Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Oldambt 2026

Geldend van 11-03-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Oldambt 2026

Het college van burgemeester en wethouders van Oldambt;

gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 31, tweede lid, onderdeel m en s, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet, en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw);

B E S L U I T

vast te stellen de Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Oldambt 2026

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt;

  • b.

    De wet: Participatiewet;

  • c.

    Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • d.

    Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • e.

    Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen;

  • f.

    Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • g.

    Jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet (tot 27 jaar);

  • h.

    Zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wet.

Hoofdstuk 2. Beleidskeuzes

Artikel 2. Zoektermijn jongeren <27jaar

  • 1.

    Het college neemt iedere aanvraag om algemene bijstand van een jongere tot 27 jaar direct in behandeling.

  • 2.

    Het college kan, met toepassing van artikel 41, elfde lid, van de Participatiewet, besluiten de zoektermijn van vier weken geheel of gedeeltelijk achterwege te laten, indien de individuele omstandigheden van de jongere of het gezin daartoe aanleiding geven.

  • 3.

    Bij de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, betrekt het college in ieder geval de mate van zelfredzaamheid en de persoonlijke en sociale omstandigheden van de jongere.

Artikel 3. Vereenvoudigde (verkorte) aanvraagprocedure

  • 1.

    Wanneer er binnen twaalf maanden na beëindiging van de algemene bijstand opnieuw een aanvraag wordt gedaan, gebruikt het college, als bedoeld in artikel 43 a, eerste lid van de Participatiewet, de bij hem bekende gegevens wanneer dit leidt tot een minder belastende aanvraag voor belanghebbende.

  • 2.

    Het eerste lid geldt alleen wanneer de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:

  • a.

    werkaanvaarding; of

  • b.

    verhuizing naar of binnen de gemeente Oldambt.

  • 3.

    Het college controleert altijd of er wijzigingen zijn in:

  • a.

    hoofdverblijf (adres/woon-situatie);

  • b.

    gezinssituatie (samenstelling);

  • c.

    inkomen en vermogen.

  • 4.

    Het college vraagt alleen noodzakelijke, gewijzigde gegevens op, in ieder geval:

  • a.

    bankafschriften van alle betaal- en spaarrekeningen over de maand voorafgaand aan de nieuwe aanvraag;

  • b.

    bij beëindiging door werk: een ontslagbewijs of bewijs einde contract;

  • c.

    bij verhuizing: een huurcontract of bewijs inschrijving op nieuw adres.

  • 5.

    De leden 1 t/m 4 zijn van overeenkomstige toepassing op een uitkering als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Ioaw en Ioaz.

Artikel 4. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

  • 1.

    Giften en bijdragen die leiden tot een kostenbesparing worden tot het in artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de Participatiewet bedoelde bedrag per kalenderjaar in ieder geval niet tot de middelen gerekend.

  • 2.

    Het college kan daarnaast, met toepassing van artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Participatiewet, giften geheel of gedeeltelijk vrijlaten indien en voor zover dit in het individuele geval verantwoord is.

  • 3.

    Bij de beoordeling, bedoeld in het tweede lid, betrekt het college in ieder geval of de gift is verstrekt en ingezet voor:

  • a.

    kosten waarvoor anders bijzondere bijstand zou kunnen worden verleend;

  • b.

    medisch noodzakelijke kosten;

  • c.

    het aflossen van problematische schulden die zijn ontstaan vóór de ingangsdatum van de algemene bijstand.

  • 4.

    De beoordeling vindt plaats met inachtneming van het individualiseringsbeginsel.

  • 5.

    De opsomming in het derde lid is niet limitatief. Belanghebbenden melden giften aan het college indien:

  • a.

    het totaal aan giften in een kalenderjaar het in het eerste lid bedoelde bedrag overstijgt;

  • b.

    sprake is van structurele giften;

  • c.

    sprake is van een incidentele gift met een waarde van € 500 of meer.

Artikel 5. Verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

  • 1.

    De ingangsdatum van de uitkering is gelijk aan de meldingsdatum.

  • 2.

    Het college kan met toepassing van artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet, bij uitzondering bijstand toekennen vanaf een dag gelegen vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien de individuele omstandigheden hiertoe noodzaken en wanneer er verschoonbare omstandigheden worden vastgesteld.

  • 3.

    Onder noodzaak, als bedoeld in lid 2, wordt verstaan:

  • a.

    schulden die zijn gemaakt of ontstaan in de 3 maanden voorafgaand aan de aanvraag als gevolg van te weinig inkomen.

  • b.

    omstandigheden die er op wijzen dat het, naar oordeel van het college, ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding.

  • 4.

    Onder verschoonbare omstandigheden, als bedoeld in lid 2, kan worden verstaan:

  • a.

    medische problemen waardoor aanvraag niet mogelijk was;

  • b.

    afwijzing van een passende en toereikende voorliggende voorziening;

  • c.

    onvoldoende zicht van de aanvrager op inkomen/vermogen (flexibel werk, echtscheiding, erfenis);

  • d.

    met terugwerkende kracht verkregen verblijfsvergunning;

  • 5.

    Bij de in het vierde lid genoemde situaties onder b en c kan er bijstand met terugwerkende kracht verstrekt worden als de noodzaak ontbreekt.

  • 6.

    De opsommingen in het derde en vierde lid zijn niet limitatief. Het college weegt alle relevante omstandigheden van het individuele geval.

  • 7.

    Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan, met een maximum van drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.

  • 8.

    De leden 1 tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing op uitkeringen als bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw en Ioaz.

Artikel 6. Mantelzorg en gezamenlijke huishouding

  • 1.

    Het verlenen of ontvangen van mantelzorg wordt niet aangemerkt als op loon waardeerbare arbeid.

  • 2.

    Tijdelijk verblijf op één adres in verband met intensieve mantelzorg (zorgbehoefte) leidt niet automatisch tot het aannemen van een gezamenlijke huishouding en kostendelersnorm.

  • 3.

    Het college beoordeelt per individueel geval of sprake is van intensieve mantelzorg. Van intensieve mantelzorg is in ieder geval sprake als er een verklaring intensieve mantelzorg is.

  • 4.

    Het college blijft verantwoordelijk voor het besluit over het recht op en de hoogte van de bijstand.

  • 5.

    Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan het college met toepassing van artikel 18 van de Participatiewet de uitkering afstemmen op de individuele situatie.

  • 6.

    De leden 1 t/m 4 zijn van overeenkomstige toepassing op uitkeringen als bedoeld in artikel 3, tweede lid onder b, van de Ioaw en Ioaz.

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen

Artikel 7. Evaluatie

Binnen drie jaar na inwerkingtreding onderzoekt het college de doeltreffendheid en effecten van deze beleidsregel in de praktijk en past deze zo nodig aan.

Artikel 8. Intrekking

Met de inwerkingtreding van deze beleidsregel worden eerdere beleidsregels over dezelfde onderwerpen ingetrokken voor zover zij hiermee in strijd zijn.

Artikel 9. Inwerkingtreding en overgangsrecht

Deze beleidsregel treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026.

Besluiten van vóór de inwerkingtreding blijven in stand totdat daarover opnieuw is beslist conform deze beleidsregel.

Artikel 10. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 Oldambt 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt d.d. 3 maart 2026

de secretaris, de burgemeester,

B. Aukema C. Y. Sikkema

Toelichting

Algemeen

Op 1 januari 2026 is de Participatiewet (de Wet) gewijzigd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026. De wijzigingen vanuit de Participatiewet in balans treden gefaseerd in werking. Deze beleidsregel ziet op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college op een vijftal bevoegdheden uit de eerste fase.

  • 1.

    Vier weken zoektermijn voor jongeren;

  • 2.

    Vereenvoudiging verkorte aanvraag;

  • 3.

    Vrijlating giften;

  • 4.

    Bijstandsverlening met terugwerkende kracht

  • 5.

    Verruiming mantelzorg

Voor de bevoegdheden onder punt 2 en 4 (verkorte aanvraag en terugwerkende kracht) geldt dat het college deze ook kan inzetten voor de aanvraag van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw).

Artikelsgewijs

In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.

Artikel 1. Definities

In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregel. Voor het overige gelden de definities uit de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begrippen uit de beleidsregel worden hieronder nader toegelicht.

Zoektermijn

Onder ‘zoektermijn’ wordt verstaan: de termijn van vier weken nadat een jongere (tot 27 jaar) zich heeft gemeld om algemene bijstand aan te vragen. Pas na die termijn kan een aanvraag worden ingediend en door het college in behandeling worden genomen (enkele uitzonderingen daargelaten, zie artikel 41, vierde lid, van de Participatiewet).

Artikel 2. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn

Dit artikel geeft uitvoering aan de beoordelingsruimte die het college op grond van artikel 41, elfde en twaalfde lid, van de Participatiewet heeft om bij individuele omstandigheden de zoektermijn voor jongeren tot 27 jaar achterwege te laten.

Uitgangspunt is dat van zelfredzame jongeren wordt verwacht dat zij eerst zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden kan het vasthouden aan de zoektermijn leiden tot onredelijke of onevenredige gevolgen.

Het college beoordeelt per individuele situatie of toepassing van de zoektermijn passend is. Daarbij worden onder meer de mate van zelfredzaamheid, de persoonlijke omstandigheden en de gezinssituatie betrokken. De opsomming is niet limitatief. Het college weegt alle relevante omstandigheden en handelt overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel.

Artikel 3. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de uitgebreide aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Dit wordt opgelost door een vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het artikel 43a:

Dit geeft ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Het college gebruikt de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.

A: Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag.’

B: ‘ Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.’

Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag.

Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. In de beleidsregel is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten.

Artikel 4. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

In artikel 4 zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, tweede lid, onderdelen m en s, van de Participatiewet. De wet maakt onderscheid tussen een algemene vrijlating van giften en bijdragen tot een wettelijk vastgesteld bedrag per kalenderjaar en de mogelijkheid om giften daarboven in het individuele geval vrij te laten indien dat verantwoord is.

Giften en bijdragen die leiden tot een kostenbesparing worden tot het wettelijk vastgestelde bedrag per kalenderjaar niet tot de middelen gerekend. Deze algemene vrijlating geldt ongeacht het doel waarvoor de gift wordt verstrekt, zolang het totaalbedrag niet wordt overschreden.

Daarnaast kan het college giften geheel of gedeeltelijk vrijlaten wanneer dit, gelet op de individuele omstandigheden van de belanghebbende, verantwoord is. Daarbij beoordeelt het college onder meer of de gift is aangewend voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand zou kunnen worden verstrekt, voor medisch noodzakelijke kosten of voor het aflossen van problematische schulden die zijn ontstaan vóór de ingangsdatum van de algemene bijstand.

De beoordeling vindt altijd plaats op individueel niveau, met inachtneming van het individualiseringsbeginsel. De in de beleidsregel genoemde situaties zijn richtinggevend en niet limitatief. Het college weegt alle relevante omstandigheden van het geval.

Belanghebbenden zijn gehouden giften te melden wanneer deze een omvang of karakter hebben die van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de bijstand, zodat het college een zorgvuldige beoordeling kan maken.

Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet gaat algemene bijstand in op de meldingsdatum. Met de invoering van artikel 44, vijfde lid, is het college de bevoegdheid gegeven om bij uitzondering bijstand toe te kennen met een beperkte terugwerkende kracht van maximaal drie maanden vóór de meldingsdatum, indien individuele omstandigheden daartoe noodzaken.

Deze bevoegdheid is bedoeld voor situaties waarin vasthouden aan de meldingsdatum leidt tot onredelijke of onevenredige gevolgen voor de belanghebbende. De wetgever heeft daarbij met name het oog gehad op gevallen waarin het de belanghebbende niet of slechts in beperkte mate kan worden verweten dat de melding niet eerder is gedaan en waarin de gevolgen van het ontbreken van bijstand ernstig zijn.

Het college beoordeelt per individueel geval of sprake is van noodzaak. Daarbij kan onder meer relevant zijn of in de periode voorafgaand aan de melding schulden zijn ontstaan als gevolg van een gebrek aan inkomsten, of dat het niet toekennen van bijstand met terugwerkende kracht leidt tot ernstige financiële of maatschappelijke gevolgen.

Bij de beoordeling betrekt het college tevens of sprake is van verschoonbare omstandigheden, zoals medische belemmeringen, onzekerheid over inkomen of vermogen, het ontbreken van een passende voorliggende voorziening of het met terugwerkende kracht verkrijgen van een verblijfsvergunning. Deze opsomming is niet limitatief.

Indien het college besluit bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen, wordt de ingangsdatum vastgesteld op de datum waarop het recht op bijstand is ontstaan, met inachtneming van de wettelijke begrenzing van maximaal drie maanden vóór de meldingsdatum.

Artikel 6 Mantelzorg en gezamenlijke huishouding

Artikel 6 geeft uitvoering aan de verruimde mogelijkheden voor het verlenen en ontvangen van mantelzorg binnen de Participatiewet. Met deze bepaling wordt beoogd te voorkomen dat mantelzorg leidt tot onbedoelde negatieve gevolgen voor het recht op bijstand.

Het verlenen of ontvangen van mantelzorg wordt niet aangemerkt als op geld waardeerbare arbeid. Daarnaast leidt tijdelijk verblijf op één adres, als bedoeld in artikel 40, derde lid onder d, in verband met intensieve mantelzorg niet automatisch tot het aannemen van een gezamenlijke huishouding of tot toepassing van de kostendelersnorm.

Het college beoordeelt per individueel geval of sprake is van intensieve mantelzorg en of het verblijf als tijdelijk kan worden aangemerkt. Deze beoordeling vindt plaats in overleg met de afdeling Wmo, waarbij de zorgbehoefte leidend is. Het advies vanuit de Wmo ondersteunt de beoordeling, maar het college blijft verantwoordelijk voor het besluit over het recht op en de hoogte van de bijstand.

Indien mantelzorg van invloed is op de mogelijkheden van de belanghebbende om te voldoen aan arbeids- en participatieverplichtingen, bespreekt het college dit met de belanghebbende. Waar nodig kan maatwerk worden toegepast, onder meer door afstemming van de bijstand op grond van artikel 18 van de Participatiewet.

Artikel 7. Evaluatie

Het vaststellen van deze verzamelbeleidsregel, of elementen daarvan, zal er op onderdelen toe leiden, dat het gemeentelijk beleid gewijzigd wordt. Om te beoordelen of dat beleid doel treft, doelmatig kan worden uitgevoerd, en binnen rechtmatigheidsgrenzen blijft, wil het college periodiek onderzoeken en evalueren wat de stand van de uitvoering is. Zowel voor de eigen uitvoering als voor de inwoner is het van belang, dat het beleid regelmatig tegen het licht wordt gehouden, actueel wordt gehouden en op effecten wordt onderzocht. Mogelijk moet na verloop van tijd bijstelling plaats te vinden.

Artikel 8.

-

Artikel 9. Inwerkingtreding en overgangsrecht

Voor besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2026, geldt in ieder geval, dat deze in stand blijven totdat daarover opnieuw is beslist. Dat zal bij de giftenregeling het geval kunnen zijn. Denkbaar is, dat besloten is om in een individueel geval periodieke giften vrij te laten. Die vrijlating blijft doorlopen, totdat daarop met toepassing van de nieuwe regels is beslist.

Artikel 10.

-