Verordening lokaal mede-eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek Noordoostpolder

Geldend van 11-03-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening lokaal mede-eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek Noordoostpolder

De raad van de gemeente Noordoostpolder;

gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 9 december 2025, No. 25.0002259;

gelet op artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet;

gezien het advies van de commissie WO;

besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening lokaal mede-eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek Noordoostpolder

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • -

    Bouwactiviteit: activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in de Omgevingswet;

  • -

    kring van partijen: natuurlijke personen, micro-ondernemingen, kleine ondernemingen, middelgrote onderneming, gemeenten, waterschappen, provincies, en coöperaties gevestigd in de nabije omgeving van de installatie en binding hebbend met de betreffende (buur)gemeente(n);

  • -

    lokaal mede-eigendom: het juridisch en economisch in (mede-)eigendom hebben van een installatie en de opwek die met die installatie wordt gerealiseerd door de kring van partijen in de nabije omgeving van die installatie;

  • -

    nabije omgeving:

    • a.

      in het geval van elektriciteitsopwek door zonne-energie: binnen de gemeentegrens van Noordoostpolder;

    • b.

      in het geval van elektriciteitsopwek door windenergie: binnen de gemeentegrens van de Noordoostpolder en daarbuiten binnen een straal van 10 keer de tiphoogte van de windturbine, gemeten vanaf de voet van de turbine.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • 1. Deze verordening is van toepassing op de aanleg of uitbreiding van een grootschalige installatie voor de opwek van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen.

  • 2. Onder een grootschalige installatie voor de opwek van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen wordt verstaan:

    • a.

      een zonnepark met een capaciteit van ten minste 1 MW; of

    • b.

      een windturbine met een capaciteit van ten minste 0,1 MW; of

    • c.

      een grootschalig windpark. Onder een grootschalig project met grote impact wordt verstaan: een installatie of samenstel van installaties voor windenergie met gecombineerd vermogen van 5 MW of meer.

Hoofdstuk 2 Motiveringsplicht lokaal mede-eigendom

Artikel 3 Inspanningsverplichting lokaal mede-eigendom

  • 1. Bij de aanleg of uitbreiding van een grootschalige installatie voor de opwek van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen geldt er voor de producent een inspanningsverplichting om 50 procent lokaal mede-eigendom te bereiken. Bij een installatie bedoeld in artikel 2, derde lid, geldt een inspanningsverplichting om 80% lokaal mede-eigendom te bereiken.

  • 2. Er is in ieder geval niet voldaan aan de inspanningsverplichting als:

    • a.

      er geen aantoonbaar en verifieerbaar contact is geweest met een bestaande georganiseerde vorm van personen of ondernemingen uit de kring van partijen;

    • b.

      er niet meer dan één bijeenkomst met die partijen is geweest waarin de mogelijkheden voor lokaal mede-eigendom zijn voorgelegd en is verkend;

    • c.

      er geen reële termijn is gegeven aan de omgeving om lokaal mede-eigendom te bereiken; of

    • d.

      er geen economisch realistisch aanbod is gedaan.

    • e.

      er geen aantoonbare poging is gedaan om een lokaal energiecollectief of een energiecoöperatie in staat te stellen om als mede-ontwikkelaar of mede-eigenaar te participeren.

  • 3. Bij projecten als bedoeld in artikel 2, derde lid, wordt de inspanningsverplichting primair ingevuld via een collectief lokaal eigendomsmodel, zoals bijvoorbeeld via een energiecoöperatie of een daarmee vergelijkbare democratisch georganiseerde rechtsvorm. Onder het voldoen aan de inspanningsverplichting wordt mede verstaan dat de initiatiefnemer:

    • a.

      lokaal mede-eigendom aanbiedt met een zeggenschaps- en winstdelingsstructuur die evenredig is aan het aangeboden eigendomspercentage;

    • b.

      eventuele ontwikkelrisico’s en ontwikkelkosten voorafgaand aan deelname van lokale partijen transparant en marktconform heeft verrekend;

    • c.

      het aanbod tot lokaal mede-eigendom zodanig vormgeeft dat lokale partijen een redelijke en uitvoerbare kans hebben om daadwerkelijk deel te nemen, waarbij deelname met een minimale inleg van € 1.000 mogelijk is.

    [Artikel 3, lid 1 en 3 bevatten een kennelijke verschrijving: waar wordt verwezen naar artikel 2, derde lid, wordt artikel 2, lid 2 onder c bedoeld.]

Artikel 4 Motivering inspanningsverplichting lokaal mede-eigendom

  • 1. De producent motiveert voorafgaand aan het verrichten van de bouwactiviteit voor de aanleg of uitbreiding van de installatie:

    • a.

      welke inspanningen hij heeft verricht om mede-eigendom ten aanzien van de voorgenomen installatie en de exploitatie daarvan door een kring van partijen te bevorderen;

    • b.

      welk percentage mede-eigendom is overeengekomen.

    • c.

      voor zover minder dan 50 procent, c.q. 80 procent mede-eigendom is overeengekomen, wat de redenen daarvan zijn en of er andere vormen van financiële participatie zijn overeengekomen.

    • d.

      op welke wijze deelname aan lokaal mede-eigendom is opengesteld voor inwoners en organisaties uit de gehele gemeente Noordoostpolder, in het bijzonder bij projecten als bedoeld in artikel 2, derde lid.

    [Artikel 4, lid 1 onder d bevat een kennelijke verschrijving: waar wordt verwezen naar artikel 2, derde lid, wordt artikel 2, lid 2 onder c bedoeld.]

Artikel 5 Gegevens en bescheiden motivering

  • 1. Voor de motivering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, worden de volgende gegevens en bescheiden door de producent aan het college verstrekt:

    • a.

      de methoden gebruikt voor de communicatie over het project;

    • b.

      welke informatie is gedeeld en hoe deze informatie beschikbaar is gesteld; en

    • c.

      ten aanzien van de kring van partijen:

      • 1°.

        hoe deze is gedefinieerd;

      • 2°.

        op welke wijze deze partijen bij het project zijn betrokken;

      • 3°.

        op welke wijze de wensen van deze partijen zijn verkend; en

      • 4°.

        hoe deze partijen de mogelijkheid hebben gehad om te participeren.

    • d.

      indien van toepassing: een beschrijving van de wijze waarop een lokaal energiecollectief of energiecoöperatie is betrokken bij de planvorming, inclusief instapmoment, rol en zeggenschap.

  • 2. Voor de motivering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, worden de volgende gegevens en bescheiden door de producent verstrekt:

    • a.

      welke afspraken met deze partijen zijn gemaakt;

    • b.

      hoe de afspraken met deze partijen zijn vastgelegd;

    • c.

      een getekende overeenkomst tussen de producent en de kring van partijen, al dan niet vertegenwoordigd door de lokale energiegemeenschap, waarin de gemaakte afspraken over lokaal mede-eigendom zijn vastgelegd;

    • d.

      een projectstructuurbeschrijving met daarin opgenomen de financiële- en eigendomsstructuur van het project;

    • e.

      een overzicht van de verdeling van de eigendoms- en zeggenschapsverhouding binnen het project; en

    • f.

      een overzicht van de taakverdeling.

    • g.

      indien gebruik wordt gemaakt van een coöperatief model: de statuten of samenwerkingsovereenkomst waaruit de democratische zeggenschap en toetredingsmogelijkheden blijken.

  • 3. Voor de motivering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, worden de volgende gegevens en bescheiden door de producent verstrekt:

    • a.

      een overzicht van de andere vormen van financiële participatie die zijn toegepast; en

    • b.

      de redenen waarom 50 procent c.q. 80 procent lokaal mede-eigendom niet haalbaar is.

Hoofdstuk 3 Overige bepalingen

Artikel 6 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking gelijktijdig met de inwerkingtreding van artikel 6.12 van de Energiewet.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening lokaal mede-eigendom bij grootschalige elektriciteitsopwek Noordoostpolder.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 februari 2026.

De voorzitter,

De griffier,

Bijlage I Toelichting

Algemene toelichting

De grondslag van deze verordening is artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet. De begripsbepalingen uit artikel 1.1 van de Energiewet zijn dan ook van toepassing op deze verordening. Het ligt niet voor alle gemeenten voor de hand om dit model over te nemen, al dan niet met lokale aanpassingen. Wellicht een open deur, maar de gemeente doet er goed aan eerst na te gaan of deze verordening de beoogde doelen realiseert. Wellicht is er aanvullende regelgeving nodig in de vorm van beleid of heeft de provincie regelgeving over dit thema. Mogelijk is er binnen de gemeente al beleid en behoeft dat beleid aanpassing met de inwerkingtreding van de Energiewet en de inzichten van dit model.

De gemeente Noordoostpolder vindt het belangrijk dat inwoners in brede zin zeggenschap hebben over en profiteren van grootschalige energieopwek die wordt gerealiseerd in hun omgeving. De ambitie voor het lokaal eigenaarschap kent als uitgangspunt 50 procent c.q. 80 procent per project. Deze ambitie komt tot uitdrukking in het Ambitiedocument Energietransitie (2025). Naast dat dit streven is opgenomen in het beleid van de gemeente, maakt de gemeente de keuze om het streven naar 50 procent c.q. 80 procent lokaal mede-eigendom ook juridisch te borgen door middel van deze verordening.

Het kunnen profiteren van grootschalige energieopwek wordt ook wel financiële participatie genoemd. De Participatieverordening Noordoostpolder 2018 regelt onder andere de wijze van participeren in het kader van ruimtelijke besluiten. Financiële participatie is daar niet onder begrepen. Deze verordening en de participatieverordening sluiten dus op elkaar aan. Deze verordening biedt, anders dan de participatieverordening, geen toetsingskader bij de procedure voor het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet.

Bij grootschalige windparken met meerdere turbines acht de gemeente Noordoostpolder een coöperatief ontwikkelmodel het meest passend, omdat dit brede deelname, democratische zeggenschap en betrokkenheid vanuit de gehele gemeente mogelijk maakt.

afbeelding binnen de regeling

Bron: EnergieSamen

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Definities

Bij de ‘kring van partijen’ is aangesloten bij de mogelijke leden van een energiegemeenschap zoals vermeld in artikel 2.4 van de Energiewet. Wat onder ‘kleine’ en ‘middelgrote’ ondernemingen wordt verstaan is opgenomen in de begripsbepalingen in artikel 1.1 van de Energiewet. Onder ‘binding hebbend met’ wordt verstaan: bedrijven die hun verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen én toegevoegde waarde bieden aan de sociaaleconomische structuur/voorzieningen.

Brievenbusfirma’s vallen niet onder de definitie van lokale ondernemers. Maatschappelijke instellingen wel.

Bewoners, ondernemers en/of lokale overheden, zoals beschreven bij de ‘kring van partijen’, kunnen zelfstandig of door middel van een energiegemeenschap eigenaar worden van de installatie. Daarbij kan het voorkomen dat een bewoner of een onderneming uit een andere gemeente binnen een straal van 10 keer de tiphoogte gemeten vanaf de voet van de windturbine woont. In dat geval worden zij op grond van artikel 1 ook gerekend tot de kring van partijen. Gemeenten zijn er vrij in overleg te voeren met buurgemeenten om eventueel over en weer elkaar te benoemen in de verordening.

Met de straalhoogte van 10 keer de tiphoogte wordt aangesloten bij de jurisprudentie van het begrip belanghebbende in het omgevingsrecht: gevolgen van enige betekenis kunnen aanwezig worden geacht binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine (ABRvS, 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, Windpark de Drentse Monden en Oostermoer, r.o. 7; ABRvS, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4198, Windpark Zeewolde, r.o. 7).

Lokaal mede-eigendom is gedefinieerd als het juridisch en economisch (mede-)eigenaarschap van de installatie en het juridisch bezitten van een energieproject en de daarmee gegenereerde elektriciteit. Dit houdt in dat economisch bezien zowel de lusten als de lasten worden gedragen en dat er zeggenschap over de installatie is. Deze definiëring sluit aan bij de definitie opgesteld door het ministerie van Klimaat en Groene Groei in de monitor Financiële Participatie Hernieuwbare Energie op Land. Lokaal mede-eigendom kan bestaan uit omwonenden of lokaal gevestigde ondernemingen die deelnemen in de Ontwikkelings B.V. door middel van bijvoorbeeld een lokale energiegemeenschap of een directe investering door grondeigenaren of lokale overheden.

Artikel 2 Toepassingsbereik

Dit artikel regelt het toepassingsbereik van de regels uit deze verordening. De verordening is van toepassing op de aanleg of uitbreiding van grootschalige installaties voor de opwek van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. De facultatieve sub-bepalingen in het tweede lid benoemt specifiek zonnepark en windturbine als hernieuwbare bron. De Energiewet hanteert een bredere definitie. In de Regionale Energiestrategie (hierna:RES) zijn specifieke afspraken gemaakt omtrent zon en wind, om meer draagvlak te creëren. Daarom zijn deze hernieuwbare bronnen al opgenomen in de verordening in onderdeel a b en c van het tweede lid.

Wat onder grootschalige installaties voor de opwek van elektriciteit wordt verstaan kan door de gemeente worden ingevuld. Met het invoeren van een drempel worden kleinere windturbines of zonnevelden die zijn aangelegd voor eigen gebruik uitgesloten van het toepassingsbereik van deze verordening.

Artikel 3 Inspanningsverplichting lokaal mede-eigendom

Eerste lid

In het eerste lid is een inspanningsverplichting opgenomen: bij de aanleg of uitbreiding van de installatie, bedoeld in artikel 2 moet de producent streven naar 50 procent c.q. 80 procent lokaal mede-eigendom. Er wordt geen resultaatsverplichting opgelegd, omdat niet kan worden afgedwongen dat de lokale omgeving mede-eigenaar wil zijn van een dergelijke installatie. De producent moet echter wel aantonen dat hij zich voldoende heeft ingespannen om 50 procent c.q 80 procent lokaal mede-eigendom te realiseren.

Tweede lid

Van de producent wordt een aantoonbare inspanning verwacht. Het opmerken dat bij een informatieavond met omwonenden geen animo was voor lokaal mede-eigendom volstaat bijvoorbeeld niet. De producent moet een deugdelijke motivering aanleveren waaruit blijkt dat ondanks de verrichte inspanningen, niet genoeg interesse was vanuit de lokale omgeving. Bij een georganiseerde vorm van personen en ondernemingen zoals genoemd in dit lid onder a, kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een wijk- of dorpsraad of een bestaande lokale energiecoöperatie of energiegemeenschap

Verder is in het tweede lid een niet limitatieve opsomming opgenomen van voorbeelden wanneer er in ieder geval geen sprake is van gegronde redenen waardoor lokaal mede-eigendom niet haalbaar zou zijn geweest. Daarbij kan worden gedacht aan een onrealistische termijn voor de instap van één of twee weken of een inkoopregeling met dermate hoge inkoopprijzen dat deze niet in een paar jaar terug te verdienen zijn uit de opbrengsten van het energieproject danwel op voorhand financieel minder aantrekkelijk is dan als men niet zou deelnemen in het lokale eigendom. Tot slot dient ook een verantwoord rendement te worden geboden en dient het instapbedrag niet te hoog te zijn voor huishoudens uit de omgeving.

Artikel 4 Motivering inspanningsverplichting lokaal mede-eigendom

De producent is verplicht voorafgaand aan het verrichten van de bouwactiviteit voor de aanleg of uitbreiding van een grootschalige installatie voor de opwek van elektriciteit uit zon of wind aan het college te motiveren hoe is voldaan aan de inspanningsverplichting tot het streven naar lokaal mede-eigendom. Het gekozen moment is een uiterste moment dat de producent de inspanningsverplichting moet aantonen. Bij voorkeur gebeurt dit eerder, omdat logischerwijs dan alle afspraken rondom financiële participatie zijn vastgelegd. Het ligt voor de hand dat het college de producent vervolgens informeert of aan de inspanningsverplichting is voldaan.

Deze bepaling sluit aan bij artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet (Kamerstukken II 2023-2023, 36378, nr. 23, Amendement lid Rooderkerk).

Het artikel biedt geen grondslag voor het verzwaard afleggen van verantwoording als wél 50 procent lokaal mede-eigendom is behaald (zie artikel 6.12, derde lid, sub c Energiewet en artikel 4, eerste lid, onder c van deze verordening).

Artikel 5 Gegevens en bescheiden motivering

In dit artikel is omschreven welke gegevens en bescheiden de producent moet aanleveren voor de motivering van de inspanningsverplichting. In het eerste lid wordt opgesomd welke stukken nodig zijn om de inspanning te motiveren die de producent heeft geleverd voor het streven naar lokaal mede-eigendom.

Daarbij kan een geografische kaart als hulpmiddel dienen om de lokale omgeving die benaderd is af te bakenen. Verder kunnen gegevens door middel van onderstaand tabel gestructureerd worden aangeleverd:

afbeelding binnen de regeling

In het tweede lid is opgenomen welke stukken de producent moet aanleveren om het percentage lokaal mede-eigendom te onderbouwen. Deze verplichting geldt ook als 50 procent c.q. 80 procent lokaal mede-eigendom wél wordt behaald.

De vereiste stukken zijn een overzicht van de afspraken die zijn gemaakt met de lokale omgeving in de vorm van een samenwerkings- of omgevingsovereenkomst waarin de gemaakte afspraken over lokaal mede-eigendom zijn vastgelegd. Daarnaast wordt een projectstructuurbeschrijving met daarin de financiële- en eigendomsstructuur en de verdeling van de eigendoms- en zeggenschapsverhouding aangeleverd. Hierin is ook opgenomen wie de zeggenschap heeft over (welk deel van) de geproduceerde stroom. Verder bevat het een overzicht van de afspraken die zijn gemaakt over welke kosten door wie worden gedragen, een overzicht van de taakverdeling en de overeenkomst tussen de producent en de kring van partijen. Lokaal mede-eigendom houdt in dat de kring van partijen in alle opzichten betrokken kan zijn bij de ontwikkeling, dat is dus niet puur financieel. Het is van belang dat de kring van partijen onderdeel is van het besluitvormingsproces en de ontwikkeling van het park. De gevraagde stukken geven inzicht in de onderlinge verhouding tussen de kring van partijen en de producent.

In het geval dat de producent niet 50 procent c.q. 80 procent lokaal mede-eigendom heeft behaald, wordt in het derde lid stukken gevraagd ter onderbouwing waarom 50 procent c.q. 80 procent lokaal mede-eigendom niet is behaald en welke andere vormen van financiële participatie zijn toegepast. Uit de stukken over de haalbaarheid van 50 procent c.q. 80 procent lokaal mede-eigendom moet de producent deugdelijk motiveren dat deze ondanks alle verrichte inspanningen niet haalbaar was.

Artikel 6 Inwerkingtreding en citeertitel

De wettelijke grondslag voor deze verordening is opgenomen in artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet. Daarom treedt deze verordening gelijktijdig in werking met de Energiewet, zoals opgenomen in het eerste lid.

De Energiewet treedt in werking op 1 januari 2026 (zie Koninklijk Besluit 17 februari 2025, Stb. 2025/40).