Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Neder-Betuwe 2026

Geldend van 10-03-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Neder-Betuwe 2026

De raad van de gemeente Neder-Betuwe

gelezen het voorstel van het presidium;

gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en 97, 98, 99 van de Gemeentewet en de artikelen 3.1.1, vijfde lid, 3.1.3, eerste lid, 3.1.4, eerste lid, artikel 3.1.4a, eerste lid, 3.1.8, eerste lid, 3.1.9, eerste lid, 3.3.2, 3.3.3, tweede lid, 3.4.1, eerste lid, en 3.4.2 en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;

B E S L U I T:

vast te stellen de volgende verordening:

Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Neder-Betuwe 2026

Artikel 1. Definitiebepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    commissielid: burgerraadslid zoals bedoeld in het Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente Neder-Betuwe 2023;

  • b.

    griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de Gemeentewet.

  • c.

    raadslid: lid van de gemeenteraad.

Artikel 2. Toelage raadslid onderzoekscommissie en bijzondere commissie

  • 1. Een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet ontvangt een maandelijkse toelage zolang de commissie actief is, gelijk aan de toelage voor een raadslid dat lid is van een vertrouwenscommissie (artikel 3.1.2 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers).

  • 2. Een raadslid dat lid is van een bijzondere commissie als bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers ontvangt een maandelijkse toelage van maximaal 50 procent van het bedrag genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, zolang de commissie actief is.

  • 3. Een raadslid dat voorzitter is van een commissie als bedoeld in artikel 3.1.4a, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, ontvangt een maandelijkse toelage van 100 procent van het bedrag genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, zolang de commissie actief is.

Artikel 3. Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raadsleden

  • 1. Een raadslid dat een vergoeding wil ontvangen in verband met het deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor de uitvoering van zijn functie, zoals bedoeld in artikel 3.3.3 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient daarvoor vooraf een gemotiveerd verzoek in bij de griffier.

  • 2. Bij dit verzoek worden documenten (papier of digitaal) met de benodigde inhoudelijke informatie meegestuurd. Ook wordt een kostenspecificatie meegestuurd waaruit blijkt dat de prijs-kwaliteitsverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is, en dat de kosten ervan niet al op een andere basis kunnen worden betaald.

  • 3. In voorkomende gevallen, waaronder een dreigende overschrijding van het voor opleidingen toegekende budget, beslist het presidium.

Artikel 4. Informatie- en communicatievoorzieningen

  • 1. Een raads- of commissielid tekent, zolang hij actief is in zijn functie, een bruikleenovereenkomst voor de informatie- en communicatievoorzieningen die ter beschikking zijn gesteld. Het gaat hier om de informatie- en communicatievoorzieningen zoals bedoeld in artikel 3.3.2 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. De griffier stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.

  • 2. Een raads- of commissielid levert binnen één week na beëindiging van zijn functie, de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente.

  • 3. Overname van informatie- en communicatievoorzieningen ouder dan één jaar is mogelijk na schoning, mits het betreffende raads- of commissielid hiertoe binnen één week na beëindiging van zijn functie een verzoek aan de griffier doet. Overname geschiedt tegen vergoeding van de resterende waarde van de voorzieningen in het economisch verkeer.

Artikel 5. Reiskostenvergoeding raadsleden en commissieleden voor bijwonen fysieke vergaderingen

De vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van fysieke vergaderingen van de gemeenteraad en commissies als bedoeld in artikel 3.1 lid 1 van de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers en artikel 3.1.7 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers wordt jaarlijks in de maand december achteraf uitgekeerd op basis van presentielijsten van vergaderingen van de gemeenteraad en commissies.

Artikel 6. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

  • 1. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

  • 2. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.

Artikel 7. Betaling vaste vergoedingen

De betaling van de vergoeding van commissieleden, bedoeld in artikel 3.4.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers vindt jaarlijks plaats met inachtneming van een vergoeding per bijgewoonde vergadering, tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen.

Artikel 8. Betaling en declaratie van onkosten

  • 1. Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, en tenzij de kosten reeds op andere wijze worden vergoed, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door:

    • a.

      betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de griffie toegezonden factuur of offerte op naam van de gemeente, of

    • b.

      betaling vooruit uit eigen middelen.

  • 2. Een verzoek om een vergoeding van de onkosten zoals bedoeld in dit artikel gaan vergezeld van een declaratieformulier op de wijze zoals in de gemeente gebruikelijk is, en bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.

  • 3. Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen twee maanden na factuurdatum of betaling door raads- of commissieleden ingediend bij de griffier in de daarvoor geldende webapplicatie. Wanneer de indiening in het nieuwe jaar valt, worden de stukken uiterlijk op 10 januari aangeleverd.

  • 4. Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan een raads- of commissielid binnen twee maanden na het indienen van de declaratie wordt overgemaakt.

Artikel 9. Titel en inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Neder-Betuwe 2026 en treedt in werking per 10 maart 2026.

  • 2. De Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Neder-Betuwe 2019 wordt ingetrokken.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de raadvergadering van 26 februari 2026

de griffier,

Erwin van der Neut

de voorzitter,

Jan Kottelenberg

Toelichting

Algemeen

Wettelijke regelingen

In de wet en nadere regelgeving zijn alle belangrijke onderwerpen over de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers opgeschreven. In de Gemeentewet staat dat de precieze afspraken over de rechten en plichten en de financiële afspraken van raadsleden en commissieleden moet worden opgeschreven bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Die precieze uitwerking staat in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de regels over (onkosten)vergoedingen verder opgeschreven.

In deze verordening staan alleen regels over de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke commissies in het geval zij niet al hiertoe worden verplicht door hogere wet- en regelgeving. Dit volgt uit de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Het ministerie van BZK publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening.

Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang. In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat ‘buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente ontvangen. Deze verordening vormt een (verdere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen.

De arbeidsverhoudingen en fiscale positie

Raadsleden en commissieleden zijn niet in dienst van de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raadsleden en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raadsleden en commissieleden kiezen voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst.

Als de raadsleden en commissieleden en de gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan moeten de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten worden gezien en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten opgeven in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raadsleden en commissieleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst door te geven middels een formulier IB-47. Omdat raadsleden en commissieleden persoonlijk worden gekozen, worden zij niet gezien als (fiscaal) ondernemer. Daarom hoeft er geen VAR-verklaring of Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente.

De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) geldt niet voor raadsleden en commissieleden.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2. Toelage raadslid onderzoekscommissie en bijzondere commissie

Dit artikel gaat over de toelagen (extra vergoedingen) voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Dit geldt voor de vertrouwenscommissie en de onderzoekscommissie, zoals deze in de Gemeentewet zijn genoemd. Zo'n bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening worden vastgesteld. Daarbij moet worden aangegeven dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk extra werk (meerwerk) is naast het gewone lidmaatschap van de gemeenteraad. De hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde zware commissies is anders voor de vertrouwenscommissie dan voor de onderzoekscommissie.

Voor de toelage van een lid van de vertrouwenscommissie geldt een vast bedrag per maand. Dit bedrag is belast en staat in artikel 3.1.2. van het Rechtspositiebesluit. Voor de toelage van een lid van een bijzondere commissie geldt het bedrag genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, per maand voor de periode dat de commissie actief is. Het bedrag wordt berekend in verhouding tot die periode. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage. Het gaat dus niet om hoe lang iemand lid is, maar om hoe lang de commissie echt aan het werk is.

Het derde lid gaat over de toelage van de vaste voorzitter. Dit volgt uit het nieuwe artikel 3.1.4a van het Rechtspositiebesluit. Hoe groot de gemeente is, maakt daarbij niet uit. De raad beoordeelt hoeveel werk en tijd het voorzitterschap kost. Op basis daarvan is bepaald hoog deze moet zijn.

Artikel 3. Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raadsleden

Voor raadsleden is duidelijk bepaald dat de kosten voor scholing die niet-partijpolitiek is, zoals deelname aan congressen en opleidingen, door de gemeente kunnen worden betaald.

Scholing die wel partijpolitiek is, wordt niet door de gemeente vergoed. Of scholing partijpolitiek is, hangt af van de inhoud van die scholing. Dat betekent dat wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij dit dus niet automatisch partijpolitieke scholing is.

Om scholingskosten vergoed te krijgen, moet duidelijk worden uitgelegd dat het gaat om scholing die nodig is voor het raadswerk. Scholing is nodig voor het werk als het bedoeld is om vakkennis en vaardigheden te leren of bij te houden die je voor je functie nodig hebt. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als het helemaal of voor een deel het doel heeft om diegene op te leiden in de ideeën en standpunten van die partij.

De gemeente kan ook dit soort scholing zelf geven of regelen. De kosten daarvan worden ook door de gemeente betaald. Het college en de raad zijn niet bevoegd om uitzonderingen of beperkingen op te leggen aan individuele verzoeken op de centraal gestelde kaders. Als de aanvraag binnen de kaders valt, wordt het uitgevoerd.

Op grond van artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, tweede lid kan de gemeenteraad regels maken over de scholing van raadsleden. Deze regels kunnen bijvoorbeeld in een scholingsplan staan. In dit plan kunnen procedureregels voor individuele aanvragen om scholing worden opgenomen en ook regels over de hoogte van de tegemoetkoming. Dit plan kan vervolgens als handvat of hulpmiddel worden gebruikt bij de beoordeling van deze individuele scholingsaanvragen. Ook het beschikbare budget dient als kader.

Het Rechtspositiebesluit is op twee onderdelen aangevuld. Ten eerste moeten de prijs en kwaliteit van de scholing in verhouding tot elkaar staan. Zo blijven de kosten redelijk. Daarnaast mogen de kosten niet al op een andere manier worden vergoed. Verder is in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, derde lid een koppeling gemaakt met artikel 3.1.7 en 3.2.9. De gemeente betaalt, als daar een goede reden voor is, de reis- en verblijfskosten die nodig zijn voor de scholing.

Als een verzoek tot scholing binnenkomt wordt eerst onderzocht of de behoefte breder is, zodat bijvoorbeeld een raadsbrede training verzorgd kan worden.

Artikel 4. Informatie- en communicatievoorzieningen

Raadsleden en commissieleden krijgen voor de duur van de uitoefening van hun functie namens het college de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking gesteld. Er mag slechts één computer verstrekt worden. Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer. Een smartphone is niet te kwalificeren als computer. De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke ambtsdrager, omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. De gemeente draagt zorg voor het schonen van dit ICT-middel en het al dan niet beschikbaar stellen voor hergebruik door andere gebruikers.

Raadsleden en commissieleden kunnen na beëindiging van hun werkzaamheden hun computer overnemen. Uitgangspunt daarbij is dat de griffier toetst op de leeftijd van het apparaat, waarbij apparaten die langer dan één jaar in gebruik zijn geweest kunnen worden overgenomen. Voordat deze worden overgenomen, dient deze in of namens de gemeente geschoond te worden met speciale software, waarbij deze handeling schriftelijk wordt vastgelegd. De gebruiker dient op verzoek uit te loggen of codes beschikbaar te stellen, zodat het apparaat kan worden teruggebracht naar de fabrieksinstellingen. Verder dient de politieke ambtsdrager voor het overnemen een vergoeding te betalen die gelijk is aan de resterende waarde van het ICT-middel in het economisch verkeer (uitgangspunt is een afschrijving in 36 maanden naar 10% van de nieuwwaarde excl. BTW; na 36 maanden blijft dit 10%). De kosten voor het schonen zijn voor rekening van de gemeente, waarbij eventuele meerkosten vanwege het niet-voldoen aan het verzoek om uit te loggen of codes beschikbaar te stellen in rekening worden gebracht bij de gebruiker.

Artikel 5. Reiskostenvergoeding raadsleden en commissieleden voor bijwonen fysieke vergaderingen

De gemeenteraad heeft ervoor gekozen de vergoeding als bedoeld in dit artikel jaarlijks achteraf uit te keren op basis van presentielijsten van fysieke vergaderingen van de gemeenteraad en commissies. Dit is een administratief eenvoudige manier voor de raadsleden en commissieleden, aangezien zij zelf niet hoeven te declareren. Dit heeft mede tot gevolg dat alleen de betreffende vergaderingen voor vergoeding in aanmerking komen.

Artikel 6. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt.

Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot 1,2% fiscale loonsom - onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen.

Artikel 7. Betaling vaste vergoedingen & artikel 8. Betaling en declaratie van onkosten

Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen wanneer de vergoedingen en onkosten betaald worden aan raadsleden en commissieleden. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kunnen deze artikelen uitkomst bieden. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Raadsleden en commissieleden declareren in beginsel hun onkosten bij de griffier. Declareren dient binnen twee maanden te gebeuren, maar nooit later dan 10 januari in het navolgende kalenderjaar.

Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.