Beleidsregel Vermogen, giften en overige middelen WerkSaam Westfriesland

Geldend van 14-03-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleidsregel Vermogen, giften en overige middelen WerkSaam Westfriesland

Op 1 januari 2026 is de Participatiewet in balans in werking getreden. In de aangepaste wet zijn duidelijke bepalingen opgenomen over de vrijlating van giften en van bijdragen die leiden tot een besparing op de bijstand (zoals bijvoorbeeld voorzien in boodschappen of het betalen van de huur). Het vastgestelde vrijlatingsbedrag van € 1.200,- per jaar zorgt ervoor dat giften en besparingen tot dit bedrag, geen invloed hebben op het recht op bijstand. Dit betekent dat uitkeringsgerechtigden giften en besparingen mogen ontvangen zonder dat dit onmiddellijk gevolgen heeft voor hun recht op uitkering. Ontvangt de uitkeringsgerechtigde meer dan het vrijlatingsbedrag, dan moeten wij beoordelen of het vrijlaten daarvan verantwoord is uit een oogpunt van bijstandsverlening. In deze beleidsregel geven wij aan in welke gevallen hiervan sprake is.

Omdat giften en bijstandsbesparende bijdragen onderdeel uitmaken van het veel bredere middelenbegrip, zijn in deze beleidsregel ook andere onderdelen van dat middelenbegrip opgenomen die nadere uitwerking behoeven. Het gaat hierbij onder meer om inkomsten uit kansspelen, schadevergoedingen en vermogensaspecten.

Het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland;

gezien het advies van de cliëntenraad van WerkSaam Westfriesland van 2 maart 2026;

gelet op artikel 18, lid 8*, artikel 31, lid 2, onderdeel l en m en artikel 34 van de Participatiewet ;

overwegende dat het wenselijk is regels vast te stellen over hoe WerkSaam omgaat met het middelenbegrip

b e s l u i t :

  • de beleidsregel Vermogen, giften en overige middelen WerkSaam Westfriesland vast te stellen.

De tekst luidt als volgt:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregel betekent:

  • 1.

    Cliënt: de persoon die een uitkering van WerkSaam ontvangt.

  • 2.

    Co-ouderschap: een regeling waarbij beide ouders, die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, de verzorging en opvoeding van hun kind(eren) op zodanige wijze verdelen dat beide ouders in gelijk mate betrokken zijn bij het dagelijks leven van het kind.

  • 3.

    Gift: ontvangst in geld of natura die ertoe strekt dat de client ten koste van het vermogen van de schenker wordt verrijkt en die door de schenker onverplicht wordt verricht.

  • 4.

    Inkomen: inkomsten die in mindering moeten worden gebracht op de bijstandsuitkering zoals bedoeld in artikel 32 en artikel 33, lid 1, van de Participatiewet.

  • 5.

    Kansspel: het gelegenheid geven om mede te dingen naar prijzen of premies, waarbij de aanwijzing van de winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen.

  • 6.

    Klassieker: een motorvoertuig dat aantoonbaar hoofdzakelijk is bedoeld voor hobby- of verzameldoeleinden en dat ten minste 30 jaar geleden voor het eerst is toegelaten tot het wegverkeer;

  • 7.

    Kostenbesparing: bijdragen die leiden tot een kostenbesparing zoals bedoeld in artikel 18, lid 8* van de Participatiewet, waarbij de cliënt voordeel geniet doordat hij lagere noodzakelijke bestaanskosten heeft dan waarin de bijstandsnorm veronderstelt te voorzien.

  • 8.

    Loterij: een kansspel waarbij de deelnemers loten kopen met als doel een prijs te winnen in geld of natura. Aan elk lot is een cijfer en/of lettercombinatie verbonden.

  • 9.

    Middelen: de middelen zoals bedoeld in artikel 31 van de Participatiewet.

  • 10.

    Normwijziging: de aanpassing van de bijstandsnorm na een wijziging in de woon- of leefsituatie van de cliënt.

  • 11.

    Probleemschulden: schulden die naar het oordeel van WerkSaam in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden;

  • 12.

    Schadevergoeding: een financiële of andere compensatie die iemand ontvangt om het nadeel te herstellen dat hij heeft geleden door toedoen of nalatigheid van een ander.

  • 13.

    Vermogen: de waarde van de bezittingen waarover cliënt beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden, zoals bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.

Artikel 2. Vrijlaten van giften

  • 1.

    Bij de beoordeling of giften uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, lid 2, onderdeel s, van de wet, beschouwt WerkSaam de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:

    • a.

      giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand of een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verstrekt had kunnen worden;

    • b.

      giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;

    • c.

      giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand;

    • d.

      giften die direct bijdragen aan de kans op arbeidsinschakeling of die noodzakelijk zijn voor maatschappelijke participatie;

    • e.

      giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, lid 8*, van de Wet, met een waarde tot maximaal € 100,- per jaar;

    • f.

      giften van de werkgever als deze onbelast zijn;

    • g.

      giften in natura van de voedselbank, kledingbank, speelgoedbank en kerkgenootschappen en daarmee vergelijkbare religieuze instellingen; en

    • h.

      ontvangsten van thuiswonende kinderen tot een maximum van 20% van de gehuwdennorm zoals bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van de wet.

  • 2.

    Voor zover het gezamenlijke bedrag aan giften en opbrengsten uit loterijen in een kalenderjaar het in lid 1 genoemde vrij te laten bedrag overschrijdt, wordt het meerdere aangemerkt als inkomen in de maand waarin de gift is ontvangen en de overschrijding plaatsvindt. Als dit meerdere niet volledig kan worden verrekend met de uitkering over die maand, wordt het resterende bedrag tot het vermogen gerekend.

Artikel 3. Materiële schadevergoeding

  • 1.

    WerkSaam laat een materiële schadevergoeding vrij als de cliënt de vergoeding gebruikt om de geleden of toekomstige schade te herstellen.

  • 2.

    Als de cliënt een schadevergoeding voor materiële schade niet gebruikt om de schade te herstellen, dan is de vergoeding vermogen.

  • 3.

    Een schadevergoeding voor het verlies van inkomsten uit werk is inkomen.

Artikel 4. Immateriële schadevergoeding

  • 1.

    Bij een ontvangen immateriële schadevergoeding hanteert WerkSaam het uitgangspunt dat hiervan 1/3e deel wordt vrijgelaten en 2/3e deel tot het vermogen wordt gerekend.

  • 2.

    WerkSaam maakt altijd een afweging of er, bijvoorbeeld vanwege de aard van de schadevergoeding, in het individuele geval redenen zijn om van hetgeen in lid 1 is opgenomen, af te wijken.

Artikel 5. Ontvangsten verkregen uit kansspelen

  • 1.

    Ontvangsten uit loterijen worden vrijgelaten, voor zover deze samen met de giften en kostenbesparingen, het bedrag, bedoeld in artikel 31, lid 2, onderdeel m, van de wet niet overstijgt.

  • 2.

    Ontvangsten verkregen uit overige kansspelen (niet zijnde een loterij) worden volledig in aanmerking genomen als inkomen. Hierbij wordt geen rekening gehouden met eventuele verwervingskosten zoals kosten voor deelname en (opnieuw) ingezette bedragen.

Artikel 6. Vrijlating motorvoertuigen

  • 1.

    Motorvoertuigen behoren tot het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet.

  • 2.

    Motorvoertuigen met een gezamenlijke waarde tot € 5.000,- worden niet tot het vermogen gerekend.

  • 3.

    Als de waarde meer bedraagt dan € 5.000,- dan wordt het meerdere aangemerkt als vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet.

  • 4.

    Als een motorvoertuig meer dan 10 jaar oud is wordt deze geacht volledig afgeschreven te zijn en telt deze voor de waardebepaling niet mee, tenzij redelijkerwijs kan worden vastgesteld dat het voertuig, gelet op het merk en type, een uitzonderlijk hoge economische waarde vertegenwoordigt.

  • 5.

    In afwijking van het gestelde in de voorgaande leden van dit artikel kan bij de vermogensvaststelling in incidentele gevallen de (meer)waarde van motorvoertuigen buiten beschouwing worden gelaten als het motorvoertuig/de motorvoertuigen onmisbaar is/zijn in verband met werk en/of invaliditeit en verkoop van het motorvoertuig in redelijkheid niet kan worden gevergd.

  • 6.

    Voor de waardevaststelling van auto’s en de motoren dient gebruik gemaakt te worden van de ANWB Koerslijst.

  • 7.

    Als sprake is van een motorvoertuig die in het maatschappelijk verkeer wordt gezien als klassieker, dan wordt in afwijking van lid 4 van dit artikel de waarde van het motorvoertuig vastgesteld op basis van een door een erkend taxateur opgesteld taxatierapport.

Artikel 7. Vrijlating caravan of boot

Een caravan of boot die de cliënt gebruikt als hoofdverblijf laat WerkSaam vrij tot maximaal het bedrag aan vrijlating voor een eigen woning als bedoeld in artikel 34 lid 2 onderdeel d van de wet.

Artikel 8. Vrijlating sieraden en andere waardevolle zaken

Sieraden en andere waardevolle voorwerpen zoals schilderijen en antiek zijn ook bezittingen.

De waarde hiervan telt mee bij het bepalen van het vermogen. WerkSaam kan dit vrijlaten als verkoop hiervan redelijkerwijs niet van de cliënt verwacht kan worden.

Artikel 9. Vermogen bij co-ouderschap

Bij co-ouderschap geldt de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder.

Artikel 10. Vermogen na normwijziging

WerkSaam laat het deel van het vermogen dat als gevolg van een normwijziging boven de nieuwe vermogensgrens uitkomt buiten beschouwing in de volgende situaties:

  • a.

    bij een wijziging van de norm voor gehuwden naar de norm voor een alleenstaande als gevolg van het overlijden van de partner;

  • b.

    bij een wijziging van de norm voor een alleenstaande ouder naar de norm voor een alleenstaande doordat een kind uit huis gaat.

Artikel 11. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze beleidsregel treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    De beleidsregel Giften, ontvangsten en schadevergoedingen en de beleidsregel Vermogen worden ingetrokken per de datum van de bekendmaking van deze beleidsregels.

  • 3.

    Deze beleidsregel wordt aangehaald als: beleidsregel WerkSaam Westfriesland.

Vastgesteld in de vergadering van het dagelijks bestuur van 12 maart 2026.

De voorzitter, Y.W. Nijsingh

De directeur, A. Witte

Algemene toelichting

Met deze beleidsregel geeft WerkSaam Westfriesland uitvoering aan de Participatiewet in balans, die per 1 januari 2026 in werking is getreden. De beleidsregel verduidelijkt hoe WerkSaam omgaat met het middelenbegrip bij de beoordeling van het recht op bijstand. Daarbij wordt vastgelegd in welke gevallen giften, kostenbesparende bijdragen, schadevergoedingen, inkomsten uit kansspelen en verschillende vormen van vermogen geheel of gedeeltelijk worden vrijgelaten.

Doel van deze beleidsregel is om cliënten duidelijkheid en rechtszekerheid te bieden en om een zorgvuldige, eenduidige en evenwichtige toepassing van de wet te waarborgen. Tegelijkertijd blijft er ruimte voor maatwerk door middel van een individuele belangenafweging, waar de wet en deze beleidsregel dat toelaten. Bij deze belangenafweging kunnen de volgende overwegingen worden gemaakt:

  • Het belang van WerkSaam dat verplichtingen en afspraken worden nagekomen;

  • De extra tijd/kosten die WerkSaam heeft in geval van het niet nakomen van de verplichtingen;

  • Het algemene belang dat oneigenlijk gebruik van bijstandsuitkeringen wordt voorkomen en er een goede besteding van gemeenschapsgeld plaatsvindt;

  • Wat is het eigen aandeel van WerkSaam geweest in het ontstaan van de situatie;

  • Wat is het eigen aandeel van cliënt/debiteur in de ontstane situatie;

  • Het belang van cliënt/debiteur waarbij hij/zij niet in een situatie van problematische schulden belandt en een toekomstperspectief heeft;

  • Het belang van cliënt/debiteur om een inkomen te hebben waarmee in het levensonderhoud kan worden voorzien en de mogelijkheden tot terugbetaling van de vordering, waarbij sprake is van bescherming door de beslagvrije voet;

  • De persoonlijke omstandigheden van cliënt.

Artikel 1. Begripsbepalingen

Dit artikel geeft aan wat onder de verschillende begrippen moet worden verstaan.

Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

Lid 1. Dit lid geeft invulling aan de beoordelingsruimte die artikel 31, lid 2, onderdeel s, van de wet biedt om giften in individuele gevallen buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de bijstand. Uitgangspunt is dat giften worden vrijgelaten wanneer deze, gelet op doel en besteding, niet leiden tot een onwenselijke doorkruising van de bijstandsverlening en bijdragen aan het maatschappelijk functioneren van de cliënt. WerkSaam beschouwt de in dit artikel genoemde categorieën giften in ieder geval als verantwoord. Deze giften worden dus vrijgelaten. Bij een overschrijding van de giftengrens is het van belang dat niet alleen de giften boven deze grens, maar alle ontvangen giften in hun geheel worden beoordeeld.

Sub a. Giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand of een Wmo-voorziening verstrekt had kunnen worden, worden vrijgelaten. Het gaat hierbij om kosten die noodzakelijk zijn en die, zonder de gift, voor vergoeding door de gemeente in aanmerking zouden komen. Door deze giften vrij te laten wordt voorkomen dat informele ondersteuning wordt ontmoedigd en wordt tegelijkertijd een beroep op gemeentelijke voorzieningen beperkt.

Sub b. Giften die worden aangewend voor medisch noodzakelijke kosten worden als verantwoord beschouwd. Hierbij kan worden gedacht aan kosten die niet of slechts gedeeltelijk worden vergoed door de zorgverzekering, maar die wel noodzakelijk zijn voor de gezondheid van de belanghebbende. Het vrijlaten van deze giften draagt bij aan het waarborgen van adequate medische zorg.

Sub c. Giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan vóór de ingangsdatum van de algemene bijstand worden vrijgelaten. Hiermee wordt beoogd het oplossen of verminderen van schulden te stimuleren en financiële stabiliteit te bevorderen. Het betreft uitsluitend schulden die zijn ontstaan vóór de bijstandsverlening, zodat geen sprake is van het aflossen van schulden die tijdens de bijstandsperiode zijn ontstaan.

In beginsel geldt dit dus niet voor schulden die tijdens de uitkering zijn ontstaan, tenzij sprake is van individuele bijzondere omstandigheden, waarbij ook het vrijlaten van die schulden verantwoord wordt geacht.

Sub d. Giften die direct bijdragen aan de kans op arbeidsinschakeling of die noodzakelijk zijn voor maatschappelijke participatie worden als verantwoord aangemerkt. Hieronder vallen bijvoorbeeld giften voor scholing, werkkleding, reiskosten of deelname aan maatschappelijke activiteiten. Deze giften ondersteunen de zelfredzaamheid en participatie van de belanghebbende en sluiten aan bij de doelstellingen van de Participatiewet.

Sub e. Giften in natura, met een waarde tot maximaal € 100,- worden vrijgelaten, voor zover geen sprake is van een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, lid 8*, van de wet. Het gaat om goederen die incidenteel worden ontvangen, bijvoorbeeld voor een verjaardag, en die niet structureel voorzien in de kosten van het bestaan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een boek of een waardebon die cadeau wordt gedaan. Met het hanteren van een maximumbedrag wordt voorkomen dat giften in natura een zodanige omvang krijgen dat zij feitelijk het karakter van inkomen aannemen.

Sub f. Giften van de werkgever worden vrijgelaten indien deze onbelast zijn. Hierbij wordt aangesloten bij de fiscale regelgeving. Onbelaste verstrekkingen hebben veelal een incidenteel of functioneel karakter en worden niet gezien als loon of structureel inkomen.

Sub g. Giften in natura van organisaties zoals de voedselbank, kledingbank, speelgoedbank en kerken en vergelijkbare religieuze instellingen, zoals moskeeën, synagogen en tempels, worden vrijgelaten. Deze giften zijn gericht op het lenigen van tijdelijke noden en voorzien in basisbehoeften. Het vrijlaten hiervan voorkomt dat laagdrempelige vormen van maatschappelijke en charitatieve ondersteuning worden belemmerd.

Sub h. WerkSaam beschouwt ontvangsten van thuiswonende kinderen tot een bedrag van maximaal 20% van de gehuwdennorm als verantwoord. Deze ontvangsten worden gezien als een redelijke bijdrage in de kosten van het huishouden, zoals kosten voor voeding, energie en andere gezamenlijke uitgaven. Het gaat hierbij om bijdragen die passen binnen normale gezinsverhoudingen en die niet bedoeld zijn om in het levensonderhoud van de bijstandsgerechtigde te voorzien.

Lid 2. Deze bepaling regelt de behandeling van giften en opbrengsten uit loterijen die in een kalenderjaar het vrij te laten bedrag overschrijden. Het meerdere boven deze grens wordt aangemerkt als inkomen in de maand waarin de overschrijding plaatsvindt. Voor zover dit bedrag niet volledig kan worden verrekend met de uitkering over die maand, wordt het resterende deel als vermogen aangemerkt. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek van de Participatiewet en wordt een eenduidige uitvoering gewaarborgd.

Als een cliënt een artikel ontvangt dat als algemeen gebruikelijk kan worden geduid, moet deze in beginsel ook tot de middelen wordt gerekend. Denk aan een televisie, een fiets of een wasmachine. Dit ondanks het gegeven dat deze bezittingen bij de (eerste) vermogensvaststelling worden vrijgelaten. Om deze reden kan ook het verkrijgen van een auto als gift, niet worden gevrijwaard van het middelenbegrip. Dit ondanks het feit dat WerkSaam in artikel 6 van deze beleidsregel heeft bepaald dat een auto met een waarde tot € 5.000,- als algemeen gebruikelijk wordt gezien en daarom wordt vrijgelaten voor het vaststellen van het vermogen. Er bestaat dus een verschil tussen het vaststellen van het vermogen bij de toekenning van een uitkering (waarbij algemeen gebruikelijke goederen grotendeels buiten beschouwing worden gelaten), en het ontvangen van een gift in de vorm van zo’n algemeen gebruiksgoed (waarbij we alleen de vrijlatingsgrens voor de giften kunnen toepassen).

Artikel 3. Materiële schadevergoeding

De cliënt moet kunnen aantonen waarvoor de schadevergoeding is bedoeld. Daarnaast moet de cliënt bewijsstukken overleggen waaruit blijkt dat de vergoeding is gebruikt voor het herstellen van de schade. In dat geval heeft de schadevergoeding geen gevolgen voor het recht op een uitkering.

Het kan ook zijn dat de schadevergoeding is bedoeld voor kosten die de cliënt in de toekomst moet maken. Denk hierbij aan (levenslange) fysiotherapie, noodzakelijke hulpmiddelen of extra uitgaven voor bijvoorbeeld thuiszorg op jongere leeftijd dan gebruikelijk. Ook in deze situaties laat WerkSaam de schadevergoeding buiten beschouwing. De cliënt moet wel aannemelijk maken welke kosten nog gemaakt zullen worden. Dit kan bijvoorbeeld met een schadestaat (een overzicht van de kostenposten) waarop de vergoeding is gebaseerd, of met een rechterlijke uitspraak over de schadevergoeding.

Een uitzondering hierop is de materiële schadevergoeding die bedoeld is ter vervanging van inkomen. De cliënt ontvangt deze vergoeding wanneer hij of zij niet meer, of niet volledig, kan werken. Dit kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het verlies van een baan, waardoor het inkomen deels of volledig wegvalt. Een schadevergoeding die hiervoor is bedoeld, wordt aangemerkt als inkomen. Daarbij wordt bekeken over welke periode de schadevergoeding betrekking heeft. Dit kan ook een periode in het verleden zijn, aangezien de afhandeling van schade vaak lange tijd in beslag neemt.

In de meeste gevallen wordt de schadevergoeding in één bedrag uitgekeerd, waardoor het lastig kan zijn om een maandbedrag vast te stellen. De cliënt moet daarom aantonen hoeveel het inkomen is gedaald. Dit kan met behulp van salarisstroken, jaaropgaven of een verklaring van bijvoorbeeld het UWV of de werkgever. Ook een schadeoverzicht van een schadespecialist kan hierbij duidelijkheid bieden.

Artikel 4. Immateriële schadevergoeding

WerkSaam laat bij een immateriële schadevergoeding 1/3 deel buiten beschouwing. Het resterende 2/3 deel wordt aangemerkt als vermogen. Deze werkwijze sluit aan bij de geldende jurisprudentie, waaronder de uitspraken met kenmerk ECLI:NL:CRVB:2005:AU3208 en kenmerk ECLI:NL:CRvB:2020:3395. Daarin zegt de Centrale Raad dat met het vrijlaten van 1/3 deel van een schadevergoeding de gemeente niet buiten de grenzen van een redelijke wetsinterpretatie treedt.

Inmiddels is er ook (recentere) jurisprudentie waarin de centrale raad stelt dat dit beleid weliswaar als uitgangspunt genomen mag worden. Maar dat de gemeente altijd in het individuele geval moet beoordelen of er redenen zijn om van deze regel af te wijken. Vandaar dat er ook altijd een individuele beoordeling moet plaatsvinden of dit een passende werkwijze is, naast de standaard belangenafweging.

Artikel 5. Ontvangsten verkregen uit kansspelen

Het eerste lid regelt de behandeling van ontvangsten uit loterijen. Deze ontvangsten worden vrijgelaten, zolang het totaal van de ontvangen loterijprijzen, giften en kostenbesparingen binnen de vrijlatingsgrens blijft zoals genoemd in artikel 31, lid 2, onderdeel m, van de wet. Zodra dit totaalbedrag wordt overschreden, wordt het meerdere aangemerkt als inkomen. Met deze bepaling wordt aangesloten bij de wettelijke vrijlatingsregeling en wordt voorkomen dat incidentele, beperkte inkomsten uit loterijen gevolgen hebben voor het recht op bijstand.

In lid 2 is bepaald dat ontvangsten uit overige kansspelen, anders dan loterijen, volledig worden aangemerkt als inkomen en, voor zover van toepassing, als vermogen. Hieronder vallen onder meer casinospelen, online kansspelen, gokspelen en weddenschappen. Voorts wordt bij de vaststelling van het inkomen geen rekening gehouden met verwervingskosten, zoals de kosten voor deelname aan het kansspel of bedragen die (opnieuw) zijn ingezet. Deze kosten worden gezien als vrijwillige uitgaven en worden niet in mindering gebracht op de ontvangen bedragen.

Met deze bepaling wordt aangesloten bij het uitgangspunt van de Participatiewet dat middelen waarover de cliënt beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het recht op bijstand.

Wij maken hierbij een duidelijk onderscheid tussen prijzen uit een loterij (zoals de Staatsloterij of de Postcode Loterij) en ontvangsten uit overige kansspelen. Wij achten het redelijk om prijzen uit een loterij niet direct van invloed te laten zijn op de hoogte van de uitkering. Daarbij nemen wij in aanmerking dat loterijen veelal zijn opgezet ter ondersteuning van maatschappelijke en goede doelen en dat deelname doorgaans niet primair is gericht op het behalen van financieel voordeel of winstbejag, dit in tegenstelling door middel van gokken.

Artikel 6. Vrijlating motorvoertuigen

Lid 1 bepaalt dat motorvoertuigen in beginsel worden aangemerkt als vermogen in de zin van artikel 34 van de Participatiewet. Dit sluit aan bij het wettelijke uitgangspunt dat bezittingen waarover de cliënt beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, meetellen bij de vaststelling van het vermogen.

In lid 2 is vastgelegd dat motorvoertuigen met een gezamenlijke waarde tot € 5.000,- buiten beschouwing worden gelaten bij de vermogensvaststelling. Deze vrijlating voorkomt dat cliënten met een voertuig van beperkte waarde worden geconfronteerd met gevolgen voor het recht op bijstand, aangezien een motorvoertuig in veel gevallen noodzakelijk is voor het dagelijks functioneren en daarom als algemeen gebruikelijk wordt gezien.

Lid 3 regelt dat, indien de gezamenlijke waarde van motorvoertuigen hoger is dan € 5.000,-, uitsluitend het meerdere boven deze grens als vermogen wordt aangemerkt. Hiermee wordt aangesloten bij het uitgangspunt van een gedeeltelijke vrijlating tot het vastgestelde bedrag.

Motorvoertuigen die ouder zijn dan 10 jaar worden geacht volledig te zijn afgeschreven en tellen niet mee bij de waardebepaling. Lid 4 beoogt een praktische en uitvoerbare benadering, omdat oudere voertuigen doorgaans een beperkte economische waarde hebben. Hierbij wordt een uitzondering gemaakt voor voertuigen, die gelet op het merk en type, een uitzonderlijk hoge economische waarde vertegenwoordigen. In deze gevallen geldt de in lid 2 genoemde vrijlating.

Lid 5 biedt ruimte voor maatwerk. In incidentele gevallen kan WerkSaam besluiten om de (meer)waarde van een motorvoertuig geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing te laten wanneer het voertuig onmisbaar is in verband met werk of invaliditeit en wanneer verkoop redelijkerwijs niet van de cliënt kan worden verlangd. Hierbij vindt altijd een individuele beoordeling plaats.

Lid 6 regelt dat voor een objectieve en uniforme vaststelling van de waarde van auto’s en motoren wordt gebruikgemaakt van de ANWB Koerslijst. Dit bevordert rechtsgelijkheid en voorkomt discussie over de waarde van motorvoertuigen. Wanneer een type auto niet op de Koerslijst staat (dit is vaak bij bedrijfsauto’s het geval) gebruik kan worden gemaakt van Autotrader of vergelijkbare sites.

In lid 7 bepaalt dat motorvoertuigen die in het maatschappelijk verkeer worden aangemerkt als klassieker niet automatisch als afgeschreven worden beschouwd. In deze gevallen wordt de waarde vastgesteld op basis van een taxatierapport van een erkend taxateur, omdat klassieke voertuigen een (aanzienlijke) waarde kunnen vertegenwoordigen ondanks hun leeftijd.

Artikel 7. Vrijlating caravan of boot

Een caravan of boot zijn bezittingen die meetellen bij het bepalen van het vermogen. Er is een uitzondering. Dat is als de cliënt de caravan of boot gebruikt als hoofdverblijf. Dat is vaak het geval bij een woonwagen en woonboot of –schip. In dat geval geldt de vrijlatingvoor een eigen woning. Deze staat in artikel 34, lid 2, onderdeel e van de wet.

Voor de vaststelling van de waarde van een caravan of boot gaan we uit van de waarde in het economisch verkeer. Dit is de prijs die bij vrije verkoop redelijkerwijs kan worden verkregen. Via marktvergelijking kunnen wij de waarde bepalen. Hiervan kijken we naar vergelijkbare caravans of boten op Marktplaats.nl, Botentekoop.nl of andere caravan- en botenhandelsites. Daarbij wordt de laagste reële verkoopwaarde als uitgangspunt genomen.

Artikel 8. Vrijlating sieraden en andere waardevolle zaken

Sieraden en andere waardevolle voorwerpen zoals schilderijen en antiek zijn ook bezittingen.

De waarde hiervan telt mee bij het bepalen van het vermogen. Alleen als er sprake is van grote emotionele waarde voor de cliënt laat WerkSaam de waarde van het bezit volledig of gedeeltelijk vrij.

Artikel 9. Vermogen bij co-ouderschap

De wet kent geen aparte vermogensgrens voor co-ouderschap. Daarom geldt bij co-ouderschap de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder. Deze staat in artikel 34, lid 3, onderdeel b van de wet.

Artikel 10. Vermogen na normwijziging

Na een normwijziging kan een nieuwe, lagere vermogensgrens van toepassing zijn. In sommige situaties achten wij het onredelijk dat een cliënt hierdoor het recht op uitkering verliest. Dit kan zich voordoen bij gehuwden of samenwonenden wanneer één van de partners overlijdt, of bij een alleenstaande ouder wanneer een ten laste komend kind het huishouden verlaat. In deze gevallen kan het aanwezige vermogen hoger zijn dan de dan geldende vermogensgrens voor een alleenstaande. Omdat WerkSaam in deze situaties het deel van het vermogen dat boven de nieuwe vermogensgrens uitkomt buiten beschouwing laat, heeft dit geen gevolgen voor het recht op uitkering.

Artikel 11. Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.