Beleidsregels Participatiewet in balans gemeente Gennep 2026

Geldend van 01-01-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleidsregels Participatiewet in balans gemeente Gennep 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep,

  • Gelezen het voorstel van 3 maart 2026;

  • Overwegende dat het college het wenselijk vindt om een beleidsregels vast te stellen waarin richting gegeven wordt aan de uitvoering voor wijzigingen en de lokale beleidsvrijheid die voortvloeien uit de eerste fase van de implementatie van de Participatiewet;

  • Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 31, tweede lid, onderdeel s, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

besluit:

de beleidsregels Participatiewet in balans gemeente Gennep 2026 vast te stellen.

BELEIDSREGELS PARTICIPATIEWET IN BALANS GEMEENTE GENNEP 2026

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

  • 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Belanghebbende: een inwoner van de gemeente Gennep wiens feitelijk verblijf, naast de inschrijving in de BRP, ook in de gemeente Gennep is en wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2 lid 1 Awb);

    • b.

      College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep;

    • c.

      Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • d.

      Jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet;

    • e.

      Probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden;

    • f.

      Schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;

    • g.

      Wet: Participatiewet;

    • h.

      Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • i.

      Zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wet.

HOOFDSTUK 2. BELEIDSKEUZES

Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

Bij de beoordeling of giften in een individueel geval, uit het oogpunt van bijstandsverlening, verantwoord kunnen worden geacht zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:

  • a.

    giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;

  • b.

    giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;

  • c.

    giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand;

  • d.

    giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Wet, waarvan de waarde wordt bepaald naar de waarde in het economisch verkeer en waarvoor dezelfde manier van vrijlaten en verrekenen geldt als bij geldbedragen.

Artikel 3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn

  • 1.

    Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid om een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen zoals bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:

    • a.

      de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015;

  • b.

    de jongere heeft uiterlijk één jaar voorafgaand aan de melding:

  • in een inrichting verbleven;

  • opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015; of

  • bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet;

  • c.

    voor de jongere gold uiterlijk binnen een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet;

  • d.

    de jongere een zorgbehoefte heeft;

  • e.

    de jongere niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen of niet met een woonadres, maar met een briefadres ingeschreven is in de basisregistratie personen;

  • f.

    de jongere uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand heeft ontvangen;

  • g.

    de jongere probleemschulden heeft, of schulden heeft die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast;

  • h.

    de jongere een nieuw te vestigen statushouder betreft.

Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten uit eerdere bijstandsverlening, als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, te gebruiken wanneer:

    • a.

      dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;

    • b.

      de nieuwe aanvraag is ingediend binnen 9 maanden na beëindiging van de eerdere algemene bijstand, aansluitend op de WWtermijn van 3 maanden na minimaal zes maanden arbeid in loondienst; en

    • c.

      de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:

      • werkaanvaarding;

      • detentie;

      • aanvang van een studie;

      • het aangaan van een relatie.

  • 2.

    Voordat het college gebruikmaakt van deze gegevens, wordt bij de belanghebbende nagegaan of er wijzigingen zijn in:

    • a.

      het hoofdverblijf;

    • b.

      de gezinssituatie;

    • c.

      het inkomen en het vermogen.

  • 3.

    In het kader van de vereenvoudigde aanvraagprocedure vraagt het college in ieder geval de volgende gegevens op:

    • bankafschriften van één volledige maand voorafgaand aan de aanvraag;

    • informatie over sollicitatieactiviteiten in de voorafgaande maanden. Indien deze sollicitaties niet hebben geleid tot werk, kan het college bewijsstukken zoals sollicitatiebrieven en/of reacties van werkgevers opvragen om te bepalen welke ondersteuning nodig is, bijvoorbeeld een sollicitatietraining.

  • 4.

    Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Ioaw.

Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

  • 1.

    Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet als:

    • a.

      er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:

  • de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;

  • de belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;

  • een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;

  • de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;

  • de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.

    • b.

      er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:

  • de belanghebbende heeft probleemschulden (niet verwijtbaar) en er was sprake van een bijzondere omstandigheid waardoor diegene niet in staat was om een aanvraag in te dienen?

  • na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is belanghebbende is failliet verklaard;

  • na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten.

  • 2.

    Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw.

HOOFDSTUK 3. SLOTBEPALINGEN

Artikel 6. Evaluatie

Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze beleidsregel onderzoekt het college de doeltreffendheid en de effecten van deze beleidsregel in de praktijk.

Artikel 7. Inwerkingtreding en overgangsrecht

  • 1.

    Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2026.

  • 2.

    Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze beleidsregel in werking is getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.

Artikel 8. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregels Participatiewet in balans gemeente Gennep 2026.

Ondertekening

Ondertekening

Aldus besloten in de vergadering van 3 maart 2026.

Burgemeester en wethouders van Gennep,

De secretaris,Bart Teunissen

De burgemeester,Hans Teunissen