Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758348
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758348/1
Beleidsregels voor waterkwantiteit, waterkering en grondwater behorende bij de Waterschapsverordening Waterschap Aa en Maas 2026
Geldend van 09-03-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels voor waterkwantiteit, waterkering en grondwater behorende bij de Waterschapsverordening Waterschap Aa en Maas 2026Het dagelijks bestuur van waterschap Aa en Maas;
overwegende dat het dagelijks bestuur van waterschap Aa en Maas op 19 september 2023 de ‘Beleidsregels voor waterkwantiteit, waterkering en grondwater behorende bij de waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2024’ (hierna: Beleidsregels) heeft vastgesteld. Deze is inwerking getreden op 1 januari 2024;
het streven is om de regelgeving van het waterschap in beginsel ten minste éénmaal per jaar te evalueren en eventueel te herzien;
gelet op voorgaande heeft dit ertoe geleid dat er enkele (redactionele) onvolkomenheden zijn geconstateerd, en daarnaast enkele beleidsregels inhoudelijk zijn gewijzigd c.q. verduidelijkt, en tot slot enkele nieuwe beleidsregels zijn toegevoegd;
overwegende dat de ‘Beleidsregels waterkwantiteit, waterkering en grondwater behorende bij de waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2026’ van 2 december 2025 tot en met 12 januari 2026 ter inzage hebben gelegen en hiertegen geen zienswijzen zijn ontvangen;
omwille van de omvang van de wijzigingen vindt er een geheel nieuwe vaststelling plaats van de Beleidsregels;
gelet op onder andere de Omgevingswet, de Algemene wet bestuursrecht, en de Waterschapsverordening waterschap Aa en maas 2024;
B E S L U I T :
- 1.
in de ‘Beleidsregels waterkwantiteit, waterkering en grondwater behorende bij de waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2024’ in te trekken per 9 maart 2026;
- 2.
De ‘Beleidsregels voor waterkwantiteit, waterkering en grondwater behorende bij de waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2026’’ vast te stellen en inwerking te laten treden per 9 maart 2026.
Inleiding beleidsregels
- 1.
Waterschapsverordening
Het waterschap is bevoegd om nadere regels te stellen aan activiteiten en handelingen die mogelijk een nadelig effect hebben op het watersysteem. Dit met als doel het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Betreffende regels zijn in de waterschapsverordening vastgelegd met een aantal gebods- en verbodsbepalingen. De waterschapsverordening is een verordening van het waterschap vastgesteld door het algemeen bestuur en heeft betrekking op het waterkeringsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer (inclusief grondwater) en waterkwaliteitsbeheer.
Veel voorkomende werkzaamheden die onder voorwaarden kunnen worden toegestaan, reguleert het waterschap zoveel mogelijk via vergunning vrije gevallen en bijbehorende algemene regels in de waterschapsverordening. Hiermee worden tijdrovende en onnodige vergunningprocedures voorkomen
- 2.
Beleidsregels
Daar waar niet aan de vergunningvrije gevallen en algemene regels uit de waterschapsverordening kan worden voldaan, bestaat de mogelijkheid een vergunning voor de werkzaamheden aan te vragen. Als het gevraagde vergunbaar is, kunnen nadere regels aan de wijze van uitvoering en onderhoud worden gesteld. Het waterschap hanteert beleidsregels om op eenduidige wijze te kunnen bepalen of en hoe een activiteit of handeling kan worden vergund. Het doel van deze beleidsregels is aan te geven hoe het dagelijks bestuur van het waterschap omgaat met zijn bevoegdheid om vergunning te verlenen van de gebods- en verbodsbepalingen die in de waterschapsverordening zijn opgenomen. Deze beleidsregels voorkomen dat bij het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning ieder keer een volledige belangenafweging moet worden gemaakt. Deze beleidsregels geven de algemeen te volgen lijn aan. In individuele gevallen kan het noodzakelijk zijn om toch af te wijken van de beleidsregels. Bijvoorbeeld als dit zou leiden tot onredelijke situaties of dit zou kunnen leiden tot een ongewenste waterhuishoudkundige situatie. Het dagelijks bestuur van het waterschap blijft daarom altijd bevoegd in het individuele geval gemotiveerd af te wijken van de beleidsregels. In deze beleidsregels zijn de uitgangspunten voor het al dan niet verlenen van een vergunning nader uitgewerkt, en ze vormen dan ook het toetsingskader bij vergunningverlening. Ook kunnen andere (separate) beleidsregels van het waterschap aan de orde zijn als toetsingskader.
Vergunning eigen dienst
Een vergunning eigen dienst is een vergunning voor een wateractiviteit die het dagelijks bestuur van het waterschap aan zichzelf verleent, voor zover een vergunningplicht geldt op grond van de Omgevingswetgeving (het Besluit activiteiten leefomgeving of de waterschapsverordening).
De beleidsregels die het waterschap heeft voor vergunningverlening op grond van de waterschapsverordening zijn in beginsel bedoeld voor het beoordelen van activiteiten van anderen dan het waterschap.
Het grote verschil tussen activiteiten van anderen en activiteiten van het waterschap zelf, is dat de activiteiten van anderen vrijwel altijd een andere aanleiding hebben dan het correct functioneren van het watersysteem. Van activiteiten die het waterschap vanuit de kerntaken (zie artikel 2.17 Omgevingswet) uitvoert, mag aangenomen worden dat het correct functioneren van het watersysteem hoofdzakelijk wel de aanleiding is.
Gelet op de positie van het waterschap in de leefomgeving met haar specifieke taken en deskundigheid ten behoeve van de waterstaatkundige verzorging van het gebied, kan het in concrete gevallen nodig zijn dat er bij vergunningverlening aan het waterschap zelf, gemotiveerd wordt afgeweken van het standaardbeleid. Om deze reden is bijvoorbeeld in beleidsregel 5 (duikers en bruggen) een aanvullend toetsingskader opgenomen voor de aanleg van duikers en bruggen door of namens het waterschap in het kader van het doelmatig kunnen uitvoeren van het onderhoud aan a-watergangen.
- 3.
Relatie tot andere wet- en regelgeving
In de Waterschapswet (artikel 56) is bepaald dat het waterschapsbestuur bevoegd is tot regeling en bestuur ter behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen. Dit betekent dat het waterschapsbestuur een autonome bevoegdheid heeft tot het stellen van regels. Dergelijke regels zijn onder andere vastgelegd in de waterschapsverordening. Waterkwaliteitsaspecten zijn geregeld in landelijke wet- en regelgeving, zoals de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor een deel zijn waterkwaliteitsregels echter ook onderdeel van de waterschapsverordening, in eerste instantie bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet via de Bruidsschat. Ook andere wet- en regelgeving kunnen aan de orde zijn. Vastgestelde ecologische functies zijn aangegeven in het waterbeheerprogramma en de provinciale Omgevingsvisie.
- 4.
Uitleg opbouw beleid
Alle toetsingscriteria zijn cumulatief, tenzij een of-bepaling is opgenomen.
- 5.
Toestemming eigenaar en participatie
Een duiker in een a-water van het waterschap. Een vlonder op het talud van de gemeente. Dat zijn enkele voorbeelden van aanvragen waarbij eigendommen van anderen dan de aanvrager betrokken zijn.
Als de toestemming van de eigenaar een bijlage is bij de aanvraag, is het duidelijk dat de eigenaar betrokken is bij de aanvraag en dat deze geen bezwaren heeft. Het is ook duidelijk dat de aanvrager belanghebbende is. Zonder toestemming van de eigenaar geldt dat de aanvrager geen belanghebbende is en er geen sprake is van een aanvraag zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Een aanvraag is namelijk een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen.
Niet alleen de toestemming van andere eigenaren is van belang bij een aanvraag. De aanvrager dient bij het indienen van de aanvraag aan te geven of, en zo ja, op welke manier participatie met belanghebbenden heeft plaatsgevonden. Deze informatie kan het waterschap betrekken bij de integrale belangenafweging. De aanvrager van een omgevingsvergunning (voor een wateractiviteit) is dus aan zet om naast het bereiken van overeenstemming met betrokken eigena(a)r(en) ook afstemming te zoeken met de omgeving.
Beleid oppervlaktewater
1. Beleidsregel peilafwijkingen in een oppervlaktewaterlichaam, waaronder begrepen onderbemalingen
1.1. Kader
1.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen. Op grond van dit artikel is het onder meer verboden om zonder vergunning het waterpeil in een oppervlaktewaterlichaam te wijzigen door middel van een werk; daaronder begrepen de onderbemaling.
1.1.2. Begripsbepaling
Onderbemaling: Bij onderbemaling kan worden gedacht aan het afdammen van watervoerende wateren en het plaatsen van een pomp. De reden om een onderbemaling in te stellen is meestal om het land geschikt te maken voor gebruik door de drooglegging te vergroten. Daarnaast valt te denken aan onderbemalingen ten behoeve van een specifieke agrarische functie. Een peilverhoging in landelijk gebied gebeurt meestal om natuurwaarden, archeologische of cultuurhistorische waarden te beschermen. In het stedelijk gebied wordt het peil meestal veranderd om de bebouwing te beschermen.
Beschermde gebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. De beschermde gebieden zijn overgenomen uit de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hieronder valt het Natuurnetwerk Brabant (Natuurnetwerk Brabant is onderdeel van Natuurnetwerk Nederland, voorheen de ecologische hoofdstructuur) (NNB - opgevuld), inclusief de ecologische verbindingszones (EVZ).
Attentiegebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. Bij de attentiegebieden gaat het om beschermingsgebieden van gemiddeld 500 meter rond de zogenaamde "natte natuurparels". Rond de Groote Peel is de 2 kilometerzone uit het aanwijzingsbesluit van de minister van LNV op grond van de Omgevingswet als beschermingsgebied overgenomen. De begrenzing is overgenomen uit de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zij maken samen met de natte natuurparels deel uit van de ´Attentiezones waterhuishouding’ in de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Beekdalen: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. De beekdalen betreffen kwelgebieden in het agrarisch gebied die hydrologisch gezien tot de meest waardevolle gebieden van het beheergebied van het waterschap gerekend kunnen worden.
Wijstgronden: Gronden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. Het betreft een uniek geohydrologisch verschijnsel dat zich langs de Peelrandbreuk voordoet. De Peelrandbreuk vormt de overgang tussen de zakkende gronden (slenk) en stijgende gronden (horst) in Oost-Brabant. Langs de breuklijn schuren de gronden langs elkaar waardoor deze slecht doorlatend wordt voor grondwater. Het verschijnsel dat de grondwaterstand op de hoger gelegen horst duidelijk hoger ligt dan in de lagergelegen slenk, wordt als wijst getypeerd. Wijstgronden zijn de gebieden waar dit verschijnsel duidelijk zichtbaar is. Deze gebieden zijn overgenomen uit de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant.
1.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op het aanleggen van voorzieningen of activiteiten die peilafwijkingen tot gevolg hebben in alle a-wateren en het verwijderen van peilregulerende werken in b-wateren en c-wateren in gebieden met beschermende regels zoals bedoeld in de waterschapsverordening. Bij voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben kan gedacht worden aan stuwen, gemalen en dammen en inlaten van water.
1.2. Doel van de beleidsregel
In het geval van voorzieningen die peilafwijkingen tot gevolg hebben wordt het waterpeil en dus ook het watersysteem beïnvloed. Zo kan er een versnippering van het waterbeheer optreden, evenals een vermindering van het bergend vermogen. Voorkomen moet worden dat het watersysteem dusdanig negatief wordt beïnvloed dat het niet meer optimaal functioneert of dat de vastgelegde gebruiksfunctie (inclusief de ecologische) wordt geschaad. Voor de gebieden met beschermende regels wordt een waterhuishoudkundige bescherming voorgestaan gericht op het, bij voorkeur, verbeteren van de condities voor de natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities maar minimaal stand-still.
1.3. Motivering van de beleidsregel
1.3.1. Algemeen
Uitgangspunt van deze beleidsregel is dat peilafwijkingen geen nadelige effecten hebben voor het omliggende gebied. Het vastgestelde peil moet immers niet worden aangetast.
Bij het vaststellen van een peilbesluit en streefpeilen is zorgvuldig gekeken welke peilen het beste gehandhaafd kunnen worden binnen een gebied. Hierbij is een afweging gemaakt tussen de diverse belangen. Vergunningen tot peilafwijkingen dienen uitsluitend een specifiek doel, waarvan hertoetsing moet plaatsvinden bij het vaststellen van een nieuw peilbesluit of streefpeil. Daarom worden alleen tijdelijke vergunningen verleend voor de looptijd van het vigerende peilbesluit tot het einde van de geldigheidstermijn van dit peilbesluit. Hetzelfde geldt voor vergunningen voor kunstwerken in streefpeilgebieden.
1.3.2. Beschermde gebieden
Door aanpassing van het watersysteem in het verleden zijn veel natte natuurgebieden in Brabant verdroogd. Het Rijk heeft in 2008 een lijst vastgesteld van gebieden die met voorrang moeten worden hersteld. Binnen Brabant zijn deze gebieden bekend als natte natuurparels. Een aantal hiervan is aangemerkt als Natura 2000 gebied. Binnen het Natuurnetwerk Brabant dienen waterhuishoudkundige maatregelen in het teken van verdrogingsbestrijding te staan.
In inrichtingsplannen en beheerplannen (GGOR) zijn de natuurdoelen en de inrichting en beheermaatregelen ter realisatie en bescherming van deze doelen opgenomen. Deze plannen worden benut bij het beoordelen van werkzaamheden van derden.
Gewerkt wordt aan een verbetering van de hydrologische situatie voor de natuur. Heeft een activiteit een hydrologisch effect en is er daarbij sprake van een positief effect op de wezenlijke kenmerken van de natuur dan kan een individuele ingreep in beginsel plaatsvinden indien deze onderdeel uitmaakt van een combinatie van plannen, projecten of handelingen die cumulatief per saldo tot een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van het NNB en/of de Natura 2000 leidt (“nee tenzij”).
1.3.3. Attentiegebieden
De attentiegebieden vormen de buffer tussen de natte natuurparels en hun omgeving. De attentiegebieden zijn in eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologisch toestand binnen de natte natuurparels. Daarnaast kunnen in deze gebieden, waar nodig, compenserende maatregelen worden getroffen om uitstralingseffecten vanuit de natte natuurparels naar de omgeving te voorkomen. Het totaal aan maatregelen wordt tenminste getoetst op stand-still op de rand van de natte natuurparel. Bij voorkeur heeft het totaal aan maatregelen binnen deze zone een positief effect op de gewenste natuurontwikkeling binnen de beschermde gebieden.
1.3.4. Beekdalen
De beekdalen zijn gebieden in het agrarisch gebied die hydrologisch erg gevoelig zijn. Om de natuur, kenmerkend voor deze gebieden, te beschermen wordt eenzelfde beschermingsregime gehanteerd als bij de Beschermde gebieden.
1.3.5. Wijstgronden
In een intentieverklaring (2007) tussen provincie, waterschap, gemeenten, belangenorganisaties en terreinbeheerders zijn afspraken gemaakt om vijf wijstgebieden te herstellen.
Alle activiteiten die het wijstverschijnsel aantasten dienen te worden vermeden. Zoals het doorsnijden van de breuklijn of het treffen van voorzieningen om de grondwaterstand structureel te verlagen.
1.4. Toetsingscriteria
1.4.1. Algemeen
Uitgangspunt bij de beleidsregel peilafwijkingen is dat er geen nadelige effecten ontstaan voor het omliggende gebied. Peilafwijkingen mogen daarom geen ontoelaatbare gevolgen hebben voor:
- 1.
de versnippering van het watersysteem, waarbij de onderlinge samenhang van het systeem minder goed te beheren is, zowel voor waterkwantiteit als voor waterkwaliteit;
- 2.
de bergingscapaciteit van het watersysteem;
- 3.
de kwel en verzilting ten gevolge van de opwaartse druk van het grondwater bij peilverlagingen in het oppervlaktewater;
- 4.
schade aan gebouwen, infrastructuur, waterkeringen en doelstellingen van specifieke waterhuishoudkundige functies;
- 5.
toename van (ongelijkmatige) bodemdaling in het veengebied;
- 6.
landschappelijke-, natuur- en cultuurhistorische waarden.
Hierbij wordt bij de vergunningverlening gekeken naar (technische) mogelijkheden om de invloed op het vastgestelde peil en de ecologische doelstellingen (zoals het vrij migreren van vissen) van het oppervlaktewaterlichaam zoveel als mogelijk te beperken. De gevolgen ten aanzien van afwenteling van wateroverlast en beperking van bergingscapaciteit moeten volledig te ondervangen zijn door het stellen van voorschriften.
Een voorbeeld hiervan is het toepassen van horizontale drainage in combinatie met een centrale afvoerpomp naar het oppervlaktewaterlichaam in plaats van een onderbemaling in een oppervlaktewaterlichaam. Bij drainage wordt de grondwaterstand op perceelniveau aangepast, maar verandert het vastgestelde peil in het oppervlaktewaterlichaam nauwelijks. Een peilverandering kan wel optreden als water vanuit het oppervlaktewater in drainagesystemen wordt ingelaten, met name bij gestuurde systemen.
1.4.2. Gebieden met beschermende regels
-
1. Beschermde gebieden en beekdalen
Peilafwijkingen die een structureel hydrologisch negatief effect hebben op de natuur gerichte waterhuishouding zijn niet toegestaan. Peilafwijkingen die de waterhuishouding structureel aantasten kunnen alleen worden toegestaan als het hydrologisch negatief effect volledig wordt gecompenseerd. Ook indien de ingreep een gewenst effect heeft op de natuurfuncties, al is het doel van de ingreep niet primair op natuur gericht, dan kan de ingreep onder voorwaarden worden toegestaan.
De vastgestelde GGOR-visies dan wel -plan voor Natura 2000 gebieden en/of natte natuurparels gelden als toetsingskader. Daar waar deze nog niet zijn vastgesteld geldt een stand-stil met betrekking tot op moment van de aanvraag gehanteerde peilen. Als de effecten van peilafwijkingen negatief zijn, zal de vergunning geweigerd worden of zullen er voorwaarden aan de vergunning worden gesteld.
De compensatie door aanvullende maatregelen wordt beoordeeld door het waterschap.
In specifieke gebieden binnen het NNB en oppervlaktewaterlichamen met bijzondere natuurwaarde kan een peilafwijking onaanvaardbare gevolgen hebben voor het ecologische systeem. Dat kan reden zijn voor het weigeren van een vergunning of het eisen van extra (compenserende) maatregelen.
-
2. Attentiegebieden
Peilafwijkingen mogen geen structureel hydrologisch negatief effect hebben op de waterhuishouding in natte natuurparels. Peilafwijkingen die de gewenste waterhuishouding structureel aantasten kunnen alleen worden toegestaan indien het negatief effect volledig wordt gecompenseerd. Het effect van de peilafwijking wordt getoetst op de rand van de natte natuurparel.
De compensatie door aanvullende maatregelen wordt beoordeeld door het waterschap.
-
3. Wijstgronden
- a.
Activiteiten die tot een structurele daling van de grondwaterstand leiden, kunnen slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen.
- b.
Activiteiten die tot een structureel grotere afstand leiden tussen maaiveldhoogte en grondwaterstand kunnen slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen.
- c.
Het initiatief voor de aanvullende maatregelen ligt bij de aanvrager waarvan de hydrologische effectiviteit van de aanvullende maatregelen door het waterschap wordt beoordeeld.
- a.
1.4.3. Onderhoud en stabiliteit
De wijziging van het peil mag geen negatieve gevolgen hebben voor de wijze van het onderhoud van bestaande werken, of de watergang, of voor de stabiliteit van de taluds van de watergang en stabiliteit van de waterkering.
2. Beleidsregel Plaatsen van lijnvormige objecten haaks op wateren
2.1. Kader
2.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen. Op grond van dit artikel is het onder meer verboden om zonder vergunning in een a-water, of in de beschermingszone hiervan, of in een b-water handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.
2.1.2. Begripsbepaling
Lijnvormig object haaks op de watergang: een object dat over het algemeen ten doel heeft een terrein af te sluiten of af te schermen.
2.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op lijnvormige objecten haaks op de waterloop in de beschermingszone. Voor afrasteringen zijn vergunningvrije gevallen benoemd in de waterschapsverordening. De beleidsregel geldt niet voor de afrasteringen die voldoen aan de vergunningvrije gevallen en bijbehorende algemene regels.
2.2. Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van wateren als onderdeel van het totale watersysteem. In het geval van lijnvormige objecten haaks op wateren gaat het er met name om dat er voldoende ruimte overblijft voor doelmatig onderhoud aan de wateren, dat de stabiliteit van de oever wordt gewaarborgd en dat het ecologisch functioneren wordt gewaarborgd.
2.3. Motivering van de beleidsregel
2.3.1. Onderhoud
Langs a-wateren ligt een beschermingszone zoals vastgelegd in de beperkingengebieden horend bij de waterschapsverordening. Deze beschermingszones hebben tot doel dat doelmatig onderhoud met groot materieel door het waterschap kan worden uitgevoerd. De wijze van het uitvoeren van onderhoud wordt beheerst door de (beleids)regels van het waterschap. Het is niet de bedoeling om de wijze van uitvoering van onderhoud aan te passen aan individuele gevallen. Het plaatsen van een lijnvormig object haaks op de waterloop binnen de beschermingszone heeft dan ook tot gevolg dat het onderhoud vanaf de betreffende zijde van het water wordt belemmerd. De vraag of doelmatig onderhoud kan worden uitgevoerd is dan ook bepalend voor het al dan niet verlenen van een vergunning.
2.3.2. Stabiliteit van de oever en constructieve eisen
Een lijnvormig object haaks op de waterloop kan een vrij zware constructie zijn. Voorkomen moet worden dat het profiel van een waterloop wordt aangetast.
2.3.3. Ecologie
Het plaatsen van een lijnvormig object haaks op de waterloop al dan niet binnen de beschermingszone kan een negatief effect hebben op de waterdoelen, met name de ecologische waterdoelen. De vraag of er een negatief effect kan plaats vinden is bepalend voor het al dan niet verlenen van een vergunning.
Voornamelijk de migratie van fauna kan hier hinder van ondervinden.
2.3.4. Zakelijk recht
Daar waar het waterschap beschikt over een beschermingszone aan weerszijden van een watergang, wenst het waterschap deze beschermingszone zoveel mogelijk vrij te houden van objecten zodat het onderhoud optimaal kan worden uitgevoerd.
Het plaatsen van een object kan ervoor zorgen dat het onderhoud wordt belemmerd. Dit object beschouwen we dan als een obstakel. Een obstakel kan ervoor zorgen dat één van de beschermingszones die aan weerzijden van een watergang ligt niet optimaal benut kan worden voor het onderhoud. Het waterschap accepteert dit in beginsel in een drietal situaties:
- 1)
Op het moment dat het waterschap het perceel/de percelen aan de overzijde in eigendom heeft die nodig zijn om met de onderhoudsmachines een efficiënte route te kunnen rijden tijdens het uitvoeren van het onderhoud, is het uitvoeren van eenzijdig onderhoud geen probleem (mits voldaan wordt aan alle voorwaarden).
- 2)
Hetzelfde geldt voor de situatie waarbij degene die een obstakel wil plaatsen ook het perceel/de percelen aan de overzijde in eigendom heeft en akkoord is met het uitvoeren van eenzijdig onderhoud. Diegene dient dan wel het perceel/de percelen aan de overzijde in eigendom te hebben die nodig zijn om met de onderhoudsmachines een efficiënte route te kunnen rijden tijdens het uitvoeren van het onderhoud. Hierdoor blijft het uitvoeren van het onderhoud doelmatig.
Op deze eigenaar rust vanuit het privaatrecht wel de mededelingsplicht aan rechtsopvolgers om hen te attenderen op het geplaatste obstakel met als gevolg het uitvoeren van eenzijdig onderhoud aan de overzijde.
- 3)
Op het moment dat het perceel aan de overzijde in eigendom is van derden, zal degene die een obstakel wil plaatsen een zakelijk recht moeten vestigen met de eigenaar van het perceel/de percelen aan de overzijde van de watergang. Ook in dit geval moet een zakelijk recht gevestigd worden op het aantal percelen dat nodig is om met de onderhoudsmachines een efficiënte route te kunnen rijden teneinde doelmatig onderhoud te waarborgen. Met het zakelijk recht wordt notarieel vastgelegd dat door de perceeleigenaar akkoord wordt gegaan met het uitvoeren van eenzijdig onderhoud vanaf de obstakelvrije zijde. Hiermee is het ook voor rechtsopvolgers bekend dat het onderhoud jaarlijks eenzijdig wordt uitgevoerd vanaf die zijde.
Het is ook mogelijk dat op een efficiënte route voor het uitvoeren van onderhoud aan de overzijde meerdere situaties van toepassing zijn. In dat geval gelden de eisen cumulatief.
2.4. Toetsingscriteria
2.4.1. Onderhoud
-
1 Lijnvormige obstakels haaks op de waterloop worden zoveel mogelijk beperkt tot de kruising met openbare wegen of openbaar gebied.
-
2 Op de beschermingszone langs het oppervlaktewaterlichaam moet een doorgang worden geplaatst met een breedte van minimaal vier meter. Indien een kleinere beschermingszone is vastgesteld dan vier meter moet de doorgang minimaal de breedte van de vastgestelde beschermingszone hebben.
-
3 Eventueel aan te brengen slootwaaiers haaks op oppervlaktewaterlichamen mogen niet in het natte profiel worden geplaatst in verband met vuilophoping.
-
4 Het onderhoud mag door het lijnvormig obstakel haaks op de waterloop niet significant worden verzwaard.
-
5 Lijnvormige obstakels haaks op de waterloop, die niet voldoen aan punt 1 tot en met 4, kunnen worden toegestaan indien:
- -
de bovenbreedte van het oppervlaktewaterlichaam zodanig is dat het onderhoud vanaf 1 zijde mogelijk is, en;
- -
de overzijde toegankelijk is voor huidig en toekomstig onderhoud. Dit is het geval indien:
- a
aan de overzijde een obstakelvrije beschermingszone ligt die in eigendom is van het waterschap, of;
- b
aan de overzijde ten behoeve van het waterschap een zakelijk recht is gevestigd op een obstakelvrije beschermingszone. Als een zakelijk recht moet worden gevestigd op het overliggende perceel moet de betreffende rechthebbende in een dergelijk zakelijk recht:
- -
de gevolgen van het eenzijdig onderhoud van het water vanaf zijn perceel accepteren, en;
- -
altijd toegang verlenen tot zijn perceel aan personen die in opdracht van het waterschap werken en hun materieel, en;
- -
de algehele ontvangstplicht van maaisel, bagger en dergelijke afkomstig van het onderhoud van het water accepteren.
- -
- c
aan de overzijde een obstakelvrije beschermingszone ligt die in eigendom is bij dezelfde rechthebbende als het perceel waarop het obstakel wordt geplaatst. De rechthebbende moet:
- -
de gevolgen van het eenzijdig onderhoud van het water vanaf zijn perceel accepteren, en;
- -
altijd toegang verlenen tot zijn perceel aan personen die in opdracht van het waterschap werken en hun materieel, en;
- -
de algehele ontvangstplicht van maaisel, bagger en dergelijke afkomstig van het onderhoud van het water accepteren.
- -
- a
- -
-
6 Een oppervlaktewaterlichaam moet altijd voor onderhoud en inspecties bereikbaar blijven. Wanneer aan de onder 5 vermelde voorwaarden is voldaan, zijn vergunningen binnen de beschermingszone mogelijk mits aan de zijde van het geplande obstakel of bouwwerk in principe een vrije strook met een breedte van minimaal 1 meter aanwezig is voor inspectie en onderhoud. Van de afstand van 1 meter kan worden afgeweken als de bereikbaarheid geborgd is.
2.4.2. Stabiliteit
-
1. De stabiliteit van de oever en het talud mag door het plaatsen van een lijnvormig object haaks op de waterloop niet verminderen.
2.4.3. Constructieve eisen
-
1. Afrasteringen die haaks op oppervlaktewaterlichamen met schrikdraad worden aangebracht, worden enkel toegestaan, als deze ter hoogte van het oppervlaktewaterlichaam zijn voorzien van voldoende isolerende handgrepen/voorzieningen.
-
2. Wanneer de doorgang afgesloten moet worden, is deze bij voorkeur voorzien van een slot van het waterschap. Indien dit niet mogelijk is kan de doorgang worden (af)gesloten zodanig dat het waterschap deze op een eenvoudige manier kan openen.
-
3. De poort moet dusdanig openen, dat deze geen belemmering vormt voor het uitvoeren van het doelmatig onderhoud. Dit betekent onder andere dat:
- -
een schuifpoort volledig van de watergang af open kan schuiven;
- -
een draaipoort in zijn geheel van de watergang af moet openen, dus richting het perceel;
- -
een draaipoort met twee openslaande delen volledig haaks op de watergang geopend moet kunnen worden.
- -
2.4.4. Ecologie/waterkwaliteit
De negatieve effecten op flora en fauna moeten worden gecompenseerd zodat er geen sprake kan zijn van een significante afname van een bepaalde soort en/of een significante afname van de ecologische kwaliteit.
3. Beleidsregel Werken en objecten in de watergang en beschermingszone
3.1. Kader
3.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen. Op grond van dit artikel is het onder meer verboden om zonder vergunning in een a-water, of in de beschermingszone hiervan, of in een b-water handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.
3.1.2. Begripsbepaling
Werken: zie voor de definitie hiervan bijlage I van de waterschapsverordening.
Objecten: bijvoorbeeld toestellen, hekwerken, schuttingen en beplantingen. Ook emissieschermen en andere lijnvormige objecten evenwijdig aan de waterloop vallen onder deze beleidsregel.
3.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op werken en objecten in de a-watergang en in de beschermingszone. Sommige objecten en bouwwerken bevinden zich vanuit hun functie in het natte profiel van oppervlaktewaterlichamen. Voor deze werken (bruggen, stuwen, oevervoorzieningen, etc.) zijn daarnaast afzonderlijk beleidsregels opgesteld en/of vergunningvrije gevallen aangewezen in de waterschapsverordening.
Wanneer een werk of object niet valt onder een specifieke beleidsregel of vergunningvrij geval in de waterschapsverordening, kan deze worden beschouwd als werk of object in de zin van deze beleidsregel.
3.2. Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van wateren als onderdeel van het totale watersysteem. In het geval van werken en objecten in de watergang en de beschermingszone gaat het er met name om dat er voldoende ruimte overblijft voor doelmatig onderhoud aan de wateren, dat de stabiliteit van de oever wordt gewaarborgd en dat het ecologisch functioneren wordt gewaarborgd.
3.3. Motivering van de beleidsregel
3.3.1. Algemeen
Werken en objecten in de beschermingszone zijn niet wenselijk, omdat deze een negatief effect (kunnen) hebben op de bereikbaarheid en het onderhoud van een oppervlaktewaterlichaam. Werken en objecten in de watergang kunnen daarnaast zorgen voor opstuwing.
3.3.2. Zakelijk recht
Daar waar het waterschap beschikt over een beschermingszone aan weerszijden van een watergang, wenst het waterschap deze beschermingszone zoveel mogelijk vrij te houden van objecten zodat het onderhoud optimaal kan worden uitgevoerd.
Het plaatsen van een object kan ervoor zorgen dat het onderhoud wordt belemmerd. Dit object beschouwen we dan als een obstakel. Een obstakel kan ervoor zorgen dat één van de beschermingszones die aan weerzijden van een watergang ligt niet optimaal benut kan worden voor het onderhoud. Het waterschap accepteert dit in beginsel in een drietal situaties:
- 1)
Op het moment dat het waterschap het perceel/de percelen aan de overzijde in eigendom heeft die nodig zijn om met de onderhoudsmachines een efficiënte route te kunnen rijden tijdens het uitvoeren van het onderhoud, is het uitvoeren van eenzijdig onderhoud geen probleem (mits voldaan wordt aan alle voorwaarden).
- 2)
Hetzelfde geldt voor de situatie waarbij degene die een obstakel wil plaatsen ook het perceel/de percelen aan de overzijde in eigendom heeft en akkoord is met het uitvoeren van eenzijdig onderhoud. Diegene dient dan wel het perceel/de percelen aan de overzijde in eigendom te hebben die nodig zijn om met de onderhoudsmachines een efficiënte route te kunnen rijden tijdens het uitvoeren van het onderhoud. Hierdoor blijft het uitvoeren van het onderhoud doelmatig.
Op deze eigenaar rust vanuit het privaatrecht wel de mededelingsplicht aan rechtsopvolgers om hen te attenderen op het geplaatste obstakel met als gevolg het uitvoeren van eenzijdig onderhoud aan de overzijde.
- 3)
Op het moment dat het perceel aan de overzijde in eigendom is van derden, zal degene die een obstakel wil plaatsen een zakelijk recht moeten vestigen met de eigenaar van het perceel/de percelen aan de overzijde van de watergang. Ook in dit geval moet een zakelijk recht gevestigd worden op het aantal percelen dat nodig is om met de onderhoudsmachines een efficiënte route te kunnen rijden teneinde doelmatig onderhoud te waarborgen. Met het zakelijk recht wordt notarieel vastgelegd dat door de perceeleigenaar akkoord wordt gegaan met het uitvoeren van eenzijdig onderhoud vanaf de obstakelvrije zijde. Hiermee is het ook voor rechtsopvolgers bekend dat het onderhoud jaarlijks eenzijdig wordt uitgevoerd vanaf die zijde.
Het is ook mogelijk dat op een efficiënte route voor het uitvoeren van onderhoud aan de overzijde meerdere situaties van toepassing zijn. In dat geval gelden de eisen cumulatief.
3.3.3. Doorstroming en waterberging
Wanneer objecten en bouwwerken in of boven de waterloop worden geplaatst, kan hierdoor de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam verminderen of kan sprake zijn van een vermindering van de beschikbare waterberging in het watersysteem.
3.3.4. Onderhoud
Een van de functies van beschermingszones is het kunnen uitvoeren van machinaal onderhoud. Werken in de beschermingszone zijn in principe dan ook niet gewenst. Het is niet de bedoeling de wijze van onderhoud aan te passen aan nieuwe werken. Indien het onderhoud vanwege reeds, legaal aanwezige objecten bijvoorbeeld vanaf één zijde wordt uitgevoerd of een beperkt deel van de beschermingszone toegankelijk is, dan zijn er eveneens mogelijkheden om nieuwe objecten te plaatsen zolang de wijze van onderhoud niet verslechterd. Een object dat gelijk ligt aan het bestaande maaiveld, waarbij de ontvangstplicht van maaisel geen probleem is, en voldoende stabiliteit biedt voor onderhoudsmachines vormt geen obstakel voor het onderhoud. Ook objecten die paalvormig zijn (bijvoorbeeld bomen), en op een regelmatige voldoende ruime afstand staan en waar onderhoudsmachines onderdoor en voor- of achterlangs kunnen rijden, hoeven geen belemmering te zijn voor doelmatig onderhoud. Hiervoor gelden dan ook ruimere toetsingscriteria.
3.3.5. Stabiliteit
Als een object of werk te dicht op de insteek wordt geplaatst kan dit van invloed zijn op de stabiliteit van een oppervlaktewaterlichaam. Het talud/oever zou daardoor kunnen verzakken waardoor de doorstroming van het water vermindert.
3.3.6. Ecologie en waterkwaliteit
Bomen en andere oeverbeplanting kunnen effect hebben op de waterkwaliteit en de ecologische waarden. Daarom dient bij watergangen met een vastgestelde ecologische functie getoetst te worden aan het effect op die waarden. Daarnaast geldt voor KRW-watergangen met een R-type dat de ecologische kwaliteit hiervan onder andere bepaald wordt door de mate van schaduw dat op deze watergangen valt. Hoe meer schaduw, des te wenselijker dit is. Daarom gelden er voor het aanplanten van bomen en struiken langs de KRW-watergangen met een R-type soepelere regels dan voor de overige watergangen. Daarnaast gelden er regels voor het verwijderen van bestaande bomen langs deze type watergangen. Het is namelijk niet wenselijk om bomen te verwijderen die in de huidige situatie al voor schaduw zorgen op de watergang.
3.4. Toetsingscriteria
3.4.1. Oppervlaktewaterlichaam
-
1. Werken in of op a-wateren kunnen worden toegestaan als er geen probleem voor de doorstroming en benodigde bergingscapaciteit ontstaat en de huidige en toekomstige wijze van uitvoeren van onderhoud niet wordt verzwaard of gehinderd.
-
2. Bomen, andere oeverbeplanting en andere eenvoudig te verwijderen werken op een flauw talud dat buiten het natte profiel valt en die het onderhoud niet hinderen, kunnen worden toegestaan. Een flauw talud is een talud waar vanaf de onderhoudsmachines zonder nadere maatregelen het onderhoud kunnen uitvoeren. Doorgaans wordt dit mogelijk vanaf een taludhelling van 1:8.
-
3. Bij werken in a-wateren wordt getoetst op het effect op de vastgestelde natuurwaarden. Negatieve effecten op deze natuurwaarden worden niet toegestaan.
3.4.2. Beschermingszone
-
1. Indien objecten gelijk met, onder of boven het maaiveld worden aangebracht en die geen belemmeringen met zich meebrengen voor het huidige en toekomstige onderhoud (zoals bijvoorbeeld bestrating, steiger, veegvuiluitdraaiplaatsen of overhangende takken), kan een watervergunning aan beide zijden worden verleend zolang de stabiliteit van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft en de taluds niet uitspoelen of inzakken bij belasting door onderhoudsmachines.
-
2. Paalvormige objecten in de beschermingszone kunnen worden toegestaan indien het objecten betreft die redelijkerwijs niet gelijk met of onder maaiveld kunnen worden aangebracht, en is de onderlinge afstand doorgaans 10 meter hart op hart en waar onderhoudsmachines onderdoor en voor- of achterlangs kunnen rijden.
-
3. Bomen en/of struiken in de beschermingszone bij een KRW-oppervlaktewaterlichamen met een R-type, zoals opgenomen in de Kaarten Waterschapsverordening, kunnen worden toegestaan indien deze (in de toekomst) zorgen voor schaduw op de watergang. De bovenbreedte van de watergang dient hiervoor zodanig te zijn, dat het huidige en toekomstige onderhoud vanaf 1 zijde mogelijk is. Daarnaast dient de beschermingszone aan de overzijde van de watergang obstakelvrij te zijn.
-
4. Bestaande bomen en/of struiken in de beschermingszone bij een KRW-oppervlaktewaterlichaam met een R-type, zoals opgenomen in de Kaarten Waterschapsverordening, mogen in beginsel niet worden verwijderd. Het verwijderen van bomen is toegestaan indien vergunninghouder compenserende maatregelen neemt door minimaal hetzelfde aantal bomen terug te plaatsen in de nabijheid van de te verwijderen bomen. Indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, dan dient vergunninghouder zoveel mogelijk mitigerende maatregelen te nemen.
-
5. Tijdelijke objecten of werken in de beschermingszone die gedurende de termijn van hun aanwezigheid geen belemmering vormen voor het uitvoeren van het (buitengewoon) onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam, kunnen worden toegestaan. Hiervoor wordt een vergunning verleend met een tijdelijke geldigheidsduur, waaraan aanvullende voorschriften kunnen worden verbonden.
-
6. Objecten of werken in de beschermingszone, die niet voldoen aan punt 1, 2,3 en 5, kunnen worden toegestaan indien:
- a.
het een nieuw te plaatsen obstakel of werk betreft aan de zijde waar reeds zodanig veel obstakels of werken (legaal) aanwezig zijn, dat daardoor het onderhoud reeds structureel vanaf de andere zijde doelmatig plaatsvindt. Het obstakel of werk dient zodanig geplaatst te worden dat het kunnen ontvangen van maaisel aan die zijde van de watergang hierdoor niet wordt gehinderd. Tevens mag het nieuw te plaatsen obstakel niet een door het waterschap gewenste verbetering van de onderhoudssituatie ter plaatse in de weg staat, of;
- b.
het een nieuw te plaatsen obstakel of werk betreft aan de zijde waar de beschermingszone niet benut wordt voor het uitvoeren van het onderhoud aan de watergang, omdat het onderhoud (reeds) structureel en doelmatig vanaf de openbare weg aan de andere zijde wordt uitgevoerd. Het obstakel of werk dient zodanig geplaatst te worden dat het kunnen ontvangen van maaisel aan die zijde van de watergang hierdoor niet wordt gehinderd, of;
- c.
het een nieuw te plaatsen obstakel of werk betreft aan de rijzijde van de onderhoudsmachines, waarbij niet de volledige beschermingszone beschikbaar is als gevolg van aanwezige obstakels, mits:
- -
de beschermingszone minimaal 3 meter obstakelvrij is tussen de insteek en de reeds aanwezige obstakels, en;
- -
het nieuw te plaatsen obstakel niet leidt tot een verslechtering van de onderhoudssituatie, en;
- -
het nieuw te plaatsen obstakel niet een door het waterschap gewenste verbetering van de onderhoudssituatie ter plaatse in de weg staat.
- -
- a.
-
7. Objecten of werken in de beschermingszone, die niet voldoen aan punt 1, 2, 3, 5 en 6, kunnen worden toegestaan indien:
- -
de bovenbreedte van het oppervlaktewaterlichaam zodanig is dat het huidige en toekomstige onderhoud vanaf 1 zijde mogelijk is, en;
- -
de overzijde toegankelijk is voor onderhoud. Dit is het geval indien:
- (a)
aan de overzijde een obstakelvrije beschermingszone ligt die in eigendom is van het waterschap, of;
- (b)
aan de overzijde ten behoeve van het waterschap een zakelijk recht is gevestigd op een obstakelvrije beschermingszone. Als een zakelijk recht moet worden gevestigd op het overliggende perceel moet de betreffende rechthebbende in een dergelijk zakelijk recht:
- -
de gevolgen van het eenzijdig onderhoud van het water vanaf zijn perceel accepteren, en;
- -
altijd toegang verlenen tot zijn perceel aan personen die in opdracht van het waterschap werken en hun materieel, en;
- -
de algehele ontvangstplicht van maaisel, bagger en dergelijke afkomstig van het onderhoud van het water accepteren.
- -
- b.
aan de overzijde een obstakelvrije beschermingszone ligt die in eigendom is bij dezelfde rechthebbende als het perceel waarop het obstakel wordt geplaatst. De rechthebbende moet:
- -
de gevolgen van het eenzijdig onderhoud van het water vanaf zijn perceel accepteren, en;
- -
altijd toegang verlenen tot zijn perceel aan personen die in opdracht van het waterschap werken en hun materieel, en;
- -
de algehele ontvangstplicht van maaisel, bagger en dergelijke afkomstig van het onderhoud van het water accepteren.
- -
- (a)
- -
-
8. Een oppervlaktewaterlichaam moet altijd voor onderhoud en inspecties bereikbaar blijven. Wanneer aan de onder 7 vermelde voorwaarden is voldaan, zijn vergunningen binnen de beschermingszone mogelijk mits aan de zijde van het geplande obstakel of bouwwerk in principe een vrije strook met een breedte van minimaal 1 meter vanaf de insteek aanwezig is voor inspectie en onderhoud.
-
9. In de vergunning kan de voorwaarde worden gesteld dat, onverminderd de onderhoudsplichten van de onderhoudslegger, binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval wordt verwijderd door de vergunninghouder.
3.4.3. Stabiliteit
Een werk of object mag de stabiliteit van het talud en/of de beschermingszone niet negatief beïnvloeden.
3.4.4. Ecologie/waterkwaliteit
De negatieve effecten op flora en fauna moeten worden gecompenseerd zodat er geen sprake kan zijn van een significante afname van een bepaalde soort en/of een significante afname van de ecologische kwaliteit.
4. Beleidsregel Werkzaamheden in bergingsgebieden
4.1. Kader
4.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 4.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen in bergingsgebieden aangewezen. Op grond van dit artikel is het onder meer verboden om zonder vergunning in een bergingsgebied het maaiveld te verhogen, een waterkerende constructie aan te brengen, wijzigen of te verwijderen of een bouwwerk aan te brengen of te wijzigen.
4.1.2. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op bergingsgebieden. Deze beleidsregel geldt niet voor reserveringsgebieden, omdat dit geen bergingsgebieden zijn in de zin van de Omgevingswet.
4.2. Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van bergingsgebieden, als onderdeel van het totale watersysteem. In dit geval gaat het om de instandhouding van de bergingscapaciteit.
4.3. Motivering van de beleidsregel
4.3.1. Waterberging
De bedoeling is dat ze (grote) hoeveelheden water kunnen bergen. Er wordt daarbij ook ingespeeld op toenemende neerslaghoeveelheden in de toekomst en de daarmee samenhangende verhoogde waterafvoer. De vastgestelde bergingsgebieden kunnen zowel betrekking hebben op nieuwe gebieden die nu nog niet regelmatig inunderen, als op het langer vasthouden van het water in bestaande gebieden die wel regelmatig inunderen.
Binnen de in de waterschapsverordening aangewezen bergingsgebieden dient de eigenaar/gerechtigde/gebruiker te gedogen dat die gronden vanuit het oppervlaktewaterlichaam tijdelijk inunderen en/of dat water tijdelijk op zijn grond wordt vastgehouden.
Bij ingrepen in bergingsgebieden gaat het om activiteiten die een verlies aan waterbergingscapaciteit van de bergingsgebieden tot gevolg hebben. Daarbij kan gedacht worden aan bebouwing en ophoging van het terrein. Vanwege de belangrijke waterbergende functie dient het verlies aan waterberging ten gevolge van de werkzaamheden volledig te worden gecompenseerd.
Bergingsgebieden zijn van groot waterhuishoudkundig belang, omdat ze kunnen worden ingezet bij het voorkomen van wateroverlast op andere plaatsen. Uitgangspunt bij tegenstrijdigheid/overlap in beleid tussen gebieden met beschermende regels en bergingsgebieden is dat de effecten van bergingscapaciteit boven de effecten voor hydrologisch herstel gaan.
Zaken die niet worden gezien als een afname van waterbergend vermogen zijn onder andere afrasteringen, borden, lantaarnpalen e.d. Deze zaken hebben een verwaarloosbaar effect op het totale waterbergend vermogen.
4.4. Toetsingscriteria
- 1.
Elke afname van het waterbergend vermogen in een bergingsgebied, moet worden gecompenseerd;
- 2.
Ingrepen mogen geen negatieve invloed hebben op de werking van het bergingsgebied.
5. Beleidsregel duikers en bruggen
5.1. Kader
5.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen. Op grond van dit artikel is het onder meer verboden om zonder vergunning in een a-water, of in de beschermingszone hiervan, of in een b-water handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven of in een oppervlaktewaterlichaam een ondersteunend kunstwerk aan te leggen.
5.1.2. Begripsbepaling
Duiker: een buis in een oppervlaktewaterlichaam, die bedoeld is om de waterafvoer mogelijk te houden.
Brug: zie voor de definitie hiervan bijlage I van de waterschapsverordening.
De hoogwaterlijn: is de waterhoogte die bij hoogwaterafvoer verwacht wordt.
Onderhoudspeil: het waterpeil dat wordt ingesteld bij a-wateren ten behoeve van het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden.
5.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op alle a-wateren inclusief bijbehorende beschermingszones, en op b-wateren voor zover de duiker/brug buiten de reikwijdte van de vergunningvrije gevallen en bijbehorende algemene regels in de waterschapsverordening valt.
5.2. Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is het in stand houden van het gewenste doorstroomprofiel en bergingscapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam, het waarborgen van de stabiliteit van de taluds, het behouden van een goede ecologie in de waterloop en het waarborgen van een doelmatige wijze van onderhoud.
5.3. Motivering van de beleidsregel
5.3.1. Doorstroming en bergingscapaciteit
De meest voorkomende redenen voor het aanleggen van een brug of duiker zijn perceelsontsluiting en infrastructurele werken. Infrastructurele werken zijn bovengrondse infrastructurele werken zoals wegen voor auto’s, rotondes, fietspaden of spoorwegen. Voor perceelsontsluitingen is slechts een beperkte lengte nodig. Voor het doelmatig uitvoeren van het onderhoud aan a-watergangen kan het nodig zijn om de watergang of aangrenzende watergangen over te moeten steken zodat het onderhoud in een doorlopende onderhoudsroute kan worden uitgevoerd. Daar waar geen bestaande kruisingen over een watergang aanwezig zijn, kan het waterschap een nieuwe duiker aanleggen omwille van een doelmatige onderhoudsroute.
Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt een vernauwing op van het oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming van het water vermindert. Afhankelijk van de lengte van de dam en de diameter van de duiker treedt opstuwing en verlies aan berging op, wat problemen kan geven bij bijvoorbeeld piekafvoeren. Daarom gaat het waterschap terughoudend om met het toestaan van dammen met duiker in a-wateren.
Als bruggen worden geplaatst zonder ondersteunende pijlers in het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam heeft de brug vrijwel geen effect op de water aan- en afvoer in het oppervlaktewaterlichaam. Bij lange bruggen worden vaak wel pijlers gebruikt. Daardoor kan de doorstroming enigszins worden beïnvloed, bijvoorbeeld door ophoping van vuil wanneer de ondersteuningspunten/pijlers te dicht op elkaar zijn geplaatst. Negatieve effecten moeten worden voorkomen.
5.3.2. Onderhoud
Bij een duiker/brug in/over een a-water is het belangrijk dat het doelmatig onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet wordt belemmerd. Hierbij speelt de afstand tussen in de watergang aanwezige werken een rol. Daarnaast is bij bruggen de hoogte van de brug ten opzichte van het waterpeil van belang, om vuilophoping tegen te gaan en om varend onderhoud mogelijk te houden.
Indien een brug doorloopt op de beschermingszone moet voldoende ruimte voor het uitvoeren van onderhoud overblijven.
5.3.3. Stabiliteit
Bij het aanleggen van een duiker/brug moet rekening gehouden worden met de stabiliteit van de taluds. Bruggen kunnen een aanzienlijk gewicht hebben en als er geen sprake is van een goede ondersteuning, zou dat kunnen leiden tot het verzakken van de taluds. Daarom zijn er toetsingscriteria opgenomen om een goede taludafwerking te waarborgen.
5.3.4. Ecologie/overige gebruiksfuncties
Niet alleen de water aan- en afvoer wordt door duikers beïnvloed. Ze kunnen ook invloed hebben op de waterkwaliteit en ecologie. Door een duiker wordt de oever onderbroken en het open water afgedekt. Dit kan onder andere negatieve gevolgen hebben voor de waterkwaliteit (zuurstofhuishouding) en de migratie van water- en oeverdieren en de verspreiding van plantensoorten. Zowel voor de waterkwaliteit als de waterkwantiteit vanuit ecologisch oogpunt, is het van belang dat er zo min mogelijk duikers voorkomen.
De ecologische effecten van bruggen zijn vele malen kleiner dan bij duikers, omdat de oevers en waterbodem wel doorlopen onder de brug. Daarom gaat bij waterlopen met een vastgestelde ecologische functie de voorkeur uit naar het aanleggen van een brug.
Duikers in waterkeringen zijn ongewenst omdat deze de waterkerende functie aantasten. Wanneer deze toch noodzakelijk zijn voor de ontwatering van het achterliggende gebied, dienen deze duikers te worden voorzien van een waterkerende constructie. Daarnaast moet getoetst worden aan: Beleidsregel algemene toetsingscriteria waterkeringen (beleidsregel 16).
De duiker/brug mag het eventuele gebruik van het oppervlaktewaterlichaam als vaarweg niet belemmeren.
5.4. Toetsingscriteria
5.4.1. Algemeen
5.4.1.1 a-water
- 1.
In principe worden er géén duikers en/of bruggen in a-wateren toegestaan. Uitzonderingen hierop zijn:
- -
Een duiker/brug die nodig is voor perceelsontsluiting en er geen sprake is van een redelijk, evident alternatief voor ontsluiting;
- -
Percelen die over een afstand van meer dan 100 meter grenzen aan een a-water, kan een extra duiker/brug worden toegestaan om het perceel beter te ontsluiten;
- -
Bedrijven die vanwege bedrijfhygiënische redenen of andere wetgeving een extra duiker/brug nodig hebben en er geen sprake is van een redelijk, evident alternatief voor deze extra ontsluiting;
- -
Duikers/bruggen die vanwege infrastructurele werken noodzakelijk zijn;
- -
Duikers/bruggen die vanwege het doelmatig kunnen uitvoeren van het onderhoud aan a-wateren noodzakelijk zijn.
- -
5.4.1.2 b-water
- 1.
Duikers/bruggen in b-wateren worden toegestaan, tenzij deze worden aangelegd in gebieden met een vastgestelde ecologische functie, of wijstgebieden. In deze gebieden geldt het algemene uitgangspunt van zoveel mogelijk open water. Duikers/bruggen in een b-water in deze gebieden kunnen hier, naast het afvoeren en bergen van water, de andere functies van de watergang beperken.
- 2.
Duikers en bruggen mogen geen wateroverlast of -schaarste geven. Hierbij moet getoetst worden aan water aan- en afvoer, waterberging, ontwatering, afwatering van percelen, etc.
5.4.2. Doorstroming en waterberging
-
1. Afhankelijk van de functie en de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam worden er eisen aan de afmetingen gesteld van de duiker of brug. Daarbij mogen de duikers/bruggen geen significant opstuwend effect geven, het benodigd bergend vermogen niet verminderen, en het doelmatig beheer van het oppervlaktewaterlichaam niet negatief beïnvloeden. Indien er duidelijk een negatief effect is, zal de vergunning niet verleend worden.
-
2. Voor a-wateren geldt dat duikers/bruggen niet langer mogen zijn dan strikt noodzakelijk.
Hierbij wordt onder andere rekening gehouden met:
- -
verkeer dat over de duiker/brug heen moet waarbij rekening gehouden wordt met de breedte, lengte en de draaicirkel van de voertuigen, en;
- -
de verkeersveiligheid, en;
- -
samenvoegingen van ontsluitingen voor meerdere gebruikers tot 1 brug/duiker moeten waar mogelijk gebruikt worden.
- -
-
3. De binnenonderkant van de duiker moet doorgaans 0,05 meter boven de waterbodem worden gelegd, gemeten bij een goede onderhoudstoestand volgens artikel 2.4 van de Onderhoudsverordening.
-
4. In beginsel zijn pijlers bij bruggen in het doorstroomprofiel van a-wateren niet toegestaan. Indien pijlers toch noodzakelijk zijn, kunnen voorschriften aan de vergunning worden verbonden ter waarborging van een goede staat van onderhoud en de water aan- en afvoer in het oppervlaktewaterlichaam.
-
5. De onderkant van de brugconstructie dient bij voorkeur minimaal 0,5 meter boven de hoogwaterlijn te liggen, met name om vuilophoping en opstuwing te voorkomen. De hoogwaterlijn is gerelateerd aan een afvoer die theoretisch eens in de 10 jaar voorkomt (T=10).
Daar waar een duiker wordt aangelegd met een opstuwende functie moet tevens getoetst worden aan de beleidsregels “Peilafwijkingen in een oppervlaktewaterlichaam”.
5.4.3. Onderhoud bij a-wateren
-
1. Daar waar in a-wateren het onderhoud varend wordt uitgevoerd worden geen duikers toegestaan. Uitzonderingen hierop zijn duikers voor infrastructurele werken waar een brug redelijkerwijs niet mogelijk is, extra kosten zijn hier geen doorslaggevend argument. Hierbij dient het onderhoud van het oppervlaktewater gewaarborgd te blijven. Dit kan door bijvoorbeeld een in- en uitlaatplaats voor de maaiboot te realiseren nabij de duiker.
Bruggen moeten zodanig aangelegd worden dat de maaiboot kan passeren. Doorgaans is dit een hoogte van 1,5 meter van de onderkant van de brug ten opzichte van het onderhoudspeil en een doorvaarbreedte van minimaal 3,5 meter.
-
2. De aanleg en aanwezigheid van de duiker/ brug mag het doelmatig onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet belemmeren. Dit betekent dat er voldoende afstand tussen werken aanwezig moet zijn. Hierbij moet ook het buitengewoon onderhoud aan de watergang mogelijk blijven. Om dit te borgen wordt in de vergunning een minimale afstand tussen de werken voorgeschreven. Doorgaans is dit minimaal 10 meter tussen de verschillende werken.
Bij langere duikers dient per 80 meter en bij ieder knikpunt een inspectieput aangelegd te worden.
-
3. Daarnaast moet veilig en doelmatig onderhoud aan de duiker uitgevoerd kunnen worden, bijvoorbeeld het doorspuiten van de duiker. Hiervoor kunnen voorschriften worden opgenomen in de vergunning.
-
4. In de vergunning kan de voorwaarde worden gesteld dat, onverminderd de onderhoudsplichten van de Keur, binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval wordt verwijderd door de vergunninghouder.
-
5. De aanleg van een duiker/brug mag geen oplossing zijn voor nieuwe handelingen/objecten die de huidige onderhoudssituatie verslechteren.
5.4.4. Waterkeringen
-
1. Duikers door waterkeringen worden in principe niet vergund. Alleen bij zwaarwegend maatschappelijk belang kan hiervan worden afgeweken. Indien een duiker door een waterkering wordt aangelegd, mag de waterkerende functie van de waterkering niet worden aangetast en moet de duiker voorzien worden van een afsluitconstructie.
5.4.5. Vaarwegen
-
1. De aanleg van een brug mag het eventuele gebruik van een watergang aangewezen als vaarweg niet belemmeren. Dit betekent dat een minimale doorvaarhoogte en breedte van de brug in de vergunning opgenomen kan worden.
-
2. De aanleg van een duiker in een vaarweg, wordt niet toegestaan.
5.4.6. Stabiliteit
-
1. De duiker/brug mag de stabiliteit van de taluds en bodem van het oppervlaktewaterlichaam niet aantasten. In de watervergunning kunnen voorschriften worden opgenomen ter voorkoming van negatieve effecten.
-
2. Het toe te passen materiaal voor duikers in a-watergangen is in principe beton. Als de aanvrager de gelijkwaardigheid met beton (ten aanzien van levensduur, opstuwing en drukvastheid) aantoont, wordt ander materiaal ook toegestaan.
5.4.7. Objecten op een duiker
Het plaatsen van objecten op een duiker is toegestaan als:
- 1.
Het doelmatig onderhoud van de watergangen en de duiker mogelijk blijft. Dit betekent onder andere dat de onderhoudsmachines de duiker moeten kunnen passeren. Hiervoor is een minimale obstakelvrije doorgang van 4 meter breed noodzakelijk, en;
- 2.
Het object op de duiker mag de constructie van de duiker niet negatief beïnvloeden, en;
- 3.
De afmetingen van de dam en/of duiker niet wordt gewijzigd.
- 4.
Hekwerken op een duiker moeten voorzien zijn van een slot van het waterschap. Indien dit niet mogelijk is, kan de doorgang zodanig worden (af)gesloten dat het waterschap deze op een eenvoudige manier kan openen.
5.4.8 Ecologie/waterkwaliteit
-
1. De negatieve effecten op flora en fauna moeten worden gecompenseerd, de impact op flora en fauna mag niet negatief zijn. Er mag geen sprake zijn van een significante afname van een bepaalde soort en/of een significante afname van de ecologische kwaliteit. Deze negatieve effecten moeten worden gecompenseerd.
-
2. Bij een watergang met een vastgestelde ecologische functie wordt altijd uitgegaan van de aanleg van een brug. Alleen als een brug redelijkerwijs niet mogelijk of ecologisch niet noodzakelijk is, kan gemotiveerd een duiker worden toegestaan. Extra kosten zijn hier geen doorslaggevend argument.
6. Beleidsregel Dempen en graven oppervlaktewaterlichamen
6.1. Kader
6.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen. Op grond van dit artikel is het onder meer verboden om zonder vergunning in een a-water, of in de beschermingszone hiervan, of in een b-water handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven of een oppervlaktewaterlichaam aan te leggen.
6.1.2. Begripsbepaling
Dempen: Onder dempen wordt in dit kader verstaan het verkleinen van het profiel van het oppervlakte-waterlichaam (geheel of gedeeltelijk dempen).
Graven: Onder graven wordt verstaan: het wijzigen of vergroten van het profiel van het in het bestaande watersysteem aanwezige oppervlaktewaterlichaam en het nieuw graven van een oppervlaktewaterlichaam.
Beschermde gebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. De beschermde gebieden zijn overgenomen uit de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hieronder valt het Natuurnetwerk Brabant (NNB - opgevuld), inclusief de ecologische verbindingszones (EVZ).
Attentiegebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. Bij de attentiegebieden gaat het om beschermingsgebieden van gemiddeld 500 meter rond de zogenaamde "natte natuurparels". Rond de Groote Peel is de 2 kilometerzone uit het aanwijzingsbesluit van de minister van LNV op grond van de Omgevingswet als beschermingsgebied overgenomen. De begrenzing is overgenomen uit de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zij maken samen met de natte natuurparels deel uit van de ´Attentiezones waterhuishouding’ in de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Beekdalen: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. De beekdalen betreffen kwelgebieden in het agrarisch gebied die hydrologisch gezien tot de meest waardevolle gebieden van het beheergebied van het waterschap gerekend kunnen worden.
Wijstgronden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. Het betreft een uniek geohydrologisch verschijnsel dat zich langs de Peelrandbreuk voordoet. De Peelrandbreuk vormt de overgang tussen de zakkende gronden (slenk) en stijgende gronden (horst) in Oost-Brabant. Langs de breuklijn schuren de gronden langs elkaar waardoor deze slecht doorlatend wordt voor grondwater. Het verschijnsel dat de grondwaterstand op de hoger gelegen horst duidelijk hoger ligt dan in de lagergelegen slenk, wordt als wijst getypeerd. Wijstgronden zijn de gebieden waar dit verschijnsel duidelijk zichtbaar is. Deze gebieden zijn overgenomen uit de Provinciale omgevingsverordening.
Natuurvriendelijke oever: oever die ten behoeve van de ecologisch toestand en (natte) natuurwaarden is ingericht met een ondiepe 'natte' zone die oever- en watervegetatie de kans bieden zich te ontwikkelen.
6.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op alle a- en b-wateren, en voor c-wateren voor zover dit niet is aangewezen als vergunningvrij geval in de waterschapsverordening.
6.2. Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is om wateroverlast, dan wel watertekort te voorkomen. Hierbij is het doel dat de water aan- en afvoer en de benodigde waterberging tenminste hetzelfde blijven. Ook moet het mogelijk blijven om zonder belemmeringen doelmatig beheer en onderhoud van a-wateren uit te kunnen voeren.
Voor de gebieden met beschermende regels zoals bedoeld in de waterschapsverordening wordt een waterhuishoudkundige bescherming voorgestaan gericht op het bij voorkeur verbeteren van de condities voor de natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities maar minimaal stand-still voor de natuur.
6.3. Motivering van de beleidsregel
6.3.1. Algemeen
Met een demping of vergroting van oppervlaktewaterlichamen wordt de bestaande afwatering en water-aanvoer veranderd. Een demping mag niet leiden tot een afname van de benodigde bergingscapaciteit van het watersysteem, tenzij deze maatregel is gericht op verbetering van het watersysteem.
6.3.2. Peilbesluitgebieden
In peilbesluitgebieden wordt uitgegaan van het zogenaamde “stand-still” principe. Bij iedere demping dient de afname van de hoeveelheid open waterberging in principe dan ook minimaal te worden gecompenseerd binnen hetzelfde peilgebied en zo dicht mogelijk bij de ingreep. Het kan echter voorkomen dat er geen mogelijkheid is tot compenseren in hetzelfde peilgebied. Ook voor grote inrichtingsplannen bestaat vaak de wens om te compenseren in een ander peilgebied.
6.3.3. Beschermde gebieden
Door aanpassing van het watersysteem in het verleden zijn veel natte natuurgebieden in Brabant verdroogd. Het Rijk heeft in 2008 een lijst vastgesteld van gebieden die met voorrang moeten worden hersteld. Binnen Brabant zijn deze gebieden bekend als natte natuurparels. Een aantal hiervan is aangemerkt als Natura 2000 gebied. Binnen het Natuurnetwerk Brabant dienen waterhuishoudkundige maatregelen in het teken van verdrogingsbestrijding te staan.
In inrichtingsplannen en beheerplannen (GGOR) zijn de natuurdoelen en de inrichting en beheermaatregelen ter realisatie en bescherming van deze doelen opgenomen. Deze plannen worden benut bij het beoordelen van werkzaamheden van derden.
Gewerkt wordt aan een verbetering van de hydrologische situatie voor de natuur. Heeft een activiteit een hydrologisch effect en is er daarbij sprake van een positief effect op de wezenlijke kenmerken van de natuur dan kan een individuele ingreep in beginsel plaatsvinden indien deze onderdeel uitmaakt van een combinatie van plannen, projecten of handelingen die cumulatief per saldo tot een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van het NNB en/of de Natura 2000 leidt (“nee tenzij”).
Doorgaans heeft het dempen van een watergang een positief hydrologisch effect voor de beschermde gebieden, en het graven van een watergang een verdrogend effect.
6.3.4. Attentiegebieden
De attentiegebieden vormen de buffer tussen de natte natuurparels en hun omgeving. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen natte natuurparels en omgeving opgevangen te worden. De attentiegebieden zijn in eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologisch toestand binnen de natte natuurparels. Daarnaast kunnen in deze gebieden, waar nodig, compenserende maatregelen worden getroffen om uitstralingseffecten vanuit de natte natuurparels naar de omgeving te voorkomen. Het totaal aan maatregelen wordt tenminste getoetst op stand-still op de rand van de natte natuurparel. Bij voorkeur heeft het totaal aan maatregelen binnen deze zone een positief effect op de gewenste natuurontwikkeling binnen de beschermde gebieden.
6.3.5. Beekdalen
De beekdalen zijn gebieden in het agrarisch gebied die hydrologisch erg gevoelig zijn. Om de natuur, kenmerkend voor deze gebieden, te beschermen wordt eenzelfde beschermingsregime gehanteerd als bij de Beschermde gebieden.
6.3.6. Wijstgronden
In een intentieverklaring (2007) tussen provincie, waterschap, gemeenten, belangenorganisaties en terreinbeheerders zijn afspraken gemaakt om vijf wijstgebieden te herstellen.
Alle activiteiten die het wijstverschijnsel aantasten dienen te worden vermeden. Zoals het doorsnijden van de breuklijn of het treffen van voorzieningen om de grondwaterstand structureel te verlagen.
6.3.7. Onderhoud
Bij het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam of het vergraven van een bestaand oppervlaktewater-lichaam, moeten doelmatige onderhoudsmogelijkheden van a-wateren aanwezig blijven.
Dit betekent dat bij de aanleg van a-wateren en het graven van oppervlaktewaterlichamen in de beschermingszone, geborgd moet worden dat een obstakelvrije beschermingszone bestaat.
6.3.8. Stabiliteit
Het is bij nieuwe en te vergraven oppervlaktewaterlichamen belangrijk dat de stabiliteit van oevers en het talud wordt gewaarborgd. Ook het opbarsten van de bodem moet worden voorkomen. Er worden daarom voorschriften gegeven over de taludverhouding en de afwerking van de oever/ taluds.
6.3.9. Ecologie
Ook kunnen (ongewenste) effecten optreden op een aan het oppervlaktewaterlichaam toegekende ecologische functie. Bij een (gedeeltelijke) demping kan de doorstroming verminderen waardoor de waterkwaliteit afneemt. De leefomstandigheden voor planten en dieren kunnen zodanig wijzigen dat het voortbestaan van specifieke planten of dieren wordt bedreigd. In watergangen met een specifieke natuurwaarde kan een aanpassing van het profiel onaanvaardbare gevolgen hebben voor het ecologische systeem. Dat kan reden zijn voor specifieke voorschriften in de vergunning, dan wel het weigeren van een vergunning.
6.4. Toetsingscriteria
6.4.1. Dempen
-
1. Er moet worden aangeven op welke manier en op welke plek de vermindering van het benodigde bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt gecompenseerd.
-
2. De compensatie moet bij voorkeur vooraf aan het dempen zijn uitgevoerd.
-
3. Voor dempingen in peilbesluitgebieden geldt:
- a.
Demping 1:1 compenseren in hetzelfde peilgebied; indien niet mogelijk gemotiveerd uitwijken naar b.
- b.
Demping compenseren in aangrenzend benedenstrooms peilgebied (met lager peil). Indien niet mogelijk, gemotiveerd uitwijken naar c.
- c.
Demping compenseren in aangrenzend bovenstrooms peilgebied (met hoger peil); indien niet mogelijk gemotiveerd uitwijken naar d.
- d.
Demping compenseren in hetzelfde bemalingsgebied.
Met het afwijken van de hoofdregel (compenseren in hetzelfde peilgebied) moet terughoudend worden omgegaan. Het uiteindelijke resultaat mag geen negatieve invloed hebben op de werking van het watersysteem.
Uitzondering op de regel dat altijd gecompenseerd moet worden, is als het uit oogpunt van verdrogingbestrijding gewenst is dat een watergang gedempt wordt. Er kan dan een vergunning worden verleend zonder dat compensatie van de waterberging noodzakelijk is.
Daarnaast geldt voor de wijstgebieden dat compensatie van demping niet noodzakelijk is, indien demping niet leidt tot externe negatieve waterhuishoudkundige effecten.
- a.
6.4.2. Graven/vergroten
-
1. Door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen mag geen directe verbinding ontstaan tussen verschillende peilgebieden.
-
2. De aanleg van een nieuw oppervlaktewaterlichaam of het vergroten van een bestaand oppervlaktewaterlichaam binnen de beschermde gebieden en de beekdalen, wordt alleen toegestaan indien deze cumulatief per saldo tot een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van het NNB en/of de Natura 2000 leidt.
-
3. Voor attentiegebieden wordt getoetst op stand-still op de rand van de natte natuurparel.
-
4. Voor wijstgronden wordt een waterhuishoudkundige bescherming voorgestaan gericht op minimaal stand-still in de wijstgronden.
-
5. Bij het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam of het vergraven van een bestaand oppervlaktewaterlichaam, moet doelmatige onderhoud van de a-wateren mogelijk blijven.
-
6. Bij het (ver)graven van een oppervlaktewaterlichaam waaraan een ecologische functie is toegekend, dient in beginsel het talud in de vorm van een natuurvriendelijke oever te worden aangelegd.
-
7. Bij de aanleg van een natuurvriendelijke oever in een a-water, kan de vereiste beschermingszone gecombineerd worden met het talud. Hierbij hangt het af van de grondslag welke taludhelling aanvaardbaar is. Doorgaans is er geen probleem indien het bovenwatertalud 1:8 of flauwer is.
6.4.3. Ecologie
De negatieve effecten op flora en fauna moeten worden gecompenseerd zodat er geen sprake kan zijn van een significante afname van een bepaalde soort en/of een significante afname van de ecologische kwaliteit.
7. Beleidsregel Kabels en leidingen oppervlaktewaterlichamen
7.1. Kader
7.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen. Op grond van dit artikel is het onder meer verboden om zonder vergunning in een a-water, of in de beschermingszone hiervan, of in een b-water handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven. Daarnaast zijn in artikel 2.2 van de waterschapsverordening tevens vergunningplichtige gevallen voor in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam aangewezen. Op grond van dit artikel is het verboden om zonder vergunning werken te plaatsen, wijzigen of te behouden in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.
7.1.2. Begripsbepaling
Kabel: zie voor de definitie hiervan bijlage I van de waterschapsverordening.
Leiding: zie voor de definitie hiervan bijlage I van de waterschapsverordening.
Gestuurde persing of boring: zie voor de definitie hiervan bijlage I van de waterschapsverordening.
7.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op het aanleggen en vervangen van kabels en leidingen in en nabij a-wateren inclusief beschermingszones door middel van graven en in het profiel van vrije ruimte door middel van een gestuurde persing of boring en graven. Voor overige kabels en leidingen zijn de vergunningvrije gevallen en bijbehorende algemene regels in de waterschapsverordening van toepassing.
7.2. Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van wateren als onderdeel van het totale watersysteem. In het geval van kabels en leidingen is dit het in stand houden van de functie van de watergang (bijvoorbeeld vaarweg), stabiliteit van de taluds/oevers, het waarborgen van normale onderhoudswerkzaamheden en de doorstroming van het water tijdens en na de aanleg ervan.
7.3. Motivering van de beleidsregel
7.3.1. Algemeen
Kabels en leiding kunnen zowel parallel aan als kruisend ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam worden gelegd. Daarnaast kan de kruising ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam plaatsvinden aan, over of onder kunstwerken, of over of onder het oppervlaktewaterlichaam door. Voorbeelden van leidingen zijn vrij lozende leidingen (bijvoorbeeld rioolleiding), druk- of pijpleidingen (bijvoorbeeld persriool, water, gas). Kabels zijn bijvoorbeeld elektriciteitskabels.
De genoemde afstandsmaten in de aanwijzing van vergunningvrije gevallen over kabels van leidingen in de waterschapsverordening zijn ook voor deze beleidsregel van toepassing. Om het aantal kruisingen zo beperkt mogelijk te houden moet er zoveel mogelijk gebundeld worden. Ook moet het geplande tracé noodzakelijk zijn. Als er een redelijk alternatief zonder kruising van waterstaatswerken aanwezig is, dient dat gekozen te worden.
7.3.2. Doorstroming
De wateraan- en afvoer in het oppervlaktewaterlichaam mag niet worden gehinderd. Daarom mogen kabels en leidingen niet in het profiel van het oppervlaktewaterlichaam lopen. Er zijn voorschriften waarop kabels en leidingen ten opzichte van het (legger)profiel dienen te worden aangebracht.
7.3.3. Onderhoud
Van belang is dat kabels en leidingen niet worden beschadigd als onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam worden uitgevoerd.
Bij de aanleg van kabels en leidingen zijn vaak installaties noodzakelijk om deze te laten functioneren. Hierbij kan gedacht worden aan transformator- en schakelkastjes. Bij voorkeur worden deze kastjes buiten de beschermingszone geplaatst. Daar waar dat niet mogelijk is, kunnen de obstakels worden toegestaan indien het beheer en onderhoud van de watergang hierdoor niet wordt gehinderd.
7.3.4. Stabiliteit
Kabels en leidingen worden veelal geplaatst door middel van een open ontgraving en/of een gestuurde boring. Wanneer deze werkzaamheden te dicht op de insteek van een oppervlaktewaterlichaam worden uitgevoerd kan dat een negatief effect hebben op de stabiliteit van de oevers/ taluds. Wanneer een leiding eenmaal is ingegraven of geboord zou het voor kunnen komen dat deze beschadigd raakt. Er kunnen daarom eisen worden gesteld aan de aan te leggen of te verwijderen werken en de wijze van uitvoering.
Tevens kunnen oppervlaktewaterlichamen voorzien zijn van verticale verdediging (kademuren, damwanden, etc). In die gevallen kan het belangrijk zijn om aanvullende voorschriften te stellen.
7.3.5. Ecologie en profiel van vrije ruimte
Kabels en leidingen mogen geen belemmering vormen voor de aanwezige of nog te ontwikkelen ecologische waarden. Bij meanderende oppervlaktewaterlichamen zal de ligging ervan in de tijd kunnen veranderen (profiel van vrije ruimte). Om ervoor te zorgen dat de kabel/leiding niet wordt blootgespoeld kunnen nadere eisen aan de diepteligging van de kabel/leiding worden gesteld. Hierbij kan een afweging worden gemaakt tussen de economische levensduur en de snelheid van meanderen.
7.4. Toetsingscriteria
7.4.1. Algemeen
-
1. Leidingkruisingen dienen zoveel mogelijk ter plaatse van bestaande duikers en bruggen of een bestaand leidingtracé te worden gerealiseerd.
-
2. Kabels en leidingen die een oppervlaktewaterlichaam kruisen moeten dat oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk haaks kruisen.
-
3. In het profiel van vrije ruimte geldt dat ter bescherming van de kabels of leidingen de oever of de bodem niet mag worden vastgelegd. Zodra als gevolg van meanderen niet meer aan de gestelde normen wordt voldaan, dient de bestaande kabel of leiding door en op kosten van de kabel- of leidingbeheerder te worden aangepast.
-
4. Transformator- en schakelkastjes worden bij voorkeur buiten de beschermingszone geplaatst. Daar waar dat niet mogelijk is, kunnen de obstakels worden toegestaan indien het beheer en onderhoud van de watergang hierdoor niet wordt gehinderd.
7.4.2. Normen
-
1. Voor de maten van het aanleggen van kabels en leidingen ten opzichte van de bodem, het talud en het maaiveld dient bij voorkeur te worden voldaan aan de maten zoals genoemd in de aanwijzing vergunningvrije gevallen in paragraaf 2.1.8 van de waterschapsverordening. Afwijking daarvan kan alleen wanneer rekening is gehouden met het voorkomen van mogelijke schade en het borgen van voldoende veiligheid.
-
2. In het profiel van vrije ruimte moet de maatvoering voor nieuw te leggen kabels en leidingen dusdanig worden vastgesteld dat toekomstige ontwikkeling mogelijk blijft.
7.4.3. Doorstroming/stabiliteit
-
1. Tijdens de uitvoering van de werken dient de waterafvoer te allen tijde te zijn gegarandeerd.
-
2. Voor eventueel noodzakelijke hulpconstructies bij aanleg in het oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszone, zoals damwanden, bouwputten en omleidingen, die niet onder de algemene regel van bijkomende werkzaamheden vallen, kunnen aanvullende voorschriften worden opgenomen ter bescherming van de doorstroming/stabiliteit.
8. Beleidsregel Oeverbeschermende voorzieningen in oppervlaktewaterlichamen
8.1. Kader
8.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen. Op grond van dit artikel is het onder meer verboden om zonder vergunning in een a-water, of in de beschermingszone hiervan, of in een b-water handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.
8.1.2. Begripsbepaling
Oeverbeschermende voorziening: als oeverbescherming wordt aangemerkt een constructie aangebracht in de oeverzone van een waterlichaam die resulteert in een harde overgang van water naar land.
Oeverafkalving: afslijting veroorzaakt doordat de energie van het water in een beek hoger is dan de weerstand van de bodem/oevermateriaal tegen transport.
Oeverherstel: het terugbrengen van de oever in zijn oorspronkelijke profiel.
Vaarweg: oppervlaktewaterlichaam met de functie vaarweg, zoals aangegeven in de legger vaarwegen en/of de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant van de Provincie Noord Brabant.
8.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op het plaatsen, behouden, wijzigen en verwijderen van oever-beschermende voorzieningen in a-wateren, en in b-wateren indien de bergings- en de doorstroomcapaciteit van dat b-water verandert.
8.2. Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is het waarborgen van voldoende doorstroming, bergingscapaciteit en het ecologische functioneren. Voor a-wateren met een leggerprofiel is het doel daarnaast het in stand houden van dat leggerprofiel en het waarborgen van de gewone en buitengewone onderhoudsmogelijkheden. Daarnaast moet bij a-wateren met een vastgestelde ecologische functie zonder leggerprofiel, de ruimte voor natuurlijke processen zoals erosie en sedimentatie zoveel mogelijk kunnen plaatsvinden.
8.3. Motivering van de beleidsregel
8.3.1. Algemeen
Voor b-wateren is oeverbescherming grotendeels vrijgegeven in de algemene regel. Daar waar afgeweken wordt van deze algemene regel moet getoetst worden aan de beleidsregels 1, Peilafwijkingen in een oppervlaktewater-lichaam, waaronder begrepen onderbemalingen en/of beleidsregel 6 Dempen en graven oppervlaktewater-lichamen.
Oeverbeschermende voorzieningen zijn meestal bedoeld als beschermingsmaatregel tegen oeverafkalving. Bepalend is of de oeverafkalving een gevaar vormt voor de waterstaatkundige functie van het oppervlaktewaterlichaam. Is dit het geval in a-wateren, dan kunnen eventuele (oever)herstelmaatregelen worden uitgevoerd die primair vanuit de taakstelling of de onderhoudsplicht van het waterschap gericht zijn op de waterstaatkundige verzorging van het gebied. Het uitgangspunt bij a-wateren is dat we deze oppervlaktewaterlichamen zo natuurlijk mogelijk inrichten en beheren. Zeker bij de wateren met een ecologische functie en wateren met de functie ‘meandering’. Het vastleggen van de oevers heeft vrijwel altijd een negatief effect op het ecologisch functioneren van de watergang.
Uitzondering op dit algemene uitgangspunt zijn de kanalen en vaarwegen omdat deze meestal niet zijn aangelegd met een natuurdoelstelling.
Natuurlijke vervorming van de oevers is kenmerkend voor een natuurlijke beek en behoort tot het normaal maatschappelijk risico van de eigenaar of pachter. De bescherming van de individuele eigendommen ligt bij de eigenaar, maar de waterhuishoudkundige belangen wegen zwaarder dan het individuele belang.
8.3.2. Aanpassen van het profiel
Daar waar door het aanleggen van de oeverbeschermende voorzieningen het profiel van de watergang wordt aangepast, moet ook getoetst worden aan de beleidsregel “Dempen en graven oppervlaktewaterlichamen”.
8.3.3. Onderhoud
Het doelmatig onderhoud van de watergang moet gewaarborgd blijven bij en na de aanleg van de oeverbeschermende voorzieningen. Hierbij is het niet de bedoeling om de wijze van onderhoud aan te passen.
8.3.4. Stabiliteit
Werken in het oppervlaktewaterlichaam (in de beschermingszone) kunnen de constructie en stabiliteit van de taluds en eventuele reeds bestaande werken aantasten.
8.3.5. Ecologie
Er zijn verschillende constructies mogelijk om oevers tegen afkalving te beschermen. Harde overgangen tussen water en oever, zoals beschoeiingen en damwanden, hebben een negatief effect op de werking van de ecologische verbindingszone en voor beekherstel belangrijke natuurlijke processen zoals erosie en sedimentatie.
Voorkomen moet worden dat maatregelen van derden tot gevolg hebben dat de KRW-doelstellingen niet kunnen worden gehaald. Daarom gaat bij waterlopen die zijn ingericht vanuit beek- en kreekherstel met een vastgestelde ecologische functie de voorkeur uit naar herstel en /of verflauwing in combinatie met beplanting van de oever bij onevenredige aantasting. Als dit niet mogelijk of niet afdoende blijkt, kan gekozen worden voor oeververdediging.
8.4. Toetsingscriteria
8.4.1 B-wateren
-
1. Oeververdediging in b-wateren is toegestaan.
8.4.2 A-wateren
-
1. In geval van onevenredige (dreigende) aantasting van particulier eigendom of het ontstaan van maatschappelijk ongewenste situaties kan oeverversterking noodzakelijk zijn. Dit geldt in ieder geval voor:
- a.
schade aan kunstwerken of wegen;
- b.
schade aan bebouwing / cultuurhistorische objecten (bijv. watermolens);
- c.
schade aan belangrijke landschappelijke waarden (o.a. monumentale bomen in landgoederen);
- d.
schade die niet meer tot het normaal maatschappelijk risico behoort
- a.
-
2. In geval van afkalving als gevolg van eigen handelen door de aangrenzende eigenaar (bijvoorbeeld grondbewerking tot aan de insteek) wordt geen oeverbeschermende voorziening toegestaan.
-
3. Bij kanalen en vaarwegen worden oeverbeschermende voorzieningen toegestaan indien er schade door scheepvaart wordt verwacht of er sprake is van een waterkerende functie.
-
4. De huidige en toekomstige wijze van uitvoeren van onderhoud mag niet worden gehinderd of verzwaard door de oeverbeschermende voorziening.
-
5. De oeverbeschermende voorzieningen moeten in principe gemaakt zijn van natuurlijk materiaal, zoals (levende) wilgentenen, boomstobben, beplanting, enz. Van dit principe kan worden afgeweken indien dit onvoldoende stabiliteit geeft. Dit kan het geval zijn bij bijvoorbeeld een steile oever en/of hoge belasting van de oever door wegen of bebouwing. Dan kan voor andere vormen van oeverbescherming worden gekozen zoals palen met planken, open blokkenmatten, beton, enz. Dit moet in ieder geval milieuvriendelijk, niet uitlogend materiaal zijn.
8.4.1. Ecologie
De negatieve effecten op flora en fauna moeten worden gecompenseerd zodat er geen sprake kan zijn van een significante afname van een bepaalde soort en/of een significante afname van de ecologische kwaliteit.
9. Beleidsregel Onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam
9.1. Kader
9.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen. Op grond van dit artikel is het onder meer verboden om zonder vergunning water te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam.
9.1.2. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op onttrekkingen uit een oppervlaktewaterlichaam met een debiet vanaf 100 m3 per uur.
Bij bijzondere omstandigheden kan het bestuur op basis van artikel 1.15 van de waterschapsverordening een onttrekkingsverbod instellen.
9.2. Doel en motivering van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is overlast als gevolg van onttrekkingen uit oppervlaktewaterlichamen te voorkomen. Het onttrekken van water uit oppervlaktewaterlichamen heeft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt namelijk een effect op de stabiliteit, doorstroming, scheepvaart en de ecologische waarden van dat oppervlaktewaterlichaam.
Daarnaast is het doel van deze beleidsregel om te voorkomen dat de onttrekking leidt tot een ongewenste daling van de grondwaterstand.
9.3. Toetsingscriterium van de beleidsregel
Het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam mag geen droogteschade veroorzaken. Droogteschade kan ontstaan op verschillende aspecten. Hierbij wordt getoetst aan de doorstroming, stabiliteit, inkomstenderving, ecologie, etc.
Indien er droogteschade kan ontstaan ten gevolge van de onttrekking, moet door middel van compenserende maatregelen deze droogteoverlast teniet worden gedaan.
Indien onttrokken wordt in peilbesluitgebieden, of gebieden met een streefpeil moet naast deze beleidsregel getoetst worden aan de beleidsregel “Beleidsregel 1 Peilafwijkingen in een oppervlaktewaterlichaam, waaronder begrepen onderbemalingen”.
Naast het voorkomen van droogteschade, mag het onttrekken van water geen aanvullende onderhoudswerkzaamheden voor het waterschap of voor derden veroorzaken.
De onttrekking moet getoetst worden aan de effecten op de betreffende scheepvaartfunctie van het oppervlaktewaterlichaam.
10. Beleidsregel Aanpassen maaiveld
10.1. Kader
10.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen. Op grond van dit artikel is het onder meer verboden om zonder vergunning in een a-water, of in de beschermingszone hiervan, of in een b-water handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.
10.1.2. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op alle beschermingszones langs a-wateren.
10.2. Doel van de beleidsregel
Het is van belang dat de stabiliteit van de oever niet wordt aangetast en dat doelmatig onderhoud van het betreffende oppervlaktewaterlichaam niet wordt belemmerd.
10.3. Motivering van de beleidsregel
10.3.1. Stabiliteit
Als aanpassing van het maaiveld binnen de beschermingszone van een a-water wordt uitgevoerd kan hiermee de stabiliteit van het talud of een kunstwerk worden beïnvloed. Er moet voorkomen worden dat het talud inzakt.
10.3.2. Onderhoud
Bij het verhogen van het maaiveld bevindt de nieuwe insteek zich daar waar het doorgetrokken talud het nieuwe maaiveld raakt. Bij het verlagen van het maaiveld bevindt de nieuwe insteek zich daar waar het talud het nieuwe maaiveld raakt. Zie hiervoor de tekening onderaan deze beleidsregel.
De ligging van de nieuwe insteek en de beschermingszone wordt bij significante aanpassing in de vergunning opgenomen.
Ophoging/aanpassing van het maaiveld binnen de beschermingszone kan tot gevolg hebben dat de beschermingszone minder toegankelijk wordt voor het onderhoud. Aangezien de beschermingszone juist bedoeld is om het onderhoud aan de watergang goed mogelijk te maken, moet voorkomen worden dat het onderhoud wordt bemoeilijkt.
Bij een vergunningsaanvraag waarin een maaiveldverandering wordt gecombineerd met het aanbrengen van andere obstakels geldt dat bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag wordt uitgegaan van de insteek en de beschermingszone zoals deze geacht worden te zijn na de verandering van het maaiveld.
10.4. Toetsingscriteria
10.4.1. Stabiliteit en oeverbescherming
Bij het verhogen van het maaiveld wordt de taludhelling bij voorkeur gelijk gehouden aan de bestaande helling. In ieder geval mag de taludhelling niet steiler worden.
10.4.2. Onderhoud
Het maaiveld binnen de beschermingszone moet te allen tijde geschikt blijven voor het uitvoeren van het onderhoud. Bij een maaiveldverlaging wordt in ieder geval bezien of de beschermingszone voldoende drooglegging heeft om machinaal onderhoud uit te voeren. Door het ophogen of verlagen van het maaiveld mag er niet een zodanig hoogteverschil ten opzichte van aansluitende percelen ontstaan, dat de berijdbaarheid van de beschermingszone ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud wordt belemmerd of gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Indien een hoogteverschil ontstaat, moet in ieder geval een overbrugbare aansluiting gemaakt worden met het bestaande omliggende maaiveld.
Het onderhoud van de watergang wordt niet aangepast naar aanleiding van de ophoging/aanpassing van het maaiveld. Dit betekent dat de watergang en beschermingszone geschikt moeten blijven voor het huidige en toekomstige onderhoud.
11. Beleidsregel Steigers, vlonders, boothellingen en overhangende bouwwerken
11.1. Kader
11.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen. Op grond van dit artikel is het onder meer verboden om zonder vergunning in een a-water, of in de beschermingszone hiervan, of in een b-water handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.
11.1.2. Begripsbepaling
Overhangend bouwwerk: zie voor de definitie hiervan bijlage I van de waterschapsverordening.
Steiger: zie voor de definitie hiervan bijlage I van de waterschapsverordening.
Vlonder: zie voor de definitie hiervan bijlage I van de waterschapsverordening.
Boothelling: taludvolgende harde constructie om vaartuigen in het water te geleiden.
Vaarweg: oppervlaktewaterlichaam met de functie vaarweg, zoals aangegeven in de legger vaarwegen en/of de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant van de Provincie Noord Brabant.
11.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op steigers, vlonders, boothellingen en overhangende bouwwerken in a-wateren.
11.2. Doel van de beleidsregel
Het doel van het beleid is het mogelijk maken van voorzieningen zoals steigers, vlonders, boothellingen en andere soortgelijke bouwwerken, zonder dat de doorstroming wordt belemmerd. De voorzieningen mogen geen nadelige invloed hebben op het ecologisch functioneren van de watergang en de stabiliteit van het talud/oever. Belangrijk aspect is het waarborgen van de mogelijkheden voor gewoon en buitengewoon onderhoud.
11.3. Motivering van de beleidsregel
Steigers, vlonders, boothellingen en overhangende bouwwerken vormen in principe een belemmering voor het onderhoud. Als deze werken niet onder de algemene regels vallen, moet terughoudend worden omgegaan met de aanleg van deze werken.
Steigers, vlonders, boothellingen en overhangende bouwwerken vormen in principe een belemmering voor het ecologisch functioneren van een watergang. Om deze reden dient bij wateren met een functie altijd kritisch te worden gekeken of de ecologische impact al dan niet significant is.
Voor het gedeelte van de steigers, vlonders, boothellingen en overhangende bouwwerken dat zich op de beschermingszone bevindt, moet ook getoetst worden aan de beleidsregel 3 “Werken en objecten in de watergang en beschermingszone”.
Bij een steiger in een a-water is het belangrijk dat het doelmatig onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet wordt belemmerd. Hierbij speelt de afstand tussen in de watergang aanwezige werken een rol. Daarnaast is bij steigers de constructie ten opzichte van het waterpeil van belang, om vuilophoping tegen te gaan en om varend onderhoud mogelijk te houden.
Bij vaarwegen geldt dat vanwege hun brede afmetingen, steigers of vlonders makkelijker toegestaan kunnen worden. De belemmering voor het onderhoud is daar minder aanwezig. Wel geldt dat de steiger of vlonder geen belemmering voor de scheepvaart mag vormen.
11.4. Toetsingscriteria
11.4.1. Onderhoud bij a-wateren
-
1. Steigers, vlonders, boothellingen of overhangende bouwwerken moeten zodanig aangelegd worden dat de maaiboot kan passeren. Doorgaans is dit een doorvaarbreedte van minimaal 3,5 meter.
-
2. De aanleg en aanwezigheid van de steigers, vlonders, boothellingen of overhangende bouwwerken mag het doelmatig onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet belemmeren. Dit betekent dat er voldoende afstand tussen twee werken aanwezig moet zijn. Hierbij moet ook het buitengewoon onderhoud aan de watergang mogelijk blijven. Om dit te borgen wordt in de vergunning een minimale afstand tussen de werken voorgeschreven. Doorgaans is dit bij voorkeur 10 meter tussen de verschillende werken.
-
3. In de vergunning kan de voorwaarde worden gesteld dat, onverminderd de onderhoudsplichten van de Onderhoudsverordening, binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, al het voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiingen en afval wordt verwijderd door de vergunninghouder.
11.4.2. Ecologie
De negatieve effecten op flora en fauna moeten worden gecompenseerd zodat er geen sprake kan zijn van een significante afname van de ecologische kwaliteit.
11.4.3. Vaarwegen
-
1. Aan beide zijden van het oppervlaktewaterlichaam kan een steiger, vlonder, boothellingen of overhangend bouwwerk met de functie aanlegplaats worden aangelegd, en
-
2. Er mag geen hinder voor het scheepvaartverkeer optreden.
11.4.4. Doorstroming
-
1. De steiger, vlonder, boothelling of het overhangend bouwwerk in een a water, mag geen belemmering veroorzaken voor de water aan- en afvoer.
12. Beleidsregel Water brengen in een oppervlaktewaterlichaam
12.1. Kader
12.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen. Op grond van dit artikel is het onder meer verboden om zonder vergunning water te brengen in een oppervlaktewaterlichaam.
12.1.2. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing voor:
- -
het afwegen van maatwerkvoorschriften voor het brengen van meer dan 50 m3 water per uur in oppervlaktewaterlichamen;
- -
het afwegen van een vergunning voor het brengen van meer dan 100 m3 water per uur in oppervlaktewaterlichamen.
12.2. Doel en motivering van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is het voorkomen van een overbelasting van het watersysteem. Het brengen van water in oppervlaktewaterlichamen heeft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt namelijk een effect op de bergingscapaciteit van die oppervlaktewaterlichamen. De doorstroming of de waterkwaliteit kunnen ook worden beïnvloed.
12.3. Toetsingscriteria van de beleidsregel
Hierbij wordt getoetst aan de bergings-capaciteit, onderhoud, doorstroming, stabiliteit, natschade, etc.
Het brengen van water mag geen wateroverlast veroorzaken. Daar waar vastgestelde provinciale normen uit de (interim) Omgevingsverordening Noord Brabant gelden, wordt de wateroverlast getoetst op basis van die normen.
Indien er wateroverlast kan ontstaan, moet door middel van mitigerende en compenserende maatregelen deze wateroverlast teniet worden gedaan.
Naast het voorkomen van wateroverlast, mag het brengen van water geen aanvullende onderhoudswerkzaamheden voor het waterschap of voor derden veroorzaken.
13. Beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak
13.1 Kader
13.1.1 Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen.
In deze beleidsregel wordt uitleg gegeven over hoe het waterschap omgaat met hemelwaterlozingen bij een toename van verhard oppervlak en afgekoppeld verhard oppervlak. Dergelijke ontwikkelingen kunnen er voor zorgen dat het ontvangende watersysteem een extra hoeveelheid water (in een korter tijdsbestek) krijgt te verwerken. Dit kan vaker tot wateroverlast leiden waardoor het waterschap eisen stelt aan dergelijke ontwikkelingen om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Bij de inpassing van ontwikkelingen in het bestaande watersysteem moet daarom worden uitgegaan van de volgende principes:
- -
‘voorkomen van afwentelen’: oplossingen op de ene plaats mogen niet leiden tot problemen elders;
- -
‘stroomgebiedbenadering ’: kijk niet alleen naar het lokale watersysteem maar beschouw het gehele (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling plaatsvindt;
- -
‘trits’ vasthouden-bergen-afvoeren: zoveel mogelijk water vasthouden, vervolgens water bergen en tenslotte pas water afvoeren.
De verantwoordelijkheid voor het voorkomen van afwentelen van hemelwaterlozingen begint bij de grondeigenaar c.q. degene die verhard oppervlak aanlegt. De initiatiefnemer dient het hemelwater zoveel mogelijk op eigen perceel te houden. Pas als dat redelijkerwijs niet mogelijk is kan hij in overleg met gemeente en waterschap een oplossing zoeken. De gemeente stelt vanuit haar hemelwaterzorgplicht eisen aan de verwerking van hemelwater. Met deze Beleidsregel doet het waterschap dat ook.
13.1.2 Begripsbepaling
Verhard oppervlak: zie voor de definitie hiervan bijlage I van de waterschapsverordening.
Toename: Een wijziging van onverhard naar verhard oppervlak. Vervangende nieuwbouw wordt niet beschouwd als toename verhard oppervlak.
Afkoppelen verhard oppervlak: zie voor de definitie hiervan bijlage I van de waterschapsverordening.
Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen (HNO): Het nemen van compenserende maatregelen om te voorkomen dat een versnelde afvoer van hemelwater bij nieuwe ontwikkelingen kan resulteren in over- en onderlast van het ontvangende oppervlaktewatersysteem en het grondwatersysteem.
Voorziening: Een voorziening die moet worden aangelegd om te voorkomen dat de extra hoeveelheid hemelwater ten gevolge van een toename van verhard oppervlak versneld wordt afgevoerd naar het ontvangende watersysteem. In de voorziening wordt water tijdelijk geborgen en/of geïnfiltreerd in de bodem.
13.1.3 Toepassingsgebied
Deze beleidsregel geldt voor de afvoer van hemelwater afkomstig van toename en/of afgekoppeld verhard oppervlak naar oppervlaktewater en er niet wordt voldaan aan de vergunningvrije gevallen en bijbehorende algemene regels in de paragraaf 2.2.2 van de waterschapsverordening.
13.2 Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is om de mogelijk versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak of afkoppelen van verhard oppervlak op een optimale wijze in te passen in het bestaande watersysteem waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt.
13.3 Motivering van de beleidsregel
13.3.1 Hydrologisch neutraal ontwikkelen
Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden.
Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater.
De realisatie van nieuw verhard oppervlak en afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit betekent dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door het graven van hemelwaterbuffers of het aanleggen van wadi’s. In sommige gevallen kan de voorkeur juist worden gegeven aan het realiseren van compensatie in het bestaande watersysteem of worden aangesloten bij andere compensatievoorzieningen of wateropgaven.
Op welke wijze een ontwikkeling met een toename aan verharding wordt ingepast, is zeer sterk locatie-afhankelijk. Op grond van een integrale afweging, waarbij aspecten als oppervlak verharding, bodemgesteldheid, grondgebruik, huidig functioneren (aanliggend) watersysteem worden meegenomen, komen aanvrager en waterschap tot een optimale inpassing van de ontwikkeling in het bestaande watersysteem. Hierbij is het zaak dat het overleg hierover tussen aanvrager/initiatiefnemer en het waterschap in een zo vroeg mogelijk stadium wordt gestart als onderdeel van de weging van het waterbelang.
13.3.2 Trits vasthouden-bergen-afvoeren
Wateroverlast door versneld afvoeren (3) van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur van het waterschap uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden (1) aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of het infiltreren van water in de bodem en past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewater- als grondwatersysteem. Als niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt (2). Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd.
13.3.3 Optimale inpassing/integrale afweging
Bij een uitbreiding van verhard oppervlak of het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak geldt als uitgangspunt dat bij het bepalen van de noodzakelijke compensatieopgave gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Tevens geldt dat in de afweging oog moet zijn voor andere dan kwantitatief hydrologische aspecten. Dit betekent dat met het invullen van de compensatieopgave andere doelstellingen dan hydrologie kunnen worden gerealiseerd. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de realisatie van ecologische verbindingszones of watersysteemherstelmaatregelen. Ook het toekomstig beheer van de voorziening speelt bij de afweging een belangrijk rol. Er moet zoveel mogelijk voorkomen worden dat er een versnipperd watersysteem ontstaat. Versnippering maakt het watersysteem minder robuust: het leidt tot suboptimaal gebruik van de beschikbare bergingscapaciteit en er is meer sturing nodig. Hieruit volgt in de toetsingscriteria een aantal uitzonderingen voor de toepassing van hydrologisch neutraal ontwikkelen.
13.3.4 Waterhuishoudkundig onderzoek
Het waterschap vindt een waterhuishoudkundig onderzoek noodzakelijk ter onderbouwing van de compensatieopgave en de wijze waarop deze wordt ingevuld. Het onderzoek, dat wordt uitgevoerd in opdracht van de aanvrager/initiatiefnemer, zal in overleg met het waterschap plaatsvinden en maakt bij voorkeur onderdeel uit van het watertoetsproces dat initiatiefnemer/aanvrager en waterschap gezamenlijk doorlopen.
13.3.5 Noodoverloopconstructie
Bij zeer grote neerslaghoeveelheden zal de genoemde voorziening het aangeboden water onvoldoende kunnen verwerken. Een noodoverloopconstructie moet er dan voor zorgen dat het overtollige water gecontroleerd naar een plek wordt afgevoerd waar het geen overlast kan veroorzaken. Dit kan zijn het aangrenzend oppervlaktewater of een laagte op het eigen perceel. De noodoverloopconstructie moet hierbij voldoen aan de algemene regels voor lozingsconstructies.
13.3.6 Glastuinbouw en pot- en containerteelt
Bij glastuinbouwbedrijven en pot en containerteelt wordt een groot deel van het hemelwater opgevangen en hergebruikt als gietwater. De daarvoor gebruikte bassins kunnen in bepaalde situaties gecombineerd worden met de compensatie die nodig is om versnelde afvoer van hemelwater te voorkomen. Zie hiervoor de “Hydrologische uitgangspunten bij de regels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”.
13.4 Toetsingscriteria
13.4.1 Waterhuishoudkundig (model)onderzoek
Het waterhuishoudkundig onderzoek voldoet aan de richtlijnen die zijn opgenomen in “Hydrologische uitgangspunten bij de regels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. De uitkomst van het onderzoek moet onderdeel uit maken van de vergunningaanvraag.
13.4.2 Bepalen omvang compensatie
De compensatieplicht is 600 m3 per hectare toename verhard oppervlak, tenzij uit het waterhuishoudkundig onderzoek blijkt dat minder compensatie nodig is. De benodigde capaciteit ligt tussen de kruinhoogte van de noodoverloopconstructie en de bodem van de voorziening. Indien de bodem van de voorziening lager ligt dan de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), dan geldt de GHG als ondergrens. Een vloeistofdichte berging mag wel (deels) onder de GHG liggen.
13.4.3 Voorzieningen
Afvoer
De afvoer uit een voorziening mag maximaal 2 l/s/ha zijn. Indien gebruik wordt gemaakt van een kleinere opvangcapaciteit omdat infiltratie in de voorziening plaatsvindt, moet de voorziening binnen 5 dagen waarbinnen maximaal 2 mm hemelwater per etmaal is gevallen, leeggelopen zijn.
Noodoverloopconstructie
Er moet een noodoverloopconstructie op de voorziening aanwezig zijn. Deze moet worden aangelegd conform de aanwijzing vergunningvrije gevallen en bijbehorende algemene regels in paragraaf 2.1.7 van de waterschapsverordening.
13.4.4 Versnelde afvoer
De uitgangspunten van hydrologisch neutraal ontwikkelen moeten altijd gevolgd worden. Afwijken van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen is mogelijk wanneer:
- a.
met de versnelde afvoer een verdrogingsknelpunt wordt opgelost of verminderd;
- b.
met de versnelde afvoer een waterkwaliteitsprobleem wordt opgelost of een ecologische doelstelling wordt gerealiseerd (bijvoorbeeld door doorstroming te creëren);
- c.
de versnelde afvoer van verhard oppervlak deel uitmaakt van een gebiedsgerichte ontwikkeling waarbij binnen een groter gebied hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld;
- d.
de versnelde afvoer het gevolg is van afkoppelen van verhard oppervlak;
- e.
er sprake is van buitendijkse ontwikkelingen.
- f.
er sprake is van een langlopende ruimtelijke ontwikkeling waarbij er een onevenredige eis ontstaat door vast te houden aan de uitgangspunten.
Voorwaarden hierbij zijn:
- a.
de versnelde afvoer leidt niet tot overschrijding van normen voor wateroverlast (ook in benedenstroomse gebieden) zoals vastgelegd in de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant van provincie Noord-Brabant;
- b.
de versnelde afvoer leidt niet tot aanvullende kosten voor inrichting, beheer of onderhoud voor derden of het waterschap.
14. Beleidsregel Drainage
14.1. Kader
14.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 5.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor het ontwateren van gronden met drainagemiddelen aangewezen.
14.1.2. Begripsbepaling
Drainagemiddel: zie voor de definitie hiervan bijlage I van de waterschapsverordening.
Peilgestuurde drainage: drainage waarbij de drains niet direct uitmonden in een watergang maar in een zogeheten verzameldrain. Deze verzameldrain mondt uit in een verzamelput. In deze verzamelput zit een verstelbare overloopbuis waarmee de ontwateringsdiepte van de drainage actief kan worden gestuurd. Zie onderstaand figuur.
- a.
Drainagebuis.
- b.
Verzameldrain: Zorgt voor de collectieve afwatering van de drainagebuizen naar de verzamelput.
- c.
Verzamelput: Put waarin de waterafvoer geregeld kan worden.
- d.
Overloopbuis: Buis waardoor het drainagewater geloosd kan worden op het oppervlakte water.
- e.
Ontwateringsdiepte: Is de diepte ten opzichte van het maaiveld waarop maximaal ontwaterd wordt. Dit is de hoogte van de (vaste) overloopvoorziening.
- f.
Afvoerbuis.
- g.
Maaiveld.
- h.
Aanlegdiepte drainage.
Beschermde gebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. De beschermde gebieden zijn overgenomen uit de (interim)Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hieronder valt het Natuurnetwerk Brabant (inclusief Natte Natuurparels en Natura 2000 gebieden), inclusief de ecologische verbindingszones (EVZ).
Attentiegebieden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. Bij de attentiegebieden gaat het om beschermingsgebieden van gemiddeld 500 meter rond de zogenaamde "natte natuurparels". Rond de Groote Peel is de 2 kilometerzone uit het aanwijzingsbesluit van de minister van LNV op grond van de Omgevingswet als beschermingsgebied overgenomen. De begrenzing is overgenomen uit de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zij maken samen met de natte natuurparels deel uit van de ´Attentiezones waterhuishouding’ in de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Beekdalen: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. De beekdalen betreffen kwelgebieden in het agrarisch gebied die hydrologisch gezien tot de meest waardevolle gebieden van het beheersgebied van het waterschap gerekend kunnen worden.
Wijstgronden: Gebieden die als dusdanig zijn opgenomen in de kaarten bij de waterschapsverordening. Het betreft een uniek geohydrologisch verschijnsel dat zich langs de Peelrandbreuk voordoet. De Peelrandbreuk vormt de overgang tussen de zakkende gronden (slenk) en stijgende gronden (horst) in Oost Brabant. Langs de breuklijn schuren de gronden langs elkaar waardoor deze slecht doorlatend wordt voor grondwater. Het verschijnsel dat de grondwaterstand op de hoger gelegen horst duidelijk hoger ligt dan in de lager gelegen slenk, wordt als wijst getypeerd. Wijstgronden zijn de gebieden waar dit verschijnsel duidelijk zichtbaar is. Deze gebieden zijn overgenomen uit de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant.
14.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op nieuw aan te leggen of te vervangen drainage in de gebieden met beschermende regels zoals bedoeld in de waterschapsverordening.
14.2. Doel van de beleidsregel
Voor de gebieden met beschermende regels zoals bedoeld in de waterschapsverordening wordt een waterhuishoudkundige bescherming voorgestaan gericht op het bij voorkeur verbeteren van de condities voor de natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities maar minimaal stand-still.
Het doel van het beleid is om verdroging door ingrepen in de waterhuishouding tegen te gaan. Deze beleidsregel draagt bij aan voldoende water voor zowel natuur als landbouw.
14.3. Motivering van de beleidsregel
14.3.1. Algemeen
De aanleg van nieuwe drainage vindt doorgaans plaats ter bevordering of behoud van landbouwkundig gebruik.
In alle gebieden met beschermende regels geldt dat het individuele belang van een agrariër niet mag leiden tot schade voor omliggende agrariërs en andere grondgebruikers. Daarnaast mogen de doelen voor waterconservering en natuur niet negatief worden beïnvloed.
14.3.2. Gebieden met beschermende regels
14.3.2.1 Beschermde gebieden
Het beschermingsbeleid is in de Beschermde gebieden gericht op instandhouding en waar mogelijk verbetering van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant, waaronder de Natura 2000 gebieden. Gewerkt wordt aan een verbetering van de hydrologische situatie voor de natuur.
In de Beschermde gebieden wordt drainage alleen toegestaan indien deze in combinatie met andere maatregelen cumulatief tot een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van het NNB en/of de Natura 2000 leidt (“nee tenzij”). Dit noemen we een hydrologische plus. Het gaat daarbij dus om het totaal aan maatregelen die de aanvrager neemt, inclusief maatregelen die het waterschap neemt. Om de versterking van het NNB en/of de Natura 2000, maar ook de agrarische gebieden te verkrijgen stellen de waterschappen GGOR’s op. De GGOR geeft inzicht in wanneer er sprake kan zijn van een hydrologische plus en dus wanneer peilgestuurde drainage in de beschermde gebieden toegestaan kan worden. Indien de GGOR geen duidelijkheid verschaft over de invloed van drainage, moet per individuele aanvraag duidelijk gemaakt worden hoe de hydrologische plus wordt bereikt.
Indien er maatregelen worden uitgevoerd om de natte natuurparels te vernatten, bijvoorbeeld in het GGOR-traject, geeft dit een nieuwe uitgangssituatie waaraan getoetst wordt om verdrogende effecten te voorkomen. Reeds eerder uitgevoerde vernattingsmaatregelen geven dus geen extra ruimte voor drainage.
Uitzondering hierop is drainage die wordt aangelegd als compenserende maatregel. Indien aantoonbaar gemaakt kan worden dat de uitvoering van vernattingsmaatregelen tot (onevenredige) natschade leidt op perceelniveau, kan drainage een maatregel zijn om de natschade zo veel als mogelijk te voorkomen. Hierbij moet ook gekeken worden naar alternatieven, zoals bijvoorbeeld aanleg van extra c-wateren.
De compenserende maatregelen gelden alleen op perceelniveau. Realisatie van de hydrologische plus binnen de beschermde gebieden geldt als randvoorwaarde.
14.3.2.2 Attentiegebieden
De cumulatieve effecten van de maatregelen in de attentiegebieden mogen niet leiden tot een significant negatief effect op het te beschermen doel. Hierbij wordt getoetst op minimaal een stand-still op de rand van de natte natuurparel. Ook hier geeft de GGOR inzicht in wanneer peilgestuurde drainage toegestaan kan worden. Indien de GGOR geen duidelijkheid verschaft over de invloed van drainage, moet per individuele aanvraag duidelijk gemaakt worden hoe de minimale stand-still wordt bereikt.
Het cumulatieve effect wil zeggen dat een drainage afzonderlijk geen effect hoeft te hebben op de rand van de natte natuurparel, maar alle nieuwe drainages die worden aangelegd sinds het in werking treden van deze beleidsregel, als totaal wel effect hebben. De toetsing op cumulatief effect vindt plaats op volgorde van aanvraag. Ter verduidelijking: bij de aanvraag van de eerste drainage wordt de invloed op de rand van de natte natuurparel getoetst. Bij de tweede aanvraag wordt de invloed van de nieuwe drainage bepaald, in combinatie met de eerste drainage. Bij de derde aanvraag wordt de invloed van de nieuwe drainage bepaald, in combinatie met de eerste en de tweede drainage. Et cetera.
Bij toets op het effect wordt gekeken naar een minimaal stand-still op de rand van de natte natuurparel. Stand-still is in dit geval, dat geen enkele grondwaterdaling op de rand van de natte natuurparel wordt toegestaan (0 cm grondwaterverlaging).Voor de attentiegebieden geldt dat nieuwe drainage niet kan worden toegestaan, tenzij aangetoond wordt dat de activiteit geen negatief hydrologisch effect op de natte natuurparel heeft. In dat geval kan een individuele ingreep in beginsel plaatsvinden.
Indien er maatregelen worden uitgevoerd om de natte natuurparels te vernatten, bijvoorbeeld in het GGOR-traject, geeft dit een nieuwe uitgangssituatie waaraan getoetst wordt om verdrogende effecten te voorkomen. Vernattingsmaatregelen geven dus geen extra ruimte voor drainage.
Uitzondering hierop is drainage die wordt aangelegd als compenserende maatregel. Indien aantoonbaar gemaakt kan worden dat de uitvoering van vernattingsmaatregelen tot (onevenredige) natschade leidt op perceelniveau, kan drainage een maatregel zijn om de natschade zo veel als mogelijk te voorkomen. Hierbij moet ook gekeken worden naar alternatieven, zoals bijvoorbeeld ophogen van het perceel.
14.3.2.4 Beekdalen
De natuur in de beekdalen zijn afhankelijk van een goede grondwaterstand. Het beschermingsbeleid in deze gebieden is, net als bij de beschermde gebieden, gericht op instandhouding en waar mogelijk verbetering van de wezenlijke kernmerken en waarden van de ecologie en natuurwaarden. Gewerkt wordt aan een verbetering van de hydrologische situatie voor de natuur.
Derhalve geldt hetzelfde beschermingsbeleid als binnen de beschermde gebieden.
14.3.2.5 Wijstgronden
In een intentieverklaring (2007) tussen provincie, waterschap, gemeenten, belangenorganisaties en terreinbeheerders zijn afspraken gemaakt om vijf wijstgebieden te herstellen.
Alle activiteiten die het wijstverschijnsel aantasten dienen te worden vermeden. Zoals het doorsnijden van de breuklijn of het treffen van voorzieningen om de grondwaterstand structureel te verlagen.
14.3.3. Peilgestuurde drainage
Peilgestuurde drainage heeft voordelen ten opzichte van conventionele drainage. Peilgestuurde drainage is regelbaar waardoor de mogelijkheid bestaat om water langer vast te houden (conserveren). Dit kan leiden tot een kleinere beregeningsbehoefte in droge periodes en reduceert daarmee de kans op droogteschade. Door peilgestuurde drainage aan te leggen met een kleinere afstand tussen de drains wordt bij een hoger drainageniveau de bewerkbaarheid van het land niet negatief beïnvloed.
Vanwege de voordelen ten opzichte van conventionele drainage schrijft het beleid zowel bij nieuwe als bij vervanging van bestaande drainage altijd peilgestuurde drainage voor.
Peilgestuurde drainage heeft als eigenschap dat er minder drainagewater uitstroomt. Daarnaast is de ontwaterende werking beter beheersbaar dan bij conventionele drainage. Door onderzoeksinstituut Alterra is in 2008 een modelstudie uitgevoerd die dit bevestigt (‘Modelonderzoek naar effecten van conventionele en samengestelde, peilgestuurde drainage op de hydrologie en nutriëntenbelasting’; P.J.T. van Bakel, E.M.P.M. van Boekel, G.-J. Noij, Alterrra-rapport 1647, Alterra, Wageningen 2008).
Een positief effect van peilgestuurde drainage dat zowel op perceelschaal als op gebiedsschaal optreedt is, dat de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) wordt verhoogd ten opzichte van conventionele drainage. De GLG is een belangrijke factor in het herstellen van kwelstromen.
Tevens maakt de gebruikelijke drainagediepte het ook moeilijk om in het kader van GGOR en verdrogingsbestrijding peilverhogende maatregelen te nemen, omdat de uitmondingen eveneens laag liggen en een vrije afvoer van de drains landbouwtechnisch gewenst is. Door het invoeren van peilgestuurde drainage ter vervanging van bestaande drainage (i.p.v. een vervangend conventioneel systeem) wordt op langere termijn naar een meer gewenst drainageregiem toe gewerkt. Hierdoor worden peilverhogingen in het kader van GGOR op langere termijn mogelijk gemaakt in het gebied. Daarnaast neemt op de korte termijn de afvoer van water uit het betreffende perceel af. Dit komt dus ten goede aan de doelstelling van verdrogingsbestrijding omdat daarmee op termijn de grondwaterstand verhoogd kan worden.
Naast deze kwantitatieve aspecten speelt ook waterkwaliteit een rol. Uit het genoemde Alterra-onderzoek blijkt ook dat peilgestuurde drainage van invloed is op de uitspoeling van nitraat en fosfaat. Voor fosfaat geldt dat er weliswaar een iets hogere uitspoeling is bij peilgestuurde drainage ten opzichte van conventionele drainage, maar de uitspoeling vanaf een ongedraineerd perceel is veel hoger. Voor stikstof geldt juist dat de stikstofbelasting bij conventionele drainage fors hoger is dan bij een ongedraineerd perceel maar dat de stikstofbelasting bij peilgestuurde drainage zelfs lager is dan in een ongedraineerd perceel. Geconcludeerd kan worden dat peilgestuurde drainage per saldo positieve effecten op de waterkwaliteit in het oppervlaktewaterlichaam heeft.
Bij peilgestuurde drainage geldt dat de uitmonding tot op zekere hoogte bepaald kan worden door de agrariër zelf. Om te waarborgen dat de gewenste positieve effecten ook daadwerkelijk optreden en te waarborgen dat de werkwijze handhaafbaar is, is het noodzakelijk duidelijke randvoorwaarden te stellen aan de aanleg en beheer van peilgestuurde drainage. Daarbij geldt dat het best handhaafbare beleid het stellen van een maximumdiepte van de uitmondingconstructie is.
Binnen een perceel kunnen hoogteverschillen voorkomen. Om een goede werking van een peilgestuurd drainagesysteem en de stand still op de rand van de natte natuurparel te waarborgen is een compartimentering van het drainagesysteem nodig. Daar waar binnen het perceel het verschil in maaiveldhoogte ten opzichte van het 5% laagste maaiveldniveau meer bedraagt dan 20 cm dient een nieuw compartiment aangelegd te worden. Dit herhaalt zich wanneer het hoogteverschil van het maaiveld van het compartiment verder oploopt dan 20 cm (zie het figuur bij deze beleidsregel). Bij deze toetsing is de Algemene hoogtekaart Nederland (AHN 5x5) leidend.
14.4. Toetsingscriteria
14.4.1. Algemeen
-
1. De ontwateringsdiepte is gebiedspecifiek, maar maximaal 0,70 m-mv gemeten vanuit de hoogte van de overloopbuis ten opzichte van de gemiddelde maaiveldhoogte per drainagevlak. Gebiedspecifiek heeft betrekking op ligging, grondslag en hydrologische omstandigheden.
-
2. Daar waar drainage is toegestaan binnen de gebieden met beschermende regels zoals bedoeld in de waterschapsverordening, moet gebruik worden gemaakt van peilgestuurde drainage. Uitzondering hierop is drainage op percelen met een grondtextuur die zwaarder is dan zware zavel zoals aangegeven op de bodemkaart Nederland. Dan kan traditionele drainage worden toegestaan.
-
3. Bij elke toename in maaiveldhoogte van 20 cm ten opzichte van het 5% laagste maaiveldniveau dient een nieuw compartiment in het peilgestuurde drainagesysteem aangelegd te worden. Bij deze toetsing is de Algemene hoogtekaart Nederland (AHN 5x5) leidend.
-
4. Indien gemeenten maatregelen moeten treffen op grond van artikel 2.16 van de Omgevingswet (afvoer hemelwater en voorkomen grondwateroverlast) en hiervoor drainage de enige oplossing biedt, kan vergunning worden verleend.
14.4.2. Beschermde gebieden
-
1. Nieuwe drainage binnen de beschermde gebieden wordt niet toegestaan. Uitzondering hierop is, als een combinatie van maatregelen in of nabij het betreffende beschermde gebied cumulatief bijdraagt aan het bereiken van waterhuishoudkundige condities van de natuurdoelen in natte natuurparels (hydrologische plus).
Een verbijzondering hiervan is een compensatiemaatregel als gevolg van daadwerkelijke natschade door een vernattingsmaatregel binnen het NNB. Er wordt alleen vergunning verleend voor zover de drainage de natschade compenseert.
-
2. Bij vervanging van bestaande drainage binnen beschermde gebieden wordt de drainage getoetst aan bovenstaande punten. Bij het bepalen van de hydrologische plus wordt uit gegaan van de bestaande situatie. Daarbij geldt dat de diepte waarop de uitmondingconstructie kan worden ingesteld gelijk dient te zijn aan de bestaande diepte, met een maximum diepte van 70 cm beneden het gemiddelde maaiveldniveau.
14.4.3. Attentiegebieden
-
1. Nieuwe drainage binnen attentiegebieden wordt niet toegestaan. Uitzondering hierop is als de cumulatieve effecten van de maatregelen in de attentiegebieden niet leiden tot een significant negatief effect op de Beschermde gebieden. Hierbij wordt getoetst op minimaal een stand-still op de rand van de natte natuurparel.
-
2. Bij vervanging van bestaande drainage binnen attentiegebieden wordt de drainage getoetst aan bovenstaande punten. Bij het bepalen van de stand-still wordt uit gegaan van de bestaande situatie.
14.4.4. Beekdalen
-
1. Drainage binnen de beekdalen wordt niet toegestaan, tenzij de combinatie van maatregels cumulatief bijdraagt aan het bereiken van waterhuishoudkundige condities van de natuurdoelen in de beekdalen (hydrologische plus). Een verbijzondering hiervan is een compensatiemaatregel als gevolg van natschade door een vernattingsmaatregel binnen het NNB. Als deze effecten neutraal of negatief zijn, zal de vergunning geweigerd worden.
-
2. Bij vervanging van drainage binnen beekdalen wordt de drainage getoetst aan bovenstaande punten. Bij het bepalen van de hydrologische plus wordt uit gegaan van de bestaande situatie.
14.4.5. Wijstgronden
-
1. Drainage die tot een structurele daling van de grondwaterstand leidt, kan slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen.
-
2. Drainage die tot een structureel grotere afstand leidt tussen maaiveld hoogte en grondwaterstand kan slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen.
-
3. Het initiatief voor de aanvullende maatregelen ligt bij de aanvrager waarvan de hydrologische effectiviteit van de aanvullende maatregelen door het waterschap wordt beoordeeld.
15. Beleidsregel profiel van vrije ruimte bij oppervlaktewaterlichamen
15.1 Kader
15.1.1 Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor het plaatsen, wijzigen of behouden van werken in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam aangewezen.
15.1.2 Begripsbepaling
Profiel van vrije ruimte bij oppervlaktewaterlichamen: de ruimte zoals vastgelegd in de waterschapsverordening ter weerszijden van, boven en onder een waterstaatwerk of een toekomstig waterstaatswerk die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen, zoals ecologische verbindingszones, beekherstel en meandering.
15.1.3 Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op nieuw aan te leggen of te vervangen werken die niet eenvoudig ongedaan te maken zijn in het profiel van vrije ruimte bij oppervlaktewaterlichamen, aangegeven in de waterschapsverordening.
15.2 Doel van de beleidsregel
De waterschappen hebben de mogelijkheid om in de waterschapsverordening een ‘profiel van vrije ruimte’ bij oppervlaktewateren op te nemen, als reservering voor toekomstige verbetering of uitbreiding van het waterstaatswerk. Het profiel van vrije ruimte is bedoeld om ruimte vrij te houden voor toekomstige ontwikkeling van de watergang, zoals de aanleg van ecologische verbindingszones, beekherstel en meandering.
Het doel van het verbod is het voorkomen van ingrepen die de uit te voeren verbeteringen belemmeren of onmogelijk maken. Dit profiel van vrije ruimte staat los van de beschermingszone.
15.3 Motivering van de beleidsregel
15.3.1 Algemeen
Het profiel van vrije ruimte is bedoeld om ruimte vrij te houden voor toekomstige ontwikkeling van de watergang. Het doel van het verbod is het voorkomen van ingrepen die de uit te voeren (her)inrichtingswerkzaamheden ernstig belemmeren of onmogelijk maken. Ook moet worden voorkomen dat (bouw)werken tegen hoge kosten in een later stadium alsnog moeten worden verplaatst of compenserende maatregelen moeten worden uitgevoerd.
Dit profiel van vrije ruimte staat los van de beschermingszone. Voor werken in de beschermingszone moet getoetst worden aan de specifieke regels.
Als een werk niet eenvoudig te verwijderen of te verplaatsen is, wordt de uit te voeren ontwikkeling ernstig gehinderd of onmogelijk gemaakt.
Onder ‘eenvoudig’ wordt verstaan een constructie die met eenvoudige hulpmiddelen (gangbaar gereedschap) snel te verwijderen en bij schade te herstellen is. Bijvoorbeeld een klinkerverharding, afrastering, tuinhuisje of bankje welke niet duurzaam met de grond verbonden is d.m.v. fundamenten.
In ieder geval worden de volgende werken niet aangemerkt als eenvoudig ongedaan te maken:
- -
nutsleidingen;
- -
bouwwerken welke duurzaam met de grond verbonden zijn d.m.v. fundamenten;
- -
infrastructurele werken.
Dergelijke werken vallen dan ook onder de vergunningplicht.
Op het moment dat ontwikkelingen worden uitgevoerd, zal de eigenaar van de eenvoudig ongedaan te maken werken verplicht worden om die werken op eigen kosten te verwijderen. Het plaatsen van een werk in het profiel van vrije ruimte is tijdelijk. Het onomkeerbare karakter is hiermee op eigen risico van de eigenaar van het werk.
15.4 Toetsingscriteria
15.4.1 Algemeen
-
1. In het profiel van vrije ruimte worden alleen eenvoudig ongedaan te maken werken toegestaan.
-
2. In afwijking van criterium 1 kan vergunning voor niet eenvoudig ongedaan te maken werken worden verleend, daar waar aannemelijk is dat het profiel van vrije ruimte in de te voorziene toekomst niet benut zal worden voor uit te voeren ontwikkelingen.
-
3. In afwijking van criterium 1, kan vergunning worden verleend voor niet eenvoudig ongedaan te maken werken, indien de werken niet of anders op zeer moeilijke wijze zijn te realiseren. Daarbij worden door de vergunninghouder zoveel mogelijk compenserende, of indien dat niet kan, mitigerende maatregelen genomen.
16. Beleidsregel dood hout in oppervlaktewaterlichaam
16.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen. Op grond van dit artikel is het onder meer verboden om zonder vergunning in een a-water, of in de beschermingszone hiervan werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.
16.2. Begripsbepaling
Dood hout: Met dood hout worden stammen, takken(bossen), wortels, stobben, vlechtwerken, losse bomen, langshout en dergelijke bedoeld die aangebracht worden in de waterloop. Het hout dient onbehandeld te zijn, d.w.z. dat dit vrij moet zijn van een impregneermiddel.
KRW: Kaderrichtlijn water. Een Europese richtlijn die voorschrijft dat de waterkwaliteit van Europese wateren aan een bepaalde eisen moet voldoen.
A-watergang: De belangrijkste watergangen voor aan- en afvoer van een watersysteem.
R-type: typering vanuit de KRW die betrekking heeft op stromende wateren.
Inrichtingsmaatregel: een fysieke maatregel die verandering brengt in de watersysteem of het landschap.
Macrofauna: Een verzamelnaam voor ongewervelde dieren die met het 'blote' oog te zien zijn.
Gemiddelde waterlijn: met gemiddelde waterlijn wordt bedoeld het streefpeil van de stuw ter plaatse of bij ongestuwde beken de gemiddelde waterstand in de winter
16.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op het aanbrengen van dood hout in a-watergangen.
16.4. Doel van de beleidsregel
Het doel van de beleidsregel is het kunnen toepassen/het mogelijk maken van het aanbrengen van dood hout en daarmee het vergroten van de ecologische kwaliteit.
16.5. Motivering van de beleidsregel
16.5.1. Algemeen
Het aanbrengen van dood hout in watergangen is onderdeel van de inrichtingsmaatregelen ten behoeve van de KRW-opgave of ter verbetering van de waterkwaliteit. Deze maatregel dient doelmatig uitgevoerd te kunnen worden om een goede ecologische toestand van het waterlichaam te bereiken. Naast dat dood hout als leefgebied dient voor vis en macrofauna, zorgt het ook voor variatie in stroomsnelheid.
16.5.2. Ecologie en waterkwaliteit
Dood hout is belangrijk voor de ecologie in waterlichamen en in het bijzonder in KRW-waterlichamen. Dood hout heeft meerdere positieve effecten op de ecologie. Zo kan het dienen als leefgebied voor macrofauna en vis doordat het schuil- en voedselgelegenheid biedt. Door het toevoegen van dood hout in de waterloop ontstaat er variatie in stroomsnelheid, wat een positief effect heeft op de bodemstructuur en dus de verschillende habitattypen in een watergang. Daarnaast zorgt de stroomversnellingen voor turbulentie en hogere zuurstofgehaltes wat een positieve werking heeft op de ecologie en waterkwaliteit, wat een positieve invloed op vis en macrofauna heeft.
Het dood hout is het meest effectief als het wordt aangebracht op een locatie in de watergang waar beschaduwing aanwezig is of zal worden gecreëerd. Minimaal de zuid- of de westzijde (afhankelijk van de ligging van de beek) dient voldoende beschaduwd te zijn en/of beschaduwd te worden. Indien er onvoldoende schaduw aanwezig is bij de dood houtpakketten zal er te veel ongewenste begroeiing van waterplanten ontstaan tussen en rondom die dood houtpakketten.
16.5.3. Doorstroming en opstuwing/bergingscapaciteit
Dood hout wordt dusdanig aangebracht dat het nauwelijks een, zo weinig als mogelijk, belemmering vormt voor de doorstroming. Het aanbrengen van dood hout zorgt voor enige mate van opstuwing. De opstuwing wordt vooral bepaald door het deel van het hout dat in de breedte van de watergang aanwezig is en de hoogte van het dood hout ten opzichte van de gemiddelde waterlijn. Het dood hout dient daarom bij voorkeur onder de gemiddelde waterlijn geplaatst te worden, zodat bij hoge waterstanden het water eroverheen kan stromen en er geen onnodige opstuwing plaats vindt. Ook de oriëntatie van het hout t.o.v. de stroming is van belang. Als het met de stroom mee ligt, is de mate van opstuwing kleiner.
16.5.4. Beheer en onderhoud
Het aanbrengen van dood hout dient dusdanig te gebeuren dat het beheer en onderhoud aan de watergang machinaal kan worden uitgevoerd.
Het water dient over het dood hout heen te stromen, zodanig dat er geen onnodige ophoping van materiaal plaats kan vinden. Hierbij is de hoogte van het aangebrachte hout ten opzichte van het streefpeil van belang.
Het object dient verankerd te zijn, zodat deze niet onverhoopt kan losraken en elders een belemmering veroorzaakt. Het object dient zowel digitaal in het beheerregister, als in het veld gemarkeerd te zijn. Dit voorkomt dat dood hout per ongeluk wordt verwijderd en/of dat schade ontstaat aan onderhoudsmachines.
16.5.5. Stabiliteit talud
Het verankeren/ingraven van dood hout in het talud mag geen negatief effect hebben op de stabiliteit van het talud.
16.6. Toetsingscriteria
16.6.1. Doorstroming en waterbergend vermogen
De dood hout pakketten mogen niet voor een significant negatief opstuwend effect zorgen en het benodigd bergend vermogen mag niet verminderen. De mate van opstuwing ligt aan de hoeveelheid en plaatsing van het hout in relatie tot het dwarsprofiel, de afvoer en het verhang van de waterbodem.
16.6.2. Ecologie en waterkwaliteit
Dood hout is het meest gewenst in KRW-waterlopen (type R) en/of waterlopen met een ecologische functie. Het dood hout dient op beschaduwde locaties te worden aangebracht of er dient beschaduwing te worden gecreëerd op de locaties waar het dood hout wordt aangebracht.
Tevens dient het dood hout te worden aangebracht op locaties met een permanente stroming.
De overige materialen die worden gebruikt om het dood hout te verbinden met elkaar en/of te bevestigen in het talud of anderszins gebruikt worden, mogen niet uitlogend zijn.
16.6.3. Beheer en onderhoud
Het dood hout dient verankerd te zijn in de oever of aan een ander ankerpunt (zoals kettingen of staalkabels aan palen in het water/op de oever of aan ballast) om losraken en drijven te voorkomen.
Het dood hout wordt bij voorkeur onder de gemiddelde waterlijn aangelegd, zodat er geen onnodige ophoping van materiaal plaatsvindt.
Er dient zoveel mogelijk te worden gestreefd naar een situatie dat het regulier en groot onderhoud van de watergang doelmatig, machinaal, kan worden uitgevoerd. Bij dit type objecten is inzet van aangepast onderhoudsmaterieel (bijvoorbeeld een smallere korf) aanvaardbaar.
Indien er invasieve exoten aanwezig zijn dan dienen voorzieningen getroffen te worden die voorkomen dat deze kunnen wortelen in/aan/tussen het dood hout. Bijvoorbeeld door het plaatsen van geleiders.
16.6.4. Stabiliteit
Het dood hout mag de stabiliteit van het talud en/of de beschermingszone niet negatief beïnvloeden.
17. Beleidsregel vispassages in oppervlaktewaterlichaam
17.1. Waterschapsverordening
In artikel 2.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor oppervlaktewaterlichamen aangewezen. Op grond van dit artikel is het onder meer verboden om zonder vergunning in een a-water, of in de beschermingszone hiervan werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven.
17.2. Begripsbepaling
A-watergang: De belangrijkste watergangen voor aan- en afvoer van een watersysteem.
Inrichtingsmaatregel: een fysieke maatregel die verandering brengt in de watersysteem of het landschap.
Vispassage: een voorziening die het mogelijk maakt dat vissen een in het watersysteem aanwezige barrière, zoals een stuw of gemaal, in stroomopwaartse richting kunnen passeren. Een vispassage kan verschillende vormen hebben: bijvoorbeeld een compacte, technische constructie langs de stuw die deels in het talud van de watergang wordt geplaatst, of een gegraven nevengeul met trappen om de stuw heen (zgn. bekkenpassage).
17.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op alle a-watergangen.
17.4. Doel van de beleidsregel
Het doel van de beleidsregel is het kunnen aanbrengen van vispassages langs stuwen en daarmee het vergroten van de ecologische kwaliteit, en daarbij voldoende ruimte te behouden voor het doelmatig kunnen uitvoeren van het onderhoud aan de watergang.
17.5. Motivering van de beleidsregel
Algemeen
Het aanleggen van vispassages langs stuwen is een middel onderdeel van de inrichtingsmaatregelen om een goede ecologische toestand van het waterlichaam te bereiken.
17.5.1. Ecologie en waterkwaliteit
Vispassages maken het mogelijk voor vissen om barrières zoals stuwen, dammen en gemalen te passeren. Dit is essentieel voor soorten die migreren tussen paaigebieden, voedselgebieden en schuilplaatsen. Vispassages dragen daarmee bij aan een grotere biodiversiteit en een ecologisch, gezonder watersysteem. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is dat het ontwerp van de vispassage dusdanig is dat deze onder verschillende (weers)omstandigheden zoveel als mogelijk blijft functioneren. Bij een vispassage in de vorm van een nevengeul is het bijvoorbeeld van belang dat er in tijden van droogte altijd enige vorm van stromend water in die nevengeul aanwezig moet zijn. De vispassage hoeft in dat soort situaties niet optrekbaar te zijn voor vissen.
Bij het plaatsen van vispassages is het vaak noodzakelijk om het talud van de watergang op een dusdanige manier af te werken dat deze onderhoudsvrij wordt in verband met de beperkte bereikbaarheid van het talud voor het onderhoud. Een voorbeeld hiervan is het afwerken van het talud met beton. Vanuit ecologisch oogpunt dient er zo min mogelijk van het talud op een niet-natuurlijke manier afgewerkt te worden. Ten aanzien van de waterkwaliteit is het van belang dat er voor de vispassage en bijbehorende voorzieningen geen materialen worden gebruikt die uitlogend zijn.
17.5.2. Doorstroming en opstuwing
Vispassages worden op dusdanige wijze ontworpen en aangelegd dat dit geen negatieve invloed heeft op de doorstroming en/of afvoercapaciteit en/of het peilbeheer van de watergang. In tijden van droogte moet een vispassage die een technische constructie heeft, afgesloten kunnen worden ten behoeve van waterconservering om verlies van water via de vispassage te voorkomen. Bij een natuurlijke vispassage, in de vorm van een nevengeul, moet juist nog wel stromend water aanwezig blijven; zie hiervoor onder de paragraaf ecologie en waterkwaliteit.
17.5.3. Beheer en onderhoud
Het realiseren van een vispassage dient dusdanig te gebeuren dat het beheer en onderhoud aan de watergang doelmatig kan worden uitgevoerd. Indien de vispassage met een technische constructie (deels) in de beschermingszone van de watergang wordt gerealiseerd dient er voldoende ruimte over te blijven om er langs te rijden met onderhoudsvoertuigen. Doorgaans is hiervan sprake als er 4 meter ruimte overblijft in de (nieuwe) beschermingszone langs een a-watergang. Indien er onvoldoende obstakelvrije ruimte aanwezig is, dient de vispassage een dusdanige constructie te hebben dat de onderhoudsmachines er overheen kunnen rijden.
Een vispassage belemmert veelal de mogelijkheid om het talud en/of de waterbodem te maaien direct naast de vispassage. Om deze reden is het wenselijk om zowel benedenstrooms als bovenstrooms rondom de vispassage het talud dusdanig af te werken dat deze onderhoudsvrij wordt. Veelal zullen hiervoor niet-natuurlijke materialen gebruikt moeten worden, zoals beton, keien etc. Dit dient tot een minimum beperkt te worden.
Vispassages in de vorm van een nevengeul die gerealiseerd worden in de beschermingszone van een a-watergang dienen minstens één oversteekplaats te krijgen. Vaak is dit in de vorm van een duiker, brug of voorde.
17.5.4. Stabiliteit talud
De vispassage mag geen negatief effect hebben op de stabiliteit van het talud. Als de vispassage wel een negatieve impact heeft op de stabiliteit van het talud dan moeten er maatregelen genomen worden om de stabiliteit te garanderen.
17.6. Toetsingscriteria
17.6.1. Doorstroming en waterbergend vermogen
-
1. Vispassages mogen niet voor een significant negatief opstuwend effect zorgen en het benodigd bergend vermogen mag niet verminderen. Een reeds aanwezige stuw mag geen lagere afvoercapaciteit krijgen. Indien een stuw toch gewijzigd wordt, dient te worden getoetst aan beleidsregel 1 Peilafwijkingen in een oppervlaktewaterlichaam.
-
2. Een vispassage in de vorm van een technische constructie, dient op afstand afsluitbaar te zijn, zodat in droge tijden het beschikbare water zoveel als mogelijk geconserveerd kan worden.
17.6.2. Ecologie en waterkwaliteit
-
1. De vispassage wordt zo ontworpen dat de vispassage een zo groot mogelijk deel van het jaar kan functioneren. De vispassage moet ontworpen zijn conform de parameters uit de Handreiking Vispassages Noord Brabant.
-
2. Een nevengeul moet dusdanig gerealiseerd worden dat hierin te allen tijde stromend water in aanwezig is, om droogval van de nevengeul te voorkomen.
-
3. De materialen van de vispassage en bijbehorende voorzieningen mogen niet uitlogend zijn.
17.6.3. Beheer en onderhoud
-
1. Indien een vispassage met een technische constructie in de huidige beschermingszone van een a-watergang wordt gerealiseerd, kan dit toegestaan worden als de beschermingszone wordt verplaatst en er dan over de volle lengte van de vispassage minimaal een 4 meter obstakelvrije ruimte aanwezig is in de nieuwe beschermingszone, gemeten vanaf de rand van de vispassage en/of bijbehorende voorzieningen.
-
2. Indien niet voldaan wordt aan toetsingscriterium 1 vanwege onvoldoende obstakelvrije ruimte in de (nieuwe) beschermingszone, dient de vispassage overrijdbaar te worden gemaakt zodat de onderhoudsmachines er overheen kunnen rijden. Er dient dan een 4 meter obstakelvrije ruimte aanwezig te zijn, gemeten vanaf de insteek van de watergang.
-
3. Als een vispassage in de vorm van een nevengeul in de beschermingszone van een a-watergang wordt aangebracht, dient deze minimaal één oversteekplaats te krijgen ten behoeve van het onderhoud aan de watergang en aan de nevengeul.
-
4. Bij een vispassage met een technische constructie dient zowel benedenstrooms als bovenstrooms van de vispassage het talud rondom de vispassage onderhoudsvrij te worden afgewerkt. Dit mag niet meer zijn dan noodzakelijk.
17.6.4. Stabiliteit
De vispassage mag de stabiliteit van het talud en/of de beschermingszone niet negatief beïnvloeden. Indien nodig worden aanvullende voorzieningen aangebracht om de stabiliteit te waarborgen.
Beleid Keringen
18. Algemene Toetsingscriteria Waterkeringen
18.1. Kader
Uitgangspunt bij het vaststellen van de beleidsregels voor waterkeringen is te borgen dat de waterkeringen veilig zijn en blijven en dat het waterschap zijn zorgplicht/beheertaak zo efficiënt mogelijk kan blijven uitvoeren.
Vanuit het oogpunt van uniformiteit, robuustheid, beheer(s)baarheid en doelmatigheid hanteert het waterschap daarbij als streefbeeld een waterkering in de vorm van een grondlichaam bekleed met een erosiebestendige grasmat vrij van niet-waterkerende objecten als bijvoorbeeld bouwwerken, bomen en struiken, kabels en leidingen e.d. Het waterschap is zich ervan bewust dat het streefbeeld als zodanig niet over de volle lengte en breedte van de waterkering realiseerbaar is en dat maatschappelijke, landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden en/of functies of de ruimtelijke kwaliteit medebepalend (kunnen) zijn bij de uiteindelijke inrichting en beheer van de waterkering.
Ook wordt rekening gehouden met het gebruik van de waterkering voor bestaande nevenfuncties van de waterkering zoals wonen, transport e.d.
Veilige keringen
Een waterkering is “veilig” (c.q. het waterkerend vermogen is op orde) als deze aan de vastgestelde normen en de daarvan afgeleide eisen voldoet. Voor primaire keringen zijn dit de omgevingswaarden in de Omgevingswet, voor regionale keringen zijn dit de omgevingswaarden normen in de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Bij de technische uitwerking worden o.a. de in figuur 18.1 opgenomen faalmechanismen in beschouwing genomen.
Figuur 18.1: Faalmechanismen waterkeringen (bron: ENW, Grondslagen Hoogwaterbescherming, december 2016)
Hierbij wordt gebruik gemaakt van het beoordelings- en ontwerpinstrumentarium (BOI) van het informatiepunt leefomgeving (www.iplo.nl) e de vigerende (technische) leidraden van het Expertisenetwerk Waterkeringen (ENW, www.enwinfo.nl) en de Stichting Toegepast Onderzoek Water (STOWA, www.stowa.nl) voor primaire respectievelijk regionale waterkeringen.
Voor overige keringen zijn (nog) geen normen vastgesteld.
Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning wordt een eventueel projectbesluit Omgevingswet, dat voor deze keringen is opgesteld, betrokken alsmede de in de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgestelde omgevingswaarden om wateroverlast te voorkomen.
Doelmatig beheer
Waterkeringen moeten worden beheerd om te zorgen dat ze – bij diverse waterstanden – stabiel blijven en het water tegenhouden. Daarvoor voert het waterschap bijvoorbeeld periodiek controles en onderhoud uit. Voorkomen moet worden dat activiteiten van derden leiden tot slechtere bereikbaarheid voor inspectie of onderhoud of hogere kosten voor het beheer.
Legger en beperkingengebieden horend bij de waterschapsverordening
In de legger en in de beperkingengebieden horend bij de waterschapsverordening zijn de ligging, vorm en afmetingen van de waterkeringen opgenomen zoals die volgens de normen zouden moeten zijn. Daarnaast zijn in de beperkingengebieden horend bij de waterschapsverordening beschermingszones en het profiel van vrije ruimte opgenomen, waarbinnen restricties gelden aan activiteiten die kunnen worden uitgevoerd.
In figuur 18.2 is het leggerprofiel van een waterkering met bijbehorende zones aangegeven.
Het feitelijke dijkprofiel (beheerprofiel) zoals buiten waarneembaar kan afwijken van het (normatieve) leggerprofiel.
Figuur 18.2: Principe van leggerprofiel en bijbehorende beperkingengebieden/zones en profiel van vrije ruimte
18.2. Toetsingscriteria
18.2.1. Verweving van functies
Naast de waterkerende functie kan een waterkering andere functies hebben, zoals wonen, transport, natuur en recreatie. De waterkerende functie van de waterkering is van primair belang; alle andere functies zijn ondergeschikt aan de waterkerende functie.
Tussen de waterkerende voorzieningen (grondlichaam, damwanden e.d.) zoals vastgelegd in de legger en de voorzieningen voor andere functies (woningen e.d.) moet zoveel mogelijk een duidelijke scheiding aanwezig zijn. Zo mag bijvoorbeeld een (deel van een) woning waterkeringtechnisch geen onderdeel zijn van het voor de waterveiligheid noodzakelijke grondlichaam of waterkerende constructie.
18.2.2. Vastgestelde normen
Voor alle handelingen en activiteiten geldt dat de waterkering moet blijven voldoen aan de in de Omgevingswet en provinciale Omgevingsverordening vastgestelde omgevingswaarden c.q. dat geen belemmering wordt opgeworpen om deze waarden te bereiken (toekomstige dijkversterking).
18.2.3. Beheer en onderhoud
De kering moet te allen tijde bereikbaar blijven voor het doelmatig kunnen uitvoeren van regulier onderhoud. Ook andere beheeractiviteiten, zoals inspectie en monitoring moeten op eenvoudige wijze mogelijk blijven om tijdig noodzakelijke maatregelen te kunnen treffen. Daarnaast mogen activiteiten of werkzaamheden niet leiden tot hogere kosten voor beheer of onderhoud op termijn. Daarbij valt onder meer te denken aan het aanbrengen van voorzieningen, waarbij als neveneffect ongewenste graverij van bijvoorbeeld bevers of dassen in of bij de waterkering plaatsvindt.
Dergelijke voorzieningen worden alleen toegestaan op voldoende afstand van de waterkering of wanneer compenserende maatregelen worden getroffen bijvoorbeeld in de vorm van het aanbrengen van bever- of dassengaas.
18.2.4. Profiel van vrije ruimte bij een waterkering en werkruimte dijkversterking
De waterkering moet niet alleen nu maar ook in de toekomst zijn waterkerende functie kunnen blijven behouden. Door klimaatontwikkeling, bodemdaling en aanpassing van normen kan versterking van de waterkering nodig zijn. Voorkomen moet worden dat een dergelijke dijkversterking leidt tot hoge kosten of kapitaalvernietiging. Het waterschap houdt hiermee rekening door het vastleggen van een profiel van vrije ruimte bij een waterkering in de waterschapsverordening en legger.
Binnen het profiel van vrije ruimte worden werken alleen toegestaan wanneer een toekomstige dijkversterking niet wordt belemmerd. Hiervan kan worden afgeweken wanneer aan één of meerdere van de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:
- 1.
het is aannemelijk dat het profiel van vrije ruimte ter plaatse van het voorgenomen werk in de te voorziene toekomst niet benut zal worden voor een dijkversterking;
- 2.
er is sprake van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang en het werk is niet of anders op zeer moeilijke wijze is te realiseren. Daarbij worden door de vergunninghouder zoveel mogelijk compenserende, of indien dat niet kan, mitigerende maatregelen genomen;
- 3.
het werk heeft een tijdelijk karakter of kan eenvoudig ongedaan gemaakt worden en het werk - door en op kosten van de vergunninghouder – voorafgaand aan een eventuele dijkversterking wordt verwijderd/ongedaan gemaakt.
Daarnaast dient te allen tijde voldoende werkruimte aanwezig te zijn voor het uitvoeren van een dijkversterking (inzet en transport van materiaal en materieel). Hiervoor wordt in beginsel een zone van 10 meter vanaf de binnen- en buitenteen van de waterkering aangehouden, zoals vastgelegd in het leggerprofiel. Wanneer gemotiveerd kan worden dat een dergelijke werkruimte niet nodig is (bijvoorbeeld op basis van bovengenoemde voorwaarden), kan hiervan worden afgeweken.
4.
18.2.5. Ontgraven en ophogen
Permanente ontgravingen in / onder het leggerprofiel of profiel van vrije ruimte
Permanente ontgravingen in / onder het leggerprofiel of profiel van vrije ruimte zijn toegestaan mits:
- 1.
sprake is van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang, en;
- 2.
een vervangende waterkering of waterkerende voorziening wordt aangelegd.
Permanente ontgravingen in de waterkering en beschermingszone A en B
Permanente ontgravingen in de waterkering en de beschermingszones A en B zijn toegestaan mits:
- 1.
de ontgraving buiten / boven het leggerprofiel of profiel van vrije ruimte plaatsvindt, en;
- 2.
de ontgraving geen negatief effect heeft op de waterkerende functie, en;
- 3.
de bereikbaarheid van de waterkering voor onderhoud, inspectie en dijkversterking niet wordt belemmerd, en;
- 4.
doelmatig beheer en onderhoud van de waterkering mogelijk blijft.
Permanente ophogingen op de waterkering en in beschermingszones A
Permanente ophogingen op de waterkering en in beschermingszones A en B zijn toegestaan mits:
- 1.
de ophoging geen belemmering vormt voor een toekomstige dijkversterking, en;
- 2.
de ophoging geen negatief effect heeft op de waterkerende functie, en;
- 3.
de bereikbaarheid van de waterkering voor onderhoud en inspectie niet wordt belemmerd en
- 4.
doelmatig beheer en onderhoud van de waterkering mogelijk blijft.
Tijdelijke ontgravingen en ophogingen
Tijdelijke ontgravingen en ophogingen in de waterkering, de beschermingszones A en B en het profiel van vrije ruimte, bijvoorbeeld ten behoeve van in de beleidsregels 19 tot en met 23 opgenomen werkzaamheden zijn toegestaan mits:
- 1.
de ontgravingen en ophogingen geen nadelige invloed hebben op de waterkerende functie en
- 2.
de ontgravingen na de werkzaamheden zodanig worden aangevuld en verdicht dat de waterkerende functie van de waterkering wordt geborgd en;
- 3.
de ophogingen na de werkzaamheden worden verwijderd en;
- 4.
de grasmat / bekleding van de waterkering in oorspronkelijk staat wordt hersteld.
18.2.6. Gesloten seizoen / situaties met hoge waterstanden
Ter beperking van de risico’s op overstromingen tijdens hoogwaterperiodes is een gesloten seizoen vastgesteld waarin werkzaamheden in en nabij waterkeringen alleen onder aanvullende voorwaarden beperkt worden toegestaan. Het gesloten seizoen is van toepassing op primaire en regionale waterkeringen inclusief bijbehorende beschermingszone A en geldt van 1 oktober tot 1 april. Voor compartimenteringskeringen en overige keringen geldt geen gesloten seizoen.
Uitvoering van werkzaamheden in het gesloten seizoen wordt alleen toegestaan wanneer:
- 1.
sprake is van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang, en;
- 2.
de bereikbaarheid van de waterkering tijdens hoogwater gewaarborgd blijft, en;
- 3.
wordt aangetoond dat de waterkerende functie tijdens de uitvoering van de werkzaamheden ook bij optredend hoog water gewaarborgd blijft.
Uitzondering hierop zijn activiteiten / werkzaamheden die boven het bestaande maaiveld plaatsvinden en geen negatieve invloed hebben op het waterkerende vermogen en de kwaliteit van de grasmat of andere dijkbekleding.
Los van deze periode zijn werkzaamheden - anders dan ter beperking van eventuele calamiteiten - in de waterkeringen en beschermingszone A tijdens hoog buitenwater (primaire waterkeringen) of situaties van potentiële wateroverlast en inzet van waterbergingsgebieden (regionale en overige keringen) niet toegestaan.
Afhankelijk van de lokale omstandigheden en de werkzaamheden waarvoor vergunning wordt aangevraagd, kunnen aanvullende voorschriften in de vergunning worden opgenomen bijvoorbeeld ten aanzien van uitvoeringsperiode en eventueel te treffen (nood)maatregelen tijdens situaties van hoge waterstanden.
18.2.7. Kwaliteit van de grasmat
Voor de sterkte, stabiliteit en veiligheid van de waterkeringen is een goede grasmat op taluds en de kruin vereist. Een goede grasmat is in staat een aanzienlijke golfbelasting te weerstaan en vormt daarmee een belangrijk onderdeel van de sterkte van de waterkering. De sterkte van de grasmat wordt bepaald door de soortendiversiteit, een goede en diepe doorworteling en het ontbreken van kale plekken. De erosiebestendigheid van de grasmat moet kunnen worden gegarandeerd voor aanvang van het gesloten seizoen. Beschadigde grasmatgedeelten moeten ingezaaid worden vóór 1 september met graszaad “Natuurdijk II” (of gelijkwaardig) of er moeten geschikte graszoden aangebracht worden op aangevulde en zorgvuldig verdichte grond met nagenoeg dezelfde samenstelling als de oorspronkelijke grond.
18.2.8. Beweiding
Beweiding op de regionale en primaire waterkering is niet toegestaan, met uitzondering van dieren die zijn aangewezen als vergunningvrije gevallen in paragraaf 3.1.5 van de waterschapsverordening.
De praktijk heeft uitgewezen dat beweiding met dieren (met uitzondering van schapen en geiten) dermate schadelijk is voor de grasmat dat een goede staat niet te garanderen is. Dit geldt eveneens voor de instandhouding van het dijkprofiel. Dit is zowel van toepassing voor intensief als extensief gebruik. Om deze reden geldt een totaalverbod.
Voor specifiek aangelegde klimaatrobuuste, verheelde keringen zijn uitzonderingen mogelijk, in gevallen waarbij de grasmat niet meer maatgevend is voor de waterveiligheid, en bij het ontwerp van deze kering al rekening is gehouden met beweiding door groot vee.
18.2.9. Veiligheid tegen explosies
Explosies in een waterkering of beschermingszone kunnen leiden tot aantasting van de waterkering of de afdichtende bodemlaag met daardoor een verhoogd risico op verlies aan stabiliteit of kwel/piping. Het hebben van explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen op de waterkering of in de beschermingszones A en B is daarom alleen mogelijk wanneer maatregelen worden getroffen waardoor bij een eventuele explosie geen schade ontstaat aan de waterkering of de afdichtende bodemlaag.
19. Beleidsregel Kabels en leidingen waterkeringen
19.1. Kader
19.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 3.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor waterkeringen aangewezen.
19.1.2. Begripsbepaling
Hiervoor wordt verwezen wordt naar bijlage I van de Waterschapsverordening.
Aanvullend worden in deze beleidsregel de volgende begrippen gehanteerd:
Bijzondere waterkerende constructie (BWC): een constructieve voorziening zoals een damwand of een klei- of groutkist die een waterkerende functie vervult.
Mantelbuizen ( drukloze leidingen): Leidingen ter bescherming van (mediumvoerende) leidingen en/of kabels.
Kleine (druk)leidingen: Kleine (druk)leidingen (kleiner of gelijk aan Ø 125 mm en/of een inwendige druk lager en/of gelijk aan 10 Bar) zijn onder andere vrij verval rioleringen, drainage en kleine industriële leidingen.
Grote (druk)leidingen: Grote (druk)leidingen (groter dan Ø 125 mm en/of een inwendige druk hoger dan 10 Bar) zijn onder andere water- en gasleidingen, drukrioleringen, stadsverwarming en industriële leidingen, maar ook leidingen welke onderdeel uitmaken van het hoofdtransportnet. Met name de voorzieningen voor de hoofdtransportnetten worden veelal gezien als kapitaalintensieve werken voor een periode van 50 jaar of meer en/of zijn in de toekomst moeilijk aan te passen. Daarom zijn hiervoor specifieke toetsingscriteria van toepassing.
Rakettechniek: Grondboortechniek waarbij met een metalen cilinder in combinatie met perslucht een buis (meestal horizontaal) door de bodem wordt geslagen / geperst.
Relining : het vernieuwen of repareren van een leiding door het aanbrengen van een binnenbekleding zonder de bestaande buis te vervangen
Veiligheidszone: zone naast een waterkering zoals gedefinieerd in hoofdstuk 3 van de NEN3651.
19.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op alle kabels en leidingen in een waterkering, beschermingszone A en B en profiel van vrije ruimte met uitzondering van:
- 1.
Huisaansluitingen;
- 2.
Leidingen in de schil van de compartimenteringskering die vallen buiten het toepassingsgebied van de NEN3650-1.
- 3.
Kabels in beschermingszone B.
Voor leidingen in de schil van compartimenteringskeringen die vallen buiten het toepassingsgebied van de NEN3650-1 geldt paragraaf 3.1.13 (activiteiten in de schil van compartimenteringskeringen) van de waterschapsverordening.
Voor huisaansluitingen geldt paragraaf 3.1.10 (kabels en leidingen) van de waterschapsverordening.
19.2. Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is te waarborgen dat bij de aanleg, onderhoud en vervanging van kabels en leidingen de waterkering zijn waterkerende functie behoudt, dat het beheer en onderhoud aan de waterkering doelmatig kan worden uitgevoerd en te zorgen dat de waterkeringen in de toekomst zonder hoge extra kosten versterkt kunnen worden.
19.3. Motivering van de beleidsregel
De aanleg en de aanwezigheid van kabels en leidingen kan de waterkerende functie van de waterkering aantasten en leiden tot hogere beheerkosten. Daarnaast kan de aanwezigheid van kabels en leidingen leiden tot aanzienlijk hogere kosten bij een eventuele dijkversterking. Het waterschap is daarom terughoudend in het toestaan van kabels en leidingen in de waterkering, de beschermingszones en het profiel van vrije ruimte.
19.3.1. Waterkerende functie
Schade aan leidingen komt regelmatig voor. Dit kan grote gevolgen hebben voor de stabiliteit van de waterkering.
Schade aan de waterkering door verweking of explosie moet worden voorkomen door de leidingen die dit effect kunnen veroorzaken en die niet noodzakelijk binnen het waterstaatswerk en beschermingszone A moeten liggen, daarbuiten aan te leggen.
Kruisingen van leidingen met de waterkering verdienen aparte aandacht. Een leiding die de waterkering kruist, vormt als het ware een tunnel (kwelweg) door of onder de waterkering. Daarom moeten deze kruisingen zo aangelegd worden, dat het risico van falen (van zowel de waterkering als de leiding) zo klein mogelijk wordt.
19.3.2. Drainage
Voor de ontwatering van landbouw- of andere percelen, kan het soms wenselijk zijn drainage aan te leggen. Drainage binnen het waterstaatswerk en beschermingszone A van de waterkering verhoogt echter het risico op het aantrekken van kwelwater. Soms kan drainage waterstaatkundig voordelig zijn, als het de afvoer van spanningswater uit de waterkering bevordert, of als het voorkomt dat hemelwater zich ophoopt tussen de waterkering en een aanberming tegen de waterkering.
19.4. Toetsingscriteria
Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor de aanleg, aanpassing, vervanging of verwijdering van kabels en leidingen dient rekening te worden gehouden met de in de waterschapsverordening opgenomen indieningsvereisten. Hierin is aangegeven hoe enkele van onderstaande toetsingscriteria nader moeten worden uitgewerkt.
19.4.1. Algemene toetsingscriteria bij aanleg en beheer kabels en leidingen.
-
1. Nieuwe en te vervangen kabels en leidingen moeten zoveel mogelijk buiten de waterkering en beschermingszone A worden gelegd.
-
2. Bestaande tracés binnen de waterkering en beschermingszone A kunnen benut blijven en eventueel uitgebreid wanneer:
-
3. Er redelijkerwijs geen mogelijkheden zijn de bestaande tracés te wijzigen, waarbij rekening wordt gehouden met een mogelijke dijkversterking, en
-
4. De veiligheid van de waterkering door de aanleg voldoende gewaarborgd blijft, en
-
5. Wijziging van het bestaande tracé geen effect heeft op de stabiliteit/veiligheid van de waterkering.
-
6. De stabiliteit en het waterkerende vermogen van de waterkering moeten zowel tijdens de uitvoering van de kabel- en leidingwerkzaamheden als in de beheerfase worden gegarandeerd.
-
7. Kabels, leidingen en toebehoren, die buiten gebruik worden gesteld, dienen te worden verwijderd uit de waterkering en (voor leidingen) de bijbehorende veiligheidszone, tenzij:
-
8. Dit een groot risico oplevert voor de stabiliteit van de waterkering of
-
9. Dit technisch niet mogelijk is (bijvoorbeeld dicht tegen woningen met risico voor de fundering daarvan) of
-
10. Dit ten koste gaat van ecologische, cultuurhistorische of landschappelijke waarden of
-
11. Dit leidt tot onevenredig hoge kosten.
-
12. Na het verwijderen van de kabels en leidingen worden de opbouw en bekleding van de waterkering hersteld conform het ter plaatse aanwezige dijkprofiel.
-
13. Kabels en leidingen in een waterkering en bijbehorende veiligheidszone dienen een minimale gronddekking te hebben van:
- a.
leidingen: conform NEN3651
- b.
kabels: bij voorkeur 0,8 meter, minimaal 0,6 meter.
- a.
19.4.2. Aanvullende toetsingscriteria voor leidingen
-
1. Ontwerp, aanleg en beheer van leidingen dient plaats te vinden conform de NEN3650-serie en de NEN3651.
-
2. Bij leidingen waarbij als gevolg van falen een erosiekrater kan ontstaan, moet de berekende erosiekrater volledig buiten het leggerprofiel liggen, tenzij wordt aangetoond dat de stabiliteit en het waterkerende vermogen van de waterkering zijn geborgd of compenserende maatregelen zijn getroffen om de waterveiligheid borgen.
-
3. Relining van een leiding in een waterkering en bijbehorende veiligheidszone is niet toegestaan.
19.4.3. Aanvullende toetsingscriteria voor kabels en leidingen kruisend met de waterkering
-
1. Het aantal dijkkruisingen dient zo gering mogelijk te zijn.
-
2. Kabels en leidingen moeten de waterkering zoveel mogelijk haaks kruisen.
-
3. Een kabel of leiding die de waterkering kruist dient als één stuk binnen het waterstaatswerk en beschermingszone A te worden aangelegd.
19.4.4. Aanvullende toetsingscriteria voor mantelbuizen (exclusief gestuurde boringen)
-
1. De toepassing van mantelbuizen in en parallel aan de waterkering en beschermingszone A wordt alleen toegestaan onder een afrit of zijweg waarbij de mantelbuis buiten het leggerprofiel wordt gelegd.
-
2. Toepassing van mantelbuizen bij dijkkruisingen is alleen toegestaan als dit voor het behoud van de stabiliteit van de waterkering nodig is en wanneer sprake is van glasvezelverbindingen of bundeling van een groot aantal kabels.
-
3. Bij de toepassing van een mantelbuis dient de mantelbuis tweezijdig waterdicht en gronddicht te worden afgesloten.
19.4.5. Aanvullende toetsingscriteria voor toepassing van sleufloze technieken
-
1. Toepassing van sleufloze technieken vindt plaats op basis van tabel 8 uit de NEN 3651 met dien verstande dat Open Fronttechnieken (OFT) en Pneumatische Boor Technieken (PBT) niet zijn toegestaan in primaire en regionale keringen en/of bijbehorende beschermingszone A.
-
2. De rakettechniek is niet toegestaan in een waterkering en/of beschermingszone A.
-
3. Toepassing van de gesloten front techniek (GFT) is alleen toegestaan indien de kruising plaatsvindt op ten minste 1 meter boven het leggerprofiel van de waterkering en de ontvangstkuipen buiten de veiligheidszone van de waterkering liggen.
-
4. Een dijkkruising moet zodanig ontworpen en aangelegd worden dat:
- a.
Bij een primaire waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de waterkering minimaal 10 meter beneden het maaiveld ligt en 5 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij aangetoond wordt dat hiervan afgeweken kan worden;
- b.
Bij een regionale waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de waterkering minimaal 6 meter beneden het maaiveld ligt en 5 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij aangetoond wordt dat hiervan afgeweken kan worden;
- c.
Bij een overige waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de waterkering minimaal 3 meter beneden het maaiveld ligt en 5 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij aangetoond wordt dat hiervan afgeweken kan worden.
- a.
-
5. Leidingen/mantelbuizen van gestuurde boringen die buiten bedrijf worden gesteld, worden volledig afgevuld met drillgrout of gelijkwaardig. Eventuele toegangsputten worden volledig verwijderd waarbij de bodem wordt aangevuld en verdicht tot het naastgelegen maaiveld met dezelfde grondsoort.
19.4.6. Drainage
Voor het aanbrengen en hebben van drainage in het waterstaatswerk en beschermingszone A wordt alleen een vergunning verleend wanneer de aanvrager aantoont dat er waterstaatkundig geen negatieve effecten ontstaan.
20. Beleidsregel Bouwwerken waterkeringen
20.1. Kader
20.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 3.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor waterkeringen aangewezen.
20.1.2. Begripsbepaling
Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken: bouwwerken die op eenvoudige wijze (c.q. tegen geringe kosten) te verplaatsen of te verwijderen zijn. Voorbeelden hiervan zijn speeltoestellen, prefab tuinhuisjes, hekwerken, tuinmuurtjes, brievenbussen, palen e.d. zonder zware funderingsconstructie.
Bouwwerken met een in de bodem aangebrachte fundering dieper dan 30 cm of 100 cm voor paalvormige bouwwerken worden als niet eenvoudig te verplaatsen beschouwd.
Bestaand bebouwd gebied: gebied dat op grond van het vigerende omgevingsplan kan worden aangemerkt als gebied met een woon-, bedrijfs- of kantoorfunctie. Hieronder vallen ook agrarische en recreatieve bouwvlakken.
Lintbebouwing: rij van aaneengesloten bouwwerken langs een waterkering in bestaand bebouwd gebied.
Overhoogte: de extra ruimte tussen het bestaande maaiveld (beheerprofiel) van de waterkering en het ter plaatse vastgestelde leggerprofiel dan wel profiel van vrije ruimte (zie figuur 20.1).
Figuur 20.1: Voorbeeld profiel waterkering met overhoogte
Steunberm: Extra hoogte aan de zijkant (binnendijks of buitendijks) van een waterkering ter bescherming van de stabiliteit van de waterkering (zie voorbeeld in figuur 20.1).
Pipingberm: Extra hoogte aan de zijkant (binnendijks) van een waterkering als bescherming tegen piping / opbarsten van de bodem (vergelijkbaar met een steunberm, zie figuur 20.1).
20.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op alle bouwwerken op of in een waterkering, inclusief bijbehorende beschermingszones A en B en profiel van vrije ruimte, met uitzondering van:
- 1.
Bouwwerken in / op de schil van een compartimenteringskering en bijbehorende beschermingszone A; hiervoor is paragraaf 3.1.13 van de waterschapsverordening van toepassing;
- 2.
Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken in beschermingszone A; hiervoor is paragraaf 3.1.4 van de waterschapsverordening van toepassing;
- 3.
interne verbouwingen; hiervoor is paragraaf 3.1.11 van de waterschapsverordening van toepassing.
20.2. Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is te waarborgen dat bij bouwwerkzaamheden de waterkering zijn waterkerende functie behoudt, dat het beheer en onderhoud aan de waterkering doelmatig kan worden uitgevoerd en te zorgen dat de waterkeringen in de toekomst zonder hoge extra kosten versterkt kunnen worden.
20.3. Motivering van de beleidsregel
Het waterschap wil in principe geen nieuwe bouwwerken toestaan op of in de waterkering of aan de buitendijkse kant van de waterkering.
Bouwwerken kunnen een grote impact hebben op de waterkerende functie van de waterkering en het beheer en onderhoud; daarnaast kunnen bouwwerken belemmerend of kostenverhogend werken op een toekomstige dijkversterking.
Buitendijkse bouwwerken kunnen bij hoogwater mogelijk bezwijken en een gevaar vormen voor de bekleding van het buitentalud (erosie, schade).
Het streefbeeld is ‘onbebouwd blijft onbebouwd’ zoals aangegeven in paragraaf 18.2. In deze beleidsregel gaat het om bouwwerken. Afwijken van dit streefbeeld kan in specifieke gevallen aan de orde zijn als de (her- of ver-)bouw van een bouwwerk gewenst is vanwege zijn functie dat samenvalt met zijn cultuurhistorische waarde, de ruimtelijke kwaliteit of andere maatschappelijke functies die het bouwwerk vervult of gaat vervullen. In zulke gevallen wordt bekeken of die aanwezige belangen zwaarder wegen dan voornoemd streefbeeld. Tevens wordt bekeken of er alternatieven mogelijk zijn. De uitkomst kan per geval anders zijn, bijvoorbeeld omdat de te beschermen belangen achter een primaire kering groter zijn dan bij een regionale kering.
Bij een bouwwerk met een cultuurhistorische functie valt te denken aan monumenten of anderszins historische gebouwen, zoals oude boerderijen, molens of kastelen. Het gaat hier in elk geval om sporen uit het verleden die zichtbaar en tastbaar aanwezig zijn. Ook andere maatschappelijke functies van bouwwerken kunnen reden zijn om bouwwerken alsnog toe te staan. Denk daarbij bijvoorbeeld aan (grote) infrastructurele werken waarbij brugpijlers of fundaties gecombineerd worden met de waterkering. Of denk aan waterstaatswerken in een kering zoals een sluis of gemaal die fungeert als ondersteunend kunstwerk voor het beheer van het watersysteem. Afwijken van het streefbeeld ‘onbebouwd blijft onbebouwd’ vanwege de ruimtelijke kwaliteit, wordt nader toegelicht in 20.3.5.
Onderstaand is voor een aantal specifieke gevallen aangegeven welke ruimte wordt geboden voor bouwwerkzaamheden op of nabij de waterkering.
20.3.1. Bouwwerken in profiel van vrije ruimte
Het profiel van vrije ruimte geeft de contouren aan van een eventuele toekomstige dijkversterking. Binnen het profiel van vrije ruimte mag in principe niet gebouwd worden omdat dit belemmerend werkt op een toekomstige dijkversterking c.q. leidt tot hogere kosten. Voor verbouw van bestaande bebouwing kan onder voorwaarden een vergunning worden verleend.
20.3.2. Bouwwerken in beschermingszone A
Bouwwerken in beschermingszone A hebben (zeker aan de binnenzijde van de waterkering) een minder groot effect op de waterkerende functie dan bouwwerken in de waterkering. Aandachtspunten zijn de stabiliteit vlak bij de teen van de waterkering en het in stand houden van eventuele afdichtende lagen (voorkomen van piping). Daarnaast moet rekening gehouden worden met de (werk)ruimte die nodig is voor toekomstige dijkversterking en de mogelijke impact van de bouwwerken op het beheer en onderhoud.
20.3.3. Verbetering bestaande situatie
Op een aantal locaties is sprake van bouwwerken die in het verleden in de waterkering zijn aangelegd, waarbij het werk feitelijk een deel van de waterveiligheidsfunctie heeft overgenomen of waarbij – bijvoorbeeld als gevolg van holle ruimtes (kelders e.d.) sprake is van een qua waterveiligheid moeilijk te beoordelen c.q. te beheren situatie. Bij bouwwerkzaamheden waarbij deze situatie wordt opgeheven/verbeterd, kan onder voorwaarden vergunning worden verleend.
20.3.4. Overhoogte in bestaand bebouwd gebied
Op sommige locaties is sprake van een grote overhoogte van de waterkering, ook boven het profiel van vrije ruimte. Met name in al bestaand bebouwd gebied is maatschappelijk behoefte aan mogelijkheden om hier bouwwerken toe te staan (verdichting). Bij een grote overhoogte hebben bouwwerken weinig invloed op de waterkerende functie en kunnen daarom onder voorwaarden worden toegestaan.
20.3.5. Lintbebouwing
Op en aan de bestaande waterkeringen zijn vaak (historische) bebouwinglinten aanwezig. Maatschappelijk is er behoefte om in open gevallen ruimtes binnen deze bebouwingslinten bebouwing te kunnen plaatsen waarmee weer een aaneengesloten bouwlint ontstaat (ruimtelijke kwaliteit). Vanuit waterveiligheidsoogpunt bestaat echter de voorkeur om zo min mogelijk bebouwing in de waterkering of beschermingszone te hebben (zie ook beleidsregel 18).
Bij een bestaande lintbebouwing is nu al sprake van aangepast beheer; bij een toekomstige dijkversterking zal ook maatwerk geleverd moeten worden. Nieuwbouw of herbouw bij een lintbebouwing kan daarom worden toegestaan wanneer beheer en onderhoud alsmede de kosten voor een toekomstige dijkversterking niet wezenlijk zullen afwijken ten opzichte van de situatie zonder de nieuwbouw of herbouw.
20.3.6. Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken
Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken zijn geen groot bezwaar bij het beheer van de waterkering of een toekomstige dijkversterking. Zij kunnen snel en tegen geringe kosten worden verwijderd of verplaatst wanneer sprake is van een risico voor de waterkerende functie van de waterkering of wanneer de waterkering wordt versterkt.
Eenvoudig verwijderbare bouwwerken kunnen daarom onder voorwaarden worden toegestaan.
20.3.7. Bouwwerken in beschermingszone B
Bouwwerken in beschermingszone B hebben een minder groot effect op de waterkerende functie dan bouwwerken in de waterkering of beschermingszone A. Aandachtspunt is het in stand houden van eventuele afdichtende lagen (voorkomen van piping). Een voorbeeld is de aanleg of het verwijderen van een steiger met een grote hoeveelheid palen.
20.3.8 Onderhoud, verbetering en aanpassing van bestaande bouwwerken
Op of nabij de waterkering zijn vaak al bouwwerken aanwezig die in het verleden zijn toegestaan/vergund. Deze bouwwerken moeten onderhouden worden. Bij oude bouwwerken treden soms verzakkingen op omdat de bestaande fundering niet (meer) voldoet. Ook is er behoefte aan verduurzaming (bijvoorbeeld aanbrengen isolatievoorzieningen, energievoorzieningen e.d.) van oude woningen/panden of aanpassing van woningen vanwege levensfase, mantelzorg e.d.
Deze werkzaamheden grijpen soms in op de waterkering, maar zijn maatschappelijk wel gewenst. Wanneer deze aanpassingen geen negatief effect hebben op de waterveiligheid, een eventuele dijkversterking en het beheer en onderhoud van de waterkering, kunnen ze worden toegestaan.
20.4. Toetsingscriteria
Aanvragen voor bouwwerken worden tevens getoetst aan de hand van de algemene toetsingscriteria in hoofdstuk 18;
20.4.1. Bouwwerken algemeen
-
1. Hoge bouwwerken en constructies (bijvoorbeeld windmolens en (zend)masten) die diep in de ondergrond verankerd zijn kunnen de stabiliteit van de waterkering nadelig beïnvloeden. Voor dit soort bouwwerken binnen de waterkering en beschermingszone A wordt daarom geen vergunning verleend;
-
2. In de waterkering en beschermingszone A mogen onder het bouwwerk geen nieuwe holle ruimtes (zoals kruipruimten, ruimtes tussen randbalken e.d.) worden gemaakt of aanwezig zijn;
-
3. De geplande bouwwerkzaamheden mogen niet leiden tot een verslechtering van het waterkerend vermogen, de erosiebestendigheid van de dijkbekleding, de stabiliteit van de waterkering en de weerstand tegen piping.
20.4.2. Nieuwbouw bouwwerk
-
1. Nieuwbouw van bouwwerken op en/of in de waterkering of in de buitendijkse beschermingszone A is niet toegestaan, tenzij sprake is van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang.
-
2. Bouwwerken inclusief funderingen en mogelijke buitendijkse erosiekuilen mogen:
- a.
het leggerprofiel niet doorsnijden tenzij met berekeningen wordt aangetoond dat de waterkering blijft voldoen aan de normen zoals bedoeld in paragraaf 18.2.2 en;
- b.
het profiel van vrije ruimte niet doorsnijden, tenzij uit de toetsing bij hoofdstuk 18.2.4 is gebleken dat een bouwwerk kan worden toegestaan.
- a.
-
3. Lid 2 is niet van toepassing op funderingspalen in beschermingszone A, in de steunberm en / of pipingberm van de waterkering en in het daarboven gelegen profiel van vrije ruimte mits ze grondverdringend en zonder verbrede voet worden aangebracht;
-
4. Een toekomstige dijkversterking binnen het profiel van vrije ruimte moet mogelijk zijn zonder dat hierdoor schade aan het aan te brengen bouwwerk ontstaat, indien dit bouwwerk kan worden vergund conform toetsingscriterium 18.2.4. Middels berekeningen moet worden aangetoond dat de bebouwing en/of fundatie daarvan geen schade op zal lopen door de belasting van het grondlichaam conform het profiel van vrije ruimte.
20.4.3. Herbouw bouwwerk
-
1. De herbouw van een bestaand bouwwerk op de waterkering of in beschermingszone A is toegestaan wanneer geen aanpassing van de fundering plaatsvindt;
-
2. In overige gevallen wordt de herbouw beschouwd als nieuwbouw.
20.4.4. Uitbreiding bouwwerk
-
1. Een op zichzelf staand bouwwerk dat binnen het profiel van vrije ruimte staat, mag eenmalig worden uitgebreid met maximaal 10% van het bebouwde grondoppervlak van het desbetreffende bouwwerk
-
2. Een uitbreiding van een bouwwerk met meer dan 10% van het bebouwd grondoppervlak van het desbetreffende bouwwerk, binnen het profiel van vrije ruimte, wordt beschouwd als nieuwbouw.
-
3. In het geval van een uitbreiding van een bouwwerk moet de uitbreiding buiten het leggerprofiel van de waterkering worden gerealiseerd.
-
4. Een uitbreiding binnen de waterkering en beschermingszone A mag niet in de richting van of evenwijdig aan de waterkering plaatsvinden tenzij direct aangrenzende bouwwerken reeds dichter naar de waterkering gebouwd zijn en dit niet binnen afzienbare tijd zal veranderen.
-
5. .
20.4.5. Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken
-
1. In afwijking van de artikelen 20.4.2 tot en met 20.4.4 zijn nieuwbouw, herbouw en uitbreiding van eenvoudig verplaatsbare bouwwerken op een waterkering toegestaan, mits:
- a.
sprake is van een bouwwerk dat wettelijk is voorgeschreven of
- b.
sprake is van een bouwwerk ter bescherming van de (verkeers)veiligheid.
- a.
-
2. In afwijking van de artikelen 18.4.2 tot en met 18.4.4 zijn nieuwbouw, herbouw en uitbreiding van eenvoudig verplaatsbare bouwwerken op een waterkering of in de buitendijkse beschermingszone A toegestaan, mits:
- a.
het bouwwerk het beheer en onderhoud niet belemmert en
- b.
het bouwwerk boven het bestaande maaiveld staat en
- c.
de fundering, inclusief mogelijke erosiekuil aan de buitendijkse zijde, het leggerprofiel niet doorkruist, of het een paalvormig object betreft dat grondverdringend wordt aangebracht tot maximaal 1 meter diepte.
- a.
20.4.6. Verbetering bestaande situatie waterkerend vermogen
-
1. In afwijking van artikel 20.4.2 lid 1 en lid 2 is nieuwbouw op de waterkering of in de buitendijkse beschermingszone A toegestaan mits:
- a.
sprake is van sloop van een bestaand bouwwerk op de waterkering waardoor een verbetering gerealiseerd wordt van de waterkering uit het oogpunt van waterkerend vermogen en
- b.
de nieuwbouw qua bebouwd grondoppervlak niet groter is dan 110% van het bebouwde grondoppervlak van het desbetreffende gesloopte bouwwerk.
- c.
de nieuwbouw niet in de richting van of evenwijdig aan de waterkering plaatsvindt tenzij direct aangrenzende bouwwerken reeds dichter naar de waterkering gebouwd zijn en dit niet binnen afzienbare tijd zal veranderen.
- a.
20.4.7. Bouwwerken in lintbebouwing
-
1. In afwijking van artikel 20.4.2 lid 1 en lid 2 is nieuwbouw op de waterkering toegestaan mits:
- a.
De nieuwbouw plaats vindt als opvulling van een lege ruimte in een bestaande lintbebouwing en
- b.
De nieuwbouw qua afmetingen en ruimtebeslag aansluit op de bestaande bebouwing in de lintbebouwing en
- c.
De nieuwbouw niet dichter naar de kering wordt gebouwd of dieper dan de bestaande lintbebouwing en
- d.
De nieuwbouw geen waterkerende functie gaat vervullen (geen functieverweving) en
- e.
Het beheer en onderhoud van de waterkering alsmede de kosten voor een toekomstige dijkversterking niet wezenlijk zullen afwijken ten opzichte van de situatie zonder de nieuwbouw.
- a.
20.4.8. Bouwwerken in bestaand bebouwd gebied met overhoogte
-
1. In afwijking van artikel 20.4.2 lid 1 is nieuwbouw op de waterkering of in de buitendijkse beschermingszone A toegestaan mits:
- a.
Sprake is van bestaand bebouwd gebied en
- b.
Sprake is van overhoogte boven het profiel van vrije ruimte en
- c.
De nieuwbouw, inclusief fundering het leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte niet doorsnijden en
- d.
De nieuwbouw geen negatief effect heeft op de stabiliteit en het waterkerende vermogen van de waterkering.
- a.
20.4.9. Bouwwerken in beschermingszone B
-
1. Het plaatsen, aanpassen en verwijderen van bouwwerken in beschermingszone B is toegestaan mits de waterremmende werking van de aanwezige afdichtende bodemlagen niet wordt verminderd.
20.4.10. Aanpassing bestaand bouwwerk
-
1. In afwijking van de artikelen 18.4.2 lid 1 en lid 2 is aanpassing van een bestaand bouwwerk op de waterkering of buitendijkse beschermingszone A toegestaan mits:
- a.
sprake is van groot onderhoud, renovatie, verduurzaming of (bij woningen) het levensloopbestendig maken van het bouwwerk en
- b.
het bebouwde oppervlak niet wordt uitgebreid met meer dan 10% en;
- c.
de bouwwerkzaamheden niet dichter naar de waterkering toe plaatsvinden en;
- d.
de aanpassing niet leidt tot een verslechtering van het waterkerende vermogen.
- a.
21. Beleidsregel Wegen, parkeerplaatsen en perceelsontsluitingen waterkeringen
21.1. Kader
21.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 3.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor waterkeringen aangewezen.
21.1.2. Begripsbepaling
Onder wegen worden tevens verstaan fiets- en voetpaden.
21.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op de aanleg, het onderhoud en het verwijderen van wegen, parkeerplaatsen en perceelontsluitingen op alle waterkeringen inclusief bijbehorende beschermingszones A en profiel van vrije ruimte.
Voor onderhoud aan openbare wegen is paragraaf 3.1.2 (onderhoud aan openbare wegen) van de waterschapsverordening van toepassing.
21.2. Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is te waarborgen dat bij de aanleg, onderhoud en vervanging van wegen, perceelontsluitingen en parkeerplaatsen de waterkering zijn waterkerende functie behoudt, dat het beheer en onderhoud aan de waterkering doelmatig kan worden uitgevoerd en te zorgen dat de waterkeringen in de toekomst zonder hoge extra kosten versterkt kunnen worden.
21.3. Motivering van de beleidsregel
21.3.1. Waterkerende functie
Wegen, parkeerplaatsen en perceelontsluitingen (zoals op- en afritten, trappen en aanbermingen) hebben door hun aanwezigheid en het transport hierover een negatieve invloed op de stabiliteit van de waterkering. Bovendien zorgen op- en afritten voor een vergroting van het grondlichaam, wat aan de ene kant extra stabiliteit betekent, maar aan de andere kant extra belasting voor het bestaande grondlichaam oplevert. Bovendien kan door de toegankelijkheid van verkeer een aanzienlijke verkeersbelasting ontstaan. Trillingen door verkeer kunnen bij met water verzadigde waterkeringen leiden tot verweking. De fundering en verharding mogen geen nadelige invloed hebben op de dijkbekleding. Daarnaast vormen aanbermingen, op- en afritten een extra belasting voor eventueel aanwezige leidingen.
Tot slot kan de verharding van wegen, parkeerplaatsen en perceelontsluitingen van invloed zijn op de erosiebestendigheid van de waterkering.
21.3.2. Beheer en onderhoud
Trappen, parkeerplaatsen, op- en afritten en aanbermingen tegen het talud van de waterkering maken doelmatig beheer en onderhoud moeilijker. Dit is niet wenselijk.
Het waterschap is daarom terughoudend in het toestaan van nieuwe aanbermingen, op- en afritten en trappen. Een vergunning voor de aanleg van aanbermingen, trappen en op- en afritten tegen het talud van de waterkering kan alleen worden verleend als de constructie zo aangelegd wordt dat deze geen belemmering vormt voor het uit te voeren beheer en onderhoud.
21.4. Toetsingscriteria
Aanvragen voor wegen, perceelontsluitingen en parkeerplaatsen worden tevens getoetst aan de hand van de algemene toetsingscriteria in hoofdstukbeleidsregel 16.
21.4.1. Algemeen
-
1. In gebieden waar door de aanleg van grondophogingen grote zettingen verwacht worden, moet de initiatiefnemer door middel van berekeningen aantonen dat de ophoging geen nadelige gevolgen heeft voor de waterkering en bijbehorende of inliggende voorzieningen en/of belendende percelen.
-
2. De plaats van aan te leggen trappen, op- en afritten, aanbermingen en wegen, moet worden afgestemd op het regulier beheer en onderhoud van de waterkering.
-
3. De breedte, talud helling, bekleding en samenstelling van de aanberming, op- en afritten en trappen moeten in overeenstemming zijn met de bestemming/functie van het aangevraagde werk en mogen geen afbreuk doen aan LNC-waarden. Nieuwe taludhellingen moeten geleidelijk aansluiten op de waterkering.
-
4. Bij het toetsen van een vergunningaanvraag wordt beoordeeld of het uitvoeren van onderhoud nog op een goede wijze mogelijk is.
21.4.2. Perceelsontsluitingen
-
1. Per perceel gelegen aan de waterkering is één ontsluiting voldoende. Bovendien geldt dat als redelijkerwijs gebruik gemaakt kan worden van bestaande aanbermingen, op- en afritten en/of trappen, hiervan gebruik gemaakt moet worden, al dan niet met een kleine aanpassing daarvan.
-
2. Bij splitsing van percelen moet naar handhaving van de bestaande ontsluiting worden gestreefd. Een nieuwe perceelsontsluiting via de waterkering is slechts vergunbaar bij een aangetoond zwaarwegend belang.
-
3. Nieuwe ontsluitingen via de waterkering kunnen worden toegestaan als er sprake is van inbreidingsplannen binnen de bebouwde kom. Het aantal ontsluitingen naar de waterkering moet dan binnen het plan tot een minimum worden beperkt.
-
4. Op- en afritten en trappen moeten buiten leggerprofiel van de waterkering aangelegd worden en mogen de stabiliteit en de taludbekleding van de waterkering niet negatief beïnvloeden.
-
5. Wanneer de op- en afrit wordt aangelegd op een waterkering die in onderhoud is bij het waterschap, moet de constructie zodanig worden opgebouwd dat de op- en afrit geen schade ondervindt als het gangbaar onderhoudsmaterieel door of namens het waterschap hiervan gebruik maakt. De vergunninghouder moet zelf zorgen voor het onderhoud aan de op- en afrit of de trap en bijbehorende voorzieningen.
21.4.3. Parkeerplaatsen
-
1. Voor de aanleg van een parkeerplaats op de waterkering wordt alleen vergunning verleend als parkeren op eigen terrein niet mogelijk is.
-
2. De parkeerplaats moet voorzien zijn van een halfopen verharding.
-
3. Voor de aanleg van de parkeerplaats mag geen aanberming aan de waterkering worden gemaakt.
-
4. Wanneer de parkeerplaats wordt aangelegd op een waterkering die in onderhoud is bij het waterschap, moet de constructie zodanig worden opgebouwd dat de parkeerplaats geen schade ondervindt als het gangbaar onderhoudsmaterieel bij onderhoud van de waterkering door of namens het waterschap hiervan gebruik maakt. De vergunninghouder moet zelf zorgen voor het onderhoud aan de parkeerplaats en bijbehorende voorzieningen.
21.4.4. Wegen
-
1. De wegverharding en onderliggende fundering dient zodanig aangelegd te worden dat de verkeers-belasting voldoende wordt verspreid naar het onderliggende grondlichaam en zonder dat er negatieve effecten op kunnen treden met betrekking tot de constructie en functie van de waterkering. Dit is van toepassing op zowel wegreconstructies als voor aanleg van nieuwe wegen.
-
2. Verkeersvoorzieningen, zoals reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV)-borden, komportalen en openbare verlichting, die het leggerprofiel doorsnijden zijn toegestaan mits ze vanuit verkeersveiligheid noodzakelijk zijn.
-
3. Voorzieningen in het buitentalud of in de buitenkruinlijn zijn toegestaan mits ze vanuit verkeersveiligheid noodzakelijk zijn.
22. Beleidsregel bodemonderzoek waterkeringen
22.1. Kader
22.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 3.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor waterkeringen aangewezen.
22.1.2. Begripsbepaling
Bodemonderzoek: onderzoek naar in de waterkering of de bodem (inclusief grondwater) aanwezige grondlagen, stoffen en objecten.
Voorbeelden van bodemonderzoek zijn o.a.:
- -
Grondboringen en plaatsen van peilbuizen
- -
Tijdelijke ontgravingen voor archeologisch onderzoek, onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten (OO), proefsleuven voor kabels en leidingen e.d.
Exploratieboring: Een boring ter verkenning van de mogelijke winning van delfstoffen.
Hoogwaterperiode: periode waarin een sterk verhoogde waterstand voorkomt
Kwelscherm: Een ondoorlatende constructie voor verlenging van de kwelweg.
Oplengen: het plaatsen van een opzetstuk op een bestaande peilbuis.
Peilbuis: Een in de bodem aanwezige buis voor het meten van de grondwaterstand of de kwaliteit van het grondwater.
22.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op:
- a.
bodemonderzoek in alle waterkeringen met uitzondering van de schil van compartimenteringskeringen.
- b.
peilbuizen en tijdelijke ontgravingen in beschermingszone A.
- c.
exploratieboringen en seismisch onderzoek in beschermingszones A en B.
Voor bodemonderzoek in de schil van de compartimenteringskeringen geldt paragraaf 3.1.13 van de waterschapsverordening.
Voor boringen en sonderingen in beschermingszones A e geldt paragraaf 3.1.12 van de waterschapsverordening.
Overige bodemonderzoeken waarbij tijdelijke graafwerkzaamheden worden uitgevoerd vallen onder paragraaf 16.2.5 van de algemene toetsingscriteria.
22.2. Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is te waarborgen dat bij uitvoeren van bodemonderzoek de waterkering zijn waterkerende functie behoudt, dat het beheer en onderhoud aan de waterkering doelmatig kan worden uitgevoerd en te zorgen dat de waterkeringen in de toekomst zonder hoge extra kosten versterkt kunnen worden.
22.3. Motivering van de beleidsregel
Het uitvoeren van bodemonderzoek kan invloed hebben op de waterkering met name wanneer daarbij diep in de bodem/waterkering wordt geboord of gegraven. Vooral in kwel- en pipinggevoelige gebieden kan het zeer nadelig zijn wanneer het afdichtende kleipakket van een waterkering wordt geperforeerd. Hierdoor kan er kortsluiting ontstaan tussen de watervoerende lagen, waardoor het risico van piping toeneemt. Ook kunnen trillingen van seismische onderzoekmethodes onder bepaalde omstandigheden een nadelige invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering.
Tijdens hoogwater situaties kan de stijghoogte in peilbuizen hoger liggen dan de bovenkant van de peilbuis. Voorkomen moet worden dat in dergelijke situaties ongewenste kwelstromen onder de waterkering optreden.
22.4. Toetsingscriteria
Aanvragen voor bodemonderzoek worden tevens getoetst aan de hand van algemene toetsingscriteria in hoofdstuk 16.
22.4.1. Sonderingen, boringen en (peil)buizen
-
1. Het uitvoeren van boringen en sonderingen en het plaatsen van peilbuizen in de waterkering is toegestaan mits:
- a.
sprake is van een zwaarwegend (maatschappelijk) belang of
- b.
sprake is van een wettelijke verplichting (bijvoorbeeld milieuonderzoek of funderingsonderzoek) en
- c.
het uitvoeren van het onderzoek elders niet mogelijk is
- a.
-
2. In verband met de stabiliteit van de waterkering moeten de boor- en sondeergaten worden gedicht met ondoorlatend materiaal.
-
3. Het uitvoeren van boringen en sonderingen tijdens een situatie van verhoogde waterspanning in de bodem (bijvoorbeeld bij tijdens een hoogwaterperiode) is niet toegestaan.
-
4. Het waterkerende vermogen van de waterkering moet tijdens en na de uitvoering van het onderzoek worden gegarandeerd.
-
5. De uitspoeling van gronddeeltjes moet worden voorkomen, bijvoorbeeld door het plaatsen van een kwelscherm bij peilbuizen die langere tijd blijven staan.
-
6. De peilbuis moet – in geval van een hoogwaterperiode – opgelengd kunnen worden.
22.4.2. Overige onderzoeken
-
1. Seismische onderzoeken en exploratieboringen in de waterkering of beschermingszone A zijn niet toegestaan.
-
2. Seismische onderzoeken en exploratieboringen in beschermingszone B zijn toegestaan mits:
- a.
de uitvoering van deze onderzoeken / boringen buiten het gesloten seizoen en buiten de hoogwaterperioden gebeuren
- b.
aangetoond wordt dat de werkzaamheden geen nadelige invloed zullen hebben op de stabiliteit en waterkerende functie van de waterkering.
- a.
23. Beleidsregel bodemenergiesystemen en grondwateronttrekkingen bij waterkeringen
23.1. Kader
23.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 3.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor waterkeringen aangewezen.
23.1.2. Begripsbepaling
Bodemenergiesysteem: systeem om energie uit de bodem te halen.
Er zijn twee typen bodemenergiesystemen:
- 1.
open systeem; hierbij wordt grondwater opgepompt en teruggevoerd in de bodem. De warmteoverdracht vindt boven de grond plaats;
- 2.
gesloten systeem of bodemwarmtewisselaars; hierbij wordt vloeistof door lussen rondgepompt in een gesloten systeem in de bodem. Warmte overdracht vindt in de bodem plaats.
23.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel geldt voor alle bodemenergiesystemen en grondwateronttrekkingen in c.q. onder alle waterkeringen en beschermingszones A en profiel van vrije ruimte.
23.2. Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is te waarborgen dat bij aanleg, onderhoud en verwijderen van bodemenergiesystemen en het uitvoeren van grondwateronttrekkingen de waterkering zijn waterkerende functie behoudt, dat het beheer en onderhoud aan de waterkering doelmatig kan worden uitgevoerd en te zorgen dat de waterkeringen in de toekomst zonder hoge extra kosten versterkt kunnen worden.
23.3. Motivering van de beleidsregel
Voor bodemenergiesystemen moet meestal een fors boorgat worden gemaakt, moeten er leidingen in het boorgat worden gemaakt, moeten de afdichtingen tussen boorbuis en bodem betrouwbaar zijn en moet dit alles aan het eind van de levensduur van het bodemenergiesysteem weer afgedicht worden. Deze constructie mag de werking van de waterkering niet aantasten.
Ook voor grondwateronttrekkingen (waaronder mede verstaan onttrekkingen voor veedrenking of beregening) geldt dat hierbij meestal gebruik wordt gemaakt van verticaal geplaatste buizen die de afsluitende bodemlagen doorbreken. Voorkomen moet worden dat hierdoor onbedoelde kwelstromen ontstaan die kunnen leiden tot bijvoorbeeld piping of stabiliteitsverlies. Daarnaast kunnen grondwaterstandsverlagingen leiden tot ongewenste bodemdalingen en daarmee tot zetting van de waterkering.
23.4. Toetsingscriteria
23.4.1. Algemeen
-
1. Het plaatsen van bodemenergiesystemen en systemen voor de onttrekking van grondwater in de waterkering zijn niet toegestaan.
-
2. De toe te passen kabels en leidingen moeten voldoen aan de beleidsregel voor kabels en leidingen.
-
3. Voor het plaatsen, houden en verwijderen van verticale buizen moet worden voldaan aan de beleidsregel 20 ‘Bodemonderzoek’.
-
4. Voor het onttrekken van grondwater moet worden voldaan aan de beleidsregel 23: ‘Grondwater’;
-
5. De stabiliteit en het waterkerende vermogen van de waterkering moeten tijdens en na de uitvoering van de boringen worden gewaarborgd.
-
6. Bij het verwijderen van bodemenergiesystemen of grondwateronttrekkingsbuizen moeten de gaten in de bodem, zodanig laagsgewijs worden aangevuld en verdicht dat geen kwelstromen kunnen ontstaan via de af te dichten gaten.
-
7. Middels zettingsanalyse c.q. zettingsberekeningen dient te worden aangetoond dat over een periode van 50 jaar geen extra zettingen van de ondergrond onder de waterkering optreden groter dan 2 cm.
23.4.2. Plaats en afwerking van de boringen
-
1. De boringen moeten zo ver mogelijk uit de waterkering plaatsvinden en
-
2. De boringen mogen binnen het profiel van vrije ruimte plaatsvinden en
-
3. De afwerking van de boring, de warmtewisselaar, de ontvang- en verdeelput moeten worden geplaatst buiten of boven het profiel van vrije ruimte en
-
4. Het bodemenergiesysteem moet altijd aan dezelfde zijde (binnen- of buitendijks) van de waterkering worden geplaatst als het object waarvoor het geïnstalleerd wordt.
23.4.3. Boren en afdichten
-
1. Door de houder van de onttrekkingsinrichting dient binnen 4 weken na uitvoering van de boring de beschrijving van het veldwerk zoals die vereist is krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (BRL SIKB protocol 2101 Mechanisch boren), aan het bestuur te worden gestuurd.
-
2. Behalve voor het boren van het bodemenergiesysteem mogen er geen verdere ontgravingen worden gedaan.
23.4.4. Aanvullende criteria voor open systemen
De mate van risico op de waterkering moet gekwantificeerd worden met een 3-dimensionaal grondwatermodel waarbij rekening wordt gehouden met variatie van de dikte van de bodemlagen, doorlaatfactoren en situering van de onttrekkings- en retourfilters. Dergelijke berekeningen zijn verplicht en moeten bij de aanvraag om een vergunning worden toegevoegd.
23.4.5. Ondiepe grondwateronttrekkingen
Onttrekkingsputten voor bijvoorbeeld veedrenking of beregening, moeten worden geplaatst buiten de waterkering maar mogen wel in de beschermingszone A worden gerealiseerd.
24. Beleidsregel beplanting waterkeringen
24.1. Kader
24.1.1. Waterschapsverordening
In artikel 3.2 van de waterschapsverordening zijn vergunningplichtige gevallen voor waterkeringen aangewezen.
24.1.2. Begripsbepaling
Beplanting: bomen, struiken en laagblijvende planten die worden aangebracht om de tuin in te richten, natuur te ontwikkelen of het landschap te verfraaien.
24.1.3. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op het aanbrengen en onderhouden van beplanting op alle waterkeringen en in bijbehorende beschermginszone A.
Voor het verwijderen en snoeien van beplanting geldt paragraaf 3.1.8 van de waterschapsverordening.
24.2. Doel van de beleidsregel
Het doel van deze beleidsregel is te waarborgen dat bij aanleg, onderhoud en verwijderen van beplanting de waterkering zijn waterkerende functie behoudt, dat het beheer en onderhoud aan de waterkering doelmatig kan worden uitgevoerd en te zorgen dat de waterkeringen in de toekomst zonder hoge extra kosten versterkt kunnen worden.
24.3. Motivering van de beleidsregel
24.3.1. Waterkerende functie
Bij de toetsing of bomen, struiken en planten invloed hebben op de waterkering, zijn de volgende aspecten belangrijk:
- 1.
Schaduwwerking. Door schaduwwerking kan het gras, de standaard taludbekleding, onder bomen en struiken minder goed groeien. De erosiebestendigheid van het talud komt hiermee in gevaar. Daarom wordt er in de toetsingscriteria voor bomen en struiken een horizontale afstand tot de waterkering aangehouden.
- 2.
Stabiliteit. Om de stabiliteit van een waterkering te garanderen, zijn bepaalde afmetingen nodig. Doorsnijding van de waterkering en aanliggende gronden met bijv. een wortelkluit van een boom of struik, maakt de waterkering minder stabiel. Omgewaaide bomen kunnen door het ontstane gat van de wortelkluit de waterkering ernstig beschadigen.
- 3.
Piping. Piping is een verschijnsel waarbij, door een erosieproces, onder een waterkering tunnels ontstaan. Kleilagen in en onder de waterkering voorkomen piping. Het wortelstelsel van bomen en struiken zou door deze kleilagen heen kunnen dringen, waardoor de kans op piping toeneemt. In de toetsingscriteria komt dit aspect tot uiting in de verticale afstand tot het leggerprofiel.
- 4.
Ongewenste graverij. Door het aanbrengen van beplanting kan een aantrekkelijke habitat worden gecreëerd voor dieren die de bodem gebruiken voor het graven van holen en aanleggen van burchten. Deze kunnen zich tot ver in de waterkering uitstrekken en leiden tot ernstige verzwakking van de waterkering (holle ruimtes, stabiliteitsverlies, aantasting van grasmat).
Struiken en lage beplanting hebben een grotere aantrekkende werking op bevers en dassen dan solitaire bomen vanwege een betere beschutting
Afhankelijk van het dijkmateriaal (klei of zand) en de omstandigheden waarin de boom of struik wortelt (wisselende grondwaterstand, natte of juist droge omstandigheden) zijn sommige soorten bomen en struiken wel of juist niet geschikt.
24.3.2. Beheer en onderhoud
Het talud van de waterkering is bekleed met erosiebestendig materiaal (gras of harde bekleding). Bij gebruik van een andere vorm van bodembedekking is inspectie door het waterschap niet (goed) mogelijk. Daarom wordt geen vergunning verleend voor het vervangen van de bestaande taludbekleding door een andere vorm van taludbedekking, ook niet in combinatie met een bodembedekker.
Het is van belang dat de bodem en grasmat rondom de beplanting in goede conditie blijft (waarborgen erosiebestendigheid). Dit vraagt om een goed beheer en onderhoud van de beplanting op de waterkering. Daarbij kan worden gedacht aan:
- -
Het verwijderen van dode, zieke, beschadigde of omgewaaide bomen en struiken;
- -
Het verwijderen van stobben van gerooide bomen;
- -
Het periodiek snoeien van bomen zodat de kering goed bereikbaar is voor inspectie;
- -
Het verwijderen van snoeihout en bladafval;
- -
Het herstellen van de grasmat wanneer hieraan schade is ontstaan die te wijten is aan aanwezigheid van bomen en/of struiken (ontworteling, schaduwwerking, wortelopschot, afgewaaide takken etc.).
24.4. Toetsingscriteria
Aanvragen voor beplanting worden tevens getoetst aan de hand van de algemene toetsingscriteria in hoofdstuk 16.
24.4.1. Nieuwe bomen en struiken
-
1. Nieuwe bomen en struiken op het buitentalud van de primaire en regionale waterkering en tot een afstand van 10 meter uit de buitenteen van de primaire waterkering worden niet toegestaan. Hierop gelden de volgende uitzonderingen:
- -
Bomen en struiken in tuinen van buitendijkse panden waar, door middel van constructieve maatregelen, ten behoeve van de reeds aanwezige werken de erosiebestendigheid van het buitentalud gegarandeerd is.
- -
Er is sprake van een hoog liggend voorland, waardoor bomen en struiken buiten het leggerprofiel geplaatst kunnen worden.
- -
-
2. Nieuwe bomen en struiken op de waterkering en tot 4 meter uit de binnenteen van de primaire en regionale waterkering worden in beginsel niet toegestaan. Hierop zijn enkele uitzonderingen:
- -
Indien er sprake is van aanzienlijke landschappelijke- ecologische en/of culturele waarden kan, onder voorwaarden, vergunning worden verleend voor nieuwe bomen en struiken.
- -
Indien sprake is van een (zeer) brede kruin kan, onder voorwaarden, vergunning worden verleend voor bomen en struiken op de kruin. Te allen tijde moet een zone van 5 meter vanuit de buitenkruinlijn obstakelvrij blijven ten behoeve van onderhoud en inspectie van de waterkering;
- -
-
3. Nieuwe bomen en struiken, inclusief de ontgrondingskuil, moeten buiten het leggerprofiel van de waterkering worden geplaatst en op termijn goed vervangbaar zijn. Voor bomen wordt uitgegaan van een schijfvormige ontgrondingskuil met een diepte van 1 meter en een straal, vanuit het hart van de boom, van 2 meter. Voor struiken wordt eveneens uitgegaan van een schijfvormige ontgrondingskuil, met een diepte van 0,5 meter en een straal, vanuit het hart van de struik, van 1 meter.
-
4. Voor nieuwe bomen en struiken op of in de schil van een compartimenteringskering gelden geen restricties voor de locatie ten opzichte van het leggerprofiel mits:
- -
het profiel van de waterkering na plaatsing in oorspronkelijke staat wordt hersteld en
- -
beheer en onderhoud van de waterkering niet worden belemmerd.
- -
-
5. Voor nieuwe struiken op de waterkering of in beschermingszone A dienen voorzorgsmaatregelen te worden getroffen om ongewenste graverij tegen te gaan. Bijvoorbeeld door het aanbrengen van bever- of dassengaas.
24.4.2. Herplanten van bomen en struiken
Herplanten, het vervangen van bestaande bomen en struiken, wordt beoordeeld als het aanbrengen van nieuwe bomen en struiken.
24.4.3. Inspectie van bomen
Periodieke controle, inspectie en schouw naar de conditie en stabiliteit van de bomen bij waterkeringen is noodzakelijk. Hiervoor kan de methodiek Visual Tree Assessment (VTA) worden gevolgd, of een vergelijkbare methodiek. Het is van belang dat bomen bij de waterkering niet kunnen omwaaien en tot instabiliteit van de waterkering kunnen leiden.
Beleid Grondwater
25. Beleidsregel Grondwater
25.1. Kader
De Omgevingswet en hoofdstuk 5 van de waterschapsverordening.
25.2. Algemeen beleid voor alle activiteiten
In deze beleidsregels is voor verschillende vormen van grondwatergebruik uitgewerkt hoe met vergunningverlening wordt omgegaan. Voor al deze uitwerkingen geldt echter dat deze uitgaan van steeds dezelfde basisbeginselen. Gezien de kaders en doelstellingen van de Omgevingswet heeft het grondwaterbeheer vier pijlers:
- -
Adequaat voorraadbeheer; het voorkomen van uitputting of aantasting van de grondwatervoorraden.
- -
Bescherming van de grondwaterkwaliteit; gericht op hoogwaardig gebruik van grondwater met name diepere lagen ten behoeve van menselijke consumptie.
- -
Samenhangend beheer van grondwater- en oppervlaktewaterlichamen; bijvoorbeeld afstemming met wateraan- en afvoermogelijkheden in het oppervlaktewatersysteem.
- -
Tegengaan/beheersen van lokale nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen of infiltreren van water, bijvoorbeeld verzakking of vernatting van gebouwen, maar hieronder valt ook het standstill beleid voor de beschermde gebieden en attentiegebieden.
Adequaat voorraadbeheer
Er is in feite niet sprake van één grondwatervoorraad. Vanwege de gelaagde opbouw van de bodem is er onderscheid te maken naar meerdere voorraden die naar diepte te onderscheiden zijn. Daarnaast zijn er regionale verschillen, onder andere door de aanwezigheid van geologische breuklijnen in de ondergrond. De slecht doorlatende lagen die over het algemeen de verschillende grondwaterlagen van elkaar scheiden, zijn per gebied verschillend van diepteligging en dikte. Daarnaast zijn er ook gebieden waar er openingen aanwezig zijn, dus er uitwisseling is tussen verschillende watervoerende lagen. Het waterschap voert daarom een gebiedsgericht beleid waarbij de regels voor bijvoorbeeld de diepte van onttrekken per gebied anders zijn.
Voor de benutting van de grondwatervoorraden blijft het uitgangspunt dat schoon grondwater een schaars goed is wat beschermd moet worden tegen uitputting. De betere voorraden blijven primair bestemd voor hoogwaardig gebruik, menselijke consumptie. Dit betekent dat het gebruik van grondwater voor andere doeleinden een sluitstuk van de watervoorziening is, conform de voorkeursvolgorde:
- 1.
zuinig watergebruik (o.a. door waterconservering);
- 2.
benutten gebiedseigen water;
- 3.
wateraanvoer;
- 4.
en dan pas grondwater.
In het algemeen betekent dat, dat de diepere lagen voor hoogwaardig gebruik gereserveerd worden, en dat andere gebruiksvormen door middel van de ondiepere lagen gefaciliteerd worden. Hierbij speelt ook de overweging mee dat de diepere lagen ook beter te beschermen zijn tegen verontreiniging door de bovenliggende slecht doorlatende lagen te beschermen tegen doorboring. Daarnaast geldt in het algemeen dat het gebruik van grondwater sluitstuk is in de watervoorziening voor functies en dat als grondwater gebruikt wordt, dit zo zuinig mogelijk gebeurt.
Bescherming van de grondwaterkwaliteit
Drinkwaterbeschermingsbeleid is primair de taak en verantwoordelijkheid van de provincie (Omgevingswet en Provinciale omgevingsverordening), maar dat neemt niet weg dat het waterschap hiermee rekening dient te houden. Hogere regelgeving regelt voor inrichtingen en activiteiten al uitvoerig wat wel en niet toegestaan is met het oog op de bescherming van de kwaliteit van grondwater bestemd voor menselijke consumptie. Het is dan ook niet nodig daarvoor aanvullende regels te stellen in bijvoorbeeld de waterschapsverordening, maar wel te voorkomen dat toepassing van regels de hogere regelgeving (de Provinciale omgevingsverordening) doorkruisen. Dit betekent dat in vergunningen voor activiteiten in gebieden die beschermd worden voor de drinkwatervoorziening, aanvullende of afwijkende voorschriften kunnen worden opgenomen ten behoeve van de drinkwaterbescherming.
Het begrip menselijke consumptie komt overigens uit de Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (Drinkwaterrichtlijn) en komt in de Nederlandse wetgeving ook terug in het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen, artikel 1, onder g. Onder water voor menselijke consumptie wordt daar verstaan al het water, niet zijnde natuurlijk mineraalwater, bronwater of een geneesmiddel, dat in enig levensmiddelenbedrijf wordt gebruikt voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde waren of stoffen.
Naast de drinkwaterbescherming speelt de kwaliteit van grondwater in het algemeen een rol van betekenis voor de vergunningverlening. Hoewel het waterschap geen directe bevoegdheid heeft op dit vlak krachtens de Omgevingswet, dient het waterschap hier wel rekening mee te houden bij de belangenafweging op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet.
Samenhangend beheer van grond- en oppervlaktewaterlichamen
Voor de watervoorziening voor gebruiksfuncties wordt in tweede en derde instantie een beroep gedaan op het oppervlaktewatersysteem doordat eerst gebruik gemaakt moet worden van gebiedseigen en vervolgens wateraanvoer, alvorens uit te wijken naar het gebruik van grondwater. Dit betekent dat er per definitie een relatie is tussen grondwater en het oppervlaktewatersysteem, wat ook weer gebiedsspecifieke verschillen kent. Zo ligt in poldergebieden/gebieden met wateraanvoer de nadruk veel sterker op wateraanvoer dan op de hoge zandgronden.
Lokale nadelige effecten tegengaan
Ondanks de regionale schaal van de hoofdlijnen van het beleid, zal er nog steeds aandacht moeten zijn voor de lokale effecten die een onttrekking kan hebben. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat een onttrekking voor een gebruiksfunctie strijdig is met een naastgelegen functie. Dit kan zich in principe overal voor doen, maar komt op twee soorten gebieden nadrukkelijker naar voren: in en rond natuurgebieden (met name natte natuurparels) en in het stedelijk gebied.
Beschermde gebieden en attentiegebieden
Nieuwe onttrekkingen, die niet zijn gericht op behoud of versterking van de natuurwaarden, zijn niet toegestaan. Voor de natte natuurparels is het strikte beleid ook van toepassing op een attentiegebied (zie kaarten bij de waterschapsverordening voor de gebieden met beschermende regels). Verplaatsingen worden in dit verband als nieuwe onttrekkingen aangemerkt en zijn dus niet toegestaan.
Het strikte beschermingsbeleid heeft zowel betrekking op de individuele ingrepen als op het cumulatieve effect van de ingrepen. Daarom worden de effecten van de ingrepen niet individueel beoordeeld (bijvoorbeeld in de vorm van een standstill op de rand van de natte natuurparel), maar wordt de ingreep niet toegestaan.
Natuurbeleid en Kaderrichtlijn Water
Waar grondwateronttrekkingen moeten worden verminderd om de gestelde doelen in de natte natuurparels te bereiken, dan geldt dat in principe voor alle categorieën grondwateronttrekkingen in dat gebied. Mede op basis van de beschikbare alternatieven wordt vervolgens per onttrekking of per onttrekkingscategorie de omvang van de vermindering bepaald. Ook wordt de termijn bepaald waarbinnen deze vermindering moet plaatsvinden. Dit wordt samen met de provincie in een gebiedsplan vastgesteld. Bij vergunningverlening op grond van de Omgevingswet houden we nadrukkelijk rekening met natuurdoelstellingen van Natura 2000. Ook wordt rekening gehouden met de zuiveringsinspanning voor grondwater voor menselijke consumptie in het kader van de Kaderrichtlijn Water.
Gebiedsspecifiek grondwaterbeleid
In grondwaterbeleid is een regionale gebiedsgerichte aanpak geïntroduceerd, waarbij aangesloten is bij de geologische opbouw van de bodem, de aanwezige watervoerende lagen en het oppervlaktewaterbeheer. De gebiedsindeling daarvoor is opgenomen in bijlage 4 van de waterschapsverordening. Die gebiedsindeling wordt in deze beleidsregel eveneens toegepast. De gebiedsindeling is tot stand gekomen door allereerst een onderscheid te maken tussen peilbeheerste gebieden (polders) en de overige, vrij afwaterende gebieden. In polders is immers wateraanvoer mogelijk (en dus minder noodzaak voor grondwatergebruik) en deze gebieden kennen veelal een andere bodemopbouw. Vervolgens zijn de twee meest relevante geologische breuklijnen als onderscheidende grens aangemerkt, namelijk de Gilze-Rijenbreuk en de Peelrandbreuk. Beide breuklijnen markeren een duidelijke grens in de bodemopbouw, met name ten aanzien van de diepte van watervoerende pakketten en scheidende lagen in de ondergrond.
Per gebied is aangemerkt welke watervoerende pakketten aangewezen zijn om uit te onttrekken. Met deze aanpak worden nog steeds dezelfde doelen nagestreefd als voorheen, maar sluit de regelgeving beter aan op het regionale grondwatersysteem. In de tabel in bijlage 4 van de waterschapsverordening is tevens een vaste maximale diepte opgenomen voor die gevallen waar watervoerende pakketten met elkaar in verbinding staan omdat er ter plaatse geen scheidende laag in de ondergrond aanwezig is. Dit komt lokaal op diverse plaatsen voor.
Voor het aanduiden van de bodemopbouw bestaan meerdere typologieën in Nederland. Het waterschap sluit aan op de typologie van Regis II van TNO-NITG. Dit is een landelijke erkende digitale database die een model geeft van de landelijke geologische kartering van de Nederlandse ondergrond. Deze standaard wordt ook in andere regelgeving toegepast zoals het Protocol mechanisch boren krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
25.3. Industriële onttrekkingen kleiner dan 150.000 m3 per jaar
Bij de vraag naar grondwateronttrekkingen door toenemende bedrijvigheid wordt van de bedrijven gevraagd zo veel mogelijk alternatieven in te zetten, zoals de inzet van oppervlaktewater of hergebruik van afvalwater.
In stedelijk gebied met wateroverlast kan een uitzondering gemaakt worden op het principe dat grondwater alleen wordt gebruikt voor menselijke consumptie. Hier kunnen onttrekkingen wel toestaan worden voor andere doeleinden dan menselijke consumptie. In elk geval wordt gestreefd naar een nuttig gebruik van het onttrokken grondwater. De benodigde drooglegging in de stad is goed verenigbaar met waterwinning. Verwacht mag worden dat de onttrekkingen om wateroverlast tegen te gaan, maar tijdelijk nodig zullen zijn, omdat bij de herinrichting van deze wijken een aangepaste ont- en afwatering deze problemen kan oplossen. Om een verspreiding van bodem- en grondwaterverontreinigingen te voorkomen is een toename van de onttrekkingen dieper dan de bodemlaag aangegeven in tabel zoals vermeld in bijlage 4 van de waterschapsverordening ongewenst.
Door de vermindering van de onttrekkingen door waterleidingbedrijven en industrie ontstaat ruimte voor nieuwe onttrekkingen en uitbreiding van bestaande onttrekkingen binnen stedelijk gebied. Om een beheerste ontwikkeling te garanderen is door de provincie een grens aan de mogelijk optredende groei gesteld. Groeit de omvang van de onttrekkingen tot boven de grens, dan worden maatregelen genomen. Dit behelst onder meer het intrekken van reservecapaciteit binnen bestaande vergunningen en gezamenlijk met de andere waterschappen en provincie een uitwerkingsplan vaststellen. Hierin geven we de oorzaken van de opgetreden groei, de prognose voor de toekomstige waterbehoefte en de inzet van alternatieven aan.
De volgende uitgangspunten zijn bij verplaatsing van winningen van toepassing:
- -
De verantwoordelijkheid voor de verplaatsing ligt bij de bedrijven zelf;
- -
Een verzoek tot verplaatsing van winningen zal worden getoetst op:
- *
het doel waarvoor het grondwater wordt gebruikt;
- *
de mogelijkheden voor de inzet van alternatieven;
- *
geen toename van het effect op het natuurlijk milieu.
- *
De uitbreidingsmogelijkheden voor grondwateronttrekkingen door bedrijven kunnen als volgt worden samengevat:
- -
Voor bedrijven/onttrekkingen voor andere doeleinden dan menselijke consumptie geldt dat die zijn gelegen binnen de bebouwde kom;
- -
Uit de aanvraag moet blijken dat grondwater noodzakelijk is. Indien binnen drie jaar na vergunningverlening geen gebruik is gemaakt van de vergunning, of een belangrijk deel hiervan, dan zal de vergunning hierop worden aangepast of ingetrokken;
- -
Het grondwater wordt gebruikt, of mede gebruikt, voor menselijke consumptie;
- -
De putten mogen een maximale diepte hebben tot in de bodemlaag zoals in de tabel in bijlage 4 van de waterschapsverordening aangegeven;
- -
De totale grondwateronttrekking in Noord-Brabant door waterleidingbedrijven en industriële onttrekkers mag maximaal 268 miljoen m3 bedragen (onttrekking 2007 + 10%). Indien de gestelde grenswaarde wordt bereikt zullen geen uitbreidingen meer worden toegestaan.
25.4. Agrarische beregening
Gebiedspecifiek beleid voor agrarische beregening
Het nieuwe beleid voor beregenen uit grondwater voorziet in meer flexibiliteit in agrarische gebieden, maar niet in de beschermde gebieden en attentiegebieden en ook niet in zones rondom de Natura 2000-gebieden, de invloedsgebieden Natura 2000 (zie de kaarten bij waterschapsverordening). Daar blijft het bestaande standstillbeleid van kracht. Deze beleidsregel bevat dan ook twee sporen voor het vergunningenbeleid. Eén spoor conform het bestaande standstillbeleid voor de beschermde gebieden, attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000, en één spoor met flexibeler beleid voor de overige gebieden.
Vergunningenbeleid voor de beschermde gebieden, attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000
In beginsel verlenen we in deze gebieden geen nieuwe vergunningen voor beregening. Bedrijven zullen bij het opstellen van bedrijfsplannen uit moeten gaan van de bestaande situatie en het al dan niet beschikbaar zijn van een bestaande vergunning. We stimuleren vermindering van het gebruik van grondwater voor beregening via projecten en afspraken met de sector. Indien een besparing wordt bereikt binnen het bestaande gebruik, achten we een verruiming van de onttrekkingen voor (nieuwe) kapitaalintensieve teelten mogelijk.
Om het grondwatergebruik voor beregening te beheersen geldt dat:
- -
Geen nieuwe vergunningen meer worden verleend voor beregening;
- -
Bestaande grondwateronttrekkingen niet mogen worden verplaatst. Alleen bij de realisatie van overheidsplannen kan een grondgebruiker die het bestaand gebruik moet beëindigen, een put verplaatsen naar een nieuw perceel. De nieuwe put mag hierbij niet zijn gelegen in een beschermd gebied of attentiegebied.
- -
Grasland niet mag worden beregend voor 1 juni en in juni en juli niet tussen 11:00 en 17:00 uur. (Dit is opgenomen in de vergunning, hierbij is tevens voorzien in een ontheffingsregeling). In de periode 1 januari tot 1 juni mag grasland beregend worden in voornoemde periode binnen 48 uur na een emissiearme bemestingsmethode met dierlijke mest.
- -
Voor intensieve grondgebonden teelten, waarbij vruchtwisseling belangrijk is, kan een raamvergunning worden verleend, waarin de totale pompcapaciteit per uur is aangegeven en de maximale diepte van de put. Bij wijzigingen moet de locatie van de te gebruiken put(ten) worden opgegeven. De nieuwe put mag niet zijn gelegen in beschermd gebied of attentiegebied. In raamvergunningen wordt de voorwaarde opgenomen dat de vergunning nooit meer kan worden gebruikt voor de beregening van grasland.
- -
Bestaande putten mogen worden verplaatst vanuit de beschermde gebieden naar de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000, mits de afstand tot de natte natuurparel wordt vergroot en de verplaatsing plaatsvindt naar een attentiegebied en/of invloedsgebied Natura 2000 dat behoort tot het beschermd gebied waarin de bestaande put zich bevindt. Bestaande putten mogen ook worden verplaatst binnen de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000 indien de afstand tot de natte natuurparel daarmee wordt vergroot (afwaartse beweging) en de verplaatsing plaatsvindt in het attentiegebied en/of invloedsgebied Natura 2000 dat behoort tot diezelfde natte natuurparel. Indien attentiegebieden en/of invloedsgebieden Natura 2000 van verschillende natte natuurparels elkaar overlappen, dan dient de afstand tot alle van belang zijnde natte natuurparels te worden vergroot (afwaartse beweging).
- -
Verplaatsing van de put is ook mogelijk naar een locatie buiten de beschermde gebieden, attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000.
- -
Bestaande putten mogen worden vervangen binnen 50 meter van de bestaande ingemeten locatie, waarbij de nieuwe put dezelfde diepte dient te hebben als de bestaande of ondieper dient te zijn, maar deze niet dieper mag zijn dan de maximale diepte conform de tabel in bijlage 4 van de waterschapsverordening. Deze voorwaarde is eveneens in de vergunningen opgenomen.
- -
Bij overdracht van eigendommen en/of bodemgebruik kan een vergunning overgaan op een rechtsopvolger. Dit kan ook betrekking hebben op een deel van de vergunning, waarbij echter elk deel van de vergunning minimaal dient te bestaan uit een put en 11 m3 per uur pompcapaciteit. Waarbij de totale pompcapaciteit en het aantal putten in de beschermde gebieden, attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000 niet toeneemt.
Vergunningenbeleid voor de overige gebieden
Toepassingsbereik
Deze beleidsregel is van toepassing op grondwateronttrekkingen die niet voldoen aan de aangewezen vergunningvrije gevallen en bijbehorende algemene regels in paragraaf 5.1.3 en 5.1.4 van de waterschapsverordening. Op dat moment is een vergunningplicht aan de orde.
Doel en motivering van de beleidsregel
Voor agrarisch gebruik geldt dat de onttrekkingsinrichting veelal bestaat uit een pomp met meerdere putten. Er wordt niet uit alle putten tegelijkertijd onttrokken, maar meerdere putten zijn nodig vanwege de omvang van agrarische bedrijven en teeltwisselingen. Bij agrarische onttrekkingen zijn twee doelstellingen van belang. Enerzijds het onder controle houden van de hoeveelheden onttrokken grondwater, anderzijds de bescherming van de kwaliteit van het diepere grondwater door middel van het beschermen van de slecht doorlatende lagen tegen onnodige doorboringen. Voor beregening van grasland, akkerbouw, vollegronds tuinbouw, vollegronds boomteelt, glastuinbouw en container- en substraatteelt geldt dat dit primair via de aangewezen vergunningvrije gevallen en bijbehorende algemene regels in de waterschapsverordening gereguleerd wordt. Vergunningverlening is nog aan de orde bij een voorgenomen afwijking van die regels, zoals een groter aantal putten of een groter pompcapaciteit dan in voornoemde regels is toegestaan. Aangezien de aangewezen vergunningvrije gevallen en algemene regels in de waterschapsverordening afgestemd zijn op de draagkracht van het grondwatersysteem, een normale bedrijfsvoering, en gezien de algemene uitgangspunten ten aanzien van grondwatergebruik, zal getoetst worden of het aangevraagde redelijk en noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering en wat er aan waterbesparing en/of waterconservering gedaan kan worden ten einde zuinig grondwatergebruik te realiseren. Zoals ook bij de algemene regels in de waterschapsverordening wordt ook hier een bedrijfswaterplan vereist, conform hetzelfde model. Er kunnen met het oog op zuinig grondwatergebruik in de vergunning waterconserverende of waterbesparende maatregelen voorgeschreven worden. Voor de maximale diepten wordt de tabel in bijlage 4 van de waterschapsverordening in beginsel de gevolgd.
Toetsingscriteria
Voor de vergunningverlening hanteren we de volgende toetsingscriteria:
- 1.
Het aangevraagde moet redelijk en noodzakelijk voor de bedrijfsvoering.
- 2.
Diepere onttrekkingen dan vermeld in de tabel in bijlage 4 van de waterschapsverordening worden niet toegestaan.
Ad 1) Het aangevraagde moet redelijk en noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering.
- -
Er moet aangetoond worden dat de bedrijfsomvang of bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt. Hierbij wordt getoetst aan;
- *
Nachtvorstbestrijding. Het bedrijf past nachtvorstbestrijding toe daar waar geen of onvoldoende oppervlaktewater beschikbaar is, omdat er gelijktijdig meerdere percelen moeten worden beregend.
- *
Bodemopbouw. De bodemopbouw op de locatie van het bedrijf is zodanig dat niet volstaan kan worden met de pompcapaciteit of diepte uit de algemene regels.
- *
Bedrijfsomvang. Het bedrijf is beduidend groter van omvang dan soortgelijke bedrijven in Brabant, dit betekent minimaal 50% groter dan op basis van gegevens van het CBS.
- *
- -
Meer dan 1 put per 5 hectare wordt slechts toegestaan indien wordt aangetoond dat dit voor de bedrijfsomvang en bedrijfsvoering noodzakelijk is. (Bijvoorbeeld bij bedrijven met een grote geografische spreiding. De haspel kan dan wel verplaatst worden, maar er is nog wel een put in de omgeving nodig. Bij een bedrijf waar gronden bij elkaar liggen, kunnen meerdere percelen met een put bediend worden.)
Ad2) Diepere onttrekkingen dan vermeld in de tabel in bijlage 4 van de waterschapsverordening worden niet toegestaan.
De bescherming van het diepe grondwater is sinds 2000 ingezet om de kwaliteit van het drinkwater te beschermen. Een onttrekkingsput kan namelijk ook als lek gaan fungeren waardoor ondiep grondwater met mogelijke vervuiling naar de diepere lagen stroomt. Er mag daarom niet dieper dan de bodemlaag aangegeven in de tabel in bijlage 4 van de waterschapsverordening worden onttrokken. Ook voor situaties die onder de vergunningplicht vallen blijven we deze grens volgen.
Waterconserverende maatregelen/besparende maatregelen
- -
Het bedrijfswaterplan is verplicht voor alle beregeningsvergunningen in overig gebied. De maatregelen uit het bedrijfswaterplan moeten zijn uitgevoerd, voordat de onttrekking mag starten.
- -
Extra waterconserverende of besparende maatregelen worden opgenomen als voorschrift in de vergunningverlening.
- *
Voor de vraag of er nadere eisen gesteld worden aan waterconservering en – besparing geldt in het algemeen dat de hoofdlijn van het beregeningsbeleid is: “voor wat, hoort wat”. Onder de aanwijzing vergunningvrije gevallen en algemene regels in de waterschapsverordening is dat ingevuld door het bedrijfswaterplan met een minimum aantal te nemen maatregelen. Indien niet voldaan kan worden aan paragraaf 5.1.3 en 5.1.4 van de waterschapsverordening moet één extra maatregel genomen worden bovenop hetgeen conform het bedrijfswaterplan al verplicht is. Voor specifieke agrarische bedrijfstypen zijn geen algemene regels opgesteld en geldt direct een vergunningplicht. In dat geval is geen extra watermaatregel boven op het bedrijfswaterplan vereist.
- *
25.5. Bronbemalingen, grondwater- en bodemsaneringen, etc.
Conform de algemene uitgangspunten voor grondwatergebruik geldt ook hier dat er zo zuinig mogelijk met grondwater moet worden omgaan. Daarnaast mag er geen verdroging optreden, met name in beschermde gebieden en attentiegebieden, en mag er geen overlast of schade ontstaan aan nabij gelegen opstallen. Daarom richt het beleid zich enerzijds op minimalisatie van de grondwateronttrekking en anderzijds op retourbemaling. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:
- -
Nieuwe vergunningen voor permanente verlagingen van de grondwaterstand voor het droog houden van gebouwen en werken, worden niet verleend. Bestaande vergunningen dienen te worden beëindigd en indien dit niet mogelijk is dient het onttrokken grondwater terug gebracht te worden in de bodem.
- -
Bij bronbemaling is minimalisatie van de grondwateronttrekking door het toepassen van aangepaste bouwtechnieken en zorgvuldige planning van de uitvoering van bouwwerkzaamheden een absolute noodzaak. Iedere aanvraag voor bronbemaling zal hierop worden getoetst.
- -
Bij onttrekkingen groter dan 0,5 miljoen m3 per jaar moet worden gestreefd het onttrokken grondwater terug te brengen in de bodem. Bij onttrekkingen tussen 0,2 en 0,5 miljoen m3 per jaar moet het streven gericht zijn op het minimaal 50% terugbrengen in de bodem.
- -
Bij niet te vermijden vergunningplichtige bronbemalingen in beschermde gebieden en attentiegebieden dient gestreefd te worden het onttrokken water altijd volledig terug te brengen in de bodem.
- -
Bij bodem- en grondwatersanering dient te worden gestreefd naar een minimalisatie van de netto-onttrekking die is te bereiken door:
- *
toepassing van alternatieve saneringstechnieken (o.a. in situ-sanering);
- *
toepassen van technieken om toestroming schoon grondwater te beperken (o.a. damwanden, efficiënt onttrekken);
- *
het onttrokken grondwater na zuivering terug te brengen in de bodem (waarbij mogelijk snellere sanering kan plaatsvinden).
- *
- -
Indien het onttrokken grondwater niet in de bodem kan worden teruggebracht, moet ingeval van mogelijk negatieve effecten op de omgeving worden onderzocht of de effecten zo veel mogelijk kunnen worden verminderd.
25.6. Kleine onttrekkingen
Voor onttrekkingen met een pompcapaciteit van niet meer dan 10 m3 per uur (kleine onttrekking) en een put dieper dan toegestaan volgens de tabel in bijlage 4 van de waterschapsverordening geldt dat nieuwe vergunningen niet worden verleend. Bij uitzondering kan een diepere put worden vergund indien het een bestaande put betreft die op last van overheidsingrijpen verplaatst moet worden, en de put een doel dient die het afwijken van de algemene lijn rechtvaardigt, en het voor dat doel daadwerkelijk noodzakelijk is een diepere put te slaan. Tot slot geldt dat kleine onttrekkingen alleen mogelijk zijn buiten de beschermde gebieden. Zoals ook bij grotere onttrekkingen, kunnen ook bij kleine onttrekkingen meerdere putten geslagen worden die door één onttrekkingsinrichting benut wordt. Hierbij geldt dat het slaan van meerdere putten tot een minimum beperkt wordt.
25.7. Onttrekkingen voor stofbestrijding
Op grond van milieuwetgeving gelden verplichtingen voor het nathouden van bouwwegen en opslag van bulkgoederen in de openlucht (bijv. ertsen), om zo verwaaien van stof tegen te gaan. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verplicht het gebruik van hemelwater dat in aanraking is geweest met de desbetreffende stoffen. Dit neemt echter niet weg dat er soms extra water nodig kan zijn. In het bijzondere geval waar er onvoldoende oppervlaktewater beschikbaar is of andere alternatieven, kan aanspraak op grondwater dus noodzakelijk zijn, ondanks dat het om laagwaardig gebruik gaat. Vast moet staan dat grondwater het enige alternatief is om aan wettelijke verplichtingen te voldoen. Dan geldt vervolgens dat dit grondwater alleen ter aanvulling van de waterbehoefte gebruikt mag worden indien en voor zover stofbestrijding verplicht is. Bovendien moet het grondwater zo ondiep mogelijk gewonnen worden, of er wordt grondwater gewonnen dat kwalitatief ongeschikt is voor hoogwaardig gebruik. Ten slotte geldt dat het slaan van meerdere putten tot een minimum beperkt wordt.
25.8. Parken en openbaar groen, golfbanen/recreatie en sportvelden
Deze functies gebruiken veel water voor gebruik dat in het landelijk grondwaterbeleid als laagwaardig gebruik geclassificeerd wordt. Daarbij geldt dat er per situatie sprake is van maatwerk. In het algemeen geldt dat de nadruk ook hier ligt op alternatieven gebruiken boven grondwater. Als het gebruik van grondwater toch onvermijdelijk is dan dient dit zo zuinig mogelijk te gebeuren en dient het gebruik van grondwater ter plaatse te worden gecompenseerd. Dit wordt immers ook verwacht van andere meer hoogwaardige gebruiksvormen. Conform de algemene beleidsuitgangspunten wordt hierbij gekeken naar de laatste stand der techniek. Ten slotte geldt dat het slaan van meerdere putten tot een minimum beperkt wordt.
Specifiek voor nieuw aan te leggen sportvelden geldt dat gezien de laatste stand der techniek bevloeiing van onderaf wordt voorgestaan in plaats van reguliere beregening. Dit is een relatief nieuwe techniek voor zowel natuurgras als kunstgras die overmatige verdamping en afvloeiing van beregeningswater tegengaat en tegelijkertijd benut kan worden om het sportveld in te natte omstandigheden beter te ontwateren.
Voor parken en openbaar groen, golfbanen/recreatie en sportvelden die liggen in beschermde gebieden, attentiegebieden of invloedsgebieden Natura 2000 geldt echter dat in die gevallen het vergunningenbeleid voor agrarische beregening gevolgd wordt.
25.9. Brandblusvoorzieningen
Brandblusvoorzieningen zijn vergunningplichtig als de brandblusvoorziening niet valt onder de aanwijzing vergunning vrije gevallen en bijbehorende algemene regels in de waterschapsverordening voor brandblusvoorzieningen, bijvoorbeeld omdat een grotere diepte wenselijk gevonden wordt dan volgens de tabel in bijlage 4 is toegestaan. Op dat moment wordt primair getoetst in hoeverre de brandblusvoorziening daadwerkelijk in afwijking van de algemene regels aangelegd moet worden om te voldoen aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en andere regelgeving op het gebied van brandveiligheid en brandweerzorg. Daarnaast wordt ook bezien in hoeverre extra waarborgen nodig zijn ten behoeve van de bescherming van de grondwaterkwaliteit. In de vergunning worden verder in beginsel basisvoorwaarden van dezelfde aard opgenomen als in de algemene regels.
25.10. Overgangsbeleid
Voor vergunningen die zijn afgegeven voor inwerkingtreding van de waterschapsverordening geldt de overgangsregeling die in de waterschapsverordening is opgenomen. Voor zover van toepassing blijven daarvoor de oude beleidsregels van toepassing gedurende de overgangstermijn.
Bij voortijdige wijziging van een bestaande vergunning geldt dat, indien en voor zover de vergunde onttrekkingsinrichting wordt gehandhaafd en niet onder de vergunningvrije gevallen valt, dit middels een revisievergunning geformaliseerd wordt conform het nieuwe beleid. Dit geldt ook voor gevallen waarin de overgangstermijn afloopt en de vergunde onttrekkingsinrichting niet (geheel) past binnen de aangewezen vergunningvrije gevallen en bijbehorende algemene regels.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van het dagelijks bestuur van 24 februari 2026,
De secretaris
Peter Verlaan
De dijkgraaf
Mario Jacobs
Dit besluit is digitaal ondertekend.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl