Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758345
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758345/1
Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang gemeente Harderwijk
Geldend van 10-03-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang gemeente Harderwijk1. Inleiding
1.1. Nota Sociaal Domein
‘Samen doen wat nodig is’. Het leven brengt soms uitdagingen met zich mee. Een steuntje in de rug is dan zeer welkom. Deze steun verzorgen we samen met inwoners en partners. De nota sociaal domein biedt de ruimte om bij het organiseren en bepalen van hulp en ondersteuning echt anders te denken en te doen. Deze nota is geschreven voor degenen waar het uiteindelijk allemaal om draait: onze inwoners, klein en groot. Zij die, om welke reden dan ook, afhankelijk zijn van de ondersteuning die onze gemeente kan bieden.
1.2. Kansrijk opgroeien
Kansrijk opgroeien is één van de vier opgaven binnen de nota sociaal domein. Kansrijk opgroeien gaat over het bieden van perspectief aan kinderen en jongeren. Met de uitdaging dat alle kinderen gezond en veilig opgroeien, hun talenten ontwikkelen en naar vermogen meedoen. Uitgangspunt is dat de jeugd wordt gestimuleerd zich te ontwikkelen in de volle breedte: in onderwijs, sport, persoonlijke ontwikkeling en gezondheid. Hiervoor is een kind- en gezinsvriendelijke opvoedings- en opgroeiomgeving nodig. Een sterke pedagogische en sociale basis.
1.3. Toezicht en handhaving
In de kinderopvang worden de jongste kinderen uit onze gemeente opgevangen in een veilige en stimulerende omgeving, waar zij kunnen opgroeien binnen een sterke pedagogische en sociale basis, en waar ouders met een gerust hart op kunnen vertrouwen.
Met deze beleidsregels toezicht en handhaving in de kinderopvang verwijzen we naar de processen en maatregelen in de gemeente Harderwijk die ervoor zorgen dat kinderopvanginstellingen voldoen aan de wettelijke eisen en kwaliteitsnormen.
Toezicht: houdt in dat er regelmatig controles en inspecties plaatsvinden om te beoordelen of de kinderopvang veilig, gezond en pedagogisch verantwoord is. Het toezicht in Harderwijk wordt uitgevoerd door de GGD-NOG. De Wet kinderopvang legt de taak voor toezicht in de kinderopvang vast bij de GGD-GHOR.
Handhaving: betreft de acties die worden ondernomen wanneer een kinderopvanginstelling niet voldoet aan de gestelde eisen. Dit kan variëren van waarschuwingen en boetes tot het intrekken van vergunningen. Het doel van handhaving is om de kwaliteit van de kinderopvang te waarborgen en de veiligheid van kinderen te beschermen.
2. Besluit, toepassing, citeertitel beleidsregels en definities
2.1. Toepassing
Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle voorzieningen voor kinderopvang, gastouderbureaus en gastouderopvang binnen de gemeente Harderwijk.
Het college heeft op grond van artikel 1.61 Wet Kinderopvang de directeur publieke gezondheid van de GGD-NOG aangewezen en mandaat verleend om als toezichthouder kinderopvang op te treden of medewerkers van de GGD-NOG aan te wijzen als toezichthouder kinderopvang. De GGD-NOG voert voor de gemeente Harderwijk de onderzoeken uit. Het college heeft de registervoering en de handhavingstaken gemandateerd aan het team Samenleving van de gemeente Harderwijk.
De toezichthouder kinderopvang van de GGD-NOG komt jaarlijks op alle kindcentra en gastouderbureaus en onderzoekt jaarlijks 50% en minimaal eens in de drie jaar de in het LRK geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang. De toezichthouder onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en adviseert de gemeente over deze naleving. De GGD-NOG legt de resultaten van het onderzoek vast in het inspectierapport. Daarin geeft zij tevens een advies. De GGD-NOG stelt de houder in de gelegenheid om
|
Deze beleidsregels zijn van toepassing op:
|
van het conceptrapport kennis te nemen en daarop een zienswijze te geven, met uitzondering van het ‘inspectierapport nader onderzoek’. De GGD-NOG neemt deze zienswijze op in het inspectierapport, stelt dit rapport vervolgens vast en publiceert het in het LRK.
De werkwijze van de GGD-NOG is in de Wet Kinderopvang en in de Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang vastgelegd. Het college brengt jaarlijks verslag uit aan de Inspectie van het Onderwijs over de register- en handhavingstaken en de toezichttaken van de GGD-NOG. De Inspectie van het Onderwijs houdt als tweedelijns toezichthouder toezicht op de uitvoering van deze taken. De beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang gemeente Harderwijk worden indien wijzigingen in de landelijke wet- en regelgeving en/of gemeentelijk beleid hiertoe aanleiding geven geactualiseerd.
2.2. Citeertitel
Deze beleidsregels worden als Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang gemeente Harderwijk aangehaald.
2.3. Definities
Hieronder vindt u definities van de belangrijkste in dit beleid voorkomende termen. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet kinderopvang en de onderliggende regelgeving.
|
Definitie |
|
|
Afwegingsmodel |
In het afwegingsmodel worden per domein de kwaliteitseisen geclusterd weergegeven en voorzien van een hersteltermijn, de hoogte van de bestuurlijke boete en de last onder dwangsom. Het afwegingsmodel is als bijlage aan deze beleidsregels toegevoegd. |
|
AWB |
Algemene Wet Bestuursrecht |
|
College |
Het college van burgemeester en wethouders |
|
Gemeente |
Gemeente Harderwijk |
|
GGD |
GGD- Noord- Oost Gelderland |
|
Inspectieonderzoek |
Een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid Wet kinderopvang |
|
Kinderopvangvoorziening |
Buitenschoolse opvang op een specifiek adres, dagopvang op een specifiek adres, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang. |
|
Kwaliteitseisen |
De kwaliteitseisen vastgelegd in voorschriften, welke door de houder moeten worden nageleefd, staan genoemd in de Wet kinderopvang en alle onderliggende regelgeving. |
|
LRK |
Landelijk Register Kinderopvang |
|
Toezichthouder |
De aangewezen toezichthouder van de GGD. De toezichthouder kinderopvang onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport. |
|
Houder |
De aanbieder van kinderopvang. In de Wet kinderopvang is de wettelijke definitie opgenomen. |
|
Wko |
Wet kinderopvang |
|
VOG |
Verklaring Omtrent Gedrag |
|
PRK |
Personen Register Kinderopvang |
3. Kwaliteit kinderopvang
Kinderopvang heeft een belangrijke plaats in onze samenleving. Kwalitatief goede kinderopvang draagt bij aan een goede start voor kinderen in de maatschappij en draagt bij aan een goede ontwikkeling en aan het welbevinden van kinderen. In de kinderopvang moeten kinderen zich veilig voelen en de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen (denk aan sociale emotionele-, cognitieve- en taalontwikkeling). Het gaat daarbij om een brede ontwikkeling met aandacht voor sociale activiteiten zoals samen spelen, samenwerken en leren
|
Kwalitatief goede kinderopvang:
|
van en met elkaar. Zo draagt kinderopvang bij aan een goede start voor kinderen in het basisonderwijs en de samenleving.
|
Goede kinderopvang: Waar kinderen zich veilig voelen en hun ontwikkeling wordt bevorderd. |
Dit volgt ook uit de twee doelen die de wetgever heeft gesteld bij het opstellen van de Wet kinderopvang. Het eerste doel is:
Het bevorderen van de ontwikkeling van kinderen. De houder van een kinderopvangvoorziening is verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede kinderopvang. Het is belangrijk dat direct vanaf de start van een opvanglocatie verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang wordt aangeboden. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind in een veilige en gezonde, stimulerende en vertrouwde omgeving achterlaten. In het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) staan alle organisaties die toestemming hebben gekregen om kinderopvang aan te bieden. In het register staan de contactgegevens van de organisaties, de onderzoeksrapporten van de toezichthouder en de handhavingsmaatregelen die het college heeft genomen.
Het tweede doel is de arbeidsparticipatie van de werkende ouders verbeteren. Hierop wordt in deze beleidsregels niet apart ingegaan.
3.1. Jaarlijkse rapportage kwaliteit kinderopvang
Het college brengt jaarlijks een rapportage toezicht en handhaving kinderopvang uit. Belangrijke onderdelen in dit verslag zijn de ontwikkelingen in risicoprofielen en het aantal keren dat het college handhavingsinstrumenten, zoals een aanwijzing, boete, last onder dwangsom en exploitatieverbod inzet. Het college houdt zo zicht op de staat van de kwaliteit van de kinderopvang. Het college kan de jaarlijkse rapportage ook gebruiken om de doeltreffendheid van de werkwijze te monitoren en waar nodig aan te passen. Daarbij kijkt het college ook naar de aard van de overtredingen waarop handhaving is ingezet. De resultaten van inspectieonderzoeken kunnen, naast aanscherpingen in de eigen werkwijze en het
vaststellen van speerpunten, ook leiden tot aanbevelingen richting de wetgever, de sector of tot de inzet van extra toezicht- en handhavingscapaciteit.
3.2. Visie en ambitie
De eerste jaren van een kind hebben grote invloed op de latere ontwikkeling. Het aanbieden van verantwoorde kinderopvang in een gezonde en veilige omgeving is daarom belangrijk. Voorzieningen voor jonge kinderen leveren daaraan een belangrijke bijdrage, naast het verminderen van achterstanden en het bevorderen van gelijke kansen. Goede kwaliteit is daarbij een essentiële factor. Daarom wil het college in Harderwijk dat kinderen toegang hebben tot kwalitatief goede kinderopvang waarin zij zich optimaal kunnen ontwikkelen. Het college ziet het ook als zijn rol houders te stimuleren de kwaliteit van de geboden opvang daar waar mogelijk te verbeteren en de kwaliteit en veiligheid van kinderopvang te waarborgen.
Het college vertrouwt erop dat houders zich uit eigen beweging houden aan alle kwaliteitseisen zoals vastgelegd in wet- en regelgeving. Bij de gemeente Harderwijk spreekt de beleidsmedewerker kinderopvang kinderopvanghouders aan op hun eigen verantwoordelijkheid en gaat met hen in gesprek over (lokale) ontwikkelingen en signalen.
4. Beleid en ontwikkelingen
4.1. Doel van het beleid
In de Wet kinderopvang staat de rol van het college beschreven. Deze beleidsregels zetten de invulling van de wettelijke taken van het college uiteen. Daarmee draagt dit beleid bij aan:
- •
Een transparante werkwijze, omdat houders, ouders, toezichthouders en andere belanghebbenden vooraf zijn geïnformeerd over de mogelijkheden en bevoegdheden van het college;
- •
Rechtsgelijkheid, door het vastleggen van beleidsregels die voor iedereen van toepassing zijn;
- •
Het waarborgen van veiligheid van deze kwetsbare doelgroep;
- •
Het bevorderen van de kwaliteit van de kinderopvang.
4.2. Wat komt aan de orde
De gemeentelijke integrale visie op handhaving en de relatie met het dossier kinderopvang wordt toegelicht. Vervolgens wordt er ingegaan op de verschillende mogelijkheden binnen het toezicht, waaronder herstelaanbod en risico gestuurd toezicht. Daarna wordt er uitgelegd hoe een aanvraag tot exploitatie wordt afgehandeld. Als laatste gaat het college in de beleidsregels in op de verschillende mogelijkheden voor handhaving bij het niet naleven van de kwaliteitseisen. Hierin staat aangegeven welke strategie wordt gevolgd. Daarbij wordt, per niet nageleefde kwaliteitseis, bepaald welke handhaving daarop volgt, waarbij het afwegingsmodel richting geeft.
In het afwegingsmodel (in de bijlage) staat vastgelegd:
- •
Of er een boete wordt opgelegd en wat de hoogte is;
- •
De hoogte van een last onder dwangsom;
- •
De maximale hersteltermijn.
4.3. Landelijke en gemeentelijke ontwikkelingen
De Wet kinderopvang is sinds 2005 van toepassing. Sindsdien is het speelveld volop in beweging. Veranderingen in de laatste jaren zijn dan bijvoorbeeld dat er sinds 2018 geen peuterspeelzalen meer zijn. Ook is er in dat zelfde jaar een personenregister kinderopvang ingevoerd om continue screening in de kinderopvang te versterken.
Daarnaast is in 2018 en 2019 de wetgeving dankzij de (wijzigings-) Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang (IKK) behoorlijk aangepast en is er hard gewerkt aan efficiëntere toezicht en handhaving.
Sinds 2024 is het flexibel toezicht ingevoerd. In 2022 en 2023 is hier binnen de gemeente Harderwijk al een start meegemaakt.
In 2024 is er gestart met het bepalen van speerpunten in het toezicht. Door jaarlijks andere speerpunten te bepalen heeft de GGD toezichthouder extra ruimte om tijdens het toezicht op deze items een verdieping in het toezicht te maken. Hierdoor wordt de kwaliteit van de geboden opvang op het item binnen de locatie intensiever getoetst.
Dit alles heeft ertoe geleid dat gemeente Harderwijk de voor u liggende beleidsregels kinderopvang heeft herzien en vastgesteld.
5. Kader, visie, ambitie en speerpunten
5.1. Kader
Om de kwaliteit in de kinderopvang te waarborgen heeft de rijksoverheid kwaliteitseisen vastgesteld waar kinderopvangorganisaties zich aan moeten houden. Bijvoorbeeld eisen aan het pedagogisch klimaat (ook in de voorschoolse educatie), personeel en groepen, veiligheid en gezondheid, accommodatie en inrichting en de omgang met ouders. Daarnaast zijn er eisen gesteld aan de administratie van een kinderopvangvoorziening.
|
Deze kwaliteitseisen zijn vastgelegd in de Wet kinderopvang. Daarnaast zijn deze kwaliteitseisen verder uitgewerkt in nadere regelgeving:
|
Direct vanaf de start van een opvanglocatie moet aan deze kwaliteitseisen worden voldaan.
Ook stelt de Wet eisen aan de manier waarop de toestemming tot exploitatie, registratie van voorzieningen, wijzigingen in deze registratie, het toezicht en de handhaving plaatsvindt. Het college is verantwoordelijk voor het geven of intrekken van toestemming, de registratie, het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit en kan binnen de wettelijke kaders haar taken invullen. De GGD is de aangewezen toezichthouder voor kinderopvang. De toezichthouder doet onderzoek naar de kwaliteit en beoordeelt of kindercentra, gastouderbureaus, voorzieningen voor gastouderopvang, houders en gastouders aan de eisen voldoen.
Daarnaast is de procedure bij aanvragen en wijzigingen van locaties vastgelegd en is het college in beginsel verplicht te handhaven wanneer de toezichthouder een overtreding van deze kwaliteitseisen heeft vastgesteld.
In deze richtinggevende beleidsregels leest u hoe het college in de meeste gevallen zijn bevoegdheid gebruikt. Dat neemt niet weg dat er altijd ruimte blijft voor maatwerk en het college hiervan kan afwijken.
In deze beleidsregels gaat het over kinderopvang bij:
- •
Kinderdagverblijven met of zonder voorschoolse educatie;
- •
Buitenschoolse opvang;
- •
Gastouderopvang via gastouderbureaus.
5.2. Visie op handhaving
De gemeente heeft de volgende visie op handhaving. Wanneer wordt geconstateerd dat een kwaliteitseis niet wordt nageleefd, grijpt het college actief in met een handhavingsmaatregel. Feiten en omstandigheden van de begane overtreding worden daarbij meegewogen. Het doel van het handhavend optreden is niet bestraffen, maar herstel van de overtreding(en). Bij uitblijven van herstel heeft de gemeente Harderwijk de mogelijkheid om ook bestraffend op te treden. Onze uitgangspunten hierbij zijn:
- •
Maatregelen zijn zo veel mogelijk gericht op het herstellen van de overtreding;
- •
Bij constatering van een overtreding is handhaving voorspelbaar en transparant;
- •
De hoogte van de last onder dwangsom is op de omvang van de voorziening afgestemd waardoor draagkracht in de maatregel is meegewogen;
- •
Er kan bestraffend worden opgetreden met een bestuurlijke boete als er bijvoorbeeld recidive is;
- •
De houder wordt per brief van genomen maatregel(en) op de hoogte gesteld.
5.3. Ambitie
De gemeente Harderwijk vindt kwalitatief goede kinderopvang zeer belangrijk. Toezicht en handhaving worden passend ingezet. Het streven is om jaarlijks de wettelijke verplichting van de 100% norm bij het toezicht op KDV, BSO en GOB en de 50% norm, of minimaal eens in de drie jaar, toezicht bij gastouderopvang. Het college heeft in beginsel de plicht tot handhaven en is verantwoordelijk voor de jaarverantwoording aan de Inspectie van het Onderwijs. De gemeente streeft daarnaast een goede relatie met de houder na en werkt vanuit vertrouwen.
De gemeente kan aan bepaalde kwaliteitseisen extra aandacht geven. Dit kan zij realiseren door intensiever toezicht te (laten) houden op voorschriften die al onderdeel uitmaken van het onderzoek.
6. Toezicht: aanspreken op verantwoordelijkheid
De toezichthouder kinderopvang fungeert als de ogen en oren van de gemeente. De toezichthouder onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en adviseert de gemeente over deze naleving. De toezichthouder geeft geen advies aan de houder maar kan wel toelichten wat en waarom er wordt getoetst.
6.1. Onderzoeken
De toezichthouder van de GGD-NOG voert de volgende onderzoeken voor de gemeente Harderwijk uit:
- •
Onderzoek voor registratie: naar aanleiding van een ingediende aanvraag tot exploitatie onderzoekt de toezichthouder of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden volgens de voorschriften van de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving.
- •
Onderzoek na registratie: binnen 3 maanden na registratie in het LRK vindt een onderzoek plaats (dit onderzoek vindt niet plaats bij voorzieningen voor gastouderopvang).
- •
Regulier jaarlijks onderzoek: jaarlijks worden alle kindercentra en gastouderbureaus onderzocht.
- •
Onderzoek voorzieningen voor gastouderopvang; gemeente Harderwijk laat jaarlijks minimaal 50% en minimaal eens in de drie jaar de voorzieningen voor gastouderopvang onderzoeken.
- •
Nader onderzoek: naar aanleiding van eerder geconstateerde overtreding(en), als er een handhavingsmaatregel ingezet is, onderzoekt de toezichthouder nadat de hersteltermijn verstreken is of de overtreding hersteld is.
- •
Incidenteel onderzoek: een onderzoek naar aanleiding van onder meer een incident, een signaal, een wijzigingsverzoek van een houder of bijvoorbeeld een thema-onderzoek passend bij de gemeentelijke speerpunten.
De bevindingen worden tijdens een onderzoek en na het oordeel van de toezichthouder in een inspectierapport vastgelegd. Deze inspectierapporten geven een beeld van de kwaliteit van de voorziening. De rapporten worden in het LRK openbaar gemaakt.
6.2. Risico gestuurd en onaangekondigd toezicht
De toezichthouder houdt risico gestuurd toezicht op de geboden kwaliteit van kinderopvang en de naleving van de kwaliteitseisen. Dat betekent dat toezichthouders minder intensief inspecteren bij locaties waar geen zorgen over bestaan en intensiever bij locaties waar wél zorgen over zijn. Kortom: minder waar mogelijk, meer waar nodig. De werkwijze van de toezichthouder past bij de uitgangspunten in deze beleidsregels: er is meer en steviger toezicht op de locaties waar de kwaliteit niet vanzelfsprekend hoog is. De toezichthouder heeft vertrouwen in een houder als deze in alle informatie kan voorzien die nodig is om een oordeel te vormen over de kinderopvangvoorziening. Een houder die niet transparant is en onbetrouwbaar blijkt, is reden tot zorg. Ook een reactieve houding, niet open staan voor zelfreflectie of het niet nemen van verbetermaatregelen is reden tot zorg.
De toezichthouder stelt voor kindercentra en gastouderbureaus na elk jaarlijks onderzoek (en zo nodig vaker) een risicoprofiel op om de inspectielast te bepalen. Hiervoor gebruikt de toezichthouder een landelijk vastgesteld model, met verschillende indicatoren.
Overtredingen bij een of meerdere kindercentra van een houder kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht bij andere kindercentra van dezelfde houder. Bij gastouders betrekt de toezichthouder het risicoprofiel van het gastouderbureau.
6.3. Flexibel inspecteren
Flexibel inspecteren maakt inspecties minder voorspelbaar en staat toe dat de kwaliteit van een voorziening beter kan worden getoetst. Door flexibel te inspecteren hoeft de toezichthouder minder verplichte inspectiepunten te doorlopen en is er meer ruimte voor uitgebreider of diepgaander onderzoek. Dit helpt tegen de voorspelbaarheid van het toezicht en biedt meer ruimte tot (risicogericht) maatwerk.
Door het flexibel toezicht heeft de gemeente Harderwijk de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de items die bij een onderzoek worden geïnspecteerd. Bij het overleg tussen de gemeente en de GGD worden speerpunten vastgesteld. Speerpunten zijn onderwerpen in items welke tijdens een inspectie extra aandacht krijgen. Een voorbeeld hiervan is het extra inspecteren van de veiligheid en gezondheid van de buitenruimte bij een kinderopvang locatie. Jaarlijks worden er in het overleg andere speerpunten vastgesteld. Nieuwe wetgeving of landelijke gebeurtenissen kunnen bijdragen bij het vaststellen van de speerpunten. Bij de start van het jaar worden de vastgestelde speerpunten in een overleg met de houders benoemd.
Naast jaarlijkse speerpunten heeft de gemeente Harderwijk de volgende altijd geldende speerpunten:
- 1.
Toezicht vanuit vertrouwen door het versterken van de verbinding tussen houders en gemeente;
- 2.
In samenwerking met de GGD-NOG, houders en gastouders actief informeren over nieuwe (wettelijke) ontwikkelingen. Deze ambitie volgt vanuit de visie dat betere naleving zorgt voor minder handhaving.
Door de flexibilisering van het toezicht kan het toezicht gerichter worden ingezet, verbetert de effectiviteit van het toezicht en daarmee kan het een bijdrage leveren aan de kwaliteit van de kinderopvang. Wel blijven er drie punten verplicht om standaard te toetsen, namelijk:
- •
De aanwezigheid van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) en de correcte inschrijving in het personenregister kinderopvang;
- •
Er (indien hier sprake van is) wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot voorschoolse educatie (VE);
- •
Het toezicht op – en in gesprek gaan over – de pedagogische kwaliteit.
Afhankelijk van onder andere het risicoprofiel en de bepaalde speerpunten onderzoekt de toezichthouder de overige eisen. Ook houdt de toezichthouder op locatieniveau rekening met locatiekenmerken, meldingen en signalen.
6.4. Signalen
|
Het college stimuleert ouders, beroepskrachten, professionals, omwonenden of andere betrokkenen om meldingen en signalen over de kwaliteit te delen. |
Het college vindt veilige en verantwoorde kinderopvang van groot belang. Met toezicht hierop door de GGD geeft Harderwijk hier invulling aan. Echter, er kunnen ook signalen en situaties zijn die de toezichthouder in het toezicht niet direct constateert, maar ouders, beroepskrachten en andere betrokkenen wel. Zowel het college als de toezichthouder roepen iedereen die een zorg, melding of signaal heeft over de kinderopvang op deze met ons te delen. Met signaal-gestuurd-toezicht reageert de toezichthouder op signalen uit de samenleving. Meldingen en klachten over incidenten, misstanden en terugkerende tekortkomingen zijn voor het toezicht een belangrijke bron van informatie. Ze kunnen een signaal zijn dat ergens sprake is van onveilige of kwalitatief niet goede kinderopvang.
|
Toezicht Heeft u vragen over het toezicht of wilt u een melding doen? Neem dan contact op met de Toezichthouder Kinderopvang. U kunt bellen tussen 9.00-17.00 uur: 088-443 3000. Of stuur een e-mail naar: kinderopvang@ggdnog.nl |
|
Handhaving Heeft u vragen over handhaving Neem dan contact op met Team Kinderopvang. De gemeente is bereikbaar tussen 9.00-16.00 uur: 0341-411 911. Of stuur een e-mail naar: kinderopvang@harderwijk.nl |
Daarnaast heeft de toezichthouder afspraken gemaakt met houders dat zij bepaalde incidenten bij de toezichthouder melden. Ook informatie van de politie of Dienst Toeslagen kan voor de toezichthouder belangrijk zijn. Na elk signaal wordt bepaald welke actie nodig is, bijvoorbeeld een extra onderzoek of extra aandacht aan de aard van het signaal tijdens een jaarlijks onderzoek.
De toezichthouder deelt ook zelf signalen met andere toezichthouders in de kinderopvang. Dit zijn bijvoorbeeld de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en gemeentelijk toezicht op het gebied van brandveiligheid. Ook kan de toezichthouder signalen delen met toezichthouders kinderopvang in een andere GGD-regio.
6.5. Gastouderopvang
Gastouderopvang vindt plaats in de woning van de gastouder of van het kind, is kleinschalig en persoonlijk. Ook de gastouderopvang moet een veilige en gezonde omgeving zijn voor kinderen. De wettelijke kwaliteits- en toezichteisen wijken op enkele punten af van die voor kindercentra. Dit betreft bijvoorbeeld de kwalificatie-eis. Ook is er geen vierogenprincipe (eis dat de gastouder altijd gezien of gehoord moet kunnen worden door een andere volwassene) en dus minder zicht op de dagelijkse praktijk. Ook zijn de verantwoordelijkheden anders verdeeld: niet alleen de gastouder (de houder van de voorziening) is verantwoordelijk voor de kwaliteit, maar ook het gastouderbureau dat bemiddelt en begeleidt. In de gemeente Harderwijk zijn ook gastouders actief die worden bemiddeld door een gastouderbureau buiten de GGD-regio. Hierdoor heeft GGD-NOG minder zicht op de kwaliteit van deze gastouderbureaus. Dit alles maakt de gastouderopvang een kwetsbare sector.
De toezichthouder kan binnen het inspectieonderzoek bij een gastouderbureau contact opnemen met de aangesloten gastouders, ook als hun voorziening voor gastouderopvang is gevestigd buiten onze gemeente. Zoveel mogelijk van de inspecties bij gastouders en gastouderbureaus zijn onaangekondigd. Wanneer de toezichthouder tijdens een inspectieonderzoek bij een gastouder een overtreding van het gastouderbureau vaststelt dan legt de toezichthouder deze overtreding ook vast in een inspectierapport.
Daarnaast kan de toezichthouder zorgen over een gastouderbureau en signalen uit inspectieonderzoeken delen met de toezichthouder die toezicht houdt op het gastouderbureau. Signalen die GGD-NOG ontvangt van andere toezichthouders over gastouderbureaus worden altijd onderzocht.
Gastouderbureaus dragen direct bij aan de kwaliteit van de gastouderopvang door goede begeleiding en bemiddeling. Zij zijn verplicht hun gastouders meerdere keren per jaar te bezoeken.
6.6. Voorschoolse educatie
Het college is verantwoordelijk voor voldoende aanbod en een goede spreiding van de voorschoolse educatie. Zij doet dit via subsidie aan kinderopvangorganisaties voor het realiseren van dit aanbod in de gemeente. Hier valt ook de vroegschoolse educatie onder: het aanbod aan kleuters in groep 1 en 2.
Diverse kinderdagverblijven in Harderwijk bieden voorschoolse educatie aan. Welke kinderdagverblijven dat zijn, is vermeld in het LRK. Deze kinderdagverblijven hebben een educatief aanbod om peuters te stimuleren in hun ontwikkeling, met een focus op de taalontwikkeling, en voor te bereiden op de basisschool. De voorschoolse educatie is onderdeel van het onderwijsachterstandenbeleid (OAB).
Voor voorschoolse educatie gelden aanvullende wettelijke en gemeentelijke kwaliteitseisen, waar de toezichthouder toezicht op houdt. De toezichthouder heeft hierbij een signaalfunctie richting de Inspectie van het Onderwijs die toezicht houdt op de gehele voor- en vroegschoolse educatie (VVE).
De wettelijke kwaliteitseisen maken standaard onderdeel uit van het jaarlijks onderzoek. Dit zijn bijvoorbeeld eisen aan het minimaal aantal uur aanbod, de opleidingseisen van de beroepskrachten en het vastleggen van de werkwijze in het pedagogisch beleidsplan en de uitvoering van het beleid.
7. Aanvraag tot exploitatie
In de volgende gevallen spreken we wettelijk gezien van een aanvraag tot exploitatie:
- •
Bij aanvraag voor een nieuwe voorziening;
- •
Bij wijziging van houder;
- •
Bij verhuizing.
In tegenstelling tot een aanvraag voor een nieuwe voorziening en een verhuizing, dient een houder, voor een houderwijziging, een wijzigingsverzoek in.
7.1. Aanvraag tot exploitatie bij een nieuwe voorziening
Een nieuwe kinderopvangvoorziening mag pas in exploitatie gaan nadat het college schriftelijke toestemming (besluit) heeft verleend. Na toestemming wordt de voorziening vervolgens in het LRK geregistreerd.
Om deze toestemming te verkrijgen dient de houder een aanvraag tot exploitatie in bij de gemeente waar de beoogd te exploiteren kinderopvangvoorziening zich bevindt. De beslistermijn is 10 weken. Deze termijn kan in bepaalde situaties nog verlengd (opgeschort) worden. Het is dus van belang dat de houder een aanvraag tijdig voor de gewenste startdatum indient. Een aanvraag wordt middels een door de rijksoverheid vastgesteld aanvraagformulier ingediend.
7.1.1. Streng aan de Poort
De gemeente Harderwijk wil dat er direct vanaf de start van de exploitatie van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verantwoorde en kwalitatief goede opvang wordt aangeboden. Voor een gastouderbureau geldt dat deze direct vanaf de start de werkzaamheden zo moet kunnen uitvoeren dat zowel het gastouderbureau als de door het gastouderbureau te begeleiden gastouders, aan de kwaliteitseisen voldoen. De gemeente laat daarom alle nieuwe aanvragen tot exploitatie uitgebreid toetsen door de GGD.
De toezichthouder zal bij het Onderzoek voor Registratie toetsen of er voldoende vertrouwen is dat er vanaf datum van exploitatie kwalitatief goede opvang en begeleiding (verantwoorde opvang) is.
Uitgangspunt hierbij is dat al bij de aanvraag tot exploitatie (voor zover mogelijk) alle eisen worden beoordeeld. Aanvullend kan een gesprek met de houder duidelijkheid geven of de houder ‘redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen’ zal gaan voldoen. Op basis van dit totaal onderzoek vormt de toezichthouder een oordeel over de aanvraag tot exploitatie.
De gemeente neemt in de beoordeling van de aanvraag de kwaliteit van andere kinderopvangvoorzieningen van de houder en de daarbij behorende handhavingshistorie mee. Voortdurende, ernstige en/ of vele overtredingen op deze voorzieningen vormen een indicatie voor de naleving van de kwaliteitseisen op een nieuwe voorziening. Signalen buiten het advies van de toezichthouder kunnen eveneens meewegen in de beoordeling van de aanvraag.
De gemeente kijkt naast de beoordeling op de eisen vanuit de Wet kinderopvang, bij een nieuwe aanvraag ook naar andere vergunningen die van belang zijn voor de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen.
De gemeente Harderwijk vindt het van groot belang dat wanneer een kinderopvangvoorziening start met exploiteren, ook aan de andere benodigde eisen wordt voldaan. Bijvoorbeeld het brandveilig gebruik, de bouw (het gebouw) en de bestemming.
7.1.2. Startdatum exploitatie
Op basis van het Onderzoek voor Registratie neemt het college een beslissing op de aanvraag. In de beslissing wordt, bij een positieve beslissing, aangegeven vanaf welke datum de exploitatie mag starten op grond van de Wet kinderopvang.
7.1.3. Onderzoek na registratie
Binnen drie maanden na de registratiedatum beoordeelt de toezichthouder of de kinderopvangvoorziening (niet bij een voorziening voor gastouderopvang) in de praktijk aan de kwaliteitseisen voldoet. Hierbij wordt met name naar de uitvoeringspraktijk van het veiligheids-, gezondheids- en pedagogisch beleid, de inzet van het personeel en de wijze van opvang van de kinderen gekeken.
7.1.4. Mogelijkheden na afwijzing aanvraag tot exploitatie
Wanneer een aanvraag tot exploitatie is afgewezen, kan de houder een nieuwe aanvraag indienen. Om een nieuwe aanvraag te kunnen indienen, moet er sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Deze moeten door de houder bij de nieuwe aanvraag worden vermeld. Alleen als dat het geval is, wordt een nieuwe aanvraag in behandeling genomen.
7.1.5. Illegale kinderopvang
Zonder, of voorafgaand aan de schriftelijke toestemming tot exploitatie mag een kinderopvangvoorziening niet worden geëxploiteerd. Indien dit toch gebeurt, wordt dit gezien als illegale kinderopvang. De gemeente Harderwijk treedt streng op tegen illegale opvang. Illegale opvang is op grond van de Wet Economische Delicten reden voor aangifte bij het Openbaar Ministerie 1 of het opleggen van een bestuurlijke boete door de gemeente.
Ook bij een kinderopvangvoorziening waarvan de toestemming tot exploitatie is ingetrokken en die desondanks in exploitatie blijft, is sprake van illegale opvang met dezelfde gevolgen als hiervoor beschreven.
7.2. Houderwijziging
Een kindercentrum of gastouderbureau dat wordt overgenomen, is veelal al in exploitatie en er worden kinderen opgevangen/ bemiddeld. Het is voor de continuïteit daarom van groot belang dat de oude en nieuwe eigenaar samen een overname goed regelen. Een houderwijziging wordt ingediend middels een door de rijksoverheid vastgesteld wijzigingsformulier.
De gemeente Harderwijk hanteert de volgende uitgangspunten bij een overname:
- •
Een overname moet worden behandeld als een nieuwe aanvraag. Dat betekent dat ook bij een overname streng aan de poort wordt getoetst. Naleving van de kwaliteitseisen bij andere kinderopvangvoorzieningen en de handhavingshistorie van de nieuwe houder wordt meegewogen.
- •
De nieuwe houder heeft redelijkerwijs tijd nodig om eventuele bestaande tekortkomingen op te heffen. Daar wordt rekening mee gehouden.
7.3. Verhuizing
7.3.1. Verhuizing van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang
Wanneer een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verhuist, moet dit in behandeling worden genomen als zijnde een nieuwe aanvraag. Bij de gemeente wordt ingediend:
- •
Voor de oude kinderopvangvoorziening een wijzigingsverzoek tot intrekken toestemming exploitatie (uitschrijving). Hierbij moet de aanvrager op het wijzigingsformulier vermelden dat het een verhuizing betreft.
- •
Voor de nieuwe kinderopvangvoorziening een aanvraag tot exploitatie (inschrijving).
7.3.2. Verhuizing van een gastouderbureau
Wanneer een gastouderbureau (GOB) verhuist, geldt een andere procedure. Wettelijk is vastgelegd dat een GOB geen nieuwe aanvraag tot exploitatie hoeft in te dienen wanneer het adres van een GOB wijzigt. Bij de gemeente wordt ingediend:
- •
Een wijzigingsverzoek tot wijziging van het vestigingsadres
Indien de verhuizing naar een andere gemeente is, moet het wijzigingsverzoek gestuurd worden naar de huidige gemeente van de vestiging. Deze stuurt het verzoek door (na verwerking in het LRK), waarna de beoogde gemeente van vestiging een besluit zal nemen over het verzoek. Die gemeente kan de GGD-NOG vragen advies uit te brengen over het verzoek alvorens dat besluit te nemen.
8. Handhaving: gericht op structureel herstel
Houders zijn primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun aanbod. Ouders moeten er ook op kunnen vertrouwen dat het college adequate maatregelen neemt als de kwaliteit van de kinderopvang tekortschiet. Of de kwaliteit van de kinderopvang tekortschiet blijkt doorgaans uit inspectierapporten van de toezichthouder. Het niet naleven van de kwaliteitseisen kan echter ook door het college zelf worden vastgesteld.
Het college verwacht van houders in de kinderopvang dat zij verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang aanbieden en structurele maatregelen nemen om incidentele overtredingen op te heffen en voorkomen. Daarnaast verwacht het college van houders met meerdere locaties dat zij maatregelen op organisatieniveau doorvoeren. Daarmee is gewaarborgd dat een vastgestelde overtreding ook niet wordt herhaald op één van de andere locaties. Daar waar dat nodig is, grijpt het college in via handhaving.
In deze beleidsregels legt het college uit waarom overtredingen van de Wet- en regelgeving kinderopvang ernstig zijn en handhavend ingrijpen doorgaans noodzakelijk is. Het college gebruikt daarbij verschillende handhavingsinstrumenten om, waar nodig, kinderopvangorganisaties tot naleving van de kwaliteitseisen te bewegen.
|
Bij de keuze voor de best passende maatregel sluit de handhaver aan bij de uitgangspunten van deze beleidsregels:
|
Hiermee wil het college bereiken dat kinderen en ouders erop kunnen vertrouwen dat kinderen worden opgevangen bij kindercentra en gastouders die voldoen aan de (minimale) kwaliteitseisen gesteld in Wet-en regelgeving. Inspectierapporten zijn in te zien via het LRK en kunnen op verzoek worden toegezonden. Ouders kunnen deze informatie gebruiken bij het zoeken naar passende kinderopvang en het werk voor de oudercommissie.
Gezien het algemene belang van handhaving ziet het college alleen in uitzonderlijke gevallen af van handhaving. Het college weegt bij elke handhaving die hij inzet af welke maatregel geschikt, passend en noodzakelijk is. Daarmee is handhaving maatwerk. Immers, de omstandigheden bij iedere houder, locatie en overtreding zijn verschillend en daarom kan ook de aanpak bij overtredingen verschillen. Het college streeft ernaar voor iedere situatie passende maatregelen te treffen die leiden tot een spoedig herstel van de overtreding(en).
8.1. Preventie
In het belang van kwalitatief goede kinderopvang, en om het naleven van kwaliteitseisen te stimuleren, onderhoudt het college ook buiten het traject van bestuurlijke handhaving contact met kinderopvanghouders in de gemeente.
De toezichthouder kan gedurende het kalenderjaar houdergesprekken voeren met houders. Belangrijke doelen van deze gesprekken zijn het informeren van de houders en het inwinnen van relevante informatie. In de gesprekken komen (aankomende) veranderingen in Wet- en regelgeving, knelpunten en wijzigingen bij de houder aan de orde. Deze gesprekken zijn gericht op uitwisseling van informatie en ter voorkoming van overtredingen. Daarnaast stimuleren toezichthouders tijdens deze gesprekken de houders om de kwaliteit verder te ontwikkelen. Hierdoor is de houder op de hoogte van belangrijke wijzigingen en kan het toezicht efficiënter en doeltreffender worden ingericht. Een houdergesprek kan ook gevoerd worden met regionale vertegenwoordigers van landelijk opererende houders.
Jaarlijks wordt er door de gemeente een houderbijeenkomst georganiseerd voor houders van kindercentra. Tijdens een houderbijeenkomst worden belangstellenden geïnformeerd over actualiteiten, ontwikkelingen en aandachtspunten in de kinderopvangsector.
Wanneer het college een aanvraag ontvangt van een houder die nog niet in de gemeente actief is voert de beleidsmedewerker kinderopvang namens het college een voorgesprek met deze houder. Tijdens dit voorgesprek wijst de beleidsmedewerker op deze beleidsregels. Ook wordt besproken wat de verwachtingen en eisen zijn bij het starten van een kinderopvangvoorziening. Dit gesprek wordt in principe niet met nieuwe gastouders gehouden.
8.2. Maatwerk in handhaving
Vanuit de eigen taak en verantwoordelijkheid besluit het college welke handhavingsmaatregel passend en geboden is. Dit wordt per overtreding, locatie en houder afgewogen. Het college stelt handhavingsbesluiten zo duidelijk en eenvoudig mogelijk op. Ook combineert het college zoveel mogelijk handhavingsbesluiten, zoals meerdere aanwijzingen, in één brief aan de houder met een duidelijke toelichting, zodat minder verwarring ontstaat over wat het college verwacht van de ontvanger.
Het college betrekt bij de voorbereiding van elk besluit alle feiten en weegt alle belangen af.
Daarbij wordt afgewogen welke handhavingsmaatregel geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken: kwalitatief goede kinderopvang. In iedere casus beoordeelt het college of evenredigheid bestaat tussen de ernst van een vastgestelde overtreding en de zwaarte van de op te leggen sanctie.
Ook in hoeverre de kwaliteit van opvang is beïnvloed door een tekortkoming wordt meegewogen in de handhavingsafweging. Bij het ontstaan van overtredingen kunnen specifieke omstandigheden een rol spelen. Bij het opstellen van een besluit houdt het college rekening met deze omstandigheden.
Het college hecht daarbij grote waarde aan het oordeel van de toezichthouder en betrekt dit in de besluitvorming. Ook een reactie van de houder op een inspectierapport betrekt het college bij de beoordeling.
In beginsel beoordeelt het college iedere overtreding afzonderlijk en wordt handhaving per overtreding ingezet. Wanneer naar het oordeel van de toezichthouder blijkt dat een houder voldoende maatregelen heeft getroffen om een overtreding structureel te herstellen, kan het college besluiten om af te zien van handhaving gericht op herstel. Maar blijkt uit één inspectieonderzoek dat één voorschrift meerdere keren is overtreden dan weegt dit mee in de ernst van de overtreding. Dit uit zich in een kortere hersteltermijn of een hoger sanctiebedrag. Als het college van oordeel is dat het onderzoek van de toezichthouder zorgvuldig is uitgevoerd wordt een handhavingsbesluit verstuurd.
|
Bij de besluitvorming betrekt het college in elk geval:
|
8.2.1. Verzachtende en verzwarende omstandigheden
De gemeente heeft een beginselplicht tot handhaven. De wet- en regelgeving is hiervoor de basis en in dit gemeentelijk beleid wordt hier invulling aan gegeven. Goed handhaven betekent echter ook dat het college oog heeft voor de specifieke situatie van het geval. Individuele omstandigheden - verzwarend of verzachtend – kunnen van invloed zijn op het wel of juist niet geven van een maatregel nadat geconstateerd is dat een kwaliteitseis niet is nageleefd. Dat doet recht aan het feit dat niet alle situaties ‘standaard’ zijn. Handhaven is maatwerk.
Het inspectierapport van de GGD-NOG vormt in de regel de basis voor een handhavingstraject. Het uitgangspunt is het advies van de GGD-NOG in het inspectierapport te volgen. Het college is bevoegd om gemotiveerd af te wijken van dit advies.
8.2.2. Complimentenbrief
Wanneer bij een voorziening geen tekortkomingen worden geconstateerd ontvangt de houder van het college een complimentenbrief. Hierin bedankt het college de houder voor het leveren van verantwoorde kinderopvang volgens de regels in de Wet.
8.2.3. Herstellend en/ of bestraffend handhaven
De gemeente Harderwijk heeft de mogelijkheid om zowel herstellend als bestraffend te handhaven.
Herstellende handhaving is erop gericht dat een begane overtreding hersteld wordt en structureel hersteld blijft. In beginsel handhaaft het college altijd herstellend. Het doel is de kwaliteit van opvang zo snel mogelijk te herstellen zodat de houder kwalitatief goede kinderopvang aanbiedt. En kinderen weer in een veilige en gezonde omgeving opgevangen worden en verantwoorde kinderopvang krijgen.
Bestraffende handhaving is gericht op het bestraffen van begane overtredingen, ongeacht of deze inmiddels hersteld zijn. Naast dat het college herstellend handhaaft kan ook bestraffend worden gehandhaafd. Voor enkele overtredingen handhaaft het college altijd bestraffend, deze overtredingen zijn opgenomen in het afwegingmodel. Voor de overige overtredingen geldt dat bestraffend gehandhaafd kan worden als het college dit nodig vindt.
8.2.4. Recidive
De houder is verantwoordelijk voor de naleving van de kwaliteitseisen. Daarmee is de houder de overtreder als de kwaliteitseisen niet zijn nageleefd. Elke herhaling van een overtreding van een voorschrift, waarvoor eerder een herstelaanbod is gedaan of handhaving is ingezet, is recidive. Bij recidive zet het college doorgaans direct een zwaarder handhavingsmiddel in.
Wanneer een houder een overtreding binnen 3 jaar na het opleggen van een aanwijzing herhaalt, dan legt het college voor nieuwe overtredingen een last onder dwangsom op. Wordt een overtreding herhaalt na het opleggen en invorderen van een last onder dwangsom of het opleggen van een bestuurlijke boete dan legt het college een hogere dwangsom of boete op. In beginsel wordt het bedrag uit het afwegingsmodel bij iedere herhaling van een overtreding met 50% verhoogd.
Wanneer binnen 3 jaar twee keer voor dezelfde overtreding een last onder dwangsom is opgelegd en ingevorderd, vervolgt het college de handhaving doorgaans met het exploitatieverbod. De houder voldoet immers langere tijd niet aan de minimale kwaliteitseisen; de kwaliteit van opvang schiet structureel tekort. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang gaat voor het (financiële) belang van de houder en het personeel.
8.2.5. Organisatieniveau
Het college voert handhaving in beginsel op locatieniveau uit, waarbij het college wel rekening houdt met overtredingen bij andere locaties van de houder. Het doel is om de houder te stimuleren zijn brede verantwoordelijkheid te nemen. Bij constateringen op één locatie verwacht het college van de houder dat die organisatie breed verbeteringen doorvoert. Tekortkomingen moeten voor de gehele organisatie worden hersteld en niet slechts op de locatie waar de overtreding vastgesteld is. Dit heeft een positieve weerslag op de kwaliteit en draagt bij aan efficiëntie, omdat dit sneller leidt tot herstel van overtredingen op andere locaties en het college handhaven bij andere vestigingen kan voorkomen.
Ouders en kinderen kunnen er op die manier eerder op vertrouwen dat de houder de vastgestelde overtredingen herstelt, maar ook dat de houder voorkomt op andere locaties dezelfde overtreding te maken.
8.2.6. Escalatieladder
In beginsel start een herstellend handhavingstraject met een aanwijzing met hersteltermijn. Na de hersteltermijn vindt een nader onderzoek plaats. Blijkt uit het nader onderzoek dat de kwaliteitseis(en) nog niet of niet volledig worden nageleefd en/ of is er vrees voor herhaling van de overtreding(en), dan zal er een afweging plaatsvinden over een vervolgstap in de handhaving. Dit is doorgaans het opleggen van een last onder dwangsom. Ook kan er in een specifiek traject een tweede aanwijzing worden gestuurd. Een tweede aanwijzing kan bijvoorbeeld worden gestuurd als er wel herstel nodig is, maar het bijvoorbeeld geen directe invloed heeft op de kwaliteit van de opvang.
Leidt ook deze stap niet tot (volledige) naleving dan zal wederom een afweging over een vervolgstap plaatsvinden. In dat geval ligt een (verhoogde) last onder dwangsom of een exploitatieverbod voor de hand. Het uiterste middel binnen een herstellend traject is het intrekken van de toestemming tot exploitatie.
Naast een herstellend traject kan ook een bestraffend traject worden ingezet. Dit is een bestuurlijke boete. De boete kan opgelegd worden voor het overtreden van een bepaalde kwaliteitseis. Ook kan een boete opgelegd worden voor het niet opvolgen van een aanwijzing, een bevel of exploitatieverbod, het niet meewerken aan een vordering van de toezichthouder, illegale opvang of het niet tijdig doorgeven van een wijziging.
8.2.7. Handhavingsafwegingen
Bij de inzet van handhaving denkt het college in effect, in alle fases van het toezicht en handhaving. Dat betekent dat het college bij de keuze van handhavingsinstrumenten kiezen voor de instrumenten die het snelst en meest effect hebben.
Het college spreekt houders aan op de eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hun aanbod. Zodra de kwaliteit tekortschiet, spoort het college de houder aan om deze tekortkomingen snel en structureel te herstellen. Het resultaat van bijvoorbeeld een herstelaanbod kan voor het college reden zijn om niet direct bestuurlijk te handhaven. Door kinderopvanghouders hiertoe in de gelegenheid te stellen, worden tekortkomingen eerder hersteld en kan het college onnodig handhaven voorkomen. Dat kan bijvoorbeeld passend zijn als overtredingen zijn hersteld of als uit het inspectierapport blijkt dat een overtreding redelijkerwijs binnen afzienbare periode is hersteld.
Deze werkwijze kan worden toegepast wanneer de houder eerder voldoende nalevingsbereidheid heeft getoond en direct is begonnen met het nemen van verbetermaatregelen. Ook is het van belang dat sprake is van een kwalitatief goede en transparante bedrijfs- en beleidsvoering, waarbij geen twijfel kan bestaan over de naleving. Daarvoor zijn onder andere een inzichtelijke en transparante organisatie, beleidsvoering en administratie van belang. De houder moet het college op de hoogte houden van de genomen verbetermaatregelen. Ook kan de toezichthouder (nader) onderzoek uitvoeren om te beoordelen in hoeverre de houder daadwerkelijk zelf zorgdraagt voor kwaliteitsverbetering. Wanneer blijkt dat dit niet of onvoldoende het geval is, dan zet het college alsnog bestuurlijke handhaving in om de naleving van de kwaliteitseisen af te dwingen.
Het herstelaanbod heeft invloed op de inzet van handhaving. In het rapport is feitelijke informatie opgenomen over de mate van herstel en de nalevingsbekwaamheid en -bereidheid van de houder. De handhaver weegt dit mee in het handhavingsbesluit en blijft altijd bevoegd om een herstelmaatregel op te leggen. Ook kan het college na herstel een bestuurlijke boete opleggen voor de overtreding die in het verleden is begaan.
8.3. Traject
De gemeente kan de volgende herstellende en bestraffende handhavingsmiddelen inzetten:
|
Traject |
Handhavingsmiddel |
|
Informeel herstellend |
Overleg en Overreding: herstelaanbod |
|
(schriftelijke) Waarschuwing in de zin van overleg en overreding |
|
|
Formeel herstellend |
Aanwijzing |
|
Last onder dwangsom |
|
|
Last onder bestuursdwang |
|
|
Exploitatieverbod |
|
|
Intrekken toestemming tot exploitatie |
|
|
Formeel bestraffend |
Bestuurlijke boete |
VNG tabel
Niet ieder middel is in iedere situatie geschikt om in te zetten. De gemeente Harderwijk kiest altijd het meest passende middel. Hieronder volgt een toelichting op de diverse middelen die de gemeente Harderwijk zal inzetten.
Informeel herstellend
8.3.1. Herstelaanbod
Gemeente Harderwijk en de GGD-NOG werken met de werkwijze "herstelaanbod". Dit is een uitwerking van de handhavingsmaatregel "overleg en overreding". Een herstelaanbod is het aanbod van de toezichthouder kinderopvang aan de houder om, binnen de door de toezichthouder gestelde tijd, een geconstateerde overtreding te herstellen. Dit gebeurt voordat het conceptrapport is opgesteld. Door te werken met herstelaanbod verwacht de gemeente dat een overtreding sneller is beëindigd. Daarnaast verwacht de gemeente dat het aanbieden van een herstelaanbod op zowel de kortere als langere termijn een positief effect zal hebben op de kwaliteit van de kinderopvang.
Het herstelaanbod kan worden aangeboden bij alle type voorzieningen, bij een onderzoek na registratie, een jaarlijks onderzoek en een incidenteel onderzoek. Het wordt niet bij een onderzoek voor registratie of bij een nader onderzoek aangeboden.
De toezichthouder beoordeelt of de aard en omstandigheid zich leent voor herstelaanbod. De periode tot herstel is maximaal 4 weken. De toezichthouder schrijft in het inspectierapport het verloop van het aanbod. De houder is niet verplicht om van het aanbod gebruik te maken.
|
Elke overtreding kan in aanmerking komen voor herstelaanbod, tenzij:
Kinderopvanglocaties waar de kwaliteit structureel tekortschiet, komen doorgaans niet voor een herstelaanbod in aanmerking omdat zij niet aan de criteria voldoen. |
De afweging of een houder een herstelaanbod krijgt en welke termijn daarvoor geldt ligt bij de toezichthouder. Daarmee is een herstelaanbod ook geen vooraf vaststaand recht. De toezichthouder bespreekt verbetermaatregelen en legt de nodige afspraken vast. Na afloop van de afgesproken periode beoordeelt de toezichthouder of een overtreding structureel is opgeheven. Dit aanbod leidt tot snellere inzet van het herstel en een betere inschatting van de nalevingsbereidheid.
De toezichthouder beschrijft in het rapport de overtreding én of het herstelaanbod op tijd is nagekomen. Daarbij kijkt de toezichthouder vooral of de overtredingen hersteld zijn en of de kwaliteit structureel verbeterd is. Na afloop van de onderzoeksperiode geeft de toezichthouder een advies aan het college.
Het college weegt de oorspronkelijke overtreding en de resultaten van herstelaanbod mee bij haar beslissing om wel of niet te handhaven
8.3.2. Waarschuwing in de zin van overleg en overreding (herstelaanbod)
Het geven van een waarschuwing kan bij overleg en overreding worden gegeven. Het handhavingsmiddel wordt ingezet om de overtreding in de waarschuwingsbrief te melden aan de houder.
Formeel herstellend
8.3.3. Aanwijzing
Met de aanwijzing zet het college in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden opgeheven, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw begaat. In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder, binnen welke termijn, moet nemen om de wettelijke voorwaarden na te leven. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie.
De aanwijzing blijft geldig, ook nadat de overtreding is hersteld. Het college betrekt deze aanwijzing bij handhavingsbesluiten in de opvolgende 3 jaar.
De aanwijzing is doorgaans de best geschikte handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken. Met de aanwijzing maakt het college aan een overtreder duidelijk dat die te allen tijde aan het opgenomen voorschrift moet voldoen. Daarmee is de aanwijzing in de eerste plaats ook de minst ingrijpende handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken.
8.3.4 Last onder dwangsom
De last onder dwangsom is een herstelmaatregel die doorgaans wordt gegeven na het niet opvolgen van een aanwijzing, na een nader onderzoek of indien in het verleden al eerder een aanwijzing voor eenzelfde overtreding gegeven is. Met een last onder dwangsom krijgt een houder wederom de plicht (last) opgelegd om een overtreding van een kwaliteitseis te herstellen binnen een aangegeven (begunstigings-)termijn en daarna hersteld te houden.
Als er binnen 3 jaar, sinds de laatste opgelegde aanwijzing, een overtreding van dezelfde kwaliteitseis is vastgesteld, legt het college doorgaans een last onder dwangsom op.
De last onder dwangsom is de best geschikte handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken na de aanwijzing, als sluiting van de opvang (nog) niet proportioneel is. Wordt de overtreding na het opleggen van een last onder dwangsom toch herhaald, dan heeft dat financiële gevolgen zonder dat de bedrijfsvoering wordt onderbroken. Daarmee is de last onder dwangsom een handhavingsmaatregel met een gedoseerde financiële prikkel om de overtreding structureel op te heffen.
Na afloop van de begunstigingstermijn geeft de gemeente de GGD-NOG opdracht om te controleren (nader onderzoek) of de houder aan de last heeft voldaan. Wanneer de houder niet of niet op tijd herstelt, verbeurt de dwangsom van rechtswege en moet de houder deze van rechtswege betalen.
De gemeente stelt de hoogte van de dwangsom als volgt vast:
- •
Het bedrag is gelijk aan het bedrag dat in het afwegingsmodel staat genoemd als boete.
Een dwangsom kan worden opgelegd:
- •
Als bedrag ineens
In dat geval wordt er na de begunstigingstermijn eenmalig beoordeeld of wel of niet aan de opgelegde last is voldaan en of de dwangsom dus wel of niet is verbeurd.
- •
Per constatering (van een overtreding)
Hierbij wordt na de hersteltermijn de dwangsom verbeurd elke keer wanneer (door of namens de gemeente) geconstateerd wordt dat de houder de last overtreedt. Er wordt in dit geval wel een maximumbedrag aan gekoppeld, welke in het besluit is opgenomen.
- •
Per periode (dat de last wordt overtreden)
Hierbij wordt na de hersteltermijn per in het besluit aangegeven periode beoordeeld of wel of niet aan de last is voldaan en of deze derhalve is verbeurd of niet. Ook deze vorm is aan een maximum bedrag verbonden. Deze wordt ook in het besluit genoemd. Deze vorm van de last onder dwangsom wordt bij zogenaamde voortdurende overtredingen opgelegd. Dat zijn overtredingen die onafgebroken gedurende een langere periode aanhouden, zoals dat bijvoorbeeld bij een beleidsdocument het geval kan zijn.
Het betalen van de dwangsom kan voorkomen worden door het tijdig herstellen en hersteld houden van de overtreding.
De houder waaraan een last onder dwangsom is opgelegd, kan, indien een jaar nadat de last van kracht is geworden geen overtreding van de betreffende kwaliteitseis is geconstateerd, verzoeken om de last op te heffen.
8.3.5. Schriftelijk bevel
Als de kwaliteit van de kinderopvang zo ernstig tekortschiet dat de (emotionele) veiligheid en gezondheid van de kinderen direct in het geding komt, heeft de toezichthouder de mogelijkheid om zelf in te grijpen. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel. Dit doet de toezichthouder in ernstige gevallen, als het nemen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Het bevel heeft een geldigheidsduur van 7 dagen. In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding(en) is/zijn, welke actie de houder moet nemen en binnen welke termijn de houder dit moet doen.
Als de overtreding(en) niet of onvoldoende is/zijn hersteld, treedt het college verder op bijvoorbeeld door het bevel te verlengen.
8.3.6. Verlengen van een bevel
Als de toezichthouder een schriftelijk bevel heeft opgelegd en de overtreding(en) zijn naar het oordeel van de toezichthouder niet of onvoldoende hersteld, dan verlengt het college het bevel met minimaal 7 dagen en zolang de houder nodig heeft om de overtreding(en), naar het oordeel van de toezichthouder, structureel te herstellen.
8.3.7. Sluiting van de kinderopvang: het exploitatieverbod
Zodra uit een inspectieonderzoek blijkt dat geen sprake (meer) is van verantwoorde kinderopvang sluit het college de kinderopvang tijdelijk. Wat onder verantwoorde kinderopvang wordt verstaan is vastgelegd in artikel 1.49 van de Wet kinderopvang. Ook kan de kinderopvang gesloten worden zolang de houder een bevel van de toezichthouder of aanwijzing niet opvolgt.
Daarnaast gaat het college over tot tijdelijke sluiting bij locaties waar de kwaliteit structureel ondermaats is. Eerdere minder zware handhavingsmaatregelen hebben dan niet tot (structureel) herstel geleid. Bij deze tijdelijke sluiting moet de kinderopvang gesloten blijven zolang niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Pas als de houder aantoont dat de kwaliteit verbeterd is en blijft, mag de kinderopvang weer open. De toezichthouder beoordeelt dit tijdens een inspectieonderzoek.
Het sluiten van een locatie voor kinderopvang is een ingrijpende maatregel die niet alleen gevolgen heeft voor de houder maar ook voor diens personeel, ouders en kinderen. In de hiervoor beschreven situaties is sluiting van een locatie doorgaans noodzakelijk. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang weegt altijd zwaarder dan het belang van continuïteit van opvang of een financieel belang. Met een gesloten locatie kan de houder zich samen met het personeel volledig richten op herstel van de kwaliteit van opvang zonder dat (emotionele) veiligheid en/ of gezondheid van de opgevangen kinderen nog langer in het geding is.
Als het college een kinderopvanglocatie sluit, moet de houder de ouders zelf op de hoogte stellen van deze sluiting. Als de houder dit niet doet, informeert het college of de toezichthouder ouders hierover. Dit gebeurt schriftelijk of mondeling.
8.3.8. Intrekken toestemming
Lukt het de houder na sluiting van een locatie niet om (binnen redelijke termijn) de overtredingen structureel op te heffen, dan kan het college de toestemming tot exploitatie intrekken. Ook als een houder de kwaliteitseisen structureel niet naleeft, na verbetering opnieuw overtredingen begaat, veel en/of ernstige overtredingen of overtredingen die redelijkerwijs niet kunnen worden hersteld, sluit het college de kinderopvang permanent. Dit doet zij door de toestemming tot exploitatie in te trekken en de voorziening te verwijderen uit het LRK.
Een onvermijdelijke ingreep als de houder voldoende gelegenheid heeft gehad om de kwaliteit van opvang te herstellen en dit, naar het oordeel van de toezichthouder, niet is gelukt.
8.3.9. Last onder bestuursdwang
|
Het college kan de toestemming ook direct intrekken bijvoorbeeld als:
|
De manier waarop de houder de kinderopvang wil vormgeven is aan de houder. Bij een last onder bestuursdwang neemt het college bepaalde maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis op te heffen. Dat maakt dat de last onder bestuursdwang doorgaans geen geschikt handhavingsmiddel is. Dit handhavingsmiddel is bijvoorbeeld wel geschikt om een kinderopvangvoorziening te sluiten en gesloten te houden bij overtreding van een exploitatieverbod. Alle kosten die gemaakt worden bij de last onder bestuursdwang zijn voor rekening van de houder.
Formeel bestraffend
8.3.10. Bestuurlijke boete
Een bestuurlijke boete (hierna boete) bestraft een overtreding die in het verleden begaan is. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt bestraft. Een boete kan gelijktijdig opgelegd worden met een aanwijzing, een last onder dwangsom of een exploitatieverbod. Een boete is onvoorwaardelijk en moet altijd worden betaald. Het is, in tegenstelling tot de andere hierboven behandelde stappen, een bestraffende sanctie. De boete verschilt daarin van de dwangsom. Bij de dwangsom kan het betalen van het bedrag namelijk worden voorkomen door de overtreding tijdig te herstellen en hersteld te houden. Bij een boete is dat niet het geval.
|
Een boete kan door de gemeente Harderwijk worden opgelegd bij:
|
Hoogte van een boete en grootte van de organisatie
De Wet kinderopvang geeft de gemeente de bevoegdheid om voor een overtreding/ het niet naleven van een kwaliteitseis uit de Wko een boete op te leggen van maximaal €45.000. Voor de hoogte van boetes zijn in het afwegingsoverzicht (zie bijlage) normbedragen opgesteld.
Proportionaliteit en een goede dosering zijn een belangrijk uitgangspunt bij handhaving. Gemeente Harderwijk hanteert daarom vier categorieën waar de boetebedragen op worden afgestemd:
- 1.
Grote organisaties: een totale capaciteit van meer dan 150 kindplaatsen (KDV/ BSO)/ bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang (GOB) geldt het volledige normbedrag zoals opgenomen in het afwegingsmodel handhaving.
- 2.
Middelgrote organisaties: een totale capaciteit van 51 tot en met 150 kindplaatsen (KDV/ BSO)/ bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang (GOB) is twee derde van het normbedrag de richtlijn.
- 3.
Kleine organisaties: een totale capaciteit van minder dan 51 kindplaatsen (KDV/ BSO)/ bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang (GOB) is dat één derde deel.
- 4.
Voorzieningen voor gastouderopvang: is dat één vijfde deel van het normbedrag. Dit geldt niét voor die voorwaarden in het afwegingsmodel waar specifiek gastouder staat vermeld. Daar is de hoogte van de som al afgestemd op deze voorziening.
Bij de bepaling van de grootte van de organisatie is de registratie in het LRK op het moment van begaan van de overtreding het uitgangspunt. Hierbij wordt over gemeentegrenzen heen gekeken.
Na bepaling van de categorie en het bijbehorende normbedrag kan er een verlaging of verhoging van het bedrag van toepassing zijn, afhankelijk van de ernst van het feit, de verwijtbaarheid, de omstandigheden van het geval, de eventuele verzachtende of verzwarende omstandigheden.
8.4. Gastouderopvang
De eerder beschreven werkwijze is ook van toepassing op de gastouderopvang. Daarbij houdt het college wel rekening met de aard van de gastouderopvang. Ook de gastouderopvang moet een veilige en gezonde omgeving zijn voor kinderen.
Bij de handhaving op de gastouderopvang, zijn de volgende zaken van belang:
- •
Lagere boetes en dwangsommen voor de gastouder: door de beperkte omvang heeft een gastouder ook minder financiële draagkracht. Het college houdt hier rekening mee in de vaststelling van de bedragen voor boetes en dwangsommen.
- •
Boetes bij niet gemelde wijzigingen: gastouderbureaus zijn medeverantwoordelijk voor het toezicht op de gastouderopvang en de toezichthouder doet alleen steekproefsgewijs onderzoek. Daarom is het van belang dat goed zicht is op de opvang: hoe is het geregeld, waar is wel en geen opvang en wie kan daarvoor worden aangesproken. Het college legt daarom direct boetes op bij het niet melden van een uitbreiding, het niet melden van de start of beëindiging van bemiddelingsrelaties en het niet melden van de beëindiging van de exploitatie van de voorziening. Boetes worden opgelegd aan het gastouderbureau, zij moeten wijzigingen tijdig melden.
- •
Snellere sluiting: bij een gastouder gaat het college sneller over tot sluiting (exploitatieverbod) van de opvangvoorziening en intrekking van de toestemming. De kwaliteit van de opvang is namelijk onlosmakelijk verbonden aan de gastouder en het college verwacht daarom geen verbetering na herhaling van overtredingen.
- •
Signaal naar andere gemeenten: als het college handhavingsmaatregelen inzet bij een gastouderbureau in een andere gemeente, informeert zij het betreffende college.
- •
Personenregister kinderopvang: Het gastouderbureau is verantwoordelijk voor registratie en wijzigingen in het personenregister kinderopvang. Hiervoor is het gastouderbureau afhankelijk van informatie van de gastouder. Het ligt op de weg van het gastouderbureau om ervoor te zorgen dat zij tijdig de juiste informatie van hun gastouders ontvangen. Het ontbreken van informatie over wijzigingen in het huishouden van gastouders of in de groepssamenstelling bij bemiddeling van een gastouder door meerdere gastouderbureaus ligt in de risicosfeer van het gastouderbureau. Het is aan een gastouderbureau om aan te tonen dat zij er redelijkerwijs alles aan hebben gedaan om overtredingen te voorkomen.
8.5. Handhaving bij een gastouderbureau gevestigd buiten de gemeente Harderwijk
De toezichthouder kan bij een onderzoek bij een voorziening voor gastouderopvang binnen onze gemeente een overtreding vaststellen, begaan door een gastouderbureau gevestigd buiten onze gemeente. Aan gastouderbureaus gevestigd buiten onze gemeente mag het college geen aanwijzing opleggen. Ook het opleggen van een last onder dwangsom is in dit geval geen geschikt handhavingsmiddel. Immers, het college is doorgaans niet zelf verantwoordelijk voor het toezicht op deze bureaus. Een last onder dwangsom is alleen een effectief handhavingsmiddel als deze ook wordt ingevorderd bij herhaling van een overtreding. Nu het college hierop buiten haar gemeentegrenzen geen toezicht kan houden, vervalt de effectiviteit van dit handhavingsmiddel. Het enige handhavingsmiddel dat geschikt en daarmee noodzakelijk voor handhaving bij deze bureaus is het opleggen van een bestuurlijke boete.
8.6. Voorschoolse educatie (ve)
Als sprake is van een overtreding van de wettelijke basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie, informeert de toezichthouder de Inspectie van het Onderwijs. Deze gebruikt de informatie als signaal in het eigen toezicht. De toezichthouder kan ook voor de ve specifieke eisen een herstelaanbod doen.
Het college verstrekt subsidie aan kinderdagverblijven met voorschoolse educatie om een ander kwaliteitsniveau te realiseren. Als de toezichthouder een overtreding vaststelt van de wettelijke kwaliteitseisen voorschoolse educatie, zet het college de handhavingsmiddelen in die hiervoor zijn beschreven. Als een aanwijzing niet is opgevolgd, treedt het college eerst op binnen de subsidierelatie. Overtredingen kunnen grond zijn voor het weigeren van een subsidieaanvraag of leiden tot lagere subsidievaststelling. Bij overtredingen van de aanvullende gemeentelijke kwaliteitseisen treedt het college direct op binnen de subsidierelatie. In kwartaal overleggen met de accounthouder van de gemeente en bij de aanvraag en verantwoording van de subsidie beschrijft het ve kinderdagverblijf op welke wijze de overtredingen duurzaam zijn of worden hersteld.
8.7. Publicatie van handhavingsbesluiten
Het college maakt handhavingsbesluiten openbaar in het LRK zodra deze onherroepelijk zijn. Een handhavingsbesluit is onherroepelijk zodra alle bezwaar- en beroepsprocedures tegen het besluit zijn afgerond. In de besluiten staat hoe in bezwaar en/of beroep gegaan kan worden.
9. Slotbepalingen
Onder bijzondere omstandigheden kan het college gemotiveerd afwijken van de beleidsregels.
Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang gemeente Harderwijk’ en treden in werking op de dag na bekendmaking in de gemeente Harderwijk.
De beleidsregels uitvoering Wet kinderopvang Harderwijk, zoals vastgesteld door het college op 16 augustus 2011 komen met deze nieuwe versie van de beleidsregels te vervallen.
Ondertekening
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van gemeente Harderwijk in de vergadering van 21 oktober 2025.
de burgemeester,
de secretaris,
Bijlage 1: Afwegingsmodel
|
Diversen m.b.t. naleving, registratie en wijzigingen |
|||
|
Wettelijke bepaling / kwaliteitseis |
Maximale hersteltermijn |
Bestuurlijke boete |
Last onder dwangsom per constatering2 |
|
Niet voldoen aan de definitie van kinderopvang, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau. |
N.v.t, intrekken toestemming tot exploitatie is aan de orde. |
n.v.t. |
n.v.t. |
|
Start exploitatie voor ontvangst toestemming college3 of voor de datum waarop college bepaald heeft dat exploitatie mag aanvangen. |
n.v.t. |
Gelijk aan bedrag boete 4e categorie (2019: €20.750) |
€ 20.7504 |
|
Houder geeft wijziging van in het LRK opgenomen gegevens later door / niet door terwijl dit zou moeten gebeuren zodra de houder bekend is met deze wijziging. |
2 maanden |
€ 2.000 |
€ 2.000 |
|
Niet nakomen van een vordering tot medewerking van de toezichthouder. |
n.v.t. |
Gelijk aan bedrag boete 2e categorie (2019: € 4.150) |
Gelijk aan bedrag boete 2e categorie |
|
Niet opvolgen van een aanwijzing / bevel. |
2 weken |
€ 4.000 |
n.v.t. |
|
Niet opvolgen van exploitatieverbod gegeven opgelegd op grond van art. 1.66 Wko. |
n.v.t. |
€ 20.750 |
n.v.t. |
|
Niet nakomen van een afspraak zoals genoemd in 167 Wet op het primair onderwijs. |
n.v.t. |
€ 4.000 |
n.v.t |
|
Praktijk / uitvoering |
|||
|
Wettelijke bepaling / kwaliteitseis |
Maximale hersteltermijn |
Bestuurlijke boete |
Last onder dwangsom per constatering |
|
De houder biedt geen verantwoorde opvang. |
2 weken |
€ 8.000 GO: € 2.000 |
€ 8.000 GO: € 2.000 |
|
Het gastouderbureau voldoet niet aan zijn zorgplicht |
2 weken |
€ 4.000 |
€ 4.000 |
|
De houder voldoet niet aan zijn informatieplicht. |
2 maanden |
€ 1.000 |
€ 1.000 |
|
De houder zorgt er niet voor dat conform het beleid gehandeld wordt |
2 weken |
€ 2.000 |
€ 2.000 |
|
De houder voldoet niet aan de eisen gesteld aan veilige en gezonde kinderopvang5 . |
2 weken |
€ 3.000 GO: € 500 |
€ 3.000 GO: € 500 |
|
De houder voldoet niet aan de eisen m.b.t. formatie en/of kwalificatie. |
2 weken |
€ 5.000 GO: € 200 |
€ 5.000 GO: € 200 |
|
De houder voldoet niet aan de eisen m.b.t. stabiliteit (GO: groepsgrootte). |
2 weken |
€ 3.000 GO: € 300 |
€ 3.000 GO: € 300 |
|
Praktijk / uitvoering |
|||
|
De houder voldoet niet aan de eisen m.b.t. de VOG’s en het personenregister kinderopvang. |
2 weken |
€ 3.000 GO: € 500 |
€ 3.000 GO: € 500 |
|
De houder voldoet niet aan de eis m.b.t. de voertaal, taaleis VE en de taaleis BSO.. |
2 weken |
€ 3.000 (voertaal) € 1.500 (overige) GO: € 200 |
€ 2.000 GO: € 200 |
|
De binnen- en buitenspeelruimtes voldoen niet aan de eisen. De VGO voldoet niet aan de eisen. |
2 weken |
€ 2.000 GO: € 200 |
€ 2.000 GO: € 200 |
|
De houder voldoet niet aan het ouderadviesrecht / klachtrecht. |
2 maanden (OC) 6 maanden (klachtrecht) |
€ 1.000 |
€ 1.000 |
|
De houder van het gastouderbureau voert aantoonbaar de kassiersfunctie en/of de verplicht gestelde gesprekken niet uit. |
2 weken |
€ 3.000 |
€ 3.000 |
|
De houder voldoet niet aan de uren norm voor VE |
2 weken |
€ 2.000 |
€ 2.000 |
|
Documenten |
|||
|
Wettelijke bepaling / kwaliteitseis |
Maximale hersteltermijn |
Bestuurlijke boete |
Last onder dwangsom |
|
De houder heeft beleidsdocumenten die onvolledig zijn en/of niet alle verplicht te beschrijven onderwerpen bevatten en/of niet actueel zijn. |
2 maanden |
€ 3.000 voor het ontbreken van het document € 750 voor iedere (sub)eis waaraan niet is voldaan |
€ 3.000 het ontbreken van het document € 750 voor ieder(e) (sub)eis waaraan niet is voldaan |
|
De administratie van de houder bevat niet alle verplicht op te nemen documenten en/of is op verzoek van de toezichthouder niet onverwijld te raadplegen. |
2 maanden |
€ 3.000 per ontbrekend document |
€ 3.000 per ontbrekend document |
|
De houder gebruikt geen VE programma dat voldoet aan de eisen |
2 maanden |
€ 1.000 |
€ 1.000 |
Noot
1Het exploiteren van een kinderopvangvoorziening zonder toestemming van het college is strafbaar gesteld. Dit is een economisch delict (artikel 1 lid 2 Wet op de economische delicten).
Noot
2Voor alle op te leggen lasten onder dwangsom geldt dat de uiteindelijk hoogte van het bedrag berekend wordt op de wijze zoals opgenomen in het handhavingsbeleid.
Noot
3Overtreding van art. 1.45 en 1.46 Wko is een misdrijf conform art. 1 lid 2 Wet op de economische delicten. College zal eerst aangifte hiervan doen bij het OM, indien het OM aangeeft niet te vervolgen of de bestraffing aan het college over te laten, volgt oplegging van een boete maximaal gelijk aan de boete zoals genoemd in de Wet op de economische delicten.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl