Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758532
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758532/1
Participatieverordening gemeente Arnhem
Geldend van 13-03-2026 t/m heden
Intitulé
Participatieverordening gemeente ArnhemIn Arnhem zijn inwoners betrokken bij de plannen en initiatieven voor onze stad. Dat is niet nieuw: we zijn dagelijks bezig met participatie, we hebben een rijke geschiedenis met wijkgericht werken en organiseren burgerberaden. Het gemeentebestuur wil in verbinding staan met Arnhemmers. Samen met inwoners en partners uit de stad maken we onze plannen beter, zorgen we dat de uitvoering goed verloopt en leren we steeds slimmer te werk te gaan. Vaak hebben inwoners ook zelf mooie ideeën voor onze stad. Die ondersteunen we als gemeentebestuur graag. Deze samenwerking met Arnhemmers noemen we participatie. Voor betekenisvolle participatie die goed verloopt, impact heeft en waarmee inwoners zich gehoord voelen, is het belangrijk om duidelijke afspraken te maken. Dat doen we in deze participatieverordening. In de participatieverordening staat hoe we als gemeentebestuur willen omgaan met participatie. De verordening omvat kaders die duidelijk maken wat de Arnhemmers en onze partners uit de stad van ons, de gemeente, mogen verwachten. De participatieverordening vormt de basis voor ons participatiebeleid en de participatietrajecten die we doen.
Wij vinden participatie belangrijk. Als gemeentebestuur willen we besluiten nemen waar onze inwoners begrip voor hebben. Inwoners weten als geen ander wat er speelt in hun leefomgeving. Daarom is hun perspectief voor ons van grote waarde en zoeken we dit actief op. Zo horen wij inwoners en kunnen wij betere plannen maken.
Als gemeentebestuur willen we doorlopend samenwerken met inwoners. Dat kan ook, omdat participatie veel verschillende vormen kent, steeds op andere plekken in de stad gebeurt en steeds over andere onderwerpen gaat. We vinden het vooral belangrijk om inwoners te betrekken als een plan hen direct raakt in hun leefwereld. Daarom maken we het zo makkelijk mogelijk om mee te doen. We vinden dat participatie net zo laagdrempelig en toegankelijk moet zijn als de rest van onze dienstverlening, zodat iedereen betrokken kan zijn. Ook inwoners die bijvoorbeeld de Nederlandse taal niet zo goed machtig zijn of minder goed ter been zijn. Dat geldt allereerst voor het meepraten en meebeslissen over wat wij als gemeente doen. We noemen dat inwonerparticipatie. Ook ondersteunen we graag ideeën van inwoners. Dit noemen we overheidsparticipatie. En als inwoners taken willen uitvoeren die de gemeente nu uitvoert, maken we dat mogelijk waar dit kan. Dit noemen we het uitdaagrecht.
Tegelijkertijd zijn we realistisch over participatie. Niet iedereen die meepraat of meedoet zal blij zijn met de uitkomst. We vinden het belangrijk dat iedereen die meedoet begrip heeft voor het proces en snapt hoe we tot onze overwegingen komen. Ook doen we alleen aan participatie als het ergens toe doet. De vorm van participatie hangt af van de ruimte die er is om dingen te veranderen: van informeren tot samenwerken. We maken per participatietraject vooraf duidelijk hoe we als gemeentebestuur omgaan met de inbreng van inwoners. In sommige gevallen geven we een stukje van onze zeggenschap aan inwoners. In andere gevallen is participatie een zwaarwegend advies voor onze beslissingen. In ieder geval bepalen we als gemeentebestuur de spelregels voor participatie en zorgen ervoor dat die spelregels vooraf voor iedereen duidelijk zijn.
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
Artikel 1: Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
- –
beleid: procedure, project, programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren;
- –
bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is voor het te nemen besluit; afhankelijk van de inhoud is dat de raad, het college of de burgemeester;
- –
college: het college van burgemeester en wethouders;
- –
deelnemers: inwoners die actief meedoen aan een participatietraject;
- –
inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan inwoners en belanghebbenden biedt om hun mening over gemeentelijk beleid te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet;
- –
inwoners: ingezetenen, als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet;
- –
inwonerparticipatie: het als bestuursorgaan betrekken van inwoners en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid, op initiatief van de gemeente;
- –
externe partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités, ondernemers en andere organisaties die tot doel hebben impact te hebben op de leefwereld inwoners;
- –
overheidsparticipatie: het als bestuursorgaan ondersteunen van of deelnemen aan initiatieven van inwoners of externe partijen, op initiatief van deze inwoners of externe partijen;
- –
participatie: inwonerparticipatie en overheidsparticipatie, inclusief uitdaagrecht.
- –
uitdaagrecht: het recht van inwoners en externe partijen om de uitvoering van gemeentelijke taken over te nemen, zoals bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet;
Artikel 2: Doelstelling
-
1. Het doel van deze verordening is om betekenisvolle participatie te stimuleren door heldere afspraken en uitgangspunten vast te leggen, zodat verwachtingen bij deelnemers aan participatietrajecten duidelijk zijn en de gemeente als betrouwbare partner in participatietrajecten kan optreden.
-
2. Deze verordening regelt de manier waarop de gemeente inwoners en andere belanghebbenden betrekt bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid.
-
3. Deze verordening regelt de manier waarop de gemeente initiatieven van inwoners of externe partijen ondersteunt of daaraan deelneemt.
-
4. Deze verordening regelt de manier waarop inwoners en externe partijen bepaalde taken van de gemeente kunnen overnemen.
Hoofdstuk 2: Inwonerparticipatie en inspraak
Artikel 3: Reikwijdte
-
1. Het bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden en taken of inwonerparticipatie plaatsvindt, op basis van het afwegingskader dat onderdeel is van het geldende participatiebeleid.
-
2. Inwonerparticipatie wordt toegepast wanneer het voorliggende vraagstuk van directe invloed is op inwoners en belanghebbenden.
-
3. Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om geen inwonerparticipatie toe te passen in de volgende gevallen:
- a.
bij ondergeschikte of juridisch-technische herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;
- b.
als participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;
- c.
als er sprake is van uitvoering van hogere regelgeving, waarbij het bestuursorgaan naar oordeel van het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;
- d.
bij de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;
- e.
bij interne of organisatorische aangelegenheden van de gemeente;
- f.
wanneer de uitvoering van een beleidsvoornemen naar oordeel van het bestuursorgaan dermate spoedeisend is dat participatie niet kan worden afgewacht; of
- g.
als het belang van participatie naar oordeel van het bestuursorgaan niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving.
Toelichting: artikel 3
In dit artikel staat wanneer inwonerparticipatie wel of niet mogelijk is. In het eerste lid staat dat het verantwoordelijk bestuursorgaan zelf besluit wanneer inwonerparticipatie wordt toegepast. Het bestuursorgaan gebruikt hiervoor een afwegingskader dat onderdeel is van het Arnhemse participatiebeleid, het Arnhems Stappenplan Participatie. Het afwegingskader in het Arnhems Stappenplan Participatie bestaat uit een aantal vragen die het bestuursorgaan helpen om te bepalen of inwonerparticipatie nodig en zinvol is. In de meeste gevallen is het college het verantwoordelijk bestuursorgaan. Het college kan de bevoegdheid om te besluiten over participatie overdragen aan een wethouder of een ambtenaar.
Het uitgangspunt van deze verordening is dat participatie alleen wordt toegepast wanneer het ertoe doet. Daarom staat in het tweede lid dat inwonerparticipatie wordt toegepast wanneer het voorliggende vraagstuk directe impact heeft op inwoners en belanghebbenden. Bijvoorbeeld als er iets verandert in hun buurt. De manier waarop inwonerparticipatie wordt toegepast hangt af van de ruimte die er voor inwoners is om het vraagstuk te beïnvloeden. Wanneer inwoners en belanghebbenden (bijna) geen ruimte hebben om het vraagstuk te beïnvloeden en het weinig impact op hen heeft, wordt er een beperkte vorm van participatie toegepast. Bijvoorbeeld door alleen te informeren. Wanneer er meer te kiezen valt en een besluit een grotere impact heeft op inwoners en belanghebbenden, wordt een meer uitgebreide vorm van participatie toegepast. Bijvoorbeeld meebeslissen of samenwerken. De vormen van participatie waar het bestuursorgaan uit kiest staan in artikel 4, lid 5.
In het derde lid van dit artikel staat een aantal uitzonderingen. Hiermee wordt voorkomen dat participatie wordt toegepast in situaties waarin dit niet geschikt is. Als het bestuursorgaan gebruik maakt van een uitzondering, wordt deze keuze uitgelegd in de participatieparagraaf. De participatieparagraaf wordt uitgelegd in artikel 7, lid 3.
- a.
Artikel 4: Proces inwonerparticipatie
-
1. Het college kan de raad vragen een startnotitie vast te stellen met daarin de uitgangspunten voor een specifiek participatietraject. De raad kan ook op eigen initiatief het college vragen om een startnotitie voor te bereiden.
-
2. Als het bestuursorgaan in het kader van inwonerparticipatie voor inspraak kiest of inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander proces vaststelt.
-
3. Wanneer het bestuursorgaan inwonerparticipatie toepast, stelt het bestuursorgaan een participatieplan vast.
-
4. Onderdelen van dit participatieplan zijn in ieder geval:
- a.
doel van het participatietraject;
- b.
inhoudelijke, financiële en procedurele kaders van het participatietraject;
- c.
welk bestuursorgaan verantwoordelijk is voor het participatietraject;
- d.
de mate waarin het vraagstuk impact heeft op de leefwereld van inwoners en belanghebbenden, inclusief de verwachte impact op toekomstige inwoners en toekomstige generaties;
- e.
doelgroepen;
- f.
voorzien tijdspad;
- g.
wijze van communicatie;
- h.
wijze waarop participatie invulling krijgt (participatiemiddelen);
- i.
budget voor het participatietraject;
- j.
wijze waarop de uitkomsten van het participatietraject worden betrokken in de besluitvorming van het bestuursorgaan; en
- k.
wijze waarop het participatietraject geëvalueerd gaat worden.
- a.
-
5. Het bestuursorgaan kiest bij de wijze waarop de uitkomsten van het participatietraject bij de besluitvorming wordt betrokken uit de volgende mogelijkheden:
- a.
informeren: het bestuursorgaan haalt geen inbreng op, maar deelt relevante informatie met belanghebbenden.
- b.
raadplegen: het bestuursorgaan weegt de uitkomsten mee in zijn oordeelsvorming.
- c.
adviseren: het bestuursorgaan gebruikt de uitkomsten voor een verbeterde uitwerking van het voorliggende vraagstuk.
- d.
meebeslissen: de meerderheidsvoorkeur van de deelnemers bepaalt welk besluit het bestuursorgaan neemt.
- e.
samenwerken: het bestuursorgaan werkt samen met de deelnemers het voorliggende vraagstuk uit.
- a.
-
6. Het bestuursorgaan kan van de in het vierde lid, onder j bedoelde wijze van betrekken van de uitkomsten van het participatietraject afwijken, onder andere als het participatietraject sterk uiteenlopende visies opleverde, alle mogelijke betrokken belangen onvoldoende zijn meegewogen of de participatie leidde tot nieuwe ideeën en inzichten die op gespannen voet staan met de vooraf gestelde kaders.
-
7. Indien het naar oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijk is om gedurende het participatietraject het participatieplan aan te passen, stelt het bestuursorgaan een vernieuwd participatieplan vast en communiceert hierover aan ten minste de doelgroepen van het participatietraject.
-
8. Het bestuursorgaan kan voorafgaand aan het participatietraject de uitkomsten van participatie, zoals dat van bepaalde doelgroepen zoals jongeren, als ‘zwaarwegend’ aanmerken. In dat geval is het bestuursorgaan gehouden de uitkomsten in het openbaar te bespreken en in het geval van het niet opvolgen van de uitkomsten dit openbaar te motiveren.
Toelichting: artikel 4
Dit artikel gaat over het ontwerpen van een traject van inwonerparticipatie. Het is belangrijk om goed na te denken over hoe een participatietraject wordt ingericht, om ervoor te zorgen dat het proces betekenisvol en toegankelijk is voor inwoners en belanghebbenden. Dit artikel helpt daarbij.
Het eerste lid gaat over de startnotitie. In de meeste gevallen is het college verantwoordelijk voor een participatietraject. Het college stelt dan een participatieplan vast, zoals beschreven vanaf lid 3 van dit artikel. Soms heeft een vraagstuk veel impact. Het college kan dan aan de gemeenteraad vragen om aanvullende kaders voor dat specifieke participatietraject vast te stellen. Dit gebeurt met een startnotitie. De raad kan hier ook zelf om vragen.
Het tweede lid gaat over inspraak. Dit is een specifieke vorm van participatie. Dit is geregeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In sommige gevallen is dit verplicht. Het bestuursorgaan kan er ook zelf voor kiezen om inspraak toe te passen als vorm van participatie. Dit lid gaat niet over inwoners die tijdens een vergadering van de gemeenteraad iets zeggen. Dit wordt soms ‘inspreken’ genoemd, maar daar gaat dit lid niet over.
Het derde en vierde lid gaan over het participatieplan. In het participatieplan staan de belangrijkste keuzes voor het participatietraject. Onderdelen a tot en met j van het vierde lid beschrijven wat er in het participatieplan moet staan. Hoe de onderdelen precies worden ingevuld, verschilt per participatietraject en kan ook per fase binnen een project verschillen. Het participatieplan helpt om de belangrijkste afwegingen en randvoorwaarden in beeld te brengen en zorgt zo voor duidelijkheid. Bijvoorbeeld over de doelgroep van het participatietraject en hoe ervoor wordt gezorgd dat het participatietraject voor elke doelgroep laagdrempelig en toegankelijk is. Onderdeel d gaat in op de mate waarin het vraagstuk impact heeft op de leefwereld van inwoners en belanghebbenden, inclusief de verwachte impact op toekomstige inwoners en toekomstige generaties. Toekomstige inwoners zijn personen die tijdens het participatietraject nog niet in het betreffende gebied wonen, maar hier later komen wonen en directe impact van het vraagstuk ervaren. Toekomstige generaties zijn personen die geen directe impact ervaren, maar in de toekomst wel met de gevolgen van het vraagstuk te maken krijgen. Bij onderdeel e wordt ook beschreven hoe wordt samengewerkt met bestaande groepen van georganiseerde inwoners, zoals wijkplatforms. Het tijdspad (onderdeel f) gaat over de aanvang én de doorlooptijd van het participatietraject. Het budget (onderdeel i) gaat over de benodigde menskracht én middelen.
Als onderdeel van het participatieplan kiest het bestuursorgaan hoe de uitkomsten van het participatietraject worden gebruikt bij de uiteindelijke besluitvorming (onderdeel j). Het bestuursorgaan kiest uit (een combinatie van) de opties onder lid 5. Lid 6 bevat een aantal gevallen waarin het bestuursorgaan kan afwijken van deze keuze.
In een participatietraject is het soms nodig om tussentijds iets aan te passen aan de aanpak. In lid 7 is opgenomen dat het bestuursorgaan deze mogelijkheid heeft. Het bestuursorgaan moet deze aanpassing wel duidelijk aan de doelgroepen van het participatietraject uitleggen. In het laatste lid staat dat het bestuursorgaan vooraf kan bepalen dat de inbreng van bepaalde doelgroepen, zoals jongeren, ‘zwaarwegend’ is. Hiermee is vooraf duidelijk welke plek de inbreng van de doelgroep krijgt in de besluitvorming en welke betekenis deze inbreng heeft binnen het participatietraject.
Artikel 5: Jongerenparticipatie
-
1. Het perspectief van jongeren verrijkt de lokale democratie, ook omdat de gemeente werkt aan opgaven die toekomstgericht zijn. Daarom weegt het bestuursorgaan bij het opstellen van de participatieaanpak af of participatie van kinderen en/of jongeren een bijdrage levert aan een plan.
-
2. Als het bestuursorgaan oordeelt dat participatie van jongeren een bijdrage levert aan een plan en dat een plan impact heeft op de leefwereld van toekomstige generaties, beschrijft het bestuursorgaan in de participatieaanpak hoe van kinderen en/of jongeren worden betrokken bij een participatietraject.
Toelichting: artikel 5
Dit artikel gaat over het betrekken van jongeren. In het eerste lid staat dat inzichten van jongeren aandacht verdienen, ook omdat de gemeente werkt aan vraagstukken die gevolgen kunnen hebben voor de toekomst. Het bestuursorgaan beoordeelt daarom bij ieder participatietraject of het betrekken van kinderen en/of jongeren een bijdrage kan leveren aan het plan. Als het bestuursorgaan dat vindt, en het plan impact heeft op de leefwereld van toekomstige generaties, beschrijft het in de participatieaanpak hoe kinderen en/of jongeren worden betrokken.
Artikel 6: Experimenteerparagraaf
-
1. Om innovatie van participatie te bevorderen, experimenteert het bestuursorgaan met nieuwe participatievormen
-
2. Gedurende de eerste twee jaar na inwerkingtreding van deze verordening richt het bestuursorgaan zich bij de in het eerste lid genoemde experimenten in het bijzonder op jongerenparticipatie.
-
3. Een experiment kan in ieder geval inhouden dat de bijdrage van jongeren bij een besluit van de gemeenteraad voorafgaand aan het participatietraject wordt aangemerkt als ‘zwaarwegend’.
Toelichting: artikel 6
Dit artikel gaat over het experimenteren met nieuwe vormen van participatie. Daarmee kan het bestuursorgaan de participatieaanpak verder ontwikkelen. In de eerste twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening experimenteert het bestuursorgaan in het bijzonder met jongerenparticipatie. Een experiment kan bijvoorbeeld inhouden dat de bijdrage van jongeren vooraf als ‘zwaarwegend’ wordt aangemerkt. Hiermee is vooraf duidelijk welke rol de inbreng van jongeren krijgt in de besluitvorming en welke betekenis deze inbreng heeft binnen het participatietraject.
Artikel 7: Uitkomsten inwonerparticipatie
-
1. Het bestuursorgaan koppelt na afloop van het participatietraject aan ten minste de deelnemers terug hoe het om is gegaan met de uitkomsten van het participatietraject bij de besluitvorming.
-
2. Indien het bestuursorgaan besluit af te wijken van de in artikel 4, vierde lid, onder j bedoelde wijze van betrekken van de uitkomsten van het participatietraject, dan motiveert en communiceert het bestuursorgaan dit expliciet aan tenminste de deelnemers van het participatietraject.
-
3. Elk voorstel voor besluitvorming bevat een participatieparagraaf waarin keuzes ten aanzien van participatie worden verantwoord, opdat het bestuursorgaan participatie kan meewegen in de besluitvorming.
Toelichting: artikel 7
Inwoners en belanghebbenden die meedoen aan een participatietraject investeren tijd en moeite. Daarom vinden we het belangrijk om duidelijk terug te koppelen wat er met hun inbreng gebeurt. Daar gaat dit artikel over.
Het eerste lid houdt in dat in ieder geval de deelnemers van het participatietraject te horen krijgen hoe hun inbreng is meegenomen.
Het tweede lid houdt in dat het bestuursorgaan in ieder geval aan de deelnemers van het participatietraject laat weten als er een andere keuze wordt gemaakt over hoe er wordt omgegaan met de inbreng.
Het derde lid gaat over de participatieparagraaf. Dit is een onderdeel van elk voorstel voor besluitvorming van het bestuursorgaan (meestal het college en de raad) waarin staat hoe er met participatie is omgegaan. De participatieparagraaf gaat niet alleen over welke activiteiten er in het kader van het participatietraject zijn ondernomen, maar ook over wat daar inhoudelijk mee is gedaan. Zo kan het bestuursorgaan dit goed meewegen in de besluitvorming.
Hoofdstuk 3: Overheidsparticipatie
Artikel 8: Reikwijdte overheidsparticipatie
-
1. Inwoners of externe partijen kunnen bij het bestuursorgaan een verzoek indienen voor overheidsparticipatie.
-
2. Het bestuursorgaan kan overheidsparticipatie toepassen, indien het verzoek naar het oordeel van het bestuursorgaan bijdraagt aan de doelstellingen van het gemeentelijk beleid of anderszins een positieve externe bijdrage levert.
-
3. Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om geen overheidsparticipatie toe te passen in de volgende gevallen:
- a.
als er naar oordeel van het bestuursorgaan onvoldoende draagvlak voor het initiatief bij inwoners en belanghebbenden is;
- b.
als het initiatief naar oordeel van het bestuursorgaan financieel, juridisch, beleidsmatig of praktisch niet haalbaar is;
- c.
als het een onderwerp betreft waartegen een bezwaar- of beroepsprocedure in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht loopt of wanneer de burgerlijke rechter is gevraagd een oordeel uit te spreken;
- d.
als het initiatief naar oordeel van het bestuursorgaan niet past bij de verantwoordelijkheid van de gemeente voor het algemeen belang en kwetsbare groepen in de samenleving; of
- e.
als het initiatief overwegend het privébelang van de initiatiefnemer dient.
Toelichting: artikel 8
In dit artikel staat wanneer overheidsparticipatie wel of niet mogelijk is. Het belangrijkste verschil tussen overheidsparticipatie en inwonerparticipatie is wie het initiatief neemt. Bij overheidsparticipatie zijn dat inwoners of externe partijen in plaats van de gemeente. Inwoners of externe partijen kunnen een verzoek voor overheidsparticipatie indienen, bijvoorbeeld als zij ondersteuning willen voor hun initiatief. Dit staat in lid 1. De inwoner of externe partij die een verzoek voor overheidsparticipatie indient, is zelf verantwoordelijk voor het initiatief.
Het verantwoordelijk bestuursorgaan beslist of het verzoek wordt toegekend. Het uitgangspunt is dat de gemeente initiatieven van inwoners en externe partijen ondersteunt wanneer dit externe meerwaarde heeft. Dit staat in het tweede lid.
In het derde lid van dit artikel staat een aantal uitzonderingen. Hiermee wordt voorkomen dat overheidsparticipatie wordt toegepast in situaties waarin dit niet geschikt is.
- a.
Artikel 9: Proces overheidsparticipatie
-
1. Een verzoek voor overheidsparticipatie bevat in ieder geval de volgende onderdelen:
- a.
omschrijving van het initiatief;
- b.
het doel van het initiatief;
- c.
de beoogde doelgroepen van het initiatief;
- d.
een overzicht van de belanghebbenden bij het initiatief;
- e.
gewenste ondersteuning van het bestuursorgaan;
- f.
de verwachte kosten; en
- g.
de verwachte benodigde middelen.
- a.
-
2. Het bestuursorgaan informeert de indiener van het verzoek over het wel of niet toepassen van overheidsparticipatie.
-
3. Het bestuursorgaan reageert binnen twintig werkdagen op het verzoek. Het bestuursorgaan kan deze termijn eenmalig met twintig werkdagen verlengen en informeert de indiener wanneer dit het geval is.
-
4. Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en onderbouwing binnen vijftien werkdagen na het mededelen van de reactie aan de indiener openbaar.
Toelichting: artikel 9
Dit artikel gaat over het proces van overheidsparticipatie. In het eerste lid staat welke onderwerpen een initiatiefnemer moet opnemen in zijn verzoek. Zo wordt duidelijk wat de initiatiefnemer met het plan wil bereiken, wie daarbij betrokken zijn, welke rol van het bestuursorgaan wordt gevraagd en welke kosten hiervoor nodig zijn. De invulling van deze onderdelen kan per initiatief verschillen.
Het bestuursorgaan beslist of het verzoek wordt toegekend en laat dit aan de initiatiefnemer weten. Dit staat in het tweede lid. In het derde en vierde lid staat hoeveel tijd het bestuursorgaan hiervoor heeft.
Artikel 10: Uitvoering overheidsparticipatie
Als het bestuursorgaan het verzoek om de toepassing van overheidsparticipatie toewijst, maakt het met de indiener in ieder geval schriftelijke afspraken over:
- 1.
het proces, het resultaat en de looptijd van de overheidsparticipatie;
- 2.
het budget en de financieringswijze van de overheidsparticipatie;
- 3.
het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende het proces van de overheidsparticipatie;
- 4.
de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het mogelijk tussentijds beëindigen van de overheidsparticipatie; en
- 5.
de evaluatie van de overheidsparticipatie.
Toelichting: artikel 10
Overheidsparticipatie is een samenwerking tussen inwoners of externe partijen en de gemeente. Daar gaat dit artikel over. Het bestuursorgaan en de initiatiefnemer maken afspraken over wat de overheidsparticipatie precies inhoudt, wat de initiatiefnemer en het bestuursorgaan hiermee willen bereiken en hoelang dit duurt. Ook worden er afspraken gemaakt over het budget en de manier van financieren.
De ondersteuning van het initiatief door het bestuursorgaan is de kern van overheidsparticipatie. Goede afspraken over wat deze ondersteuning inhoudt zijn daarom essentieel. Ook worden vooraf afspraken gemaakt over wat er gebeurt als er iets niet goed gaat in de samenwerking. Tot slot worden vooraf afspraken gemaakt over hoe er achteraf geëvalueerd wordt.
Artikel 11: Reikwijdte uitdaagrecht
-
1. Inwoners of externe partijen kunnen een verzoek indienen voor de toepassing van het uitdaagrecht.
-
2. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen gemeentelijke taken of het uitdaagrecht hierop wordt toegepast.
-
3. Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om geen uitdaagrecht toe te passen in de volgende gevallen:
- a.
als het verzoek gaat over een lopend uitvoeringstraject of ondergeschikte herzieningen daarvan, of over een lopende overeenkomst tussen de gemeente en een derde partij;
- b.
als de uitvoering van een beleidsvoornemen naar oordeel van het bestuursorgaan dermate spoedeisend is dat toepassing van het uitdaagrecht niet kan worden afgewacht;
- c.
de toepassing van het uitdaagrecht naar oordeel van het bestuursorgaan financieel, juridisch, beleidsmatig of praktisch niet haalbaar is;
- d.
als het belang van het uitdaagrecht naar oordeel van het bestuursorgaan niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving; of
- e.
als het verzoek gaat over de uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan naar oordeel van het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft.
- a.
-
4. Het bestuursorgaan past geen uitdaagrecht toe:
- a.
als het uitvoeren van de taak door een andere partij dan het gemeentebestuur in de strijd met de wet is; of
- b.
als de opdrachtwaarde boven het drempelbedrag voor enkelvoudig onderhandse aanbestedingen als bedoeld in het geldende inkoopbeleid uitkomt.
Toelichting: artikel 11
In dit artikel staat wanneer uitdaagrecht wel of niet mogelijk is. Het uitdaagrecht is een specifieke vorm van overheidsparticipatie. Dit is geregeld in artikel 150, lid 3, van de Gemeentewet. Het uitdaagrecht betekent dat inwoners en externe partijen in bepaalde gevallen taken van de gemeente kunnen overnemen.
Het verantwoordelijk bestuursorgaan beslist of het verzoek voor het uitdaagrecht wordt toegekend. Dit staat in het tweede lid.
In het derde en vierde lid van dit artikel staat een aantal uitzonderingen. Hiermee wordt voorkomen dat het uitdaagrecht wordt toegepast in situaties waarin dit niet geschikt is. Bijvoorbeeld wanneer er al een contract is tussen de gemeente en een derde partij. Het derde lid gaat over gevallen waarin het bestuursorgaan kán kiezen om het uitdaagrecht niet toe te passen. Het vierde lid gaat over gevallen waarin het uitdaagrecht in ieder geval niet wordt toegepast.
- a.
Artikel 12: Proces uitdaagrecht
-
1. Een verzoek om de toepassing van het uitdaagrecht bevat in ieder geval de volgende onderdelen:
- a.
omschrijving van de gemeentelijke taak die de indiener wil overnemen;
- b.
argumentatie waarom en hoe de indiener de gemeentelijke taak beter of goedkoper kan uitvoeren;
- c.
beschrijving van de betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener;
- d.
beschrijving van het draagvlak onder belanghebbenden;
- e.
de verwachte kosten;
- f.
de verwachte benodigde middelen;
- g.
gewenste ondersteuning en vorm van samenwerking met het bestuursorgaan; en
- h.
argumentatie hoe de kwaliteit en uitvoering van de taak op langere termijn kan worden gewaarborgd.
- a.
-
2. Het bestuursorgaan informeert de indiener van het verzoek over het wel of niet toepassen van het uitdaagrecht.
-
3. Het bestuursorgaan reageert binnen een termijn van acht weken op het verzoek. Het bestuursorgaan kan deze termijn eenmalig verlengen met acht weken en informeert de indiener wanneer dit het geval is.
-
4. Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en onderbouwing binnen vijftien werkdagen openbaar.
Toelichting: artikel 12
Dit artikel gaat over het proces van het uitdaagrecht. In lid 1 staat een aantal onderwerpen die een initiatiefnemer moet opnemen in zijn verzoek. Dit zorgt ervoor dat duidelijk wordt waarom de initiatiefnemer een taak wil overnemen van de gemeente, waarom hij dit beter of goedkoper denkt te kunnen doen, wat andere belanghebbenden daarvan vinden, welke kosten hiervoor nodig zijn en welke ondersteuning van het bestuursorgaan gevraagd wordt. Ook moet de initiatiefnemer onderbouwen dat het overnemen van een taak op een goede manier gebeurt. De invulling van deze onderdelen kan per initiatief verschillen.
Het bestuursorgaan beslist of het verzoek wordt toegekend en laat dit aan de initiatiefnemer weten. Dit staat in het tweede, derde en vierde lid.
Artikel 13: Uitvoering uitdaagrecht
Als het bestuursorgaan het verzoek om de toepassing van het uitdaagrecht toewijst, maakt het met de indiener in ieder geval schriftelijke afspraken over:
- 1.
het proces, het resultaat en de looptijd van het uitdaagrecht;
- 2.
het budget en de financieringswijze van het uitdaagrecht;
- 3.
het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende het uitdaagrecht;
- 4.
de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het mogelijk tussentijds beëindigen van het uitdaagrecht; en
- 5.
de evaluatie van het uitdaagrecht.
Toelichting: artikel 13
Bij het uitdaagrecht nemen inwoners of externe partijen bepaalde taken van de gemeente over. Het is belangrijk om daar goede afspraken over te maken. Daar gaat dit artikel over. Het bestuursorgaan en de initiatiefnemer maken afspraken over wat het uitdaagrecht precies inhoudt, wat de initiatiefnemer hiermee wil bereiken en hoelang dit duurt. Ook maken zij afspraken over het budget en de manier van financieren. Daarnaast worden vooraf afspraken gemaakt over het contact tussen de gemeente en de initiatiefnemer en wat er gebeurt als er iets niet goed gaat bij de toepassing van het uitdaagrecht. Tot slot spreken zij af hoe er achteraf geëvalueerd wordt.
Hoofdstuk 4: Omgevingswet
Artikel 14: Participatie bij instrumenten van de Omgevingswet
-
1. Het bestuursorgaan past bij participatie bij het vaststellen of wijzigen van de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet, het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet of een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet, zoveel mogelijk deze verordening toe. Daarbij neemt het bestuursorgaan de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit in acht.
-
2. Participatie over omgevingsvergunningen, waarbij de initiatiefnemer aan zet is voor het organiseren van participatie, vindt plaats volgens hetgeen bepaald is in de Omgevingswet en eventuele besluiten van de gemeenteraad over verplichte participatie, zoals bedoeld in artikel 16.55, lid 7 van de Omgevingswet.
-
3. Het college stelt een handreiking voor het organiseren van participatie beschikbaar voor initiatiefnemers die een omgevingsvergunning aanvragen.
Toelichting: artikel 14
De Omgevingswet gaat over hoe de leefomgeving wordt ingericht, zoals waar gebouwd mag worden en hoe de natuur wordt beschermd. De Omgevingswet bevat ook een aantal regels voor participatie. Daar gaat dit artikel over.
Als de gemeente zelf participatie organiseert bij de verschillende instrumenten van de Omgevingswet (omgevingsvisie, -plan of -programma), dan volgt het bestuursorgaan zoveel mogelijk de uitgangspunten van deze participatieverordening.
Onder de Omgevingswet is de gemeente niet meer als enige verantwoordelijk voor het organiseren van participatie. Initiatiefnemers die een omgevingsvergunning aanvragen zijn zelf verantwoordelijk voor het organiseren van participatie. Dit kan bijvoorbeeld een projectontwikkelaar zijn die nieuwe woningen wil bouwen. De gemeenteraad kan in bepaalde gevallen participatie verplicht stellen. De participatieverordening gaat niet over deze vorm van participatie. Dit staat in het tweede lid. Het college stelt wel een handreiking voor deze initiatiefnemers ter beschikking. Dit is een hulpmiddel voor initiatiefnemers en maakt duidelijk wat er van hen wordt verwacht. Dit staat in het derde lid.
Hoofdstuk 5: Evaluatie en monitoring
Artikel 15: Evaluatie en monitoring
-
1. Elk traject van inwonerparticipatie wordt geëvalueerd door het bestuursorgaan, aan de hand van het participatieplan.
-
2. Bij de toepassing van overheidsparticipatie en het uitdaagrecht maakt het bestuursorgaan afspraken met de initiatiefnemer over de wijze van evaluatie.
-
3. Het college evalueert de uitvoering van deze verordening in de eerste drie jaar na implementatie jaarlijks en daarna elke twee jaar. Het college brengt over de evaluatie verslag uit aan de raad.
-
4. Het verslag bevat in elk geval:
- a.
een beschrijving van de wijze waarop participatietrajecten zijn georganiseerd, waaronder de keuze voor de inzet van participatiemiddelen;
- b.
de rolinvulling door raad en college;
- c.
de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk;
- d.
informatie over de toepassing van overheidsparticipatie en het uitdaagrecht; en
- e.
informatie over de budgetten die voor de toepassing van overheidsparticipatie en het uitdaagrecht zijn toegekend.
Toelichting: artikel 15
Bij alle vormen van participatie is het belangrijk om te blijven leren. Zo kan participatie steeds beter worden. Dit artikel gaat daarom over het evalueren en monitoren van de participatieverordening en participatietrajecten.
Het uitgangspunt is dat elk participatietraject wordt geëvalueerd. In het eerste lid staat dat dit geldt voor inwonerparticipatie. In het tweede lid staat dat het bestuursorgaan afspraken over evaluatie maakt met de initiatiefnemer bij overheidsparticipatie en het uitdaagrecht.
Daarnaast evalueert het college de participatieverordening. Dat staat in het derde lid. In de eerste drie jaar na het vaststellen van de verordening gebeurt dit jaarlijks, daarna vindt de evaluatie elke twee jaar plaats. Het college maakt een verslag van de evaluatie en deelt dit met de raad.
In het vierde lid staat welke onderdelen het verslag van de evaluatie van de participatieverordening in ieder geval moet bevatten.
- a.
Hoofdstuk 6: Slotbepalingen
Artikel 16: Overgangsrecht
Deze verordening is niet van toepassing op participatietrajecten waarvan de startdatum voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening lag.
Artikel 17: Intrekking oude verordening
De Inspraakverordening gemeente Arnhem 2006 wordt ingetrokken.
Artikel 18: Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking.
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening gemeente Arnhem.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 25 februari 2026,
De griffier,
De voorzitter,
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl