Beleidsregels bijzondere bijstand Breda 2026

Geldend van 10-03-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels bijzondere bijstand Breda 2026

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Breda,

In zijn vergadering van 10 februari 2026,

overwegen dat het wenselijk is regels vast te stellen waarbinnen bijzondere bijstand kan worden verleend;

Gelet op: artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht, en de artikelen 7 lid 1 onder b, 11, 35 en 36 van de Participatiewet:

Besluiten vast te stellen “Beleidsregels bijzondere bijstand Breda 2026’’.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Definities

  • 1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet.

  • 2. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • -

      Het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Breda;

    • -

      De wet: de Participatiewet;

    • -

      Algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;

    • -

      Bijzondere bijstand: de bijstand, bedoeld in artikel 35 van de wet, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36 van de wet, en de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b van de wet;

    • -

      Bijstandsnorm: het bedrag dat iemand minimaal nodig heeft om van te leven wat gelijk is aan het sociaal minimum;

    • -

      Sociaal minimum: de toepasselijke bijstandsnorm, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22, 23 of 24 van de wet, bij alleenstaande ouders vermeerderd met het maximale bedrag van de alo-kop, omgerekend naar een maandbedrag, waarbij geen rekening wordt gehouden met kostendelende medebewoners zoals bedoeld in artikel 19a van de wet of verlagingen zoals bedoeld in de artikelen 27 of 28 van de wet;

    • -

      Wettelijk minimumloon: het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een werknemer jonger dan 21 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet;

    • -

      De voorliggende voorziening: elke voorziening buiten de wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter werving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven;

    • -

      De eigen verantwoordelijkheid: de mate waarin de belanghebbende zelf verantwoordelijk is voor de bekostiging van zijn kosten, via zijn eigen netwerk, sociale omgeving of andere voorliggende voorzieningen;

    • -

      Draagkracht: de ruimte in het inkomen of vermogen dat in aanmerking wordt genomen ter vaststelling van de mate waarin de belanghebbende (een deel van) de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zelf wordt geacht te bekostigen.

    • -

      Maatwerk: bijzondere bijstand wordt primair op grond van de wettelijke bepalingen en deze beleidsregels vastgesteld, maar bij (zeer) bijzondere individuele omstandigheden die de persoon, zijn sociale omgeving of zijn gezin of kinderen kan raken kan de bijstand worden afgestemd op de individuele situatie.

    • -

      Alleenstaande ouder: de alleenstaande die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad (ouders-volwassen kind) of een bloedverwant in de tweede graad (broers/zussen/kleinkinderen) wanneer er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad spraken is zorgbehoefte.

    • -

      Om niet: de bijzondere bijstand als gift

    • -

      ALO-kop: de verhoging van het kindgebonden budget, zoals bedoeld in artikel 2, zesde lid van de Wet op het kindgebonden budget;

    • -

      Werkenden die niet rond kunnen komen: iemand die zelf betaald werk heeft en met een huishoudinkomen (besteedbaar inkomen) onder de volgens het CBS vastgestelde armoedegrens leeft;

    • -

      Maatschappelijke participatie: het deelnemen aan sportieve, sociaal-culturele en/of educatieve activiteiten, bij voorkeur in verenigings- of groepsverband.

    • -

      Persoonlijke ontwikkeling: het deelnemen aan cursussen en activiteiten met perspectief op werk, vrijwillige inzet en tegenprestatie.

    • -

      Ouderen: Personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben.

    • -

      Kennelijke hardheid: wanneer het toepassen van de beleidsregels tot een onredelijk en ernstig gevolg leidt.

    • -

      NIBUD: Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijk kennis en voorlichtingsinstituut op het gebied van huishoudfinanciën.

    • -

      Schuldhulpverleningstraject: hieronder worden de WSNP- Wet schuldsanering natuurlijke personen, een wettelijke regeling voor mensen met problematische schulden die hun schulden niet zelfstandig kunnen aflossen en de MSNP- Minnelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen, een traject van schuldhulpverlening dat wordt gestart via de gemeente verstaan.

Artikel 1.2 Hardheidsclausule

Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen een of meerdere artikelen van deze nadere regels buiten toepassing laten of daarvan afwijken als toepassing gelet op het belang van de aanvrager leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 1.3 Onvoorziene omstandigheden

In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien beslissen burgemeester en wethouders.

Hoofdstuk 2 Algemene uitgangspunten

Artikel 2.1 Definitie bijzondere bijstand

De definitie van bijzondere bijstand is te vinden in artikel 5 sub d en artikel 35 Participatiewet: De bijstand die wordt verstrekt voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, die niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de Individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm (draagkracht). Het recht op bijzondere bijstand voor bepaalde kosten hangt dus af van de omstandigheden in het individuele geval en kan dan ook slechts van geval tot geval worden beoordeeld.

Artikel 2.2 Voorliggende voorziening

Ingevolge artikel 15 Participatiewet bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Onder voorliggende voorziening wordt verstaan elke voorziening buiten de Participatiewet waarop aanspraak bestaat ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven. Hieruit volgt dat bijzondere bijstand kan worden verstrekt als een voorziening noodzakelijk is, maar een voorliggende voorziening toch geen vergoeding geeft (bijvoorbeeld om budgettaire reden). Als de voorliggende voorziening de kosten echter als niet noodzakelijk beschouwt, dan bestaat er in principe ook geen recht op bijzondere bijstand. Als een aanvraag bijzondere bijstand wordt afgewezen omdat de aanvrager een beroep kan doen op een voorliggende voorziening, dan dient vast te staan dat de aanvrager ook daadwerkelijk een beroep kan doen op deze voorliggende voorziening. Als de aanvrager bijvoorbeeld niet meer kan aanvragen bij de voorliggende voorziening omdat hij te laat is, dan kan de aanvraag niet worden afgewezen met de motivering dat hij een beroep kan doen op een voorliggende voorziening. Onderzocht moet dan worden of de aanvrager verwijtbaar heeft gehandeld en of de bijzondere bijstand daarom ook moet worden afgewezen. Daarnaast kan bezien worden of de bijzondere bijstand als lening verstrekt moet worden.

Artikel 2.3 Doelgroep

Alle inwoners van de gemeente Breda die op het moment van de aanvraag niet beschikken over voldoende middelen zoals vermeld in artikel 35 van de wet kunnen een aanvraag voor bijzondere bijstand indienen.

De doelgroep die in aanmerking kan komen voor bijzondere bijstand wordt bepaald met toepassing van de artikelen genoemd in paragraaf 2.2 van de wet. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm.

Voor individuele bijzondere kosten is de toegang gesteld op een inkomen tot 110% van de geldende bijstandsnorm. Voor individuele bijzondere kosten voor ouderen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd is de toegang gesteld op een inkomen tot 110% van de geldende AOW-norm.

Hoofdstuk 3 Vorm van bijzondere bijstand

Artikel 3.1 toekennen van bijzondere bijstand

  • 1. Het college verleent de bijzondere bijstand om niet, tenzij de wet of de beleidsregels anders bepalen.

  • 2. Indien sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 48, tweede lid, sub b van de wet, verleent het college de bijzondere bijstand in de vorm van een lening.

Artikel 3.2 Hoogte bijzondere bijstand

  • 1. Het college stelt de hoogte van de bijzondere bijstand vast op basis van 100% van de Nibud-prijzengids, tenzij de beleidsregels anders bepalen.

  • 2. In gevallen waarin de Nibud-prijzengids niet voorziet, wordt uitgegaan van de feitelijke noodzakelijke kosten, waarbij het uitgangspunt van de goedkoopst adequate voorziening geldt. Daarbij kan het college richtprijzen en tweedehands prijzen hanteren.

Artikel 3.3 Nadere verplichtingen

  • 1. Het college kan aan de bijzondere bijstand nadere verplichtingen verbinden op grond van artikel 55 van de wet:

    • a.

      Die verband houden met de aard en het doel van de bijzondere bijstand; of

    • b.

      Die gericht zijn op beëindiging, terugvordering of vermindering van de bijzondere bijstand.

  • 2. Het college kan de besteding steekproefsgewijs controleren. Daarvoor dient belanghebbende de bewijsstukken waaruit blijkt waar de bijzondere bijstand aan is besteed minimaal één jaar te bewaren.

  • 3. De bepalingen betreffende terugvordering zijn van overeenkomstige toepassing op de bijzondere bijstand (artikel 58 Participatiewet).

Hoofdstuk 4 Draagkrachtregels

Artikel 4.1 Algemene uitgangspunten

  • 1. Het college maakt geen gebruik van het drempelbedrag als bedoeld in artikel 35 tweede lid van de wet. De individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de wet en studietoeslag als bedoeld in artikel 36b van de wet worden niet in aanmerking genomen bij de draagkracht.

  • 2. De vrijlatingen genoemd in artikel 31 tweede lid van de wet, worden niet tot het in aanmerking te nemen inkomen gerekend.

  • 3. Het college wijst de aanvraag om bijzondere bijstand af indien de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten naar oordeel van het college kunnen worden bekostigd uit de van toepassing zijnde draagkracht.

  • 4. Indien binnen de vastgestelde draagkrachtperiode een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend, wordt aangesloten bij:

    • a.

      De eerder vastgestelde draagkracht; of

    • b.

      De resterende draagkracht, in die draagkrachtperiode.

  • 5. Bij het vaststellen van de draagkracht gaat het college uit van het beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken over het in aanmerking te nemen inkomen en/of vermogen.

  • 6. Bij het vaststellen van een variabel maandinkomen gaat het college uit van het gemiddelde van de meest recente drie achtereenvolgende maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag.

  • 7. Er is geen draagkracht uit inkomen en vermogen aanwezig bij:

    • a.

      Personen met een uitkering op grond van de Participatiewet;

    • b.

      Personen die in het kader van de Wgs een minnelijke of wettelijke schuldregeling hebben of beslag op het inkomen.

  • 8. Indien en zolang de belanghebbende die is toegelaten tot het wettelijk schuldhulpverleningstraject voldoet aan de voorwaarden van dat traject, worden de bewindvoerderskosten gecorrigeerd in het vrij te laten bedrag door de afdeling schuldhulpverlening.

  • 9. Een eenmaal vastgestelde draagkracht wordt alleen tijdens het draagkrachtjaar gewijzigd indien een significante wijziging van de persoonlijke of financiële situatie daartoe aanleiding geeft. Er is in ieder geval sprake van een significante wijziging als hiervoor bedoeld bij:

    • a.

      Een wijziging van de norm alleenstaande/alleenstaande ouder naar gehuwden of andersom;

    • b.

      Een wijziging in het inkomen van 10% of meer over een periode van minimaal 3 maanden;

    • c.

      Toename van het vermogen waardoor het resterend vrij te laten vermogen wordt overschreden.

Artikel 4.2 Draagkrachtverrekening

  • 1. De vastgestelde draagkracht wordt in geval van incidentele bijzondere noodzakelijke kosten in één keer in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten.

  • 2. In geval van periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht gespreid over de maanden waarover de bijzondere bijstand wordt toegekend met een maximum van 12 maanden en naar evenredigheid in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten.

  • 3. Bij samenloop van incidentele en periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht bij voorrang verrekend met de incidentele kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt toegekend.

Artikel 4.3 Draagkrachtperiode inkomen en vermogen

  • 1. Bij een aanvraag bijzondere bijstand wordt de draagkrachtperiode voor twaalf maanden vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand:

    • a.

      Van de aanvraag, of;

    • b.

      Waarin de kosten zich voordoen als er sprake is van een aanvraag die met terugwerkende kracht wordt toegekend.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan het college de draagkrachtperiode voor een kortere periode vaststellen als daar in het individuele geval of op basis van de kostensoort aanleiding voor is.

  • 3. In afwijking van het eerste lid stelt het college de draagkracht vast voor een periode van 36 maanden als er sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 6.2 lid 2 of artikel 6.2 lid 3 van deze beleidsregels.

  • 4. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van het verschil tussen de draagkracht en de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.

Artikel 4.4 Draagkracht en inkomen

  • 1. Het college merkt het inkomen dat niet meer bedraagt dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm aan als draagkrachtloos inkomen.

  • 2. Indien het inkomen meer bedraagt dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm dan wordt 50% van het meerdere maandinkomen in aanmerking genomen voor de draagkracht.

  • 3. Voor een aanvraag voor woonkostentoeslag merkt het college het inkomen dat meer bedraagt dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm volledig aan als draagkracht.

Artikel 4.5 Draagkracht en vermogen

Het college merkt het vermogen voor zover dat meer bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de wet aan als 100% draagkracht.

  • 1.

    De vaststelling van het vermogen en toepasselijke vrijlatingen worden op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 wordt het vermogen uit een door belanghebbende en zijn gezin bewoonde eigen woning met bijbehorend erf voor de berekening van draagkracht buiten beschouwing gelaten.

  • 3.

    Bij overschrijding van de van toepassing zijnde vermogensgrens zoals opgenomen in artikel 34 van de wet, wordt het meerdere van het vermogen volledig aangemerkt als draagkracht en verrekend met de kosten.

Hoofdstuk 5 De aanvraag

Artikel 5.1 Indienen aanvraag

  • 1. Bijzondere bijstand wordt op aanvraag verstrekt.

  • 2. De aanvraag wordt ingediend op een door het college beschikbaar gesteld (digitaal) formulier.

  • 3. Het college stelt de noodzaak van de bijzondere bijstand vast aan de hand van ingediende bewijsstukken.

  • 4. Geen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend tenzij deze beleidsregels anders bepalen.

  • 5. Voor de kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand geldt dat de kosten opkomen op de dag dat de rechtsbijstandverlener het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand heeft ontvangen.

  • 6. Het college kan afwijken van het bepaalde in het vierde lid indien:

    • a.

      De kosten niet meer dan 3 maanden voorafgaande aan de aanvraag zijn opgekomen; en

    • b.

      Het college de noodzaak van de kosten nog kan vaststellen.

    • c.

      In afwijking van sub a geldt voor het aanvragen van de kosten van bewindvoering, curatele en mentorschap en eigenbijdrage rechtshulp en griffierecht een maximale termijn van 6 weken.

  • 7. Periodieke bijzondere bijstand wordt toegekend voor de duur van maximaal 12 maanden tenzij deze beleidsregels voor specifieke kosten anders bepalen.

Hoofdstuk 6 Juridische kosten

Artikel 6.1 Kosten bewindvoering, mentorschap en curatele

  • 1. Het college verleent bijzondere bijstand voor de kosten van een door de kantonrechter ingesteld beschermingsbewind, mentorschap of curatele.

  • 2. In afwijking van artikel 5.1 lid 6, sub a van deze beleidsregels kan alleen bij een eerste aanvraag na uitspraak van de kantonrechter voor de kosten van bewindvoering, mentorschap en/of curatele de bijzondere bijstand voor maximaal 6 weken met terugwerkende kracht worden toegekend.

  • 3. Een verlengingsaanvraag kan met terugwerkende kracht worden toegekend aansluitend op de vorige toekenningsperiode, mits deze binnen 6 weken na het aflopen van de vorige draagkrachtperiode is ingediend;

  • 4. Voor de verstrekking van de bijzondere bijstand sluit het college aan bij de beschikking van de kantonrechter. Uit de beschikking blijkt welke bewindvoerder, mentor of curator er is benoemd en voor welke werkzaamheden er kosten in rekening gebracht mogen worden.

  • 5. Het college verstrekt bijzondere bijstand voor het openen van de beheerrekening, de kosten van het aanhouden van de beheerrekening en de bankkosten die de bank bij de bewindvoerder in rekening brengt naar het vastgestelde forfaitaire bedrag.

  • 6. Het college baseert de hoogte van de bijzondere bijstand op de bedragen die de bewindvoerder, mentor of curator feitelijk in rekening brengt tot een maximumbedrag zoals deze zijn vastgesteld in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

Artikel 6.2 Duur bewindvoering, mentorschap en curatele

  • 1. Het college kent periodieke bijzondere bijstand toe voor de periode van maximaal 12 maanden, tot en met de laatste dag van de maand van de betreffende draagkrachtperiode.

  • 2. Het college kent in afwijking van de genoemde bijstandsduur van 12 maanden in lid 1, bijzondere bijstand toe voor 36 maanden voor de kosten van bewindvoering, mentorschap en curatele als:

    • a.

      Er sprake is van vaste inkomsten en deze zijn naar verwachting ook de komende 36 maanden niet hoger dan 110% van de op belanghebbende geldende bijstandsnorm, en

    • b.

      Er sprake is van een professionele bewindvoerder, mentor of curator, die aangesloten is bij een branchevereniging.

  • 3. Als er sprake is van schuldenbewind kent het college bijzondere bijstand toe voor de Periode dat de kantonrechter schuldenbewind heeft ingesteld, tot een maximale periode van 36 maanden.

  • 4. Indien bewindvoering langer noodzakelijk blijkt kan op grond van artikel 6.1 lid 3 bijzondere bijstand worden verlengd.

  • 5. Het college verleent geen bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering in het kader van de WSNP.

Artikel 6.3 Eisen bewindvoering, mentorschap en curatele

  • 1. Het college verzoekt de (familiare) bewindvoerder, curator en/of mentor om bij een aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering, mentorschap en/of curatele een plan van aanpak in te leveren, welke ook bij het verzoekschrift aan de rechtbank wordt overgelegd.

  • 2. Het college kan bij twijfel een onderzoek instellen om te verifiëren of de werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd daadwerkelijk zijn gemaakt.

Artikel 6.4 Budgetbeheer

Voor de kosten van particulier financieel (budget)beheer of schuldhulpverlening wordt bijzondere bijstand verstrekt wanneer de noodzaak is vastgesteld door een consulent schuldhulpverlening en het Budgetbeheer wordt uitgevoerd door een bij de brancheorganisatie aangesloten budgetbeheerder.

Artikel 6.5 Kosten boekhouding ex-zelfstandig ondernemer

Een ex-zelfstandig ondernemer die, naar het oordeel van het college door het ontstaan van een problematische schuldensituatie geen financiële mogelijkheden heeft om de boekhouding op orde te laten brengen, kan op indicatie van Gemeentelijke Schuldhulpverlening in aanmerking komen voor bijzondere bijstand, om de kosten voor het op orde brengen van een boekhouding te voldoen.

Artikel 6.6 Kosten eigen bijdrage rechtsbijstand en griffiekosten

  • 1. De kosten voor rechtsbijstand die in aanmerking komen voor bijzondere bijstand betreffen de eigen bijdrage rechtsbijstand en griffiekosten. De kosten worden betaald conform het ‘besluit eigen bijdrage rechtsbijstand’;

  • 2. Voor de eigen bijdrage rechtsbijstand geldt dat de aanvraag tot 6 weken na de verzenddatum van de Civiele Toevoeging kan worden ingediend;

  • 3. De kosten voor eigen bijdrage rechtsbijstand dienen aangetoond te worden met een nota van de advocaat en de Civiele toevoeging.

  • 4. Voor griffiekosten geldt dat de aanvraag tot 6 weken na datum van de nota van de rechtbank kan worden ingediend;

  • 5. Voor griffiekosten is het niet van belang of de kosten al zijn betaald indien de kosten door de advocaat zijn voorgeschoten en de aanvraag binnen 6 weken na datum beschikking van de rechtbank voor bijzondere bijstand is ingediend.

Artikel 6.7 Kosten schuldhulpverlening of schuldsanering

De Schuldhulpverlening door de gemeente en de WSNP worden beschouwd als een passende en toereikende voorliggende voorziening voor deze kosten. Het betreft hier de kosten die zijn verbonden aan het oplossen van schuldenproblematiek. Er wordt voor deze kosten geen bijzondere bijstand verstrekt tenzij er in het kader van vroegsignalering en duurzaam oplossen van de schuldenproblematiek dit noodzakelijk wordt geacht.

Artikel 6.8 Kosten krediethypotheek

De kosten van taxatie, de hypotheekakte, de inschrijving van de hypotheek en de bijkomende kosten komen ten laste van de eigenaar. Hiervoor kan bijzondere bijstand worden verstrekt.

Artikel 6.9 Schuldenlast

In afwijking van artikel 13, eerste lid sub g van de wet, verstrekt het college op grond van artikel 49 van de wet bijzondere bijstand voor schulden in de vorm van borgtocht.

De bijzondere bijstand wordt slechts verleend als deze gericht is op kredietverstrekking door de Kredietbank West- Brabant ter sanering van de gehele schuldsituatie.

Hoofdstuk 7 Hulp bij woonkosten

Onder woonkosten bij een huurwoning wordt verstaan de kosten van huur minus de huurtoeslag. Onder woonkosten bij een woning in eigendom wordt verstaan de hypotheekkosten verminderd met de fiscaal aftrekbare hypotheekrente. De vastrechtkosten voor energie en water bij een huurwoning en koopwoning worden ook als woonkosten aangemerkt.

Het college sluit bij de vaststelling van het recht en de hoogte van de bijzondere bijstand aan op de systematiek van de Wet op de huurtoeslag.

Artikel 7.1 Woonkostentoeslag huurders

  • 1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen indien de Wet op de huurtoeslag (tijdelijk) niet als voorliggende passende en toereikende voorziening kan worden aangemerkt.

  • 2. Het college kan bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag verstrekken tot 125% van de maximale rekenhuur vanuit de Wet op de huurtoeslag voor maximaal 6 maanden.

  • 3. Aan de bijstand als bedoeld in het vorige lid verbindt het college de verplichting dat belanghebbende actief een goedkopere woning zoekt en deze accepteert. In de beschikking worden concrete activiteiten over deze verhuisplicht opgenomen die in ieder geval van de belanghebbende worden verlangd.

  • 4. Indien de belanghebbende, als bedoeld in het tweede lid, zich in voldoende mate heeft ingespannen zonder dat dit heeft geleid tot het verkrijgen van een passende woning of woonruimte, kan de woonkostentoeslag met maximaal 6 maanden worden verlengd in het geval de noodzakelijke kosten (nog steeds) voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

  • 5. Indien de belanghebbende, als bedoeld in het tweede lid, zich niet of in onvoldoende mate heeft ingespannen om een passende woning of woonruimte te verkrijgen en hem dit te verwijten valt, wijst het college de aanvraag om (verlenging van de) bijzondere bijstand af, tenzij sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.

  • 6. In geval van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet verlengt het college op grond van zeer bijzondere omstandigheden, de bijzondere bijstand voor maximaal 6 maanden in de vorm van een lening.

  • 7. Indien en zolang het college de verhuisplicht niet oplegt is de bijzondere bijstand in principe niet aan de maximale termijn gebonden als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 7.2 Woonkostentoeslag woningeigenaren

  • 1. Het college kan bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag tot 125% van de maximale rekenhuur van de Wet op de huurtoeslag verlenen voor maximaal 12 maanden mits deze uit noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

  • 2. Aan de bijzondere bijstand als bedoeld in het vorige lid verbindt het college de verplichting dat belanghebbende actief een goedkopere woning zoekt en deze accepteert. In de beschikking worden concrete activiteiten over deze verhuisplicht opgenomen die in ieder geval van de belanghebbende worden verlangd.

  • 3. Indien belanghebbende, als bedoeld in het eerste lid, zich in voldoende mate heeft ingespannen zonder dat dit heeft geleid tot het verkrijgen van een andere woning, kan de woonkostentoeslag met 12 maanden worden verlengd indien de noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

  • 4. Het college wijst de aanvraag om (verlenging van de) bijzondere bijstand af indien de belanghebbende, als bedoeld in het eerste lid, zich niet of in onvoldoende mate heeft ingespannen om een goedkopere woning te verkrijgen en hem dit te verwijten valt, tenzij sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.

  • 5. In geval van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet verlengt het college op grond van zeer bijzondere omstandigheden, de bijzondere bijstand voor maximaal 12 maanden in de vorm van een lening.

  • 6. De hoogte van de bijzondere bijstand bestaat uit de woonkosten verminderd met:

    • a.

      De hypotheekrente, niet zijnde de aflossing of de premie van een spaarhypotheek;

    • b.

      De hypotheekrente als voorfinanciering van voor de subsidie volgens de beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984;

    • c.

      De onroerendzaakbelasting voor zover het de aanslag betreft van het eigendom en daarvoor geen kwijtschelding is verleend;

    • d.

      De erfpachtcanon;

    • e.

      De waterschapslasten en dergelijke over het eigendom en niet-eigendom voor zover geen kwijtschelding is verleend;

    • f.

      De afvalstoffenheffing voor zover geen kwijtschelding is verleend;

    • g.

      De opstalverzekering;

    • h.

      Het rioolrecht.

  • 7. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de voorlopige teruggaaf van de Belastingdienst-Toeslagen waarover belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Hoofdstuk 8 Doorbetaling vaste lasten

Onder vaste lasten wordt verstaan de huur, de energiekosten (het vastrecht voor gas, water en elektra), de inboedel- en/of opstalverzekering.

Artikel 8.1 Verblijf in detentie

  • 1. Voor doorbetaling van vaste lasten bij het aanhouden van een woning bij tijdelijk verblijf in detentie van maximaal 6 maanden kan bijzondere bijstand worden verleend.

  • 2. Bijzondere bijstand voor vaste lasten wordt alleen verstrekt wanneer de noodzaak van het aanhouden van de woning is vastgesteld en deze niet bekostigd kunnen worden door een achterblijvende partner.

  • 3. Alle financiële middelen worden in aanmerking genomen om de woonkosten zelf te betalen. De vermogensvrijlating als bedoeld in artikel 34 van de wet is niet van toepassing.

  • 4. Voor een kortdurend verblijf van minder dan 1 maand wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

  • 5. Indien de detentieduur op voorhand moeilijk in te schatten is kan bijzondere bijstand worden verleend voor de duur van maximaal drie maanden met een eventuele verlenging van 3 maanden.

Artikel 8.2 Verblijf in instelling

  • 1. Voor de kosten van het aanhouden van een woning bij tijdelijk verblijf in een inrichting kan bijzondere bijstand worden verleend.

  • 2. Wanneer belanghebbende de intentie heeft terug te keren naar de woning, kunnen de vaste lasten gedurende een periode van maximaal 12 maanden doorbetaald worden. Deze periode kan nog eenmaal verlengd worden met een periode van 6 maanden wanneer daarvoor dringende redenen zijn.

  • 3. In het geval dat er geen intentie tot terugkeren is, kunnen de vaste lasten doorbetaald worden met inachtneming van de opzegtermijn, met een maximum van 3 maanden.

Artikel 8.3 Verblijf in instelling jongeren

  • 1. Jongeren van 18 tot 21 jaar die in een instelling verblijven hebben geen recht op algemene bijstand. Bijzondere bijstand is mogelijk.

  • 2. Het college beoordeelt of ouders kunnen bijdragen in de kosten (onderhoudsplicht).

  • 3. De jongere is verantwoordelijk voor het aantonen van het niet kunnen bijdragen van de ouders in onderhoud.

  • 4. Bijzondere bijstand wordt verstrekt tot maximaal de geldende inrichtingsnorm.

Hoofdstuk 9 Zorgkosten

Artikel 9.1 Medische kosten

  • 1. Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand wanneer er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening zoals een zorgverzekering en de Wet langdurige zorg.

  • 2. Lid 1 is niet van toepassing wanneer het niet verstrekken van bijzondere bijstand voor medische kosten tot een kennelijke hardheid leidt.

  • 3. Wanneer lid 2 van toepassing is, bedraagt de hoogte van de bijzondere bijstand het bedrag van de nota, min de eventuele verstrekking van een voorliggende voorziening.

  • 4. Wanneer de noodzaak bij de zorgverzekeraar is aangetoond en vergoeding om budgettaire redenen niet of deels niet verstrekt wordt en dit kan worden aangetoond door de aanvrager, kan bijzondere bijstand worden verleend.

  • 5. Bij het verstrekken van bijzondere bijstand voor medische kosten wordt altijd uitgegaan van de meest goedkope en adequate oplossing.

Artikel 9.2 Zelfstandig functioneren ouderen en mensen met een beperking

Voor bijzondere bijstandsverlening komen de volgende kosten in aanmerking, als zij noodzakelijk zijn om het zelfstandig functioneren van ouderen en mensen met een beperking te bevorderen:

  • a.

    De eigen bijdrage van dagopvang van ouderen;

  • b.

    De extra kosten verbonden aan een maaltijdvoorziening voor ouderen;

  • c.

    De eigen bijdrage in de kosten van een tijdelijke opname in een WLZ-instelling;

  • d.

    De eigen bijdrage in de kosten van professionele alarmering;

  • e.

    De eigen bijdrage in de kosten van extramurale begeleiding in het kader van GGZ-problematiek.

Hoofdstuk 10 Kosten Woning

Onder kosten voor woning wordt verstaan de kosten voor duurzame gebruiksgoederen, woninginrichting, verhuiskosten en stofferingskosten.

Artikel 10.1 Algemene uitgangspunten kosten voor woning

  • 1. Kosten voor woning komen in principe niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Bijzondere bijstand wordt alleen verleend wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden.

  • 2. In het geval van bijzondere omstandigheden wordt bijstand verleend in de vorm van een lening met uitzondering van stofferingskosten. De lening is gemaximeerd op een bedrag dat overeenkomt met de afloscapaciteit over een periode van 36 maanden. Voor zover meer bijstand nodig is, wordt deze verstrekt als bijstand om niet.

  • 3. Als het verstrekken van leenbijstand in het individuele geval niet verantwoord is in verband met schulden, dan geldt dit als een bijzondere omstandigheid, op grond waarvan de bijzondere bijstand om niet kan worden verstrekt.

  • 4. De hoogte van de bijzondere bijstand voor kosten woning bedraagt 50% van de richtprijzen zoals die zijn vermeld in de NIBUD-Prijzengids.

  • 5. Bijzondere bijstand voor kosten woning wordt in principe verstrekt voor tweedehands meubels en inventaris van bijvoorbeeld kringloopwarenhuizen.

  • 6. Bijzondere bijstand voor een duurzaam gebruiksgoed bedraagt 100% van de richtprijzen zoals die zijn vermeld in de NIBUD-Prijzengids en worden in beginsel nieuw aangeschaft.

Artikel 10.2 Duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting

  • 1. De kosten van aanschaf, vervanging of reparatie van noodzakelijke, duurzame gebruiksgoederen komen voor bijzondere bijstand in aanmerking als bijzondere omstandigheden in het individuele geval daartoe aanleiding geven.

  • 2. De besteding van de bijzondere bijstand moet met bewijsstukken worden aangetoond.

  • 3. Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt eens per 8 jaar verstrekt op aanvraag voor:

    • a.

      Wasmachine

    • b.

      Koelkast

    • c.

      Gasstel/ kookplaat/ fornuis

  • 4. Bijzondere bijstand voor woninginrichting wordt alleen verstrekt wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval.

  • 5. Een eerste huisvestiging na het verlaten van een AZC wordt altijd als bijzondere omstandigheid aangemerkt. Gelet op het eerder genoten inkomen was er geen ruimte om te reserveren voor de kosten van een complete woninginrichting.

Artikel 10.3 Verhuiskosten en stofferingskosten

  • 1. Er is geen bijzondere bijstand mogelijk voor de kosten van de eerste huur over de lopende maand en de daarmee verband houdende administratiekosten, transportkosten verband houdende met een verhuizing en stofferingskosten.

  • 2. Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval daartoe aanleiding geven.

  • 3. In geval van onvoorzienbare verhuizing worden de werkelijke kosten vergoed waarbij uitgegaan wordt van verhuizing door het eigen netwerk.

  • 4. Als een eigen netwerk ontbreekt, worden de kosten van een erkende verhuizer vergoed. In dit geval vraagt belanghebbende een offerte op bij twee verschillende verhuisbedrijven en worden de werkelijke kosten vergoed.

  • 5. Een eerste huisvestiging na het verlaten van een AZC wordt altijd als bijzondere omstandigheid aangemerkt. Gelet op het eerder genoten inkomen was er geen ruimte om te reserveren voor de kosten van de eerste huur over de lopende maand en de daarmee verband houdende administratiekosten, transportkosten verband houdende met een verhuizing en de kosten voor het opknappen van de woning.

Hoofdstuk 11 Reiskosten

Artikel 11.1 Reiskosten

  • 1. Bijzondere bijstand wordt verstrekt voor noodzakelijke reiskosten van maximaal 2 personen die tot het huishouden behoren voor bezoek aan partner en familie (eerste en tweede graad) die in een inrichting verblijven, uit huis zijn geplaatst of gedetineerd zijn buiten de gemeente Breda.

  • 2. Bijzondere bijstand is alleen mogelijk als het reiskosten in Nederland betreft en de enkele reisafstand meer bedraagt dan 10 kilometer.

  • 3. Reiskosten in verband met ziekenbezoek aan een gezinslid komt voor bijzondere bijstand in aanmerking als een gezinslid of naast familielid (eerste en tweede graad) wordt bezocht die buiten Breda is opgenomen en er geen dekking is vanuit de zorgverzekering.

  • 4. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op het goedkoopste reistarief van het openbaarvervoer of op een kilometervergoeding ter hoogte van de maximale belastingvrije vergoeding.

  • 5. Voor personen die eerste en tweede graad verwanten zijn wordt maximaal 2 maal per week bijzondere bijstand verstrekt tenzij het gaat om reiskosten in verband met detentiebezoek. In dat geval geldt als frequentie maximaal eens per 14 dagen.

  • 6. Voor personen die geen eerste of tweede graad verwanten zijn maar wel tot het huishouden behoren wordt voor alle reiskosten maximaal eens per maand bijzondere bijstand verstrekt.

Hoofstuk 12 Overige kosten bijzondere bijstand

Uit vaste jurisprudentie volgt dat het recht op bijzondere bijstand niet naar kostensoort is begrensd. Het recht op bijzondere bijstand voor bepaalde kosten hangt af van de omstandigheden in het individuele geval en worden individueel beoordeeld. Het kan hierbij om zeer diverse kostensoorten gaan.

Artikel 12 .1 Overige kosten

Voor de meest voorkomende overige kosten waarvoor bijzondere bijstand kan worden verleend zijn in de NIBUD- Prijzengids bedragen opgenomen waarvan het college voor de vergoeding een percentage van 50% hanteert.

  • 1.

    De in deze beleidsregels genoemde kostensoorten zijn dus niet limitatief, voor overige kosten kan bijzondere bijstand worden verleend, mits aan de volgende uitgangspunten wordt voldaan:

    • -

      Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden en noodzakelijke kosten;

    • -

      De kosten kunnen niet uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag en het vermogen worden voldaan;

    • -

      Er is geen sprake van een voorliggende voorziening, die gezien aard en doel toereikend en passend is;

    • -

      De voorliggende voorziening heeft de kosten niet als niet noodzakelijk aangemerkt;

    • -

      De aanvraag is tijdig ingediend.

  • 2.

    Indien het kosten betreft die niet in de prijzengids zijn genoemd, kan in geval van bijzondere omstandigheden met in achtneming van artikel 3.2 lid 2 bijzondere bijstand worden verleend.

Hoofdstuk 13 Slotbepalingen

Artikel 13.1 Aanhef

Deze beleidsregels worden aangehaald als 'Beleidsregels Bijzondere Bijstand Breda 2026'.

Artikel 13.2 Overgangsbepaling

  • 1. Voor aanvragen om bijzondere bijstand die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze beleidsregels en waarop het college op een datum na inwerkingtreding beslist, geldt dat deze beleidsregels van toepassing zijn, tenzij toepassing van de oude beleidsregels gunstiger is voor belanghebbende.

  • 2. Indien al een draagkrachtperiode, welke doorloopt tot 1 januari 2027 is vastgesteld, blijft de toegepaste draagkrachtberekening van toepassing, tenzij het een nieuwe aanvraag betreft die op of na 1 januari 2026 wordt ingediend.

Artikel 13.3 Inwerkingtreding

  • 1. Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na bekendmaking.

  • 2. Met de inwerkingtreding worden met uitzondering van artikel 21, artikel 23 en artikel 24 de Beleidsregels Bijzondere Bijstand 2020 ingetrokken.

Ondertekening

Aldus vastgesteld op 10 februari 2026

Burgemeester en wethouders van Breda,

, burgemeester,

, gemeentesecretaris.