Besluit maatschappelijke ondersteuning Hulst 2026

Geldend van 07-03-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Besluit maatschappelijke ondersteuning Hulst 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst;

gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hulst 2017;

besluit vast te stellen het:

Besluit maatschappelijke ondersteuning Hulst 2026

Inleiding

Het gemeentelijk Besluit maatschappelijke ondersteuning 2026 is bedoeld om alle bedragen en bijzonderheden met betrekking tot het gemeentelijke Wmo-beleid in op te nemen. Dit is van belang omdat de bedragen regelmatig worden aangepast.

Voor de begrippen genoemd in het besluit wordt uitgegaan van de omschrijving in artikel 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hulst 2017.

Dit Besluit maatschappelijke ondersteuning 2026 vervangt het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2025.

Als bijlagen worden toegevoegd aan het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2026:

Bijlage 1. Normenkader Begeleiding HHM;

Bijlage 2. Productomschrijvingen begeleiding Basis, Regulier en Plus

Bijlage 3: Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning HHM;

Bijlage 4. Tarieven beschermd wonen 2026;

Bijlage 5. Beleidsregels landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang 2019.

Hoofdstuk 1: algemene bepalingen

Artikel 1. Protocollen en indicatiewijzer

  • 1. Met behulp van het normenkader HHM voor begeleiding en/ of huishoudelijke ondersteuning kan een beoordeling van de situatie van de cliënt op de verschillende levensdomeinen worden gemaakt (bijlage 1 en 2).

    [Artikel 1, lid 1 bevat een kennelijke verschrijving, hier wordt bedoeld: bijlage 1 en 3.]

  • 2. Bij het beoordelen en toekennen van een aanvraag om een begeleidingsvoorziening worden de productomschrijvingen voor begeleiding gebruikt om te kunnen bepalen welk product begeleiding moet worden ingezet (bijlage 3).

    [Artikel 1, lid 2 bevat een kennelijke verschrijving, hier wordt bedoeld: bijlage 2.]

  • 3. De toegang tot beschermd wonen is bij de lokale gemeenten in Zeeland belegd. Iedere gemeente stelt – vanwege de verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de wet - de pgb tarieven en bijbehorende eigen bijdragen individueel vast. De pgb tarieven zijn vastgelegd in bijlage 5.

    [Artikel 1, lid 3 bevat een kennelijke verschrijving, hier wordt bedoeld: bijlage 4.]

  • 4. Voor maatschappelijke opvang is sprake van landelijke toegankelijkheid. De beleidsregels landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang gemeente Hulst 2019 zijn opgenomen in bijlage 6.

    [Artikel 1, lid 4 bevat een kennelijke verschrijving, hier wordt bedoeld: bijlage 5.]

  • 5. Om tot een indicatie te komen, kan advies worden gevraagd aan een (medisch) specialist of arbeidsdeskundige.

Artikel 2. Hoogte tarieven zorg in natura en persoonsgebonden budget (pgb)

  • 1. In aanvulling op het bepaalde in artikel 11 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hulst 2026 gelden voor de zorg in natura (ZIN) en voor de vaststelling van een pgb-dienstverlening de volgende maximumtarieven.

  • 2. De hoogte van de tarieven van de producten die vallen binnen de sterfhuisconstructie zijn als volgt:

    Product

    Max ZIN. Tarief

    Max Pgb

    Eenheid

    a. Huishoudelijke hulp Hulst

    € 36,00

    € 28,35

    Uur

    b. Huishoudelijke Ondersteuning

    € 37,80

    € 28,35

    Uur

     
     
     

    c. Individuele begeleiding

    € 69,60

    € 52,20

    Uur

    d. Specialistische individuele begeleiding

    € 115,20

    € 86,40

    Uur

    e. Individuele begeleiding sociaal netwerk

     

    €15,89

    uur

     
     
     

    f. Kortdurend Verblijf

    € 235,47

    € 176,60

    dag

     
     
     

    g. Vervoer

    € 11,10

    € 8,33

    dag

    h. Rolstoelvervoer

    € 29,62

    € 22,22

    dag

    * Naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep sluit de hoogte van het pgb tarief aan bij het minimumloon.

  • 3. De tarieven voor de zorg in natura (ZIN) voor beschermd wonen worden vastgesteld door de centrumgemeente Vlissingen en zijn opgenomen in bijlage 5.

  • 4. De pgb-tarieven beschermd wonen bedragen maximaal 100% van de tarieven zorg in natura (ZIN) beschermd wonen.

  • 5. Indien de hulpverleningsorganisatie of hulpverlener het pgb beheert, kan het college een pgb weigeren op grond van belangenverstrengeling.

  • 6. De hoogte van de tarieven van de producten die vallen binnen de gewijzigde contracten Wmo vanaf 2026 zijn als volgt:

    Product

    Max ZIN. Tarief

    Max Pgb tarief

    Eenheid

    a. Huishoudelijke hulp

    € 43,20

    € 32,40

    Uur

    b. Huishoudelijke hulp sociaal netwerk

     

    € 15,89

    Uur

     
     
     

    c. Begeleiding Basis

    € 79,20

    € 59,40

    Uur

    d. Begeleiding Regulier

    € 101,20

    € 76,05

    Uur

    e. Begeleiding Plus

    € 112,80

    € 84,06

    Uur

    f. Individuele begeleiding uit het sociaal netwerk

     

    € 15,89

    Uur

     
     
     

    g. Kortdurend Verblijf

    € 194,04

    € 145,53

    Dag

     
     
     

    h. Vervoer

    € 11,66

    €8,75

    dag

    i. Rolstoelvervoer

    € 31,14

    €23,35

    dag

    * Naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep sluit de hoogte van het pgb tarief aan bij het minimumloon.

Artikel 3. Financiële tegemoetkoming

Voor enkele voorzieningen is een financiële tegemoetkoming mogelijk. Voor welke voorzieningen die geldt, is in het besluit per voorziening aangegeven.

Artikel 4. Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening

Voor alle maatwerkvoorzieningen geldt in 2026 een eigen bijdrage van 21,80 euro per maand. Uitzonderingen vormen: Rolstoelvoorzieningen, onderhoud en instructiecursus. De maximale bijdrage van € 21,80 per bijdrageperiode geldt niet voor niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens. Voor deze groep is de eigen bijdrage op nihil gesteld. Voor intramuraal beschermd wonen kan een inkomensafhankelijke eigen bijdrage gelden. Het CAK stelt de hoogte van deze bijdrage vast.

Hoofdstuk 2 Voorzieningen

De noodzaak van een maatwerkvoorziening wordt in een gesprek vastgesteld door de toegangsorganisatie (gemeente/Stichting Hulst voor Elkaar), afgestemd op persoonskenmerken, behoeften en mogelijkheden van de aanvrager en zijn omgeving.

Het college streeft naar passende ondersteuning en onderscheidt de volgende voorzieningen:

  • a.

    Huishoudelijke ondersteuning

  • b.

    Vervoersvoorzieningen

  • c.

    Woonvoorzieningen

  • d.

    Rolstoelvoorzieningen

  • e.

    Begeleidingsvoorzieningen

Daarnaast is er voor alle burgers een collectieve vervoersvoorziening beschikbaar. Hiervoor is afstemming op behoeftes en hulpvraag niet nodig. Dit wordt gezien als een algemene voorziening. In de wetswijzing van de Wet maatschappelijk ondersteuning die 1 januari 2020 in is gegaan, vormt collectief vervoer een uitzondering op het abonnementstarief. Gemeentes kunnen bepalen welke bijdrage hiervoor noodzakelijk is.

Artikel 5. Huishoudelijke voorzieningen

De door het college te verlenen maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning kan bestaan uit:

  • 1.

    Huishoudelijke Hulp:

    • a.

      Ondersteuning in natura, gecontracteerd bij de zorgaanbieder;

    • b.

      Ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

  • 2.

    Wanneer sprake is van een chronische of progressieve ziekte waarbij aannemelijk is dat de ondersteuningsbehoefte niet zal afnemen kan een indicatie voor onbepaalde duur worden afgegeven.

Artikel 6. Vervoersvoorzieningen

De door het college te verlenen maatwerkvoorziening voor vervoer kan bestaan uit (een financiële tegemoetkoming voor):

  • a.

    Vervoer per (rolstoel-)taxi maximaal 3000 kilometer;

  • b.

    een aanpassing van een eigen auto maximaal € 4.540,00 per 5 jaar;

  • c.

    een al dan niet aangepaste (bruikleen) auto;

  • d.

    een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;

  • e.

    een scootmobiel;

  • f.

    een training voor een scootmobiel / gesloten buitenwagen maximaal € 345,00;

  • g.

    een ander vervoermiddel dan de vervoersmiddelen genoemd in d en e;

  • h.

    onderhoud en reparatie van voorzieningen als bedoeld in d, e en g;

  • i.

    begeleiding op medische indicatie tijdens collectief vervoer per taxi maximaal € 100,00 per kalenderjaar.

Artikel 7. Collectief vervoer

Een cliënt is een reisbijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van € 1,47 opstaptarief en € 0,34 euro per kilometer. Voor ritten langer dan 30 km, waarbij de bestemming buiten Zeeuws-Vlaanderen ligt, is de prijs € 1,73 per extra kilometer, met uitzonderingen van puntbestemmingen waarvoor ook het tarief van € 0,33 euro per kilometer geldt. Dit zijn: alle ziekenhuizen in de provincie, UZ (Gent), Emergis (Oostmolenweg in Kloetinge), Visio (Goes), Gardeslen (Goes), Maria Middelares (Gent), AZ (Sint Niklaas). Aan de Wmo-pashouder wordt standaard maximaal 3000 kilometer per jaar toegekend.

Artikel 8. Woonvoorzieningen.

  • 1. De door het college te verlenen maatwerkvoorziening voor wonen kan bestaan uit (een financiële tegemoetkoming voor):

    • a.

      een voorziening van bouwkundige of woon-technische aard in of aan de woning

    • b.

      een voorziening van niet-bouwkundige en niet-woon-technische aard in of aan de woning;

    • c.

      een voorziening voor onderhoud, keuring en reparatie in een woning;

    • d.

      een voorziening voor tijdelijke huisvesting, voor maximaal 26 weken;

    • e.

      het bezoekbaar maken van de woning tot een maximum van € 5.000,00;

    • f.

      een voorziening voor verhuizing en inrichting tot een maximum van € 4.000,00;

    • g.

      een voorziening voor woningsanering op medische indicatie voor de noodzakelijk te maken kosten tot een maximum van € 2.000,00.

  • 2. Het bedrag waarboven het primaat van de verhuizing geldt bedraagt € 10.000,00.

  • 3. Woonvoorzieningen met een totale aanschafwaarde lager dan € 200,00 komen niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening.

  • 4. Woonvoorzieningen voor gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen komen niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening.

  • 5. Een tegemoetkoming voor de kosten van huurderving is pas mogelijk bij woningaanpassingen hoger dan € 5.000,00.

Artikel 9. Rolstoelvoorzieningen

De door het college te verlenen maatwerkvoorziening voor rolstoelen kan bestaan uit (een financiële tegemoetkoming voor) een rolstoel voor verplaatsing binnen, dan wel binnen en buiten de woonruimte, dan wel een aanpassing daarvan;

  • a.

    een rolstoel voor verplaatsing binnen, dan wel binnen en buiten de woonruimte, dan wel een aanpassing daarvan;

  • b.

    onderhoud, reparatie en verzekering;

  • c.

    accessoires;

  • d.

    een training voor het gebruik van een elektrische rolstoel maximaal € 345,00;

  • e.

    sportrolstoel.

Artikel 10. Begeleidingsvoorzieningen

De door het college te verlenen maatwerkvoorziening voor begeleiding kan bestaan uit:

  • a.

    begeleiding Basis;

  • b.

    begeleiding Regulier;

  • c.

    begeleiding Plus;

  • d.

    kortdurend verblijf;

  • e.

    beschermd wonen.

Artikel 11. Omvang van begeleidingsvoorzieningen

  • 1. De omvang van begeleidingsvoorzieningen in natura wordt afgestemd op persoonskenmerken, behoeften en mogelijkheden van de aanvrager en zijn omgeving door de zorgaanbieder van keuze in overleg met aanvrager.

  • 2. De omvang van de begeleidingsvoorzieningen in natura genoemd in artikel 2.2 a tot en met e wordt bepaald in uren met een maximale omvang per week.

  • 3. De omvang van begeleidingsvoorzieningen in natura genoemd in artikel 2.2 f, g en h worden bepaald in dagen.

  • 4. De omvang van begeleidingsvoorzieningen in natura voor de onderdelen genoemd in artikel 2.6 a tot en met f wordt bepaald in uren met een maximale omvang per week.

  • 5. De omvang van begeleidingsvoorzieningen in natura voor de onderdelen genoemd in artikel 2.6 g, h en i wordt bepaald in dagen.

Hoofdstuk 3: Overige en slotbepalingen

Artikel 12. Beslissing college in gevallen waarin dit besluit niet voorziet

In gevallen waarin dit besluit niet voorziet, beslist het college.

Artikel 13. Citeertitel

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning Hulst 2025.

[Artikel 13 bevat een kennelijke verschrijving, hier wordt bedoeld: Besluit maatschappelijke ondersteuning Hulst 2026.]

Artikel 14. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt, met terugwerkende kracht, in werking met ingang van 1 januari 2026. Aldus vastgesteld op 20 januari 2026 door het college van burgemeester en wethouders van Hulst, onder gelijktijdige intrekking van het Besluit maatschappelijke ondersteuning Hulst 2025, dat door het college werd vastgesteld bij besluit d.d. 21 januari 2025.

Artikel 15. Intrekking oude nadere regels en overgangsrecht

  • 1. Het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst 2025 wordt ingetrokken.

  • 2. De cliënt houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hulst 2017 en waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst 20 en dit Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hulst 2026, worden afgehandeld op grond van dit besluit.

Ondertekening

Hulst,

Burgemeester en wethouders van Hulst,

De secretaris,

C. Pieters

De burgemeester,

I.M.M. Jense-van Haarst

Bijlage 1. Normenkader Begeleiding HHM.

Nadat is vastgesteld, met behulp van het normenkader begeleiding van HHM, dat de maatwerkvoorziening Begeleiding toegekend wordt, dient te worden bepaald of de Begeleiding Basis, Regulier of Plus moet zijn. Hiervoor zijn productomschrijvingen opgesteld. De keuze welk product wordt ingezet blijft altijd maatwerk op basis van het keukentafelgesprek en het opgestelde ondersteuningsplan.

https://www.hhm.nl/wp-content/uploads/LJ252011-Publieksversie-Normenkader-Begeleiding-versie-2.0-november-2024-HHM-FactumAdvies.pdf

Bijlage 2. Productomschrijvingen begeleiding Basis, Regulier en Plus;

Gemeente Hulst maakt onderscheid in drie soort begeleiding; Basis, Regulier en Plus.

Basis: begeleiding basis is gericht op individuele ondersteuning van inwoners bij participatie/ meedoen. In de meeste gevallen is er sprake van één-op-één ondersteuning. Deze ondersteuningsvorm is bedoeld voor inwoners die als gevolg van hun beperking(en) niet, op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen in staat zijn om zelfredzaam te zijn. Het gaat om het zoveel mogelijk stabiel houden van de situatie, achteruitgang voorkomen of afremmen, of het begeleiden van achteruitgang. Het betreft veelal mensen met beperkingen op het gebied van sociale redzaamheid, het bewegen en verplaatsen en geheugen en oriëntatie.

Regulier: begeleiding regulier is gericht op individuele begeleiding van inwoners bij participatie/ meedoen. Het betreft veelal mensen met beperkingen op het gebied van sociale redzaamheid, het psychisch functioneren, het geheugen en de oriëntatie en/ of het vertonen van matige gedragsproblemen. We spreken van een matig gedragsprobleem als: een persoon zich dwars en opstandig gedraagt, gauw geprikkeld is en driftig wordt, anderen ergert, antisociaal gedrag vertoont (zoals liegen of stelen) of zich agressief gedraagt. Een partner of kind of de omgeving er nadelige gevolgen van ondervinden.

Plus: begeleiding regulier is gericht op individuele begeleiding van inwoners bij participatie/ meedoen. Het betreft veelal mensen met beperkingen op het gebied van sociale redzaamheid, het psychisch functioneren, het geheugen en de oriëntatie en/ of het vertonen van ernstig probleemgedrag en/of ontbreken van of te weinig beschermde factoren om meer stabiliteit te krijgen. We spreken pas van ernstige gedragsproblemen wanneer één of meerdere typen storend gedrag gedurende enkele maanden voorkomen met bovendien duidelijk nadelige gevolgen voor de persoon of de omgeving.

Bijlage 3. Normenkader Huishoudelijk Ondersteuning HHM.

1. Algemene afweging

Huishoudelijke ondersteuning wordt alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn. Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren dan ook tot de eigen verantwoordelijkheid. In de dagelijkse praktijk kan dit ook betekenen dat een deel van het huishouden door cliënt wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden.

  • A.

    Definitie van het resultaat: Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Onder het resultaat ‘een schoon huis’ vallen basisactiviteiten en incidentele activiteiten. Basisactiviteiten betreffen stof afnemen nat en droog, stofzuigen, dweilen, keukenblok schoonmaken, toilet en badkamer schoonmaken, bed verschonen, afval opruimen. Incidentele activiteiten omvatten: ramen lappen, raambekleding wassen/schoonmaken, meubels schoonmaken, radiatoren reinigen, keukenapparatuur schoonmaken.

  • B.

    De afbakening van de ruimtes waarop de voorziening betrekking heeft: De cliënt moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap/overloop.

  • C.

    De afbakening van activiteiten die onder de voorziening vallen en welke niet: Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maakt geen onderdeel uit van de ondersteuning bij het huishouden.

  • D.

    De normering van de voorziening: Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp, maken we gebruik van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 (2025, bureau HHM).

  • E.

    Maatwerk, ondersteuning op maat: Het normenkader ziet op maatwerk voor de individuele cliënt. In het normenkader is aangegeven hoeveel tijd nodig is als sprake is van volledige overname van het huishouden bij de omschreven ‘gemiddelde cliëntsituatie’ (ofwel ‘ijkcliënt’) en op grond waarvan minder als mogelijk of meer als nodig ondersteuning wordt geboden.

https://www.hhm.nl/wp-content/uploads/MW250050-Normenkader-Huishoudelijke-Ondersteuning-2025-bureau-HHM.pdf

5. Indicatietermijnen

Alle indicatietermijnen worden in de rapportage onderbouwd.

Maximum periode indicatie

Indicaties kunnen voor bepaalde of onbepaalde duur worden afgegeven.

Wanneer er sprake is van een chronische of progressieve ziekte waarbij aannemelijk is dat de ondersteuningsbehoefte niet zal afnemen kan een indicatie voor onbepaalde duur worden afgegeven.

De maximum periode voor een indicatie voor bepaalde tijd is 5 jaar. In situaties waarbij nog verbetering mogelijk is of de zorgaanbieder enige tijd nodig heeft om een adequaat ondersteuningsplan op te stellen voor een nieuwe cliënt kan een kortere periode aan de orde zijn.

6. Afstemming met Wlz

Voor cliënten die instromen in de Wlz geldt dat de Wmo-indicatie eindigt in principe op de ingangsdatum van de Wlz, maar de gemeente is gehouden aan een ‘warme overdracht’ voor de huishoudelijke ondersteuning.

Voor Wmo-cliënten van wie de partner binnen dezelfde leefeenheid een Wlz-indicatie heeft, geldt op grond van de Wlz-indicatie en voorliggendheid van de Wlz op de Wmo 2015 ook dat de Wmo-indicatie beëindigd moet worden.

Het is aan de cliënt om wijziging van de indicatie door te geven aan de gemeente. De aanbieder die vaak bij de cliënt over de vloer komt heeft hier ook een verantwoordelijkheid. Die kan de cliënt er op wijzen of zelf contact opnemen met de gemeente. Als de cliënt en/of aanbieder dit niet doet, kan binnen een leefeenheid huishoudelijke ondersteuning vanuit de Wlz en de Wmo 2015 worden verstrekt (een zogenaamde dubbele verstrekking). Dit moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Daartoe heeft de VNG, binnen de mogelijkheden die er zijn (Ledenbrief VNG 4 oktober 2017), afspraken gemaakt met ZN en met de zorgkantoren.

Met de zorgkantoren is afgesproken dat gemeenten in geval van intrekking van de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning zorgdragen voor een ‘warme overdracht’ en daartoe in overleg treden met het betrokken zorgkantoor. Met het zorgkantoor kan dan worden afgesproken dat de gemeente de beschikking voor huishoudelijke ondersteuning vanuit de Wmo 2015 pas intrekt op het moment dat de huishoudelijke ondersteuning uit de Wlz is geregeld.

Op die manier kan worden voorkomen dat de leefeenheid (tijdelijk) geen huishoudelijke ondersteuning krijgt.

De gemeente zal tevens de aanbieder die de huishoudelijke ondersteuning op basis van de Wmo 2015 leverde op de hoogte moeten brengen van deze intrekking om dubbele verstrekkingen en vervelende situaties achteraf tegen te gaan.

Bijlage 4. Tarieven Beschermd Wonen 2025

De tarieven van het persoonsgebonden budget (pgb) zijn afgeleid van de tarieven van zorg in natura (ZIN) beschermd wonen zoals vastgesteld door de centrumgemeente Vlissingen en bedragen maximaal 100% van dit ZIN tarief. Dagbesteding maakt integraal onderdeel uit van de beschermd wonen tarieven.

De tarieven zorg in natura (ZIN) zijn door de centrumgemeente Vlissingen voor 2026 als volgt vastgesteld:

 

BW Intramuraal

BW Intramuraal jongvolwassenen

Geclusterd Wonen zwaar

Geclusterd wonen standaard

Beschermd thuis

Dagbesteding

Jaar

€ 90.000,00

€ 94.388,00

€ 58.180,00

€ 46.748,00

€ 36.828,00

€ 13.147,00

Etmaal

€ 246,58

€ 258,60

€ 159,40

€ 128,08

€ 100,90

€36,02

Tarieven Beschermd Wonen 2025 (o.b.v. aanbesteding, met voorlopige Nza index 2026)

De hoogte van het pgb is, conform hetgeen bepaald is in de Wmo verordening, afhankelijk van het ondersteuningsplan en de offerte waarin wordt aangetoond aan welke kwaliteitscriteria en professionele standaard wordt voldaan.

Bijlage 5. Beleidsregels landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang gemeente Hulst 2019

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregels en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder

  • a.

    college: college van burgemeester en wethouders van gemeente Hulst welke de besluitvorming met betrekking tot en de uitvoering van maatschappelijke opvang heeft gemandateerd aan de centrumgemeente Vlissingen.

  • b.

    regio: de dertien gemeenten van Zeeland met gemeente Vlissingen als centrumgemeente voor maatschappelijke opvang.

  • c.

    melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • d.

    wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • e.

    woonplaats: de gemeente waarvan de cliënt het jaar voorafgaand aan de melding hoofdzakelijk is ingeschreven als ingezetene in de zin van de Wet basisregistratie personen.

Alle andere begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die hierboven niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Algemene wet bestuursrecht, alsmede andere wet- en regelgeving.

Artikel 2. Melding en (eerste) opvang

  • 1.

    Een behoefte aan maatschappelijke opvang kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

  • 2.

    In die situaties waarin terstond maatschappelijke opvang noodzakelijk is, beslist het college onverwijld tot verstrekking van een voorziening maatschappelijke opvang in afwachting van de uitkomst van het in artikel 3 bedoelde onderzoek en de aanvraag van de cliënt.

  • 3.

    Indien het college niet onverwijld maatschappelijke opvang kan bieden waar dit wel terstond noodzakelijk is, treft het college maatregelen om onverwijld op een andere wijze of in een andere gemeente of regio tijdig te voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang.

Artikel 3. Onderzoek

  • 1.

    Het college vergewist zich met de cliënt wat de woonplaats was van de cliënt voor het ontstaan van dakloosheid.

  • 2.

    Indien het college vaststelt dat de cliënt, voor het ontstaan van dakloosheid, woonachtig was in een bepaalde gemeente of regio, niet zijnde de gemeente Hulst en/of regio Zeeland en hierover overeen- stemming heeft met de bepaalde gemeente of regio kan het college de uitvoering van het onderzoek overlaten aan de bepaalde gemeente of regio, waarbij bij overdracht van eventuele informatie artikel 4 lid 4 van toepassing is.

  • 3.

    Indien het college de woonplaats van de cliënt voor het ontstaan van dakloosheid niet vaststelt of kan vaststellen, dan wel de uitvoering van het onderzoek niet wenst te laten uitvoeren door de gemeente of regio zoals bedoeld in lid 2 voert het college het onderzoek uit. Dit geldt ook indien het college niet tot overeenstemming komt met de in lid 2 bedoelde gemeente of regio.

  • 4.

    Indien het college het onderzoek zelf uitvoert, kan zij de in lid 2 bedoelde gemeente of regio verzoeken om informatie ten behoeve van het onderzoek aan te leveren.

  • 5.

    Het college onderzoekt in welke gemeente of regio een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt.

  • 6.

    Het college betrekt bij dit onderzoek in elk geval de wens van de cliënt. Verder dient het college ook in elk geval bij het onderzoek te betrekken:

    • a.

      of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een traject naar verwachting vergroten, zoals een sociaal netwerk welke een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfred- zaamheid en participatie van de cliënt, en/of bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van de cliënt en/of lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten.

    • b.

      of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een traject naar verwachting verkleinen, zoals een sociaal netwerk welke een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt en/of actuele criminele activiteiten van de cliënt en/of maatregelen die opgelegd zijn aan de cliënt.

  • 7.

    Indien, gedurende het onderzoek, blijkt dat een traject in de maatschappelijke opvang mogelijk of waarschijnlijk in een andere gemeente of regio de grootste kans van slagen heeft, dan betrekt het college deze gemeente bij het onderzoek.

  • 8.

    Het onderzoek, zoals bedoeld in lid 3, wordt zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen 2 weken uitgevoerd, tenzij er redenen zijn, buiten de invloed van het college, die dit onmogelijk maken.

  • 9.

    De uitkomsten van het onderzoek worden vastgelegd in een onderzoeksverslag.

  • 10.

    Indien het college, conform lid 2, de uitvoering van het onderzoek overgedragen heeft aan een bepaalde gemeente of regio, dan vergewist het college zich van de uitkomsten van het onderzoek.

Artikel 4. Overdracht van cliënt en cliëntgegevens

  • 1.

    Indien het college, op grond van het in artikel 3 lid 5 bedoelde onderzoek, van oordeel is dat de kans van slagen van een traject groter is in een andere gemeente of regio, dan neemt het college - in overleg met de cliënt - contact op met die andere gemeente of regio.

  • 2.

    Deelt de andere gemeente of regio het oordeel van het college, zoals bedoeld in lid 1, dan vindt de overdracht van de cliëntgegevens én de cliënt onverwijld plaats. Dit tenzij met de andere gemeente of regio wordt overeengekomen dat het bijdraagt aan de kans van slagen van een traject, dat deze overdracht later plaatsvindt.

  • 3.

    Tot aan het moment van daadwerkelijke overdracht van de cliënt blijft het college maatschappelijke opvang bieden, dan wel blijft het college andere maatregelen treffen om op een andere wijze te voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang.

  • 4.

    Het college draagt bij de overdracht alle noodzakelijke informatie over de cliënt, waaronder het onderzoeksverslag, over aan de andere gemeente of regio, in overleg met de cliënt.

  • 5.

    Het college maakt met de andere gemeente of regio en de cliënt voorts concrete afspraken over:

    • de datum van overdracht;

    • welke aanbieder de cliënt maatschappelijke opvang, dan wel andere ondersteuning die in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang voorziet, zal bieden in de andere gemeente of regio;

    • hoe het vervoer van de cliënt en eventuele reisbegeleiding plaatsvindt.

  • 6.

    Indien de cliënt weigert medewerking te verlenen aan de in lid 2 bedoelde overdracht, kan het college overgaan tot weigering van de aanvraag tot een voorziening maatschappelijke opvang.

Artikel 5. Verschil van mening tussen gemeenten

  • 1.

    Bij verschil van mening tussen het college en de andere gemeente of regio over de vraag welke gemeente of regio verantwoordelijk is voor het bieden van maatschappelijke opvang aan de cliënt spant het college zich maximaal in om tot een oplossing te komen.

  • 2.

    Indien het college én de andere gemeente of regio niet tot een oplossing komen, kan het college het geschil voorleggen aan de commissie geschillen landelijke toegankelijkheid.

  • 3.

    In afwachting van het oordeel van de in het tweede lid genoemde commissie blijft het college een voorziening maatschappelijke opvang bieden, dan wel op andere wijze voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang.

  • 4.

    Het college volgt in het geschil het oordeel van de in het tweede lid genoemde commissie.

Artikel 6. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking na publicatie.

  • 2.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang gemeente Hulst 2019.

Bijlage 1. Toelichting op de beleidsregels landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang gemeente Hulst 2019

Inleiding

In de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) zijn ook de voorzieningen voor maatschappelijke opvang1 opgenomen.

De maatschappelijke opvang is ‘landelijk toegankelijk’. Dat betekent dat een ingezetene van Nederland in aanmerking komt voor een voorziening maatschappelijke opvang (in eerste instantie) te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Op deze manier wordt de veiligheid geborgd voor personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.2

Aanvankelijk werd de landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang onder de Wmo 2015 uitgevoerd op basis van een convenant en handreiking inclusief modelbeleidsregels uit 2014. Uit 4 herhaalde onderzoeken naar de landelijke toegankelijkheid o.a. in 2017 is gebleken dat deze afspraken onjuistheden bevatten, waaronder het hanteren van regiobinding als criterium bij de toegang. Om die reden zijn in 2018 zijn nieuwe model-beleidsregels ontwikkeld en uitgebreid met een werkinstructie en een stroomdiagram.

De nieuwe model-beleidsregels landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang zijn juridisch getoetst bij en door gemeenten en adequaat bevonden. Bij het vormgeven van de (model)-beleidsregels is getracht zo dicht mogelijk te blijven bij de gehanteerde begrippen van de Wmo 2015 zelf, de modelverordening Wmo (van de VNG) en de hierboven beschreven werkwijze. In deze beleidsregels legt het college vast op welke wijze de gemeente (of de centrumgemeente of een andere rechtspersoon gemandateerd door de gemeente) omgaat met de bevoegdheid van de landelijke toegankelijkheid voor maatschappelijke opvang. Beleidsregels moeten als zodanig worden vastgesteld en bekendgemaakt door de gemeente (artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht).

De VNG commissie is op 14 februari 2019 akkoord gegaan met het convenant inclusief de nieuwe model-beleidsregels om een gezamenlijke, eenduidige en concrete uitvoering en toepassing van deze ‘landelijke toegankelijkheid’ van de maatschappelijke opvang te bewerkstelligen binnen de kaders van de Wmo 2015.

In de Wmo 2015 is de opdracht aan gemeenten verwoord om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning3 (waaronder maatschappelijke opvang)4 . Volgens de Wmo 2015 is elke gemeente, tot welke een ingezetene van Nederland zich wendt, verantwoordelijk voor het bieden van maatschappelijke opvang.5 Dit indien de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.6 https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR736049/1#d281643698e5657

Vanuit het oogpunt van doeltreffendheid en doelmatigheid7 , maar ook omdat de rijksmiddelen voor maatschappelijke opvang tot in elk geval 1-1-2022 zijn belegd bij de zogenaamde centrumgemeenten wordt in de praktijk regionaal uitvoering gegeven aan het zorgdragen voor de maatschappelijke opvang, waaronder veelal de toegang daartoe.8

In een aantal regio’s heeft dat geleid tot het mandateren van o.a. de toegang tot de maatschappelijke opvang aan de centrumgemeente of een regionaal toegangsorgaan. In Zeeland is de besluitvorming met betrekking tot en de uitvoering van maatschappelijke opvang gemandateerd aan de centrumgemeente Vlissingen. Door in de beleidsregels telkens te spreken van gemeente (of het regionale samenwerkingsverband van gemeenten welke zorgdraagt voor maatschappelijke opvang) wordt het wettelijk uitgangspunt (elke gemeente verantwoordelijk) verbonden met de regionale praktijk en uitvoering en ontstaat er ruimte voor een adequate toepassing. De model-beleidsregels belemmeren de voortzetting van deze praktijk dan ook niet.

Dit laat onverlet dat elke gemeente (al dan niet in samenwerking met andere gemeenten in de betreffende regio) ook in de praktijk er zorg voor draagt dat dakloosheid zo veel mogelijk wordt voorkomen. Elke gemeente heeft immers de verantwoordelijkheid om inwoners die dat nodig hebben uit de eigen gemeente te ondersteunen en hulp te bieden bij het op eigen kracht handhaven in de samenleving.

In de model-beleidsregels gaat het over hoe te handelen nadat een cliënt zich wendt tot een gemeente (dan wel een regionaal samenwerkingsverband van gemeenten welke zorgdraagt voor maatschappelijke opvang) voor maatschappelijke opvang. De model-beleidsregels beschrijven de gewenste stappen van gemeenten (dan wel samenwerkingsverbanden van gemeenten welke zorgdragen voor maatschappelijke opvang) bij het toepassen van landelijke toegankelijkheid van de maatschappelijke opvang. Deze werkwijze is vervolgens schematisch weergegeven in een stroomschema (bijlage III).

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begripsbepalingen

De in de Wmo 2015 opgenomen definities, processen en termijnen zijn kader stellend voor de uitvoering van de landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang. Deze definities, processen en termijnen zijn in deze toelichting en de model-beleidsregels niet herhaald, tenzij het voor de leesbaarheid en helderheid van belang werd geacht. Door eerst maatschappelijke opvang te bieden, en dan te kijken naar ‘waar de meeste kans van slagen is op een succesvol traject’ voldoet de werkwijze aan de wettelijke kaders. Het gaat hier over de landelijke toegankelijkheid van ‘maatschappelijke opvang’, zoals in de Wmo 2015 gedefinieerd. Dit laat overigens wel de ruimte aan gemeenten om op andere wijze te voorzien in de behoefte van de cliënt aan onderdak en begeleiding.

Beoogd is met de model-beleidsregels en bijlagen enerzijds concrete handvatten en anderzijds de gewenste ruimte voor ‘maatwerk’ in de uitvoering te bieden, zoals ook bedoeld in de Wmo 2015. De bruikbaarheid is door een uitvoeringstoets gewaarborgd.

Artikel 2. Melding en (eerste) opvang

Alle gemeenten dragen er (al dan niet in samenwerking met andere gemeenten in de betreffende regio) zorg voor dat personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, zich kunnen melden bij de gemeente voor maatschappelijke opvang. De melding kan worden gedaan door of namens de cliënt.

De gemeente (dan wel het regionaal samenwerkingsverband van gemeenten welke zorgdraagt voor maatschappelijke opvang) tot welke iemand zich heeft gewend voor maatschappelijke opvang is in eerste instantie verantwoordelijk voor het bieden van maatschappelijke opvang. Gemeenten (dan wel het regionaal samenwerkingsverband van gemeenten welke zorgdragen voor maatschappelijke opvang) bieden altijd maatschappelijke opvang als het gaat om personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Maatschappelijke opvang wordt in elk geval geboden in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Daarbij is het van belang dat er voldoende maatschappelijke opvang in de gemeente (dan wel binnen de regio maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) beschikbaar is, dusdanig dat de maatschappelijke opvang direct kan worden geboden.

Tegelijk is de praktijk in een aantal gemeenten (dan wel regio’s maatschappelijke opvang) dat er een situatie kan ontstaan dat maatschappelijke opvang tijdelijk niet kan worden geboden. Als er door omstandigheden tijdelijk geen plaats in de maatschappelijke opvang kan worden geboden, zoekt de gemeente (dan wel het regionaal samenwerkingsverband waar de gemeente onderdeel van uitmaakt en dat zorgdraagt voor maatschappelijke opvang) tot welke de cliënt zich heeft gewend samen met de cliënt direct een tijdelijk passend alternatief, dusdanig dat de cliënt in elk geval direct (tijdelijk) onderdak en begeleiding wordt geboden in de betreffende gemeente (of in de regio waar de gemeente onderdeel van uitmaakt en die zorgdraagt voor maatschappelijke opvang).

De verantwoordelijkheid voor het bieden van maatschappelijke opvang hoeft niet altijd te betekenen dat in de betreffende gemeente (of in de regio maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) zelf deze maatschappelijke opvang wordt geboden. De maatschappelijke opvang kan ook worden geboden in een gemeente waarmee de betreffende gemeente regionaal samenwerkt in het kader van maatschappelijke opvang, dan wel kan door de betreffende gemeente (of door het regionaal samenwerkingsverband maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) tijdelijk in een andere regio beschikbaar worden gesteld. Ook kan een alternatief voor maatschappelijke opvang worden gebonden, maar in elk geval dusdanig dat wordt voorzien in de geconstateerde ondersteuningsbehoefte aan onderdak en begeleiding. Dit kan dus ook een alternatief zijn welke meer aansluit bij de geconstateerde ondersteuningsbehoefte.

N.B. Het gaat in deze fase om de begeleiding tijdens de onderzoeksperiode. Ook kan de gemeente (dan wel het regionaal samenwerkingsverband waartoe de gemeente behoort en welke maatschappelijke opvang biedt), waartoe iemand zich heeft gewend erin slagen direct (dezelfde dag) tot overdracht van de cliënt te komen naar een andere gemeente of regio, waardoor maatschappelijke opvang kan worden geboden in die andere gemeente of regio.

Artikel 3. Onderzoek

De gemeente (dan wel het regionaal samenwerkingsverband waartoe de gemeente behoort en welke zorgdraagt voor maatschappelijke opvang), waartoe de cliënt zich heeft gewend, gaat vervolgens eerst met de cliënt na wat de woonplaats was van de cliënt voor het ontstaan van dakloosheid. De woonplaats is hierbij de gemeente de gemeente waar de cliënt het jaar voorafgaand aan de melding hoofdzakelijk is ingeschreven als ingezetene in de zin van de Wet basisregistratie personen. Ingeval de woonplaats niet op grond van de onderdelen wet basisregistratie personen kan worden vastgesteld wordt de plaats van het werkelijke verblijf van de cliënt op het moment van de melding gehanteerd als ‘woonplaats’.

Indien wordt vastgesteld wat de woonplaats was van de cliënt vóór het ontstaan van dakloosheid, wordt de uitvoering van het onderzoek in beginsel overgedragen aan deze gemeente van herkomst (dan wel het regionaal samenwerkingsverband maatschappelijke opvang waartoe de gemeente van herkomst behoort). In beginsel mag van de gemeente van herkomst verwacht worden dat zij hiertoe bereid en in staat is.

Indien de woonplaats niet vastgesteld kan worden of er geen overeenstemming is met de gemeente van herkomst voert de gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) tot welke de cliënt zich heeft gewend, het onderzoek zelf uit. Dit is ook het geval indien de gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) tot welke de cliënt zich heeft gewend het onderzoek niet wenst over te dragen aan de gemeente van herkomst.

Indien de gemeente tot welke de cliënt zich heeft gewend het onderzoek zelf uitvoert, kan zij de gemeente waar de cliënt woonachtig was voor het ontstaan van dakloosheid verzoeken om informatie ten behoeve van het onderzoek aan te leveren. Dat kan bijv. op basis van de in bijlage II opgenomen onderzoeksvragen. In het belang van een voorspoedig onderzoek mag van de betreffende gemeente verwacht worden dat zij zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen de onderzoeksperiode van 2 weken antwoorden geeft op de gestelde vragen.

De gemeente (dan wel het regionaal samenwerkingsverband maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) die het onderzoek uitvoert onderzoekt vervolgens met de cliënt in welke gemeente (dan wel in welke regio) een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen in beginsel het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt. Bij het onderzoek betrekt de gemeente (dan wel het regionaal samenwerkingsverband maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) in elk geval de wens van de cliënt. Ook andere factoren die de kans van slagen van een traject naar verwachting vergroten, zoals een sociaal netwerk welke een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van de cliënt en lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten dienen daarbij betrokken te worden. Overigens hoeft het feit dat de cliënt werk, dagbesteding of onderwijs heeft in een bepaalde gemeente (of regio) geen reden te zijn om ook opgevangen te worden in de betreffende gemeente (of regio). Ook hierbij kan reistijd redelijk en acceptabel zijn. Ook dient in het onderzoek te worden betrokken of er factoren zijn in een gemeente (of regio) die de kans van slagen van een traject naar verwachting verkleinen, zoals een sociaal netwerk welke een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt en/of actuele criminele activiteiten en/of justitiële maatregelen die opgelegd zijn aan de cliënt. De onderzoeksvragen die in het onderzoek gesteld kunnen worden zijn concreet uitgewerkt in bijlage 3.

In het belang van de cliënt dient het onderzoek zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen 2 weken uitgevoerd te worden. Dit is ook van belang voor de gemeente (dan wel voor de regio maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort), welke gedurende het onderzoek de cliënt maatschappelijke opvang biedt. Er kunnen redenen zijn waardoor het onderzoek niet afgerond kan worden binnen 2 weken.

Indien er – gedurende het onderzoek – een gemeente (dan wel een regio) naar voren komt waarbij een traject in de maatschappelijke opvang mogelijk of waarschijnlijk de grootste kans van slagen heeft, dan wordt deze gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe deze gemeente behoort), betrokken bij het onderzoek. De verantwoordelijkheid voor het onderzoek blijft echter bij de gemeente (dan wel bij de regio maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort), welke het onderzoek uitvoert. De uitkomsten van het onderzoek worden, door de gemeente (dan wel door het regionaal samenwerkingsverband maatschappelijke opvang waartoe de gemeente behoort) welke het onderzoek uitvoert vastgelegd in een onderzoeksverslag, zoals de Wmo 2015 ook voorschrijft. Dit onderzoeksverslag kan overigens bondig zijn om administratieve lasten zo veel als mogelijk te voorkomen.

Artikel 4. Overdracht van cliënt en cliëntgegevens

Indien de kans van slagen van een traject groter wordt geacht in een andere gemeente (dan wel in een regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort), neemt de gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort), welke het onderzoek uitvoert, contact op met die andere gemeente.9 Dit in overleg met de cliënt, wat niet hoeft te betekenen dat er overeenstemming is met de client.

Deelt de gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort) waar de kans van slagen van een traject het grootst wordt geacht deze conclusie, dan stelt deze gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waar die gemeente bij hoort) direct maatschappelijke opvang beschikbaar, zodat ‘warme’ overdracht tussen de betrokken gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe de gemeenten behoren) ook snel kan plaatsvinden. Uitstel van deze overdracht is alleen mogelijk indien de gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe de gemeenten behoren) overeenkomen dat het bijdraagt aan de kans van slagen van een traject, dat deze overdracht later plaatsvindt.

Ook voor de gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort) waar de kans van slagen van een traject het grootst wordt geacht betekent de verantwoordelijkheid voor het bieden van maatschappelijke opvang niet noodzakelijk dat in de betreffende gemeente (dan wel de regio maatschap- pelijke opvang waartoe die gemeente behoort) zelf de maatschappelijke opvang wordt geboden. De maatschappelijke opvang kan eventueel ook door de gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort) waar de kans van slagen van een traject het grootst wordt geacht tijdelijk in een andere regio beschikbaar worden gesteld. Ook kan een alternatief voor maatschappelijke opvang worden aangeboden, maar in elk geval dusdanig dat wordt voorzien in de geconstateerde ondersteuningsbehoefte van onderdak en begeleiding van de cliënt.

Tot aan het moment dat de overdracht van de cliënt is gerealiseerd blijft de gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort) tot welke de cliënt zich oorspronkelijk heeft gewend verantwoordelijk voor het bieden van maatschappelijke opvang, dan wel blijft die gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort) verantwoordelijk maatregelen te treffen om op een andere wijze te voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang.

Bij de ‘warme’ overdracht wordt alle noodzakelijke informatie over de cliënt overgedragen tussen de gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren), waaronder het onderzoeksverslag. Dit uiteraard binnen de wet- en regelgeving inzake persoonsgegevens en in overleg met de cliënt. De wijze waarop de overdracht plaatsvindt is vormvrij.

Ook worden er tussen de gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren) concrete afspraken gemaakt over de datum van overdracht, welke aanbieder zal voorzien in de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en hoe het vervoer van de cliënt en eventuele reisbegeleiding plaatsvindt. Dit zodat er, vóór de overdracht, zekerheid is over de wijze waarop in de andere gemeente of regio tegemoet gekomen zal worden aan de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. ‘Warme’ overdracht vindt plaats dusdanig dat de cliënt zo min mogelijk hinder ondervindt hiervan.

Verder is belangrijk te onderkennen dat de gemeenten (dan wel regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren) personen zonder vaste woon- of verblijfplaats kunnen inschrijven in de Basisregistratie Personen (BRP) op een zogenaamd ‘briefadres’. De gemeente dient in die situatie afspraken te maken met een ’briefadresgever’ (bijvoorbeeld een instelling voor maatschappelijke opvang) of kan zelf optreden als ’briefadresgever’.10

Indien de cliënt weigert medewerking te verlenen aan de overdracht, kan de gemeente tot welke de cliënt zich heeft gewend (dan wel een toegangsorgaan welke het mandaat heeft om te beslissen over aanvragen voor maatschappelijke opvang van de betreffende gemeente) overgaan tot weigering van de aanvraag tot een voorziening maatschappelijke opvang met verwijzing naar de uitkomst van het onderzoek, waarin gemotiveerd kenbaar is gemaakt dat de kans op een succesvol traject groter in een andere gemeente of regio is. Ook kan de gemeente vervolgens het bieden van maatschappelijke opvang beëindigen. Desgewenst kan de cliënt in bezwaar (en daarna eventueel beroep) gaan tegen het besluit van de gemeente.

Artikel 5. Verschil van mening tussen gemeenten

Bij verschil van mening tussen gemeenten (dan wel tussen regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren) proberen de gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren) onderling tot een oplossing te komen. Als de gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren) niet tot een oplossing komen, dan kan het geschil worden voorgelegd aan de commissie geschillen landelijke toegankelijkheid.11

In afwachting van het oordeel van de commissie wordt dan de maatschappelijke opvang voortgezet bij de gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort) waar maatschappe- lijke opvang in eerste instantie al werd geboden. Ook kan op andere wijze langer voorzien worden door die gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoort) in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang.

De bij het geschil betrokken gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren) volgen het oordeel van de commissie bij de te nemen gemeentelijke toekenningsbesluiten.

Bijlage 2. Onderzoeksvragen

De gemeente (of regio) die het onderzoekt uitvoert, onderzoekt in welke gemeente (of regio) een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen in beginsel het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt. De volgende aspecten a t/m e dienen in elk geval daarbij aan de orde te komen. Daarbij is van belang dat de onderzoeksresultaten zo veel mogelijk gestaafd worden met feiten (waar mogelijk met schriftelijke bevestigingen) om tot een gemotiveerd besluit te komen.

  • a.

    Wens van de cliënt

    • i.

      Heeft de cliënt een wens waar (in welke gemeente of regio) hij opgevangen wil worden?

    • ii.

      Welke argumenten heeft de cliënt waarom een traject in de betreffende gemeente of regio van zijn of haar wens de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen in beginsel het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt?

  • b.

    Sociaal netwerk

    • i.

      Wie behoren tot het sociale netwerk (zijnde personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt) en waar wonen zijn

    • ii.

      In welke mate is er sprake van een sociaal netwerk, welke een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt (“ondersteunend netwerk”)? Waaruit bestaat de ondersteuning, nu en in de toekomst?

    • iii.

      Draagt een traject in een bepaalde gemeente of regio eraan bij dat deze invloed in belangrijke mate wordt benut?

    • iv.

      In welke mate is er sprake van een sociaal netwerk, welke een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt (“negatief netwerk”)? Welke negatieve invloed heeft dit sociaal netwerk naar verwachting op de cliënt en in welke mate? Draagt een traject in een bepaalde gemeente of regio er naar verwachting aan bij dat deze invloed wordt voorkomen of in belangrijke mate wordt beperkt?

  • c.

    Bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs

    • i.

      Is er sprake van bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs in een bepaalde gemeente of regio?

    • ii.

      Zo ja, bij welke werkgever, aanbieder van dagbesteding of onderwijs is dit, en voor hoeveel dagen per week?

    • iii.

      Per welke datum is cliënt hiermee gestart, en per wanneer eindigt contract, opleiding etc.?

    • iv.

      In welke mate draagt dit werk/dagbesteding/onderwijs naar verwachting bij aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt en dient de continuïteit zoveel als mogelijk te worden gewaarborgd?

  • d.

    Lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten

    • i.

      Is er sprake van lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten?

    • ii.

      Zo ja welke? Wanneer zijn deze trajecten gestart, en met welke frequentie is er contact?

    • iii.

      Welke aanbieders of zorgverleners zijn daarbij betrokken?

    • iv.

      Indien het gemeentelijke ondersteuning of hulp betreft: welke gemeente heeft hiertoe een toekennings- beschikking verleend?

    • v.

      In welke mate draagt deze hulpverlening/ondersteuning naar verwachting bij aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt en dient de continuïteit zoveel als mogelijk te worden gewaarborgd?

    • vi.

      Wat is de visie van de huidige betrokken hulpverlening in welke gemeente een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen in beginsel het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt?

  • e.

    Actuele criminele activiteiten en/of maatregelen

    • i.

      Is er sprake van actuele politie- of justitiecontacten in die zin dat er recent sprake was of is van criminele activiteiten? In hoeverre kan dit aangetoond worden? Is client bekend bij een Veiligheidshuis?

    • ii.

      Draagt een traject in een bepaalde gemeente of regio naar verwachting eraan bij dat criminele activiteiten worden voorkomen of in belangrijke mate wordt beperkt?

    • iii.

      Is er sprake van maatregelen die zijn opgelegd aan de cliënt (justitieel, zoals contact- of gebiedsverboden waarmee rekening gehouden moet worden.

Bijlage 3. Stroomschema landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang

afbeelding binnen de regeling

Artikelsgewijze toelichting

Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven, worden hieronder behandeld.

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Protocollen en indicatiewijzer

In dit artikel is aangegeven dat onder andere gebruik wordt gemaakt van het normenkader begeleiding en huishoudelijke ondersteuning van HHM.

Indien er onverhoopt sprake mocht zijn van verschil in uitleg c.q. definiëring tussen het gestelde in de protocollen en dit besluit, is het gestelde in dit besluit bepalend. Hiermee is tevens bepaald dat de genoemde protocollen niet bindend zijn, maar dienen als kader om tot vaststelling van de benodigde voorzieningen te komen. Afwijking op grond van individuele omstandigheden is altijd mogelijk.

Lid 3 van dit artikel gaat over beschermd wonen. De uitvoering van de toekenning en verstrekking van voorzieningen (toegang) is bij de lokale gemeente belegd. Het vaststellen van de wijze van bekostiging van de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen in natura (ZIN) worden door de centrumgemeente Vlissingen vastgesteld.

In lid 5 is aangegeven dat bij maatschappelijke opvang sprake is van landelijke toegankelijkheid. Dit betekent dat iedere inwoner van Nederland in eerste instantie in aanmerking komt voor een voorziening maatschappelijke opvang in de gemeente waartoe deze inwoner zich wendt. De gemeenten in Nederland hebben gezamenlijk afgesproken hoe ze hiermee om gaan. Dit is vastgelegd in de beleidsregels landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang gemeente Hulst 2019. Deze beleidsregels zijn bijgevoegd in bijlage 6.

Artikel 2. Hoogte tarieven zorg in natura en persoonsgebonden budget (pgb)

In dit artikel worden alle vormen van zorg in natura en persoonsgebonden budget genoemd en de tarieven die zijn overeengekomen met de gecontracteerde zorgaanbieders.

Binnen Zeeuws-Vlaanderen is afgesproken om de tarieven van de Maatwerkvoorzieningen Wmo en de tarieven voor pgb’s op elkaar af te stemmen. Zo wordt de bureaucratie voor zorgaanbieders beperkt. Aanbieders geven jaarlijks aan welke voorziening ze leveren. De gemeente Hulst regelt de bevoorschotting van de aanbieders op basis van de uitgaven, c.q. het marktaandeel in het voorafgaande jaar. De zorgaanbieders dragen er zorg voor dat passende zorg wordt ingezet. Het rekentarief wordt gehanteerd om de verleende zorg binnen het budget te verantwoorden. Met nieuwe contractpartijen kunnen individueel afspraken worden gemaakt over een budget ten behoeve van het startjaar.

Indien de gemeente met een zorgaanbieder een budgetafspraak heeft voor levering van Zorg in Natura(ZIN), kan de aanvrager alleen met een bijzondere motivering in aanmerking komen voor een pgb bij deze gecontracteerde zorgaanbieder. De zorgaanbieder kan immers dezelfde zorg bieden in natura.

De aanvrager die kiest voor een pgb regelt alles zelf, zoals het zoeken van een hulp, afspraken maken en deze vastleggen in een contract, zorgen voor een andere hulp bij ziekte of vakantie, loondoorbetaling bij ziekte, werkgeversaansprakelijkheidsverzekering. De aanvrager maakt de keuze voor een pgb nadat hij/zij hierover duidelijk en begrijpelijk is voorgelicht. De pgb-houders kunnen voor ondersteuning gebruik maken van de dienstverlening van de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

De pgb tarieven voor beschermd wonen zijn afgeleid van de tarieven zorg in natura (ZIN) die worden vastgesteld door de centrumgemeente Vlissingen. In 2026 bedragen de pgb tarieven maximaal 100% van de tarieven zorg in natura. Dagbesteding maakt integraal onderdeel uit van de beschermd wonen tarieven. De omvang van het pgb is afhankelijk van de ingediende offerte en het ondersteuningsplan waarin wordt aangetoond aan welke kwaliteitscriteria en professionele standaard wordt voldaan (art. 11 Verordening).

Met lid 4 wordt beoogd belangenverstrengeling van pgb-uitvoerder en pgb-beheerder te voorkomen. Als de aan het pgb verbonden taken worden uitgevoerd met behulp van de betrokken ondersteuner, diens personeel of op een andere wijze aan de ondersteuner verbonden persoon, kan het college een persoonsgebonden budget weigeren op grond van belangenverstrengeling. Het belang van degene die de ondersteuning biedt mag namelijk nadrukkelijk niet boven het belang van de cliënt staan. Een factor die kan wijzen op ongewenste belangenverstrengeling is als de cliënt een lage mate van invloed heeft op het besluit om voor een persoonsgebonden budget te kiezen.

Artikel 3. Financiële tegemoetkoming

Er kan een financiële tegemoetkoming worden versterkt voor de volgende voorzieningen: vervoersvoorzieningen, woonvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen. In het besluit is per voorziening in het betreffende artikel uitgeschreven wat de maximale financiële tegemoetkoming kan zijn.

Artikel 4. Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening

Bij de bepaling van de eigen bijdragen wordt aangesloten bij het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo dat jaarlijks door de Rijksoverheid wordt vastgesteld.

Om stapeling van eigen bijdragen voor Wmo cliënten te voorkomen is op 1 januari 2020 het abonnementstarief geïntroduceerd. Dit houdt in dat cliënten voor alle maatwerkvoorzieningen in de Wmo een standaard eigen bijdrage moeten betalen van € 21,80 per 1 januari 2026.

De eigen bijdragen worden vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Zorgkosten (CAK). Gemeente Hulst hanteert voor alle maatwerkvoorzieningen de standaard eigen bijdrage van 21,80 euro per 1 januari 2026. Ook algemene voorzieningen waarbij sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie moeten onder het abonnementstarief vallen. Gemeente Hulst heeft geen algemene voorzieningen waar dit voor geldt. Voor de overige algemene voorzieningen bepaalt de gemeente of er een eigen bijdrage is en hoe hoog deze is, tot maximaal de kostprijs. Een eigen bijdrage wordt overigens niet toegepast bij de verstrekking van rolstoelen en bij verstrekkingen aan jongeren beneden de 18 jaar, echter voor een woningaanpassing ten behoeve van jongeren wordt wel een eigen bijdrage gevraagd.

Bij beschermd wonen is voor de producten ‘Intensieve Begeleiding Thuis’ en ‘geclusterd wonen standaard en zwaar’ ook het abonnementstarief van toepassing. Voor het product ‘beschermd wonen intramuraal’ geldt een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. De hoogte van deze inkomensafhankelijke bijdrage wordt vastgesteld door het CAK.

Mensen met een inkomen tot 120% van het minimum kunnen zich aansluiten bij de collectieve ziektekostenpolis van CZ; deze compenseert voor de verzekerden de betaalde eigen bijdrage CAK op jaarbasis.

HOOFDSTUK 2 VOORZIENINGEN

De noodzaak van een maatwerkvoorziening wordt in een gesprek vastgesteld door de toegangsorganisatie (gemeente/Stichting Hulst voor Elkaar), afgestemd op persoonskenmerken, behoeften en mogelijkheden van de aanvrager en zijn omgeving. Dit gesprek kan worden aangevuld met nader onderzoek. Zo kan onderzoek naar voorgaande trajecten/resultaten plaatsvinden, afstemming met de behandelende sector, zorgkantoor, ziektekostenverzekeraar. Anderzijds kan bij een woningaanpassing onderzoek worden gedaan naar de staat van de woning/woonwagen. Bij een auto-aanpassing worden de kosten afgezet tegen de leeftijd en staat van de auto.

Artikel 5. Huishoudelijke voorzieningen

In dit artikel worden alle vormen van huishoudelijke ondersteuning opgesomd.

Indien huishoudelijke ondersteuning wordt verstrekt in natura wil dit zeggen dat de hulp/zorg wordt geleverd door een gekwalificeerde medewerker van een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder.

Artikel 6. Vervoersvoorzieningen

Een cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor vervoer als er een algemene voorziening is die passend en adequaat is. Het primaat ligt in dit geval bij het collectief systeem van aanvullend vervoer, eventueel in combinatie met andere vervoersvoorzieningen. De concrete invulling van dit systeem is in een afzonderlijk gemeentelijk besluit geregeld. Hierin zijn onder andere bepalingen opgenomen over het vervoersgebied, puntbestemmingen, de beschikbaarheid, de verschuldigde eigen bijdragen en de voorwaarden voor het meereizen van een sociaal en/of medisch begeleider, kinderen en blindengeleide honden. Het samenwerkingsverband collectief vervoer Zeeuws-Vlaanderen, een gemeenschappelijke regeling van de gemeenten Hulst, Terneuzen en Sluis is uitvoerder van dit collectief vervoerssysteem.

De omvang van het persoonsgebonden budget voor vervoer per taxi of vervoer per rolstoeltaxi wordt als volgt vastgesteld:

In de uitzonderlijke individuele gevallen waarbij deze voorziening noodzakelijk is, er is immers sprake van een vervoersbehoefte waarin niet kan worden voorzien door de algemene voorziening, nl. het collectief vervoer, wordt bij een leverancier die wel kan voorzien in deze voorziening (vervoer per taxi vervoer per rolstoeltaxi), de prijs opgevraagd van de goedkoopst adequate voorziening. Het hiermee gemoeide bedrag wordt betaalbaar gesteld in de vorm van een persoonsgebonden budget. Met het verstrekte persoonsgebonden budget kan de cliënt conform de in het programma van eisen gestelde vereisten vervolgens zelf in deze vervoersbehoefte voorzien. Het bedrag taxivergoeding is verlaagd naar € 600,--, om vergelijkbaar te zijn met collectief vervoer (3000 km à 0,19 verhoogd met € 30,00 opstaptarief).

Een aanpassing van een eigen auto kan alleen indien de kostprijs van de aanpassing de ANWB-inruilwaarde niet overstijgt en de auto APK-(goed)gekeurd is.

De vaststelling van het persoonsgebonden budget voor de overige in artikel 6 genoemde voorzieningen geschiedt, met in achtneming van artikel 2 van dit Besluit, als volgt:

Bij de op grond van de Europese aanbesteding Wmo-hulpmiddelen gecontracteerde leverancier, Welzorg wordt op basis van een programma van eisen de catalogusprijs opgevraagd voor de goedkoopst adequate voorziening. Voor alle duidelijkheid, het gaat hier niet om de door de gemeente bedongen kortingsprijs maar om de catalogusprijs. Deze prijs, voor zover van toepassing verhoogd met een aanvullend bedrag voor onderhoud, gebruik, verzekeringen en reparatie wordt betaalbaar gesteld in de vorm van een persoonsgebonden budget. Tevens wordt bij genoemde leverancier, voor zover van toepassing, de gebruikelijke afschrijvingstermijn van een dergelijke vervoersvoorziening opgevraagd, want dit is immers de periode waarvoor, bij ongewijzigde (medische) omstandigheden van de cliënt, het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Met het verstrekte persoonsgebonden budget kan de cliënt conform de in het programma van eisen gestelde vereisten vervolgens zelf een vervoersvoorziening aanschaffen.

Daar waar sprake is van maximum bedragen gaat het om vervoersvoorzieningen die in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. De verantwoording hiervoor geschiedt aan het college.

Artikel 7. Collectief vervoer

Het collectief vervoer is uitgezonderd van het abonnementstarief. Hiervoor blijft een eigen bijdrage gelden in de vorm van een opstaptarief en tarief per zone.

Klanten die in het bezit zijn van een Wmo-pas mogen met de Regiotaxi een vastgesteld aantal kilometers tegen een vastgesteld Wmo-tarief reizen. Het vervoersgebied omvat heel Zeeuws-Vlaanderen. Een bestemming buiten Zeeuws-Vlaanderen mag niet meer dan 30 kilometer vanaf het huisadres zijn. Binnen Zeeuws-Vlaanderen zijn geen grenzen gesteld aan de maximale lengte van een rit. Het is mogelijk om tegen het Wmo-tarief, buiten het vervoersgebied, verder dan 30 km te reizen naar zogenaamde puntbestemmingen.

De reis wordt in kilometers berekend en afgerekend. Per rit betaalt de Wmo-pashouder een bijdrage die bestaat uit een tarief per gereden kilometer en een opstaptarief. Kinderen tot 4 jaar reizen gratis mee. Begeleiders reizen tegen het zelfde tarief als de Wmo-pashouder met wie ze tezamen reizen.

Artikel 8. Woonvoorzieningen

In dit artikel worden de verschillende mogelijkheden qua maatwerkvoorziening op het gebied van wonen genoemd. In deze toelichting wordt nader ingegaan op de wijze van vaststelling.

Daar waar sprake is van maximum bedragen gaat het om woonvoorzieningen die in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. De verantwoording hiervoor geschiedt aan het college.

Voor het normaal gebruik kunnen maken van de woning, kan het nodig zijn om de woning aan te passen of uit te bouwen, als andere oplossingen zoals het verhuizen naar een geschikte woning niet (goed) mogelijk zijn. Dat moet dus nagegaan worden. Een woning wordt alleen aangepast als sprake is van een zelfstandige woonruimte, die geschikt is voor permanente bewoning.

Bij het onderzoek voor de aanpassing van een woonruimte is het van belang vast te stellen of de aanpassing voor de cliënt de beste oplossing is, waarbij ook de (bouwkundige) staat van de woning/woonwagen van belang is, als ook de vraag in hoeverre sprake is van duurzame oplossing. Het is immers de bedoeling dat met de Wmo-ondersteuning een levensloopbestendige oplossing wordt geboden.

Vanzelfsprekend worden alleen de noodzakelijke kosten conform het programma van eisen van de goedkoopst adequate voorziening vergoed. Ten aanzien van een aantal kosten is tevens de maximale vergoeding genoemd.

Bij een voorziening van bouwkundige of woon-technische aard in of aan de woning wordt bij het vaststellen van de hoogte van de woonvoorziening rekening gehouden met de volgende kostensoorten:

  • 1.

    De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen dan vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking. Daarnaast dient het UAV 2012 van toepassing te zijn op uitvoering van werken.

  • 2.

    De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen dan vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking

  • 3.

    Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10 procent van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in DNR 2011. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpendere woningaanpassingen.

  • 4.

    De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom.

  • 5.

    De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening.

  • 6.

    De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting

  • 7.

    Renteverlies en/of rentekosten, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze betaling verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen.

  • 8.

    De door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn.

  • 9.

    De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing.

  • 10.

    De kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening.

  • 11

    De administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de cliënt, voor zover de kosten onder 1 t/m 11 meer dan € 907,-- bedragen, 10% van die kosten, met een maximum van € 340,--.

Bij een voorziening van niet-bouwkundige of niet-woon technische aard moet gedacht worden aan voorzieningen die niet leiden tot een aanpassing of verbouwing van de woning. Voorbeelden van dergelijke voorzieningen zijn de douchestoel en de tillift.

Een voorziening voor de kosten van keuring, onderhoud en reparatie in de woning heeft betrekking op:

  • a.

    stoelliften;

  • b.

    rolstoel- of sta-plateauliften;

  • c.

    woonhuisliften;

  • d.

    hefplateauliften;

  • e.

    balansliften;

  • f.

    de mechanische inrichting voor het verstellen van een in hoogte verstelbaar keukenblok, bad of wastafel;

  • g.

    elektromechanische openings- en sluitingsmechanismen van deuren;

  • h.

    woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of niet-woon technische aard.

De vergoeding van de kosten van onderhoud, keuring en reparatie die betrekking hebben op het genoemde in lid 1 onder f tot en met h zijn gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten.

De vergoeding van de kosten van onderhoud, keuring en reparatie die betrekking hebben op het genoemde in lid 1 onder a tot en met e zijn contractueel vastgelegd in zogenaamde raamovereenkomsten met de leveranciers. Voor de genoemde kosten betreffende liften, die niet zijn opgenomen in de raamovereenkomst geldt een vergoeding, overeenkomstig het maximum bedrag dat vermeld staat in de raamovereenkomsten. De afhandeling van de facturen vindt rechtstreeks plaats tussen de leveranciers en de gemeente.

De hoogte van een door het college te verstrekken woonvoorziening in de kosten van tijdelijke huisvesting is gelijk aan de werkelijk gemaakte noodzakelijke kosten met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onderdeel a van de Wet op de huurtoeslag, voor een maximale periode van 26 werkbare weken.

Op grond van lid 1 onder e kan het college een woonvoorziening verlenen voor het bezoekbaar maken de woning indien het noodzakelijk is dat een cliënt, die woont en verblijft in een Wlz-instelling, de woonkamer en een toilet van de te bezoeken woning van bijvoorbeeld het ouderlijk huis kan bereiken en gebruiken voor zover de voorziening hiervoor noodzakelijk is. De hoogte van de te verstrekken woonvoorziening voor het bezoekbaar maken van de woning is gelijk aan de werkelijke kosten tot maximum van € 5.000,00.

Lid 1f bepaalt de maximum hoogte voor verhuiskosten. Het is van belang dat de aanvrager vóór de verhuizing het verzoek tot vergoeding indient. Bij een toekenning kan, -na indiening van de nota’s-, tot uitbetaling van de vergoeding overgegaan worden.

Het in lid 2 genoemde bedrag is bedoeld als richtlijn. Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een aanvraag voor een woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In feite gaat het om de uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor de goedkoopst adequate voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van het primaat verhuizing is onder de Wet voorzieningen gehandicapten in de jurisprudentie erkend, zij het wel dat enkele duidelijke voorwaarden zijn gesteld.

In de eerste plaats moeten de financiële gevolgen van de verhuizing voor de woonlasten aanvaardbaar zijn en dient de verhuizing te kunnen worden gerealiseerd binnen een uit het advies blijkende medisch verantwoorde termijn. Dat houdt dus in dat het college zicht moet hebben of aanvrager binnen de verantwoorde termijn kan verhuizen naar een geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen woning/woonwagen.

Ook diverse andere relevante aspecten kunnen, afhankelijk van de situatie een rol spelen bij de afweging omtrent het toepassen van het primaat van de verhuizing in een concreet geval, zoals bijvoorbeeld het aanwezig zijn van een stevig netwerk en mantelzorgers in de bestaande woonsituatie van de aanvrager.

Het in lid 3 opgenomen bedrag geldt als een administratieve drempel om aanvragen voor relatief kleine voorzieningen te voorkomen. Het vermijdt bureaucratie, terwijl de aanvrager uiteindelijk later via de eigen bijdrage CAK toch de kosten zelf betaalt.

In lid 4 is vermeld dat woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten voor wooncomplexen worden uitgesloten als maatwerkvoorziening Wmo. De aanpassing van deze ruimten is de verantwoordelijkheid van de eigenaar, c.q. de (Vereniging van) eigenaren. Zij dienen voor aanpassing van deze ruimtes te reserveren, zodat het complex voldoet aan de eisen van de tijd. Op 25 september 2018 heeft het college van Burgemeester en wethouders dit -bestaande ongeschreven- beleid bekrachtigd. De motivatie hiervoor is dat bepaalde toegankelijkheidsvoorzieningen voor gemeenschappelijke ruimten algemeen gebruikelijk zijn. Dit geldt met name voor wooncomplexen bedoeld voor bepaalde doelgroepen als gehandicapten en ouderen, dan wel complexen die feitelijk grotendeels bewoond worden door mensen met beperkingen of mensen die met het oog op levenslang kunnen blijven wonen in het complex hun intrek hebben genomen.

Artikel 9. Rolstoelvoorzieningen (natura of pgb)

Het bedrag voor een sportrolstoel wordt uitsluitend als pgb verstrekt. De aanvrager dient de rolstoel voor dit bedrag zelf aan te schaffen en gedurende drie jaar te onderhouden en indien nodig te repareren.

Artikel 10. Begeleidingsvoorzieningen

In dit artikel worden de mogelijke voorzieningen op het gebied van begeleiding weergegeven die als maatwerkvoorziening in natura (via een gecontracteerde zorgaanbieder) of in de vorm een persoonsgebonden budget kunnen worden ingezet. Naast de genoemde voorzieningen in de notitie is het college ook verantwoordelijk voor de (her)indicatie van beschermd wonen.

De Wmo bepaalt dat beschermd wonen in Nederland toegankelijk is voor een ieder die zich genoodzaakt ziet daar een beroep op te doen. Beschermd wonen is bedoeld voor cliënten die door omstandigheden (tijdelijk) niet zelfstandig kunnen wonen en waarbij een aanbieder voor beschermd wonen de cliënt (enige tijd) in een ‘gecontroleerde’ omgeving opvangt. Het gaat om cliënten met psychische of psychosociale problematiek.

De toegang tot beschermd wonen is bij de lokale gemeenten in Zeeland belegd. Dit betekent dat inwoners van Hulst, die een beroep willen doen op beschermd wonen, kunnen zich melden bij de Stichting Hulst voor Elkaar.

De lokale gemeente is ook bevoegd om de pgb tarieven voor beschermd wonen vast te stellen. De bijlage 4 Tarieven beschermd wonen 2026 maakt integraal deel uit van dit besluit maatschappelijke ondersteuning. De pgb tarieven zijn maximaal 100% van de ZIN tarieven voor beschermd wonen die voor 2026 zijn vastgesteld door de centrumgemeente Vlissingen.

Artikel 11. Omvang van begeleidingsvoorzieningen in natura

In dit artikel is de maximale omvang van de geïndiceerde maatwerkvoorziening begeleiding per week bepaald. Voor de verschillende onderdelen zal dit gebeuren in (hele of halve) uren, dagdelen of dagen.

Artikel 12. Beslissing college in gevallen waarin dit besluit niet voorziet

Ten behoeve van onvoorziene omstandigheden is dit artikel opgenomen.

Artikel 13. Citeertitel

Bij dit artikel is geen nadere toelichting noodzakelijk.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Bij dit artikel is geen nadere toelichting noodzakelijk.

Artikel 15. Intrekking oude nadere regels en overgangsrecht

Bij dit artikel is geen nadere toelichting noodzakelijk.


Noot
1

Maatschappelijke opvang betreft “onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten (…) en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.” (artikel 1.1.1 Wmo 2015).

Noot
2

“Een ingezetene van Nederland komt overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit (...) c. opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten (…)” (artikel 1.2.1 lid b, c Wmo 2015 ).

Noot
3

“Het gemeentebestuur draagt zorg voor de maatschappelijke ondersteuning.” (artikel 2.1.1 lid 1 Wmo 2015).

Noot
4

“Maatschappelijke ondersteuning: (…) bieden van (…) opvang” (artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015).

Noot
5

“ In spoedeisende gevallen,daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, (…), beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid [Wmo 2015] onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 en de aanvraag van de cliënt.

Noot
6

“Een ingezetene van Nederland komt overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit (...) c. opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten (…)” (artikel 1.2.1 lid b,c Wmo 2015 )

Noot
7

“De colleges werken met elkaar samen, indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is.” (artikel 2.6.1 Wmo 2015).

Noot
8

Op dit moment betreft dat regionalesamenwerkingsverbanden waarbij een veelal grotere gemeente in een regio als centrumgemeente door de rijksoverheid is aangewezen.

Noot
9

Om dit te faciliteren heeft de VNG een lijst met contactpersonen landelijke toegankelijkheid per centrumgemeente. Er wordt onderzocht hoe deze informatie beter ontsloten kan worden ten behoeve van bereikbaarheid buiten kantooruren.

Noot
10

Nadere informatie is te vinden in de circulaire BRP en briefadres (zie Externe link:https://www.rvig.nl/documenten/circulaires/2016/11/01/circulaire-brp-en-briefadres).

Noot
11

Voor de taak en werkwijze van de commissie landelijke toegankelijkheid beschermd wonen en maatschappelijke opvang wordt verwezen naar: Externe link:https://vng.nl/onderwerpenindex/maatschappelijke-ondersteuning/beschermd-wonen-maatschappelijke-opvang-ggz/commissie-landelijke-toegankelijkheid-beschermd-wonen-en-maatschappelijke-opvang