Verordening rechtspositie gemeentelijke ombudsman en lid Rekenkamer Rotterdam

Geldend van 07-03-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening rechtspositie gemeentelijke ombudsman en lid Rekenkamer Rotterdam

De Raad van de gemeente Rotterdam,

gelezen het voorstel van het presidium van 12 februari 2026 (voorstel nr. 26bb001376);

gelet op de artikelen 81k, 81v en 149 van de Gemeentewet;

overwegende dat:

het noodzakelijk is de Verordening rechtspositie gemeentelijke ombudsman en lid Rekenkamer Rotterdam te actualiseren door middel van het vaststellen van een nieuwe verordening;

besluit:

Artikel 1 Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • lid van de Rekenkamer Rotterdam: lid, tevens directeur van de Rekenkamer als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Verordening Rekenkamer Rotterdam;

  • functionaris: de gemeentelijke ombudsman of het lid van de Rekenkamer Rotterdam;

  • gemeentelijke ombudsman: gemeentelijke ombudsman als bedoeld in artikel 1 van de Verordening gemeentelijke ombudsman Rotterdam;

  • presidium: het presidium van de gemeenteraad als bedoeld in artikel 10 van het vigerend Reglement van Orde voor de vergaderingen van de raad.

  • Rekenkamer: Rekenkamer Rotterdam

  • werkgeverscommissie: de commissie zoals bedoeld in de Verordening Werkgeverscommissie.

Artikel 2 Plaatsvervangend functionaris

  • 1. De artikelen 1 tot en met 21, met uitzondering van artikel 5, zesde lid en artikel 12 zijn van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid van de Rekenkamer.

  • 2. De artikelen 1, 2, 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangend ombudsman, met uitzondering van artikel 5, zesde lid.

Artikel 3 Toepasselijkheid Cao gemeenten en Personeelshandboek 010

  • 1. Bij de toepassing van de in deze verordening van overeenkomstige toepassing verklaarde bepalingen uit de Cao Gemeenten en het Personeelshandboek 010 zijn de algemene bepalingen uit hoofdstuk 1 Cao Gemeenten, met uitzondering van artikel 1.7, respectievelijk hoofdstuk 1 van het Personeelshandboek 010 tevens van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Wijzigingen in de van toepassing verklaarde artikelen uit de Cao Gemeenten en het Personeelshandboek 010 zijn op de functionaris van toepassing, tenzij de werkgeverscommissie besluit hiervan af te wijken, wegens het ontstaan, dan wel kunnen ontstaan, van een onredelijke situatie.

Artikel 4 Benoemingsbesluit

Aan de functionaris wordt, na diens benoeming, een benoemingsbesluit uitgereikt, welke ten minste vermeldt:

  • a.

    de naam, voornamen en geboortedatum;

  • b.

    de datum met ingang waarvan de functionaris is benoemd;

  • c.

    de duur van zes jaren waarvoor de benoeming geldt;

  • d.

    de arbeidsduur.

Artikel 5 Bezoldiging en andere geldelijke aanspraken

  • 1. De functionaris heeft aanspraak op bezoldiging met ingang van de datum waarop de benoeming ingaat.

  • 2. De bezoldiging wordt maandelijks betaalbaar gesteld.

  • 3. De hoogte van de bezoldiging van de functionaris wordt jaarlijks, op de periodiekdatum, verhoogd naar de eerstvolgende periodiek in de salarisschaal totdat het maximumbedrag van de salarisschaal is bereikt.

  • 4. De aanspraak op bezoldiging eindigt met ingang van de dag:

    • a.

      van ontslag;

    • b.

      volgende op die waarop de termijn van benoeming is verstreken;

    • c.

      volgende op die waarop de functionaris is overleden.

  • 5. De functionaris heeft aanspraak op een individueel keuzebudget als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Personeelshandboek010.

  • 6. Artikel 2.4.2 van de Uitvoeringsregeling topkader, bijlage 3, en artikel 5.1 derde lid van het Personeelshandboek010, zijn van overeenkomstige toepassing op de functionaris.

  • 7. De raad kan bij de beslissing, waarbij de functionaris op non-activiteit wordt gesteld, bepalen dat tijdens de duur van de non-activiteit geen bezoldiging of slechts een gedeelte van de bezoldiging wordt genoten, in het laatste geval onder aanwijzing van het gedeelte dat zal worden genoten.

  • 8. Indien de non-activiteit anders dan door ontslag is geëindigd, kan de raad beslissen dat de niet genoten bezoldiging alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden uitbetaald, in het laatste geval onder aanwijzing van het gedeelte dat zal worden uitbetaald.

Artikel 6 Hoogte van de bezoldiging

  • 1. De hoogte van de bezoldiging van de functionaris is vastgesteld op salarisschaal 17 als bedoeld in artikel 3.1 van het Personeelshandboek010, op basis van een 36-urige werkweek.

  • 2. De hoogte van de bezoldiging van de plaatsvervangend ombudsman is vastgesteld op salarisschaal 14 als bedoeld in artikel 3.1 van het Personeelshandboek010. Bij het benoemingsbesluit wordt de omvang van de benoeming nader vastgesteld.

  • 3. De hoogte van de bezoldiging van het plaatsvervangend lid van de Rekenkamer is vastgesteld op salarisschaal 16 als bedoeld in artikel 3.1 van het Personeelshandboek010, naar rato van de in het benoemingsbesluit vastgestelde arbeidsduur.

  • 4. De plaatsvervangend functionaris maakt slechts aanspraak op dezelfde bezoldiging als de functionaris, indien de vervanging van de functionaris schriftelijk aan de werkgeverscommissie is gemeld, met dien verstande dat deze aanspraak naar rato van de als plaatsvervanger gewerkte werkzaamheden wordt uitgekeerd. De beëindiging van de vervanging wordt eveneens schriftelijk gemeld aan de werkgeverscommissie.

  • 5. De raad kan besluiten om artikel 3.9 van de Cao gemeenten en 3.5 van het Personeelshandboek010 van overeenkomstige toepassing te verklaren op de functionaris.

Artikel 7 Vakantie en verlof

  • 1. Ten aanzien van de vakantie van de functionaris zijn de artikelen 6.1 en 6.2 van de Cao gemeenten en de artikelen 6.1 en 6.3, van het Personeelshandboek010, alsmede de artikelen 634, 635, eerste lid, en onder f, 637, 638, 639 en 641 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Ten aanzien van het verlof van de functionaris zijn de artikelen 6.6 tot en met 13 van de Cao gemeenten en de artikelen 6.5, 6.6, 6.7 en 6.9 van het Personeelshandboek010 alsmede de afdelingen 3.1 en 5.1, de paragrafen 4.1, 6.1 en 6.2 en de artikelen 5:9, 5:10 van de Wet arbeid en zorg van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8 Ziekte en arbeidsongeschiktheid

  • 1. Bij arbeidsongeschiktheid van de functionaris zijn de artikelen 629, 658a, en 660a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, hoofdstuk 7 van de Cao Gemeenten, alsmede hoofdstuk 7 en artikel 3.3, vierde lid, van het Personeelshandboek 010 van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Bij ziekte en herstel doet de functionaris daarvan, indien mogelijk, mededeling aan de werkgeverscommissie.

Artikel 9 Tegemoetkoming in kosten

  • 1. Ten aanzien van de tegemoetkoming in de verhuiskosten van de functionaris is artikel 3.24 van het Personeelshandboek 010 van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Ten aanzien van de tegemoetkoming in de reis- en verblijfkosten van de functionaris zijn de artikelen 3.12, 3.15, 3.16, 3.23 en 3.25 van het Personeelshandboek 010 van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De functionaris maakt aanspraak op een vergoeding hybride werken als bedoeld in artikel 3.22a van de Cao Gemeenten.

  • 4. De functionaris maakt aanspraak op de tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering, bedoeld in artikel 3.24 van de Cao Gemeenten.

  • 5. De functionaris maakt aanspraak op de tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand, bedoeld in artikel 3.21 van het Personeelshandboek010.

Artikel 10 Studie

Artikel 8.2 van het Personeelshandboek 010 is van overeenkomstige toepassing op de studiefaciliteiten van de functionaris.

Artikel 11 Nevenfuncties

  • 1. De betrekkingen die de functionaris vervult, worden door de functionaris openbaar gemaakt met de vermelding of het gaat om bezoldigde of onbezoldigde werkzaamheden.

  • 2. De functionaris informeert de werkgeverscommissie over betrekkingen die hij voornemens is te gaan vervullen. Indien de werkgeverscommissie dat nodig acht, wordt de raad om advies over de voorgenomen nevenbetrekkingen gevraagd. Als aanvaarding van een nevenbetrekking op bezwaren bij de raad stuit, maakt de raad dit zo spoedig mogelijk kenbaar.

Artikel 12 Mobiliteit

Artikel 2.4.3 van de Uitvoeringsregeling Topkader, bijlage 3 van het Personeelshandboek 010 en de Leaseregeling Rotterdam, bijlage 4 bij het Personeelshandboek 010, zijn van overeenkomstige toepassing op de functionaris.

Artikel 13 Schade veroorzaakt door de functionaris

De functionaris die bij de uitoefening van zijn functie schade toebrengt aan de werkgever of aan een derde jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden, is ter zake niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.

Artikel 14 Schade aan eigendommen van de functionaris

  • 1. Aan de functionaris wordt de schade aan diens eigendommen, niet zijnde een motorrijtuig als bedoeld in de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn functie, vergoed naar de dagwaarde van die eigendommen.

  • 2. Aan de functionaris wordt de schade vergoed aan een hem toebehorend motorrijtuig, als bedoeld in de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van functie, tenzij:

    • a.

      die schade bestaat uit de normale slijtage;

    • b.

      sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende verwijtbaarheid; of

    • c.

      de functionaris in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer een vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per kilometer.

Artikel 15 Tegemoetkoming naar billijkheid

De raad kan in niet elders voorziene gevallen naar billijkheid de functionaris schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen.

Artikel 16 Hoorplicht bij ontslag

Alvorens de raad overgaat tot ongevraagd ontslag, of niet herbenoemen van een functionaris, zal de functionaris door of vanwege de raad te worden gehoord.

Artikel 17 Nagelaten betrekkingen

Ten aanzien van de nagelaten betrekkingen van de functionaris zijn de artikelen 4.5, tweede lid, en 10.20 van de Cao Gemeenten van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18 Onvoorziene situaties

In gevallen waarin deze verordening of de wetgeving waarop deze is gebaseerd niet of niet genoegzaam voorziet, beslist de raad.

Artikel 19 Intrekking oude regeling en inwerkingtreding

  • 1. De Verordening rechtspositie gemeentelijke ombudsman en directeur Rekenkamer Rotterdam (Gemeenteblad 2021, 136279) wordt ingetrokken.

  • 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 20 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie gemeentelijke ombudsman en lid Rekenkamer Rotterdam.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 26 februari 2026.

De griffier,

I.C.M. Broeders

De voorzitter,

C.J. Schouten

Dit gemeenteblad ligt ook ter inzage bij het Concern Informatiecentrum Rotterdam (CIC): 010-267 2514 of bir@rotterdam.nl

TOELICHTING bij Verordening rechtspositie gemeentelijke ombudsman en lid Rekenkamer Rotterdam

In deze verordening is de rechtspositie van de (plaatsvervangend) ombudsman en het (plaatsvervangend) lid rekenkamer uitgewerkt.

Artikel 2 Plaatsvervangend functionaris

Het plaatsvervangend lid van de rekenkamer ontvangt de bezoldiging naar rato van de verrichte werkzaamheden. Daarnaast bestaat voor het plaatsvervangend lid een onkostenvergoeding voor reis- en verblijfkosten, waarbij bij het gebruik van de eigen auto het maximale bedrag vergoed dat een werkgever per kilometer fiscaal onbelast mag vergoeden.

De plaatsvervangend ombudsman is tevens ambtenaar van de gemeente Rotterdam. De bepalingen van de CAO en het Personeelshandboek010 zijn van toepassing.

Artikel 3 Wijziging van toepassing zijnde regelingen

In dit artikel delegeert de raad de bevoegdheid aan de werkgeverscommissie om wijzigingen van de in dit artikel genoemde regelingen van toepassing te verklaren op de functionarissen.

Artikel 4 Benoemingsbesluit

De in het benoemingsbesluit te bepalen omvang van de benoeming ziet op hoeveel uren per week de functionaris wordt benoemd.

Artikel 6 Hoogte van de bezoldiging

In het derde lid wordt de hoogte van de bezoldiging van het plaatsvervangend lid van de Rekenkamer vastgesteld. Het is ook mogelijk dat gekozen wordt voor externe inhuur. In dat geval wordt het inhuurtarief zodanig door de werkgeverscommissie vastgesteld dat het tarief vergelijkbaar is met de vastgestelde bezoldiging

Artikel 11 Nevenfuncties

Het tweede lid stelt de raad in staat om de controle op artikel 81c, derde lid, 81r, eerste lid, van de Gemeentewet uit te voeren.

Hiermee wordt beoogd dat een kandidaat-functionaris al diens betrekkingen meldt vóór diens benoeming. Wanneer de functionaris reeds benoemd is, geldt ook de verplichting om nieuwe nevenfuncties te melden voordat die deze vervult. Het gaat hierbij dan bijvoorbeeld ook over het aannemen van een functie als ombudsman of lid van een rekenkamer van een andere gemeente.

De plaatsvervangend ombudsman is ambtenaar en heeft daarom al een verplichting om diens nevenfuncties te melden op grond van het Personeelshandboek010.

Artikel 12 Mobiliteit

Met dit artikel worden diverse artikelen uit het Personeelshandboek 010 van overeenkomstige toepassing verklaard op de functionaris:

  • Personeelshandboek 010

    • o

      Bijlage 3: Uitvoeringsregeling Topkader

      • ▪︎

        Artikel 2.4.3: Mobiliteit

    • o

      Bijlage 4: Leaseregeling Rotterdam