Regeling vervalt per 01-01-2031

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincies Limburg, Noord-Brabant, en Zeeland van 24 februari 2026, houdende regels omtrent subsidieverstrekking ten behoeve van mkb innovatiestimulering topsectoren door de Zuidelijke provincies van Nederland (Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030)

Geldend van 07-03-2026 t/m 31-12-2030

Intitulé

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincies Limburg, Noord-Brabant, en Zeeland van 24 februari 2026, houdende regels omtrent subsidieverstrekking ten behoeve van mkb innovatiestimulering topsectoren door de Zuidelijke provincies van Nederland (Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030)

Gedeputeerde Staten van Limburg,

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

Gedeputeerde Staten van Zeeland,

Gelet op artikel 5 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v.;

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Gelet op de artikelen 7 en 8 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023;

Overwegende dat het Rijk middelen beschikbaar heeft gesteld voor een aantal gestandaardiseerde mkb-instrumenten die in alle regio’s van Nederland worden uitgevoerd;

Overwegende dat beoogd wordt om op kwaliteit te sturen en hiertoe subsidieverstrekking op landsdelig niveau voor de drie Zuidelijke Provincies samen noodzakelijk is en dit een voorzetting is van de werkwijze in de afgelopen jaren;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

§ 1 Haalbaarheidsproject

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

Asb Zeeland: Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023;

Asv Limburg: Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v.;

Asv Noord-Brabant: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Zeeland, Noord-Brabant, of Limburg;

haalbaarheidsproject: project dat geheel of grotendeels bestaat uit haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onder 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

innovatief product: technologisch nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product;

innovatief productieproces: technologisch nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces;

innovatieve dienst: technologisch nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst;

KIA: kennis- en innovatieagenda als bedoeld in bijlage 1;

mkb-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten dat afgebakend is in tijd en gericht op een specifiek eindresultaat;

projectsubsidie: subsidie in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen, verleend voor een eenmalig project van een subsidieaanvrager, ten behoeve van de gehele of gedeeltelijke dekking van de begroting van dat project;

verbonden partijen: marktpartijen die economisch, organisatorisch, financieel of juridisch verbonden zijn en waarbij sprake kan zijn van beïnvloeding van de ene partij door de andere partij;

Zuid-Nederland: grondgebied van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.

Artikel 1.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door en verleend aan mkb-ondernemingen.

Artikel 1.3 Subsidievorm

Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een haalbaarheidsproject.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

Subsidie op grond van deze paragraaf wordt geweigerd indien:

  • a.

    de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan € 2.500;

  • b.

    gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit in strijd met de wet, het algemeen belang of de openbare orde;

  • c.

    reeds voor de indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project;

  • d.

    ten aanzien van de aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • e.

    de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • f.

    de aanvrager in hetzelfde kalenderjaar reeds subsidie op grond van deze paragraaf heeft ontvangen; of

  • g.

    de aanvraag op grond van deze paragraaf niet voor subsidie in aanmerking komt.

Artikel 1.6 Subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      aanvrager is gevestigd in Zuid-Nederland en de subsidiabele activiteit komt ten goede aan Zuid-Nederland;

    • b.

      het project past binnen of geeft uitvoering aan een KIA zoals uitgewerkt in bijlage 1;

    • c.

      de aanvraag betreft niet de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager;

    • d.

      het project bestaat voor:

      • 1°.

        ten minste 60% van de subsidiabele kosten uit haalbaarheidsstudie;

      • 2°.

        ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;

    • e.

      het project is gericht op de voorbereiding van de ontwikkeling van een innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst;

    • f.

      de na het project voorgenomen activiteiten zijn in technische en financiële zin voldoende risicovol om het haalbaarheidsproject te rechtvaardigen;

    • g.

      het haalbaarheidsproject geeft voldoende inzicht in het economisch perspectief van de na het project voorgenomen activiteiten;

    • h.

      er bestaat voldoende vertrouwen in de technische en economische haalbaarheid van de na het project voorgenomen activiteiten;

    • i.

      er bestaat voldoende vertrouwen dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om de voorgenomen activiteiten naar behoren uit te voeren.

  • 2. Aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen:

    • a.

      op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten uit deze paragraaf;

    • b.

      een gespecificeerde begroting en sluitend financieringsplan;

    • c.

      een samenvatting van het project ten behoeve van een openbare publicatie.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      loonkosten;

    • b.

      kosten derden.

  • 2. In afwijking van artikelen 1.3.2 en 1.3.3 van het Asb Zeeland en overeenkomstig artikel 3 van de Regels subsidiabele kosten projectsubsidies is ten aanzien van de berekening van de subsidiabele kosten de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Voor de berekening van loonkosten wordt als standaardberekeningswijze een forfaitair vastgesteld uurtarief gehanteerd van € 60 per gewerkt uur.

  • 4. Het forfaitair vastgesteld uurtarief, bedoeld in het vorige lid, wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten.

Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 11 van de Asv Noord-Brabant, artikel 15 van de Asv Limburg en artikel 1.3.1, tweede lid, van het Asb Zeeland komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten gemaakt voor de startdatum van het project;

  • b.

    kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties.

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1. Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier.

  • 2. Subsidieaanvragen worden ingediend van 7 april 2026, 09.00 uur, tot en met 15 september 2026, 17.00 uur.

  • 3. Een aanvrager kan per dag één aanvraag indienen.

  • 4. Indien een aanvrager op dezelfde dag meerdere aanvragen indient, of indien meerdere aanvragers die verbonden partijen zijn overeenkomstig de criteria opgenomen in bijlage 2, op dezelfde dag een aanvraag indienen, nemen Gedeputeerde Staten uitsluitend de eerst ingediende aanvraag in behandeling.

Artikel 1.10 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor de periode genoemd in artikel 1.9, tweede lid, bedraagt:

  • a.

    € 560.000 voor aanvragers die in de provincie Limburg zijn gevestigd;

  • b.

    € 2.060.000 voor aanvragers die in de provincie Noord-Brabant zijn gevestigd;

  • c.

    € 360.000 voor aanvragers die in de provincie Zeeland zijn gevestigd.

Artikel 1.11 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 20.000.

  • 2. Indien reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie subsidie is verstrekt voor dezelfde subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt het bedrag dat door deze bestuursorganen is verstrekt in mindering gebracht op de subsidie waarvoor de aanvrager op grond van deze paragraaf in aanmerking komt.

Artikel 1.12 Verdeelcriteria

  • 1. Subsidie op grond van deze paragraaf wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

  • 4. De subsidie wordt overeenkomstig de rangschikking verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 1.13 Beslistermijnen subsidieverlening

  • 1. In afwijking van artikel 15, eerste lid, van de Asv Noord-Brabant en artikel 12, eerste lid, van de Asv Limburg, beslissen Gedeputeerde Staten op een aanvraag voor subsidie binnen 16 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. De termijn genoemd in het eerste lid kan in afwijking van artikel 12, vierde lid, van de Asv Limburg met 16 weken worden verdaagd.

Artikel 1.14 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De subsidieontvanger start het project uiterlijk vier maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2. De subsidieontvanger realiseert het project uiterlijk 12 maanden na de start van het project.

  • 3. De subsidieontvanger verleent aan Gedeputeerde Staten dan wel aan door de Minister van Economische Zaken daartoe aangewezen instanties of personen medewerking aan het uitvoeren van onderzoek en evaluaties en het opstellen van evaluatierapporten met betrekking tot deze paragraaf.

  • 4. Artikel 1.6.6, derde lid, en artikel 1.10.1, eerste lid, van het Asb Zeeland blijven buiten toepassing.

  • 5. Artikel 18 van de Asv Noord-Brabant is van overeenkomstige toepassing op subsidies verleend voor de provincie Zeeland.

Artikel 1.15 Betaling

De betaling van het subsidiebedrag vindt in een keer plaats.

Artikel 1.16 Verantwoording

De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een rapport van het haalbaarheidsproject.

Artikel 1.17 Vaststelling

In afwijking van paragraaf 1.7 en paragraaf 1.8 van het Asb Zeeland en op basis van artikel 20, eerste lid, onder a, van de Asv Noord-Brabant en artikel 31, eerste lid, van de Asv Limburg worden subsidies op grond van deze paragraaf direct vastgesteld.

Artikel 1.18 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2028 en vervolgens elke twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid van de effecten van deze paragraaf in de praktijk.

§ 2 R&D samenwerkingsproject

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

Asb Zeeland: Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023;

Asv Limburg: Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v.;

Asv Noord-Brabant: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg;

industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onder 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

innovatief product: technologisch nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product;

innovatief productieproces: technologisch nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces;

innovatieve dienst: technologisch nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst;

KIA: kennis- en innovatieagenda als bedoeld in bijlage 1;

mkb-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten dat afgebakend is in tijd en gericht op een specifiek eindresultaat;

projectsubsidie: subsidie in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen, verleend voor een eenmalig project van een subsidieaanvrager, ten behoeve van de gehele of gedeeltelijke dekking van de begroting van dat project;

verbonden partijen: marktpartijen die economisch, organisatorisch, financieel of juridisch verbonden zijn en waarbij sprake kan zijn van beïnvloeding van de ene partij door de andere partij;

Zuid-Nederland: grondgebied van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.

Artikel 2.2 Doelgroep

  • 1. Subsidie op grond van deze paragraaf kan uitsluitend worden aangevraagd door en verleend aan mkb-ondernemingen in een samenwerkingsverband.

  • 2. Een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid is een verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit ten minste twee mkb-ondernemingen, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van de subsidiabele activiteiten bedoeld in artikel 2.4.

Artikel 2.3 Subsidievorm

Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een R&D-samenwerkingsproject, te weten een project bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, in daadwerkelijke samenwerking en voor gezamenlijke rekening en risico uitgevoerd door een samenwerkingsverband.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

Subsidie op grond van deze paragraaf wordt geweigerd indien:

  • a.

    gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit in strijd met de wet, het algemeen belang of de openbare orde;

  • b.

    reeds voor de indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project;

  • c.

    ten aanzien van aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d.

    de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • e.

    de aanvrager door toekenning in hetzelfde kalenderjaar meer subsidie op grond van deze paragraaf zou ontvangen dan het maximum bedoeld in artikel 2.11, tweede lid; of

  • f.

    de aanvraag op grond van deze paragraaf niet voor subsidie in aanmerking komt.

Artikel 2.6 Vereisten

  • 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      aanvrager is gevestigd in Zuid-Nederland dan wel de subsidiabele activiteit komt ten goede aan Zuid-Nederland;

    • b.

      het project moet passen binnen of uitvoering geven aan een KIA zoals uitgewerkt in bijlage 1;

    • c.

      het project draagt de instemming van alle deelnemers aan het samenwerkingsverband;

    • d.

      deelnemers aan het samenwerkingsverband zijn geen verbonden partijen overeenkomstig de criteria opgenomen in bijlage 2;

    • e.

      geen van de deelnemers aan het samenwerkingsverband neemt meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor zijn rekening;

    • f.

      ten minste 50% van de subsidiabele kosten van het project wordt gedragen door mkb-ondernemingen die zijn gevestigd in Zuid-Nederland;

    • g.

      het project is gericht op experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek;

    • h.

      het project scoort ten minste 10 punten op elk afzonderlijk verdeelcriterium, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a tot en met d;

    • i.

      de totale score van het project op de verdeelcriteria, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, bedraagt ten minste 50 punten.

  • 2. Aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen:

    • a.

      op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten uit deze paragraaf;

    • b.

      een begroting en sluitend financieringsplan;

    • c.

      een beschrijving dat het project bijdraagt aan het creëren van economische waarde voor:

      • 1°.

        de deelnemers in het samenwerkingsverband; en

      • 2°.

        de Zuid-Nederlandse economie;

    • d.

      een beschrijving dat het samenwerkingsverband voldoende is toegerust voor het uitvoeren van het project, blijkend uit:

      • 1°.

        complementariteit van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;

      • 2°.

        capaciteiten van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;

      • 3°.

        de kwaliteit van de projectorganisatie;

    • e.

      een beschrijving dat het project bijdraagt aan:

      • 1°.

        vernieuwing van producten, processen of diensten; of,

      • 2°.

        wezenlijk nieuwe toepassing van bestaande producten, processen of diensten;

    • f.

      een beschrijving dat het project een positieve maatschappelijke impact heeft op de onderwerpen genoemd in een of meerdere KIA's uit bijlage 1;

    • g.

      een samenvatting van het project ten behoeve van een voor eenieder toegankelijke publicatie.

  • 3. Indien de aanvraag een of meer onderwerpen betreft waaraan Gedeputeerde Staten prioriteit hebben toegekend als bedoeld in bijlage 4, bevat de aanvraag onverminderd het tweede lid een onderbouwing waarom het project deze onderwerpen betreft.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      loonkosten;

    • b.

      kosten derden;

    • c.

      afschrijvingskosten.

  • 2. In afwijking van artikelen 1.3.2 en 1.3.3 van het Asb Zeeland en overeenkomstig artikel 3 van de Regels subsidiabele kosten projectsubsidies is ten aanzien van de berekening van de subsidiabele kosten de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Voor de berekening van loonkosten op basis van kosten per kostendrager voor indirecte kosten bedraagt het opslagpercentage voor de indirecte kosten 50%.

  • 4. Voor de toepassing van een forfaitair vastgesteld uurtarief bedraagt het uurtarief van loonkosten per gewerkt uur € 60.

  • 5. Het forfaitair vastgesteld uurtarief, bedoeld in het vorige lid, wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten.

Artikel 2.8 Niet subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 11 van de Asv Noord-Brabant, artikel 15 van de Asv Limburg en artikel 1.3.1, tweede lid, van het Asb Zeeland komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten gemaakt voor de startdatum van het project;

  • b.

    kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties.

Artikel 2.9 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1. Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier.

  • 2. Subsidieaanvragen worden ingediend van 9 juni 2026, 09.00 uur, tot en met 15 september 2026, 17.00 uur.

Artikel 2.10 Subsidieplafond

  • 1. Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4 voor de tenderperiode genoemd in artikel 2.9, tweede lid, vast op € 7.100.000, met dien verstande dat maximaal 50% van het subsidieplafond beschikbaar is voor aanvragen met een subsidiehoogte van meer dan € 200.000.

  • 2. Indien na het toekennen van subsidie aan alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen met een subsidiehoogte van maximaal € 200.000 een bedrag in het subsidieplafond resteert, vervalt de beperking bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.11 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 350.000 per subsidiabele activiteit.

  • 2. Indien reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie subsidie is verstrekt voor dezelfde subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt het bedrag dat door deze bestuursorganen is verstrekt in mindering gebracht op de subsidie waarvoor de aanvrager op grond van deze paragraaf in aanmerking komt.

  • 3. De totale subsidie wordt niet verstrekt indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat het deel van de subsidie dat aan een deelnemer aan het samenwerkingsverband toekomt:

    • a.

      minder bedraagt dan € 25.000; of,

    • b.

      meer bedraagt dan:

      • 1°.

        € 100.000 indien het subsidiebedrag maximaal € 200.000 is; of

      • 2°.

        € 175.000 indien het subsidiebedrag hoger is dan € 200.000.

Artikel 2.12 Verdeelcriteria

  • 1. Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.10, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria zoals uitgewerkt in bijlage 3:

    • a.

      de mate waarin technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, productieproces of dienst wordt verwacht, te waarderen met maximaal 25 punten;

    • b.

      de mate waarin economische waarde wordt gecreëerd, te waarderen met maximaal 25 punten, voor:

      • 1°.

        de deelnemers aan het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2.6;

      • 2°.

        de Zuid-Nederlandse economie;

    • c.

      de mate van kwaliteit van het samenwerkingsverband, te waarderen met maximaal 25 punten, gezien de:

      • 1°.

        complementariteit van de deelnemers;

      • 2°.

        capaciteiten van de deelnemers;

      • 3°.

        kwaliteit van de projectorganisatie;

    • d.

      de mate waarin maatschappelijke impact wordt gerealiseerd op de onderwerpen genoemd in een of meerdere KIA’s uit bijlage 1, te waarderen met maximaal 25 punten.

  • 2. Indien de aanvraag een onderwerp betreft waaraan Gedeputeerde Staten prioriteit hebben toegekend als bedoeld in bijlage 4, wordt het aantal punten verdubbeld dat is toegekend voor het criterium genoemd in het eerste lid, onderdeel d.

  • 3. Indien na toepassing van het eerste en tweede lid, en artikel 2.6, eerste lid, onder h en i, blijkt dat de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.10, te boven gaan, worden de aanvragen gerangschikt op volgorde van puntenaantal waarbij de aanvraag met de meeste punten bovenaan eindigt.

  • 4. Indien toepassing van het eerste en tweede lid ertoe leidt dat meer dan 50% van het subsidieplafond wordt verstrekt aan aanvragen met een subsidiehoogte van meer dan € 200.000, wordt subsidie niet verstrekt aan aanvragen die het maximum van 50% van het subsidieplafond overschrijden.

  • 5. Indien toepassing van het eerste en tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

  • 6. De subsidie wordt overeenkomstig de rangschikking verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 2.13 Externe adviescommissie

Gedeputeerde Staten leggen aanvragen voor subsidie voor advies over artikel 2.12, eerste en tweede lid, voor aan een door hen in te stellen adviescommissie als bedoeld in artikel 82 van de Provinciewet.

Artikel 2.14 Beslistermijnen subsidieverlening

  • 1. In afwijking van artikel 15, tweede lid, van de Asv Noord-Brabant en artikel 12, tweede lid, van de Asv Limburg beslissen Gedeputeerde Staten op een aanvraag voor subsidie binnen 16 weken na afloop van de tenderperiode.

  • 2. De termijn, genoemd in het eerste lid, kan in afwijking van artikel 12, vierde lid, van de Asv Limburg met 16 weken worden verdaagd.

Artikel 2.15 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De subsidieontvanger:

    • a.

      start het project uiterlijk zes maanden na het indienen van de volledige aanvraag;

    • b.

      rondt het project uiterlijk 24 maanden na de start van het project af;

    • c.

      overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

    • d.

      houdt een administratie bij van de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten;

    • e.

      verleent aan Gedeputeerde Staten dan wel aan door de Minister van Economische Zaken daartoe aangewezen instanties of personen medewerking aan het uitvoeren van onderzoek en evaluaties en het opstellen van evaluatierapporten met betrekking tot deze paragraaf.

  • 2. Artikel 1.6.6, derde lid en artikel 1.10.1, eerste lid van het Asb Zeeland blijven buiten toepassing.

  • 3. Artikel 18 van de Asv Noord-Brabant is van overeenkomstige toepassing op subsidies verleend voor de provincie Zeeland.

Artikel 2.16 Bevoorschotting

  • 1. Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies een voorschot van ten hoogste 75% op het verleende subsidiebedrag.

  • 2. Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte van de termijnen en de tijdstippen van betaling in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

  • 3. Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot als bedoeld in het tweede lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 4. De bevoorschotting als bedoeld in de voorgaande leden geschiedt ambtshalve en gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 2.17 Verantwoording

  • 1. Bij subsidies tot € 125.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van:

    • a.

      een inhoudelijk eindverslag;

    • b.

      bewijsstukken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2. Bij subsidies boven de € 125.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van:

    • a.

      een inhoudelijk eindverslag;

    • b.

      bewijsstukken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • c.

      een controleverklaring, te weten een verklaring van een accountant over de financiële verantwoording van de subsidieontvanger alsmede over het voldoen aan voor de subsidie relevante wet- en regelgeving.

Artikel 2.18 Subsidievaststelling

  • 1. Gedeputeerde Staten stellen de subsidie op grond van deze paragraaf ingevolge artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening vast op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.

  • 2. Overeenkomstig artikel 1.9.4 van het Asb Zeeland, en in afwijking van artikel 28 van de Asv Limburg, dienen aanvragen tot vaststelling binnen twaalf weken na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is verleend te worden ingediend.

  • 3. Op de subsidies tot € 125.000, zijn de volgende artikelen van overeenkomstige toepassing:

    • a.

      artikel 22 van de Asv Noord-Brabant met uitzondering van het tweede lid, zevende lid, onderdeel a onder 2, zevende lid, onderdeel b, achtste lid en twaalfde lid;

    • b.

      artikel 33 van de Asv Limburg met uitzondering van het eerste lid onder c;

    • c.

      artikel 1.9.5, eerste lid, onder b, van het Asb Zeeland.

Artikel 2.19 Beslistermijnen vaststelling

  • 1. In afwijking van artikel 21, negende lid, en artikel 22, twaalfde lid, van de Asv Noord-Brabant beslissen Gedeputeerde Staten binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling.

  • 2. De termijn, genoemd in het eerste lid, kan met 12 weken worden verdaagd.

Artikel 2.20 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2028 en vervolgens elke twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid van de effecten van deze paragraaf in de praktijk.

§ 3 Slotbepalingen

Artikel 3.1 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor de laatstgenoemde datum zijn aangevraagd.

Artikel 3.2. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030.

Ondertekening

‘s-Hertogenbosch, 24 februari 2026

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

de secretaris,

drs. G.H.E. Derks MPA

Bijlage 1 bij artikel 1.6, eerste lid, onder b, en artikel 2.6, eerste lid, onder b, van de Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030

In de verschillende regionale MIT-regelingen en de landelijke regeling wordt verwezen naar deze bijlage. Deze bijlage is juridisch maatgevend voor de onderwerpen (de Kennis-en Innovatieagenda’s, hierna: KIA’s) waar een project zich op kan richten en voor de maatschappelijke impact waarop een R&D-Samenwerkingsproject mede wordt gerangschikt. Verderop wordt nader toegelicht waar de verschillende kennis- en innovatie-agenda’s zich op richten, en waar uw project zich dus op kan richten. In de algemene en artikelsgewijze toelichting op de Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030 wordt aangegeven hoe deze informatie dient te worden geïnterpreteerd binnen de regeling en de aanvraag.

De KIA’s van het Missiegedreven Topsectoren en Innovatiebeleid vormen de basis voor de onderwerpen waarop een MIT-haalbaarheidsproject of een MIT-R&D-samenwerkings¬project zich kan richten. Het toetsingskader van de MIT, zoals opgenomen in deze bijlage, is de mkb-samenvatting van de KIA’s en daarmee leidend voor toetsing van de MIT-aanvragen.

Ondanks dat het toetsingskader ingedeeld is per KIA zijn de volledige KIA’s (zoals hieronder te vinden via topsectoren.nl) geen onderdeel van het toetsingskader voor de MIT-aanvragen. De agenda's zelf zijn primair geformuleerd als onderzoeksagenda’s waardoor ze niet altijd geschikt zijn als kader voor het mkb. Onder elke KIA staat een mkb-samenvatting van de volledige KIA in het MIT toetsingskader.

Verdeelcriteria en score R&D-project

R&D-Samenwerkingsprojecten kunnen op meerdere maatschappelijke gebieden impact hebben. Dit is een gevolg van het feit dat de missies en KIA’s op zichzelf en onderling overlap vertonen. Ook kan de oplossing voor de ene missie negatief uitwerken op een andere. Iets vergelijkbaars geldt voor de bevordering van sleuteltechnologieën. Bij de toedeling van punten op het onderdeel maatschappelijke impact weegt de beoordelende commissie het totaal aan maatschappelijke baten op de genoemde terreinen.

Nadere informatie en voorbeelden

  • -

    Voor KIA Circulaire Economie is de lijst voor kritieke grondstoffen te vinden via: https://single-market-economy.ec.europa.eu/sectors/raw-materials/areas-specific-interest/critical-raw-materials_en).

  • -

    Voor de KIA Gezondheid en Zorg is de volgende additionele informatie relevant:

    • 1.

      Veel innovatieve concepten, producten en diensten van het mkb voor gezondheid en zorg bereiken de markt niet.

    • 2.

      Om teleurstellingen te voorkomen adviseren we ondernemers om bij het overwegen van een aanvraag voor een van de instrumenten van de MIT (R&D-samenwerkingsproject of haalbaarheidsproject) op dit thema 'Health Innovation NL' (HI-NL) te raadplegen en eventueel te betrekken.

    • 3.

      HI-NL kan aangeven of de kans reëel is dat een project en/of een innovatie succesvol kan worden. Meer informatie over dit instituut is te vinden op: https://www.healthinnovation.nl/

Interpretatie van het toetsingskader voor de verschillende MIT-instrumenten

Het toetsingskader van de MIT voor de KIA’s 1 t/m 5 bestaat uit verschillende (deel)missies (KIA 2: Circulaire Economie heeft geen meerdere deelmissies maar bestaat uit een missie). De KIA Sleuteltechnologieën bestaat uit een lijst van 44 technologieën, en daarbinnen zijn via de Nationale Technologie Strategie 10 technologieën geselecteerd waar ons land extra op wil inzetten. De NTS-technologieën zijn terug te vinden (Sleutel /Digitale) in de technologie lijsten van KIA 6 en 7 met de toevoeging “(NTS)”.

KIA 1. Klimaat en Energie

Projecten dienen bij te dragen aan het pad naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Ze dragen daarmee automatisch bij aan de tussendoelen voor 2030 zoals nationaal en Europees zijn vastgesteld.

De Kennis- en Innovatie Agenda (Hierna: KIA) Klimaat en Energie bevat 4 deelmissies:

  • 1.

    Een volledig CO2-vrij elektriciteitssysteem in 2050;

  • 2.

    Een CO2-vrije en toekomstbestendige gebouwde omgeving in 2050;

  • 3.

    Een klimaatneutrale industrie met hergebruik van grondstoffen en producten in 2050;

  • 4.

    Emissieloze en toekomstbestendige mobiliteit voor mensen en goederen in 2050.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst in relatie tot bovenstaande deelmissies gericht te zijn op:

  • Verlaging van het gebruik van fossiele energie c.q. van de uitstoot van CO2 of andere broeikasgassen.

  • Verhoging van de productie of benutting van duurzame energie en de integratie in het energiesysteem.

  • Vergroting van de efficiency door energiebesparende innovaties.

KIA 2. Circulaire Economie

Projecten dienen bij te dragen aan het pad naar een circulaire economie in 2050. Voor deze missie zijn tussendoelen geformuleerd in het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 en kansrijke thema’s om die tussendoelen te kunnen halen. De snelheid en het volume waarmee de beoogde innovatie impact zou kunnen maken, wegen mee in de beoordeling.

In een circulaire economie past het totaal van alle productie en consumptie binnen de planetaire grenzen. Voor circulariteit dienen nieuwe producten en diensten te worden ontworpen, waarbij het potentieel voor hergebruik en recycling het uitgangspunt is. Om te komen tot circulaire grondstof-ketens en processen moet de levensduur van producten en materialen worden verlengd door producten en processen te ontwikkelen en geschikt te maken voor het uitvoeren van reparatie, refurbishing, remanufacturing en andere levensduurverlengende bewerkingen, worden materialen en (kritische) grondstoffen aan het einde van de levensduur van producten teruggewonnen, en worden productie-, collectie-, sorteer -, reparatie-, refurbishing- en recyclingsprocessen geoptimaliseerd.

Maatschappelijk zal sprake moeten zijn van een systeemtransitie en van acceptatie. Dit vraagt om systeem- en sociale innovaties, zoals gedragsverandering van bedrijven en consumenten, meervoudige waarde creatie, ketenanalyse en ketensamenwerking, standaardisering en normering. MKB-innovaties zullen in deze ontwikkelingen moeten passen respectievelijk. deze moeten versterken.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:

  • 1.

    Vermindering van het gebruik van primaire grondstoffen.

  • 2.

    Substitutie: vervanging van fossiele of anderszins belastende grondstoffen door hernieuwbare grondstoffen (secundaire grondstoffen of duurzaam geproduceerde biogrondstoffen).

  • 3.

    Stimulering van levensduurverlenging, bijvoorbeeld via producten of processen die hergebruik, refurbishment en reparatie van apparatuur, installaties en infrastructuur stimuleren.

  • 4.

    Beperking van de uitstoot van schadelijke stoffen naar het milieu dan wel vervanging van deze schadelijke stoffen door stoffen die veel minder schadelijk of onschadelijk worden geacht.

  • 5.

    Hoogwaardige verwerking: schone en goed gesorteerde inzamelstromen en terugwinning van materialen.

Ten slotte dienen de te ontwikkelen innovatieve producten, processen of diensten in relatie tot de bovenstaande deelmissie zich te richten op een (combinatie) van de volgende waardeketens:

  • Bouw: woningen, kantoren, viaducten en bruggen, wegverhardingen.

  • Consumptiegoederen: meubels, textiel, verpakkingen en wegwerpproducten; elektrische en elektronische apparatuur.

  • Kunststoffen: plastic verpakkingen, land- en tuinbouwplastic, plastic in de bouw.

  • Maakindustrie: capital equipment, windparken, zon-PV systemen, klimaatinstallaties.

  • Gezondheid en Zorg: wegwerpmaterialen en -instrumenten, geneesmiddelen, vastgoed

  • Water: grondstoffen uit afvalwater, zuivering van afvalwater na gebruik als grondstof

  • Kritieke grondstoffen: grondstoffen die nodig zijn voor de energietransitie, maakindustrie en defensie, maar een groot risico kennen ten aanzien van de leveringszekerheid.

KIA 3. Landbouw, Water en Voedsel

Projecten dienen bij te dragen aan de zes deelmissies van de KIA Landbouw, Water en Voedsel (LWV). Ten slotte is er een apart programma voor sleuteltechnologieën voor de KIA LWV dat geen onderdeel is van de deelmissies van LWV maar waar projecten nog steeds aan bij kunnen dragen.

De KIA LWV bevat 6 deelmissies:

  • 1.

    Veerkrachtige natuur en vitale bodem

  • 2.

    Duurzame land- en tuinbouw

  • 3.

    Vitaal landelijk gebied in een klimaatbestendig Nederland

  • 4.

    Duurzaam en gewaardeerd voedsel dat gezond, toegankelijk en veilig is

  • 5.

    Duurzaam en veilig gebruik van de Noordzee en andere grote wateren

  • 6.

    Veilige en weerbare delta

Een belangrijk deel van de vraagstukken achter die deelmissies vraagt om onderzoek (kennis), om een eenmalige oplossing (een specifieke aanpak) of om oplossingen voor de inrichting van gebieden, en niet om een veelvuldig verkoopbaar MKB-product waarvoor de MIT-subsidie de haalbaarheid moet aantonen of de technische ontwikkelrisico’s moet reduceren. Dit geldt vooral de deelmissies 1, 3 en de systeemgerichte onderdelen van deelmissie 4. MKB-projecten liggen daarbij dus niet direct voor de hand, maar technologische oplossingen om kennis te verzamelen of in de praktijk te brengen zijn zeker niet ondenkbaar. Denk bijvoorbeeld aan innovaties ten behoeve van betere of gemakkelijker kennisverzameling, beheer (het bestrijden van exoten) of de ontwikkeling van sensoren.

Hieronder worden de deelmissies en het programma sleuteltechnologieën voor Landbouw, Water en Voedsel (LWV) nader toegelicht.

1. Deelmissie veerkrachtige natuur en vitale bodem

Deze deelmissie draait om innovaties die effectief bijdragen aan het ombuigen van de trend van natuur- en biodiversiteitsverlies. De sleutels liggen enerzijds bij biodiversiteitsherstel en het robuust maken van natuur binnen en buiten natuurgebieden, anderzijds bij de transitie naar een samenleving en economie die hier positief aan bijdragen. Het gaat ook om vernieuwde vormen van governance en waarderingssystemen en de innovatieve inzet van natuur als oplossing voor de maatschappelijke opgave om een veerkrachtige natuur en een vitale bodem te bewerkstelligen.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie bij te dragen aan de volgende vraagstukken:

  • 1.

    Ombuigen van natuur- en biodiversiteitsverlies naar noodzakelijk herstel door kennis van biodiversiteit en natuurlijke processen en structuren, maar ook door kennis over de effectiviteit van maatregelen en herstelstrategieën.

  • 2.

    Beter begrijpen hoe ecosysteemdiensten versterkt kunnen worden in stedelijk, landelijk en natuurlijk gebied. Er zijn innovatieve meetsystemen nodig van de economische en maatschappelijke waardering van deze diensten.

  • 3.

    Mogelijkheden die digitale technologieën bieden voor een natuurinclusieve samenleving door het verzamelen van data en monitoring en de inzet daarbij van tools, apps, AI, remote sensing, drones en sensoren in het natuurdomein.

2. Deelmissie duurzame land- en tuinbouw

Deze deelmissie beoogt de benodigde kennis, inzichten, innovaties en handelingsperspectieven te ontwikkelen om te komen tot een integraal duurzaam systeem van land- en tuinbouw, waarbij het systeem zowel de primaire bedrijven betreft als hun economische, maatschappelijke en ruimtelijke interacties.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie gericht te zijn op de volgende innovatieprogramma’s:

  • 1.

    (Bouwstenen voor) veerkrachtige en weerbare plantaardige en dierlijke productiesystemen.

  • 2.

    Circulariteit en natuurlijke hulpbronnen; verdere sluiting van de kringloop van water, nutriënten en andere (bio)grondstoffen.

  • 3.

    Energietransitie in de land- en tuinbouw.

3. Deelmissie vitaal landelijk gebied in een klimaatbestendig Nederland

Deze deelmissie draait om de kwaliteit van bodem en water die onder druk staat, en de beschikbaarheid van voldoende zoet water voor drinkwater, industrie, irrigatie en natuur die niet meer altijd vanzelfsprekend is. Dat geldt voor het platteland maar ook voor bebouwde gebieden, waarin bijvoorbeeld stedelijk groen bijdraagt aan leefbaarheid en vermindering van wateroverlast en hittestress.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie gericht te zijn op:

  • 1.

    (Hybride) groen-grijs-blauwe oplossingen voor de private en publieke ruimte die bijdragen aan biodiversiteit, het vasthouden en infiltreren van water en het verminderen van hittestress, de beheersing van het grondwaterpeil en het voorkomen van zettingen en bodemdaling. Duurzame en robuuste inrichting van ondergrondse leidingnetwerken voor drinkwater, hemelwater en afvalwater, rekening houdend met andere ondergrondse netwerken, klimaatverandering, de energietransitie en de woningbouwopgave.

  • 2.

    Oplossingen voor het langer vasthouden van regenwater en gezuiverd afvalwater, waarbij landinrichting en -gebruik bijdragen aan het vasthouden van water. Inzet van technologische en natuurlijke zuivering om kwaliteit van zoetwatersystemen te beschermen (o.a. tegen verzilting) en te verbeteren. Het voorkomen van schadelijke emissies en lozingscalamiteiten. Duurzame alternatieven voor waterwinning en waterhergebruik.

4. Deelmissie duurzaam en gewaardeerd voedsel, dat gezond, toegankelijk en veilig is

Doel van deze deelmissie is dat in 2050 voedsel in Nederland en Europa op een duurzame manier wordt geproduceerd in transparante ketens, waarin alle ketenpartijen een bijdrage leveren aan de verduurzaming van het voedselsysteem als geheel en aan de voedselzekerheid. Het voedselsysteem is dan zo ingericht dat het bijdraagt aan de halvering van de ecologische voetafdruk. Het streven is dat er in 2030 de helft minder voedsel wordt verspild en dat er een verschuiving wordt gerealiseerd naar 50-50% dierlijke en plantaardige eiwitten. Ook worden zij- en reststromen maximaal verwaard. Er wordt toegewerkt naar een ecologisch, economisch en sociaal houdbaar systeem.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie bij te dragen aan de volgende ontwikkelingen:

  • 1.

    Een ecologisch en economisch houdbaar landbouw en voedsel-systeem; dit betreft herinrichting van het landbouw- en voedselsysteem, transparante en duurzame voedselketens en de positie van Nederland in het internationale voedselsysteem.

  • 2.

    Duurzame verwerking en voedselveiligheid, vers en verwerkt; dit betreft in (vers)ketens reductie en hergebruik van energie en water, verbeterde grondstofefficiëntie en flexibele voedselverwerking, het tegengaan van voedselverspilling, de verlenging van de houdbaarheid van producten.

  • 3.

    Alternatieve eiwitten: keten en producten; dit betreft verhoogde productie van alternatieve eiwitten, meer en beter aanbod, verhoogde consumptie en effecten van de eiwittransitie.

  • 4.

    Duurzaam en gezond voedselaanbod en consumentengedrag; dit betreft het aanbod van duurzame en gezonde producten, voedselkeuzegedrag van consumenten, een verbeterde voedselomgeving.

  • 5.

    Voedselzekerheid nu en in de toekomst (mondiaal/EU/Nederland); dit betreft schokbestendige (toekomstige) voedselsystemen, het bevorderen van inclusieve en duurzame groei in de agrifood sector in lage- en middeninkomenslanden, het terugdringen van verspilling en voedselverlies en de transitie naar duurzame en gezonde diëten in lage – en middeninkomenslanden.

  • 6.

    Meervoudige verwaarding vanaf de agrifoodsector naar food en non-food; dit betreft verwaarding van biogrondstoffen uit de voedselketen naar voedsel en hoogwaardige, veilige, bioafbreekbare non-food producten, het halveren van de footprint in bestaande en nieuwe voedselketens door het valoriseren van de rest- en zijstromen, de reductie van en efficiënter gebruik van water, energie en grondstoffen en de ontwikkeling van markten en waardeketens voor schone en veilige producten uit organische restromen en voor biobased producten.

5. Deelmissie duurzaam en veilig gebruik van de Noordzee en andere grote wateren

Deze deelmissie richt zich op het doel dat in 2050 in Nederland de ecologische draagkracht en waterkwaliteit en –beschikbaarheid in balans is met de opgave voor hernieuwbare energie, voedsel, visserij en andere economische activiteiten.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

  • 1.

    Producten uit zee en grote wateren inclusief aquacultuur worden gewonnen met minimale ecologische impact.

  • 2.

    Verwerkingsprocessen (aan boord) zijn geoptimaliseerd.

6. Deelmissie veilige en weerbare delta

Deze deelmissie richt zich op het doel dat Nederland een veilige en weerbare delta blijft, ook bij een stijgende zeespiegel en sterkere schommelingen in de afvoer van rivieren door toegenomen weerextremen. Het achterliggend land wordt beschermd met betaalbare, circulaire, klimaatneutrale maatregelen die zoveel mogelijk werken vanuit het natuurlijk systeem (NBS, water en bodem sturend) dan wel rekening houden met de natuur (natuurinclusief). Havens blijven bereikbaar en rivieren, kanalen en de Noordzee blijven veilig bevaarbaar.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

  • 1.

    Innovatieve en duurzame oplossingen om de delta tegen overstroming en verdroging te beschermen en bevaarbaar te houden.

  • 2.

    Innovatieve, duurzame (met name) circulaire harde en zachte oplossingen waarmee het gebruik van primaire bouwgrondstoffen fors gereduceerd wordt en/of een duurzame slibeconomie ontstaat.

  • 3.

    Innovatieve oplossingen die bijdragen aan emissiereductie in de scheepvaart en leiden tot een digitale, modulaire en circulaire inrichting van de scheepsbouw.

7. Programma voor sleuteltechnologieën voor Landbouw, Water en Voedsel (LWV)

Dit programma richt zich op het doel dat in 2030 sleuteltechnologieën zijn ontwikkeld die bijdragen aan de missies in ‘groenblauwe‘ sectoren zoals land- en tuinbouw en watersystemen. De toepassing van sleuteltechnologieën helpt deze sectoren hun missies en doelen effectiever, sneller en/of efficiënter te bereiken.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

  • 1.

    ‘Smart Technology’: technologie die (op termijn) via digitalisering bijdraagt aan oplossingen voor maatschappelijke opgaven in het groen/blauwe domein, het maakt de sectoren efficiënter, intelligenter, transparanter, veiliger, adaptiever en weerbaarder.

  • 2.

    Biotechnologie en veredeling draagt bij aan de beschikbaarheid van voldoende genetische variatie en innovatieve technologieën voor de veredeling en fokkerij zodat bedrijven sneller, efficiënter en effectiever hoogwaardig uitgangsmateriaal kunnen ontwikkelen dat geschikt is voor toepassing in de verschillende missieprogramma’s van de KIA Landbouw, Water, Voedsel.

  • 3.

    Niet-fossiele, veilige producten door biologische conversies of fermentaties inclusief scheidingstechnologie.

KIA 4. Gezondheid en Zorg

Projecten dienen bij te dragen aan het doel dat in 2040 alle mensen in Nederland ten minste vijf jaar langer in goede gezondheid leven en dat de gezondheidsverschillen tussen de laagste en hoogste sociaaleconomische groepen met 30% zijn afgenomen.

De KIA Gezondheid en Zorg bevat de vijf deelmissies:

  • 1.

    Leefstijl & leefomgeving. In 2040 is de ziektelast als gevolg van een ongezonde leefstijl en ongezonde leefomgeving met 30% afgenomen.

  • 2.

    Verplaatsing van de zorg naar de leefomgeving. In 2030 wordt zorg 50% meer (of vaker) in de eigen leefomgeving georganiseerd, samen met het netwerk rond mensen die zorg nodig hebben.

  • 3.

    Verhoging van de participatiegraad van mensen met een chronische ziekte of levenslange beperking. In 2030 is het deel van de mensen met een chronische ziekte of levenslange beperking dat naar wens en vermogen kan meedoen in de samenleving met 25% toegenomen;

  • 4.

    Verhoging van de kwaliteit van leven van mensen met dementie. In 2030 is de kwaliteit van leven van mensen met dementie met 25% toegenomen; en

  • 5.

    Betere bescherming tegen maatschappelijk ontwrichtende gezondheidsdreigingen. In 2035 is de bevolking beter beschermd tegen maatschappelijk ontwrichtende gezondheidsdreigingen.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissies daarvoor de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

  • 1.

    Preventie van ziektes of aandoeningen.

  • 2.

    Gezondheidswinst voor patiënten die lijden aan één of meer (chronische) ziektes of aandoeningen inclusief hersen- en /of psychische aandoeningen.

  • 3.

    Verbetering van de opsporing of behandeling van ziektes of aandoeningen of van het herstel daarna.

  • 4.

    Innovaties, bijvoorbeeld hulpmiddelen, die het organiseren van zorg in de eigen leefomgeving in plaats van in zorginstellingen vergemakkelijken.

  • 5.

    Arbeidsbesparende technologie zowel intramuraal als in de leefomgeving.

  • 6.

    Verhoging van deelname aan de samenleving van mensen met een chronische ziekte of levenslange beperking, naar wens en vermogen.

  • 7.

    Verbetering van de kwaliteit van leven van mensen met dementie.

  • 8.

    Betere bescherming tegen maatschappelijk ontwrichtende gezondheidsdreigingen.

Ten slotte is voor de te ontwikkelen innovatieve producten, processen of diensten in relatie tot de bovenstaande deelmissies het volgende relevant:

  • -

    Gezien de doelstelling in de missie om gezondheidsverschillen terug te dringen, is het een pré als de innovatie bruikbaar en beschikbaar is voor mensen in een lage sociaaleconomische positie.

  • -

    Met het oog op de inpassing in bestaande systemen dient bij de te ontwikkelen innovaties rekening gehouden te worden met interoperabiliteit: producten, systemen of organisaties zijn interoperabel als ze zonder beperkingen kunnen communiceren en interacteren.

KIA 5. Veiligheid

Projecten dienen bij te dragen aan de overkoepelende ambitie om (potentiële) tegenstanders steeds een stap vóór te blijven: 'always ahead of the threat’ met slimme oplossingen in dienst van een veilige maatschappij.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst daarvoor bij te dragen aan een van de volgende vijf deelmissies binnen de KIA veiligheid:

  • 1.

    In 2030 is de georganiseerde ondermijnende criminaliteit in Nederland riskant en slecht lonend, door meer zicht op illegale activiteiten en geldstromen.

    • -

      Zicht: Er is specifiek behoefte aan instrumentaria om criminele activiteiten waar te nemen en ontwikkelingen en patronen te herkennen zoals het ontstaan van criminele samenwerkingsverbanden en werkwijzen. Nieuwe, slimme sensoren (bijvoorbeeld uit de chemische industrie) kunnen ongebruikelijke activiteiten detecteren en gedragswetenschappelijke inzichten kunnen patronen herkennen en analyses versterken. Het waarnemend vermogen kan verhoogd worden door gebruik te maken van detectiemiddelen van andere publieke en private partijen.

    • -

      Inzicht: Omdat veel illegale activiteiten zich ‘ondergronds’ manifesteren, is het van belang om toekomstige ontwikkelingen goed te voorspellen. Dat is nodig om de schaarse interventiemogelijkheden effectiever te benutten. Aanvullend op het vergroten van “zicht op“ georganiseerde criminaliteit, kan door kennisdeling, financiële en technische analyses het “inzicht in” criminele activiteiten worden vergroot. Met deze voorspellende kracht kunnen vervolgens interventies worden verbeterd of geëffectueerd.

    • -

      Interventie: Door het genereren van overzicht en inzicht kan worden toegewerkt naar doelgerichte innovatieve interventies die bijdragen aan het terugdringen van de georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Deze interventies kunnen van technische of procesmatige aard zijn.

  • 2.

    In 2035 beschikt Nederland over de marine van de toekomst. Door de sterk verbeterde samenwerking in het marinebouwcluster is Nederland in staat om flexibel te reageren op onvoorspelbare ontwikkelingen.

    • -

      Smart kill-chains - Radar en geïntegreerde sensorsuites

    • -

      Smart operations

    • -

      Smart manning & automation

    • -

      Zero emission and survivable warships

    • -

      Smart design and maintenance

    • -

      Smart concepts

  • 3.

    In 2030 heeft Nederland een operationeel inzetbare ruimtevaartcapaciteit voor defensie en veiligheid. Daarbij fungeert de Defensie Ruimteagenda als richtsnoer.

    • -

      Robuuste plaatsbepaling- en tijdsynchronisatiesystemen

    • -

      Nationale situational awareness, surveillance & tracking capaciteit

    • -

      Grondgebonden situational awareness capaciteit (aardobservatie)

    • -

      Veilige communicatie en vergrote transmissiecapaciteit

    • -

      (Gedeeltelijk) eigen satellietcapaciteit met tijdige en veilige toegang tot verschillende diensten

    • -

      Shared (space based) Early Warning

  • 4.

    Cyberveiligheid. In 2030 is veiligheid verplicht bij de ontwikkeling van digitale producten, en beschikt Nederland over een sterke cybersecurity kennis- en innovatieketen. De doelstellingen en acties in de Nederlandse Cybersecurity Strategie 2022-2028 (NLCS) vormen voor deze missie het overkoepelende kader.

    • -

      Digitale weerbaarheid van de overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties

    • -

      Veilige en innovatieve digitale producten en diensten

    • -

      Tegengaan van digitale dreigingen van staten en criminelen

    • -

      Cybersecurity-arbeidsmarkt, onderwijs en digitale weerbaarheid van burgers

  • 5.

    Hightech Landoptreden. In 2030 werkt de krijgsmacht volledig genetwerkt met integratie van nieuwe technologieën om sneller en effectiever te kunnen handelen dan de tegenstander.

    • -

      Robotics and Autonomous Systems

    • -

      Communicatienetwerken en informatie gestuurd optreden

    • -

      Slimme en robuuste logistiek

    • -

      Energietransitie

    • -

      Duurzame, high performance materialen

KIA 6. Sleuteltechnologieën

Sleuteltechnologieën worden gekenmerkt door een generiek karakter met een breed toepassingsgebied of bereik in innovaties en/of sectoren binnen de KIA’s 1 t/m 5. Bij projecten die bijdragen aan de inhoudelijke KIA’s 1 t/m 5 zal dus veelal gebruik worden gemaakt van een of meer sleuteltechnologieën, waarbij sprake kan zijn van doorontwikkeling voor de specifieke toepassing.

Projecten die specifiek voor de KIA Sleuteltechnologieën worden ingediend, moeten bijdragen aan de generieke ontwikkeling van (een of meer) sleuteltechnologieën:

  • door een ondersteunende bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van kennis over sleuteltechnologieën, bijvoorbeeld ten behoeve van het onderzoek daarnaar.

  • door een ondersteunende bijdrage te leveren aan verbrede of versnelde toepassing van een of meer sleuteltechnologieën, bijvoorbeeld door de integratie ervan in producten, processen of diensten te vergemakkelijken.

Hierbij wordt benadrukt dat onder optie 1 het doen van puur onderzoek naar sleuteltechnologieën en onder optie 2 het puur toepassen ervan in een willekeurige sector niet anders dan binnen de missies reeds gebeurt, geen basis is voor toekenning van een subsidie.

Voor MKB-projecten binnen deze KIA wordt gezocht naar innovaties die de randvoorwaarden voor de kennisontwikkeling en toepassing van sleuteltechnologieën verbeteren, die als product veelvuldig verkoopbaar zijn en waarvoor de MIT-subsidie de haalbaarheid moet aantonen of de technische ontwikkelrisico’s moet reduceren.

Hieronder de clusters van aangewezen Sleuteltechnologieën vanuit het perspectief van de potentiële bijdrage van technologie aan maatschappelijke uitdagingen in Nederland waaraan MKB-projecten kunnen bijdragen, de sleuteltechnologieën die onderdeel zijn van de nationale technologie strategie zijn aangemerkt met NTS:

  • 1.

    Chemical Technologies

    • 1.1

      Process technology, including process intensification (NTS)

    • 1.2

      (Advanced) Reactor engineering

    • 1.3

      Separation technology

    • 1.4

      Catalysis

    • 1.5

      Analytical technologies

    • 1.6

      Electricity-driven chemical reaction technologies

  • 2.

    Engineering and Fabrication Technologies

    • 2.1

      Sensor and actuator technologies

    • 2.2

      Imaging technologies (NTS)

    • 2.3

      Mechatronics and opto-mechatronics (NTS)

    • 2.4

      Additive manufacturing

    • 2.5

      Robotics

    • 2.6

      Digital manufacturing technologies

    • 2.7

      Semiconductor technologies (NTS)

    • 2.8

      Systems engineering

  • 3.

    Photonics and Optical Technologies

    • 3.1

      Photovoltaics

    • 3.2

      Optical systems and Integrated photonics (NTS)

    • 3.3

      Photonic/Optical detection and processing

    • 3.4

      Photon generation technologies

  • 4.

    Advanced Materials

    • 4.1

      Energy materials (NTS)

    • 4.2

      Optical, electronic, magnetic and nanomechanical materials

    • 4.3

      Meta materials

    • 4.4

      Soft/bio materials

    • 4.5

      Thin films and coatings

    • 4.6

      Construction and structural materials

    • 4.7

      Smart materials

  • 5.

    Quantum Technologies (NTS)

    • 5.1

      Quantum computing

    • 5.2

      Quantum communication

    • 5.3

      Quantum sensing

  • 6.

    Life science and biotechnologies

    • 6.1

      Biomolecular and cell technologies (NTS)

    • 6.2

      Biosystems and organoids

    • 6.3

      Biomanufacturing and bioprocessing

    • 6.4

      Bio-informatics

  • 7.

    Nanotechnologies

    • 7.1

      Nanomanufacturing

    • 7.2

      Nanomaterials

    • 7.3

      Functional devices and structures (on nanoscale)

    • 7.4

      Micro- and nanofluids

    • 7.5

      Nanobiotechnology/Biotechnology

KIA 7. Digitalisering

De KIA Digitalisering is complementair aan de KIA Sleuteltechnologieën en representeert de zeven ‘Digital and Information Technologies’ (DIT’s) sleutel technologieën van de 44 sleutel technologieën uit de KIA Sleuteltechnologieën waarvan (1) Artificial Intelligence (AI) en (3) Cyber security technologies terugkomen in de Nationale Technologie Strategie (NTS).

Projecten die specifiek voor de KIA Digitalisering worden ingediend, dienen bij te dragen aan een van de zeven ‘Digital and Information Technologies’ (DITs) en de drie luiken zoals hieronder beschreven in acht te nemen. De sleuteltechnologieën die onderdeel zijn van de nationale technologie strategie zijn aangemerkt met NTS:

  • 1.

    Artificial Intelligence (AI) (NTS)

  • 2.

    Data science, data analytics and data spaces (NTS)

  • 3.

    Cyber security technologies (NTS)

  • 4.

    Software technologies and computing

  • 5.

    Digital connectivity technologies

  • 6.

    Digital Twinning and immersive technologies

  • 7.

    Neuromorphic technologies

Projecten die specifiek voor de KIA Digitalisering worden ingediend, moeten:

  • -

    bijdragen aan een van de maatschappelijke uitdagingen in de KIA's 1 t/m 5 door toepassing van (een van) de zeven DITs, of

  • -

    Een ondersteunende bijdrage leveren aan verbrede of versnelde toepassing van een of meer DIT's, bijvoorbeeld door de integratie ervan in producten, processen of diensten te vergemakkelijken.

Hierbij wordt benadrukt dat het doen van puur onderzoek naar DIT's geen basis is voor toekenning van een subsidie. Het puur toepassen van DIT's in een willekeurige sector komt alleen in aanmerking voor toekenning van een subsidie wanneer het project een van de maatschappelijke uitdagingen in de KIA's 1 t/m 5 adresseert.

KIA 8. Maatschappelijk Verdienvermogen

Het doel is om technologie beter te benutten in nieuwe producten, processen en diensten voor maatschappelijke uitdagingen en de impact van het ondernemen te versterken. Daardoor worden betere toepassingen ontwikkeld, die zowel economisch als maatschappelijk rendement opleveren.

Projecten passen in de KIA Maatschappelijk Verdienvermogen als ze een van de uitdagingen in KIA's 1 t/m 5 adresseren en zich richten op bovengenoemde doelstelling.

Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst daarvoor de volgende technologiebenuttingen te verbeteren:

  • -

    De methodisch onderbouwde manier van werken, waarbij gebruik gemaakt wordt van relevante Key Enabling Methodologies (zie de KEM agenda via https://kems.nl/).

  • -

    Het daarbij betrekken en inzetten van kennis en expertise uit mens- en maatschappijwetenschappen, bedrijfskunde, bestuurskunde, communicatie, transitiekunde en systeemdenken.

  • -

    Samenwerking in innovatie-ecosystemen van bedrijven, overheden, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen, vaak regionaal georiënteerd en het organiseren van sterke betrokkenheid van eindgebruikers en/of burgers.

Bijlage 2 bij artikel 1.9, vierde lid, en artikel 2.6, eerste lid, onder d, van de Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030

Verbonden partijen

Er zijn vier manieren waarop partijen, waaronder bijvoorbeeld leverancier en ontvanger of leveranciers onderling, met elkaar verbonden kunnen zijn: organisatorisch, economisch, financieel en op basis van juridische grondslagen. Voor elke van deze vorm van verbondenheid volgt hier een definitie.

1.Organisatorische verbondenheid:

De feitelijke leiding is in handen van dezelfde persoon of groep van personen:

  • a.

    er is sprake van een als eenheid functionerende leiding, of

  • b.

    de leiding van het ene onderdeel is feitelijk ondergeschikt aan de leiding van het andere onderdeel.

Voor ‘persoon’ kan hier ook ‘rechtspersoon’ worden gelezen.

2.Economische verbondenheid:

  • a.

    er is sprake van een, in hoofdzaak, zelfde economisch doel, zoals bediening van dezelfde klantenkring, of

  • b.

    het ene onderdeel verricht haar activiteiten in hoofdzaak ten behoeve van het andere onderdeel.

3.Financiële verbondenheid:

Er is sprake van (financiële) verbondenheid als de ene rechtspersoon meer dan 50% van de aandelen én meer dan 50% van de zeggenschap in handen heeft van de andere rechtspersoon. Ook een grote financiële afhankelijkheid kan duiden op financiële verbondenheid.

4.Juridische verbondenheid

Aan het Burgerlijk Wetboek (BW) is voor de implementatie van Richtlijn 2006/46/EG in de Nederlandse wet, in 2008, in verband met verbonden partijen aan artikel 2:381 BW een nieuw, derde lid toegevoegd. Het BW definieert niet, ook niet in artikel 2:381, lid 3, wat een verbonden partij is. Uit de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel en het wetsvoorstel Uitvoeringswet flexibilisering BV-recht blijkt dat moet worden uitgegaan van de definitie in de door de Europese Unie goedgekeurde International Financial Reporting Standards en International Accounting Standards Board. Dit begrip moet dus worden uitgelegd aan de hand van de definitie zoals die is opgenomen in alinea 9 van International Accounting Standard 24. Deze International Accounting Standard richtlijn is ook verwoord in Controle en Overige Standaarden nummer 550.

Artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek

Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden.

IAS 24.9 Verbonden partij

  • 1.

    Een partij is met een entiteit verbonden indien:

    • a.

      de partij, direct of indirect via een of meer tussenpersonen:

      • (i)

        zeggenschap uitoefent over de entiteit, onder zeggenschap staat van de entiteit, of gezamenlijk met de entiteit onder zeggenschap staat van een derde (waaronder moedermaatschappijen, dochter- en zusterondernemingen);

      • (ii)

        een belang heeft in de entiteit die de partij een invloed van betekenis geeft over de entiteit; of

      • (iii)

        gezamenlijke zeggenschap uitoefent over de entiteit;

    • b.

      de partij een geassocieerde deelneming is van een entiteit (zoals gedefinieerd in IAS 28 Investeringen in geassocieerde deelnemingen);

    • c.

      de partij een joint venture is waarin de entiteit een deelnemer is (zie IAS 31 Belangen in joint ventures);

    • d.

      de partij behoort tot de managers die sleutelposities innemen in de entiteit of haar moedermaatschappij;

    • e.

      de partij een nauwe verwant is van een natuurlijke persoon naar wie onder (a) of (d) wordt verwezen;

    • f.

      de partij een entiteit is waarover zeggenschap, gezamenlijke zeggenschap of invloed van betekenis wordt uitgeoefend, of waarvoor belangrijk stemrecht, hetzij op directe of indirecte wijze, in een dergelijke entiteit berust op natuurlijke personen naar wie onder (d) of (e) wordt verwezen; of

    • g.

      de partij een regeling inzake vergoedingen na uitdiensttreding van de entiteit is, of van enige andere entiteit die een verbonden partij is van die entiteit.

IAS 28.2

Een geassocieerde deelneming is een entiteit, met inbegrip van een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid zoals een personenvennootschap, waarin de investeerder invloed van betekenis heeft en die geen dochteronderneming of belang in een joint venture is.

IAS 31.3

Een joint venture is een contractuele overeenkomst waarbij twee of meer partijen een economische activiteit aangaan waarover zij gezamenlijke zeggenschap hebben.

Bijlage 3 bij artikel 2.12, eerste lid, van de Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030

Voor het bepalen van de rangschikking van projecten zijn vier verdeelcriteria benoemd. Per criterium zijn diverse aspecten benoemd op basis waarvan een project wordt beoordeeld.

a. de mate waarin technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, productieproces of dienst wordt verwacht, te waarderen met maximaal 25 punten.

GS beoordeelt het vernieuwende karakter van het project. Hierbij speelt het brede innovatiebegrip een rol en gaat het over vernieuwing in de brede zin.

  • -

    In welke mate heeft het project een innovatief karakter. Het gaat hierbij vooral product-, proces- en diensteninnovatie;

  • -

    Het project is voor de sector in Nederland geheel nieuw of het project beoogt een ontwikkelde techniek toe te passen in een nieuwe omgeving (sector / regio);

  • -

    De mate waarin het project bijdraagt aan de ontwikkeling van een regio of sector (product, proces of dienst);

  • -

    De complementariteit, samenhang met andere innovaties / initiatieven en samenwerking met kennisinstellingen.

b. de mate waarin economische waarde wordt gecreëerd, te waarderen met maximaal 25 punten, voor:

  • 1°.

    de deelnemers aan het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2.6;

  • 2°.

    de Zuid-Nederlandse economie.

Bij het beoordelen van de aanvraag bekijkt GS op welke wijze omgang met resultaten na afloop van het project plaatsvindt en wat het ex-post perspectief en aanpak van het project is. Het gaat hierbij om de lange termijn impact of investeringspotentie (publieke en / of private interesse van investeerders) van het project voor de fase na de subsidieperiode. Daarbij wordt het project vanuit de volgende perspectieven beoordeeld waarbij de context en regionale karakteristiek een rol spelen:

  • 1.

    Kosten-baten (verdienmodel, verwachte omzet/kosten/winst);

  • 2.

    Economisch perspectief (markt, concurrentie);

  • 3.

    Financieel perspectief (financieringsstrategie en financiële draagkracht).

Voor de bijdrage aan de Zuid-Nederlandse economie kan naast bovenstaande ook gedacht worden aan de impact op werkgelegenheid in de regio (direct en indirect), de versterking van een economisch topsector/cluster en andere economische effecten voor de regio.

c. de mate van kwaliteit van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2.6, te waarderen met maximaal 25 punten, gezien de:

  • 1°.

    complementariteit van de deelnemers;

  • 2°.

    capaciteiten van de deelnemers;

  • 3°.

    kwaliteit van de projectorganisatie

Bij het beoordelen van de kwaliteit van het project kijkt GS naar de volgende zaken:

  • -

    Relevant, complementair en representatief consortium over het werkveld;

  • -

    Mate van samenwerking binnen het project (taken, verantwoordelijkheden, besluiten) en wijze waarop sturing wordt gegeven aan het project;

  • -

    Trackrecord / ervaring van het consortium en de in te zetten medewerkers;

  • -

    Uitvoerings- en slagkracht van het consortium;

  • -

    Operationele en financiële capaciteit van de aanvragers;

  • -

    Breedte van betrokken ketenpartijen, meerdere schakels uit keten betrokken.

d. de mate waarin maatschappelijke impact wordt gerealiseerd, te waarderen met maximaal 25 punten.

GS beoordeelt in hoeverre het project bijdraagt aan de KIA’s zoals verwoord in bijlage 1. De maatschappelijk impact van het project hier en elders en in het heden en voor de toekomst zal in deze beoordeling worden meegenomen. Het project wordt uitgedaagd om hier op kwalitatieve en kwantitatieve manier invulling aan te geven (maatschappelijke business case). In de beoordeling wordt meegenomen:

  • -

    Impact van het project hier en elders;

  • -

    Impact van het project nu en in de toekomst;

  • -

    Mate van kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van deze impact en de haalbaarheid hiervan.

Bijlage 4 bij artikel 2.6, derde lid, en artikel 2.12, tweede lid, van de Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030

Prioritaire onderwerpen

KIA

Missie/technologie

Klimaat en Energie

Een volledig CO2-vrij elektriciteitssysteem in 2050

Klimaat en Energie

Een CO2-vrije en toekomstbestendige gebouwde omgeving in 2050

Klimaat en Energie

Een klimaatneutrale industrie met hergebruik van grondstoffen en producten in 2050

Klimaat en Energie

Emissieloze en toekomstbestendige mobiliteit voor mensen en goederen in 2050

Circulaire Economie

Nederland wil in 2050 volledig circulair zijn. Dat betekent dat alle milieueffecten van alle Nederlandse consumptie en productie binnen de grenzen van de planeet vallen. (NB: Circulaire Economie heeft geen meerdere deelmissies maar bestaat uit één missie)

Landbouw, Water en Voedsel

Duurzame land- en tuinbouw

Landbouw, Water en Voedsel

Duurzaam en gewaardeerd voedsel dat gezond, toegankelijk en veilig is

Gezondheid en Zorg

Verplaatsing van de zorg naar de leefomgeving. In 2030 wordt zorg 50% meer (of vaker) in de eigen leefomgeving georganiseerd, samen met het netwerk rond mensen die zorg nodig hebben

Veiligheid

Cyberveiligheid. In 2030 is veiligheid verplicht bij de ontwikkeling van digitale producten, en beschikt Nederland over een sterke cybersecurity kennis- en innovatieketen. De doelstellingen en acties in de Nederlandse Cybersecurity Strategie 2022-2028 (NLCS) vormen voor deze missie het overkoepelende kader

Sleuteltechnologieën

Chemical Technologies: Process technology, including process intensification (NTS)

Toelichting behorende bij de Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030

I. Algemeen

De Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030 (hierna: de regeling) sluit aan op de bestuurlijke keuze om het innovatiebeleid te richten op thematische missies, op ondersteunende sleuteltechnologieën en op maatschappelijk verdienvermogen. Deze aanpak is vastgesteld door het kabinet en is in grote lijnen overgenomen door alle provincies in hun economisch beleid en/of de Research and Innovation Strategies for Smart Specialisation (Regionale innovatiestrategieën; RIS3). Op nationaal niveau zijn de missies en de aanpak voor Sleuteltechnologieën door de topsectoren uitgewerkt in een zestal Kennis- en Innovatie-Agenda’s (KIA’s) waarnaar in bijlage 1 wordt verwezen. In november 2023 zijn deze agenda’s geconcretiseerd in het Kennis- en Innovatieconvenant (KIC), dat ook is ondertekend door de provincies1.

In de verschillende regionale MIT-regelingen en de landelijke regeling wordt verwezen naar bijlage 1, waar de KIA’s zijn vertaald naar zo concreet mogelijk doelen, die volgen uit de missies, de sleuteltechnologieënagenda en het beoogde verdienvermogen.

Relevantie voor mkb en mkb-innovaties

Missies omvatten een breed scala aan veranderingen en aanpassingen in ons dagelijks leven en ons patroon van produceren en consumeren. Zoals ook in de voorwaarden is aangegeven is de MIT-regeling gericht op het stimuleren van technologische innovaties. De KIA’s bevatten deels concrete vraagstukken binnen elk van de missies waarvoor technologische innovaties evident een bijdrage kunnen leveren. Andere vraagstukken beschrijven de noodzaak tot systeemveranderingen, een andersoortige aanpak of ander gedrag. Technologische innovaties zullen daar veelal een deeloplossing brengen of de veranderingen ondersteunen. Duidelijk moge zijn dat alleen subsidie wordt verstrekt voor het onderzoeken van de haalbaarheid van een innovatie respectievelijk het ontwikkelen ervan, met het bijbehorende innovatierisico, en niet voor het toepassen van een innovatieve werkwijze of een innovatief product in bijvoorbeeld het agrarisch bedrijf, in het stedelijk gebied, rivieren en zeeën of in de zorg.

Aansluiting op bestaande kennis en op onderzoeksagenda’s

Waar een innovatie is gericht op de missiethema’s zijn er geen verplichtingen ten aanzien van het gebruik van (sleutel)technologieën; de innovativiteit en de economische potentie zijn in dat opzicht doorslaggevend. Om vernieuwend en competitief te zijn is het in het algemeen relevant hoogwaardige actuele kennis en kunde in de innovatie te benutten en/of te combineren. Om competitief te blijven is het een voordeel om aansluiting te (kunnen) vinden op verdere ontwikkeling van die kennis en kunde in eigen land of regio. Om die reden is het advies om goed kennis te nemen van recent binnen de topsectoren en KIA’s ontwikkelde kennis respectievelijk van lopende onderzoeksprogramma’s en -projecten.

Waar de innovatie is gericht op doorontwikkeling of ondersteuning van de implementatie van een sleuteltechnologie, wordt verwezen naar de opsomming van sleuteltechnologieën in KIA 6 en de nadere informatie daar.

Leeswijzer

In deze toelichting wordt aangegeven hoe de informatie dient te worden geïnterpreteerd binnen de regeling respectievelijk de aanvraag.

De regeling is vastgesteld door de drie colleges van Gedeputeerde Staten van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft. Dit betekent dat de regeling moet passen binnen de kaders die bij de verschillende provincies zijn gesteld: Algemene subsidieverordening Zeeland 2023 (hierna: Asv Zeeland), Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 (hierna: Asb), Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (hierna: Asv Noord-Brabant), Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v. (hierna: Asv Limburg). De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de genoemde Asv’s liggen ten grondslag aan de regeling. De Asv’s zijn kaderverordeningen. Deze beschrijven op hoofdlijnen voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt en bevatten verder delegatie- en bevoegdheidsbepalingen. Daarnaast geven de Asv’s van Limburg en Noord-Brabant algemene procedureregels voor subsidieverstrekking. Voor Limburg zijn dit de Regels subsidiabele kosten projectsubsidies. Voor Noord-Brabant is dit de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant. In Zeeland is dit geregeld in het Asb. De Asv’s verplichten de colleges van Gedeputeerde Staten om de inhoudelijke en beleidsmatige aspecten van het subsidiebeleid nader uit te werken in subsidieregelingen. Voor Zeeland is hiertoe het Asb aangewezen. Om die reden wordt deze regeling in Zeeland vastgesteld als bijlage bij het Asb. Voor zover mogelijk worden onderwerpen die worden geregeld in de afzonderlijke Asv’s niet herhaald in de regeling, behoudens die onderwerpen die niet in alle drie de Asv’s op dezelfde wijze zijn geregeld.

Arrangementen

De provincies Limburg en Noord-Brabant volgen het rijkssubsidiekader voor het systeem van verantwoording en financieel beheer van de subsidies. Beide Asv’s hanteren dezelfde standaardarrangementen voor wat betreft uitvoerings- en verantwoordingseisen. Ook aan de Asv van Zeeland heeft het gedachtegoed van het rijkssubsidiekader ten grondslag gelegen, met een andere verdeling van arrangementen. Voor wat betreft de verantwoording van de staatssteun wordt gebruikt gemaakt van artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Steun onder die vrijstelling moet gestaafd zijn met actuele en specifieke bewijsstukken. Afrekening op basis van een eindverantwoording en werkelijke kosten voldoet daar helemaal aan. Subsidies op basis van paragraaf 1 worden verleend en direct vastgesteld, zonder eindverantwoording waarmee op andere wijze voorzien moet zijn in actuele en specifieke bewijsstukken. Vooraf wordt daarom vanuit de uitvoerbaarheid van het project nadrukkelijk toegezien op een realistische urenplanning en achteraf wordt steekproefsgewijs gecontroleerd op behaalde resultaten (ongeveer 10%). Daarmee wordt in hoge mate voldaan aan het criterium van actuele en specifieke bewijsstukken. Tegelijkertijd is het maximum steunpercentage op grond van de vrijstelling tussen de 60 en 70%, terwijl paragraaf 1 maar 35% vergoedt. Hiermee wordt het risico op overcompensatie verkleind.

Voor de subsidies op grond van paragraaf 2 wordt afgerekend op basis van prestaties en gerealiseerde kosten om te verzekeren dat overcompensatie wordt uitgesloten. De noodzaak van het indienen van een controleverklaring is afhankelijk van de hoogte van de subsidie.

II. Artikelsgewijs

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

De weigeringsgronden gelden onverminderd de weigeringsgronden in artikel 4:25 (subsidieplafond) en 4:35 van de Awb en de weigeringsgronden in de drie Asv’s. Dit betekent dat de weigeringsgronden in de Asv’s onverkort gelden.

Onder c. Stimulerend effect

In artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is bepaald dat steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de aanvraag om subsidie is ingediend voordat de werkzaamheden aan het project of de activiteit aanvangen. Bij de aanvang van werkzaamheden gaat het om de aanvang van de werkzaamheden met betrekking tot het project of de eerste, juridisch bindende toezegging om materiaal te bestellen, dan wel een andere toezegging die de investering onomkeerbaar maakt. Daarom moet bijvoorbeeld een overeenkomst met een derde die werkzaamheden uitvoert, van na de aanvraag dateren. Of moet deze een duidelijk voorbehoud bevatten, bijvoorbeeld dat het accepteren van de offerte afhankelijk is van het ontvangen van subsidie. In andere gevallen voldoet de subsidie niet aan het vereiste dat steun een stimulerend effect moet hebben en wordt de aanvraag afgewezen. Komt dit later aan het licht, dan wordt de subsidievaststelling gewijzigd naar nihil en wordt de uitbetaalde subsidie teruggevorderd.

Onder d. Deggendorf clausule

Een van de verplichtingen die gelden om gebruik te kunnen maken van een vrijstelling op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is het opnemen van de zogeheten Deggendorf clausule. Deze houdt in dat betaling van steun is uitgesloten aan een onderneming waarbij eerdere steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt. Tegen de onderneming is in dat geval een terugvorderingsbevel gegeven.

Onder e. Onderneming in moeilijkheden

In artikel 2 onderdeel 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is aangegeven in welke gevallen een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert. Bij het indienen van een aanvraag dient hiervoor een verklaring te worden gevoegd waarin wordt verklaard dat aanvrager niet in financiële moeilijkheden verkeert.

Onder f. Eerdere subsidie

Deze weigeringsgrond maakt duidelijk dat een aanvrager maar een keer (per kalenderjaar) subsidie kan ontvangen voor een haalbaarheidsproject. Als een aanvrager bijvoorbeeld twee aanvragen heeft ingediend voor projecten, die ondanks de eisen uit artikel 1.9 allebei zouden kunnen worden verleend, staat deze weigeringsgrond daaraan in de weg.

Onder g. Vereisten paragraaf

Een aanvraag die niet aan alle vereisten voldoet, wordt afgewezen. In dit onderdeel is dat volledigheidshalve expliciet vastgelegd.

Artikel 1.6 Vereisten

De vereisten (zowel algemeen als specifiek) gelden voor alle aanvragen op grond van deze paragraaf en onverminderd de algemene vereisten die in de drie Asv’s zijn opgenomen.

Eerste lid onder b

Ten aanzien van projecten gericht op de KIA sleuteltechnologieën is het doen van puur onderzoek naar sleuteltechnologieën en/of het puur toepassen ervan in een willekeurige sector, anders dan binnen de missies, geen basis voor toekenning van een subsidie. Gezocht wordt naar innovaties die de randvoorwaarden voor de kennisontwikkeling en toepassing van sleuteltechnologieën verbeteren, en die als product verkoopbaar zijn.

Eerste lid onder e

In dit onderdeel ligt vast dat het project is gericht op de voorbereiding van de ontwikkeling van een innovatief product of productieproces, of innovatieve dienst. De term ‘gericht op’ verduidelijkt dat experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek deel kan uitmaken van het project.

Eerste lid onder f tot en met i

Bij de beoordeling van het projectplan wordt tevens gekeken naar de activiteiten die volgens de aanvrager na het project plaatsvinden. Waartoe dient de haalbaarheidsstudie, wat gebeurt er na dit project? Bij de beoordeling van diverse onderdelen is de beoordeling gericht op de na het project voorgenomen activiteiten.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

Eerste lid onder a

Binnen een haalbaarheidsproject zijn de kosten die direct betrekking hebben op het project subsidiabel. Dit zijn loonkosten en kosten derden. Onder loonkosten wordt, overeenkomstig artikel 1.3 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant, het volgende verstaan: de optelsom van de bruto loonkosten, niet winstafhankelijke emolumenten, dan wel extra verdiensten naast het loon, werkgeverslasten, kosten van secundaire arbeidsvoorwaarden en, indien van toepassing, een evenredig deel van de begrote kosten voor een eventuele wachtgelduitkering na ontslag, voor personeel dat werkzaamheden verricht ten behoeve van subsidiabele activiteiten.

Dit gaat om de kosten van onderzoekers, technici en ander personeel voor zover zij zich met het project bezighouden.

Eerste lid onder b

Kosten derden omvatten, overeenkomstig artikel 1.3 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant, kosten die op factuur aantoonbaar en aan derden verschuldigd zijn en die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt. Van belang is dat deze kosten op factuurbasis direct betrekking hebben op het project, en dat zij in aanmerking komen op basis van artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Indirecte kosten, zoals overheadkosten, vallen niet onder kosten derden en worden meegenomen in de loonkosten.

Tweede lid

In artikelen 1.3.2 en 1.3.3 van het Asb is bepaald op welke wijze personeelskosten en kosten derden subsidiabel zijn. Van deze regeling kan worden afgeweken (artikel 8, onder b, van de Asv Zeeland). In artikel 3, tweede lid, van de Regels subsidiabele kosten projectsubsidies ligt vast dat Gedeputeerde Staten van bepalingen in deze nadere regels kunnen afwijken. Aangezien zowel het Asb als de Regels subsidiabele kosten projectsubsidies niet (of niet geheel) overeenkomen met de berekening van de subsidiabele kosten in deze paragraaf, maken Gedeputeerde Staten van Zeeland en Limburg gebruik van deze afwijkingsmogelijkheden. Dit is noodzakelijk gelet op de uniforme wijze van uitvoeren van deze paragraaf, waarop de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant van overeenkomstige toepassing is.

Derde en vierde lid

Uit het oogpunt van administratieve lastenverlichting wordt uitsluitend gewerkt met het forfaitaire uurtarief van 60 euro.

De grondslag hiervoor is artikel 1.7 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant. Dit uurtarief wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen die in loondienst zijn bij de aanvragende organisatie, en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten. Dit tarief kan ook toegepast worden indien personen van een verbonden onderneming (inclusief holding B.V. en management B.V.) betrokken zijn in de projectuitvoering. Ook eigenaren van ondernemingen die niet worden verloond op basis van een dienstverband kunnen gebruik maken van het forfaitair uurtarief van € 60.

Voor een stagiair die een niet-marktconforme vergoeding ontvangt, is er sprake van fictieve dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief van € 60,- niet. Bij een marktconforme vergoeding is er wel sprake van dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief dus wel. Een marktconforme vergoeding is bijvoorbeeld het minimumjeugd- of cao-loon. De stagiair is bij zo’n stagevergoeding, net als gewone werknemers, in ‘echte’ dienstbetrekking.

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

Derde en vierde lid

De afgelopen jaren was het plafond voor haalbaarheidsprojecten op de dag van de openstelling steeds overtekend, met een loting tot gevolg. De verwachting is dat er ook in 2026 meer interesse is voor subsidies dan het beschikbare budget toelaat. Bij eerdere openstellingen bleek dat sommige aanvragers subsidie aanvragen voor meerdere projecten. Hiermee verhogen zij de lotingskansen. Om dit te voorkomen, is in het derde lid opgenomen dat een aanvrager op een dag slechts één aanvraag kan indienen. Door deze aanpassing wordt voorkomen dat aanvragers meerdere aanvragen doen waarvan er gelet op artikel 1.5, onder f, maar één kan worden toegekend.

Dient een aanvrager op een dag toch meerdere aanvragen in, dan wordt de eerst ingediende aanvraag behandeld (vierde lid). De overige aanvragen worden afgewezen, aangezien deze niet voldoen aan de bepaling dat per dag slechts één aanvraag kan worden ingediend. Dit gebrek is niet herstelbaar. Een aanvrager kan niet aan deze afwijzingsgrond ontkomen door meerdere ondernemingen die als verbonden partijen gelden op dezelfde dag een aanvraag te laten indienen, zo volgt uit het vierde lid.

Artikel 1.11 Subsidiehoogte

De aanvraag is leidend bij de bepaling van de subsidiehoogte. Dit betekent dat een aanvrager minder ontvangt, indien hij minder aanvraagt. Dit volgt uit de Algemene wet bestuursrecht.

Met dit artikel is geborgd dat de steunintensiteit voor het verrichten van activiteiten gericht op experimentele ontwikkeling niet hoger is dan de maximaal toegestane steunintensiteit uit artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Uit eerdere openstellingsperiodes onder de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025 blijkt dat in veel aanvragen geen juist onderscheid wordt gemaakt tussen kosten voor het verrichten van een haalbaarheidsstudie, en kosten voor het verrichten van activiteiten gericht op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. Het kost de subsidieverstrekker veel tijd om hiervoor te corrigeren, terwijl de subsidieaanvrager minder subsidie ontvangt dan waarop deze rekende. Om deze effecten te voorkomen, wordt, net als in latere openstellingen onder de vorige MIT-regeling, slechts met het subsidiepercentage van 35% gewerkt. Dit percentage geldt hierdoor zowel voor het verrichten van een haalbaarheidsstudie, als voor het verrichten van activiteiten gericht op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling.

Op grond van het tweede lid van artikel 1.11 geldt dat reeds eerder verstrekte subsidies voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan in mindering moeten worden gebracht op de subsidie. Dit voorkomt dat een aanvrager voor hetzelfde project meerdere subsidies ontvangt. Het ontvangen van meerdere subsidies is zowel vanuit het oogpunt van uitvoeringslasten, van een gelijk speelveld en van het voorkomen van onrechtmatige staatssteun onwenselijk.

Artikel 1.13 Beslistermijnen subsidieverlening

De beslistermijnen voor subsidieverlening wijken onderling van elkaar af in de provincies. Omdat de subsidies uit een gezamenlijk plafond worden verstrekt, is het van belang gelijke termijnen te hanteren. Op grond van artikel 1.5.2, eerste lid, van het Asb, en in afwijking van de Asv’s van Noord-Brabant en Limburg, is de beslistermijn in deze paragraaf vastgesteld op 16 weken.

Artikel 1.14 Verplichtingen

De provinciale regelgeving geeft de colleges van Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om de verplichtingen uit de Asv’s of het Asb aan te vullen.

Derde lid

De verplichting in het derde lid is opgenomen met het oog op een voorgenomen monitoring van de resultaten van deze paragraaf.

Artikel 1.17 Vaststelling

De elementen van vaststelling van de subsidies (aanvraagtermijn, beslistermijn en wijze van verantwoording) zijn in de drie provincies bepaald door de hoogte van de subsidie en het hieraan verbonden arrangement. Ter zake van arrangement 1 geldt dat in afwijking van artikel 1.7 en paragraaf 1.8 van het Asb tot met € 20.000 direct worden vastgesteld. De Asv’s van Noord-Brabant en Limburg kennen deze mogelijkheid.

§ 2 R&D samenwerkingsproject

Artikel 2.2 Doelgroep

Omdat het tweede lid bepaalt dat een samenwerkingsverband dient te bestaan uit ten minste twee mkb-ondernemingen, kan discussie ontstaan over de vraag of ook de ondernemingen binnen het samenwerkingsverband die géén mkb-onderneming zijn, voor subsidie in aanmerking kunnen komen.

Dit laatste wordt niet beoogd met de regeling. Deze heeft als doel het stimuleren van innovaties bij het midden- en kleinbedrijf (mkb). Daarom bepaalt het eerste lid dat de subsidie uitsluitend kan worden aangevraagd door en verleend aan mkb-ondernemingen in een samenwerkingsverband ten behoeve van de door henzelf uit te voeren projectactiviteiten.

Leden 1 en 2 laten in hun samenhang bezien, wél de ruimte dat ook andere ondernemingen dan mkb-ondernemingen deelnemen aan het samenwerkingsverband, mits er ten minste twee mkb-ondernemingen participeren. Ondernemingen in een dergelijk samenwerkingsverband die geen mkb-onderneming zijn, kunnen dan geen aanspraak maken op subsidie in relatie tot de door hen uit te voeren projectactiviteiten en dienen deze volledig zelf te bekostigen. Indien een grote onderneming wel subsidie aanvraagt, wordt de gehele aanvraag afgewezen. Dit omdat de aanvraag dan niet uitsluitend is aangevraagd door mkb-ondernemingen.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

De weigeringsgronden gelden onverminderd de weigeringsgronden in artikel 4:25 (subsidieplafond) en 4:35 van de Awb en de weigeringsgronden in de drie Asv’s. Dit betekent dat de weigeringsgronden in de Asv’s onverkort gelden.

Onder b. Stimulerend effect

In artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is bepaald dat steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de aanvraag om subsidie is ingediend voordat de werkzaamheden aan het project of de activiteit aanvangen. Bij de aanvang van werkzaamheden gaat het om de aanvang van de werkzaamheden met betrekking tot het project of de eerste, juridisch bindende toezegging om materiaal te bestellen, dan wel een andere toezegging die de investering onomkeerbaar maakt. Daarom moet bijvoorbeeld een overeenkomst met een derde die werkzaamheden uitvoert, van na de datum van de aanvraag dateren. Of moet deze een duidelijk voorbehoud bevatten, bijvoorbeeld dat het accepteren van de offerte afhankelijk is van het ontvangen van subsidie. In andere gevallen voldoet de subsidie niet aan het vereiste dat steun een stimulerend effect moet hebben en wordt de aanvraag afgewezen. Komt dit later aan het licht, dan wordt de subsidie vastgesteld op nihil (of wordt de subsidievaststelling gewijzigd naar nihil), en wordt de uitbetaalde subsidie teruggevorderd.

Onder c. Deggendorf clausule

Een van de verplichtingen die gelden om gebruik te kunnen maken van een vrijstelling op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is het opnemen van de zogeheten Deggendorf clausule. Deze houdt in dat betaling van steun is uitgesloten aan een onderneming waarbij eerdere steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt. Tegen de onderneming is in dat geval een terugvorderingsbevel gegeven.

Onder d. Onderneming in moeilijkheden

In artikel 2 onderdeel 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is aangegeven in welke gevallen een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert. Bij het indienen van een aanvraag, dient hiervoor een verklaring te worden gevoegd waarin wordt verklaard dat aanvrager niet in financiële moeilijkheden verkeert.

Onder e. Maximum subsidie

Deze weigeringsgrond maakt duidelijk dat een aanvrager per kalenderjaar maximaal € 175.000 subsidie kan ontvangen voor het uitvoeren van R&D samenwerkingsprojecten (of maximaal € 100.000 indien het subsidiebedrag maximaal € 200.000 is). Anders dan artikel 1.5 bevat artikel 2.5 geen beperking tot één subsidie per kalenderjaar. Dit zorgt ervoor dat een onderneming aan meerdere projecten kan deelnemen, zolang zij daarbij in totaal in het kalenderjaar maar onder het maximum uit artikel 2.11, tweede lid, blijft. Het zou immers onwenselijk zijn dat bij een onderneming die aan twee projecten wil deelnemen, en die daarvoor in totaal bijvoorbeeld € 75.000 subsidie aanvraagt, de tweede aanvraag wordt geweigerd. Dit terwijl een onderneming die één project wil uitvoeren, een veel hoger bedrag kan aanvragen. Bij de haalbaarheidsprojecten is er geen reden voor een bepaling als deze. Dit gelet op de ervaring dat de meeste aanvragen het maximum van € 20.000 betreffen, of daar niet ver vanaf zitten.

Onder f. Vereisten paragraaf

Een aanvraag die niet aan alle vereisten voldoet, wordt afgewezen. In dit onderdeel is dat volledigheidshalve expliciet vastgelegd.

Artikel 2.6 Vereisten

Eerste lid onder b. KIA

De missies, sleuteltechnologieën en het maatschappelijk verdienvermogen, zijn vertaald in de KIA’s.

In bijlage 1 behorende bij de regeling is een verwijzing en uitwerking opgenomen van de KIA’s waar een project binnen moet passen dan wel uitvoering aan moet geven.

Eerste lid onder c. Instemming

Instemming van alle deelnemers omvat onder andere instemming met de begroting en een sluitend financieringsplan. Hierdoor kan getoetst worden wat ieders bijdrage in de subsidiabele kosten is en hoe de subsidie over de subsidiabele kosten van de deelnemers verdeeld wordt.

Eerste lid onder d. Verbondenheid

Deze bepaling (en de begripsbepaling in artikel 2.1) is ruimer dan de definitie van verbonden ondernemingen uit artikel 3 van bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Volgens de definitie in de algemene groepsvrijstellingsverordening voldoen bijvoorbeeld twee partijen waarbij de een vijftig procent van de aandelen van de ander houdt aan dit vereiste. Dit laatste wordt niet beoogd met deze regeling, die mede is bedoeld om samenwerking binnen het mkb te stimuleren. Daarom staat in artikel 2.6 dat deelnemers aan het samenwerkingsverband geen verbonden partijen mogen zijn. Bij verbonden partijen gaat het om marktpartijen die economisch, organisatorisch, financieel of juridisch verbonden zijn en waarbij sprake kan zijn van beïnvloeding van de ene partij door de andere partij. In bijlage 2 zijn deze criteria uitgewerkt.

Eerste lid onder e. Niet meer dan 70%

Deze bepaling is opgenomen om er voor te zorgen dat er echt sprake is van een evenwichtig samenwerkingsverband door te voorkomen dat één van de partijen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor zijn rekening neemt.

Tweede lid

In het tweede lid is opgenomen welke elementen in ieder geval in het projectplan moeten staan.

Bij de onderdelen c tot en met f gaat het om een beschrijving die wordt gebruikt bij de beoordeling bedoeld in artikel 2.12, eerste lid.

Tweede lid onder f. Impact

Het project heeft een positieve bijdrage, positieve impact op één of meerdere missies, danwel is er sprake van impact op kennisontwikkeling of versterkte implementatie van een sleuteltechnologie. Om de projecten uit de verschillende KIA’s/missies zo goed mogelijk te kunnen beoordelen, en die baten met punten te waarderen, dienen de verwachte baten van de innovatie zoveel mogelijk te worden gekwantificeerd (in aantallen en/of getallen). Dat kan door onder andere een vergelijking te maken met producten, diensten of processen die al op de markt beschikbaar zijn. Ook de waarschijnlijkheid dat die baten kunnen worden bereikt, dient in het projectplan te worden onderbouwd. De impact dient waar mogelijk gekwantificeerd te worden, zodat blijkt wat de omvang ervan is.

De verschillende vormen die de impact in de verschillende missies kan krijgen, zijn toegelicht in bijlage 1.

Derde lid

Bij de laatste openstelling onder de Subsidieregeling innovatiestimulering MKB topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025 bleek dat aanvragers regelmatig invulden dat hun project onder een bepaalde prioriteit paste, zonder toe te lichten waarom dat het geval is. Dit is om meerdere redenen onwenselijk. Het kost de subsidieverstrekker veel tijd om dit uit te zoeken. Daarnaast valt de subsidieaanvrager mogelijk niet onder de aangegeven prioriteit, waardoor de aanvraag niet in aanmerking komt voor de verdubbeling bedoeld in artikel 2.12, tweede lid. Om dit te voorkomen, dient de aanvrager te onderbouwen waarom het project onder de opgegeven prioriteit(en) past.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten

Eerste lid onder a

Binnen een R&D Samenwerkingsproject kunnen loonkosten, kosten derden en afschrijvingskosten worden verantwoord.

Onder loonkosten wordt, overeenkomstig artikel 1.3 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant, het volgende verstaan: de optelsom van de bruto loonkosten, niet winstafhankelijke emolumenten, dan wel extra verdiensten naast het loon, werkgeverslasten, kosten van secundaire arbeidsvoorwaarden en, indien van toepassing, een evenredig deel van de begrote kosten voor een eventuele wachtgelduitkering na ontslag, voor personeel dat werkzaamheden verricht ten behoeve van subsidiabele activiteiten.

Dit gaat om de kosten van onderzoekers, technici en ander personeel voor zover zij zich met het project bezighouden.

Loonkosten kunnen op twee manieren worden berekend: ofwel via het forfaitair uurtarief van € 60 ofwel via het bruto jaarsalaris opgeslagen met 50% voor overige lasten.

Eerste lid onder b

Kosten derden omvatten, overeenkomstig artikel 1.3 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant, kosten die op factuur aantoonbaar en aan derden verschuldigd zijn en die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt. Van belang is dat deze kosten op factuurbasis direct betrekking hebben op het project, en dat zij in aanmerking komen op basis van artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Indirecte kosten, zoals overheadkosten, vallen niet onder kosten derden en worden meegenomen in de loonkosten.

Eerste lid onder c

Onder afschrijvingskosten wordt, overeenkomstig artikel 1.3 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant, verstaan de kosten die de economische waardevermindering weergeven van een investering tegen historische kostprijs gedurende de economische levensduur. Dit betreft de afschrijvingskosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project, als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Tweede lid

In artikelen 1.3.2 en 1.3.3 van het Asb is bepaald op welke wijze personeelskosten en kosten derden subsidiabel zijn. Van deze regeling kan worden afgeweken (artikel 8, onder b, van de Asv Zeeland). In artikel 3, tweede lid, van de Regels subsidiabele kosten projectsubsidies ligt vast dat Gedeputeerde Staten van bepalingen in deze nadere regels kunnen afwijken. Aangezien zowel het Asb als de Regels subsidiabele kosten projectsubsidies niet (of niet geheel) overeenkomen met de berekening van de subsidiabele kosten in deze paragraaf, maken Gedeputeerde Staten van Zeeland en Limburg gebruik van deze afwijkingsmogelijkheden. Dit is noodzakelijk gelet op de uniforme wijze van uitvoeren van deze paragraaf, waarop de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant van overeenkomstige toepassing is.

Derde, vierde en vijfde lid

De grondslag voor de berekeningswijze van uurtarieven op basis van kosten per kostendrager is artikel 1.6 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant. Er wordt in deze paragraaf uitgegaan van een opslagpercentage van 50% voor indirecte kosten.

De grondslag voor het forfaitaire uurtarief van € 60 is artikel 1.7 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant. Dit uurtarief wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen die in loondienst zijn bij de aanvragende organisatie en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten. Dit tarief kan ook toegepast worden indien personen van een verbonden onderneming (inclusief holding B.V. en management B.V.) betrokken zijn in de projectuitvoering. Ook eigenaren van ondernemingen die niet worden verloond op basis van een dienstverband kunnen gebruik maken van het forfaitair uurtarief van € 60.

Voor een stagiair die een niet-marktconforme vergoeding ontvangt, is er sprake van fictieve dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief van € 60,- niet . Bij een marktconforme vergoeding is er wel sprake van dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief dus wel. Een marktconforme vergoeding is bijvoorbeeld het minimumjeugd- of cao-loon. De stagiair is bij zo’n stagevergoeding, net als gewone werknemers, in ‘echte’ dienstbetrekking.

Artikel 2.10 Subsidieplafond

In dit plafond is een onderscheid gemaakt tussen zogenoemde grote projecten en kleine projecten. Grote projecten zijn projecten waarvoor een subsidie tussen € 200.000 tot en met € 350.000 wordt toegekend. Bij kleine projecten gaat het om een subsidie tot € 200.000. Dit onderscheid voorkomt dat het gehele subsidieplafond wordt toebedeeld aan grote projecten.

In het eerste lid ligt de hoofdregel vast dat maximaal 50% van het subsidieplafond beschikbaar is voor aanvragen met een subsidiehoogte van meer dan € 200.000. Dit kan ertoe leiden dat het beschikbare budget deels onbenut blijft indien na het toekennen van aanvragen onder € 200.000 minder dan de helft van het budget is uitgeput. Daarom is in het tweede lid een regel opgenomen die ervoor zorgt dat deze hoofdregel niet wordt toegepast indien het toekennen van aanvragen onder € 200.000 minder dan de helft van het budget betreft. Het overgebleven budget kan dan worden ingezet voor het toekennen van aanvragen met een subsidiehoogte van meer dan € 200.000.

Artikel 2.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie is gemaximeerd op € 350.000 per R&D-samenwerkingsproject. Daarbij geldt dat de subsidie per deelnemer minimaal € 25.000 bedraagt en maximaal € 100.000 of € 175.000. Deze maxima per deelnemer zijn afhankelijk van de totale subsidie (al dan niet meer dan € 200.000). De aanvraag is leidend bij de bepaling van de subsidiehoogte. Dit betekent dat een aanvrager minder ontvangt, indien hij minder aanvraagt. Dit volgt uit de Algemene wet bestuursrecht.

Tweede lid

Op grond van dit lid geldt dat reeds eerder verstrekte subsidies voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan in mindering moeten worden gebracht op de subsidie. Dit voorkomt dat een aanvrager voor hetzelfde project meerdere subsidies ontvangt. Dit is zowel vanuit het oogpunt van uitvoeringslasten, van een gelijk speelveld en van het voorkomen van onrechtmatige staatssteun onwenselijk.

Derde lid

Uit dit artikel volgt dat de gehele subsidieaanvraag wordt geweigerd indien de subsidiehoogte en verdeling van de subsidie over de deelnemers van het samenwerkingsverband er toe leidt dat een of meer deelnemers minder dan € 25.000 ontvangen of juist meer dan € 100.000 respectievelijk meer dan € 175.000 (afhankelijk van het totaal aangevraagde bedrag).

Artikel 2.12 Verdeelcriteria

Eerste lid onder d. Impact

R&D-Samenwerkingsprojecten kunnen op meerdere maatschappelijke gebieden (missies) impact hebben en daarmee bijdragen aan de KIA’s zoals beschreven in bijlage 1. Dit is een gevolg van het feit dat de missies en KIA’s op zichzelf en onderling overlap vertonen. Ook kan de oplossing voor de ene missie negatief uitwerken op een andere. Iets vergelijkbaars geldt de bevordering van sleuteltechnologieën. Bij de toedeling van punten op het onderdeel maatschappelijke impact weegt de beoordelende commissie het totaal aan maatschappelijke kosten en baten op de genoemde terreinen.

Tweede lid

Een aanvraag kan op grond van het eerste lid maximaal 100 punten behalen. De aanvraag kan een onderwerp betreffen waaraan prioriteit is toegekend als bedoeld in bijlage 4. In dat geval wordt het aantal punten verdubbeld dat is toegekend voor het criterium ‘mate waarin maatschappelijke impact wordt gerealiseerd’ (hierna: ‘maatschappelijke impact’). De totale score bedraagt in dat geval maximaal 125 punten.

Het gaat in het tweede lid nadrukkelijk om een verdubbeling van het aantal punten dat volgt uit de toepassing van het eerste lid. De vereisten uit artikel 2.6, eerste lid, onder h en i, blijven dan ook onverkort gelden. Als een aanvraag minder dan 10 punten scoort op een criterium bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, of minder dan 50 punten in totaal, wordt de aanvraag afgewezen.

Voorbeeld

  • Een aanvraag die 9 punten scoort op het criterium ‘creëren van economische waarde’ wordt afgewezen (artikel 2.6, eerste lid, onder h), ook al bedraagt de totale score 50 punten of meer en ook al wordt de score voor criterium ‘maatschappelijke impact’ op grond van het tweede lid verdubbeld. Die verdubbeling verandert niets aan de omstandigheid dat de aanvraag niet voldoet aan het vereiste dat een project op elk criterium minstens 10 punten scoort.

  • Een aanvraag die minstens 10 punten scoort op elk criterium, 12 punten scoort op het criterium ‘maatschappelijke impact’, en 48 punten in totaal, wordt eveneens afgewezen (artikel 2.6, eerste lid, onder i). Dat de score op grond van het tweede lid naar 60 stijgt door de verdubbeling van de punten voor het criterium ‘maatschappelijke impact’, doet daaraan niet af. Die verdubbeling verandert niets aan de omstandigheid dat de aanvraag niet voldoet aan het vereiste dat een project ten minste 50 punten scoort voor de verdeelcriteria, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid.

Deze keuze waarborgt dat erg matige projecten, die toevallig een onderwerp betreffen dat in bijlage 4 is opgenomen, subsidie ontvangen.

De aanvragen waarbij geen sprake is van een prioriteit kunnen geen extra punten scoren op het criterium maatschappelijke impact.

Artikel 2.14 Beslistermijnen subsidieverlening

De beslistermijnen voor subsidieverlening wijken onderling van elkaar af in de provincies. Omdat de subsidies uit een gezamenlijk plafond worden verstrekt, is het van belang gelijke termijnen te hanteren. Op grond van artikel 1.5.2, eerste lid, van het Asb, en in afwijking van de Asv’s van Noord-Brabant en Limburg, is de beslistermijn in deze paragraaf vastgesteld op 16 weken.

Artikel 2.15 Verplichtingen

De provinciale regelgeving geeft de colleges van Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om de verplichtingen uit de Asv’s of het Asb aan te vullen.

Eerste lid, onder e.

De verplichting in het derde lid is opgenomen met het oog op een voorgenomen monitoring van de resultaten van deze paragraaf.

Tweede lid

Artikel 1.6.6, derde lid van het Asb bepaalt dat indien een instelling niet of niet volledig aan zijn plicht tot bekendmakingen of publiciteitsuitingen heeft voldaan door de provincie als subsidieverstrekker te noemen, de subsidie kan worden verlaagd met vijf procent, met een maximum van € 5.000. Ook wordt afgeweken van artikel 1.10.1 van de Asv 2023 van Zeeland, waaruit volgt dat indien binnen 5 jaar de subsidievaststelling blijkt dat activa zijn vervreemd, de subsidievaststelling kan worden gewijzigd of ingetrokken. Deze verplichting kennen de Asv’s Limburg en Noord-Brabant niet. Het opleggen van een sanctie in één van de provincies schaadt de eenduidigheid en gelijke behandeling. Vanwege de uniformiteit tussen de drie provincies is ervoor gekozen om deze sanctie op geen enkele subsidie die wordt verleend in het kader van deze paragraaf toe te passen en buiten toepassing te verklaren.

Derde lid

In het Asb zijn geen bepalingen met betrekking tot vermogensvorming opgenomen. De bepalingen van de Asv’s van Limburg en Noord-Brabant zijn grotendeels gelijkluidend. De bepaling van de Asv van Noord-Brabant is dan ook van toepassing verklaard op Zeeuwse subsidies.

Artikel 2.16 Bevoorschotting

Eerste lid

Met deze bepaling wordt afgeweken van het beleid. Dit omwille van de eenduidigheid tussen de drie provincies en ten voordele van de aanvragers. Voor de hoogte van de bevoorschotting is aangesloten bij Zeeland, binnen de arrangementenhoogtes van Limburg en Noord-Brabant.

Artikel 2.18 Vaststelling

Eerste lid

Subsidies op grond van deze paragraaf worden vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten. Hierbij gaat het om factuurbewijzen, urenstaten en betaalbewijzen (zoals een bankafschrift waaruit volgt dat er een betaling is verricht).

Tweede lid

Ter zake de aanvraagtermijn waarbinnen de subsidieontvanger zijn aanvraag om vaststelling in moet dienen, hanteren de drie provincies drie verschillende termijnen in de Asv’s. Vanwege de uniforme uitvoering is aansluiting gezocht bij de termijn zoals genoemd in het Asb.

Bijlage 4

Voor deze paragraaf zijn specifieke prioriteitsgebieden vastgesteld. Deze gebieden zijn geselecteerd op basis van hun aansluiting bij de regionale sterktes van Zuid-Nederland. Door deze focus wordt de innovatiekracht van de regio optimaal benut en versterkt.

De projecten die aan deze prioritaire deelmissies bijdragen, worden inhoudelijk op dezelfde wijze getoetst als niet-prioritaire projecten. Het enige verschil is dat een regionale aanvraag die voldoet aan de minimale kwaliteitseisen en voldoet aan de nationale prioritering extra punten kan krijgen binnen de beoordeling.

Haalbaarheidsprojecten

Voor de Haalbaarheidsprojecten is de prioritering niet van toepassing en is het toetsingskader in het geheel van toepassing (alle KIA’s genoemd in bijlage 1).

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

de secretaris,

drs. G.H.E. Derks MPA