Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758187
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758187/1
Reglement van orde van de gemeenteraad van Maashorst 2026
Geldend van 07-03-2026 t/m heden
Intitulé
Reglement van orde van de gemeenteraad van Maashorst 2026De raad van de gemeente Maashorst;
gelezen het voorstel van het presidium van 26 januari 2026:
gelet op artikel 16 van de Gemeentewet;
b e s l u i t
- 1.
het Reglement van orde van de gemeenteraad van Maashorst 2026 als volgt vast te stellen:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Definities
In dit reglement wordt verstaan onder:
- a.
amendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing;
- b.
commissiegriffier: griffier van een raadscommissie of diens plaatsvervanger;
- c.
commissievoorzitter: voorzitter van een raadscommissie of diens plaatsvervanger;
- d.
fractie: een in de gemeenteraad vertegenwoordigde politieke groepering;
- e.
griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger;
- f.
initiatiefvoorstel: voorstel van een raadslid of meer raadsleden voor een verordening of andere beslissing;
- g.
motie: verklaring waarmee een oordeel of verzoek wordt uitgesproken;
- h.
subamendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een aanhangig amendement of aanhangige motie;
- i.
raadsvoorzitter: voorzitter van de raad of diens plaatsvervanger;
- j.
wet: Gemeentewet.
Artikel 1.2. Het presidium
-
1. Er is een presidium dat bestaat uit de raadsvoorzitter, die fungeert als voorzitter, en de fractievoorzitters.
-
2. Een fractievoorzitter kan zich laten vervangen door een lid uit de eigen fractie. Een fractievoorzitter van een fractie met 1 zetel in de raad kan zich laten vervangen door een commissielid niet-zijnde raadslid dat verbonden is aan de betreffende fractie.
-
3. Het presidium kan anderen uitnodigen deel te nemen aan zijn vergaderingen.
-
4. Het presidium doet aanbevelingen aan de raad over de organisatie en het functioneren van de raad en de raadscommissies voor zover het niet de taken van de agendacommissie betreft.
-
5. Het presidium stelt de vergadercyclus van de raad op in een vergaderschema. Deze vergaderingen vinden in beginsel plaats op donderdagavond. In het vergaderschema wordt voorzien in:
- a.
vormvrije beeldvorming en informatievoorziening;
- b.
formele vergaderingen in raadscommissies ten behoeve van oordeelsvorming; en
- c.
formele vergaderingen in de raad ten behoeve van besluitvorming.
- a.
-
6. Het presidium stelt op voorspraak van de werkgeverscommissie het griffieplan vast.
-
7. Het presidium vervult een stimulerende rol bij de verbetering van het functioneren van de raad.
-
8. Het presidium komt minimaal acht keer per jaar bijeen en voorts wanneer de voorzitter of minimaal twee leden van het presidium dit nodig achten. Het presidium komt in beginsel op maandagavonden bijeen.
-
9. Besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen. Daarbij geldt dat elk lid van het presidium één stem heeft. De voorzitter heeft hierbij geen stem. Bij het staken der stemmen beslist de voorzitter wel.
-
10. De griffier is secretaris van het presidium.
-
11. Presidiumvergaderingen zijn niet openbaar. De voorlopige agenda van het presidium is openbaar.
-
12. Het presidium kan besluiten onder geheimhouding te vergaderen.
-
13. De griffier stelt een besluitenlijst van de vergaderingen van het presidium op. De besluitenlijst is openbaar. Er wordt geen (audio-/video)verslag gemaakt.
-
14. Voor zover het presidium heeft vergaderd onder geheimhouding, wordt hiervan een afzonderlijke besluitenlijst opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij het presidium besluit de verplichting tot geheimhouding over informatie die in die vergadering ter kennis van de aanwezigen komt, op te heffen.
-
15. Het presidium maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de gemeente gebruikelijke wijze openbaar. Het presidium laat de openbaarmaking achterwege in de gevallen waarin een verplichting tot geheimhouding geldt of wanneer openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
-
16. Het presidium is een commissie ex artikel 84 van de wet.
Artikel 1.3. De agendacommissie en het vaststellen van vergaderingen
-
1. Er is een agendacommissie die bestaat uit de commissievoorzitters, plaatsvervangende commissievoorzitters en de eerste plaatsvervangend raadsvoorzitter. De plaatsvervangend raadsvoorzitter fungeert als voorzitter.
-
2. De agendacommissie kan anderen uitnodigen deel te nemen aan haar vergaderingen.
-
3. De agendacommissie heeft in ieder geval de volgende taken:
- a.
het voorbereiden en vaststellen van voorlopige agenda’s voor raadscommissievergaderingen en raadsvergaderingen, op basis van het oordeel van de agendacommissie of voorgestelde agendapunten rijp zijn voor behandeling in de raadscommissie en/of de raad;
- b.
het doen van voorstellen aan de raadscommissie en de raad over andere zaken die de planning en behandeling van agendapunten tijdens raadscommissievergaderingen en raadsvergaderingen betreffen;
- c.
voorlopig bepalen of bij een bepaald agendapunt van een raadscommissie inspreken niet mogelijk is als er al een mogelijkheid tot inspreken is geweest over hetzelfde onderwerp bij een beeldvormende avond;
- d.
het voorbereiden en vaststellen van de opzet van de beeldvormende avonden;
- e.
bewaken van tijdige aanmelding van onderwerpen en de langetermijnagenda van het college; en
- f.
bewaken van de kwaliteit van de vergaderstukken.
- a.
-
4. De agendacommissie is bevoegd om een voorstel met betrekking tot de hantering van spreektijden aan het presidium te doen.
-
5. Besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen. Elk lid van de agendacommissie heeft één stem. Bij het staken der stemmen beslist de voorzitter van de agendacommissie.
-
6. De griffier is secretaris van de agendacommissie.
-
7. Vergaderingen van de agendacommissie zijn in beginsel openbaar.
-
8. De deuren worden gesloten, wanneer ten minste twee leden daar ter vergadering om verzoeken of de voorzitter het nodig oordeelt. De agendacommissie beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.
-
9. De voorlopige agenda van de agendacommissie is openbaar.
-
10. De griffier stelt een besluitenlijst van de vergaderingen van de agendacommissie op. De besluitenlijst is openbaar. Er wordt geen (audio-/video)verslag gemaakt.
-
11. Voor zover de vergadering met gesloten deuren is gehouden, wordt hiervan een afzonderlijke besluitenlijst opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij de agendacommissie besluit de verplichting tot geheimhouding op informatie die in die vergadering ter kennis van de aanwezigen komt, op te heffen.
-
12. De agendacommissie maakt de besluitenlijst van haar vergaderingen op de in de gemeente gebruikelijke wijze openbaar. De agendacommissie laat de openbaarmaking achterwege in de gevallen waarin een verplichting tot geheimhouding geldt of wanneer openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
-
13. De agendacommissie is een commissie ex artikel 84 van de wet.
Artikel 1.4. De griffier
-
1. De griffier is aanwezig in raadsvergaderingen en vergaderingen van het presidium en de agendacommissie.
-
2. Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een plaatsvervanger die door de raad is aangewezen.
-
3. De griffier kan op uitnodiging van de raadsvoorzitter aan beraadslagingen in raadsvergaderingen deelnemen.
Artikel 1.5. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden
-
1. Bij de benoeming van nieuwe raadsleden stelt de raad een commissie in bestaande uit drie raadsleden.
-
2. Deze onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van de nieuw benoemde raadsleden en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de toelating van de nieuw benoemde raadsleden tot de raad. Indien van toepassing, wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies.
-
3. Met het uitbrengen van het advies aan de raad is de commissie ontbonden.
-
4. Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de raadsverkiezingen.
-
5. Na een raadsverkiezing roept de raadsvoorzitter de toegelaten raadsleden op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.
-
6. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de raadsvoorzitter een nieuw benoemd raadslid op voor de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.
-
7. De griffier draagt zorg voor openbaarmaking en publicatie op de website van de gemeenteraad, en terinzagelegging van de andere functies dan het lidmaatschap van de gemeenteraad die de raadsleden vervullen.
-
8. De griffier treedt op als secretaris van de commissie.
Artikel 1.6. Benoeming wethouders
-
1. Bij de benoeming van een wethouder stelt de raad een commissie in bestaande uit drie raadsleden.
-
2. Deze onderzoekt of de benoeming van de kandidaat-wethouder voldoet aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de wet
-
3. De commissie brengt vervolgens advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. Indien van toepassing, wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies.
-
4. Met het uitbrengen van het advies aan de raad is de commissie ontbonden.
-
5. De burgemeester kan voor de aanvang van iedere ambtstermijn opdracht geven om de kandidaat-wethouders aan een risicoanalyse integriteit te onderwerpen. De burgemeester brengt over het eindresultaat daarvan verslag uit aan de geloofsbrievencommissie.
Artikel 1.7. Fracties
-
1. Raadsleden die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zittingsperiode als één fractie beschouwd.
-
2. Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen aanduiding was geplaatst, deelt de fractie uiterlijk in de eerste raadsvergadering aan de raadsvoorzitter mee welke naam deze fractie in de raad zal voeren. Deze naam moet voldoen aan de eisen uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet.
-
3. De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de raadsvoorzitter. Ook tussentijdse wijzigingen hierin worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de raadsvoorzitter.
-
4. Als één of meer raadsleden van één of meer fracties als nieuwe, zelfstandige fractie gaan optreden of zich aansluiten bij een andere fractie, dienen zij hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling te doen aan de raadsvoorzitter.
-
5. Als een fractie een andere naam gaat hanteren, wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de raadsvoorzitter. Een nieuwe naam van een fractie kan alleen worden gehanteerd als deze voldoet aan de eisen uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet. Deze wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende raadsvergadering na naamswijziging.
Hoofdstuk 2. Raadscommissies
Paragraaf 2.1. Algemene bepalingen over raadscommissies
Artikel 2.1. Instelling raadscommissies
-
1. Er is een raadscommissie Ruimte, Economie en Financiën, waarvan de werkzaamheden in ieder geval de volgende onderwerpen betreffen:
- a.
Afval;
- b.
Duurzaamheid;
- c.
Economische zaken;
- d.
Erfgoed en monumenten;
- e.
Financieel beleid en belastingen;
- f.
Innovatie;
- g.
Klimaat en energie;
- h.
Natuur, groen, water en landschap;
- i.
Openbare ruimte;
- j.
Milieu;
- k.
Recreatie en toerisme;
- l.
Ruimtelijke ontwikkeling;
- m.
Verkeer en vervoer; en
- n.
Wonen (inclusief sociale woningbouw).
- a.
-
2. Er is een raadscommissie Samenleving en Bestuur, waarvan de werkzaamheden in ieder geval de volgende onderwerpen betreffen:
- a.
Algemeen bestuurlijke zaken;
- b.
Arbeidsparticipatie;
- c.
Burger- en overheidsparticipatie;
- d.
Cultuur;
- e.
Dienstverlening;
- f.
Kinderopvang;
- g.
Migratieopgaven;
- h.
Onderwijs;
- i.
Openbare orde en veiligheid;
- j.
Organisatie(ontwikkeling), gemeentelijke huisvesting, ICT en informatieveiligheid;
- k.
Positionering gemeente;
- l.
Sociaal domein;
- m.
Sport; en
- n.
Volksgezondheid.
- a.
-
3. Deze raadscommissies zijn commissies ex artikel 82 van de wet.
Artikel 2.2. Taken raadscommissies
-
1. Een raadscommissie:
- a.
brengt advies uit aan de raad over die onderwerpen waarop haar werkzaamheden betrekking hebben;
- b.
kan advies uitbrengen aan de raad over andere onderwerpen dan bedoeld onder a;
- c.
voert overleg met het college of de burgemeester over in ieder geval de door hen verstrekte inlichtingen en het gevoerde bestuur ten aanzien van de onderwerpen waarop haar werkzaamheden betrekking hebben; en
- d.
ziet toe op de nakoming van toezeggingen aan de raad en op de nakoming van door de raad aangenomen moties.
- a.
-
2. Als een onderwerp meerdere raadscommissies aangaat, bepaalt de agendacommissie in welke raadscommissie het onderwerp wordt behandeld.
Artikel 2.3. Samenstelling raadscommissie
-
1. De leden van de raadscommissies worden benoemd door de raad.
-
2. Tijdens vergaderingen van de raadscommissies bestaan de raadscommissies uit een evenredige vertegenwoordiging van de zetels die de fractie in de raad heeft, met gebruikmaking van de volgende verdeelsleutel:
- -
1 en 2 zetels: maximaal twee leden;
- -
3 tot 6 zetels: maximaal drie leden;
- -
meer dan 6 zetels: maximaal vier leden.
- -
-
3. De leden van de raadscommissies kunnen raadslid of commissielid niet-zijnde raadslid zijn.
-
4. De leden van de raadscommissie worden, voor zover het raadsleden betreft, benoemd op hun eigen verzoek of op verzoek van hun fractie.
-
5. De leden van de raadscommissie worden, voor zover het commissieleden niet-zijnde raadsleden betreft, benoemd op verzoek van hun fractie.
-
6. De leden van de raadscommissies worden voor de duur van de raadsperiode benoemd.
-
7. Een benoeming als lid van een raadscommissie krijgt pas kracht op het moment dat het raadslid dan wel commissielid niet-zijnde raadslid de eed of belofte als raadslid dan wel commissielid niet-zijnde raadslid heeft afgelegd.
-
8. De zittingsperiode van een lid van de raadscommissie eindigt in ieder geval met het einde van de zittingsperiode van de raad.
-
9. Het lidmaatschap van een raadscommissie eindigt verder van rechtswege tegelijkertijd met het einde van het raadslidmaatschap of het einde van het zijn van commissielid niet-zijnde raadslid.
-
10. Een lid van een raadscommissie kan te allen tijde ontslag nemen. Het lid doet daarvan schriftelijk mededeling aan de raad.
-
11. Daarnaast ontslaat de raad een lid van een raadscommissie, voor zover het een commissielid niet-zijnde raadslid betreft, op voorstel van de fractie die het lid voor benoeming heeft voorgedragen.
Artikel 2.4. Commissieleden niet-zijnde raadsleden
-
1. Elke fractie kan maximaal twee commissieleden niet-zijnde raadsleden hebben. Een uitzondering geldt voor de fracties met 1 zetel. Zij kunnen maximaal drie commissieleden niet-zijnde raadsleden hebben. Fracties kunnen commissieleden niet-zijnde raadsleden ter benoeming aan de gemeenteraad voordragen.
-
2. De artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de wet zijn op de commissieleden niet-zijnde raadsleden, van overeenkomstige toepassing.
-
3. Bij de benoeming van nieuwe commissieleden niet-zijnde raadsleden stelt de raad een commissie in bestaande uit drie raadsleden. De griffier treedt op als secretaris van de commissie.
-
4. Deze commissie onderzoekt of voldaan wordt aan de vereisten van het tweede lid en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de benoeming tot commissielid niet-zijnde raadslid. Indien van toepassing, wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies.
-
5. Met het uitbrengen van het advies aan de raad is de commissie ontbonden.
-
6. De raad benoemt het voorgedragen commissielid niet-zijnde raadslid, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen van het tweede lid.
-
7. Alvorens deze zijn functie kan uitoefenen, legt het commissielid niet-zijnde raadslid, in handen van de raadsvoorzitter de eed of de belofte af overeenkomstig artikel 14, eerste lid, van de wet, waarbij in plaats van “lid van de raad” moet worden gelezen “commissielid niet-zijnde raadslid”. De benoeming krijgt pas kracht op het moment dat het commissielid niet-zijnde raadslid de eed of de belofte heeft afgelegd.
-
8. De griffier draagt zorg voor openbaarmaking en publicatie op de website van de gemeenteraad, en terinzagelegging van de andere functies die het commissielid niet-zijnde raadslid vervult.
-
9. De commissieleden niet-zijnde raadsleden worden voor de duur van de raadsperiode benoemd.
-
10. De zittingsperiode van een commissielid niet-zijnde raadslid eindigt in ieder geval met het einde van de zittingsperiode van de raad.
-
11. Een commissielid niet-zijnde raadslid houdt ook op commissielid niet-zijnde raadslid te zijn als niet meer voldaan wordt aan de eisen die in het tweede lid zijn gesteld.
-
12. Daarnaast ontslaat de raad een commissielid niet-zijnde raadslid op voorstel van de fractie die het lid voor benoeming heeft voorgedragen.
-
13. Verder kan een commissielid niet-zijnde raadslid te allen tijde ontslag nemen. Het commissielid niet-zijnde raadslid doet daarvan schriftelijk mededeling aan de raad.
-
14. Het lidmaatschap van een commissielid niet-zijnde raadslid houdt eveneens op als het commissielid niet-zijnde raadslid schriftelijk te kennen heeft gegeven dat hij niet langer als commissielid werkzaam is voor de fractie die hem voor benoeming heeft voorgedragen dan wel als uit zijn gedragingen binnen en buiten de commissievergadering in redelijkheid kan worden afgeleid dat hij als commissielid grotendeels dan wel geheel werkzaam is voor een andere fractie dan de fractie die hem voor benoeming heeft voorgedragen.
-
15. Als een fractie niet langer vertegenwoordigd is in de raad, dan vervalt het zijn van commissielid niet-zijnde raadslid van degenen die op voordracht van die fractie zijn benoemd van rechtswege. Dit geldt ook als een fractie niet langer vertegenwoordigd is in de raad door een splitsing van een fractie of een samenvoeging van fracties.
-
16. Als een fractie 1 zetel en drie commissieleden niet-zijnde raadsleden heeft, maar door het overstappen van een of meer raadsleden naar deze fractie groeit in zetels, stelt deze fractie vóór de eerstvolgende raadsvergadering de raad voor om een van de drie commissieleden niet-zijnde raadsleden te ontslaan. Doet deze fractie dit niet, dan is het laatst benoemde commissielid niet-zijnde raadslid van die fractie direct na afloop van die raadsvergadering van rechtswege geen commissielid niet-zijnde raadslid meer.
Artikel 2.5. Commissievoorzitters
-
1. De raad benoemt de commissievoorzitters en hun plaatsvervangers.
-
2. De zittingsperiode van een commissievoorzitter eindigt in ieder geval met het einde van de zittingsperiode van de raad.
-
3. De raad kan commissievoorzitters en hun plaatsvervangers ontslaan.
-
4. Een commissievoorzitter kan te allen tijde ontslag nemen. De commissievoorzitter doet daarvan schriftelijk mededeling aan de raad.
-
5. Als een vacature ontstaat, beslist de raad zo spoedig mogelijk over de vervulling daarvan.
Paragraaf 2.2. Voorbereiding vergaderingen raadscommissies
Artikel 2.6. Oproep en voorlopige agenda raadscommissies
-
1. De commissievoorzitter zendt ten minste zeven dagen voor een vergadering de leden van de raadscommissie een schriftelijke oproep en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken.
-
2. In spoedeisende gevallen kan de commissievoorzitter na het verzenden van een schriftelijke oproep een aanvullende voorlopige agenda opstellen. Deze wordt met de daarbij behorende stukken zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 24 uur voor aanvang van de vergadering aan de leden gezonden.
-
3. Op de stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, is artikel 2.7, derde lid, van toepassing.
-
4. De agenda wordt bij aanvang van een vergadering door de raadscommissie vastgesteld.
Artikel 2.7. Ter inzage leggen van stukken raadscommissies
-
1. Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op een voorlopige agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep op de website van de gemeenteraad geplaatst. Als na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raadscommissie en zo mogelijk door middel van openbare kennisgeving.
-
2. Stukken die niet digitaal beschikbaar zijn, worden op het gemeentehuis ter inzage gelegd.
-
3. Informatie van de raadscommissie of aan de raadscommissie verstrekte informatie waarop op grond van Titel II, Hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is opgelegd, wordt in afwijking van het eerste en tweede lid enkel aan raadsleden en leden van de betreffende raadscommissie verstrekt.
Artikel 2.8. Openbare kennisgeving raadscommissies
-
1. Commissievergaderingen worden door aankondiging in een lokaal weekblad en door plaatsing op de website van de gemeenteraad ter openbare kennis gebracht.
-
2. In spoedeisende gevallen kan de openbare kennisgeving uitsluitend plaatsvinden door plaatsing op de website van de gemeenteraad.
Paragraaf 2.3. Vergaderingen raadscommissies
Artikel 2.9. Presentielijst raadscommissies
De commissiegriffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van vergaderingen.
Artikel 2.10. Opening vergadering en quorum raadscommissies
-
1. Leden van de raadscommissie tekenen voor aanvang van de vergadering de presentielijst.
-
2. Een vergadering wordt niet geopend voordat uit de presentielijst blijkt dat meer dan de helft van het aantal in de raad zitting hebbende fracties tegenwoordig is.
-
3. Als een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal fracties vertegenwoordigd is, bepaalt de voorzitter in overleg met de aanwezige commissieleden onder verwijzing naar dit artikel en na voorlezing van de namen van de afwezige fracties, dag en uur van de volgende vergadering, tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.
-
4. Op een vergadering als bedoeld in het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing. Een raadscommissie kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de vanwege het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, als uit de presentielijst blijkt dat meer dan de helft van het aantal in de raad zitting hebbende fracties tegenwoordig is.
Artikel 2.11. Verslag en besluitenlijst raadscommissies
-
1. Een commissiegriffier draagt zorg voor audio-/videoverslagen en besluitenlijsten van vergaderingen.
-
2. Het audio-/videoverslag:
- a.
omvat de volledige vergadering, voor zover de vergadering niet met gesloten deuren plaatsvond;
- b.
wordt geïndexeerd naar de onderwerpen die besproken zijn; en
- c.
is zo spoedig mogelijk via de website van de gemeenteraad toegankelijk.
- a.
-
3. De besluitenlijst bevat in ieder geval:
- a.
de namen van de commissievoorzitter, de commissiegriffier, de aanwezige leden van de raadscommissie en de overige deelnemers aan de vergadering;
- b.
een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;
- c.
gedane toezeggingen;
- d.
tijdens de vergadering gehouden stemmingen als bedoeld in artikel 2.12, derde lid, en de uitslag daarvan;
- e.
(daarmee) de beslissingen die de commissie genomen heeft; en
- f.
het geformuleerde advies aan de gemeenteraad.
- a.
-
4. Bij het begin van de vergadering wordt de besluitenlijst van de vorige vergadering vastgesteld.
Artikel 2.12. Advies en stemmingen raadscommissies
-
1. Als een raadscommissie een advies aan de raad uitbrengt, beslissen de leden op voorstel van de commissievoorzitter over de inhoud van het advies.
-
2. Hierbij worden minderheidsstandpunten expliciet opgenomen in het advies.
-
3. In een vergadering vinden geen stemmingen plaats, uitgezonderd over:
- -
de vraag of een voorstel rijp is voor besluitvorming in de raad;
- -
het aanmerken van een voorstel als hamerstuk;
- -
het vaststellen van agenda en besluitenlijst;
- -
het als afgedaan beschouwen van toezeggingen en door de raad aangenomen moties;
- -
het opleggen en opheffen van geheimhouding;
- -
het vergaderen achter gesloten deuren;
- -
de orde van de vergadering als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid;
- -
de hervatting van de vergadering na 23.00 uur als bedoeld in artikel 2.19, tweede lid;
- -
of anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging;
- -
de mogelijkheid tot inspreken als bedoeld in artikel 2.15; en
- -
het toelaten van vragen bij de rondvraag als bedoeld in artikel 2.16, vijfde lid.
- -
-
4. Met betrekking tot het aanmerken van een voorstel als hamerstuk is unanimiteit vereist.
-
5. Voor zover een voorstel niet als hamerstuk wordt aangemerkt, formuleren de commissie en haar leden welke zaken volgens de commissie(leden) nog nadere bespreking tijdens de raadsvergadering behoeven.
-
6. Bij alle andere stemmingen geldt dat voor het tot stand komen van een beslissing bij de stemming de volstrekte meerderheid wordt vereist van hen die een stem hebben uitgebracht. Hierbij geldt dat alle leden van de raadscommissie die aan de vergadering deelnemen één stem hebben.
-
7. De commissievoorzitter is geen lid van de commissie en heeft geen stemrecht in zijn commissie.
-
8. Bij het staken der stemmen is een voorstel verworpen. Bij het staken der stemmen over de vraag of een voorstel rijp is voor besluitvorming in de raad, is het oordeel van de raadscommissie dat het voorstel niet rijp is voor besluitvorming in de raad.
-
9. Een commissielid neemt niet deel aan de beraadslaging over:
- a.
een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;
- b.
de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort.
- a.
Artikel 2.13. Aantal spreektermijnen raadscommissies
-
1. Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raadscommissie anders beslist.
-
2. De voorzitter kan interrupties toelaten.
-
3. Spreektermijnen worden door de commissievoorzitter afgesloten.
-
4. Commissieleden mogen in een termijn niet meer dan eenmaal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel.
-
5. Bij de bepaling hoeveel malen een commissielid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, worden niet meegerekend de interrupties en het spreken over een voorstel van orde.
Artikel 2.14. Deelname aan de beraadslaging door anderen bij raadscommissies
Een raadscommissie kan besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging.
Artikel 2.15. Spreekrecht inwoners bij raadscommissies
-
1. Inwoners, vertegenwoordigers van organisaties en vertegenwoordigers van bedrijven uit de gemeente Maashorst kunnen in een vergadering van de commissie het woord voeren (spreekrecht) over geagendeerde en niet geagendeerde onderwerpen die het werkveld van de raadscommissie betreffen. Inspreken over niet geagendeerde onderwerpen vindt plaats tijdens het daarvoor gereserveerde inspreekmoment. Inspreken over geagendeerde onderwerpen vindt plaats voorafgaand aan de beraadslaging bij het agendapunt waarop wordt ingesproken.
-
2. Bij insprekers namens organisaties en bedrijven geldt dat tijdens een vergadering per bedrijf en per organisatie één persoon kan inspreken over een onderwerp.
-
3. De raadscommissie kan bepalen dat bij een bepaald geagendeerd onderwerp inspreken niet mogelijk is omdat er al een mogelijkheid tot inspreken is geweest over hetzelfde onderwerp bij een beeldvormende avond.
-
4. Elke inspreker krijgt gedurende maximaal drie minuten het woord. De gezamenlijke spreektijd is 30 minuten. Bij meer dan tien aanmeldingen voor een vergadering kan de voorzitter tot een andere verdeling van de individuele spreektijd komen.
-
5. Het woord kan niet gevoerd worden:
- a.
over een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en/of beroep openstaat of heeft opengestaan;
- b.
over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; en
- c.
indien over het onderwerp een klacht op grond van Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend.
- a.
-
6. Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit uiterlijk om 12.00 uur op de werkdag voorafgaande aan de dag van de vergadering aan de commissiegriffier onder vermelding van zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp waarover het woord gevoerd wenst te worden.
-
7. De commissievoorzitter geeft bij meerdere insprekers bij hetzelfde agendapunt het woord aan de insprekers op volgorde van aanmelding. De commissievoorzitter kan van de volgorde afwijken, als dit in het belang is van de orde van de vergadering.
-
8. De inspreker voert het woord, nadat de commissievoorzitter hem dit heeft verleend. De commissievoorzitter kan de deelnemers aan de vergadering toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers van de vergadering.
-
9. De commissievoorzitter of een commissielid doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de inspreker.
Artikel 2.16. Rondvraag bij raadscommissies
-
1. Aan het begin van de vergadering is er een rondvraag, tenzij bij de commissievoorzitter geen vragen zijn ingediend.
-
2. Tijdens de rondvraag kunnen leden van de raadscommissie politieke vragen stellen die het werkveld van de raadcommissie betreffen.
-
3. Leden van de raadscommissie die tijdens de rondvraag vragen willen stellen, dienen de vragen ten minste 24 uur voor aanvang van de vergadering schriftelijk in bij de commissievoorzitter.
-
4. De commissievoorzitter bepaalt de volgorde waarin aangemelde onderwerpen tijdens de rondvraag aan de orde worden gesteld.
-
5. De raadscommissie kan besluiten de vragen van een vragensteller niet toe te laten als de vragen enkel technisch van aard zijn of niet het werkveld van de raadscommissie betreffen. De commissievoorzitter kan de raadscommissie hierover voorafgaand adviseren.
-
6. Per onderwerp verleent de commissievoorzitter aan de vragensteller het woord om één of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven. Na de beantwoording daarvan krijgt de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen.
-
7. De commissievoorzitter kan aan andere leden van de raadscommissie het woord verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.
-
8. Tijdens de rondvraag worden geen interrupties toegelaten.
Artikel 2.17 Mededelingen over samenwerkingsverbanden bij raadscommissies
-
1. Aan het begin van de vergadering is er een agendapunt waarbij gemeentelijke vertegenwoordigers in samenwerkingsverbanden mededelingen kunnen doen vanuit de betreffende samenwerkingsverbanden, voor zover die samenwerkingsverbanden het werkveld van de raadscommissie betreffen. Commissieleden kunnen hierover vragen stellen.
-
2. Tijdens dit agendapunt worden geen interrupties toegelaten.
Artikel 2.18. Handhaving orde en schorsing bij raadscommissies
-
1. De commissievoorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering.
-
2. De commissievoorzitter roept sprekers tot de orde als deze zich in beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen uitlaten, afwijken van het in behandeling zijnde onderwerp, andere sprekers herhaaldelijk interrumperen, dan wel anderszins de orde verstoren. Sprekers die hieraan geen gevolg geven, kunnen door hem het woord ontnomen worden over het aanhangige onderwerp.
-
3. De commissievoorzitter kan de raadscommissie voorstellen aan een commissielid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. De raadscommissie beslist hier terstond over. Na aanneming daarvan verlaat het commissielid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de commissievoorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het commissielid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.
-
4. De commissievoorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en, als na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord, de vergadering sluiten.
Artikel 2.19. Voorstellen van orde en eindtijd bij raadscommissies
-
1. Commissieleden kunnen tijdens een vergadering mondeling een voorstel van orde over de vergadering doen. De raadscommissie beslist hier terstond over.
-
2. Er wordt gestreefd naar een eindtijd van 23.00 uur. Als de vergadering om 23.00 uur nog niet is afgelopen, beslist de raadscommissie om de vergadering in het geheel voort te zetten, of het betreffende onderdeel van de vergadering voor te zetten en de vergadering op een door de commissie te bepalen dag te hervatten. De vergadering wordt in beginsel de eerstvolgende maandag of, als die maandag een feestdag is, de volgende werkdag na deze maandag hervat.
-
3. De commissievoorzitter doet een voorstel over het al dan niet voortzetten van de vergadering als bedoeld in het tweede lid. Als de raadscommissie besluit om de vergadering op een andere dag te hervatten, doet de commissievoorzitter een voorstel over de datum en het tijdstip van de hervatting van de vergadering.
Paragraaf 2.4. Vergaderingen raadscommissies met gesloten deuren
Artikel 2.20. Toepassing reglement op vergaderingen raadscommissies met gesloten deuren
Voor zover vergaderingen van de commissies met gesloten deuren plaatsvinden, is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering.
Artikel 2.21. Verslag en besluitenlijst vergadering raadscommissies met gesloten deuren
-
1. Het verslag van de vergadering met gesloten deuren is schriftelijk en bevat een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest en een zakelijke samenvatting van het gesprokene, met vermelding van de namen van de sprekers.
-
2. Schriftelijke verslagen als bedoeld in het eerste lid en besluitenlijsten van commissievergaderingen met gesloten deuren worden niet verspreid, maar uitsluitend voor de commissieleden en raadsleden beschikbaar gesteld.
-
3. De schriftelijke verslagen en besluitenlijsten worden zo spoedig mogelijk in een vergadering met gesloten deuren ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raadscommissie een besluit over het al dan niet opheffen van de geheimhouding op het verslag en de besluitenlijst.
-
4. Mocht de commissie de geheimhouding op hetgeen besproken is hebben opgeheven voordat de schriftelijke verslagen en besluitenlijsten zijn vastgesteld, dan worden de schriftelijke verslagen en besluitenlijsten zo spoedig mogelijk in een openbare vergadering ter vaststelling aangeboden.
Artikel 2.22. Opheffing geheimhouding raadscommissies
Als de raad op grond van artikel 89, vierde lid, van de wet voornemens is de geheimhouding van aan de raad verstrekte informatie op te heffen, wordt, als de raadscommissie die geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een vergadering met de raadscommissie met gesloten deuren overleg gevoerd.
Paragraaf 2.5. Toehoorders, pers en registraties bij raadscommissies
Artikel 2.23. Toehoorders en pers bij raadscommissies
-
1. Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare commissievergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde plaatsen.
-
2. Het blijkgeven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is hen verboden.
-
3. De commissievoorzitter is bevoegd, wanneer de orde in de vergadering op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken.
-
4. Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergaderingen van de raadscommissie te ontzeggen.
Artikel 2.24. Geluid- en beeldregistraties raadscommissies
-
1. Het maken van geluid- of beeldregistraties van openbare commissievergaderingen is enkel toegestaan indien voorafgaand aan de vergadering toestemming hiervoor is gevraagd aan en verkregen van de voorzitter.
-
2. Degenen die geluid- of beeldregistraties maken, gedragen zich naar aanwijzingen van de voorzitter.
-
3. Commissieleden en collegeleden mogen geen beeldregistraties maken van commissievergaderingen.
Hoofdstuk 3. Raadsvergaderingen
Paragraaf 3.1. Voorbereiding raadsvergaderingen
Artikel 3.1. Oproep en agenda raadsvergaderingen
-
1. De raadsvoorzitter zendt ten minste zeven dagen voor een raadsvergadering de raadsleden een schriftelijke oproep en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken.
-
2. In spoedeisende gevallen kan de raadsvoorzitter na het verzenden van een schriftelijke oproep een aanvullende agenda opstellen. Deze wordt met de daarbij behorende stukken zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 24 uur voor aanvang van de vergadering aan de leden gezonden.
-
3. Op de stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, is artikel 3.2, derde lid, van toepassing.
-
4. De agenda wordt bij aanvang van een raadsvergadering door de raad vastgesteld.
Artikel 3.2. Ter inzage leggen van stukken raadsvergaderingen
-
1. Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op een voorlopige agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep op de website van de gemeenteraad geplaatst. Als na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk door middel van openbare kennisgeving.
-
2. Stukken die niet digitaal beschikbaar zijn, worden op het gemeentehuis ter inzage gelegd.
-
3. Informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie waarop op grond van Titel II, Hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is opgelegd, wordt in afwijking van het eerste en tweede lid enkel aan raadsleden verstrekt.
Artikel 3.3. Openbare kennisgeving raadsvergaderingen
-
1. Raadsvergaderingen worden door aankondiging in een lokaal weekblad en door plaatsing op de website van de gemeenteraad ter openbare kennis gebracht.
-
2. In spoedeisende gevallen kan de openbare kennisgeving uitsluitend plaatsvinden door plaatsing op de website van de gemeenteraad.
Paragraaf 3.2. Ter raadvergadering
Artikel 3.4. Presentielijst raadsvergaderingen
-
1. De griffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van raadsvergaderingen.
-
2. Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen raadsleden de presentielijst, die aan het einde van elke raadsvergadering door de raadsvoorzitter en de griffier door ondertekening wordt vastgesteld.
Artikel 3.5. Aantal spreektermijnen en spreekplaats raadsvergaderingen
-
1. Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist.
-
2. Spreektermijnen worden door de raadsvoorzitter afgesloten.
-
3. Raadsleden voeren in een termijn niet meer dan éénmaal het woord over hetzelfde onderwerp of voorstel.
-
4. Het derde lid is niet van toepassing op een raadslid dat een amendement, een subamendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend ten aanzien van de beraadslaging daarover.
-
5. Bij de bepaling hoeveel keer een raadslid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde en interrupties.
-
6. Raadsleden spreken naar eigen keuze vanaf de eigen plaats of het spreekgestoelte.
Artikel 3.6. Deelname aan de beraadslaging door anderen bij raadsvergaderingen
Onverminderd artikel 21, eerste en tweede lid, van de wet, kan de raad besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging.
Artikel 3.7. Voorstellen van orde en eindtijd raadsvergaderingen
-
1. Raadsleden kunnen tijdens een raadsvergadering mondeling een voorstel van orde over de vergadering doen. De raad beslist hier terstond over.
-
2. Er wordt gestreefd naar een eindtijd van 23.00 uur. Als de vergadering om 23.00 uur nog niet is afgelopen, beslist de raad om de vergadering in het geheel voort te zetten, of het betreffende onderdeel van de vergadering voor te zetten en de vergadering op een door de raad te bepalen dag te hervatten. De vergadering wordt in beginsel de eerstvolgende maandag of, als die maandag een feestdag is, de volgende werkdag na deze maandag hervat.
-
3. De raadsvoorzitter doet een voorstel over het al dan niet voortzetten van de vergadering. Als de raad besluit om de vergadering op een andere dag te hervatten, doet de raadsvoorzitter een voorstel over de datum en het tijdstip van de hervatting van de vergadering.
Paragraaf 3.3. Stemmingen raadsvergaderingen
Artikel 3.8. Stemverklaring raadsvergaderingen
Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, kunnen raadsleden hun voorgenomen stemgedrag beknopt toelichten.
Artikel 3.9. Beslissingen raadsvergaderingen
-
1. De raadsvoorzitter sluit de beraadslaging als hij vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist.
-
2. Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, licht de raadsvoorzitter het voorstel voor de te nemen beslissing toe.
Artikel 3.10. Stemmingen bij raadsvergaderingen
-
1. De raadsvoorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is dit niet het geval dan stelt de raadsvoorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen.
-
2. Voordat een voorstel zonder stemming wordt aangenomen, kunnen de in de raadsvergadering aanwezige raadsleden aantekening in het verslag vragen, dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of zich overeenkomstig artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming te hebben onthouden.
-
3. Als een raadslid om stemming of hoofdelijke stemming vraagt, doet de raadsvoorzitter daarvan mededeling aan de raad.
-
4. Stemmingen gebeuren bij handopsteking of digitaal.
-
5. Bij hoofdelijke stemming roept de raadsvoorzitter de raadsleden bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het daarvoor bij loting aangewezen raadslid.
-
6. Bij hoofdelijke stemming brengen ter vergadering aanwezige raadsleden die zich niet op grond van artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, hun stem uit door zich 'voor' of 'tegen' te verklaren, zonder enige toevoeging.
-
7. Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan deze vergissing herstellen tot het volgende raadslid heeft gestemd. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later, dan kan deze nadat de raadsvoorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt aantekening vragen van zijn vergissing. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming.
-
8. De raadsvoorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee en geeft hierbij aan of het voorgenomen besluit is aangenomen dan wel verworpen.
Artikel 3.11. Volgorde stemming over amendementen en moties bij raadsvergaderingen
-
1. Als op een aanhangig voorstel amendementen zijn ingediend, wordt eerst over die amendementen gestemd en vervolgens over het voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel.
-
2. Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat betrekking heeft.
-
3. Als meerdere amendementen of subamendementen op eenzelfde gedeelte van een aanhangig voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en tweede lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of subamendement gestemd.
-
4. Als over een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie. De raad kan besluiten van deze volgorde af te wijken.
-
5. Als over een aanhangige motie een amendement is ingediend, wordt eerst over het amendement gestemd en vervolgens over de motie.
Artikel 3.12. Stemming over personen bij raadsvergaderingen
-
1. Bij stemming over personen voor benoemingen of het opstellen van voordrachten of aanbevelingen, benoemt de raadsvoorzitter drie raadsleden tot stembureau.
-
2. Aanwezige raadsleden die zich niet op grond van artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, zijn verplicht een door het stembureau verstrekt stembriefje in te leveren.
-
3. Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van het stembureau beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje.
-
4. In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad op voorstel van het stembureau.
Paragraaf 3.4. Verslaglegging en ingekomen stukken raadsvergaderingen
Artikel 3.13. Verslag en besluitenlijst raadsvergaderingen
-
1. De griffier draagt zorg voor audio-/videoverslagen en besluitenlijsten van raadsvergaderingen.
-
2. Het audio-/videoverslag:
- a.
omvat de volledige vergadering, voor zover de vergadering niet met gesloten deuren plaatsvond;
- b.
wordt geïndexeerd naar de onderwerpen die besproken zijn; en
- c.
is zo spoedig mogelijk via de website van de gemeenteraad toegankelijk.
- a.
-
3. Uit een besluitenlijst blijkt in ieder geval:
- a.
de namen van de raadsvoorzitter, de griffier, de aanwezige raadsleden, de aanwezige collegeleden en de overige deelnemers aan de vergadering;
- b.
een aantekening van welke raadsleden afwezig waren;
- c.
een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;
- d.
gedane toezeggingen;
- e.
een overzicht van het verloop van elke stemming met vermelding van de namen van de raadsleden die zich overeenkomstig de wet van stemming hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist;
- f.
afgelegde stemverklaringen; en
- g.
de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties, amendementen en subamendementen.
- a.
-
4. Bij het begin van de vergadering wordt de besluitenlijst van de vorige vergadering vastgesteld.
-
5. Vastgestelde besluitenlijsten worden ondertekend door de raadsvoorzitter en griffier.
-
6. Voor zover de aard en de inhoud van de besluitvorming zich daartegen niet verzet, worden het concept van de besluitenlijst en de vastgestelde besluitenlijst zo spoedig mogelijk na de raadsvergadering openbaar gemaakt op de website van de gemeenteraad.
-
7. Elektronisch beschikbare verslagen en besluitenlijsten worden op de website van de gemeenteraad geplaatst.
Artikel 3.14. Ingekomen stukken raadsvergaderingen
-
1. Bij de raad ingekomen stukken worden op een lijst geplaatst die aan de raadsleden wordt toegezonden en op de website van de gemeenteraad gepubliceerd.
-
2. Na de vaststelling van de besluitenlijst stelt de raad op voorstel van de griffier, de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.
Paragraaf 3.5. Raadsvergaderingen met gesloten deuren
Artikel 3.15. Toepassing reglement op raadsvergaderingen met gesloten deuren
Voor zover raadsvergaderingen met gesloten deuren plaatsvinden, is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering.
Artikel 3.16. Verslag en besluitenlijst raadsvergaderingen met gesloten deuren
-
1. Het verslag van een raadsvergadering met gesloten deuren is schriftelijk en bevat een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest en een zakelijke samenvatting van het gesprokene, met vermelding van de namen van de sprekers.
-
2. Schriftelijke verslagen als bedoeld in het eerste lid en besluitenlijsten van raadsvergaderingen met gesloten deuren worden niet verspreid, maar uitsluitend voor de raadsleden beschikbaar gesteld.
-
3. De schriftelijke verslagen en besluitenlijsten worden zo spoedig mogelijk in een raadsvergadering met gesloten deuren ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet opheffen van de geheimhouding op het verslag en de besluitenlijst.
-
4. Mocht de raad de geheimhouding op hetgeen besproken is hebben opgeheven voordat de schriftelijke verslagen en besluitenlijsten zijn vastgesteld, dan worden de schriftelijke verslagen en besluitenlijsten zo spoedig mogelijk in een openbare vergadering ter vaststelling aangeboden.
-
5. De vastgestelde verslagen en besluitenlijsten worden door de raadsvoorzitter en de griffier ondertekend.
Artikel 3.17. Opheffing geheimhouding raadsvergaderingen
Als de raad op grond van artikel 89, vierde lid, van de wet voornemens is de geheimhouding van aan de raad verstrekte informatie op te heffen, wordt, als het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een raadsvergadering met gesloten deuren met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.
Paragraaf 3.6. Toehoorders, pers en registraties bij raadsvergaderingen
Artikel 3.18. Toehoorders en pers bij raadsvergaderingen
-
1. Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare raadsvergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde plaatsen.
-
2. Het blijkgeven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is hen verboden.
Artikel 3.19. Geluid- en beeldregistraties raadsvergaderingen
-
1. Het maken van geluid- of beeldregistraties van openbare raadsvergaderingen is enkel toegestaan indien voorafgaand aan de vergadering toestemming hiervoor is gevraagd aan en verkregen van de raadsvoorzitter.
-
2. Degenen die geluid- of beeldregistraties maken, gedragen zich naar aanwijzingen van de raadsvoorzitter.
-
3. Raadsleden en collegeleden mogen geen beeldregistraties maken van raadsvergaderingen.
Paragraaf 3.7. Bevoegdheden en instrumenten raadsleden bij raadsvergaderingen
Artikel 3.20. Collegevoorstel
-
1. Een collegevoorstel aan de raad dat vermeld staat op de voorlopige agenda van de raadsvergadering, wordt niet ingetrokken of gewijzigd zonder toestemming van de raad.
-
2. Als de raad van oordeel is dat het nodig is een collegevoorstel voor advies terug te zenden aan het college, bepaalt de raad binnen welke termijn het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.
Artikel 3.21. Amendementen en subamendementen
-
1. Raadsleden dienen amendementen en subamendementen bij voorkeur 24 uur voor de vergadering, maar uiterlijk, voor het sluiten van de beraadslaging van het voorstel waarop deze betrekking hebben, schriftelijk in bij de raadsvoorzitter, tenzij de raadsvoorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat.
-
2. Er wordt alleen beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben.
-
3. Intrekking door de indiener van een amendement of subamendement is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond.
Artikel 3.22. Moties
-
1. Raadsleden dienen moties, bij voorkeur 24 uur voor de vergadering, schriftelijk in bij de raadsvoorzitter, tenzij de raadsvoorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat.
-
2. De behandeling van een motie vindt gelijktijdig plaats met de beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop het betrekking heeft.
-
3. De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda opgenomen onderwerpen zijn behandeld, tenzij de raad anders beslist.
-
4. Er wordt alleen beraadslaagd over moties die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben.
-
5. Intrekking door de indiener van een motie is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond.
Artikel 3.23. Initiatiefvoorstel
-
1. Raadsleden dienen initiatiefvoorstellen schriftelijk in bij de raadsvoorzitter. Deze brengt een ingediend voorstel zo spoedig mogelijk ter kennis van het college.
-
2. Het college kan binnen 30 dagen nadat het ter kennis is gesteld van een voorstel schriftelijk wensen en bedenkingen met betrekking tot het voorstel ter kennis van de raad brengen.
-
3. Nadat het college schriftelijk wensen of bedenkingen ter kennis van de raad heeft gebracht of kenbaar heeft gemaakt hiertoe niet te zullen overgaan, dan wel nadat de in het tweede lid gestelde termijn is verlopen, wordt het voorstel, nadat de initiatiefnemers de kans hebben gehad het voorstel te wijzigen, op de agenda van de eerstvolgende raadsvergadering geplaatst. Als de schriftelijke oproep hiervoor al verzonden is, wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende raadsvergadering geplaatst.
Artikel 3.24. Interpellatie
-
1. Raadsleden dienen verzoeken tot het houden van een interpellatie schriftelijk in bij de raadsvoorzitter. Het verzoek bevat in ieder geval de te stellen vragen.
-
2. De raadsvoorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college.
-
3. De raad neemt een besluit over een verzoek tot het houden van een interpellatiedebat bij vaststelling van de agenda van de vergadering van de raad.
-
4. Over verzoeken die ten minste 48 uur voor aanvang van een raadsvergadering zijn ingediend of in, naar het oordeel van de raadsvoorzitter, spoedeisende gevallen, wordt tijdens de eerstkomende raadsvergadering gestemd. In andere gevallen tijdens de daaropvolgende raadsvergadering.
-
5. De interpellant voert niet vaker dan tweemaal het woord. De overige raadsleden, de burgemeester en de wethouders niet vaker dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.
Artikel 3.25. Rondvraag raadsvergaderingen
-
1. Aan het begin van de vergadering is er een rondvraag, tenzij bij de raadsvoorzitter geen vragen zijn ingediend.
-
2. Tijdens de rondvraag kunnen raadsleden actuele politieke vragen stellen.
-
3. Raadsleden die tijdens de rondvraag vragen willen stellen, dienen de vragen ten minste 24 uur voor aanvang van de rondvraag schriftelijk bij de raadsvoorzitter.
-
4. De raadsvoorzitter bepaalt de volgorde waarin aangemelde onderwerpen tijdens de rondvraag aan de orde worden gesteld.
-
5. De raad kan besluiten de vragen van een vragensteller niet toe te laten als de vragen enkel technisch van aard zijn en/of niet actueel zijn. De raadsvoorzitter kan de raad hierover voorafgaand adviseren.
-
6. Per onderwerp verleent de raadsvoorzitter de vragensteller het woord om één of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven. Na de beantwoording daarvan krijgt de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen.
-
7. De raadsvoorzitter kan aan andere raadsleden het woord verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.
-
8. Tijdens de rondvraag kunnen geen moties worden ingediend en worden geen interrupties toegelaten.
Hoofdstuk 4 Overige bevoegdheden en instrumenten raadsleden en commissieleden niet-zijnde raadsleden
Artikel 4.1. Schriftelijke politieke vragen
-
1. Raadsleden dienen schriftelijke politieke vragen aan het college of de burgemeester in bij de griffier, waarbij wordt aangegeven als er een voorkeur voor mondelinge beantwoording bestaat.
-
2. De griffier brengt de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college.
-
3. Schriftelijke beantwoording gebeurt zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen 30 dagen nadat de vragen zijn ingediend. Het college of de burgemeester stelt de vragensteller gemotiveerd in kennis als de beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden.
-
4. Vragen die ten minste zeven dagen voor aanvang van een raadsvergadering zijn ingediend worden, bij verzoek om mondelinge beantwoording, mondeling beantwoord in de eerstkomende raadsvergadering, tenzij het college of de burgemeester de griffier gemotiveerd in kennis stelt dat dit onmogelijk is, waarbij ook aangegeven wordt binnen welke termijn beantwoording zal plaatsvinden.
-
5. Schriftelijke antwoorden van het college of de burgemeester worden door de griffier aan de raadsleden toegezonden.
-
6. De vragensteller kan bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in dezelfde raadsvergadering nadere inlichtingen vragen over het door het college of de burgemeester gegeven antwoord, tenzij de raad anders beslist. In het geval dat de vragensteller bij schriftelijke beantwoording nadere inlichtingen wil vragen, kondigt de vragensteller dit ten minste 24 uur voor aanvang van de betreffende vergadering aan.
Artikel 4.2. Technische vragen
-
1. Raadsleden en commissieleden niet-zijnde raadsleden dienen technische vragen aan de ambtelijke organisatie schriftelijk in bij de griffier. Deze vragen worden schriftelijk beantwoord.
-
2. Technische vragen die betrekking hebben op een agendapunt dat op de voorlopige agenda van een commissievergadering of raadsvergadering staat en ten minste 24 uur voor aanvang van de betreffende vergadering zijn ingediend, worden zoveel mogelijk voorafgaand aan de vergadering schriftelijk beantwoord.
-
3. Schriftelijke beantwoording van overige technische vragen gebeurt zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen 10 dagen nadat de vragen zijn ingediend.
Artikel 4.3. Inlichtingen
-
1. Raadsleden dienen verzoeken tot inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de wet schriftelijk in bij de griffier.
-
2. De griffier brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college of de burgemeester.
-
3. De verlangde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk aan de raad verschaft, in ieder geval binnen tien dagen nadat het verzoek is ingediend.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 5.1. Uitleg reglement
In gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel over de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de raadsvoorzitter
Artikel 5.2. Intrekking
Het Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente Maashorst 2022 wordt ingetrokken.
Artikel 5.3. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Dit reglement treedt in werking met ingang van de dag na die waarop zij is bekendgemaakt.
-
2. Dit reglement wordt aangehaald als: het Reglement van orde van de gemeenteraad van Maashorst 2026.
Ondertekening
Vastgesteld in de openbare vergadering van 26 februari 2026.
De raad voornoemd,
de griffier,
N.E. Gradisen
de voorzitter,
J.A. van der Pas
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Definities
In dit artikel worden een aantal begrippen uit dit reglement van orde gedefinieerd. Deze spreken grotendeels voor zich. Voor wat betreft het begrip ‘raadsvoorzitter’ zij nog vermeld dat de burgemeester voorzitter is van de raad. Artikel 9 van de Gemeentewet (hierna: wet) schrijft dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, van de wet is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. Op grond van artikel 21 van de wet heeft de burgemeester het recht in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering.
Artikel 1.2. Het presidium
Het presidium heeft voornamelijk een algemeen adviserende rol (aanbevelingen aan de raad over de organisatie en het functioneren van de raad). De VNG is van mening dat het presidium voor wat betreft de inhoudelijke aspecten van het raadswerk een ondergeschikte rol dient te vervullen, omdat anders het gevaar bestaat dat er binnen de raad een nieuw bestuursorgaan wordt gecreëerd, hetgeen niet strookt met de Grondwet, die het primaat immers expliciet bij de raad legt (artikel 125, eerste lid, van de Grondwet).
Het presidium als zodanig kan niet ook optreden als werkgeverscommissie. De werkgeverscommissie, ingesteld op basis van artikel 83 van de wet, bestaat immers enkel uit raadsleden (en dus niet, zoals het presidium, ook de voorzitter van de raad).
In dit artikel van het reglement is onder meer als aanvullende taak opgenomen dat het presidium aanbevelingen doet aan de raad over de organisatie en het functioneren van de raad en de raadscommissies. Hieronder vallen taken als: het initiëren van een aanpassing van dit reglement, en het doen van voorstellen voor benoemingen (zoals voor leden van de raadscommissies, commissieleden niet-zijnde raadsleden, leden van de werkgeverscommissie, leden van de auditcommissie en plaatsvervangende raadsvoorzitters).
Het is van belang dat in het presidium elke partij een stem heeft die even zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een dualistisch stelsel versterkt. Ook kan dit de betrokkenheid van alle fracties bij de raadsvergaderingen vergroten.
De griffier is bij elke vergadering van het presidium aanwezig (zie ook artikel 1.4, eerste lid), omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hij moet weten hoe de agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden. De aanwezigheid van de gemeentesecretaris kan ook gewenst zijn, omdat de gemeentesecretaris aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die worden voorbereid door de ambtelijke organisatie. Overeenkomstig het derde lid kan de gemeentesecretaris worden uitgenodigd.
Artikel 1.3. De agendacommissie en het vaststellen van vergaderingen
De agendacommissie vervult een belangrijke (coördinerende) rol bij de agendering van zaken in de raadscommissies en de raad. De agendacommissie heeft het overzicht van alle onderwerpen waarmee de raad zich bezighoudt.
In het geval een gemeente deelneemt in een gemeenschappelijke regeling is in deze regeling opgenomen hoe de raad geïnformeerd wordt door de vertegenwoordiger van de gemeente in de gemeenschappelijke regeling en hoe verantwoording wordt afgelegd (artikelen 16 t/m 19 van de Wet gemeenschappelijke regelingen). Van belang is dat de agendacommissie de vergadercyclus van deze besturen kent. Het kan nodig zijn dat de raad voorafgaand aan een vergadering van het bestuur van de gemeenschappelijke regeling de gemeentelijke vertegenwoordiger informatie of opvattingen wil meegeven. Ook de begrotingscyclus van de gemeenschappelijke regeling is relevant voor de agendacommissie zodat de raad tijdig noodzakelijke informatie kan leveren. Het is aan de agendacommissie om de planning in te vullen maar ook om deze te bewaken.
Hetzelfde geldt met betrekking tot andere organisaties waar de gemeente mogelijk in vertegenwoordigd is (stichtingen, vennootschappen). Ook deze vergadercycli kunnen voor een agendacommissie aanleiding zijn om deze te agenderen voor een raads- of commissievergadering, zodat er informatie uitgewisseld kan worden tussen de vertegenwoordiger van de gemeente en de raad.
De commissie stelt de agenda's van de raadscommissies en de raad voorlopig vast. De definitieve vaststelling van de agenda van de raadscommissies en de raad geschiedt bij de aanvang van de betreffende vergadering.
Op grond van artikel 17 van de wet vergadert de raad zo vaak hij daartoe heeft besloten en voorts als de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. De raadsvoorzitter pleegt in het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur zoveel mogelijk overleg met de agendacommissie. Op deze wijze houdt de agendacommissie ook bij vergaderingen die niet op het gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip en de plaats van de vergadering. Het wijzigen van het aanvangsuur is van gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de raadsleden het raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde functie.
Artikel 1.4. De griffier
De raad is verplicht een griffier aan te wijzen (artikelen 100 en 107 van de wet). De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig (eerste lid). De wet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid, van de wet). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22 van de wet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging.
Artikel 1.5. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden
Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde meldt schriftelijk aan de raad of hij de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt legt hij aan de raad stukken over waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de wet (artikel V 3 van de Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven en de beslissing over de toelating moeten in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de wet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie die de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk.
Op grond van artikel V 4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na de raadsverkiezingen beslist de raad in oude samenstelling in zijn laatste vergadering over de toelating van de nieuw gekozen leden.
Eerste en tweede lid
De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd.
Vierde lid
Het onderzoek van het proces-verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten.
Het vierde lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (of deze juist is vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang omdat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad een dergelijk besluit kan baseren. Op 28 februari 2014 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) een circulaire uitgebracht waarin toegelicht wordt wanneer de raad gebruik kan maken van deze bevoegdheid (de Circulaire ‘Gemeenteraadverkiezingen: hertellingen’ met kenmerk 2014-0000116196 van de Minister van BZK van 28 februari 2014).
In deze circulaire wordt onder meer uiteengezet wanneer de raad tot hertelling kan besluiten. Het ligt niet voor de hand dat besloten wordt tot een hertelling waarvan tevoren duidelijk is dat deze niet tot een andere samenstelling in de raad kan leiden. Ook een verschil in zetels tussen de voorlopige uitslag en de definitieve uitslag is geen reden om over te gaan tot hertelling.
Vijfde en zesde lid
Na een raadsverkiezing kunnen de toegelaten raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling als bedoeld in artikel 18 van de wet de eed of verklaring en belofte afleggen. De raadsvoorzitter zal hen hiervoor oproepen (vijfde lid).
Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden (zesde lid). De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14, eerste lid, van de wet vastgelegd.
Artikel 1.6. Benoeming wethouders
Dit artikel geeft invulling aan een leemte in de wet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De wet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden.
Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen (eerste lid). De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (artikelen 36a, 36b, 41b en 41c van de wet). Voor wethouders is er de aanvullende verplichting om een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) te kunnen overleggen (artikel 36a, tweede lid, van de wet). De VOG kent een screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers.
Bij de benoeming van een wethouder kan er een integriteitstoets plaatsvinden. De Gedragscode integriteit burgemeester en wethouders gemeente Maashorst 2022 speelt hierbij een rol. Na het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, brengt de commissie advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder (derde lid). De kandidaat-wethouders kunnen in opdracht van de burgemeester voor aanvang van iedere ambtstermijn aan een integriteitstoets worden onderworpen. De burgemeester kan ten aanzien van de risicoanalyse en de conclusies geheimhouding opleggen aan de raad. In artikel 87 van de wet is de burgemeester hiertoe expliciet bevoegd gemaakt (vijfde lid).
Dit artikel van het reglement is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd. De incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen dan immers opnieuw beoordeeld te worden.
Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de wet).
Artikel 1.7. Fracties
Eerste en tweede lid
De Kieswet en de wet kennen het begrip fractie niet. In artikel 33, tweede lid, van de wet wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractieondersteuning). Vanaf de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd (eerste lid). De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de politieke groepering van de kandidatenlijst voor de inwoner duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie uiterlijk in de eerste vergadering de aanduiding mee (tweede lid).
Vierde lid
Het is mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen.
Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd. Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de wet en artikel 129 van de Grondwet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen. De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.
Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen. Een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij, maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.
Op grond van deze bepaling heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie.
Dit betekent ook dat:
- -
kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn vanwege strijd met de wet en de Kieswet;
- -
raadsleden die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen;
- -
als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren.
Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische gevolgen hebben. Te denken valt aan: fractievergoedingen en -faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door commissieleden niet-zijnde raadsleden.
Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet).
Vijfde lid
Behalve het wijzigen van de samenstelling, fuseren en splitsen, kan een fractie ook besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Hierover heeft de raad eveneens geen zeggenschap. De raad kan ook hierover dus geen besluit nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie.
De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde: deze toetsing vindt immers ook plaats wanneer een politieke groepering zich voor het eerst wil laten registreren. Op grond van artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet wordt de naam van de nieuwe fractie onder meer geweigerd als deze in strijd is met de openbare orde of als deze overeenkomt met of erg lijkt op de naam van een politieke groepering die al geregistreerd is voor de Tweede Kamer- of Statenverkiezingen én daardoor verwarring te duchten is. Voor het overige is de nieuwe fractie vrij in het kiezen van een naam.
Hoofdstuk 2. Raadscommissies
Paragraaf 2.1. Algemene bepalingen over raadscommissies
Artikel 2.2. Taken raadscommissies
De taken van de raadscommissies zijn vastgelegd in artikel 82, eerste lid, van de wet. De raadscommissies bereiden de besluitvorming van de raad voor en overleggen met het college of de burgemeester. Het politieke debat vindt in eerste instantie plaats in de raadscommissies, waarna de besluitvorming geschiedt door de raad.
De taak om de besluitvorming van de raad voor te bereiden komt tot uitdrukking in de taak advies uit te brengen over een voorstel of onderwerp. De raadscommissie kan ook uit eigener beweging advies aan de raad uitbrengen. Ook dit advies kan aanleiding zijn voor besluitvorming in de raad. De taken van de raadscommissie zijn in essentie dezelfde als die van de raad, die van kaderstellend, controlerend en volksvertegenwoordigend orgaan.
De raadscommissie bepaalt evenals de raad haar eigen agenda. Dit betekent dat niet het college, maar (de voorzitter van) de raadscommissie bepaalt of een voorstel aan de raadscommissie wordt voorgelegd alvorens het in de raad wordt besproken. Om dit te coördineren is een agendacommissie ingericht (zie artikel 1.3). De agendacommissie is verantwoordelijk voor de inhoudelijke afstemming van raads- en commissievergaderingen. Veelal zal het echter wel zo zijn dat een onderwerp eerst in een raadscommissie wordt besproken.
Als vergaderingen in het teken staan van de voorbereiding van besluitvorming van de raad en het overleg met het college of de burgemeester, is er sprake van een raadscommissie. Dergelijke voorbereiding van de besluitvorming van de raad is exclusief voorbehouden aan de raadscommissies en kan niet worden opgedragen aan overige commissies. Er dient bij deze varianten van vergaderen dus rekening gehouden te worden met alle vereisten die voor een raadscommissie gelden zoals een evenwichtige vertegenwoordiging (artikel 82, derde lid, van de wet).
Artikel 2.3. Samenstelling raadscommissies
De raad bepaalt de samenstelling van de raadscommissies. Het is enkel mogelijk de benoeming van een voorgedragen lid te weigeren als het lid geen raadslid of commissielid niet-zijnde raadslid is. Wel schrijft artikel 82, derde lid, van de wet voor dat de raad moet zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde politieke groeperingen. Om dit te bereiken beschrijft het tweede lid een verdeelsleutel voor de aanwezigheid van leden van de raadscommissies van verschillende fracties. De verhoudingen in de raadscommissies hoeven volgens jurisprudentie niet exact overeen te komen met de verhoudingen in de raad.
De leden van de raadscommissie worden door de raad benoemd (eerste lid). Uit het derde lid volgt dat de leden van een raadscommissie geen raadslid hoeven te zijn. De benoeming gebeurt bij raadsledenop voordracht van het raadslid zelf of de fractie (vierde lid). Raadsleden hebben het mandaat van de kiezer en mogen daarom niet door hun fractie weerhouden worden van het deelnemen aan commissievergaderingen. Bij commissieleden niet-zijnde raadsleden ligt dit anders, omdat zij het mandaat van de kiezer niet hebben en te zien zijn als hulptroepen van de fractie. Zij kunnen enkel door hun fractie worden voorgedragen (vijfde lid). Ook kan de fractie voorstellen aan de raad om een commissielid niet-zijnde raadslid als lid van een raadscommissie te ontslaan (tiende lid). Voor raadsleden geldt dat niet.
De zittingsperiode van de leden van de raadscommissie is even lang als de zittingsperiode van raadsleden, in principe dus vier jaar. De benoeming eindigt van rechtswege. De raad hoeft hen niet te ontslaan.
Het lidmaatschap van een raadscommissie eindigt eveneens van rechtswege als het lid van de raadscommissie ophoudt raadslid te zijn of ophoudt commissielid niet-zijnde raadslid te zijn. Dit zal met name het geval zijn als niet meer voldaan wordt aan de vereisten voor het raadslidmaatschap dan wel de vergelijkbare vereisten van artikel 2.4, tweede lid, voor commissieleden niet-zijnde raadsleden.
Verder is het voor een lid van een raadscommissie uiteraard mogelijk om zelf ontslag te nemen.
Artikel 2.4. Commissieleden niet-zijnde raadsleden
Om ervoor te zorgen dat alle fracties – met name ook de kleine fracties – in staat zijn om deel te nemen aan de vergaderingen van de raadscommissie, kunnen de fracties werken met commissieleden niet-zijnde raadsleden. Dit is bovendien voor mensen die in de raad komen op het moment dat een raadslid ermee stopt (opvolgers), een goede mogelijkheid om aangehaakt te blijven bij het werk van de gemeenteraad. Ten slotte is het voor aankomend talent een mooie manier om nader kennis te maken met het werk van de gemeenteraad. Zij kunnen, als dit bevalt, bij de volgende verkiezingen proberen in de raad te komen. Deze commissieleden niet-zijnde raadsleden vertegenwoordigen de fractie die hen heeft voorgedragen. Het is daarom voor commissieleden niet-zijnde raadsleden niet mogelijk om van fractie te wisselen zonder door de raad opnieuw benoemd te worden.
Op grond van het tweede lid moeten commissieleden niet-zijnde raadsleden, evenals raadsleden, voldoen aan hetgeen is bepaald in de artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de wet. Dit betekent onder andere dat zij achttien jaar moeten zijn, over een geldige verblijfstitel moeten beschikken, hun nevenfuncties openbaar moeten maken en geen functie als bedoeld in artikel 13 van de wet mogen vervullen. Ook mogen de commissieleden niet-zijnde raadsleden overeenkomstig artikel 15 van de wet geen verboden handelingen verrichten. Het is enkel mogelijk – overeenkomstig het tweede lid zelfs verplicht – de benoeming van een voorgedragen commissielid niet-zijnde raadslid te weigeren als niet voldaan wordt aan deze vereisten.
Om te beoordelen of wordt voldaan aan de eisen van de wet wordt, net als bij raadsleden, gebruik gemaakt van een geloofsbrievenonderzoek. Deze procedure wordt uitgevoerd door een commissie bestaande uit drie raadsleden, net als bij het toelaten van raadsleden tot de raad. De vereisten die onderzocht moeten worden zijn immers vergelijkbaar. Dit onderzoek gaat vooraf aan het raadsbesluit waarmee de commissieleden niet-zijnde raadsleden benoemd worden.
Een commissielid niet-zijnde raadslid moet ook de eed of belofte afleggen, vergelijkbaar met de eed of belofte die raadsleden moeten afleggen. Een commissielid niet-zijnde raadslid kan pas fungeren als commissielid niet-zijnde raadslid en als lid van een raadscommissie op het moment dat hij of zij de eed of belofte heeft afgelegd.
De zittingsperiode van de commissieleden niet-zijnde raadsleden is even lang als de zittingsperiode van raadsleden, in principe dus vier jaar. De benoeming eindigt van rechtswege. De raad hoeft hen niet te ontslaan.
Ook als een commissielid niet-zijnde raadslid niet langer voldoet aan de vereisten van het tweede lid, houdt het zijn van commissielid niet-zijnde raadslid. Dit is bijvoorbeeld het geval als de betreffende persoon geen ingezetene meer is van de gemeente Maashorst of zijn geldige verblijfstitel is kwijtgeraakt.
Omdat commissieleden niet-zijnde raadsleden te zien zijn als hulptroepen van een fractie, kan de fractie ook aan de raad voorstellen om hen te ontslaan als commissieleden niet-zijnde raadsleden. De raad verleent dit ontslag dan. Uiteraard is het ook mogelijk dat het commissielid niet-zijnde raadslid zelf ontslag neemt.
Verder is het, gelet op de status van commissieleden niet-zijnde raadsleden, logisch dat als de fractie niet meer in de raad zit, het zijn van commissielid niet-zijnde raadslid vervalt. Als raadsleden zijn overgestapt naar een andere fractie of een nieuwe fractie hebben gevormd, kan het voormalige commissielid niet-zijnde raadslid door de andere/nieuwe fractie worden voorgedragen om commissielid niet-zijnde raadslid te worden voor de andere/nieuwe fractie.
Artikel 2.5. Commissievoorzitters
De raad benoemt de commissievoorzitters en hun plaatsvervangers. Op grond van artikel 82, vierde lid, van de wet kan enkel een raadslid als voorzitter van een raadscommissie benoemd worden. Dit betekent dat als een voorzitter van een raadscommissie geen raadslid meer is, het voorzitterschap van de raadscommissie ook automatisch vervalt. Ook voor de commissievoorzitters geldt dat hun zittingsperiode als voorzitter even lang is als de zittingsperiode van raadsleden, in principe dus vier jaar. De benoeming eindigt van rechtswege. De raad hoeft hen niet te ontslaan. Het is voor de raad wel mogelijk hen eerder ontslag te verlenen en voor de commissievoorzitters mogelijk om ontslag te nemen.
Paragraaf 2.2. Voorbereiding vergaderingen raadscommissies
Artikel 2.6. Oproep en voorlopige agenda raadscommissies
Het eerste lid stelt verplicht dat de commissievoorzitter zeven dagen vóór een vergadering de leden van zijn raadscommissie een schriftelijke oproep stuurt voor de vergadering. Hierin staat de vergadering aangekondigd. Hierbij zitten ook de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken (eerste lid). Dit gebeurt in beginsel elektronisch. De oproep vermeldt de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering.
In het eerste lid gaat het om een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de commissievergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de commissievoorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen (tweede lid).
Als op informatie op grond van Titel II, Hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is opgelegd, wordt deze informatie in afwijking van het eerste en tweede lid enkel verstrekt aan de raadsleden en commissieleden (derde lid). Van geheimhouding wordt melding gemaakt op de stukken.
Uiteindelijk bepaalt een raadscommissie zijn eigen agenda. De agenderende rol van een raadscommissie komt tot uitdrukking in het vierde lid.
Artikel 2.7. Ter inzage leggen van stukken raadscommissies
Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage aangeboden (eerste lid). De stukken zullen doorgaans op elektronische wijze worden aangeboden. Dit gaat via plaatsing op de website van de gemeenteraad (het raadsinformatiesysteem). Bij hoge uitzondering worden de stukken fysiek ter inzage gelegd.
Informatie die betrekking heeft op de agenda en de voorstellen van de commissievergadering die geheim moet blijven, wordt enkel ter beschikking gesteld aan raadsleden en commissieleden niet-zijnde raadsleden (derde lid).
Artikel 2.8. Openbare kennisgeving raadscommissies
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 82, vijfde lid, juncto artikel 19, tweede lid, van de wet. In dit artikel van het reglement wordt vastgelegd op welke wijze de commissievergaderingen worden aangekondigd.
Paragraaf 2.3. Vergaderingen raadscommissies
Artikel 2.9. Presentielijst raadscommissies
De presentielijst is bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum aanwezig is. Daarnaast is de presentielijst van belang om de vergoedingen van de commissieleden niet-zijnde raadsleden te kunnen vaststellen.
Artikel 2.10. Opening vergadering en quorum raadscommissies
Artikel 20 van de wet regelt het vergaderquorum van de raad. Voor de raadscommissies ontbreekt een dergelijke bepaling in de wet. Dit artikel van het reglement voorziet hierin. Indien meer dan de helft van het aantal fracties vertegenwoordigd is, kan worden vergaderd. Om te constateren of dit het geval is, wordt de presentielijst gebruikt (eerste lid).
Het derde lid voorziet in een regeling voor een nieuwe vergadering als het quorum niet bereikt is, anders zou de afwezigheid van leden van een raadscommissie de voortgang van werkzaamheden kunnen belemmeren. Uiteraard staat op het moment dat de voorzitter de datum en het tijdstip van de nieuwe vergadering bepaalt, nog niet vast op welk moment de schriftelijke oproep uitgaat. Als er enkele dagen tussen de twee vergaderingen zitten, mag ervan uit worden gegaan dat het mogelijk is om 24 uur van tevoren een schriftelijke oproep te versturen (tweede lid). Overigens ligt het in de rede dat de voorzitter overlegt met de raadscommissie over de datum van een nieuwe vergadering.
Artikel 2.12. Advies en stemmingen raadscommissies
Door gebruik van het woord beslissen in het eerste lid kan de suggestie gewekt worden dat in de commissievergadering ook ‘echte’ besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kunnen worden genomen. Dit is echter niet het geval. Een raadscommissie neemt geen beslissingen maar bereidt de besluitvorming in de raad voor en overlegt met het college en de burgemeester. Alleen in de raadsvergadering kunnen besluiten worden genomen. Wel kan een raadscommissie gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen aan de raad. Ten behoeve van het debat in de raad en om recht te doen aan minderheidsstandpunten, worden ook minderheidsstandpunten in het advies opgenomen. Dit geldt zowel voor minderheidsstandpunten van een fracties als een minderheidsstandpunten van individuele commissieleden.
Artikel 2.13. Aantal spreektermijnen raadscommissies
Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten (derde lid). Een verzoek van een commissielid om na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren. Als de raadscommissie van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan zij daartoe uitdrukkelijk besluiten (eerste lid).
Artikel 2.14. Deelname aan beraadslaging door anderen bij raadscommissies
Deze bepaling is noodzakelijk in verband met de in artikel 22 van de wet geregelde immuniteit, dat in artikel 82, vijfde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op leden van raadscommissies en andere personen die aan de beraadslagingen deelnemen. Het is uiteraard ook mogelijk dat een raadscommissie bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen. Het gaat in deze bepaling om anderen dan de leden, de voorzitter, de burgemeester en de wethouders. Deze hebben op grond van artikel 21 van de wet, gelezen in samenhang met artikel 82, vijfde lid, van de wet de mogelijkheid om aan de beraadslagingen deel te nemen. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld de secretaris uitgenodigd worden. Uiteraard hebben deze andere sprekers niet dezelfde rechten als de leden. Een andere spreker heeft onder meer geen recht om een voorstel over de orde van de vergadering te doen.
Artikel 2.15. Spreekrecht inwoners bij raadscommissies
Het geven van spreekrecht aan inwoners is een manier om inwoners meer te betrekken bij de besluitvorming van de raad. Doordat de raadsvergadering het sluitstuk is van het besluitvormingsproces dat lang daarvoor is begonnen (ambtelijke organisatie, college, commissies) is ervoor gekozen het spreekrecht op te nemen in de raadscommissies. In die fase zijn de fracties nog bezig hun mening te vormen. Een inspreekmogelijkheid tijdens de raadsvergadering is doorgaans minder effectief (‘schijnspreekrecht’).
Het spreekrecht geldt zowel voor geagendeerde als niet geagendeerde onderwerpen het werkveld van de commissie betreffende (eerste lid). Onderwerpen die inwoners belangrijk vinden kunnen eveneens door middel van een burgerinitiatief geagendeerd worden.
De inwoner die wensen in te spreken kunnen zich binnen een ‘redelijke termijn’ voor de vergadering melden bij de commissiegriffier. Als ‘redelijke termijn’ is 12.00 uur op de werkdag voorafgaande aan de vergadering aangehouden.
In het achtste lid is ervoor gekozen om een inwoner slechts éénmaal het woord te geven en geen discussie te laten plaatsvinden. Als richtlijn is 3 minuten spreektijd per inwoner aangehouden (vierde lid). Op voorstel van de voorzitter, die in eerste instantie voor een ordentelijk verloop van de vergadering moet zorgen en dus moet kunnen aanvoelen of een verkorting of verlenging van de spreektijd gewenst is, kan van deze richtlijn worden afgeweken.
Artikel 2.16. Rondvraag bij raadscommissies
Dit artikel gaat over de rondvraag bij commissievergaderingen. De rondvraag maakt niet alleen onderdeel uit van de commissievergaderingen, maar ook van raadsvergaderingen. Daarover gaat artikel 3.25. Beide artikelen geven invulling aan het recht van raadsleden op grond van artikel 155, eerste lid, van de wet met betrekking tot het vragenrecht.
Tijdens de rondvraag krijgen de raad en de commissie de mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen het college of de burgemeester (als bestuursorgaan) aan de tand te voelen. Het karakter van de rondvraag verschilt van het recht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft een zwaarder politiek karakter. Leden van de raadscommissie kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt.
Leden van de raadscommissie vragen daarmee het college of de burgemeester zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur. De rondvraag wordt aan het begin van de commissievergadering gehouden. De vragen voor de rondvraag hebben een politiek karakter en geen technisch karakter. De vragen moeten bovendien betrekking hebben op het werkveld van de betreffende raadscommissie als bedoeld in artikel 2.1.
In het derde lid is een aanmeldingstermijn voor vragen opgenomen vanwege het feit dat het college/de burgemeester moeten/moet worden uitgenodigd om antwoord te kunnen geven op de vragen van de commissieleden. De vragen moeten worden ingediend bij de commissievoorzitter, via de griffie. De commissievoorzitter kan vervolgens beoordelen of de vragen niet enkel technisch van aard zijn en of de vragen het werkveld van de raadscommissie betreffen. Hierover kan de commissievoorzitter de raadscommissie voorafgaand aan het vaststellen van de agenda adviseren. De raadscommissie besluit uiteindelijk of een set vragen van een vragensteller wordt toegelaten tot de rondvraag. Daarbij kan de raadscommissie niet doen aan een selectie van de vragen over hetzelfde onderwerp: de set vragen over hetzelfde onderwerp worden óf allemaal toegelaten óf allemaal niet toegelaten. Dat laatste kan dus alleen omdat de vragen enkel technisch zijn en/of niet het werkveld van de commissie betreffen. Als de vragen voldoen aan de voorwaarden, moeten deze worden toegelaten.
Artikel 2.17 Mededelingen over samenwerkingsverbanden bij raadscommissies
De gemeente Maashorst en haar bestuursorganen nemen deel aan verschillende samenwerkingsverbanden. Denk hierbij aan de Regio Noordoost-Brabant (RNOB), de Veiligheidsregio Brabant-Noord (VRBN) en de GGD Hart voor Brabant. Collegeleden die vergaderingen van (het bestuur van) samenwerkingsverbanden hebben bijgewoond en hieruit willen terugkoppelen, krijgen hiertoe de mogelijkheid tijdens een agendapunt over de samenwerkingsverbanden. Ook als zij een andere mededeling hebben over samenwerkingsverbanden, is dit mogelijk tijdens dit agendapunt. Daarnaast kunnen ook commissieleden die deelnemen aan samenwerkingsverbanden hierover mededeling doen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan raadsleden die lid zijn van de klankbordgroep van de RNOB en een mededeling willen doen vanuit of over de klankbordgroep. Het betreffende agendapunt is zuiver informatief van aard en is niet bedoeld voor discussies. Interrupties zijn dan ook niet toegestaan.
Artikel 2.18. Handhaving orde en schorsing bij raadscommissies
Artikel 26 van de wet geeft aan dat de voorzitter bij raadsvergadering bevoegd is om de orde in de vergadering te handhaven. Voor de commissievergaderingen ontbreekt een dergelijke bepaling. Deze is daarom in dit artikel van het reglement opgenomen. Op grond van het eerste lid is de commissievoorzitter belast met de handhaving van de orde in de commissievergaderingen. Op basis van het tweede lid kunnen alle sprekers in bepaalde gevallen door de voorzitter tot de orde worden geroepen en kan hen zo nodig over het aanhangige onderwerp het woord ontzegd worden. Ook kan de voorzitter de vergadering schorsen en bij herhaling van de verstoring van de orde, de vergadering sluiten (vierde lid). In het uiterste geval kan hij een lid het verdere verblijf ontzeggen en hem uit de vergadering doen verwijderen. Als een lid blijft volharden in zijn gedrag kan hem de toegang tot de vergadering voor ten hoogste drie maanden worden ontzegd (derde lid). Voor wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar artikel 2.23.
Om te bevorderen dat leden van raadscommissies zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten bepaalt artikel 82, vijfde lid, van de wet bovendien dat artikel 22 van de wet van overeenkomstige toepassing is op leden van raadscommissies. Hierdoor zijn leden van raadscommissies niet in rechte te vervolgen, aan te spreken of verplicht getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. Dit geldt voor zowel raadsleden als commissieleden niet-zijnde raadsleden.
Artikel 2.19. Voorstellen van orde en eindtijd bij raadscommissies
Ieder lid heeft te allen tijde het recht een voorstel van orde te doen. De beslissing of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde is aan de raadscommissie. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raadscommissie. Bij het staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (artikel 32, vierde lid, van de wet is hierop niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een (overleg) pauze of een voorstel over de (beperking van de) spreektijden van de leden en overige deelnemers aan de commissievergadering.
Het uitgangspunt is dat commissievergaderingen plaatsvinden op donderdagavond (artikel 1.2, vijfde lid). Het streven is dat commissievergaderingen om 23.00 uur zijn afgelopen. Als dit niet zo is, beslist de raadscommissie over de verdere gang van zaken. De raadscommissie kan de vergadering gewoon afmaken. Een andere optie is dat de vergadering op een andere dag verdergaat. Het is dan wel nodig dat de raadscommissie een “natuurlijk” moment kiest waarop de vergadering hervat kan worden. Het is daarom de bedoeling dat de raadscommissie het “onderdeel” waar de raadscommissie mee bezig is, afmaakt. Dat kan een agendapunt zijn, maar ook een onderdeel van een agendapunt, bijvoorbeeld de insprekers bij een agendapunt, de eerste termijn van de commissie of de eerste termijn van het college.
Uitgangspunt is dat de vergadering op de eerstvolgende maandag om 19.30 uur hervat wordt. Als deze maandag een feestdag is, bijvoorbeeld tweede paasdag of tweede pinksterdag, dan is het uitgangspunt dat de vergadering de eerste werkdag na deze maandag plaatsvindt. Dit zal over het algemeen de dag erna (dinsdag) zijn. Dit is een uitgangspunt: de raadscommissie kan besluiten de vergadering te hervatten op een andere dag.
Paragraaf 2.4. Vergaderingen raadscommissies met gesloten deuren
Artikel 2.20. Toepassing reglement op vergadering raadscommissies met gesloten deuren
Voor raadscommissies gelden dezelfde regels voor het houden van vergaderingen met gesloten deuren als voor de raad (artikel 82, vijfde lid, juncto artikel 23 van de wet). Dit artikel uit het reglement geeft aan dat het reglement van orde zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing is. Bij bepalingen die van overeenkomstige toepassing zijn kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen over het tijdig verzenden van stukken, het vergaderquorum en voorstellen van orde. De bepalingen van dit reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover de toepassing van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden.
Artikel 2.21. Verslag en besluitenlijst vergadering raadscommissies met gesloten deuren
Op grond van artikel 82, vijfde lid, van de wet is artikel 23 van de wet van overeenkomstige toepassing. Het vijfde lid van artikel 23 van de wet schrijft voor dat van een vergadering van een raadscommissie met gesloten deuren een afzonderlijk verslag wordt opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt, tenzij de raadscommissie anders beslist. In aanvulling hierop bepaalt het tweede lid dat het verslag en de besluitenlijst van een vergadering met gesloten deuren enkel ter beschikking worden gesteld van de commissieleden en raadsleden.
Artikel 2.22. Opheffing geheimhouding raadscommissies
Een raadscommissie kan geheimhouding op informatie leggen en die informatie ook aan de raad verstrekken. De raad kan de geheimhouding opheffen van aan de raad verstrekte informatie (artikel 89, vierde lid, van de wet). Wel bestaat er een overlegverplichting, waarmee recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.
Paragraaf 2.5. Toehoorders, pers en registraties bij raadscommissies
Artikel 2.23. Toehoorders en pers bij raadscommissies
Artikel 26, eerste en tweede lid, van de wet regelen dat de voorzitter van de raad toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen. Voor raadscommissies ontbreekt een dergelijke bepaling in de wet. Het derde lid voorziet hierin.
Artikel 2.24. Geluid- en beeldregistraties raadscommissies
Aangezien de vergaderingen van een raadscommissie in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een vergadering met gesloten deuren betreft. Wel dient voorafgaand van de vergadering toestemming verkregen te worden van de voorzitter. Ook dienst rekening gehouden te worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden en commissieleden niet-zijnde raadsleden daarentegen hebben een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts vanaf een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat inwoners die inspreken niet gefilmd mogen worden. Hierover kan overlegd worden met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met beeldregistraties.
Hoofdstuk 3. Raadsvergaderingen
Paragraaf 3.1. Voorbereiding raadsvergaderingen
Artikel 3.1. Oproep en agenda raadsvergaderingen
In artikel 19, eerste lid, van de wet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.
De agendacommissie bepaalt hoe de voorlopige agenda er uit ziet. Het eerste lid stelt verplicht dat de raadsvoorzitter uiterlijk zeven dagen vóór een vergadering de leden een schriftelijke oproep, waarin de vergadering wordt aangekondigd, en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken stuurt. Dit zal in beginsel per elektronische weg gebeuren. De oproep vermeldt de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering.
In het eerste lid gaat het om een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te stellen die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de raadsvoorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen (tweede lid).
Als op informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie op grond van Titel II, Hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is opgelegd, wordt deze informatie in afwijking van het eerste en tweede lid enkel verstrekt aan raadsleden (derde lid). Van geheimhouding wordt melding gemaakt op de stukken. Als de geheimhouding op informatie anders dan in schríftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de wet).
Het vierde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Enerzijds kunnen individuele raadsleden via de agendacommissie onderwerpen voor de agenda voordragen. Anderzijds kunnen zij bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.
Als er een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering, en de stemmen staken, is artikel 32, vierde lid, van de wet logischerwijs niet van toepassing en geldt artikel 32, vijfde lid, van de wet.
Artikel 3.2. Ter inzage leggen van stukken raadsvergaderingen
Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage aangeboden (eerste lid).
De stukken worden op elektronische wijze aangeboden via de website van de gemeenteraad (het raadsinformatiesysteem).
Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet open overheid (hierna: Woo). Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s, verslagen, (concept)adviezen, al dan niet in elektronische vorm, verkrijgen de status van ‘document’ in de zin van de Woo.
Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de reikwijdte van de wet uitgebreid van ‘stukken’ naar ‘informatie’ (artikel 19, tweede lid, van de wet). Verder hoeft de raad de geheimhouding niet meer te bekrachtigen (artikel 89, vierde lid, van de wet). College, burgemeester en commissies mogen voortaan zelf geheimhouding opleggen (artikel 87 van de wet), mits sprake is van een belang dat in de Woo genoemd wordt.
Onder de ‘informatie’ als bedoeld in het derde lid wordt verstaan: informatie van de raad en aan de raad verstrekte informatie, waaronder de zogeheten ‘achterliggende’ stukken waarvan in raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.) waarop geheimhouding is gelegd.
Als het gaat om stukken waarop geheimhouding is opgelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Als de geheimhouding op informatie anders dan in schríftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de wet).
De stukken die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven, worden enkel ter beschikking gesteld aan raadsleden (derde lid).
Artikel 3.3. Openbare kennisgeving raadsvergaderingen
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de wet. In dit artikel uit het reglement wordt vastgelegd op welke wijze raadsvergaderingen worden aangekondigd.
Paragraaf 3.2. Ter raadvergadering
Artikel 3.4. Presentielijst raadsvergaderingen
De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de wet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de wet.
De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom zorgt hij voor het bijhouden van de presentielijst en stelt hij samen met de raadsvoorzitter deze vast en ondertekent deze (tweede lid). Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was.
Artikel 3.5. Aantal spreektermijnen en spreekplaats raadsvergaderingen
Als de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten (eerste lid). Het tweede lid benadrukt dat de raadsvoorzitter elke spreektermijn afsluit.
Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de raadsvoorzitter niet te honoreren.
De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp.
Artikel 3.6. Deelname aan de beraadslaging door anderen bij raadsvergaderingen
Deze bepaling is noodzakelijk in verband met de in artikel 22 van de wet geregelde immuniteit. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen.
De raad kan op grond van artikel 1.4, derde lid, bepalen dat de griffier deelneemt aan de beraadslagingen. De burgemeester en de wethouders hebben het recht (het woord te voeren en) deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van artikel 21, eerste en tweede lid, van de wet.
Artikel 3.7. Voorstellen van orde en eindtijd raadsvergaderingen
De raadsvoorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (omdat het ordevoorstel betrekking heeft op de lopende vergadering is artikel 32, vierde lid, van de wet hierop logischerwijs niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Als het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 30 van de wet).
Het uitgangspunt is dat raadsvergaderingen plaatsvinden op donderdagavond (artikel 1.2, vijfde lid). Het streven is dat raadsvergaderingen om 23.00 uur zijn afgelopen. Als dit niet zo is, beslist de raad over de verdere gang van zaken. De raad kan de vergadering gewoon afmaken. Een andere optie is dat de vergadering op een andere dag verdergaat. Het is dan wel nodig dat de raad een “natuurlijk” moment kiest waarop de vergadering hervat kan worden. Het is daarom de bedoeling dat de raad het “onderdeel” waarmee de raad op dat moment bezig is, afmaakt. Dat kan een agendapunt zijn, maar ook een onderdeel van een agendapunt, bijvoorbeeld de eerste termijn van de raad of de eerste termijn van het college binnen een agendapunt.
Uitgangspunt is dat de vergadering op de eerstvolgende maandag om 19.30 uur hervat wordt. Als deze maandag een feestdag is, bijvoorbeeld tweede paasdag of tweede pinksterdag, dan is het uitgangspunt dat de vergadering de eerste werkdag na deze maandag plaatsvindt. Dit zal over het algemeen de dag erna (dinsdag) zijn. Dit is een uitgangspunt: de raad kan besluiten de vergadering te hervatten op een andere dag.
Paragraaf 3.3. Stemmingen raadsvergaderingen
Artikel 3.8. Stemverklaring raadsvergaderingen
Stemverklaringen zullen kort moeten zijn (enkele zinnen) en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, al dan niet als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming begint.
Artikel 3.9. Beslissingen raadsvergaderingen
De raadsvoorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist (eerste lid). De raadsvoorzitter licht daarna de te nemen eindbeslissing toe (tweede lid). Als geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de wet.
Artikel 3.10. Stemmingen bij raadsvergaderingen
Als een raadslid te kennen geeft een (hoofdelijke) stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden (eerste en derde lid). De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de wet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen (tweede lid). Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog gewezen op artikel 209, tweede lid, van de wet, dat tot hoofdelijke stemming verplicht bij het aangaan van een verplichting voordat de begroting is goedgekeurd.
De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, als de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele raadsleden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van deelname aan stemming op grond van artikel 28 van de wet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden.
In de Winsumuitspraak (de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 augustus 2002 met kenmerk ECLI:NL:RVS:2002:AE6228) is het hoger beroep op artikel 28 van de wet afgewezen, maar heeft de Afdeling wel geconcludeerd dat het genomen besluit in strijd is met artikel 2:4 van de Awb omdat de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende was vermeden. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen gerezen over de mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de verantwoordelijkheden in gemeenteraden.
In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel neergelegd in artikel 2:4 van de Awb voorrang boven hetgeen in artikel 28 van de wet is bepaald. Over de mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseerde de toenmalige minister van BZK het volgende:
-
"[D]e beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het individuele raadslid; bij stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen dat het te nemen besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn in een bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kader van een spontane vernietiging door de Kroon (artikel 268 van de Gemeentewet); de raad kan in dergelijke gevallen een belangrijke rol spelen door in algemene zin te bespreken, individuele raadsleden door hun handelen de schijn van belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan worden (en dit bijvoorbeeld opnemen in de gedragscode); uiteraard is de gedragscode in juridische zin niet bindend, dit is tevens niet wenselijk."
Er is echter inmiddels vervolgjurisprudentie beschikbaar:
- -
In de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2010 met kenmerk ECLI:NL:RVS:2010:BM9710 oordeelde de Afdeling dat in het midden kon blijven of twee raadsleden een persoonlijk belang hadden bij de vaststelling van een bestemmingsplan, omdat het bestemmingsplan met de grootst mogelijke meerderheid door de raad was vastgesteld. Zelfs als zou worden vastgesteld dat de twee raadsleden een persoonlijk belang hadden bij de planvaststelling, hebben zij geen beslissende stem in de uitkomst gehad;
- -
In de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2011, met kenmerk ECLI:NL:RVS:2011:BQ8863 overwoog de Afdeling dat een raadslid dat woonde en werkte op een bedrijventerrein een persoonlijk belang had bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor dat bedrijventerrein. De Afdeling oordeelde dat in strijd was gehandeld met artikel 2:4 van de Awb omdat naar derden de schijn is gewekt dat het persoonlijke belang van invloed is geweest op de besluitvorming. Daarbij speelde een rol dat het raadslid tijdens de vergadering van de raad veelvuldig het woord heeft gevoerd en namens zijn fractie een aantal amendementen heeft ingediend en voorgelezen die in feite tot gevolg hebben dat een gunstiger woon- en leefklimaat ontstaat ter hoogte van gronden van het betreffende raadslid. De Afdeling achtte niet van belang of het raadslid daadwerkelijk het oogmerk had te bewerkstelligen een plan ten gunste van zijn leefklimaat vast te stellen. Ook als van de goede trouw van het raadslid kan worden uitgegaan, kan de schijn van belangenverstrengeling zijn gewekt. Ook het gegeven dat het raadslid niet bij alle amendementen een doorslaggevende stem heeft gehad leidt niet een ander oordeel, omdat gelet op het feit dat het raadslid veelvuldig het woord heeft gevoerd niet kan worden gesteld dat niet de schijn is gewekt dat hij invloed heeft gehad op de besluitvorming;
- -
In de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2013 met kenmerk ECLI:NL:RVS:2013:BZ0796 preciseert de Afdeling haar hiervoor vermelde uitspraak van 22 juni 2011. In de zaak die tot de uitspraak van 6 februari 2013 heeft geleid ging het om een besluit van een gemeenteraad om een bestemmingsplan niet vast te stellen. Dat besluit was genomen met de kleinst mogelijke meerderheid, waarbij een raadslid die mogelijk belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb was, tegen de vaststelling van het plan had gestemd. De Afdeling overwoog dat, in aanmerking genomen dat het hier gaat om besluitvorming door de gemeenteraad die een belangenafweging vergt waarbij politieke inzichten een belangrijke rol spelen, het in de rede ligt voor de invulling van het begrip ‘persoonlijk belang’ in artikel 2:4, tweede lid, van de Awb aansluiting te zoeken bij artikel 28, eerste lid, onder a, van de wet. Deze bepaling dient strikt te worden uitgelegd, nu daarbij het fundamentele recht van een raadslid om deel te nemen aan een stemming wordt ingeperkt. Uit artikel 2:4 van de Awb volgt dus — en de Afdeling preciseert hiermee haar (hiervoor vermelde) uitspraak van 22 juni 2011 — in het algemeen niet dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan zoals de gemeenteraad en die bij een besluit belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. Dit zou afbreuk doen aan de taak en de fundamentele rechten van een gekozen volksvertegenwoordiger en daarmee aan het democratisch proces.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 februari 2013 in aanvulling op het voorgaande overwogen dat er zich evenwel bijkomende omstandigheden kunnen voordoen die maken dat de behartiging van het persoonlijk belang van een raadslid zodanig aan de orde is bij het onderwerp van de besluitvorming dat hij daaraan niet behoort deel te nemen. Weliswaar kan de gemeenteraad niet verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen, maar deelname van een lid kan er bij aanwezigheid van zo’n persoonlijk belang wel toe leiden dat de bestuursrechter tot het oordeel moet komen dat het desbetreffende besluit is genomen in strijd met artikel 2:4 van de Awb. De conclusie dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft genomen, kan echter pas worden getrokken wanneer aannemelijk is dat het betrokken raadslid de besluitvorming daadwerkelijk heeft beïnvloed. Dit is nog steeds de geldende lijn.
Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de wet van toepassing. Als de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
In de gemeente Maashorst wordt, tenzij hoofdelijke stemming wordt aangevraagd, gestemd door middel van handopsteking. In de toekomst kan wellicht gewerkt worden met een elektronisch stemsysteem, waarbij de openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm en de afdruk ervan wordt meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond van de wet.
In het vijfde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming. Aan het begin van de vergadering wordt geloot bij welk raadslid de hoofdelijke stemmingen zal aanvangen. Deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering.
In het zesde lid staat de term ‘verklaren’ (en niet bijvoorbeeld ‘uitspreken’), waarmee buiten twijfel staat dat dit artikellid ook van toepassing is op digitale stemmingen.
Artikel 3.11. Volgorde stemming over amendementen en moties bij raadsvergaderingen
Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement strekt tot wijziging van een voorstel en komt daarom in stemming voorafgaand aan de stemming over dat voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit. Over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. Bovendien kan de raad besluiten af te wijken van deze stemvolgorde.
Voor de volledigheid wordt hier vermeld dat als sprake is van een staking van stemmen bij een (sub)amendement in een niet-volledige raadsvergadering, de beslissing over het (sub)amendement, het amendement of de voorgenomen beslissing waarop het (sub)amendement betrekking heeft, eventueel andere amendementen waarover nog geen beslissing is genomen, de (uiteindelijke) voorgenomen beslissing en moties die betrekking hebben op hetzelfde agendapunt, worden uitgesteld tot een volgende vergadering (artikel 32, vierde lid, van de wet). Als sprake is van een staking van stemmen bij een motie in een niet-volledige raadsvergadering, wordt enkel het nemen van een beslissing over die motie uitgesteld tot een volgende vergadering. Mocht al sprake zijn van een tweede stemming als bedoeld in artikel 32, vijfde lid, dan is het (sub)amendement/de motie verworpen.
Artikel 3.12. Stemming over personen bij raadsvergaderingen
Artikel 31, eerste lid, van de wet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Artikel 31 ook van toepassing op de stemming over de benoeming van een wethouder (artikel 35, eerste lid, van de wet). Datzelfde geldt voor de stemming over het ontslag van een wethouder in het geval een motie van wantrouwen niet tot onmiddellijk aftreden leidt (artikel 49 van de wet). Ook dat gebeurt schriftelijk en is daarmee geheim. Dit reglement gaat hierbij uit van een stemming door middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, p. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld.
Bij de benoeming van wethouders is er sprake van een vrije stemming. Dat is dus anders dan bij een voordracht, waarbij de keus beperkt is tot twee of meer kandidaten.
Bij een vrije stemming is artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid, van de wet niet van toepassing. Daarin is bepaald dat een raadslid zich van stemming onthoudt wanneer hij “behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt". Zoals vermeld is dat bij de benoeming van wethouders niet aan de orde. Een raadslid kan op het stembriefje de naam van elke kandidaat die zijn voorkeur heeft invullen: die van de voorgestelde persoon/personen, of die van een ander. Dat geldt dus ook voor raadsleden die zelf genomineerd zijn. Die kunnen op zichzelf stemmen als ze dat willen.
De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze:
- -
Een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en mevrouw Pieterse aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen;
- -
Een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een voordracht;
- -
Het is denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken.
Paragraaf 3.4. Verslaglegging en ingekomen stukken raadsvergaderingen
Artikel 3.13. Verslag en besluitenlijst raadsvergaderingen
Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de wet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, zesde lid, van de wet). Van een vergadering met gesloten deuren wordt wel een verslag gemaakt (artikel 23, vijfde lid, van de wet).
De griffier verleent de ambtelijke bijstand aan de raad. Daarom is de griffier aangewezen om het verslag op te stellen en deze, tezamen met de raadsvoorzitter, te ondertekenen (vijfde lid).
De besluitenlijst dient op zo kort mogelijke termijn te worden gepubliceerd (zesde lid). Dit kan voordat het verslag is vastgesteld aangezien de besluitenlijst 'slechts' een overzicht geeft van (alle) door de raad genomen beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de Awb maar ook andere beslissingen). Het ligt voor de hand dat het verslag en de besluitenlijst op website van de gemeenteraad toegankelijk worden gemaakt (zevende lid).
In de gemeente Maashorst kiezen we voor een audio-/videoverslag van de raadsvergadering en een besluitenlijst.
Artikel 4.14. Ingekomen stukken raadsvergaderingen
Over aan de raad gerichte inkomende stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld kennisnemen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie of het college. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de raadsvoorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid. De raadsinformatiebrieven van het college aan de raad komen in principe ook bij de raad binnen. Deze zijn dan ook een ingekomen stuk. De raad stelt op voorstel van de griffier de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast (tweede lid).
Paragraaf 3.5. Raadsvergaderingen met gesloten deuren
Artikel 3.15. Toepassing reglement op raadvergaderingen met gesloten deuren
Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van het reglement van overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen over het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie en het maken van het verslag.
De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de informatie die betrekking heeft op een vergadering met gesloten deuren en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding wordt opgeheven (artikel 23, vierde lid, en Titel II, Hoofdstuk Va, van de wet).
In artikel 23 van de wet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een vergadering met gesloten deuren wordt.
Artikel 3.16. Verslag en besluitenlijst raadsvergaderingen met gesloten deuren
In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, vierde lid, van de wet. In overeenstemming met de bepaling over het verslag van de raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor het verslag van een vergadering met gesloten deuren. Conceptverslagen en -besluitenlijsten van raadsvergaderingen met gesloten deuren worden enkel ter beschikking gesteld van de raadsleden.
Artikel 3.17. Opheffing geheimhouding raadsvergaderingen
Op grond van artikel 87 van de wet, kan geheimhouding op informatie worden opgelegd door de raad, het college, de burgemeester en een commissie. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad verstrekte informatie vervalt, als de raad de verplichting tot geheimhouding opheft (artikel 89, vierde lid, van de wet). Wel bestaat er een overlegverplichting, waarmee recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.
Als de raad een opgelegde geheimhouding opheft, wil dat niet zeggen dat dan de desbetreffende informatie actief openbaar gemaakt moet worden. De Woo is nog steeds op deze informatie van toepassing. Wanneer om openbaarmaking wordt verzocht moet dat verzoek dus aan de uitzonderingsgronden in de Woo worden getoetst om tot een besluit te komen over het al dan niet openbaar maken van de betreffende informatie. Dan kan uiteraard blijken dat er inmiddels geen grond meer is om openbaarmaking te weigeren.
Paragraaf 3.6. Toehoorders, pers en registraties bij raadsvergaderingen
Artikel 3.18. Toehoorders en pers bij raadsvergaderingen
Dit artikel wordt wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 van de wet. De raadsvoorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.
Artikel 3.19. Geluid- en beeldregistraties raadsvergaderingen
Aangezien de vergaderingen van de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een vergadering met gesloten deuren betreft. Wel dient voorafgaand van de vergadering toestemming verkregen te worden van de voorzitter. Ook dienst rekening gehouden te worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen hebben een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts vanaf een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat inwoners die inspreken niet gefilmd mogen worden. Hierover kan overlegd worden met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met beeldregistraties.
Paragraaf 3.7. Bevoegdheden en instrumenten raadsleden bij raadsvergaderingen
Artikel 3.20. Collegevoorstel
Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven (eerste lid). Ook betekent dit niet dat het college het voorstel kan wijzigen als het college meent dat dit nodig is. Ook hiervoor moet de raad toestemming geven.
Als de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw wordt behandeld. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering bepalen, maar de raad kan dit ook aan de agendacommissie overlaten.
Artikel 3.21. Amendementen en subamendementen
Elk lid van de raad kan wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen ter behandeling in de raad, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Als (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel 3.5).
Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de wet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in dit artikel van het reglement Op basis van artikel 147b, tweede lid, juncto artikel 147a, tweede lid, van de wet is de raad verplicht een amendement te behandelen, overeenkomstig de door de raad vastgestelde regels. Uit de bewoordingen van artikel 147b, tweede lid, van de wet blijkt dat het recht om amendementen in te dienen aan elk individueel raadslid toekomt. Drempelsteun is daarom niet vereist (Kamerstukken II 2000/01, 27751, nr. 3, p. 109).
Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub)amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener. Daarom is bepaald dat er alleen wordt beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben (tweede lid).
Artikel 3.22. Moties
In artikel 1.1 is de definitie van het begrip ‘motie’ gegeven. Een ‘motie’ is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een oordeel (van inhoudelijke, politieke of procedurele aard, zoals het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen) of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht: een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom is het college formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken.
Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure over een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft (tweede lid).
Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats, tenzij de raad anders beslist (derde lid). Dergelijke moties benaderen de in artikel 3.23 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad.
In de wet wordt één specifieke motie uitgewerkt, namelijk in artikel 49. Dit betreft de “motie van wantrouwen” waarbij de raad uitspreekt het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Als hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.
Artikel 3.23. Initiatiefvoorstel
Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen, maar de raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend.
In artikel 147a, eerste lid, van de wet is dit uitgewerkt. Hier is bepaald dat een lid van de raad een initiatiefvoorstel kan indienen; met deze formulering wordt tot uitdrukking gebracht dat dit recht aan elk individueel raadslid toekomt. Drempelsteun is dus niet vereist (Kamerstukken II 2000/01, 27751, nr. 3, p. 109).
Het tweede en derde lid van artikel 147a van de wet bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld. Dit gebeurt in dit artikel van het reglement.
Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van de eis van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie.
De wet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet aanhangig worden gemaakt door het schriftelijk en ondertekend aan de raadsvoorzitter te zenden (eerste lid). De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets anders dan een verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen.
In het tweede lid is een termijn gesteld van 30 dagen om het college in de gelegenheid te stellen zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen.
In het vierde lid van artikel 147a van de wet is sinds 1 februari 2016 bepaald dat het college de gelegenheid moet krijgen om wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Het college moet immers de besluiten van de raad uitvoeren (artikel 160, eerste lid, onder b, van de wet). Deze regeling is uitgewerkt in het tweede lid van dit artikel. Het is in eerste instantie aan de indiener om te beslissen wat hij met die inbreng doet en uiteindelijk beslist de raad over het al dan niet gewijzigde voorstel (Kamerstukken II 2012/13, 33691, nr. 3, p. 2-3).
Als de wensen of bedenkingen van het college daar aanleiding toe geven kan de indiener van het voorstel eventuele wijzigingen doorvoeren. Hij of zij is daartoe echter niet verplicht, omdat de wet alleen aangeeft dat het college de mogelijkheid moet hebben om een visie op het initiatiefvoorstel te hebben. Er is geen verplichting om de wensen of bedenkingen ook daadwerkelijk in het voorstel te verwerken.
Voor het overige is het aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt behandeld als het op de agenda staat.
Artikel 3.24. Interpellatie
Dit artikel stelt nadere regels aan toepassing van artikel 155, tweede lid, van de wet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht en is een zwaarder instrument. Het gaat om het recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig, omdat de vergaderorde wordt doorbroken.
Artikel 3.25. Rondvraag raadsvergaderingen
Dit artikel gaat over de rondvraag bij raadsvergaderingen. De rondvraag maakt niet alleen onderdeel uit van de raadsvergadering, maar ook van commissievergaderingen. Daarover gaat artikel 2.16. Beide artikelen geven invulling aan het recht van raadsleden op grond van artikel 155, eerste lid, van de wet met betrekking tot het vragenrecht.
Tijdens de rondvraag krijgen de raad en de commissie de mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen het college of de burgemeester (als bestuursorgaan) aan de tand te voelen. Het karakter van de rondvraag verschilt van het recht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft een zwaarder politiek karakter. Raadsleden kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt.
Raadsleden vragen daarmee het college of de burgemeester zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur. De rondvraag wordt aan het begin van de raadsvergadering gehouden. De vragen voor de rondvraag hebben een politiek karakter en geen technisch karakter. Bovendien moeten de vragen actualiteitswaarde hebben. Voor niet-actuele vragen kunnen raadsleden gebruik maken van het stellen van schriftelijk vragen of het stellen van een rondvraag tijdens de commissievergaderingen.
In het derde lid is een aanmeldingstermijn voor vragen opgenomen vanwege het feit dat het college/de burgemeester moeten/moet worden uitgenodigd om antwoord te kunnen geven op de vragen van de raadsleden. De vragen moeten worden ingediend bij de raadsvoorzitter, via de griffie. De raadsvoorzitter kan vervolgens beoordelen of de vragen niet enkel technisch van aard zijn en/of de vragen actueel zijn. Hierover kan de raadsvoorzitter de raad voorafgaand aan het vaststellen van de agenda adviseren. De raad besluit uiteindelijk of een set vragen van een vragensteller wordt toegelaten tot de rondvraag. Daarbij kan de raad niet doen aan een selectie van de vragen over hetzelfde onderwerp: de set vragen over hetzelfde onderwerp worden óf allemaal toegelaten óf allemaal niet toegelaten. Dat laatste kan dus alleen omdat de vragen enkel technisch zijn en/of niet actueel. Als de vragen voldoen aan de voorwaarden, moeten deze worden toegelaten.
Hoofdstuk 4 Overige bevoegdheden en instrumenten raadsleden en commissieleden niet-zijnde raadsleden
Artikel 4.1. Schriftelijke politieke vragen
Het vragenrecht stelt de leden van de raad in staat informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. Niet de raadsvoorzitter, maar het college of de burgemeester geeft daarom het schriftelijke antwoord.
De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is dat de verantwoordelijke portefeuillehouder of de burgemeester in de raadsvergadering een en ander komt toelichten en nadere vragen komt beantwoorden. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad anders kan beslissen.
In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Als de vragensteller van mening is dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen.
Artikel 4.3. Inlichtingen
De wet kent een algemene actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, van de wet verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Het college moet permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht.
Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid, van de wet verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, van de wet indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien de raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. De term ‘ingrijpend’ is in de wet niet nader omschreven. De raad en het college dienen, op basis van de situatie in de eigen gemeente, tot een afbakening te komen. De wetgever heeft destijds het oog gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. De raad en het college moeten hier daarom zelf een modus in vinden.
Verder bestaat een passieve inlichtingenplicht voor het college of de burgemeester ten opzichte van de raad. In artikel 169, derde lid, van de wet is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee wordt voorkomen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. In dit artikel van het reglement wordt hiervoor een procedurele uitwerking gegeven.
De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is, zo blijkt uit de bewoordingen van artikel 169 van de wet, wettelijk objectief en algemeen omschreven. Het moet dan gaan om zwaarwegende belangen.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl