Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758179
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758179/1
Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Lisse 2026
Geldend van 07-03-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Lisse 2026Artikel 1 Definitiebepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
- a.
commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, dat niet tevens raadslid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd.
- b.
griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de Gemeentewet.
- c.
raadslid: lid van de gemeenteraad.
Artikel 2. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden
-
1. Van de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, kan 20% worden uitgekeerd op basis van het aantal bijgewoonde raadvergaderingen.
-
2. Uitsluitend bij verzuim door een raadslid van meer dan 4 opeenvolgende raadsvergaderingen (ongeacht tussenliggende recesperiodes) wordt deze 20% van de vergoeding niet uitbetaald aan het betreffende raadslid tot het einde van de raadsperiode, en terug te vorderen vanaf de eerste maand dat dit verzuim begon.
-
3. Onder verzuim wordt verstaan volledige afwezigheid bij een raadsvergadering. Ingeval van schorsing van een vergadering bestaat verzuim uit volledige afwezigheid bij beide delen van de geschorste vergadering.
-
4. Verzuim blijkt uit het ontbreken van een handtekening op de presentielijst van de gemeenteraad.
Artikel 3. Verzekering arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden
Een raadslid dat een vergoeding hiervoor ontvangt op grond van artikel 3.1.9 van het Rechtspositiebesluit, ontvangt dit maandelijks (1/12 deel van de vergoeding op jaarbasis).
Artikel 4. Toelage raadslid onderzoekscommissie en bijzondere commissie
Een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente een toelage toegekend. De toelage is per jaar maximaal driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Bij het instellen van een onderzoekscommissie, stelt de raad de hoogte van deze vergoeding vast.
Artikel 5. Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden
-
1. Een raads- of commissielid dat wil deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van zijn functie als bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient daartoe vooraf een gemotiveerd verzoek in bij de griffier.
-
2. Bij dit verzoek worden documenten (papier of digitaal) met de benodigde inhoudelijke informatie meegestuurd. Ook wordt een kostenspecificatie meegestuurd waaruit blijkt dat de prijs- kwaliteitsverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is, en dat de kosten ervan niet al op een andere basis kunnen betaald.
-
3. De maximale vergoeding voor scholing bedraagt:
- a.
€ 500,- per jaar per raadslid; op te sparen tot maximaal € 2000,- per raadsperiode;
- b.
€ 250,- per jaar per commissielid; op te sparen tot maximaal € 1000,- per raadsperiode.
- a.
-
4. De griffier beslist namens de raad op de aanvraag op basis van de overlegde stukken. Bij twijfel overlegt de griffier met het Presidium van de raad.
Artikel 6. Informatie- en communicatievoorzieningen raads- en commissieleden
-
1. Een raads- of commissielid tekent, zolang hij actief is in zijn functie, een bruikleenovereenkomst voor de informatie- en communicatievoorzieningen zoals bedoeld in artikel 3.3.2 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.
-
2. Een raads- of commissielid levert zo spoedig mogelijk na beëindiging van zijn functie de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente.
-
3. Overname van de informatie- en communicatievoorzieningen is mogelijk na schoning door de gemeente en tegen vergoeding van de boekwaarde.
Artikel 7. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel
-
1. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
-
2. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.
Artikel 8. Betaling vaste vergoedingen commissieleden
De betaling van de vergoeding van commissieleden, bedoeld in artikel 3.4.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale ambtsdragers vindt driemaandelijks plaats met inachtneming van een vergoeding per bijgewoonde vergadering, tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen.
Artikel 9. Betaling en declaratie van onkosten
-
1. Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepaalt, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door:
- a.
betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur,
- b.
betaling vooruit uit eigen middelen.
- a.
-
2. Een verzoek om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.
-
3. Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen drie maanden na factuurdatum of betaling door raads- of commissieleden ingediend bij de griffier.
-
4. Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan raads- of commissieleden binnen 2 maanden na het indienen van de aanvraag wordt overgemaakt.
Artikel 10. Intrekking oude verordening
De Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Lisse 2019 wordt ingetrokken.
Artikel 11. Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in het Gemeenteblad waarin deze verordening wordt geplaatst en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026.
Artikel 12. Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Lisse 2026.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van Lisse op 26 februari 2026,
Mevr. drs. G.C.I. Kager
Griffier
Dhr. drs. J. Nieuwenhuizen RC
Voorzitter
Toelichting Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Lisse 2026
ALGEMEEN DEEL
Wettelijke regelingen
In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen geregeld betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van raads- en commissieleden alsmede de financiële voorzieningen moeten worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze nadere regeling is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling politieke ambtsdragers zijn de (onkosten)vergoedingen nader uitgewerkt.
Hoofdlijnen gemeentelijke verordening
In deze verordening zijn alle bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke commissies zover die niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Bij de laatste moderniserings- en harmonisatieoperatie, betreffende de rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er wederom een aantal bepalingen imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De overweging hierbij is dat het bestuurlijk wenselijk is om de voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en regelgeving vast te leggen om politieke discussies te voorkomen. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om lokaal bij verordening van wettelijke regelingen af te wijken. Het ministerie van BZK publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening.
Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, is een aantal regels van belang.
In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat ‘buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’ ontvangen de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente. Deze verordening vormt een (nadere) uitwerking van bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen.
De arbeidsverhoudingen en fiscale positie
Raadsleden en commissieleden hebben geen dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden opteren voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst.
Als de raads- en commissieleden en gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan geldt dat de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten moet worden verantwoord en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten verantwoorden in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en commissieleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst doorgeven middels een formulier IB-47. Omdat raads- en commissieleden op persoonlijke titel worden gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft dan ook geen VAR-verklaring / Modelovereenkomst ZZP overlegd te worden aan de gemeente.
De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is niet van toepassing op raads- en commissieleden.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 2. Vergoeding voor werkzaamheden van raadsleden
De hoogte van de raadsvergoeding is verplichtend bepaald op een vast bedrag per inwonersklasse. Vanaf de dag van beëdiging hebben de raadsleden recht op de vergoedingen die verbonden zijn aan hun functie. Wat betreft de vergoeding voor de werkzaamheden is dit geregeld in artikel 3.1.1, eerste lid van het Rechtspositiebesluit. De gemeenteraad kan op grond van het vierde lid van artikel 3.1.1 bij verordening bepalen dat een deel van de vergoeding voor werkzaamheden wordt uitbetaald als presentiegeld. Het gaat om maximaal 20% van de vergoeding.
In een dergelijk geval mag er geen onderscheid worden gemaakt tussen de raadsleden: een presentievergoeding geldt dan voor alle raadsleden. Deze bepaling is opgenomen voor spookraadsleden. Spookraadsleden zijn volksvertegenwoordigers die wel zijn gekozen, maar die niet of nauwelijks aanwezig zijn bij de vergaderingen of activiteiten van de desbetreffende gemeenteraad. De keuze voor deze periode is vergelijkbaar met het tijdelijk ontslag van een raadslid vanwege ziekte (16 weken).
Het raadslid kan de vergoeding niet weigeren en de gemeente is verplicht de raadsvergoeding aan het raadslid over te maken op zijn of haar bankrekeningnummer. Het raadslid mag zelf (een deel) van de raadsvergoeding afdragen aan de politieke partij, maar is beginsel juridisch niet verplicht mee te werken aan een overdracht van (een deel) van zijn of haar raadsvergoeding. Een akte van cessie waarbij de raadsvergoeding direct aan een politieke groepering wordt overgemaakt is juridisch niet toegestaan. De reden hiervoor is dat het raadslid een onafhankelijke positie heeft en niet financieel afhankelijk mag zijn van de politieke groepering.
Artikel 3. Verzekering arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden
Raadsleden zijn vaak een significant deel van de werkweek voor de gemeenteraad bezig en kunnen daardoor vaak in hun hoofdfunctie minder pensioen opbouwen. Raadsleden hebben bovendien niet allemaal een hoofdfunctie in loondienst. In artikelen 3.1.9 van het Rechtspositiebesluit is daarom de grondslag gecreëerd om bij verordening te bepalen dat de raadsleden een bedrag per jaar ontvangen ter hoogte van één maandbedrag van hun vergoeding voor de werkzaamheden, waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Vanuit praktische overwegingen wordt 1/12 van het jaarbedrag per maand uitgekeerd.
Artikel 4. Toelage raadslid onderzoekscommissie en bijzondere commissie
Dit artikel betreft de toelagen voor raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Hiermee wordt gedoeld op de onderzoekscommissie en de vertrouwenscommissie, zoals deze in de Gemeentewet specifiek zijn omschreven. De vaststelling dat er sprake is van andere dergelijke bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening plaatsvinden. Daarbij moet gemotiveerd worden dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk meerwerk is naast het reguliere lidmaatschap van de gemeenteraad. Voor de hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde zware commissies wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de onderzoekscommissie en anderzijds de vertrouwenscommissie en andere zware door de raad ingestelde commissies.
Voor de hoogte van het bedrag voor het lidmaatschap van een onderzoekscommissie (art. 155 Gemeentewet) wordt vastgesteld door de gemeenteraad bij het instellen van de onderzoekscommissie. Het maximale bedrag ad. € 1.305,79 (prijspeil 01-01-2026) mag maximaal 3 keer per jaar mag worden uitgekeerd.
Wat betreft het lidmaatschap van de vertrouwenscommissie geldt een vast (belast) bedrag van € 153,33 per maand (art. 3.1.2 Rechtspositiebesluit; prijspeil 01-01-2026). Het bedrag wordt naar rato van de duur van de activiteiten toegepast. Zolang een commissie slapende is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage: niet de duur van het lidmaatschap is van belang, maar de duur van de activiteiten.
De gemeente Lisse heeft op het moment van vaststelling van deze verordening geen andere zware commissies. In voorkomend geval wordt voor de vergoeding aansluiting gezocht bij de vergoedingen voor commissieleden (art. 3.4.1 Rechtspositiebesluit).
Artikel 5. Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden
Voor raads- en commissieleden is expliciet bepaald dat de kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste kunnen worden gebracht van de gemeente. Partijpolitieke scholing komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking.
De inhoud van de scholing is bepalend of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is. Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is.
Om in aanmerking te komen voor vergoeding van de scholingskosten, moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij. Overigens zal de gemeente ook zelf scholing voor raads- en commissieleden verzorgen. Ook die kosten komen ten laste van de gemeente.
De voorwaarde voor toekenning is de prijs/kwaliteitverhouding. Het gaat daarbij om de vraag of de kosten in redelijke verhouding staan tot de door de leverancier van de scholing te leveren prestaties. Hierbij kan meegenomen worden of er niet een goedkopere, kwalitatief betere of meer op de betrokkene toegesneden variant mogelijk is. En wellicht wordt een vergelijkbare cursus ook aangeboden op een locatie dichter bij de woonplaats van de belanghebbende. De bijbehorende reiskosten voor niet-partij georiënteerde scholing komen ook voor vergoeding in aanmerking.
Het is wel verstandig om de vergoeding voor kosten van niet-politiek georiënteerde functionele scholing enigszins te begrenzen. Een gemeente kan die begrenzing zelf vormgeven. In Lisse heeft een raadslid € 2.000,- per raadsperiode tot zijn beschikking en een commissielid € 1000,-. Er wordt geen regeling toegepast voor terugvordering als een raads(commissie)lid stopt tijdens de raadsperiode.
Artikel 6. Informatie en communicatievoorzieningen raads- en commissieleden
Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een raadslid, wethouders of de burgemeester voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking.
Ook commissieleden kunnen aanspraak maken op ICT-middelen op grond van art. 3.4.4 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan een smartphone, een computer en de daarbij behorende (internet)abonnementen. Er mag slechts één computer vertrekt worden. Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer. Een smartphone is niet te kwalificeren als computer.
De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke ambtsdragers omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. Desgevraagd kan het raads(commissie)lid deze van de gemeente overnemen.
Artikel 7. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel
In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de loonbelasting 1964 is een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt.
Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte -tot 1,2% loonsom- onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen.
Artikel 8. Betaling vaste vergoedingen & Artikel 9. Betaling en declaratie van onkosten
Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen wanneer de vergoedingen en onkosten betaald moeten worden aan de raads- en commissieleden.
Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kunnen deze artikelen uitkomst bieden. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, en later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreekse facturering bij de gemeente. Het verdient aanbeveling dat het college een formulier vaststelt waarmee raads- en commissieleden gemaakte onkosten kunnen verantwoorden. Raads- en commissieleden declareren in beginsel hun kosten bij de griffier. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag (vooraf bepaald bedrag of tarief) betreft.
Artikelen 10, 11 en 12: Toelichting niet van toepassing
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl