Verordening Jeugdhulp gemeente Apeldoorn 2026

Geldend van 10-03-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening Jeugdhulp gemeente Apeldoorn 2026

We staan voor de opgave om in Apeldoorn een omgeving te creëren waarin kinderen veilig, gezond en kansrijk opgroeien, zonder dat professionele (geïndiceerde) hulp vanzelfsprekend of eerste keuze is. Ouders zijn als eerste verantwoordelijk voor het opgroeien en opvoeden van hun kinderen samen met hun sociale netwerk, vanuit hun eigen kracht. Gezinnen kunnen waar nodig ondersteuning krijgen vanuit de sociale basis. Waar uiteindelijk hulp wél nodig is, moet zij effectief, doelmatig en zo kort mogelijk zijn. Dit vraagt om een fundamentele verschuiving: van een zorgsysteem dat problemen aanpakt naar een samenleving die problemen eerder voorkomt. We bouwen aan een toekomstbestendig jeugdstelsel dat inhoudelijk beter werkt voor jeugdigen en hun gezinnen en dat ook moet leiden tot het terugbrengen van de uitgaven. Deze uitgangspunten zijn het vertrekpunt voor deze verordening.

De raad van de gemeente Apeldoorn;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. x en nummer x;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1 derde lid van de Jeugdwet;

gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Apeldoorn d.d. 27 november 2025

Overwegende dat

  • -

    De Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft neergelegd;

  • -

    Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;

  • -

    Het noodzakelijk is om regels vast te stellen:

    • o

      over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen in het kader van de Jeugdwet,

    • o

      over de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van de hulpvraag en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

    • o

      over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;

    • o

      over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt bepaald;

    • o

      voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en de eventueel hieruit voortvloeiende terugvordering;

    • o

      ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan.

    • o

      onder welke voorwaarden degene aan wie een pgb wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk;

besluit vast te stellen: de Verordening Jeugdhulp gemeente Apeldoorn 2026

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

  • 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      aanvraag: een schriftelijk en ondertekend verzoek van de jeugdige en/of ouder(s) om een besluit te nemen;

    • b.

      andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

    • c.

      budgetbeheerder: een natuurlijk persoon, woonachtig in Nederland, die de belangen van de jeugdige en/of ouder(s) behartigt en de aan de pgb verbonden taken uitvoert;

    • d.

      budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de wet;

    • e.

      burgervoogdij: een door de kinderrechter aangewezen natuurlijk persoon die het gezag over een jeugdige uitoefent;

    • f.

      cliëntondersteuner: onafhankelijk persoon die de jeugdige/en of ouder(s) ondersteunt met informatie, advies en algemene ondersteuning, die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

    • g.

      college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn;

    • h.

      fraude: het opzettelijk en structureel onjuist handelen, en daarmee handelen in strijd met de geldende regelgeving, met het oog op eigen of andermans financieel gewin;

    • i.

      GI: gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming en/of jeugdreclassering;

    • j.

      hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

    • k.

      individuele voorziening: een jeugdhulpvoorziening voor de jeugdige en/of ouder(s) die door het college in natura (zorg in natura) of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) wordt verstrekt;

    • l.

      onderzoeksverslag: een verslag waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s) is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken. Ook staan hierin de bijdragen die het college, de jeugdige en/of ouder(s) en het sociale netwerk hieraan kunnen leveren;

    • m.

      overige voorziening: een voorziening op basis van de Jeugdwet, die voor elke jeugdige beschikbaar en toegankelijk is. Er is geen of een beperkte toegangsbeoordeling;

    • n.

      persoonsgebonden budget (pgb): persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1, van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

    • o.

      pgb-aanbieder: een derde, woonachtig of gevestigd in Nederland, die de jeugdige en/of ouder(s) heeft/hebben betrokken om ondersteuning en/of hulp in te kopen. Dit kan een formele aanbieder zijn of een informele ondersteuner;

    • p.

      pgb-plan: een plan van de budgethouder waarin hij de besteding van het pgb aangeeft inclusief de wijze waarop hiermee de gestelde doelen worden bereikt. Het pgb-plan bestaat uit een plan van aanpak en de zorgbeschrijvingen per hulpverlener. Daarbij moeten, voor de beoordeling van een pgb, ook een begroting en de (concept)zorgovereenkomst(en) aan het college worden verstrekt;

    • q.

      sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige en/of ouder(s) een sociale relatie heeft/hebben;

    • r.

      Stichting CJG: Stichting Centrum voor Jeugd en Gezin Apeldoorn;

    • s.

      VOG: Een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, welke relevant is voor de uit te voeren werkzaamheden. In deze verordening wordt bedoeld een VOG met algemeen screeningsprofiel 08 ‘personen’, functieaspect 84 ‘Belast zijn met de zorg voor minderjaren’, en specifiek screeningsprofiel 45 ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’;

    • t.

      wet: de Jeugdwet;

    • u.

      Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • v.

      zorg in natura: de hulp die aan personen wordt geleverd door aanbieders die door de gemeente zijn gecontracteerd;

    • w.

      zorgverlener: hiermee wordt zowel de aanbieder, de formele zorgverlener als de informele zorgverlener aangeduid.

  • 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet (het besluit) en de Algemene wet bestuursrecht Awb.

Artikel 2. Mandaat Stichting CJG

Het college heeft in het Mandaat- en machtigingsbesluit Stichting CJG Apeldoorn 2015 aan de Raad van Bestuur van de Stichting CJG mandaat en machtiging verleend inzake de bevoegdheden van het college tot verlening van toegang tot passende hulp en toeleiding naar het justitiële kader met inbegrip van het woonplaatsbeginsel.

HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP

Artikel 3. Beschikbare overige voorzieningen

  • 1. De volgende overige voorzieningen zijn o.a. beschikbaar:

    • a.

      informatie en advies;

    • b.

      maatjesprojecten;

    • c.

      lichte opvoed- en opgroeiondersteuning;

    • d.

      begeleiding van jeugdigen en/of het gezinssysteem (ambulant) gedurende maximaal een jaar;

    • e.

      praktijkondersteuners jeugd bij de huisartsen

    • f.

      welzijnswerk.

  • 2. Het college kan in nadere regels vaststellen welke overige voorzieningen beschikbaar zijn naast de in het eerste lid vermelde voorzieningen.

Artikel 4. Beschikbare individuele voorzieningen

  • 1. De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      Ambulante begeleiding

    • b.

      Jeugdhulp met verblijf

    • c.

      Behandeling en ernstige dyslexie

    • d.

      Behandeling en verblijf specialistische jeugd GGZ

    • e.

      Pleegzorg

    • f.

      Overig aanvullend ingekocht (Vervoer Plus, Zorgcoördinatie, opslag kindplaats)

    • g.

      Jeugdwetvervoer

    • h.

      Essentiële Functies

    • i.

      Jeugdbescherming en Jeugdreclassering

  • 2. De volgende zorg is onderdeel van de Essentiële Functies:

    • a.

      Mobiele brigade

    • b.

      Verblijf:

      • o

        Jeugdzorgplus

      • o

        Driemilieuvoorziening

      • o

        Verblijf gezinsopname

      • o

        Onvoorwaardelijk wonen

      • o

        Verblijf verslavingszorg

    • c.

      Aanvullende integrale zorg:

      • o

        Een-op-een begeleiding

      • o

        Individuele specialistische begeleiding

      • o

        Specialistische behandeling LVB/J&O

      • o

        Specialistische behandeling GGZ.

  • 3. Welke individuele voorzieningen concreet op basis van het eerste lid beschikbaar zijn en wat deze inhouden, staat in het productenboek Jeugdhulp en het Productenboek Jeugdbescherming en jeugdreclassering op de website van Zorgregio MIJ/OV.

HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN

Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1. Een jeugdige en/of ouder(s) kan/kunnen zich rechtstreeks wenden tot een vrij-toegankelijke, overige voorziening.

  • 2. Een jeugdige en/of ouders kan/kunnen telefonisch of via het contactformulier op de website een hulpvraag stellen bij het college.

  • 3. Het college bevestigt de ontvangst van een aanvraag voor jeugdhulp schriftelijk en wijst de jeugdige en/of ouder(s) voor het onderzoek, zoals genoemd in artikel 8, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning.

  • 4. De jeugdige en/of ouders sturen deze bevestiging binnen 10 werkdagen ondertekend terug.

  • 5. Deze ondertekende bevestiging wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Awb als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2, van de Awb

  • 6. De datum van ondertekening geldt als datum van aanvraag.

  • 7. Het college wijst de jeugdige en/of ouder(s) op de mogelijkheid om binnen twee weken na ontvangst van de ontvangstbevestiging, zoals genoemd in het derde lid, een familiegroepsplan in te dienen. Het college wijst de jeugdige en/of ouders op de mogelijkheid van onafhankelijke cliëntondersteuning bij het opstellen van dit plan.

  • 8. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van jeugdhulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 4 weken na de start van de jeugdhulp, vast in een beschikking.

  • 9. Het college kan nadere regels vaststellen over de procedure voor de aanvraag van jeugdhulp.

Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1. Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat de inzet van jeugdhulp nodig is en hij de passende jeugdhulp kan bieden.

  • 2. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking (zie hoofdstuk 5), niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.

  • 3. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.

Artikel 7. Toegang jeugdhulp via de GI, de rechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht

  • 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de Gecertificeerde Instelling (GI) nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie of de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.

  • 2. Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen. Het college verstrekt geen beschikking.

  • 3. Jeugdhulp die na verwijzing door de GI, rechter, openbaar ministerie en justitiële jeugdinrichting aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking (zie hoofdstuk 5), niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.

HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE

Artikel 8. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

  • 1. Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college met de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, een onderzoek uit overeenkomstig het derde tot en met zevende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.

  • 2. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt door de aanvrager schriftelijk bevestigd.

  • 3. Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder of een wettelijke vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger:

    • a.

      wat de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan;

    • b.

      de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s);

    • c.

      of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige en om welke problemen het concreet gaat;

    • d.

      het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

    • e.

      welke hulp gelet op de vastgestelde problematiek naar aard en omvang nodig is om de jeugdige in staat te stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

    • f.

      de mogelijkheid van de jeugdige en/of ouder(s) om zelf of met ondersteuning van het sociale netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

    • g.

      de mogelijkheden om de hulpvraag op te lossen door het inzetten van een overige voorziening;

    • h.

      of en welke ondersteuning nodig is en de vorm van een individuele voorziening;

    • i.

      indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen

    • j.

      hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s).

  • 4. Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.

  • 5. Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 6. Ter voorbereiding van het gesprek verstrekken de jeugdige en/of zijn ouder(s) alle gegevens en stukken die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de jeugdige en/of ouder(s) beschikken.

  • 7. Het college kan, met instemming van de jeugdige en/of ouder(s), informatie opvragen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest passende hulp.

  • 8. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht.

  • 9. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan:

    • a.

      een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;

    • b.

      een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);

    • c.

      een buitenlands paspoort; of

    • d.

      een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).

  • 10. Het college kan nadere regels vaststellen over de inhoud van het onderzoek en de manier waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.

Artikel 9. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming

  • 1. Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig onafhankelijk oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:

    • a.

      bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;

    • b.

      bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

    • c.

      op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.

  • 3. Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.

Artikel 10. Verslag

  • 1. Binnen 10 werkdagen na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger worden in het verslag benoemd.

  • 2. Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen.

Artikel 11. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening

  • 1. Jeugdigen en/of ouder(s) komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening wanneer het college of een andere verwijzer vaststelt dat:

    • a.

      sprake is van concrete opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige;

    • b.

      inzet noodzakelijk is om de jeugdige gelet op deze problemen in staat te stellen:

      • Gezond en veilig op te groeien

      • Te groeien naar zelfstandigheid

      • Voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, en

    • c.

      de jeugdige en/of ouder(s) zelf of met hun sociale netwerk geen passende oplossing voor de hulpvraag kunnen vinden (gebruikelijke hulp en eigen kracht). Wanneer hiervan sprake is, staat in artikel 12 van deze verordening, en

    • d.

      een overige voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag, en

    • e.

      de jeugdige en/of ouder(s) geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag op te lossen.

  • 2. Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:

    • a.

      daadwerkelijk beschikbaar is; en

    • b.

      passend en toereikend is voor de hulpvraag.

  • 3. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst passende voorziening.

  • 4. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er, voor zo ver beschikbaar, wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet-effectieve interventie. Er is in ieder geval sprake van bewezen niet-effectieve interventies als de interventie is opgenomen in het overzicht van niet-erkende interventies van de NJI.

  • 5. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:

    • a.

      de databank effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;

    • b.

      de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;

    • c.

      de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg);

  • 6. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt/komen een jeugdige en/of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.

  • 7. Als de aanvraag ziet op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) voorafgaand aan de aanvraag heeft/hebben gemaakt, verstrekt het college alleen een voorziening:

    • a.

      als op het moment van de aanvraag sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en

    • b.

      voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.

  • 8. Het college verstrekt alleen een voorziening als bedoeld in lid 7 als de gemaakte kosten zien op een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag.

Artikel 12. Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht

  • 1. Jeugdigen en/of ouder(s) komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

    • gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;

    • bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan

    • de ondersteuning vanuit het sociale netwerk;

    • het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.

  • 2. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt ook dan rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.

  • 3. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de leeftijd van de jeugdige

    • b.

      de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft

    • c.

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige

    • d.

      de mate van planbaarheid van de hulp

    • e.

      de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige

  • 4. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 5. Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:

    • Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.

    • Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

  • 6. Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 7. Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige

    • b.

      de mate van planbaarheid van de hulp

    • c.

      het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders

    • d.

      de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige

    • e.

      vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond)

    • f.

      of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden

    • g.

      welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen

    • h.

      het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen

    • i.

      de woonsituatie

    • j.

      de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet)

    • k.

      is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen

    • l.

      overige individuele omstandigheden die door jeugdige en/of ouders worden ingebracht.

  • 8. Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

  • 9. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:

    • a.

      Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige;

    • b.

      Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen;

    • c.

      Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen;

    • d.

      Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht;

    • e.

      Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten;

    • f.

      Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.

  • 10. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

  • 11. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.

  • 12. Bij het versterken of onderhouden van vaardigheden is er altijd sprake van gebruikelijke hulp.

  • 13. Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de criteria.

Artikel 13 Vervoer

  • 1. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer.

  • 2. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt, voor zover het naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de betreffende jeugdige.

  • 3. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.

  • 4. Het college kent op aanvraag een vervoersvoorziening in natura toe als:

    • a.

      de jeugdige is aangewezen op een door het college toegekende individuele voorziening voor jeugdhulp en:

    • b.

      sprake is van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige die het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer onmogelijk maakt en

    • c.

      de jeugdige geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden, zoals:

      • op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn sociaal netwerk;

      • door, al dan niet (gedeeltelijk), gebruik te maken van een overige voorziening;

      • door, al dan niet (gedeeltelijk), gebruik te maken van een andere voorziening.

    • d.

      er geen andere mogelijkheid is die de jeugdige in staat stelt de jeugdhulp te ontvangen die in de toekenningsbeschikking is vastgelegd.

  • 5. Er is in ieder geval geen sprake van medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid in de volgende situaties:

    • a.

      ouders kunnen hun kind niet naar de jeugdhulplocatie vervoeren vanwege werkverplichtingen;

    • b.

      ouders hebben gekozen voor een jeugdhulpaanbieder buiten de regio, terwijl een vergelijkbaar aanbod binnen de regio beschikbaar is. Dit is ook het geval wanneer er vergelijkbaar aanbod dichter bij huis binnen de regio beschikbaar is;

    • c.

      de jeugdige is in staat om zelfstandig met eigen of met het openbaar vervoer te reizen of onder begeleiding;

    • d.

      ouders hebben onvoldoende financiële middelen voor de reiskosten, hiervoor zijn de regelingen binnen de Participatiewet voorliggend;

    • e.

      ouders die op basis van een andere wet of verzekering in aanmerking komen voor een vergoeding van de vervoerskosten.

Artikel 14. Vaktherapie

  • 1. Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines:

    • a.

      beeldende therapie;

    • b.

      danstherapie;

    • c.

      dramatherapie;

    • d.

      muziektherapie;

    • e.

      psychomotorische therapie;

    • f.

      psychomotorische kindertherapie; en

    • g.

      speltherapie

  • 2. Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht.

  • 3. Vaktherapie kan alleen worden uitgevoerd door een professional die is ingeschreven in het Register Vaktherapie.

  • 4. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de wet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is.

  • 5. De behandelaar van een jeugdhulpaanbieder of medewerker van Stichting CJG moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling.

  • 6. Als de ouder(s) aanvullend verzekerd zijn, dan moet het aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed, worden afgetrokken van de noodzakelijke inzet.

Artikel 15. Weigeringsgronden individuele voorzieningen

  • 1. Het college weigert een individuele voorziening als:

    • a.

      niet voldaan wordt aan de voorwaarden bedoeld als in artikel 11 van deze verordening;

    • b.

      uit de uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag blijkt dat inzet van een individuele voorziening naar het oordeel van het college niet noodzakelijk wordt geacht;

    • c.

      de noodzaak tot ondersteuning voorzienbaar was en maatregelen konden worden getroffen om de hulpvraag overbodig te maken;

    • d.

      voor de problematiek, die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

    • e.

      een aanvraag voor een individuele voorziening is gedaan op een zodanig moment dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning naar het oordeel van het college niet kan plaatsvinden;

    • f.

      de individuele voorziening aantoonbaar niet effectief is voor de hulpvraag van de cliënt en/of het gezinssysteem;

    • g.

      de individuele voorziening niet van goede kwaliteit is als bedoeld in artikel 8.1.1 lid 2 onder c van de Wet;

    • h.

      er ondersteuning is aangevraagd die zal worden verleend buiten Nederland, tenzij het college van oordeel is dat het inzetten van ondersteuning buiten de landsgrenzen een bijzondere bijdrage levert aan het behalen van het beoogde resultaat uit de Wet;

    • i.

      de individuele voorziening niet aangemerkt wordt als de goedkoopste passende voorziening

    • j.

      de jeugdige en/of ouders in aanmerking komen voor een individuele voorziening in de vorm van een Pgb en het pgb willen besteden aan de inzet van de (dreigende) overbelaste ouder(s) (gezinssysteem) en/of het (dreigende) overbelaste sociaal netwerk.

  • 2. Het college kan de criteria zoals genoemd in dit artikel uitwerken in nadere regels.

Artikel 16. Kinderopvang en buitenschoolse opvang

  • 1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp.

  • 2. In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet naast de kinderopvang of buitenschoolse opvang.

Artikel 17. Burgervoogdij

  • 1. Als is vastgesteld dat een burgervoogd niet in aanmerking komt voor kinderbijslag en/of kindgebonden budget, kunnen bepaalde noodzakelijke kosten die een burgervoogd heeft moeten maken ten behoeve van het kind, vergoed worden door het college.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen over de noodzakelijke kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Artikel 18. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening

  • 1. Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Het college legt het besluit op de aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking.

  • 3. Het college neemt een beslissing op basis van de feiten en omstandigheden die volgen uit het onderzoek naar de hulpvraag. Het onderzoeksverslag maakt deel uit van deze beschikking.

  • 4. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening staat in ieder geval:

    • a.

      of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt;

    • b.

      de termijn van drie maanden waarbinnen de jeugdige zich moet melden bij een jeugdhulpaanbieder, of het pgb moet besteden aan het doel waarvoor het is verstrekt;

    • c.

      hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 5. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking ook opgenomen:

    • a.

      welke jeugdhulp toegekend is;

    • b.

      wie de jeugdhulp biedt;

    • c.

      wat de gestelde doelen en het beoogde resultaat zijn;

    • d.

      de aard, de omvang en de duur van de in te zetten jeugdhulp en wat de ingangsdatum van de verstrekking is.

  • 6. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb worden, behalve hetgeen is genoemd in lid 4 en 5, in de beschikking ook vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

    • e.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld en

    • f.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 7. In het besluit verstrekt het college informatie over de rechten en de plichten van de jeugdige en/of ouder(s) op grond van de wet, de verordening en de nadere regels.

HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB

Artikel 19. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb

  • 1. Als een jeugdige en/of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is opgenomen:

    • a.

      de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is;

    • b.

      welke jeugdhulp de jeugdige en/of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;

    • c.

      de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;

    • d.

      op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;

    • e.

      de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;

    • f.

      indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;

    • g.

      de motivatie aan de hand van de punten benoemd in artikel 21 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

    • h.

      wie het pgb beheert en hoe deze taken worden uitgevoerd; en

    • i.

      de naam en het adres van de beoogd budgetbeheerder.

  • 2. Het college verstrekt een pgb als:

    • a.

      de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat het natura aanbod van de gemeente niet passend achten;

    • b.

      uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 21 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en

    • c.

      naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 24 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.

  • 3. Het college betrekt de budgetbeheerder bij het onderzoek en heeft tenminste één gesprek met de budgetbeheerder, voordat het college een besluit neemt over de aanvraag.

  • 4. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.

Artikel 20. Weigeringsgronden om in aanmerking te komen voor een pgb

  • 1. Het college weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is, namelijk:

    • a.

      voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening, of

    • b.

      indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 8.1.4, eerste lid, onderdeel a, d of van de wet.

  • 2. Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag:

    • a.

      fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;

    • b.

      betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;

    • c.

      veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf;

    • d.

      op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder; of

    • e.

      de budgetbeheerder niet voldoet aan de gestelde voorwaarden in artikel 19 lid 1 of een van de in artikel 19 lid 2 genoemde omstandigheden zich voordoet.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 11 van deze verordening wordt een pgb geweigerd als sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie.

  • 4. Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is. Zie bijlage 1 bij deze verordening.

Artikel 21. Pgb-vaardigheid

  • 1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:

    • a.

      een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;

    • b.

      op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;

    • c.

      in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

    • d.

      voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;

    • e.

      in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;

    • f.

      in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;

    • g.

      in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

    • h.

      in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;

    • i.

      in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en

    • j.

      voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.

  • 2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

    • a.

      het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder;

    • b.

      het beheer wordt verricht door een persoon met een affectieve relatie met de persoon die jeugdhulp levert aan de budgethouder

    • c.

      er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden:

      • 1°.

        schuldenproblematiek;

      • 2°.

        ernstige verslavingsproblematiek;

      • 3°.

        aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

      • 4°.

        een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

      • 5°.

        een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

      • 6°.

        een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

      • 7°.

        het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;

      • 8°.

        het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag; of

      • 9°.

        jonger dan 18 jaar.

  • 3. De budgetbeheerder kan zijn:

    • a.

      iemand uit het sociale netwerk van de jeugdige en/of ouders;

    • b.

      een 1e of 2e graads bloed- of aanverwant van jeugdige en/of ouders

    • c.

      een professionele pgb-beheerder

    • d.

      een door de rechtbank aangewezen mentor, curator of bewindvoerder.

Artikel 22. Formele hulp vanuit een pgb

  • 1. Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een organisatie met een aanbod dat past bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of de ouder(s) het pgb krijgen. De organisatie staat ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). De personen beschikken over de relevante diploma’s om de werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren of;

    • b.

      personen die als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) werkzaamheden uitvoeren die passen bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of ouder(s) het pgb krijgen. De zzp’er staat voor deze werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Ook beschikt de zzp’er over de relevante diploma’s of werkervaring die nodig zijn voor uitoefening van deze werkzaamheden, of;

    • c.

      personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (SKJ-registratie).

  • 2. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c gaat het altijd om informele hulp.

Artikel 23: Informele hulp vanuit een pgb

  • 1. Als de jeugdhulp geboden wordt door een persoon uit het sociaal netwerk van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij in een sociale relatie tot elkaar staan.

  • 2. De jeugdige kan jeugdhulp betrekken van een persoon uit het sociaal netwerk zoals genoemd in lid 1. Het college kan via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of deze persoon verantwoorde ondersteuning kan leveren en daadwerkelijk levert.

  • 3. Bij de beoordeling van de mogelijkheid tot het inzetten van informele hulp met een pgb wordt het volgende bij de afweging betrokken:

    • a.

      is de informele hulp in staat de hulp te bieden die conform de beoogde doelstellingen in het gezinsplan benodigd is;

    • b.

      de belastbaarheid van de mantelzorger en/of informele hulp. Er mag geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting.

    • c.

      de jeugdige, de wettelijke vertegenwoordiger of de budgetbeheerder, kan instaan voor de kwaliteit van de geboden hulp;

    • d.

      het type hulp, de frequentie van de geboden hulp, de duur van de hulp (tijdelijk of langere periode) en de benodigde continuïteit;

    • e.

      de mogelijkheid om vervangende ondersteuning in te kopen of passende ondersteuning in natura in te zetten.

Artikel 24. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

  • 1. De kwaliteit van de met het pgb ingekochte formele hulp voldoet minimaal aan de eisen die het college stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare jeugdhulp leveren. Dit betekent dat de pgb-aanbieder in ieder geval:

    • a.

      beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis;

    • b.

      beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde jeugdhulp te bieden;

    • c.

      een deugdelijke administratie bijhoudt met een registratie van de geleverde jeugdhulp;

    • d.

      voldoende vaardig is om in de Nederlandse taal te communiceren;

    • e.

      werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;

    • f.

      de jeugdhulp uitvoert in overeenstemming met de beschikking van het college;

    • g.

      de jeugdhulp afstemt op de persoonlijke situatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s);

    • h.

      de jeugdhulp afstemt op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige en/of zijn ouder(s) gebruik van maken;

    • i.

      de privacy respecteert van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en vertrouwelijk om gaat met informatie over de persoonlijke situatie;

    • j.

      contact opneemt met Veilig Thuis bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige en/of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding;

    • k.

      calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp meldt aan het college;

    • l.

      meewerkt aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en

    • m.

      niet overbelast is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college.

  • 2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:

    • a.

      hetgeen is bepaald in artikel 22;

    • b.

      handelt in overeenstemming met de professionele standaard;

    • c.

      werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; en

    • d.

      stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.

Artikel 25. Hoogte pgb

  • 1. De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 85% van het tarief voor de goedkoopste passende voorziening in de gecontracteerde jeugdhulp in natura, tenzij op basis van het door de jeugdige en/of ouder(s) ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  • 2. Als het op basis van lid 1 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de passende jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de jeugdhulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht.

  • 3. De hoogte van het pgb voor informele hulp:

    • a.

      is bij het bestaan van een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met 36 urige werkweek;

    • b.

      is voor een informele hulp jonger dan 21 jaar gelijk aan het wettelijk minimumjeugdloon inclusief vakantietoeslag;

    • c.

      bedraagt indien er geen sprake is van een dienstbetrekking, oftewel een overeenkomst van opdracht, maximaal de hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor ondersteuning en/of hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 8ab, eerste lid van de Regeling Jeugdwet, ongeacht de feitelijke omvang van de voorziening;

    • d.

      of bedraagt de tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 8ab, eerste lid van de Regeling Jeugdwet. De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de door het college vastgestelde vergoedingenlijst die waar mogelijk gebaseerd is op richtbedragen van het Nibud.

  • 4. Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  • 5. Het pgb wordt uitbetaald per feitelijk geleverde uren, niet zijnde maandloon.

Artikel 26. Uitgesloten van pgb

  • 1. Het pgb heeft geen vrij besteedbaar bedrag.

  • 2. De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb:

    • a.

      kosten voor bemiddeling;

    • b.

      kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • c.

      kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

    • d.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

    • e.

      kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college.

    • f.

      kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp);

    • g.

      kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag;

    • h.

      kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering;

    • i.

      reiskosten van de hulpverlener;

    • j.

      bijkomende (zorg)kosten;

    • k.

      overlijdensuitkering.

HOOFDSTUK 6. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK

Artikel 27. Inlichtingen

  • 1. Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2. Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb.

Artikel 28. Niet meewerken ouder(s)

  • 1. De jeugdige en zijn ouder(s) is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp.

  • 2. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt/meewerken, kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.

Artikel 29. Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering

  • 1. Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen.

  • 2. Onverminderd artikel 8.1.4, van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb;

    • e.

      de jeugdige of zijn ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is;

    • f.

      de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulpaanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 22, tweede lid; of

    • g.

      de jeugdige langer dan 6 weken verblijft in een instelling.

  • 3. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 4. Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder.

  • 5. Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het tweede lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb.

  • 6. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen.

  • 7. Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken deze termijn te verlengen.

  • 8. Het college kan tot terugvordering van het pgb bij de pgb-aanbieder overgaan indien een individuele voorziening zonder toestemming van het college in het buitenland is ingezet.

  • 9. In geval van terugvordering stuurt het college een factuur naar de pgb-aanbieder, die binnen 4 weken moet worden voldaan.

  • 10. De pgb-aanbieder kosten declareert voor zorg die (gedeeltelijk) niet is verleend of niet (geheel) conform de gestelde voorwaarden is verleend en hij niet binnen 72 uur aanvraag heeft gedaan bij de pgb-beheerder om dit te crediteren.

Artikel 30. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s

  • 1. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 2. Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen.

  • 3. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

  • 4. Het college kan toezichthoudende ambtenaren aanwijzen die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.9 van de Jeugdwet.

  • 5. De aangewezen toezichthouder is belast met:

    • a.

      de bevoegdheid van het inzien van dossiers;

    • b.

      de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen;

    • c.

      de bevoegdheid om de (cliënten)administratie/dossiers te vorderen bij de (pgb-)aanbieder;

    • d.

      de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de cliënt of de pgb-beheerder;

    • e.

      het vorderen van inzage in een identificatiebewijs;

    • f.

      inzage van documenten en toegang tot gegevens;

    • g.

      het betreden van plaatsen (met uitzondering van privéwoningen);

    • h.

      controleren of de (pgb-)aanbieder de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de overeenkomst met het college naleeft;

    • i.

      ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de jeugdige en/of ouders of de pgb-beheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie;

    • j.

      controleren of de individuele voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd;

    • k.

      de bevoegdheid om (pgb-)aanbieders te screenen.

  • 6. Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.

  • 7. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.

Artikel 31. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik

  • 1. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.

  • 2. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract.

HOOFDSTUK 7. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN

Artikel 32. Voorliggende voorzieningen

  • 1. Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:

    • a.

      met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet;

    • b.

      naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of

    • c.

      gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige en/of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.

  • 2. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen.

  • 3. De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.

  • 4. Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar Wet langdurige zorg kan cliëntondersteuning worden ingeschakeld.

Artikel 33. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning

  • 1. Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:

    • a.

      de Leerplichtwet;

    • b.

      de Participatiewet;

    • c.

      de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

    • d.

      de Wet Inburgering 2021;

    • e.

      de Wet kinderopvang;

    • f.

      de Wet langdurige zorg;

    • g.

      de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • h.

      de Wet passend onderwijs;

    • i.

      de Wet publieke gezondheid;

    • j.

      de Wet tijdelijk huisverbod;

    • k.

      de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en

    • l.

      de Zorgverzekeringswet,

    zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.

  • 2. De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot:

    • a.

      het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;

    • b.

      stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;

    • c.

      een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt.

  • 3. Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee:

    • a.

      de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder;

    • b.

      de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel 12 en de mogelijkheden van het sociale netwerk;

    • c.

      welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;

    • d.

      welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.

  • 4. Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren.

Artikel 34. Overgang 18- naar 18+

  • 1. Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die jeugdhulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit de wet, is het college gehouden om:

    • a.

      voor het achttiende levensjaar zodanige jeugdhulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en

    • b.

      de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.

  • 2. Ter uitvoering van het eerste lid, onderzoekt het college samen met de jeugdhulpaanbieder tijdig welke andere voorziening nodig is vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.

  • 3. Het college en de jeugdhulpaanbieder nemen de resultaten van lid 2 op in een ‘perspectiefplan’.

HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT

Artikel 35. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

  • 1. Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:

    • a.

      cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;

    • b.

      cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;

    • c.

      overheadkosten;

    • d.

      kosten voor indexering.

  • 2. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.

HOOFDSTUK 9. KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP

Artikel 36. Vertrouwenspersoon

  • 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen of hun ouders een beroep kunnen doen op een kosteloze onafhankelijke vertrouwenspersoon conform artikel 2.5, tweede lid van de wet.

  • 2. Het college wijst jeugdigen of hun ouders op de mogelijkheid gebruik te maken van de inzet van een vertrouwenspersoon.

Artikel 37. Klachtregeling

  • 1. Het college behandelt klachten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9 (klachtbehandeling) van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. Jeugdhulpaanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen ten aanzien van alle door hen aangeboden voorzieningen.

  • 3. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 38. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1. Het college stelt jeugdigen en hun ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 3. In de Verordening Cliëntenparticipatie Sociaal Domein Apeldoorn zijn regels opgenomen ten aanzien van het eerste en tweede lid.

HOOFDSTUK 10. SLOTBEPALINGEN

Artikel 39. Overgangsrecht, intrekking oude verordening

  • 1. Een jeugdige en/of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Zorg voor Jeugd 2023 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening.

  • 2. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Zorg voor Jeugd 2023 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 3. Op bezwaarschriften tegen een besluit dat op grond van de Verordening Zorg voor Jeugd 2023 van de gemeente Apeldoorn is genomen, wordt beslist op basis van de Verordening Jeugdhulp gemeente Apeldoorn 2026, in zoverre de belanghebbende hierdoor niet materieel wordt benadeeld.

  • 4. Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van Verordening Zorg voor Jeugd 2023 te herzien:

    • a.

      op de gronden vermeld in de Verordening Zorg voor Jeugd 2023;

    • b.

      indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen;

    • c.

      indien de cliënt wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm.

  • 5. Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder Verordening Zorg voor Jeugd 2023 terug te vorderen op de in deze verordening genoemde gronden.

  • 6. De Verordening Zorg voor Jeugd 2023 wordt ingetrokken.

Artikel 40. Geen bepalingen

In gevallen de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 41. Hardheidsclausule

Het college kan een of meer artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de jeugdige en zijn ouders leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 42. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2026.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp gemeente Apeldoorn 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 februari 2026

De voorzitter,

De griffier,

Bijlage 1: Mogelijkheden inzet jeugdhulp uit pgb

In afwijking van de standaarduitgangspunten (formele hulp: 85% van het goedkoopst, adequaat uurtarief van zorg in natura, informele hulp € 20,- per uur of wettelijk minimum jeugdloon) zijn onderstaand de regels voor een pgb van toepassing. Voor de tarieven van zorg in natura wordt verwezen naar de geldige productcodetabel van de gemeente Apeldoorn (www.zorgregiomijov.nl)

Omschrijving

Vergoeding uit PGB? Ja/Nee

Voorwaarden

Extra informatie en/of voorbeelden

Regie voeren incl. budgetbeheerder opstellen plan en aansturen hulpen, coördinatie. Alle taken behorend bij het beheren van een pgb.

Nee

Voor het voeren van regie en de administratie kan geen vergoeding uit het pgb worden ontvangen. Uitzondering: wanneer er geen passend natura aanbod is, de jeugdige niet zelf regie kan voeren en er ook niemand in zijn omgeving is die dit kan verzorgen. Dan zoekt het college naar een passende oplossing, zodat de jeugdige de ondersteuning en zorg kan krijgen die nodig is.

Formele hulp: geen pgb mogelijk

Informele hulp: geen pgb mogelijk

Crisisopvang en spoedopvang en alle andere producten crisis

Nee

Voor acute jeugdhulp is gezien de gewenste snelheid van handelen geen pgb mogelijk.

Formele hulp: geen pgb mogelijk

Informele hulp: geen pgb mogelijk

Begeleiding intensief en perspectief (doel ontwikkelen, stabiliseren of beter worden)

Ja

Gezien de vereiste professionaliteit is de inzet van een informele hulp uit pgb niet mogelijk. Om vaardigheden aan te leren, is handelen volgens een professionele standaard nodig en professionele afstand tot de jeugdige en het gezin.

Formele hulp: max. 85% ZIN tarief

Informele hulp: geen pgb mogelijk

Begeleiding duurzaam (doel onderhouden van de geleerde vaardigheden)

Ja

Bij een beperkt aantal uren begeleiding duurzaam (lage intensiteit van zorg voor een lange duur), kan uitsluitend de inzet van een informele hulp passend zijn (ondersteunen bij/ overnemen van een aantal concrete taken). Gaat het echter om een aanzienlijke hoeveelheid uren en/of is er (enig) ontwikkelperspectief? Dan kan er het met oog op de vereiste ‘doeltreffendheid’ (artikel 17 lid 2) de aanvullende voorwaarde gesteld worden dat er naast een informele hulp uit pgb ook professionele inzet nodig is (in natura).

Formele hulp: max. 85% ZIN tarief

Informele hulp: geen pgb mogelijk, onderhouden van vaardigheden behoort tot de ouderlijke taak. Een pgb wordt alleen verstrekt als ouders met hun netwerk niet instaat zijn de noodzakelijke begeleiding te bieden.

Wonen/verblijf

Ja

Inclusief zorg. Gezien gewenst (ped)agogische klimaat geen informele hulp uit pgb mogelijk

Formele hulp: max. 85% ZIN tarief

Informele hulp: geen pgb mogelijk

Pleegzorg

Ja

Gezien vereiste professionaliteit in het kader van begeleiding oorspronkelijke gezin en pleeggezin is inzet van een informele hulp uit pgb niet mogelijk.

Formele hulp: max. 85% ZIN tarief

Informele hulp: geen pgb mogelijk

Logeren

Ja

Gezien doel, verlichten taak van gezin c.q. mantelzorgers, is informele hulp mogelijk, maar niet de ouders/verzorgers zelf.

Formele hulp: max. 85% ZIN tarief

Informele hulp: max. € 30,- per 24 uur.

Alle producten groep en complex

Ja

Gezien vereiste professionaliteit is inzet van een informele hulp uit pgb niet mogelijk.

Formele hulp: max. 85% tarief ZIN

Informele hulp: geen pgb mogelijk

Behandeling en wonen/verblijf met behandeling (individueel, groep)

Ja

Gezien vereiste professionaliteit is inzet van een informele hulp uit pgb niet mogelijk.

Formele hulp: max. 85% ZIN tarief

Informele hulp: geen pgb mogelijk

SGGZ

Ja

Gezien vereiste professionaliteit is inzet van een informele hulp uit pgb niet mogelijk.

Formele hulp: max. 85% ZIN tarief

Informele hulp: geen pgb mogelijk

Vervoer naar begeleiding groep (dagbesteding)/ behandeling

Nee

.

De vervoersvoorziening vanuit de Jeugdwet is een aanbod in natura.

Formele hulp: geen pgb mogelijk, is een aanbod in natura.

Reiskosten hulpverlener

Ja, mits

het woon-werkverkeer of werk-werkverkeer betreft (waarbij de hulpverlener reist om dezelfde jeugdige op verschillende locaties ondersteuning te bieden). Reiskosten worden niet apart toegekend. De reiskosten vallen binnen het maximale uurtarief en mogen niet ten koste gaan van het toegekende aantal uren begeleiding. De kosten die het maximale uurtarief overschrijden worden afgewezen.

Formele hulp: max. 85 % tarief ZIN voor de betreffende jeugdhulp

Informele hulp: geen pgb mogelijk

Preventief justitieel kader

Ja

Gezien vereiste professionaliteit is inzet van een informele hulp uit pgb niet mogelijk.

Formele hulp: max. 85% tarief ZIN

Informele hulp: geen pgb mogelijk

Kindergeneeskunde

Ja

Gezien vereiste professionaliteit is inzet van een informele hulp uit pgb niet mogelijk.

Formele hulp: max. 85% ZIN

Informele hulp: geen pgb mogelijk

TOELICHTING

ALGEMEEN

Opbouw van de verordening

Deze verordening begint in hoofdstuk 1 met een begrippenlijst. In hoofdstuk 2 leest u welke vormen van jeugdhulp de gemeente kan bieden. Hoofdstuk 3 behandelt de verschillende wegen die leiden naar toegang tot jeugdhulp. Hoofdstuk 4 gaat over de manier waarop een verzoek om jeugdhulp wordt beoordeeld en hoe een besluit daarover wordt voorbereid. Hoofdstuk 5 bevat aanvullende regels voor het bieden van jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget. De hoofdstukken 6 tot en met 10 bevatten overige (algemene) regels, onder meer over rechten, (medewerkings)plichten en de herziening van besluiten.

De opdracht van de wetgever: wat moet de Verordening regelen?

Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. De taken van de gemeenten zijn geregeld in de Jeugdwet (hierna: de wet). Gemeenten moeten ervoor zorgen dat jongeren met een beperking, stoornis of aandoening de jeugdhulp en ondersteuning krijgen die nodig is. Eén van de doelen van de wet is om gebruik te maken van de eigen kracht van jongeren, ouders en hun sociale netwerk, zodat jeugdhulp wordt geboden aan jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties, waarbij de inzet van jeugdhulp noodzakelijk is gezien de aard en ernst van de hulpvraag.

Deze verordening geeft uitvoering aan de wet die de gemeenteraad opdraagt om bij verordening regels vast te stellen over:

  • a.

    de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

  • b.

    de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;

  • c.

    de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; en

  • d.

    de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Daarnaast regelt deze verordening, overeenkomstig de wet, op welke wijze ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet, waarbij wordt geregeld de wijze waarop zij:

  • a.

    in de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen;

  • b.

    vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen;

  • c.

    worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen,

  • d.

    deel kunnen nemen aan periodiek overleg;

  • e.

    onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; en

  • f.

    worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.

De verordening bevat ook regels ter waarborging van:

  • a.

    een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van diensten door derden en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; en

  • b.

    de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering.

Tot slot wordt in deze verordening bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Achtergronden

De wet maakt deel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Eén van de uitgangspunten hierbij was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd het waar nodig tijdig bieden aan jeugdigen en ouders van bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen dat de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin worden versterkt.

Vrij toegankelijk en niet vrij toegankelijk

Ouders en verzorgers zijn als eerste verantwoordelijk voor het gezond en veilig opvoeden en opgroeien van hun kind(eren). Maar de opvoeding gaat niet altijd vanzelf. Dan kunnen ze hulp vragen aan familie, vrienden of buren. Ook zijn er Apeldoornse vrijwilligers die steun kunnen bieden aan opvoeders o.a. als luisterend oor, om wegwijs te worden in Apeldoorn of een netwerk op te bouwen.

Al vroeg in het leven zijn er professionals waarmee ouders en kinderen te maken krijgen. De jeugdgezondheidszorg volgt de lichamelijke en mentale ontwikkeling en de kinderopvang en het onderwijs dragen bij aan de motorische en cognitieve ontwikkeling van kinderen. Ook de huisarts ziet en spreekt veel ouders en kinderen. Met deze voorzieningen en de professionals die daarin werkzaam zijn, kunnen de uitdagingen van het leven eerder worden gezien. En zij kunnen ouders daarbij ondersteunen. Zo nodig kan de hulp van andere professionals worden ingeroepen om de problemen het hoofd te bieden. Voor deze hulp en ondersteuning is geen beschikking nodig. Ze zijn vrij toegankelijk.

Om de samenwerking tussen de verschillende professionals te optimaliseren, werkt Samen055, de vraagbaak bij alle vragen op de diverse levensgebieden, met vaste contactpersonen voor bepaalde beroepsgroepen zoals huisartsen en verloskundigen. Ook kan iedere professional veilig gegevens uitwisselen met het wijkteam via de site van Samen055. Het onderwijs heeft vaste contactpersonen binnen het CJG en er is regelmatig overleg tussen het samenwerkingsverband passend onderwijs, de gemeente en het CJG om vraagstukken rond leerlingen te bespreken.

Is inzet van meer specialistische hulp nodig dan komt het wijkteam Samen055 in beeld. De consulenten van het wijkteam beoordelen of de problematiek zodanig is dat een niet vrij toegankelijke voorziening nodig is.

In de verordening maken we daarom onderscheid tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen volstaat een vrij-toegankelijke, overige voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of zijn ouders dus gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp rechtstreeks tot de aanbieder wenden. In deze verordening richten we ons verder op de individuele, dus niet-vrij toegankelijke voorzieningen waarvoor dus wel een verwijzing nodig is.

Toegang jeugdhulp via de gemeente

Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij de gemeente (in sommige gevallen nadat zij naar de gemeente zijn doorverwezen door het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling). De beslissing door de gemeente welke ondersteuning een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand op basis van het onderzoek dat namens het college met die jeugdige en/of zijn ouders wordt uitgevoerd. Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders gekeken worden wat de jeugdige en/of zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke overige voorziening is of een niet vrij-toegankelijke individuele voorziening. Is het laatste het geval, dan neemt het college een besluit tot verstrekking van de voorziening en worden de jeugdige en zijn ouders doorverwezen naar een jeugdhulpaanbieder die in staat is om de betreffende problematiek aan te pakken. Dit proces is in deze verordening nader ingekaderd.

Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist

De wet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Onderdeel daarvan is dat de jeugdhulpaanbieder bij de genoemde beoordeling en bepaling van de inhoud van de voorziening de werkwijze zoals de gemeentelijke toegang toepast, en in haar oordeel de eigen kracht, het sociale netwerk, overige (voorliggende) voorzieningen en de goedkoopst passende individuele voorziening betrekt. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die in deze verordening zijn gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 5). De bepalingen in de verordening over het onderzoek naar de hulpvraag, artikel 8, zijn onverkort op jeugdhulpaanbieders van toepassing, ook bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist (zie artikel 6).

Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht

Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het Openbaar Ministerie en de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of beëindiging van het gezag uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen.

ARTIKELSGEWIJS

In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

Het aantal definities in artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening worden de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de wet gebruikt. Indien mogelijk aangeduid algemeen als ‘jeugdigen en/of ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’. Gebruik van ‘of’ impliceert hier ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar).

In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd:

‘1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht’.

Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel1:3, tweede lid, van de Awb).

‘Andere voorziening’: onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de wet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De verschillende beschikbare vormen van jeugdhulp zijn opgenomen in artikel 4. Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in artikel 5 en verder.

‘Pgb’: De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’.

Artikel 2: Mandaat CJG

De gemeenteraad heeft bij besluit van 17 juli 2014 de Stichting Centrum voor Jeugd en Gezin Apeldoorn (hierna: CJG) het alleenrecht verleend om namens de gemeente te beslissen over de toegang tot jeugdhulp en de toeleiding naar de jeugdbescherming en jeugdreclassering (toeleiding naar het justitiële kader). De stichting voert haar werkzaamheden uitsluitend uit ten behoeve van de Gemeente Apeldoorn en ten behoeve van jeugdigen tot 23 jaar die conform de Jeugdwet onder verantwoordelijkheid van de Gemeente Apeldoorn vallen. Het CJG voert deze toegangstaak uit binnen het wijkteam als onderdeel van Samen055.

HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP

Artikel 3 en 4 geven uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de wet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen. Daarnaast beoogt deze verordening voor iedereen duidelijk te maken wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente (zie artikel 5) – welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de overige voorzieningen’).

Gelet op het voornoemde belang bevat dit artikel een opsomming van vormen van jeugdhulp die de gemeente biedt. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten, dat geldt met name voor de individuele voorzieningen. Welke variant wordt ingezet zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders.

Artikel 3. Beschikbare overige voorzieningen

In artikel 3 zijn de overige voorzieningen beschreven. Dit is jeugdhulp waarvan gebruik kan worden gemaakt met een lichte toets vooraf. Dagelijkse opvoedvragen lossen ouders zelf op samen met hun netwerk. Ontbreekt een netwerk dan kan een vrijwilliger van bv. Ouders Dichtbij iets betekenen. Komen ouders er met hun netwerk niet uit en maken zij zich zorgen dan kunnen zij bij het CJG terecht voor lichte opvoed- en opgroeiondersteuning. Dreigen ouders overbelast te raken en kunnen ze dit met hun netwerk niet oplossen dan kan een steungezin verlichting bieden.

Is ondersteuning nodig voor maximaal 1 jaar, dan kan het CJG een gezin ondersteunen in de thuissituatie. Met behulp van video interactie begeleiding en/of met de aangereikte handvatten kunnen ouders dan aan de slag om sterker te worden in hun ouderrol.

Met een vooruitgeschoven post op een groot deel van de huisartsenpraktijken in Apeldoorn is opvoed- en opgroeiondersteuning laagdrempelig aanwezig in alle stadsdelen. Huisartsen die signaleren dat ouders vragen hebben over de opvoeding kunnen direct verwijzen naar ondersteuning die op de huisartsenpraktijk aanwezig is in de persoon van de praktijkondersteuner huisartsen jeugd.

Artikel 4 Beschikbare individuele voorzieningen

Eerste lid

Artikel 4 geeft een overzicht van de vormen van individuele voorzieningen die door de gemeente zijn ingekocht. De gemeente koopt deze voorzieningen in als ‘producten’, bijv. begeleiding individueel of pleegzorg. Het aanbod van individuele voorzieningen dat beschikbaar is, staat inclusief voorwaarden en eisen in het zorgproductenboek. Het college bepaalt door onderzoek samen met de jeugdige en/of zijn ouders welke jeugdhulp, dus welk product precies nodig is binnen de daarvoor door de gemeente gestelde kaders.

Tweede lid

Sinds 2025 kopen we in Gelders verband de Essentiële Functies in. Bij de Essentiële Functies gaat het om hoog specialistische zorg. De bedoeling is om hiermee te voorkomen dat jeugdigen met een complexe hulpvraag vastlopen in het systeem. Dat wil zeggen dat ze gelijk de zorg krijgen die nodig is, ook al zijn er meerdere zorgaanbieders nodig om die zorg te leveren. De noodzakelijk jeugdhulp wordt geboden door een alliantie die bestaat uit samenwerkende jeugdhulporganisaties met verschillende expertises: jeugd- en opvoedhulp, LVB (Licht Verstandelijk Beperkt), GGZ, forensische zorg en verslavingszorg.

Derde lid

Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de wet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. Het derde lid geeft het college de mogelijkheid de beschikbare zorgproducten nader te omschrijven. Dat heeft het college gedaan in 2 zorgproductenboeken: een voor de individuele voorzieningen jeugdhulp en een voor de producten jeugdbescherming. Beide zorgproductenboeken zijn te vinden op: https://www.zorgregiomijov.nl/aanbieders/104-documenten-en-downloads).

De kwaliteitseisen waaraan jeugdhulpaanbieders moeten voldoen die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden uitvoeren, vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Deze zijn daarom niet in de verordening opgenomen, maar zijn uiteraard wel in de contractuele afspraken opgenomen.

HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN

In het voorgaande hoofdstuk zijn de beschikbare vormen van jeugdhulp geregeld. In dit hoofdstuk worden de toegangsmogelijkheden tot jeugdhulp geregeld.

Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de gemeente

Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 8 verdisconteerd en zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet.

Tweede lid

Jeugdigen en ouders kunnen telefonisch of via het contactformulier van Samen055 een hulpvraag stellen. Zij kunnen gebruik maken van onafhankelijke cliëntondersteuning van bv. MEE Samen om geholpen te worden bij stellen van hun vraag en ook tijdens het onderzoek mogen zij altijd iemand meenemen (zie artikel 8).

Vierde tot en met zesde lid

Als na ontvangst van de hulpvraag, en mogelijk na telefonisch contact, de verwachting is dat een overige voorziening voldoende is, dan zorgt de professional van Samen055 dat ouders weten waar ze terecht kunnen. Zij kunnen zichzelf rechtstreeks melden. Is er een gesprek nodig dan bevestigt Samen055 de ontvangst van de aanvraag voor jeugdhulp schriftelijk. Jeugdige en/of ouders sturen deze aanvraag binnen 10 werkdagen ondertekend terug. Deze ondertekende bevestiging geldt als de aanvraag jeugdhulp zoals ook in de Awb benoemd is. De datum waarop jeugdige en/of ouders de bevestiging van de aanvraag om jeugdhulp ondertekenen, geldt als de datum van aanvraag.

Zevende lid

Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college.

Achtste lid

Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Zolang geen onderzoek conform artikel 8 heeft plaatsgevonden, terwijl de hulp al wel is gestart, is nog geen sprake van geïndiceerde jeugdhulp en kan daarom geen pgb worden gevraagd.

Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

Eerste lid

Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierboven), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In veel huisartsenpraktijken verwijst de huisarts met vragen rond opvoeden en opgroeien direct naar de POH-jeugd binnen zijn praktijk. Deze bepaalt op basis van het gesprek of een overige voorziening volstaat of dat een collega van Samen055 verder met het gezin in gesprek moet om te beoordelen of een individuele voorziening noodzakelijk is.

Tweede lid

De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 5).

Van dit uitgangspunt kan enkel worden afgeweken als het college heeft ingestemd met de levering van de jeugdhulp door een aanbieder die niet is gecontracteerd of gesubsidieerd. Deze instemming dient voorafgaand aan de zorgverlening schriftelijk te worden verkregen. De gemeente betaalt dan de aanbieder. De instemming van het college is geen automatisme. Er zal sprake moeten zijn van een bijzondere situatie die dit rechtvaardigt en waarbij de jeugdige of zijn ouders geen gebruik kunnen maken van een pgb.

Derde lid

In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of de orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Op grond van het eerste lid zorgt het college voor de inzet van deze jeugdhulp. Het derde lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder daarbij wel gehouden is aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening. Dit betekent concreet dat hij zich onder meer houdt aan het beoordelingskader dat in artikel 8 is voorgeschreven en dat hij het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep volgt. Ook dient hij zich in beginsel te beperken tot de inzet van individuele voorzieningen die in artikel 4 zijn opgesomd. Aldus legt de verordening een koppeling tussen de beschikbare vormen van individuele voorzieningen en de toegang via de medische verwijsroute.

Artikel 7. Toegang jeugdhulp via de GI, de rechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht

In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet). In het kader van een strafrechtelijke beslissing in het jeugdstrafrecht kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur, en de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting.

Eerste en tweede lid

De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig vinden ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, jeugdreclassering of een strafrechtelijke beslissing. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet). Omdat de jeugdhulp door de kinderrechter is opgelegd, krijg(t)(en) de jeugdige en/of ouders geen beschikking van de gemeente.

Derde lid

Het derde lid bepaalt dat de gecertificeerde instelling, de rechter, openbaar ministerie en justitiële inrichting daarbij wel gehouden is aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening.

HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE

Artikel 8. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

Eerste lid

Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger.

Tweede lid

Het is mogelijk dat een jeugdige of zijn ouders, na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of zijn ouders zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een overige voorziening. Zij kunnen in dat geval hun aanvraag intrekken, waardoor het college geen besluit meer hoeft te nemen. Om misverstanden te voorkomen wordt dit schriftelijk bevestigd door het college.

Derde lid

De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen:

Stap 1 - inventariseer de vraag.

Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente.

Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart leg dat vast.

Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen.

Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast.

De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren.

Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is.

Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul.

Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost.

Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust.

Vierde lid

Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college. Ouders kunnen om een langere termijn verzoeken als zij instemmen met het aanhouden van de beslistermijn gedurende de extra tijd die zij nodig hebben om het familiegroepsplan bij het college in te dienen.

Vijfde lid

Het college wijst de jeugdige en/of de ouder(s) op de mogelijkheid een pgb aan te vragen. Het college moet hen dan volledig, objectief en in begrijpelijke woorden inlichten over de gevolgen van de keuze voor een pgb in plaats van zorg in natura (artikel 8.1.6 Jeugdwet). De jeugdige en/of ouder(s) moet bij het maken van de keuze voor een pgb de relevante informatie van het college hebben gekregen. Alleen dan kan hij een verantwoorde keuze maken en instemmen met de verplichtingen bij een pgb. De jeugdige en/of ouder(s) moeten volledig en correct geïnformeerd zijn over alle gevolgen en risico’s van een pgb. Het college kan zelf bepalen hoe het invulling wil geven aan deze informatieplicht (zie TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p.233).

Zesde lid

De jeugdige en/of ouder(s) hebben een medewerkingsplicht. Dit houdt in dat de benodigde informatie om een besluit te kunnen nemen op de hulpvraag op verzoek van het college verstrekt moet worden. Welke informatie noodzakelijk is voor het onderzoek bepaalt het college. Als de jeugdige en/of ouder(s) medewerking (deels) weigeren, moet het college een besluit nemen op basis van de informatie die er is. Dit kan dan betekenen dat de aanvraag wordt afgewezen.

Zevende lid

Uit het gesprek tussen de jeugdige en/of ouder(s) en de gemandateerde namens het college kan naar voren komen dat er al professionals betrokken zijn. In dat geval kan de toegangsmedewerker ervoor kiezen informatie op te vragen namens en met instemming van de jeugdige en/of ouder(s). Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professional(s).

Achtste en negende lid

Het college is verplicht de identiteit vast te stellen van de jeugdige en zijn ouders. Dit kan door het ter inzage verstrekken van een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vaststellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht.

Tiende lid

Deze bepaling geeft het college de ruimte nadere regels vast te stellen over de inhoud van het onderzoek en de daarbij te volgen werkwijze.

Artikel 9. Deskundig oordeel en advies en voorbereiding van de besluitvorming

Eerste lid

Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in artikel 8 geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hier aan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid.

In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot:

  • opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

  • opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd;

  • taal- en leerproblemen;

  • somatische aandoeningen;

  • lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en

  • kindermishandeling en huiselijk geweld.

Tweede lid

Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt artikel 9, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht.

Derde lid

Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11). Daarnaast blijft het college – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of inzichtelijk is op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek.

Artikel 10. Verslag

In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en zijn ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen.

Artikel 11. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening

In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de wet is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt.

Eerste lid

Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de wet gedefinieerd. Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen individuele voorziening voor het voeden van een baby wordt verstrekt.

Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden, vindt een beoordeling plaats onder andere op basis van de uitgangspunten in artikel 11.

Tweede lid

Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria.

Derde lid

Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst passende voorziening. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin.

Vierde en vijfde lid

Het vierde en vijfde lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/), en de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).

Het college kan in beleid regelen welke vormen van jeugdhulp zij aantoonbaar niet effectief acht.

Zesde lid

In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet louter aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp een oplossing voor kunnen vinden. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. Deze bepaling dwingt het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht.

Zevende en achtste lid

Uitgangspunt is dat alleen jeugdhulp wordt ingezet nadat onderzoek heeft plaatsgevonden naar de hulpvraag en de noodzaak van een individuele voorziening. Alleen als de problemen zich nog steeds voordoen en achteraf nog te toetsen is of de jeugdhulp passend en noodzakelijk is, kan het college besluiten deze alsnog te vergoeden. Het college vergoedt geen jeugdhulp die meer dan 3 maanden voor de datum van aanvraag, is ingezet.

Artikel 12. Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht

Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met ondersteuning van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke ondersteuning te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt in artikel 12 geconcretiseerd.

De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke ondersteuning te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke ondersteuning met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).

In de wetgeving is niet bepaald wat precies onder eigen kracht moet worden verstaan. Het begrip komt op verschillende plekken terug in de parlementaire geschiedenis. Daaruit blijkt dat de kern is dat ouders op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is een voorziening niet nodig (zie bv. TK 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 135 e.v.). Het is aan gemeenten overgelaten om dit begrip verder in te vullen. Conform rechtspraak van de CRvB (CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095, CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097) moet dit in de verordening. De gemeenteraad moet in de verordening uitleggen wat eigen kracht is, welke voorwaarden daarbij gelden en wat de afwegingsfactoren zijn om dit vast te stellen.

Met artikel 12 geeft het college uitleg over wanneer sprake is van eigen kracht en biedt een duidelijk (afwegings)kader. In dit artikel geeft het college aan wanneer sprake is van eigen kracht, welke voorwaarden ze daaraan stelt en welke afweging gemaakt moet worden om eigen kracht vast te stellen.

Elfde lid

Het elfde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op zorg (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het elfde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen.

Artikel 13. Vervoer

Vervoer van en naar een locatie waar een jeugdige jeugdhulp krijgt, kan jeugdhulp zijn. Dit volgt uit artikel 2.3 lid 2 Jeugdwet. Jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en niet zelfstandig kunnen reizen door een medische noodzaak of gebrek aan zelfredzaamheid kunnen hier gebruik van maken. Het college verstrekt dan een vervoersvoorziening in natura. Ook hier geldt dat geen jeugdhulp ingezet hoeft te worden als jeugdige of zijn ouder(s) dit, met ondersteuning van het sociaal netwerk, zelf kunnen regelen. Ook hoeft het college geen vervoersvoorziening in te zetten als er sprake is van beschikbare vergelijkbare jeugdhulp dichterbij, waarvoor geen vervoersvoorziening nodig is. Maar, er kan bij ouders sprake zijn van zodanige beperkingen dat zij niet instaat zijn hun kind de jeugdhulp te laten bezoeken. Het college geeft dan een vervoersvoorziening in natura af.

Artikel 14. Vaktherapie

Er is een aantal vaktherapieën waarvan het effect (nog) niet wetenschappelijk is aangetoond. De therapieën worden meestal niet door de zorgverzekeraar vergoed. In die situaties geldt het uitgangspunt dat de voorziening in beginsel ook niet vanuit de wet wordt verstrekt.

Inzet van vaktherapie is op grond van deze verordening alleen mogelijk als onderdeel van een brede systemische aanpak in het gezin. In uitzonderlijke situaties, wanneer er geen passend alternatief beschikbaar is, kan vaktherapie separaat worden ingezet.

Eerste lid

Het eerste lid geeft een opsomming van de beschikbare vaktherapeutische disciplines.

Tweede tot en met vijfde lid

Met het oog op de kwaliteitsborging en artikel 5.1.1, tweede lid, van het Besluit Jeugdwet zijn aan de inzet van vaktherapie een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet de vaktherapie worden uitgevoerd door een professional die beschikt over een adequate opleiding.

Ook beoordeelt het college of de inzet van vaktherapie een noodzakelijke bijdrage levert aan de geboden jeugdhulp en wint zij daartoe advies in bij de behandelaar of medewerker met het oog op de totale behandeling die wordt geboden. Aanvullend is als voorwaarde gesteld dat de vaktherapeut (die in beginsel niet SKJ-geregistreerd is) geregistreerd moet zijn in het Register Vaktherapie.

Zesde lid

Soms vergoedt een aanvullende zorgverzekering vaktherapie. In dat geval wordt dit als eigen mogelijkheden beschouwd als bedoeld in artikel 2.3 eerste lid van de wet die de ouders eerst moeten aanspreken voordat het college aan zet is (zie ook artikel 12, elfde lid). Het aantal behandelingen vaktherapie dat in de beschikking is opgenomen als vergoed door het college, wordt in dat geval verminderd met het aantal sessies dat door de zorgverzekeraar wordt vergoed.

Artikel 15. Weigeringsgronden individuele voorzieningen

Als niet voldaan wordt aan de voorwaarden en criteria gesteld in deze verordening wordt de aanvraag om een individuele voorziening geweigerd. Ook als jeugdige en ouders weigeren om de gevraagde medewerking te verlenen kan dit een weigeringsgrond zijn. Voor de duidelijkheid hebben we een aantal weigeringsgronden, buiten die van de Awb, in dit artikel opgenomen. In artikel 19 staan aanvullend nog een aantal weigeringsronden die van toepassing zijn bij het verzoek tot het verstrekken van de individuele voorziening in de vorm van een pgb.

Artikel 16. Kinderopvang en buitenschoolse opvang

In deze bepaling wordt geëxpliciteerd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is.

Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang.

Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door pedagogische professionals kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen.

Artikel 17.

Ouders hebben een onderhoudsplicht (artikel 1:392 BW). Zij blijven verantwoordelijk voor de kosten van hun kind, zelfs als het niet meer thuis woont of onder voogdij staat. Een burgervoogd is niet onderhoudsplichtig. Alleen als ouders de kosten niet dragen, kan de gemeente de bijzondere kosten vergoeden. Het kan hierbij gaan om ouders die de kosten niet kunnen dragen, maar ook ouders die de kosten, ondanks pogingen daartoe, niet willen dragen. Het kind mag niet de dupe worden van de keuzes van de ouders. Verder moet duidelijk zijn dat de burgervoogd geen recht heeft op kindertoeslag. Dit is aan de orde als ouders de kindertoeslag nog ontvangen (en vaak toch niet bijdragen in de kosten voor hun kind). Ontvangen ouders geen kindertoeslag meer, dan moet de burgervoogd bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aantonen dat hij minimaal € 522,- per kwartaal aan kosten maakt (prijspeil 2025). Zo hoog zullen de kosten in zijn algemeenheid niet zijn. Burgervoogden maken reiskosten om bijvoorbeeld de jeugdige te bezoeken en aanwezig te zijn bij overleggen op school of bij de jeugdhulpaanbieder. Daarnaast maakt hij of zij kosten voor de jeugdige waarvoor geen andere mogelijkheden tot vergoeding zijn bv. bepaalde benodigdheden voor een vakopleiding, reiskosten om ouders te bezoeken of de kosten van een ID.

Kan op geen enkele andere manier in deze kosten worden voorzien, dan kan een burgervoogd een beroep doen op de gemeente.

Artikel 18. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening

Eerste tot vierde lid

Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt toegekend (of afgewezen) op basis van een schriftelijke beschikking. Ook als in de tussentijd de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening wijzigen, stuurt het college een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag of wijzigingen in de wet- en/of regelgeving. Hiertegen kan de jeugdige en/of zijn ouder(s) bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daaropvolgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen.

Vijfde lid

In het vijfde lid staat vermeld welke informatie verder in de beschikking is opgenomen als het een voorziening in natura betreft.

Zesde en zevende lid

In het zesde en zevende lid is opgenomen welke informatie aanvullend op lid 4 en 5 in de beschikking voor een pgb moet worden opgenomen. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag of wijzigingen in de wet- en/of regelgeving. Hiertegen kan de jeugdige en/of zijn ouder(s) bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daaropvolgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen.

HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB

In de wet zijn de pgb-vaardigheid, de motivatie en de kwaliteit randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een pgb. In dit hoofdstuk wordt geconcretiseerd op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven bij de beoordeling van een verzoek om een pgb. Ook worden de randvoorwaarden die verbonden zijn aan de besteding van het pgb in dit hoofdstuk uitgewerkt.

Artikel 19.: Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb

Eerste lid

Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. Zo stelt het college een format vast voor een pgb-plan dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met de aanvraag voor een pgb moet indienen. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het pgb-plan dient te zijn opgenomen.

Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 21 van de verordening. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn.

Tweede lid

De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. In de wet zijn de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb in het kort als volgt geformuleerd:

  • a.

    de jeugdige of zijn ouders zijn op eigen kracht of met gekwalificeerde hulp voldoende in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

  • b.

    de jeugdige of zijn ouders stellen zich gemotiveerd op het standpunt dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; en

  • c.

    de individuele voorziening die men in wil kopen is van goede kwaliteit.

Derde lid

Om een besluit te kunnen nemen over de aanvraag is het noodzakelijk dat het college minimaal één gesprek heeft met de beoogd budgetbeheerder.

Artikel 20: Weigeringsgronden om in aanmerking te komen voor een pgb

Eerste lid

Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van toepassing is. Dit is imperatief geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura waarvoor in artikel 4.1.1, eerste lid, van de wet al eisen zijn gesteld, op een verantwoorde manier wordt verleend: ‘waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder’.

Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening (artikel 8.1.1, lid 4 onder a van de wet). De situatie waarin het door de jeugdige of zijn ouders beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. De jeugdige of zijn ouders kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder hoger is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod.

Tweede lid

In het tweede lid wordt, niet limitatief geregeld, wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Indien deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet.

Derde lid

Voor alle jeugdhulp in spoedeisende situaties is geen pgb mogelijk. Deze hulp heeft een acuut karakter en moet dus direct worden ingezet. Er is dan nog geen sprake van geïndiceerde jeugdhulp op basis van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van deze verordening. In zo’n geval is de jeugdhulp voorlopig niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een individuele voorziening blijkt noodzakelijk, dan kan de jeugdige en/of zijn ouder uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.

Van ondersteuning in een acute (spoedeisende) situatie, artikel 2.5, derde lid, van de wet, is bijvoorbeeld sprake bij crisishulp, crisisopvang, spoedhulp en spoedopvang.

Vierde lid

Sommige vormen van jeugdhulp vragen zodanige deskundigheid dat inzet van een informele hulp niet aan de orde is. In bijlage 1 bij deze verordening is dit nader uitgewerkt.

Artikel 21. Pgb-vaardigheid

Eerste lid

Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet).

Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb.

Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf):

  • 1.

    Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, cq. zorgvraag);

  • 2.

    Inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt);

  • 3.

    Goed werkgeverschap;

  • 4.

    Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg;

  • 5.

    Voeren van een administratie;

  • 6.

    Verantwoording afleggen en contact met de gemeente; en

  • 7.

    In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT-vaardig.

Deze vaardigheden zijn samen met het pgb-plan de basis om de benodigde kennis en vaardigheden van de beoogd budgethouder vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgb-vaardigheid’ (https://open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf). In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd.

Mocht de jeugdige en/of ouders, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten.

Tweede lid

In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake.

1. Problematische schuldenproblematiek: Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert.

Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’.

Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door NVVK wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen.

2. Ernstige verslavingsproblematiek: Ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam, hierna: CDT of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of budgetbeheerder, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat beoogd budgethouder of budgetbeheerder verslaving gerelateerd gedrag vertoont.

3. Aangetoonde fraude begaan in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag: Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.

4. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid.

5. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Zorg in natura (ZIN) past vaak beter in het zorgbelang van de jeugdige.

6. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat hij daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel.

7. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) is en doet in relatie tot het pgb.

8. Het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder.

Artikel 22. Formele hulp vanuit een pgb

Afhankelijk van de hulpvraag kan het college formele of informele hulp inzetten via een pgb. Voor informele hulp hanteert de gemeente een ander tarief dan voor formele hulp. Dit sluit aan bij de systematiek die de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) hanteert.

Formele hulp

Van formele hulp is, kortweg, sprake als de jeugdhulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De jeugdhulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (zzp-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG- of SKJ-registratie heeft.

Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociaal netwerk van de budgethouder komt. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociaal netwerk, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling. In het kader van deze verordening geldt dat als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook personen uit het sociaal netwerk met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.

Artikel 23. Informele hulp vanuit een pgb

Informele hulp is alle jeugdhulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen.

Lid 2 geeft het college de mogelijkheid om door een onafhankelijke deskundige te laten beoordelen of de voorgedragen informele hulp ook daadwerkelijk instaat is de noodzakelijke hulp te bieden. Het gestelde in lid 3 kan daarbij worden betrokken. Valt deze beoordeling negatief uit dan kan de betreffende persoon niet als informele hulp worden ingezet.

Artikel 24. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend, zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige en/of ouder.

Een formele hulpverlener die op basis van een pgb werkt, moet voldoen aan de eisen zoals omschreven in het de overeenkomst individuele voorzieningen jeugdhulp en het bijbehorende productenboek. De door het college met de gecontracteerde aanbieders overeengekomen administratieve eisen gelden niet, tenzij deze landelijk zijn voorgeschreven.

Artikel 25. Hoogte pgb

In de verordening wordt in ieder geval bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c van de Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde jeugdhulp in te kunnen kopen. Ook als de jeugdhulp wordt betrokken van het sociaal netwerk.

Eerste lid

In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor formele jeugdhulp, die dus voldoet aan alle kwaliteitseisen uit de Jeugdwet. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de jeugdhulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief.

Tweede lid

In deze bepaling is in feite een minimum vastgelegd voor de hoogte van het pgb in individuele situaties. Uit de Jeugdwet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee passende jeugdhulp kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid, is over het algemeen aan deze voorwaarde voldaan. Wel moet het college in ieder individuele situatie toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde jeugdhulp kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de passende jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Daarmee wordt aangesloten bij Wmo-jurisprudentie, die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de Jeugdwet geldt (zie CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO).

Derde lid

In deze verordening is het pgb-tarief voor informele hulp vanaf 21 jaar gebaseerd op 100% van het wettelijk minimumloon, € 15,55 (inclusief vakantiebijslag, prijspeil juli 2025). De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, is een tarief op basis van het wettelijk minimumloon passend geacht.

Met de ministeriële regeling voor jeugdhulp uit het sociaal netwerk bestaat per 1 mei 2019 de mogelijkheid om de verstrekking van vergoedingen voor informele hulp uit een pgb, zo te regelen dat er niet ongewenst een arbeidsrelatie ontstaat. Op basis van deze regeling kunnen budgethouders aan hun informele hulpverlener, vanuit het pgb een tegemoetkoming of vergoeding voor gemaakte kosten geven. Deze tegemoetkoming/onkostenvergoeding valt niet onder de werking van de Wml of overige wetten van het arbeidsrecht.

De gemeente heeft ervoor gekozen om deze regeling toe te passen door aan budgethouders die geen arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht met hun informele hulpverlener wensen, per kalendermaand een tegemoetkoming en/of tegemoetkoming voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten te verstrekken.

De budgethouder moet een verklaring indienen bij de SVB om de tegemoetkoming uit te laten betalen aan zijn hulpverlener. Een budgethouder mag voor dezelfde hulpverlener niet zowel een verklaring als een overeenkomst bij de SVB indienen. De budgethouder moet dus de keuze maken tussen het verstrekken van een tegemoetkoming/onkostenvergoeding aan zijn informele hulpverlener, of het sluiten van een overeenkomst met zijn hulpverlener waarop de Wml van toepassing is.

Vierde lid

Vanuit het pgb mag geen maandloon worden betaald. De hulpverlener levert maandelijks een overzicht van de gewerkte uren in. Na akkoord door de budgethouder of budgetbeheerder kan de SVB tot betaling overgaan.

Artikel 26. Uitgesloten van pgb

Het pgb heeft tot doel dat passende jeugdhulp wordt ingezet. Daarom komen niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Deze kosten worden in dit artikel opgesomd.

Onder sub b. belangenbehartiging valt ook het lidmaatschap van Per Saldo. Ook kosten voor deskundigheidsbevordering en informatiematerialen voor de budgethouder of -beheerder zijn uitgesloten van bekostiging uit het pgb.

Sub e. Een pgb is bedoeld voor jeugdhulp in Nederland. Soms is het wenselijk dat de jeugdhulp doorloopt in de vakantie. Daarvoor moet altijd vooraf toestemming worden gevraagd aan het college. De in te zetten jeugdhulp moet wel voldoen aan de in deze verordening gestelde voorwaarden.

HOOFDSTUK 6. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK

Artikel 27. Inlichtingen

Eerste lid

Aan het ‘repareren’ van de gevolgen van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s gaan pogingen vooraf om onterechte voorzieningen en betaling van pgb’s te voorkomen. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de jeugdige en ouders en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen.

Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.6, van de wet, waarin is bepaald dat het college de jeugdige en zijn ouder vooraf informeert over de gevolgen van de keuze voor een budget in plaats van een individuele voorziening. In deze verordening wordt de inlichtingenplicht van het college breder getrokken, zodat het college de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

Tweede lid

Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura en de wettelijk vertegenwoordiger. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura en van de wettelijk vertegenwoordiger kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.

Artikel 28. Niet meewerken ouder(s)

Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om een individuele voorziening al dan niet in vorm van een pgb te weigeren, of te heroverwegen als de jeugdige en/of ouders niet meewerken aan onderzoek naar de noodzaak of doelmatige inzet van de jeugdhulp.

Artikel 29. Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering

Eerste lid

Op grond van artikel 8.1.3, van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Het eerste lid breidt deze opdracht uit naar alle individuele voorzieningen, ongeacht de vorm van de verstrekking. Ook wordt aan het college de bevoegdheid verleend om op dit punt nadere regels te stellen.

Tweede lid

Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken, herzien of opschorten. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.

De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4, van de wet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Verder breidt de bepaling de herzienings-/intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Vanuit het grote belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen vormt gebruikmaking van deze bevoegdheid uiteraard het uitgangspunt, maar de individuele situatie van de betrokkenen dient uitdrukkelijk ook in de afweging te worden betrokken. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt herziening en terugvordering van begunstigende beschikkingen indringender getoetst wordt aan het evenredigheidsbeginsel. Bij de beoordeling of redelijkerwijs tot intrekking, herziening of opschorting is overgegaan, moet niet alleen rekening gehouden worden met de gevolgen van een dergelijk besluit, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij spelen alle feiten en omstandigheden van de situatie, en ook de evenredigheid, een rol. Het college is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Uitgangspunt hierbij zal een intensieve toetsing door de bestuursrechter zijn (CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726).

Derde en vierde lid

Van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen 3 maanden gebruik maken van hun indicatie door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het gaat om een pgb, het pgb binnen 3 maanden zullen inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie is verouderd en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat de verstrekte voorziening niet langer passend is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele voorziening in te trekken.

Vijfde en zesde lid

In de wet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4, derde lid, van de wet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Dit geldt ook voor het invorderen van de geldschade als gevolg van een onterecht verstrekte voorziening in natura. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.

Zevende lid

In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.

Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de Sociale Verzekeringsbank (SVB) te verzoeken over te gaan tot opschorting hier opgenomen. Dit in overeenstemming met artikel 8b, zesde lid, onder g, van de Regeling Jeugdwet. Het college kan een verzoek enkel doen als een gegrond vermoeden is gerezen dat:

  • 1)

    de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid (onderdeel a);

  • 2)

    de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb (onderdeel d); of

  • 3)

    de jeugdige of zijn ouders pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is (onderdeel e).

Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of zijn ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met steun uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de jeugdhulp, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting.

Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56, van de Awb en onder de Wlz. Het college kan de SVB steeds opnieuw gemotiveerd verzoeken de opschorting met 13 weken te verlengen, totdat bv. een nader onderzoek is afgerond.

Op grond van het zevende lid kan het college daarnaast de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder g. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening in de vorm van pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg.

Achtste en negende lid

Hierin is opgenomen in welke situaties het colleges kan overgaan tot terugvordering van het pgb en de termijn waarin de factuur moet worden voldaan.

Artikel 30. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s

Deze bepaling betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Eerste lid

In de wet is geregeld dat de landelijke inspectie toezicht houdt op de kwaliteit van de jeugdhulp. Toezicht op de rechtmatigheid is in de wet niet geregeld. In het eerste lid is opgenomen dat het college ook voor de wet toezichthouders aanwijst, die specifiek zien op de rechtmatigheid. Daarmee is voor dit toezicht de wettelijke basis gelegd.

Tweede en derde lid

Op grond van artikel 8.1.3, van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 8.1.3, van de wet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is artikel 28, tweede en derde lid toegevoegd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek met betrekking tot individuele voorzieningen in natura en in de vorm van een pgb.

Op grond van het derde lid moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3, van de wet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een pgb-houder of beheerder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder.

Vierde tot zevende lid

De bevoegdheden van de toezichthouders en verplichting om mee te werken met het onderzoek van de toezichthouder worden in dit artikel geregeld.

Artikel 31. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik

Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura en in vorm van pgb’s te waarborgen en fraude te voorkomen.

Het college stuurt op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp. Door regelmatig te toetsen of de indicatie nog correct is en of de resultaten die zijn afgesproken ook worden behaald, wordt aandacht geschonken aan de doelmatigheid van individuele voorzieningen.

HOOFDSTUK 7. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN

In dit hoofdstuk wordt de afstemming tussen de jeugdhulpplicht ten opzichte van andere wettelijke voorzieningen geregeld.

Waar het de afbakening met andere wetgeving betreft, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wmo 2015, is artikel 1.2, van de wet van toepassing. Als de jeugdige aanspraak kan maken op zorgverlening op grond van één van deze (andere) wetten, dan is de wet niet van toepassing. Als echter i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de wet, dan is het college gehouden een voorziening te treffen op basis van de wet. Ook de voorziening als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de wet is uitgezonderd van het uitgangspunt dat geen voorziening op grond van de wet hoeft te worden verstrekt als aanspraak bestaat op de Wlz, de Zvw, of de Wmo 2015.

Een andere belangrijke wettelijke afbakening is te vinden met onderwijswetgeving. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de wet. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit onderwijswetgeving is deze wetgeving voorliggend op de wet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de wet.

Als een gedragswetenschapper Ernstige Dyslexie (ED) vaststelt, maar daarvoor géén behandelindicatie afgeeft, dan is geen sprake van jeugdhulp. Dat betekent dat onderwijs in dat geval (ook voor deze jeugdige) verantwoordelijk blijft voor goed lees- en spellingsonderwijs in de klas, eventuele extra begeleiding in de klas en andere specifieke interventies. Het onderzoek van de gedragswetenschapper is overigens wél een vorm van jeugdhulp onder de wet. Intelligentietesten die worden afgenomen met een ander doel dan ten behoeve van onderwijs en het vaststellen van de behoefte aan behandeling van leerstoornissen, huiswerkbegeleiding, remedial teaching of motorische remedial teaching (MRT), begeleiding op school (voor zover gericht op het leerproces), dyscalculie, behandeling stoornis op gebied van leren en begeleiding bij ernstige taal- en spraakmoeilijkheden, vallen evenmin onder jeugdhulp.

Artikel 32. Voorliggende voorzieningen

Eerste en tweede lid

Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de wet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de wet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoel in de Zorgverzekeringswet. Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de wet te treffen indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van één van deze wetten, dan is de wet niet van toepassing.

Wel geldt volgens dit artikel dat als (i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en (ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de wet, het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de wet. Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt in dat kader: “Om te voorkomen dat de jeugdige in dit geval niet weet waar hij kan aankloppen voor de nodige hulp is bepaald dat in die gevallen de gemeente verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde voorziening” (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 127).

Het eerste en tweede lid maken, in het kader van de afbakening van de jeugdhulpplicht, duidelijk dat op het moment dat het college op grond van de wet niet gehouden is een voorziening te verstrekken, er ook geen jeugdhulpvoorziening wordt verstrekt.

Derde en vierde lid

Op het moment dat er een aanvraag wordt gedaan, terwijl er aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan worden de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen de wal en het schip vallen. Bij een verwijzing naar zorg op grond van de Wlz kan tevens cliëntondersteuning worden ingeschakeld om de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger te ondersteunen bij het aanvraagproces.

Artikel 33. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning

Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer een jeugdige of ouder op grond van de wet ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de jeugdhulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar ondersteuning vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. Op grond van artikel 32 lid 2 van de verordening is het college ervoor verantwoordelijk dat een jeugdige of diens ouder(s) zoveel mogelijk de juiste jeugdhulp op grond van de wet ontvangt en dat wordt voorkomen dat de jeugdige of diens ouder(s) tussen de wal en het schip vallen.

Eerste lid

Het eerste lid bevat een opsomming van wetten op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen zijn bij het inzetten van jeugdhulp. Met de opname van deze wetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief.

Tweede en derde lid

Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming.

Vierde lid

Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen.

Artikel 34. Overgang 18- naar 18+

Als de jeugdige na het 18e jaar nog ondersteuning nodig heeft, waarborgt het college de continuïteit van de hulp en de ondersteuning. Dit houdt in dat de overgang naar een andere wet door het college begeleidt wordt. Of dat verlengde jeugdhulp tijdig wordt ingezet. Om voor een jeugdige een goede overgang te hebben van de ingezette ondersteuning wordt al voor het 18e jaar gekeken naar wat na het 18e jaar nodig is. Het doel hiervan is om overgangsproblemen te voorkomen en om vanaf het 18e jaar de ondersteuningsbehoefte zo klein mogelijk te houden. Dit vraagt wel extra bewustwording bij jeugdige, ouders en hulpverleners. Zij stellen gezamenlijk een perspectiefplan op. In het perspectiefplan wordt, naast de zorg ook aandacht besteed aan aspecten als huisvesting, inkomen, werk/opleiding en welzijn na het 18e jaar.

HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT

Artikel 35. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige en/of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.11, tweede lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Eerste lid

Artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet voorziet in nadere criteria, zogenoemde kostprijselementen, voor het bepalen van een reële prijs bij de inkoop van jeugdzorg door gemeenten, die in de verordening moeten worden opgenomen. Dit artikel voorziet hierin. Het college bepaalt, met inachtneming van deze kostprijselementen, de te betalen prijzen voor de in te kopen jeugdhulp.

Tweede en derde lid

Artikel 2.3, van het Besluit Jeugdwet geldt voor alle inkoop door het college en voor door hen verleende subsidies voor zover deze het daadwerkelijk verlenen van jeugdzorg volledig bekostigen. Overeenkomstig dit besluit wordt in het tweede en derde lid verplicht gesteld dat in contracten tussen het college en aanbieders, of in de subsidievoorwaarden, wordt opgenomen dat een aanbieder in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen, prijs betaalt.

HOOFDSTUK 9. KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP

Artikel 36. Vertrouwenspersoon

In artikel 2.5, tweede lid van de Jeugdwet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen en/of hun ouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. Deze taak is belegd bij Jeugdstem (voorheen het Advies en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) Gelderland) vertrouwenspersonen in de jeugdhulp. De Jeugdwet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven.

Artikel 37. Klachtregeling

Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn, zie hoofdstuk 9 van de Awb. In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. Op klachten over medewerkers van het CJG, ook als deze werkzaam zijn binnen Samen055, is de klachtenregeling van het CJG van toepassing. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open als het de toegang naar jeugdhulp betreft.

Artikel 38. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3 lid 3 van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid.

Derde lid

Met het derde lid geeft het college invulling aan de medezeggenschap. Voor Apeldoorn is dit geregeld in de Verordening Cliëntenparticipatie Sociaal Domein Apeldoorn.

HOOFDSTUK 10. SLOTBEPALINGEN

Artikel 39. Overgangsrecht, intrekking van de oude verordening

Het is noodzakelijk om duidelijke overgangsbepalingen vast te stellen voor met name de situatie dat er sprake is van:

  • Een verstrekte voorziening op grond van een bepaling die niet meer geldend is;

  • Een bezwaarschrift over een besluit dat betrekking heeft op een periode waar afwijkende regelgeving gold dan op het moment van indiening van het bezwaarschrift;

  • Terugvordering.

Dat is met deze bepaling geregeld. Een besluit voor een verstrekte individuele voorziening blijft gehandhaafd totdat het besluit wordt ingetrokken of de looptijd van het besluit is verstreken. Bij aanvragen waarop nog geen besluit is genomen geldt deze verordening.

Bij de behandeling van een bezwaarschrift wordt deze nieuw vastgestelde verordening toegepast, tenzij heroverweging op basis van de regelgeving die gold op het moment waarop het besluit is genomen c.q. de periode waarop de terugvordering betrekking heeft, leidt tot een gunstiger resultaat voor de bezwaarmaker of geadresseerde van het terugvorderingsbesluit.

Artikel 40. Geen bepalingen

Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in alle niet voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken.

Artikel 41. Hardheidsclausule

Ook al worden er binnen de Jeugdwet zorgvuldige afwegingen gemaakt, het college zal er niet aan ontkomen om, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Als ondanks de zeer persoonlijke beoordeling van de hulpvraag nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Ook de jeugdige en/of zijn ouders kunnen een beroep doen op deze clausule.