Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Hendrik-Ido-Ambacht 2026

Geldend van 01-04-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Hendrik-Ido-Ambacht 2026

De raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht;

Gelezen het voorstel van het seniorenconvent van 17 december 2025;

Gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en 97, 98, 99 van de Gemeentewet en de artikelen 3.1.1, vijfde lid, 3.1.3, eerste lid, 3.1.4, eerste lid, artikel 3.1.4a, eerste lid, 3.1.8, eerste lid, 3.1.9, eerste lid, 3.3.2, 3.3.3, tweede lid, 3.4.1, eerste lid, en 3.4.2 en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;

Gezien het advies van de commissie Algemene Bestuurlijke Aangelegenheden - Financiën; Besluit:

  • 1.

    Vast te stellen de volgende verordening: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Hendrik-Ido-Ambacht 2026;

  • 2.

    De verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden Hendrik-Ido-Ambacht 2022 in te trekken;

Artikel 1. Toelage onderzoekscommissie en bijzondere commissie

  • 1. Een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet ontvangt een maandelijkse toelage van €120,- zolang de commissie actief is. (De toelage is per jaar maximaal driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.)

  • 2. Een raadslid dat lid is van een bijzondere commissie als bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers ontvangt, zolang de commissie actief is, een maandelijkse toelage van € 120,-.

Artikel 2. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing

  • 1. Een raads- of commissielid dat een vergoeding wil ontvangen in verband met het deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor de uitvoering van zijn functie, zoals bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient daarvoor vooraf een gemotiveerd verzoek in bij het seniorenconvent via de griffier.

  • 2. Bij dit verzoek worden documenten (papier of digitaal) met de benodigde inhoudelijke informatie meegestuurd. Ook wordt een kostenspecificatie meegestuurd waaruit blijkt dat de prijs-kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is, en dat de kosten ervan niet al op een andere basis kunnen worden betaald.

  • 3. De maximale vergoeding van de scholing bedraagt:

    • a.

      €500,- per jaar per raadslid;

    • b.

      €250,- per jaar per commissielid.

  • 4. Jaarlijks wordt per fractie het bezoek van één raads- of commissielid aan het VNG-congres vergoed, inclusief reis- en verblijfkosten. Deze kosten worden niet verrekend met het jaarlijks beschikbare budget voor het betreffende raads- of commissielid, zoals opgenomen in het derde lid.

Artikel 3. Informatie- en communicatievoorzieningen

  • 1. Een raads- of commissielid tekent, voor de periode waarin hij actief is in zijn functie, een bruikleenovereenkomst voor de informatie- en communicatievoorzieningen die ter beschikking zijn gesteld. Het gaat hier om de informatie- en communicatievoorzieningen zoals bedoeld in artikel 3.3.2 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.

  • 2. Een raads- of commissielid levert uiterlijk 6 weken na beëindiging van zijn functie, de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente.

  • 3. Overname van de informatie- en communicatievoorzieningen is mogelijk na opschoning en tegen vergoeding van de resterende waarde van de voorzieningen in het economisch verkeer.

Artikel 4. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

  • 1. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit.

  • 2. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.

Artikel 5. Betaling vaste vergoedingen

Tenzij het Rechtspositiebesluit of de Rechtspositieregeling anders bepalen, vindt de betaling van de vergoeding van commissieleden, bedoeld in artikel 3.1.4 van het Rechtspositiebesluit maandelijks plaats met inachtneming van een vergoeding per bijgewoonde vergadering.

Artikel 6. Betaling en declaratie van onkosten

  • 1. Tenzij het Rechtspositiebesluit of de Rechtspositieregeling anders bepalen, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door:

    • a.

      Betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur;

    • b.

      Betaling vooruit uit eigen middelen of;

    • c.

      Betaling ten laste van de gemeentelijke creditcard.

  • 2. Een verzoek om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.

  • 3. Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen 2 maanden na factuurdatum of betaling door raads- of commissieleden ingediend bij het seniorenconvent via de griffier.

  • 4. Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan raads- of commissieleden binnen 2 maanden na het indienen van de aanvraag wordt overgemaakt.

Artikel 7. Intrekking oude verordening

De Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden Hendrik-Ido-Ambacht 2022 wordt ingetrokken.

Artikel 8. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 april 2026.

Artikel 9. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Hendrik-Ido-Ambacht 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht 2 februari 2026,

De griffier,

J.G. Honcoop

De voorzitter,

P. van der Giessen

Toelichting Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2026

ALGEMEEN DEEL

Wettelijke regelingen

In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van, en financiële voorzieningen voor, raads- en commissieleden moeten worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze Algemene Maatregel van Bestuur is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de (onkosten)vergoedingen nader uitgewerkt.

Hoofdlijnen

In deze verordening staan alleen regels over de rechtspositie van raads- en commissieleden voor zover zij niet al dwingend zijn opgenomen in hogere wet- en regelgeving. De overweging hierbij is dat het bestuurlijk wenselijk is om de voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en regelgeving vast te leggen om politieke discussies te voorkomen. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om lokaal bij verordening van wettelijke regelingen af te wijken.

Het ministerie van BZK publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening.

Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang. In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente ontvangen. Deze verordening vormt een (verdere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen.

De arbeidsverhoudingen en fiscale positie

Raads- en commissieleden zijn niet in dienst van de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de

Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar

Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden kiezen voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst.

Als de raads- en commissieleden en de gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan moeten de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten worden gezien en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten opgeven in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en commissieleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst door te geven via een formulier IB-47. Omdat raads- en commissieleden persoonlijk worden gekozen, worden zij niet gezien als (fiscaal) ondernemer. Daarom hoeft er geen VAR-verklaring of/Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente.

De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) geldt niet voor raads- en commissieleden.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1: Toelage onderzoekscommissie en bijzondere commissie

Dit artikel betreft de toelagen voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde 'zware commissies'. Hiermee wordt met name gedoeld op de vertrouwenscommissie en de onderzoekscommissie, zoals deze in de Gemeentewet specifiek zijn omschreven. De vaststelling dat er sprake is van een dergelijke bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening plaatsvinden. Daarbij moet gemotiveerd worden dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk meerwerk is naast het reguliere lidmaatschap van de gemeenteraad. Voor de hoogte van de toelage voor bet werk in de eerdergenoemde zware commissies wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de vertrouwenscommissie en de anderzijds de onderzoekscommissie of bijzondere commissie.

Toelage lid vertrouwenscommissie (artikel 3.1.2 van het rechtspositiebesluit)

Voor de (her)benoeming van een burgemeester stelt de raad een vertrouwenscommissie in. De vertrouwenscommissie heeft als taak de aanbeveling voor de (her)benoeming van een burgemeester voor te bereiden. Een raadslid dat lid is van de vertrouwenscommissie ontvangt voor de duur van de activiteiten een toelage van € 153,33 (2025) per maand. Het gaat daarbij om een vast bedrag, geen maximum, vastgelegd in het rechtspositiebesluit. Het bedrag wordt naar rato van de duur van de activiteiten toegepast. Zolang een commissie ‘slapend’ is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage: niet de duur van het lidmaatschap is van belang maar de duur van de activiteiten.

Daarnaast wordt jaarlijks een klankbordgesprek gevoerd met de burgemeester. Hierop is deze regeling niet van toepassing, tenzij er zodanige omstandigheden zijn dat de werkzaamheden onevenredig meer tijd kosten.

Toelage lid onderzoekscommissie (artikel 3.1.3 van het rechtspositiebesluit) en bijzondere commissie (artikel 3.1.4 van het rechtspositiebesluit)

De raad kan een commissie instellen die onderzoek doet naar het door het college gevoerde beleid. Ook kan de raad bijzondere commissies instellen. Het tijdsbeslag voor deelname aan deze 'zware' commissies kan uitstijgen boven van wat normaal van een raadslid mag worden verwacht. In dat geval kan de raad besluiten, voor de duur van de activiteiten van de commissies, een toelage toe te kennen aan de leden.

Raadsleden die deelnemen aan een onderzoekscommissie of een bijzondere commissie van de raad met een zodanig belang, belasting en tijdsbeslag dat dit niet tot het reguliere werk geacht kan worden, ontvangen een toelage van € 120,-.

Artikel 2. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden

Voor raads- en commissieleden is bepaald dat de kosten voor scholing die nietpartijpolitiek is, zoals deelname aan congressen en opleidingen, door de gemeente kunnen worden betaald. Scholing die wel partijpolitiek is, wordt niet door de gemeente vergoed. Of scholing partijpolitiek is, hangt af van de inhoud van die scholing. Scholing is partijpolitiek als het helemaal of voor een deel tot doel heeft om diegene op te leiden in de ideeën en standpunten van die partij. Dit betekent dat wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij dit dus niet automatisch partijpolitieke scholing is.

Om scholingskosten vergoed te krijgen, moet duidelijk worden uitgelegd dat het gaat om scholing die nodig is voor het werk, dat de prijs/kwaliteitverhouding redelijk is en de kosten ervan niet reeds uit anderen hoofde voor vergoeding in aanmerking komen

(artikel 3.3.3 van de rechtspositieregeling). Verder is in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, derde lid een koppeling gemaakt met artikel 3.1.7 en 3.2.9. De gemeente betaalt, als daar een goede reden voor is, de reis- en verblijfskosten die nodig zijn voor de scholing.

De gemeente kan zelf ook scholing geven of regelen. De kosten daarvan worden ook door de gemeente betaald.

Uit paragraaf 3.1 van de circulaire Wijzigingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers voor gemeenten blijkt dat het college verantwoordelijk is voor de uitvoering aan de hand van de centrale kaders uit het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Het College en de Raad zijn niet bevoegd om uitzonderingen of beperkingen op te leggen aan individuele verzoeken op de centraal gestelde kaders. Als de aanvraag binnen de kaders valt, wordt het uitgevoerd.

Er is ruimte voor lokale accenten. Nadere regels kunnen bijvoorbeeld worden gesteld in een scholingsplan. In dit plan kunnen procedureregels voor individuele scholingsverzoeken worden opgenomen. Het plan kan vervolgens als handvat dienen bij toetsing van individuele scholingsaanvragen.

Per fractie wordt één raadslid/commissielid de mogelijkheid geboden naar het VNG- congres te gaan ten laste van de gemeente. Daarnaast is een scholingsbudget beschikbaar op basis van werkelijke kosten, vooraf voorgelegd aan het college voor maximaal € 500, - per raadslid en maximaal € 250, - per commissielid van buiten de raad.

Artikel 3. Informatie- en communicatievoorzieningen

Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een raadslid voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking (Artikel 3.3.2 van het rechtspositiebesluit). Ook commissieleden kunnen aanspraak maken op deze middelen (Artikel 3.4.4 Rechtspositiebesluit). Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt verstaan een smartphone, een computer en de daarbij behorende (internet)abonnementen. Er mag slechts één computer verstrekt worden, op basis van een bruikleenovereenkomst. Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer. Een smartphone is niet te kwalificeren als computer.

De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke ambtsdrager, omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. Hiervoor is in Hendrik-Ido-Ambacht een termijn van 6 afgesproken. De gemeente draagt zorg voor het schonen van dit ICT-middel en het al dan niet beschikbaar stellen voor hergebruik. Als hergebruik niet aan de orde is, kan de gemeente ambtsdragers de mogelijkheid bieden het ICT-middel over te nemen. Dit overnemen is dus geen recht van de ambtsdrager, maar het gevolg van een keuze van de gemeente. In dit geval is er bereidheid het ICT-middel af te stoten. Een circulaire vereist in dat geval dat de gemeente ervoor zorgt dat het ICT-middel door of namens de gemeente is geschoond met speciale software (conform Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO)).1 Verder dient de politieke ambtsdrager voor het overnemen van het ICT-middel op grond van de circulaire een vergoeding te betalen. Deze vergoeding dient gelijk te zijn aan de resterende waarde van het ICT-middel in het economisch verkeer.

Ook eventuele toegang tot beschermde delen van het raadsinformatiesysteem wordt beëindigd en eventuele mailadressen op het netwerk van de gemeente worden afgesloten.

Artikel 4. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 is een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt.

Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot 1,2% fiscale loonsom onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen.

Artikel 5 Betaling vaste vergoedingen & artikel 6 Betaling en declaratie van onkosten

Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling regelen wanneer de vergoedingen en onkosten betaald moeten worden aan raads- en commissieleden. De commissieleden ontvangen de vergoeding maandelijks per bijgewoonde vergadering. Met het bijwonen van een vergadering wordt bedoeld dat commissieleden zitting hebben aan de vergadertafel tijdens de commissievergadering. Het volgen van de commissievergadering vanaf de publieke tribune of een andere locatie valt hier niet onder.

Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kunnen deze artikelen uitkomst bieden. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Het verdient aanbeveling dat het college een formulier vaststelt waarmee raads- en commissieleden gemaakte onkosten kunnen verantwoorden. Raads- en commissieleden declareren in beginsel hun kosten bij het seniorenconvent, via de griffier. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.

Artikel 7 Intrekking oude verordening

De oude verordening wordt ingetrokken

Artikel 8 Inwerkingtreding

De verordening treedt 1 april 2026 in werking. Dat is de datum van benoeming van de nieuwe raads- en commissieleden.