als in deze verordening het woord ‘inwoner’ staat, dan vallen daar ook ouders, jongeren, studenten en werknemers onder. Waar ‘hij’ staat kan ook ‘zij’ , ‘hen’ of ‘die’ gelezen worden.
- •
Alle bedragen in deze verordening zijn inclusief btw. Op genoemde bedragen kunnen in de toekomst aanpassingen van toepassing zijn op grond van bijvoorbeeld indexering of als gevolg van aanbestedingstrajecten.
- •
De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 14.
1.6 Verband tussen verordening en wet
Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.3 zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets is terug te vinden. Dat verschilt per artikel. Daarom is per artikel aangegeven op welke wet dat artikel is gebaseerd.
Hoofdstuk 2 De hulpvraag
Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Beschreven wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de gemeente ondersteuning kan geven en wat de gemeente van de inwoner verwacht.
|
Kerndoelen: |
|
|
|
|
Paragraaf 2.1 Melding hulpvraag bij de gemeente voor de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening en Niet uitkeringsgerechtigden
(Wgs)
Artikel 2.1.1 Hulpvraag melden
Inwoners die hulp nodig hebben, kunnen zich melden bij de door de gemeente ingerichte Wegwijzer in Bernheze of direct bij de toegang van de Gemeente Meierijstad.
De inwoner kan deze melding op verschillende manieren doen:
- •
schriftelijk, met een brief
- •
mondeling, persoonlijk
- •
telefonisch
- •
digitaal (via de website) of een e-mail
Artikel 2.1.2 Uitnodiging gesprek
-
1. Na de melding neemt de gemeente de hulpvraag van de inwoner in behandeling. De gemeente neemt na de melding contact op met inwoner voor een intakegesprek.
-
2. Na het intakegesprek kan de inwoner uitgenodigd worden voor een vervolggesprek met een medewerker. In die uitnodiging staat waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek gaat.
-
3. Het gesprek kan telefonisch of digitaal plaatsvinden als dat voldoende is.
-
4. Ook geeft de gemeente in de uitnodiging aan dat de inwoner iemand mee mag nemen naar het gesprek om hem te ondersteunen. Dit kan een familielid, vriend of bekende zijn, maar ook een (gratis) onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner).
Artikel 2.1.3 Gegevens
De gemeente verzamelt gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek en de beoordeling van de melding. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. In de uitnodiging voor het gesprek staat welke gegevens dat zijn en welke termijn er geldt. De gemeente kan ook later nog om aanvullende gegevens vragen. Hiervoor gelden dan dezelfde voorwaarden.
Paragraaf 2.2 Gesprek na de melding
(WGS, Awb)
Artikel 2.2.1 Doel en inhoud gesprek
-
1. Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het resultaat dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie.
-
2. In het gesprek onderzoekt een medewerker van Wegwijzer of de Toegang Meierijstad
- a.
de behoefte van de inwoner: wat is er nodig?
- b.
de (on)mogelijkheden van de inwoner.
- c.
de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste resultaat?
- d.
wat heeft de inwoner nodig aan ondersteuning en in welke omvang?
- e.
of er contact nodig is met anderen over de persoonlijke situatie van de inwoner; hierover wordt de inwoner dan altijd geïnformeerd.
- f.
of een extern onafhankelijke adviseur ingeschakeld wordt voor het onderzoek; hierover wordt de inwoner dan altijd geïnformeerd.
- a.
-
3. Huisgenoten van de inwoner zijn verplicht, als hen daarom gevraagd wordt, medewerking te verlenen aan het onderzoek naar aanwezigheid van gebruikelijke hulp die hiervoor redelijkerwijs nodig is.
-
4. De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden die de gemeente biedt om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren.
-
5. Bij dit gesprek kan ook iemand aanwezig zijn om de inwoner te ondersteunen, zoals een familielid, vriend of bekende of (gratis) onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner).
Paragraaf 2.3 Aanvraag
(PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb)
Artikel 2.3.1 Aanvraag
-
1. Na de melding en het gesprek met een medewerker van Wegwijzer, kan de inwoner een aanvraag indienen. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente ondersteuning gaat verlenen en zo ja, in welke vorm.
-
2. Een aanvraag kan zonder melding vooraf worden gedaan als het gaat om een uitkering voor inwoners van 27 jaar of ouder. Het gesprek met een medewerker vindt, indien nodig, plaats nadat de aanvraag is ingediend.
-
3. De aanvragen voor financiële tegemoetkomingen kunnen direct schriftelijk en digitaal worden gedaan. De gemeente kan besluiten dat een onderzoek en een gesprek over de hulpvraag niet nodig zijn. De aanvraag wordt dan direct afgehandeld. Alleen als er aanleiding voor is, of op verzoek van de inwoner, volgt een gesprek.
-
4. De inwoner dient een aanvraag in met een aanvraagformulier van de gemeente.
-
5. De gemeente verzamelt gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. De gemeente kan ook later nog om aanvullende gegevens vragen.
Artikel 2.3.2 Nog nader in te vullen
Artikel 2.3.3 Advisering
De gemeente kan een externe deskundige vragen om een advies. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de melding of aanvraag.
Artikel 2.3.4 Beslistermijn
-
1. De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag of melding is ontvangen.
-
2. De gemeente kan de termijn voor ten hoogste 8 weken uitstellen.
-
3. In spoedeisende gevallen treft de gemeente zo snel mogelijk een passende voorziening. De gemeente legt vervolgens de beslissing over de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking (besluit).
Paragraaf 2.4 Beslissing
(PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb)
Artikel 2.4.1 Inhoud besluit
-
1. In het besluit geeft de gemeente aan of de inwoner wel of geen ondersteuning krijgt. Als de gemeente ondersteuning geeft, staat in het besluit ook of de ondersteuning in natura (product of dienst), in geld of op een andere manier wordt gegeven. (Zie voor meer uitleg hoofdstuk 8)
-
2. Geeft de gemeente de ondersteuning in natura, dan staat in het besluit in ieder geval:
- a.
wat de ondersteuning inhoudt en waarvoor de ondersteuning bedoeld is;
- b.
wanneer de ondersteuning ingaat en hoe lang de ondersteuning duurt; en
- c.
welke voorwaarden en verplichtingen er voor de ondersteuning gelden.
- a.
-
3. Geeft de gemeente ondersteuning in de vorm van geld, dan staat in het besluit in ieder geval :
- a.
voor welk doel het geld wordt gegeven;
- b.
wanneer het geld wordt betaald;
- c.
hoe vaak het geld wordt betaald;
- d.
welke voorwaarden en verplichtingen er gelden voor het uitgeven van het geld.
- a.
Paragraaf 2.5 Uitzonderingen
Artikel 2.5.1 Spoedeisende gevallen
(PW, Wgs)
-
1. In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de ondersteuning krijgt die volgens de gemeente nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) ondersteuning in afwachting van een onderzoek van de gemeente:
- a.
schuldhulpverlening;
- b.
het verstrekken van een voorschot op een uitkering die nog niet is toegekend.
- a.
-
2. Er is sprake van een spoedeisend geval als de uitkomst van de normale procedure voor een aanvraag om ondersteuning niet afgewacht kan worden.
-
3. De gemeente kan op aanvraag een bijdrage uit het Maatschappelijk Ondersteuningsfonds Bernheze verstrekken indien er sprake is van een schrijnende noodsituatie als gevolg van onvoldoende inkomen in een huishouden.
Hoofdstuk 3 Werk en Participatie
De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners die een uitkering hebben en kunnen werken, worden geholpen bij het vinden van blijvend en passend werk, bij voorkeur in een gewone betaalde baan. Als betaald werk niet haalbaar is, dan wordt gekeken op welke wijze meedoen aan de samenleving mogelijk is. De gemeente kan helpen door het inzetten van zogenaamde voorzieningen. Welke ondersteuning dat kan zijn, staat in dit hoofdstuk. Dit hoofdstuk gaat verder over de tegenprestatie die kan worden gevraagd en over meedoen aan activiteiten in de samenleving voor inwoners met een beperking of een psychisch/psychosociaal probleem. Het is belangrijk dat deze inwoners ook volwaardig kunnen meedoen en dat hun positie in de samenleving verbetert.
|
Kerndoelen: |
|
|
|
Paragraaf 3.1 Algemene bepalingen
Artikel 3.1.1 Doelgroepen
(PW, IOAW, IOAZ)
De gemeente ondersteunt de volgende groepen inwoners op weg naar werk en maatschappelijke participatie:
- 1.
Inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden;
- 2.
Inwoners die geen ondersteuning kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV of werkgevers. Per hulpvraag beoordeelt de gemeente of er ondersteuning kan worden gegeven;
- 3.
Jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen havo-diploma, vwo-diploma of mbo-diploma vanaf niveau 2 hebben (startkwalificatie). De gemeente helpt hen een passende opleiding, traject of passend werk te vinden of leidt hen naar hulpverlening of zorg.
Artikel 3.1.2 Samenwerking
(PW, IOAW, IOAZ)
-
1. De gemeente werkt samen met UWV, gemeenten in de regio en andere organisaties om inwoners te ondersteunen bij het vinden van passend werk of werk.
-
2. De gemeente ondersteunt werkgevers die inwoners, die onder de doelgroep van de gemeente vallen, werk aanbieden.
Artikel 3.1.3 Budget
De gemeente kan voor de verschillende soorten voorzieningen budgetplafonds vaststellen. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat de gemeente aan een bepaalde soort voorziening uitgeeft. Voor wettelijke loonkostensubsidie en beschut werk kan geen budgetplafond worden vastgesteld.
Artikel 3.1.4 Algemene bepalingen voorzieningen
(PW, IOAW, IOAZ)
-
1. De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op zijn positie op de arbeidsmarkt.
-
2. De gemeente biedt ondersteuning aan in de vorm van voorzieningen. Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk of participatie.
-
3. De gemeente beoordeelt per persoon welke voorziening wordt ingezet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal zaken, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en of er bij de gemeente voldoende budget beschikbaar is.
-
4. In een plan van aanpak legt de gemeente vast welke ondersteuning de inwoner krijgt en wat van belang is voor die ondersteuning. Ook wordt vastgelegd welke afspraken er met de inwoner zijn gemaakt over de ondersteuning en over wat de inwoner zelf doet om eerder aan werk te komen.
-
5. Het college kan een voorziening weigeren als:
- a.
de inwoner voor wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep;
- b.
de inwoner onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening;
- c.
de inwoner een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening;
- d.
de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of
- e.
er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
- a.
-
6. Het college kan een voorziening beëindigen als:
- a.
de inwoner die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt;
- b.
de inwoner die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;
- c.
de inwoner die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het een persoon betreft als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2° van de wet;
- d.
naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;
- e.
de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de inwoner die gebruik maakt van de voorziening;
- f.
de inwoner die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;
- g.
de inwoner die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
- a.
Paragraaf 3.2 Voorzieningen
Artikel 3.2.1 Beschut werk
(PW)
-
1. De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als deze behoort tot de doelgroep van beschut werk. Dit gebeurt op basis van een door het UWV afgegeven advies waaruit blijkt dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd.
-
2. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken een veilige werkplek te bieden.
-
3. De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt.
-
4. De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken:
- a.
aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;
- b.
uitsplitsing van taken;
- c.
aanpassingen in het werktempo, de werktijden of de werkbegeleiding.
- a.
-
5. De gemeente kan inwoners, die in aanmerking komen voor beschut werk, voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen:
- a.
ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding; (begrippenlijst)
- b.
maatschappelijke participatie;
- c.
scholing;
- d.
persoonlijke ondersteuning;
- e.
schuldhulpverlening.
- a.
Artikel 3.2.2 Persoonlijke ondersteuning bij werk
(PW, IOAW, IOAZ)
-
1. De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep persoonlijke ondersteuning aanbieden die nodig is om de stap te zetten naar betaald werk.
-
2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk worden de volgende voorwaarden gehanteerd:
- a.
De inwoner behoort tot de doelgroep van de Participatiewet en:
- i.
is minimaal achttien jaar oud, of;
- ii.
heeft VSO/PRO onderwijs gevolgd;
- i.
- b.
De inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;
- c.
Het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;
- d.
De kosten van de voorzieningen(en) zijn proportioneel, dat wil zeggen dat de investering moet opwegen tegen de opbrengsten.
- a.
-
3. Een aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk kan worden ingediend bij de gemeente door de inwoner of zijn werkgever.
-
4. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de persoonlijke ondersteuning.
Artikel 3.2.3 Hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider
-
1. De gemeente kan een inwoner op de werkplek een externe jobcoach aanbieden, als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen.
-
2. De gemeente kan, op aanvraag, de werkgever een vergoeding geven voor begeleiding door een externe jobcoach, interne jobcoach of een interne werkbegeleider als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen.
-
3. De aanvraag voor hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider moet binnen 26 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen, tenzij op het moment van de start van de arbeidsovereenkomst de noodzaak voor ondersteuning nog niet bekend kon zijn.
-
4. Wanneer de aanvraag voor jobcoaching door de werkgever gedaan wordt, moet werknemer op de hoogte zijn van de aanvraag en instemmen met de inzet van jobcoaching of interne werkbegeleiding.
-
5. Het doel van de jobcoach of de interne werkbegeleider is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen en waar mogelijk zichzelf te ontwikkelen.
-
6. De jobcoach of interne werkbegeleiding stemt de leerdoelen met de werknemer en de werkgever af en legt dit vast in een plan van aanpak.
-
7. De gemeente stemt met de werkgever en werknemer de wijze waarop de ondersteuning wordt geboden, de intensiteit in duur en aantal uren af en legt dit vast in een beschikking.
Artikel 3.2.4 Loonkostensubsidie
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
-
1. De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de inwoner wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen.
-
2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren kwetsbare inwoners in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies.
-
3. De medewerker stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn loonwaarde worden vastgesteld. Dit wordt gedaan door een landelijk erkende methodiek op de werkplek. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op deze loonwaarde afgestemd op basis van het wettelijk minimumloon.
-
4. Wanneer een werkgever of werknemer een aanvraag indient, voor wettelijke loonkostensubsidie bevestigt de medewerker de aanvraag schriftelijk. Wanneer een werknemer een aanvraag indient, ontvangt de werkgever ook een bevestiging. Dit moet aangevraagd worden binnen zes maanden na aanvang van de arbeidsovereenkomst.
-
5. Een aanvraag voor wettelijke loonkostensubsidie wordt, als de inwoner nog niet behoort tot de doelgroep, ook behandeld als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner tot de doelgroep behoort. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van het dienstverband, wordt de beoordeling of de inwoner tot de doelgroep behoort gedaan door de medewerker en die bepaald of het middel praktijkroute van toepassing is.
-
6. De loonwaarde wordt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag vastgesteld, tenzij in overleg met de werkgever forfaitaire loonkostensubsidie wordt toegekend. Hierbij geldt dat opname in het doelgroepenregister pas van toepassing is na een vaststellen van de loonwaarde inclusief de no-riskpolis.
-
7. De gemeente gebruikt bij het verstrekken van de wettelijke loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie (zie begrippenlijst).
Artikel 3.2.5 Proefplaats
(PW, IOAW, IOAZ)
-
1. De gemeente kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever.
-
2. Het doel van de proefplaats is om werkgevers te helpen een beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner voor het werk, maar ook om te kijken of de functie kan worden aangepast zodat deze goed bij de inwoner past.
-
3. Een voorwaarde is dat de proefplaats leidt tot een dienstverband van minimaal zes maanden zonder proeftijd als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk.
-
4. De proefplaats is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Als de proefplaats niet wordt omgezet in een dienstverband legt de werkgever uit wat hij heeft gedaan om de inwoner te begeleiden en waarom de inwoner geen dienstverband krijgt.
-
5. Een proefplaats duurt maximaal twee maanden met een werkweek van maximaal 40 uur per week. Deze termijn kan worden verlengd met maximaal vier maanden als dat nodig is om een goed beeld te krijgen van de mogelijkheden van de inwoner.
-
6. De proefplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. Daarin worden het doel van de proefplaatsing opgenomen, hoe lang de proefplaats duurt, wat de werkzaamheden en de werktijden zijn en hoe de begeleiding plaatsvindt.
-
7. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
-
8. De werkgever zorgt voor een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering.
-
9. Een proefplaats kan niet worden ingezet wanneer voor dezelfde inwoner bij de dezelfde werkgever een werkstage is ingezet.
-
10. De gemeente kan tijdens de proefplaatsing een loonwaardemeting uitvoeren.
Artikel 3.2.6 Werkstage
(PW, IOAW, IOAZ)
-
1. De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk, een werkstage aanbieden. Deze werkstage wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner.
-
2. Het doel van een werkstage is om inwoners, met behoud van uitkering, op een werkplek werkervaring op te laten doen en/of te leren functioneren in een werkomgeving.
-
3. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
-
4. De werkstage is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de werkstage. De werkgever zorgt ervoor dat de inwoner meer vaardigheden of kennis van het vakgebied opdoet.
-
5. De werkstage wordt vastgelegd in een plan van aanpak dat de gemeente in overleg met de inwoner maakt. Met de werkgever wordt in een overeenkomst vastgelegd welk doel de werkstage heeft, wat de werkzaamheden zijn, begin- en einddatum, afspraken over onkostenvergoedingen, verzekeringen en hoe de begeleiding plaatsvindt. Ook wordt vastgelegd waarom er geen sprake is van verdringing /oneerlijke concurrentie.
-
6. Het aantal gewerkte uren in een werkstage bedraagt niet meer dan 40 uur per week. Een werkstage duurt maximaal drie maanden en kan éénmalig met drie maanden worden verlengd.
Artikel 3.2.7 Scholing
(PW, IOAW, IOAZ)
-
1. De gemeente kan een inwoner, die behoort tot de doelgroep scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk voor een langere periode te maken.
-
2. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden en behoefte van de inwoner.
-
3. Het scholingstraject worst vastgelegd in een plan van aanpak met daarin het doel en de duur van het scholingstraject.
Artikel 3.2.8 Indienstnemingssubsidie
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
-
1. De gemeente kan een werkgever die een inwoner, die behoort tot de doelgroep, in dienst neemt een subsidie geven. Er is geen recht op indienstnemingssubsidie wanneer er sprake is van recht op loonkostensubsidie.
-
2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden.
-
3. De indienstnemingssubsidie bedraagt eenmalig € 500 per kalenderjaar.
-
4. De werkgever moet in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden:
- a.
de duur van de arbeidsovereenkomst bedraagt minimaal zes maanden;
- b.
de werknemer ontvangt loon hoger dan de bijstandsnorm;
- a.
Artikel 3.2.9 Maatschappelijke participatie
(PW, IOAW, IOAZ)
-
1. De gemeente kan een inwoner, die weinig kans heeft op werk, zinvolle activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengt. Dit heet maatschappelijke participatie.
-
2. Het doel van maatschappelijke participatie is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.
-
3. De gemeente biedt de activiteiten aan als hierdoor er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
-
4. De activiteiten worden vastgelegd in een plan van aanpak met een doel en duur van de activiteit.
Artikel 3.2.10 Ondersteuning bij beheersing Nederlandse taal
(PW)
-
1. Het beheersen van de Nederlandse taal is nodig voor het vinden en behouden van een werkplek. De gemeente kan aan een inwoner die de Nederlandste taal onvoldoende beheerst een voorziening aanbieden om de taal beter te leren (referentieniveau 1F, niveau basisonderwijs).
-
2. Deze voorziening wordt vastgelegd in een taalplan. In het taalplan wordt in ieder geval beschreven:
- a.
welke vorm van ondersteuning wordt aangeboden; en
- b.
hoe de voortgang wordt beoordeeld.
- a.
Artikel 3.2.11 Kinderopvang
(PW, Wet kinderopvang)
-
1. De gemeente verleent op aanvraag een bijdrage in de kosten van kinderopvang als de inwoner voldoet aan de volgende voorwaarden:
- a.
de inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Algemene nabestaandenwet (Anw) uitkering en de kinderopvang is nodig om deel te kunnen nemen aan een activiteit van de gemeente op weg naar werk (een voorziening); of
- b.
de inwoner volgt een voltijd hbo- of universitaire opleiding, voortgezet onderwijs of vavo-onderwijs; of
- c.
er is sprake van een sociaal medische indicatie, als gevolg van lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen van de ouder of om een dreigende ernstige ontwikkelingsachterstand van het kind op te heffen of te verminderen;
- d.
de kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of via een gastouderbureau.
- a.
-
2. De gemeente legt in nadere regels vast welke aanvullende voorwaarden gelden en wat de hoogte van de vergoeding is. Op de kosten wordt de kinderopvangtoeslag die door de Belastingdienst wordt verstrekt in mindering gebracht.
Paragraaf 3.3 Nog nader in te vullen
Paragraaf 3.4 Andere voorzieningen en vergoedingen
Artikel 3.4.1 Specifieke voorwaarden noodzakelijke ondersteunende of vervangende activiteit bij visuele en motorische handicap
(PW, IOAW, IOAZ)
-
1. De gemeente kan een voorziening toekennen in de vorm van een ondersteunende of vervangende activiteit, gericht op het compenseren van motorische beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek.
Artikel 3.4.2 Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen
(PW, IOAW, IOAZ)
-
1. De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de inwoner om te kunnen werken.
-
2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is.
Artikel 3.4.3 Nazorg
(PW, IOAW, IOAZ)
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die aan het werk gaat, ondersteund en begeleid wordt als dit nodig is om het werk te kunnen doen en behouden.
Artikel 3.3.4 Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening
De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar de werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt.
Paragraaf 3.5 Vervallen
Hoofdstuk 4 Nog nader in te vullen
Hoofdstuk 5 Nog nader in te vullen
Hoofdstuk 6 Nog nader in te vullen
Hoofdstuk 7 Inkomen en Schulden
De gemeente heeft een financieel vangnet voor inwoners die te weinig inkomen en vermogen hebben om de dagelijkse kosten te betalen: een maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze inwoners en andere inwoners met een laag inkomen extra te ondersteunen, kunnen zij bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en toeslagen aanvragen. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste extra’s geregeld. Voor een aantal extra’s wordt een inkomensgrens genoemd. Dit is geen harde grens, maar een uitgangspunt (kompas) bij het beoordelen van aanvragen. Inwoners die in een vergelijkbare financiële situatie zitten als inwoners met een bijstandsuitkering, kunnen vaak ook geholpen worden. Dat beoordeelt de gemeente per situatie. Ook worden er enkele basisregels gegeven voor de ondersteuning die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem.
|
Kerndoelen: |
|
|
|
Paragraaf 7.1 nog nader in te vullen
Paragraaf 7.2 Inkomen en bijstandsnorm
- 1.
Bij de bepaling van het inkomen in artikel 7.4.1 en 7.5.1 wordt aangesloten bij de wijze waarop het inkomen wordt vastgesteld in het kader van de bijzondere bijstand. Dit is geregeld in de Beleidsregel inkomensondersteuning Participatiewet Bernheze 2025.
- 2.
Bij de bepaling van de bijstandsnorm in artikel 7.4.1 en 7.5.1 wordt uitgegaan van de bijstandsnorm die geldt volgens de Participatiewet, maar zonder toepassing te geven aan artikel 22a, 27 en 28 van de Participatiewet.
- 3.
Als bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand is vastgesteld dat een inwoner een draagkrachtloos inkomen heeft wordt die inwoner geacht te voldoen aan de voorwaarde van het hebben van een laag inkomen als bedoeld in artikel 7.4.1 en 7.5.1.
Paragraaf 7.3 Studietoeslag
(PW)
Studenten met een structurele medische beperking hebben soms extra ondersteuning nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat de studiefinanciering wordt aangevuld. In deze paragraaf geeft de gemeente aan welk bedrag toegekend kan worden en hoe dat wordt uitbetaald.
Artikel 7.3.1 Hoogte en duur van de toeslag
De studietoeslag is gelijk aan het bedrag genoemd in artikel 7a van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021, afgerond naar boven op een eenheid van € 10,00 en wordt elke maand uitbetaald.
Paragraaf 7.4 Inkomenstoeslag
(PW)
De individuele inkomenstoeslag van artikel 36 van de Participatiewet is bedoeld voor inwoners die langdurig moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen. Het is een extraatje dat jaarlijks kan worden verstrekt en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven wat de gemeente onder ‘langdurig’, ‘laag inkomen’ verstaat en wat de hoogte van de individuele inkomenstoeslag is.
Artikel 7.4.1 Doelgroep
-
1. De inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd, die:
- a.
in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm; en
- b.
geen goede financiële buffer heeft; en
- c.
geen uitzicht heeft op verbetering van het inkomen; en
- d.
niet eerder over dat kalenderjaar een individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen.
- a.
-
2. Een aanvraag als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, moet worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, onder overlegging van de benodigde bewijsstukken. De aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag kan worden gedaan gedurende het gehele kalenderjaar, als mede het eerste kwartaal daarop volgend, waarop de aanvraag ziet. De gemeente kan tevens de individuele inkomenstoeslag ambtshalve verstrekken.
-
3. Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als aan hem in het jaar dat vooraf gaat aan de aanvraagdatum een maatregel is opgelegd omdat hij zich niet heeft gehouden aan een arbeids- of re-integratieverplichting als bedoeld in de Participatiewet en/of IOAW en/of IOAZ.
-
4. Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als deze onderwijs volgt of in de referteperiode heeft gevolgd en daardoor naar het oordeel van de gemeente perspectief heeft op verbetering van de inkomenssituatie binnen een periode van een jaar. Het gaat dan om onderwijs dat het Rijk bekostigt.
-
5. Het vermogen wordt vastgesteld op de aanvraagdatum.
-
6. De individuele inkomenstoeslag wordt verstrekt per kalenderjaar.
-
7. Bij een voor 1 januari 2026 toegekende individuele inkomenstoeslag wordt voor de toepassing van dit artikel de peildatum geacht te zijn bepaald op 1 januari van dat jaar.
Artikel 7.4.2 Hoogte van de toeslag
- 1.
De inkomenstoeslag is per jaar (bedragen 2026) :
- a.
€ 531 voor een alleenstaande;
- b.
€ 679 voor een alleenstaande ouder;
- c.
€ 755 voor gehuwden of samenwonenden.
- a.
- 2.
Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners op grond van artikel 11 of 13 Participatiewet geen recht heeft op de inkomenstoeslag de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt.
Paragraaf 7.5 Meedoenregeling
(Gemeentewet)
Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. En daarmee hun maatschappelijke participatie bevorderen. Hieraan zijn meestal kosten verbonden.
Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft maatregelen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Daarom wordt voor inwoners met minderjarige kinderen de Meedoenregeling verhoogd.
Artikel 7.5.1 Doelgroep en aanvraag
-
1. De Meedoenregeling is bedoeld voor inwoners die moeten rondkomen van een inkomen dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm.
-
2. Een aanvraag moet worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, onder overlegging van de benodigde bewijsstukken. De aanvraag voor de Meedoenregeling kan worden gedaan gedurende het gehele kalenderjaar, als mede het eerste kwartaal daarop volgend, waarop de aanvraag ziet. De gemeente kan tevens de Meedoenregeling ambtshalve verstrekken.
Artikel 7.5.2 Inhoud regeling
-
1. Inwoners met een laag inkomen kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan sociaal-culturele, educatieve en andere maatschappelijke activiteiten voor henzelf en hun kinderen. Ook abonnementen op kranten, tijdschriften, tv, internet of telefoon kunnen worden vergoed. De bijdrage is € 256 per jaar (bedrag 2026).
-
2. De bijdrage wordt verhoogd met € 344 per jaar per ten laste komend kind (bedrag 2026).
-
3. Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden die gelden voor deze bijdrage.
Paragraaf 7.6 en 7.7 Nog nader in te vullen
Paragraaf 7.8 Schuldhulpverlening
(Wgs)
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner, die ondersteuning kan krijgen bij het oplossen van de schulden, die ondersteuning zo snel mogelijk krijgt. Hier zijn verschillende mogelijkheden voor, deze staan vermeldt in de nadere regels.
Artikel 7.8.1 Samenwerking en toegang
-
1. De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen.
-
2. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden.
-
3. De gemeente informeert inwoners over de ondersteuning die zij kan bieden en zorgt ervoor dat die ondersteuning ook echt beschikbaar is. De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van ondersteuning. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft.
-
4. Het college kan nadere regels stellen over de manier waarop en de voorwaarden waaronder inwoners met schulden worden ondersteund.
-
5. Vroegsignalering en gegevensuitwisseling. Het college werkt samen met externe partners bij de uitvoering van vroegsignalering. Voor zover noodzakelijk voor deze samenwerking, wisselt het college persoonsgegevens uit overeenkomstig de Wgs en de geldende privacywetgeving, uitsluitend voor het doel van schuldhulpverlening.
-
6. Preventie. Het college informeert inwoners actief over financiële verantwoordelijkheden en risico’s, teneinde het ontstaan van schulden zoveel mogelijk te voorkomen.
Artikel 7.8.2 Nog nader in te vullen
Artikel 7.8.3 Besluit
-
1. Na het eerste gesprek informeert de gemeente de inwoner die ondersteuning kan krijgen met een besluit over de manier waarop de ondersteuning wordt gegeven.
-
2. De gemeente stuurt iedere inwoner die geen ondersteuning kan krijgen na het eerste gesprek een besluit waarin staat waarom er geen ondersteuning wordt gegeven.
-
3. Het besluit wordt genomen binnen acht weken na het eerste gesprek.
Artikel 7.9 Indexering bedragen
De bedragen genoemd in artikel 7.4.2 en 7.5.2 worden jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van de consumentenprijsindex (methode Schulinck) en worden naar boven afgerond op hele euro's.
Hoofdstuk 8 De vorm van ondersteuning
In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de ondersteuning geeft. De ondersteuning die de gemeente biedt kan of in ‘natura’ of in geld gegeven worden.
|
kerndoelen: |
|
|
Paragraaf 8.1 Vormen van ondersteuning
Artikel 8.1.1 Ondersteuning in natura
(PW, IOAW, IOAZ, WGS)
-
1. De inwoner kan ondersteuning van de gemeente in natura (een dienst of een product) ontvangen. Gaat het om een product, dan wordt dit in bruikleen of in eigendom verstrekt.
-
2. De gemeente zorgt ervoor dat de aanbieder van een product de inwoner goed uitlegt en voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken.
-
3. De gemeente ziet erop toe dat de aanbieder van een product de regels in de wet over garantie naleeft. En de inwoner alle belangrijke informatie vertelt over de dienst of het product.
Artikel 8.1.2 Ondersteuning in geld
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
-
1. De inwoner kan ondersteuning van de gemeente in geld. Ondersteuning in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Alleen als in de wet of in deze verordening, of in de beleidsregels, anders is bepaald en de persoonlijke situatie van de inwoner dit toelaat, moet het geld wel worden terugbetaald.
-
2. De gemeente zorgt ervoor dat zij de betaling aan de inwoner doet binnen vier weken, nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling.
-
3. De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven. Soms kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon betalen.
-
4. De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen, maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen (vordering) als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van één van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.
Hoofdstuk 9 Afspraken tussen inwoner en de gemeente.
Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen.
|
Kerndoelen: |
|
|
|
|
Paragraaf 9.1 Hoe gaan we met elkaar om?
(PW, IOAW, IOAZ, WGS, Gemeentewet, Awb)
Artikel 9.1.1 De rol van de gemeente
De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:
- 1.
Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem heeft.
- 2.
De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, recht op een gesprek met een medewerker. Dat gesprek kan op het gemeentehuis, thuis bij de inwoner of op een andere plaats zijn.
- 3.
De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken als het bieden van ondersteuning bij dit probleem een taak is van die organisatie.
- 4.
De website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen.
- 5.
Er zijn aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die deze wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.
- 6.
De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.
- 7.
De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner.
- 8.
De gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die de gemeente al heeft en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.
Artikel 9.1.2 De rol van de inwoner
-
1. De inwoner zorgt voor het volgende:
- a.
Als de gemeente ondersteuning biedt, werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem;
- b.
De inwoner doet wat nodig is om de ondersteuning van de gemeente zo kort mogelijk te laten duren.
- a.
-
2. De inwoner werkt mee, zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:
- a.
De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het onderzoek, zodat de gemeente de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner kan beoordelen. Dit geldt ook als de ondersteuning al is toegekend;
- b.
De inwoner informeert de gemeente zo snel als mogelijk over wijzigingen in de persoonlijke situatie;
- c.
De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner;
- d.
De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen als die van belang zijn in het contact met de gemeente.
- a.
Artikel 9.1.3 Ontoelaatbaar gedrag
De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat ontoelaatbaar is. De gemeente zorgt voor het volgende:
- 1.
De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:
- a.
zijn rechten en plichten;
- b.
wat er van hem wordt verwacht;
- c.
welk gedrag niet toelaatbaar is;
- d.
wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet toelaatbaar is; en
- e.
waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.
- a.
- 2.
De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven, vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen.
- 3.
De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:
- a.
de ernst van het gedrag;
- b.
de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en
- c.
de persoonlijke situatie van de inwoner.
- a.
- 4.
De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).
Paragraaf 9.2 Afspraken en verplichtingen over uitkeringen
Artikel 9.2.1 Afstemming op houding en gedrag van de inwoner
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
-
1. De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner.
-
2. Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met:
- a.
de ernst van het gedrag;
- b.
de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en
- c.
de persoonlijke situatie van de inwoner.
- a.
-
3. Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven, tenzij de inwoner al eerder zijn mening heeft gegeven over de voorgenomen verlaging. De inwoner kan dat op de volgende manieren doen:
- a.
telefonisch;
- b.
schriftelijk;
- c.
via e-mail;
- d.
mondeling.
- a.
Artikel 9.2.2 Geen schuld en verjaring
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
-
1. De gemeente verlaagt de uitkering niet als:
- a.
het gedrag van de inwoner hem niet te verwijten is;
- b.
het gedrag van de inwoner meer dan één jaar voor het nemen van een besluit heeft plaatsgevonden;
- c.
de gemeente daarvoor dringende redenen ziet.
- a.
-
2. De inwoner wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
Artikel 9.2.3 Ingangsdatum en periode verlaging
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
De gemeente informeert de inwoner per brief over het besluit tot verlaging. De verlaging gaat in vanaf de kalendermaand na de datum van dit besluit. Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(en) nog niet is uitbetaald. Soms kan de gemeente de uitkering niet of maar voor een deel verlagen omdat deze wordt beëindigd. De gemeente legt het overgebleven deel van de verlaging alsnog op als de inwoner binnen één jaar na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen, tenzij dit naar het oordeel van de gemeente niet bijdraagt aan de met de maatregel beoogde doelstelling.
Artikel 9.2.4 Berekening verlaging
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
-
1. De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner.
-
2. Als de inwoner maandelijks bijzondere bijstand ontvangt, kan de gemeente de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand, dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege verwijtbaar gedrag van de inwoner.
Artikel 9.2.5 Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen
(PW, Awb)
-
1. De gemeente verlaagt de uitkering een maand als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid, onderdeel b, f en g van de Participatiewet niet voldoende nakomt. Die verlaging is 100% van de uitkeringsnorm.
-
2. De gemeente verlaagt de uitkering twee maanden als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, 4e lid, onderdeel a, c, d, e en h van de Participatiewet niet voldoende nakomt. Die verlaging is 100% van de uitkeringsnorm.
-
3. De verlaging, zoals genoemd in lid 1, wordt in gelijke stukken verdeeld over de maand van oplegging en de daaropvolgende kalendermaand als er volgens de gemeente sprake is van bijzondere omstandigheden.
-
4. De verlaging, zoals genoemd in lid 2, wordt in gelijke stukken verdeeld over de maand van oplegging en de twee daaropvolgende kalendermaanden als er volgens de gemeente sprake is van bijzondere omstandigheden.
-
5. Als er sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, 4e lid, onderdeel a van de Participatiewet is het 4e lid niet van toepassing.
Artikel 9.2.6. Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
-
1. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering (PW) een maand met 100% van de uitkeringsnorm voor het niet voldoende proberen werk te vinden tenzij artikel 9.2.5 van toepassing is.
-
2. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
- a.
het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak;
- b.
het niet voldoende leveren van maatschappelijke participatie;
- c.
het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder;
- d.
het niet voldoende nakomen van verplichtingen tijdens de zoektermijn van 4 weken na melding die voor jongeren tot en met 27 jaar geldt.
- a.
-
3. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
- a.
het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;
- b.
het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het door het college in naam van de belanghebbende verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering.
- a.
-
4. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering twee maanden met 100% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
- a.
het niet voldoende proberen werk te vinden;
- b.
het niet aanvaarden van werk;
- c.
het door eigen toedoen niet behouden van werk;
- d.
het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening waardoor de voorziening niet doorgegaan is of vroegtijdig beëindigd is.
- a.
-
5. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
- a.
het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken;
- b.
het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening zonder gevolgen voor die voorziening;
- c.
het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie;
- d.
het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder.
- a.
-
6. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
- a.
het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie.
- a.
Artikel 9.2.7 Stoppen verlaging
(PW, Awb, IOAW, IOAZ)
De gemeente kan de verlaging stoppen (niet uitvoeren) als overduidelijk blijkt dat de inwoner alsnog de arbeidsverplichtingen nakomt. De inwoner moet de gemeente zelf verzoeken om de verlaging te stoppen. Hij moet het verzoek per brief of e-mail indienen. Dit kan zolang de maatregel loopt.
Artikel 9.2.8 Te weinig besef van verantwoordelijkheid
(PW, Awb)
-
1. De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich gezien zijn gedrag te weinig realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud.
-
2. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente daardoor onterecht heeft uitbetaald (benadelingsbedrag).
-
3. De verlaging duurt één maand en wordt vastgesteld op:
- a.
10% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag tot € 1.000;
- b.
20% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag van € 1.000 tot € 2.000;
- c.
40% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag van € 2.000 tot € 4.000;
- d.
100% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag van € 4.000 of hoger;
- e.
20% van de bijstandsnorm gedurende het aantal maanden dat eerder een beroep op uitkering is gedaan, bij een benadelingsbedrag hoger dan € 10.000 in die gevallen waarbij sprake is van onverantwoord interen van vermogen.
- a.
-
4. In afwijking van lid 3 wordt bij het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag, mits het voor belanghebbende te voorzien was dat hij op bijstand aangewezen zou worden, de bijstand verlaagd met 100% gedurende twee maanden.
Artikel 9.2.9 Onacceptabel gedrag
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner bij zeer ernstige misdragingen tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt één maand verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm.
Artikel 9.2.10 Niet nakomen van andere verplichtingen
(PW, Awb)
-
1. De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet voldoende nakomt.
-
2. De verlaging is 20% van de uitkeringsnorm voor een maand als het gaat om:
- a.
verplichtingen die gericht zijn op het krijgen van werk;
- b.
verplichtingen in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt;
- c.
een opgelegde verplichting om een noodzakelijke medische behandeling te volgen;
- d.
het voor de eerste keer niet verschijnen bij het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b van de Participatiewet.
- a.
-
3. De verlaging is 40% van de uitkeringsnorm voor een maand als het gaat om:
- a.
verplichtingen die gericht zijn op vermindering van de bijstand;
- b.
het voor de tweede keer niet verschijnen bij het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b van de Participatiewet.
- a.
-
4. De verlaging is 100% van de uitkeringsnorm voor een maand als het gaat om:
- a.
verplichtingen die gericht zijn op beëindiging van de bijstand;
- b.
het voor de derde keer of vaker niet verschijnen bij het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b van de Participatiewet;
- c.
het niet of niet tijdig voldoen aan de medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17 van de Participatiewet.
- a.
Artikel 9.2.11 Samenloop van gedragingen
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
-
1. Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging. De grootste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan en ook de duur die bij die verlaging hoort.
-
2. Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is.
-
3. Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf en de in artikel 17 eerste lid van de Participatiewet genoemde inlichtingenplicht niet nakomt, wordt geen verlaging opgelegd voor zover voor de schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.
-
4. Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen uit deze paragraaf en de in artikel 17 eerste lid genoemde inlichtingenplicht niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging en een bestuurlijke boete opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is.
Artikel 9.2.12 Herhaling (recidive)
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
-
1. De duur van de verlaging wordt verdubbeld als de uitkering binnen 12 maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd. De duur wordt ook verdubbeld als de gemeente de eerdere verlaging vanwege dringende redenen van de inwoner heeft gewijzigd in € 0 (nihil).
-
2. De duur van de verlaging bij wettelijke arbeidsverplichtingen (zie artikel 9.2.5) gaat naar drie maanden als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd.
Paragraaf 9.3 Nog nader in te vullen
Paragraaf 9.4 Nog nader in te vullen
Paragraaf 9.5 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?
Artikel 9.5.1 Controle
(PW, IOAW, IOAZ)
-
1. De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruikmaken van:
- a.
huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet;
- b.
bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten;
- c.
signalen en tips van organisaties of particulieren;
- d.
andere passende onderzoeksmethoden.
- a.
-
2. Nog nader in te vullen
-
3. Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd.
-
4. Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.
Artikel 9.5.2 Voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik
(PW, IOAW, IOAZ)
-
1. De gemeente stelt alles in het werk om misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.
-
2. Om misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen en op te sporen hanteert de gemeente de uitgangspunten van Hoogwaardig Handhaven. De uitgangspunten rusten op:
- a.
het beter en vroegtijdig informeren van inwoners over rechten, plichten en handhaving;
- b.
het optimaliseren van de dienstverlening, zodat de kans op spontane naleving wordt vergroot;
- c.
vroegtijdige opsporen en afhandelen van signalen van misbruik of oneigenlijk gebruik;
- d.
bij geconstateerde misbruik en oneigenlijk gebruik daadwerkelijk sanctioneren (maatregel of boete).
- a.
Artikel 9.5.3 Beleidsplan misbruik en oneigenlijk gebruik
(PW, IOAW, IOAZ)
-
1. De gemeente stelt in een plan vast hoe de gemeente misbruik en oneigenlijk gebruik bestrijdt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving).
-
2. In het beleidsplan staat in ieder geval:
- a.
wat de gemeente precies met preventie bedoelt;
- b.
wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over rechten en plichten (voorlichting);
- c.
welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en
- d.
hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om misbruik en oneigenlijk gebruik tegen te gaan.
- a.
Artikel 9.5.4 Privacy
(PW, IOAW, IOAZ, Wgs)
-
1. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.
-
2. De uitvoerende gemeente stelt protocollen op voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast. Het gaat in ieder geval om protocollen voor de inzet van:
- a.
Huisbezoeken
- b.
Internetonderzoeken
- a.
-
3. De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De protocollen voldoen aan de regels die daarvoor gelden vanuit de regelgeving op het gebied van privacy, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming. De gemeente maakt de protocollen bekend.
Artikel 9.5.5 Toezichthouders
(PW, IOAW, IOAZ)
De gemeente kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.
Hoofdstuk 10 Inwonersparticipatie
Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert, is bedoeld voor de inwoners. Daarom is het belangrijk dat inwoners inspraak hebben bij het maken van beleid. De gemeente heeft daarvoor de Adviesraad Sociaal Domein. In dit hoofdstuk is geregeld dat er een Adviesraad Sociaal Domein is.
Artikel 10.1 Adviesraad Sociaal domein
(PW, Wgs)
-
1. De gemeente Bernheze stelt een convenant op met de Adviesraad Sociaal Domein waarin staat hoe wordt voldaan aan de vereisten van cliëntenparticipatie uit artikel 47 van de wet.
Hoofdstuk 11 Kritiek op de uitvoering
De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoners het niet eens zijn met de aanpak van de gemeente. Wanneer een inwoner niet tevreden is, wil de gemeente dit graag horen en kan er altijd contact worden opgenomen om de klacht door te nemen en te bespreken of er een oplossing gevonden kan worden. Als dit niet mogelijk is, bestaat de mogelijkheid om een klacht in te dienen of bezwaar te maken.
De gemeente ziet een klacht of bezwaar als:
- a.
een stimulans om de hulpvraag van de inwoner nog eens te onderzoeken;
- b.
een middel voor de inwoner om zijn mening te laten weten;
- c.
een mogelijkheid om de dienstverlening aan inwoners te verbeteren;
- d.
een manier om een vertrouwensbreuk te herstellen; en
- e.
een middel om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te herstellen.
De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend zich gehoord voelt.
In dit hoofdstuk staan enkele regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen, een vertrouwenspersoon te spreken of bezwaar te maken. Dit hoofdstuk sluit aan op de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman. In dit hoofdstuk wordt verwezen naar de Beleidsregels intern klachtrecht 2020, en naar de Commissie rechtsbescherming Meierijstad.
|
Kerndoelen: |
|
|
|
Artikel 11.1 Indienen klacht over gemeente of aanbieder
(Awb, Gemeentewet)
-
1. Inwoners die klachten hebben over gedragingen van medewerkers maken gebruik van de klachtenregeling zoals die geldt bij de gemeente Meierijstad.
-
2. Inwoners die klachten hebben over de zorg van een aanbieder maken gebruik van de klachtenregeling zoals die geldt bij deze aanbieder.
Artikel 11.2 Bezwaar en beroep
(Awb, Gemeentewet)
De gemeente informeert de inwoner correct over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld tegen een besluit of het uitblijven ervan.
Artikel 11.3 Vertrouwenspersoon
-
1. Inwoners die het niet eens zijn met de manier waarop een medewerker van de gemeente met hen omgaat, kunnen contact opnemen met de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon luistert en kan helpen een probleem aan te pakken. De vertrouwenspersoon kan er niet altijd voor zorgen dat het gaat zoals de inwoner het wil, maar zorgt er wel voor dat het proces verloopt zoals het hoort.
-
2. Ook bij problemen met een zorgaanbieder kan een inwoner contact opnemen met de vertrouwenspersoon.
-
3. De vertrouwenspersoon is neutraal en heeft een geheimhoudingsplicht.
Hoofdstuk 12 Nog nader in te vullen
Hoofdstuk 13 Van oud naar nieuw
In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog volgens de bedoeling werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is.
Artikel 13.1 Onderzoek naar de werking van de verordening (evaluatie)
De gemeente onderzoekt met een zekere regelmaat of de verordening voldoende bijdraagt aan de doelen die de gemeente wil bereiken. Om dat te kunnen nagaan, verzamelt de gemeente systematisch informatie over alles wat van belang is om tot een goede evaluatie te komen. De gemeente houdt zich daarbij aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Artikel 13.2 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)
De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening. Dit kan als toepassing van die bepaling volgens de gemeente een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in artikel 1.2 genoemde wetten of de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.
Artikel 13.3 Intrekken oude verordeningen
De volgende verordeningen worden ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat:
- •
Participatieverordening 2017 Gemeente Bernheze;
- •
Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ Bernheze 2017;
- •
Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Bernheze 2017;
- •
Verordening Handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ Bernheze 2017;
- •
Verordening Afstemming Participatiewet, IOAW en IOAZ Bernheze 2017;
- •
Verordening gemeentelijk minimabeleid Bernheze 2017;
- •
Verordening beslistermijn schuldhulpverlening gemeente Bernheze 2021;
- •
Wijziging re-integratieverordening Participatiewet 2017 op onderdeel individuele studietoeslag;
- •
Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive participatiewet Bernheze 2017;
- •
Re-integratieverordening Participatiewet Bernheze 2024;
- •
Verordening kinderopvang Bernheze 2005.
Artikel 13.4 Overgangsrecht
-
1. Een maandelijkse voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, loopt na de ingangsdatum van deze verordening door. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen.
-
2. Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór de ingangsdatum van deze verordening geldt dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe.
-
3. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van één van de bij 13.3 genoemde ingetrokken verordeningen, past de gemeente die ingetrokken verordening toe.
Artikel 13.5 Ingangsdatum en citeertitel
-
1. Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht per 1 januari 2026.
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Werk Inkomen en schuldhulp Bernheze 2026.
Hoofdstuk 14 Begrippenlijst
In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst?
- •
Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is.
- •
Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij het normale, dagelijkse taalgebruik.
- •
Ook staan er voor de duidelijkheid enkele wettelijke begrippen in de lijst die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven.
- •
Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven.
Aanvraag: een officieel verzoek om een besluit te nemen. Een aanvraag wordt gedaan door iemand die direct belang bij dat verzoek heeft.
Gebaseerd op artikel 1:3 lid 3 Awb.
Algemene Verordening Gegevensbescherming: verordening die regels geeft voor de manier waarop de gemeente moet omgaan met de privacy van inwoners.
Algemene wet bestuursrecht: wet met algemene regels voor de manier waarop de gemeente onder andere moet omgaan met aanvragen, termijnen, klachten en bezwaarschriften.
AOW-leeftijd: leeftijd waarop de AOW-uitkering ingaat.
Arbeidsverplichting: de verplichting om mee te werken om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te krijgen, het accepteren en behouden van werk of het leveren van een tegenprestatie.
artikel 9 van de Participatiewet, artikel 37 van de IOAW, artikel 37 van de IOAZ
Beperking: de vermindering van mogelijkheden als gevolg van een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, psychische of psychosociale handicap waardoor een belemmering ontstaat in het sociaal-maatschappelijk functioneren.
Beslissing of besluit: In het besluit geeft de gemeente aan of de inwoner wel of geen ondersteuning krijgt.
Bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering. De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner.
artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet
Bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud. Als het om een jongere van 18 tot 21 jaar gaat, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand.
artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet, artikel 12 van de Participatiewet
Duurzaam: op de toekomst gericht (bijvoorbeeld: duurzaam, passend werk, duurzame bijdrage)
Financiële buffer: een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens. Vermogen is het totaal aan bezit in geld en goederen.
artikel 34, lid 3 van de Participatiewet
Gemeente: College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bernheze.
Gemeentewet: wet die de gemeente bevoegdheden geeft om taken te kunnen uitvoeren en eigen beleid te kunnen maken.
Gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het resultaat dat hij wil bereiken bespreekt.
Hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding aangeeft.
Indexering: bedragen aanpassen aan veranderingen van kosten levensonderhoud of inlatie
Inkomen: alles wat iemand als opbrengst van werk, een eigen onderneming of vermogen krijgt, bijvoorbeeld loon, winst, dividend of rente. Bij inkomen wordt vaak over geld gesproken, maar goederen of diensten kunnen ook tot het inkomen behoren. In verschillende wetten worden hier verschillende definities voor gegeven.
Interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijks werkbegeleiding, aan een inwoner behorende tot de doelgroep uit de Participatiewet, omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek.
Inwoner: de persoon die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente en die daar rechtmatig verblijft. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor ondersteuning door de gemeente. In de verschillende wetten worden hier verschillende definities voor gegeven.
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
Jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk.
Jongere: personen tot 27 jaar.
Levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor eten en drinken, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen.
Mantelzorg: hulp die wordt verleend door een directe naaste vanuit een sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.
Medewerker: de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt, zoals de klantmanager die het gesprek met de inwoner voert.
Meedoenregeling: een vergoeding voor huishoudens met een laag inkomen. Het doel van de regeling is te voorkomen dat mensen in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school. Er is een reductieregeling voor kinderen en een regeling voor volwassenen.
Melding: het eerste contact waarin de inwoner zijn hulpvraag aan de gemeente stelt. In verschillende wetten wordt hier een verschillende definitie voor gegeven.
Nadere regels: regels die het college van burgemeester en wethouders vaststellen ter uitvoering van deze verordening binnen de kaders die de raad in deze verordening daarvoor stelt.
Ondersteuning: hulp bij de arbeidsinschakeling of inkomensondersteuning, maatschappelijke ondersteuning of schuldhulpverlening.
artikel 7 van de Participatiewet, artikel 1 van de WGS.
Oneigenlijk gebruik: een voorziening gebruiken waar het niet voor bedoeld is.
Ontwikkelingsarbeidsmatige dagbesteding (OAD): OAD is gericht op het ontwikkelen van deelnemers richting (betaalde) arbeid. De combinatie van werk, zorg en begeleiding op maat, is een middel om tot ontwikkeling te komen.
Participatiewet (PW): iedereen die kan werken maar daarbij ondersteuning nodig heeft, valt onder de Participatiewet. De wet is er om zoveel mogelijk mensen met of zonder arbeidsbeperking werk te laten vinden.
Prefrente proces loonkostensubsidie: Een preferent proces voor de administratieve uitvoering van loonkostensubsidie maakt het voor werkgevers makkelijker en aantrekkelijker om mensen via dit instrument aan het werk te helpen.
Pro: Praktijkonderwijs.
Referteperiode: periode van 3 jaar voorafgaand aan de peildatum.
Resultaat: het effect of het doel dat de inwoner wil behalen of hoeverre het gewenste doel of effect is behaald.
Samenwonen: een gezamenlijke huishouding voeren.
artikel 3 van de Participatiewet
Sociale activering: het aanbieden van zinvolle activiteiten die de inwoner dichter bij werk kan brengen. Vrijwilligers werk is hier een voorbeeld van.
Uitkering: de bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ-uitkering.
artikel 5 onderdeel b en artikel 12 Participatiewet en artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ.
Uitkeringsnorm: de maximale hoogte van een uitkering in de situatie van de inwoner.
Dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.
Uitvoerende gemeente: De gemeente Meierijstad.
UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Dit is een Nederlandse overheidsinstelling die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van verschillende werknemersverzekeringen, zoals de Werkloosheidswet, de Ziektewet, en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
Voorliggende voorziening: Voorzieningen die vanuit andere regelingen worden gefinancierd, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet Langdurige Zorg (Wlz) of de Participatiewet (PW), die gezien haar aard en doel geacht wordt voor de klant toereikend en passend te zijn.
Voorziening: ondersteuning in de vorm van een dienst, activiteit, product, PGB of geldbedrag.
VSO: Voortgezet speciaal onderwijs.
Wet: de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet op de expertisecentra.
WGS: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Ondertekening
Vastgesteld door de raad van de gemeente Bernheze in zijn openbare vergadering van 26 februari 2026.
Leandra Kilian
griffier
Mark de Man
voorzitter
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl