Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758038
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR758038/1
Verordening jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2026
Geldend van 05-03-2026 t/m heden
Intitulé
Verordening jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2026De raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 30 september 2026;
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;
gezien het advies van Adviesraad Sociaal Domein Hendrik-Ido-Ambacht;
overwegende dat:
- 1.
Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt; ouders worden geacht de tot hun gezin behorende jeugdige(n) dagelijkse hulp, zorg en ondersteuning te bieden ook als er sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking;
- 2.
de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft gelegd;
- 3.
het op grond van de Jeugdwet noodzakelijk is hieromtrent regels vast te stellen:
- a.
over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen;
- b.
over de afbakening Jeugdwet in relatie tot andere wetgevende kaders;
- c.
over de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;
- d.
over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;
- e.
over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet wordt vastgesteld;
- f.
voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet;
- g.
over de wijze waarop ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en hun ouder(s), worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet;
- h.
ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij wordt rekening gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden;
- i.
over de voorwaarden waaronder de persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk;
- a.
besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2026.
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Definities
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- -
andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
- -
budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder;
- -
budgethouder: persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet;
- -
budgetplan: plan waarin staat beschreven hoe het pgb wordt gebruikt om zorg of ondersteuning te regelen. Het plan geeft inzicht in welke zorg nodig is, wie daarvoor wordt ingeschakeld en hoeveel het gaat kosten;
- -
college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht;
- -
draagkracht: de fysieke, psychische en sociale (niet de financiële) vermogens waarover een persoon of huishouden beschikt om dagelijkse zorgtaken en problemen zelfstandig of met hulp uit het eigen netwerk aan te kunnen. Dit omvat onder meer de gebruikelijke zorg die ouders of huisgenoten bieden aan minderjarige kinderen, ook in situaties waarin sprake is van ziekte, beperking of aandoening.
- -
draaglast: de totale hoeveelheid fysieke, psychische en sociale belasting die op een persoon of huishouden rust, inclusief het vermogen te voorzien in een inkomen, als gevolg van omstandigheden, gebeurtenissen of verantwoordelijkheden die aandacht, energie of aanpassing vragen. De draaglast omvat zowel structurele taken als plotselinge of ingrijpende gebeurtenissen die de beschikbare draagkracht op de proef stellen.
- -
hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een (licht) verstandelijke beperking;
- -
individuele voorziening: niet vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid, waarvoor het college een beschikking afgeeft;
- -
iJw: door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties, overeenkomstig artikel 1, van de Regeling Jeugdwet;
- -
lokaal team: op gebiedsniveau georganiseerd, multidisciplinair team dat zorgdraagt voor de toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening.
- -
overige voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid, waarvoor het college geen beschikking afgeeft en die voorliggend is op individuele voorzieningen;
- -
pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1, van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;
- -
sociaal netwerk:
- 1.
familieleden van de jeugdige of zijn ouders tot en met bloed- of aanverwantschap in de tweede graad;
- 2.
andere personen binnen de kring van vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s).
- 1.
- -
wet: Jeugdwet.
HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP
Artikel 2. Vormen van jeugdhulp
-
1. De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar:
- a.
Jeugdhulp uitgevoerd door het lokaal team;
- a.
-
2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar:
- •
Persoonlijke verzorging
- •
Dagbehandeling/dagbesteding
- •
Jeugdhulp ambulant
- •
Jeugd GGZ basis
- •
Jeugd GGZ specialistisch
- •
Jeugdzorg Plus
- •
Gezinshuis
- •
Pleegzorg
- •
Logeren
- •
Wonen met begeleiding
- •
Verblijf met behandeling
- •
Crisishulp
- •
Curatieve zorg door kinderarts
- •
Medicatieveiligheid
- •
Jeugdhulpvervoer
- •
Onderzoek en behandeling bij ernstige dyslexie
- •
-
3. De in het vorige lid genoemde individuele voorzieningen zijn opgenomen in bijlage 1 (Dienstomschrijvingen Jeugdhulp ZHZ) bij deze verordening en zijn onderverdeeld in producten, waarbij per product in elk geval is opgenomen:
- a.
doelgroepen;
- b.
activiteiten (aanpak);
- c.
Maximale doorlooptijd (duur);
- d.
Maximale intensiteit (frequentie);
- e.
kwaliteit (product specifieke eisen);
- f.
beoogd resultaat (doel);
- g.
vermelding productcode iJW.
- a.
-
4. De individuele voorzieningen hebben in beginsel een maximale duur en frequentie. Dit is opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening.
HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN
Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
-
1. Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerst lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
-
2. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een jeugdhulpaanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.
-
3. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de nadere regels en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente
-
1. Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college.
-
2. Het eerste contact over de hulpvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2, van de Algemene wet bestuursrecht.
-
3. Het college merkt een ondertekend verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 8 aan als een aanvraag als er, gelet op het tweede lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven.
-
4. Als een jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een budgetplan in als bedoeld in artikel 16. Een door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend budgetplan wordt aangemerkt als aanvraag voor een pgb.
-
5. Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag.
-
6. Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking.
-
7. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.
HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE
Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
-
1. Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger, waarbij de jeugdige ten minste één keer wordt gezien, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met het college kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen.
-
2. Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
-
3. Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.
-
4. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd.
-
5. Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder of een wettelijke vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger:
- a.
wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan;
- b.
de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;
- c.
of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens:
- 1°.
welke problemen of stoornissen dat zijn;
- 2°.
welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
- 3°.
of en in hoeverre de draagkracht en draaglast van de ouder(s) en van het sociale netwerk in evenwicht zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden, overeenkomstig artikel 10;
- 4°.
voor zover de balans tussen de draagkracht en draaglast niet in evenwicht is, de mogelijkheden om met inzet van een andere voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp;
- 5°.
voor zover de balans tussen de draagkracht en draaglast niet in evenwicht is en de mogelijkheid tot inzet van een andere voorziening ontoereikend is, de mogelijkheden om met inzet van een overige voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp; en
- 6°.
voor zover de balans tussen de draagkracht en draaglast niet in evenwicht is, de mogelijkheid tot inzet van een andere voorziening en de mogelijkheid tot inzet van een overige voorziening ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met inzet van een individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp;
- 1°.
- d.
hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s);
- e.
indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.
- a.
-
6. Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.
-
7. Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger medegedeeld dat het gecontracteerde zorgaanbod het uitgangspunt is en welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
Artikel 6. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
-
1. Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.
-
2. Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:
- a.
bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;
- b.
bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of
- c.
op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.
- a.
-
3. Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.
Artikel 7. Identificatie
-
1. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht.
-
2. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan:
- a.
een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;
- b.
een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);
- c.
een buitenlands paspoort; of
- d.
een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).
- a.
Artikel 8. Verslag
-
1. Binnen tien werkdagen na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger worden door hen aan het verslag toegevoegd.
-
2. Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen.
-
3. Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend voor akkoord door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd.
-
4. Als uit het verslag blijkt dat de gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met de eigen draagkracht, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend voor akkoord door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening.
Artikel 9. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
-
1. Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder slechts in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag:
- a.
Binnen hun eigen draagkracht zoals bedoeld in artikel 10;
- b.
Door gebruik te maken van een andere voorziening, of;
- c.
Door gebruik te maken van een overige voorziening.
- a.
-
2. Het college verleent geen individuele voorziening als het hulpverleningstraject waarvoor de jeugdige en/of de ouders die voorziening vragen op het moment van aanvraag al is afgerond, tenzij sprake is van gewijzigde omstandigheden of een hernieuwde hulpvraag.
-
3. Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden. Normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en ouders’ van het Nederlands Jeugdinstituut’, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze verordening.
-
4. Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:
- a.
daadwerkelijk beschikbaar is; en
- b.
passend en toereikend is voor de hulpvraag.
- a.
-
5. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening.
-
6. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er wordt waar beschikbaar gewerkt met een bewezen effectieve interventie. Indien er geen bewezen effectieve interventie is, moet de jeugdhulpaanbieder aantonen dat hij werkt met een practice based methodiek of een historisch en in de branche gangbare methodiek. In geen geval mag er gewerkt worden met een bewezen niet effectieve interventie.
-
7. Er is sprake van bewezen effectieve interventies als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:
- a.
de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;
- b.
de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;
- c.
de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg);
- a.
-
8. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.
-
9. Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin.
Artikel 10. Beoordeling draagkracht en draaglast
-
1. Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 5, blijkt dat de balans tussen de draagkracht en draaglast van de jeugdige of zijn ouder(s) in evenwicht is.
-
2. Als de balans tussen de draagkracht en draaglast van de jeugdige of zijn ouder(s) in evenwicht is, is het college van oordeel dat de eigen mogelijkheden toereikend zijn om, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).
-
3. Tot de eigen mogelijkheden behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten.
-
4. Bij de beoordeling van de balans tussen draagkracht en draaglast, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de draagkracht van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:
- a.
geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;
- b.
een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of
- c.
overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.
- a.
-
5. Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:
- a.
de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;
- b.
de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt;
- c.
de planbaarheid van de hulp;
- d.
de benodigde ondersteuningsintensiteit;
- e.
de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; en
- f.
de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.
- a.
Artikel 11. Vervoer
-
1. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.
-
2. Het college verstrekt alleen een vervoersvoorziening aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.
-
3. Het college kent uitsluitend een vervoersvoorziening aan de jeugdige toe:
- a.
als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een medische noodzaak bestaat of beperkingen in de zelfredzaamheid bestaan tot inzet van deze voorziening; en
- b.
als de enkele reisafstand meer bedraagt dan 6 kilometer gerekend vanaf de gemeente waar betrokkene woonachtig is, tenzij de aard van de medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid het nemen van eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer onevenredig maken.
Het college stelt de enkele reisafstand vast aan de hand van de kortste route volgens de ANWB-routeplanner tussen het ophaaladres van de jeugdige en de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.
- a.
-
4. Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 10, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de balans tussen de draagkracht en draaglast van de jeugdige of zijn ouder(s) niet in evenwicht is en zij daardoor de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer niet op zich kan nemen.
-
5. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.
-
6. De vervoersvoorziening betreft groepsvervoer per taxi bij een gecontracteerde vervoerder, tenzij groepsvervoer niet mogelijk is. In dat laatste geval zet het college individueel vervoer in per taxi bij een gecontracteerde vervoerder.
-
7. [Optioneel] In plaats van een vervoersvoorziening kan het college op verzoek van de jeugdige of zijn ouder(s) een vergoeding per kilometer verstrekken. De vergoeding bedraagt het in bijlage X opgenomen bedrag. Het college stelt de vergoeding per kilometer vast op de reisafstand van de kortste route retour volgens de ANWB-routeplanner tussen het ophaaladres van de jeugdige en de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.
-
8. De looptijd van een beschikking tot verstrekking van een vervoersvoorziening kan afwijken van de looptijd van de beschikking voor de individuele jeugdhulpvoorziening zelf, als de noodzaak voor vervoer daartoe aanleiding geeft.
-
9. Het college kan nadere regels stellen.
Artikel 12. Dyslexie
-
1. De zorg voor kinderen die primair onderwijs volgen met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet.
-
2. Het college kent alleen een individuele voorziening ED toe als de ED-specialist van het Samenwerkingsverband Drechtsteden op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling versie 3.0 van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.
Artikel 13. Vaktherapie
-
1. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de wet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is.
-
2. De behandelaar van een jeugdhulpaanbieder of medewerker van het lokaal team die zelf of onder verantwoordelijkheid valt van iemand die beschikt over een registratie zoals bedoeld in artikel 6 lid 2, moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling.
-
3. Het maximum aantal uren behandeling dat vergoed wordt door de gemeente is 30 uren op jaarbasis. Als de ouder(s) aanvullend verzekerd zijn, dan moet het aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van de maximale inzet.
Artikel 14. Kinderopvang en buitenschoolse opvang
-
1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp.
-
2. In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.
Artikel 15. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening
-
1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt en wordt ook aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
-
2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
- a.
wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn;
- b.
wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en
- c.
indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.
- a.
-
3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking ook in ieder geval vastgelegd:
- a.
voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;
- b.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
- c.
wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
- d.
welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;
- e.
wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en
- f.
de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
- a.
HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB
Artikel 16. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb
-
1. Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een budgetplan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het budgetplan is opgenomen:
- a.
de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is;
- b.
welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;
- c.
de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;
- d.
op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;
- e.
de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;
- f.
indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; en
- g.
de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 17 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
- a.
-
2. Het college verstrekt een pgb als:
- a.
de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, niet passend achten;
- b.
uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 17 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en
- c.
naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 19 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.
- a.
-
3. Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag:
- a.
fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;
- b.
betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;
- c.
veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; of
- d.
op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder;
- a.
-
4. Het college weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is.
Artikel 17. Pgb-vaardigheid
-
1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:
- a.
een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;
- b.
op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;
- c.
in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;
- d.
voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;
- e.
in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;
- f.
in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;
- g.
in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;
- h.
in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;
- i.
in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en
- j.
voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.
- a.
-
2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
- a.
het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder;
- b.
er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden:
- 1°.
schuldenproblematiek;
- 2°.
ernstige verslavingsproblematiek;
- 3°.
aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
- 4°.
een aanmerkelijke verstandelijke beperking;
- 5°.
een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;
- 6°.
een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;
- 7°.
het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; of
- 8°.
het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag;
- 1°.
- a.
Artikel 18. Onderscheid pgb formele hulp en pgb sociaal netwerk
-
1. Van pgb formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:
- a.
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
- b.
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
- a.
-
2. Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.
-
3. Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van pgb sociaal netwerk omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk.
-
4. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van pgb sociaal netwerk.
Artikel 19. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
-
1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp minimaal aan de kwaliteitseisen zoals gesteld in de overeenkomsten met gecontracteerde jeugdhulpaanbieders in de regio Zuid-Holland Zuid. Daarnaast gelden de volgende eisen:
- a.
beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie.
- b.
beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;
- c.
houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;
- d.
is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;
- e.
werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;
- f.
voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;
- g.
stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s);
- h.
stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken;
- i.
respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;
- j.
neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;
- k.
meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;
- l.
werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en
- m.
is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.
- a.
-
2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:
- a.
hetgeen is bepaald in artikel 17, eerste en tweede lid;
- b.
handelt in overeenstemming met de professionele standaard;
- c.
werkt op basis van een hulpverleningsplan;
- d.
werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;
- e.
hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en
- f.
stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.
- a.
-
3. Er wordt geen pgb sociaal netwerk verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is.
Artikel 20. Hoogte pgb
-
1. De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp bedraagt 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura.
-
2. De hoogte van het pgb sociaal netwerk bedraagt het wettelijke minimumloon.
-
3. De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij:
- a.
de indexering wordt berekend uit de som van het geprognostiseerde percentage voor het komende jaar (t + 1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t – 1) geprognostiseerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages zijn verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en
- b.
het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 80% op basis van het geprognostiseerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZA en voor 20% op basis van het geprognostiseerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA.
- a.
-
4. Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.
-
5. Met inachtneming van voorgaande bepalingen stelt het college de pgb-tarieven vast in nadere regels.
-
6. Het college maakt minimaal eenmaal per jaar de tarieven bekend.
Artikel 21. Uitgesloten van pgb
De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb:
- a.
kosten voor bemiddeling;
- b.
kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;
- c.
kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
- d.
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
- e.
kosten voor feestdagenuitkering en eenmalige uitkering;
- f.
kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;
- g.
kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 11 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;
- h.
kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp); en
- i.
kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag;
HOOFDSTUK 6. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK
Artikel 22. Inlichtingen
-
1. Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
-
2. Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb.
Artikel 23. Niet meewerken ouder(s)
-
1. De jeugdige en zijn ouder(s) is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp.
-
2. Als de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.
Artikel 24. Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering
-
1. Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen.
-
2. Onverminderd artikel 8.1.4, van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat:
- a.
de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
- b.
de jeugdige of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;
- c.
de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten;
- d.
de jeugdige of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb;
- e.
de jeugdige of zijn ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is;
- f.
de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulpaanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 16, derde lid; of
- g.
de jeugdige met het pgb jeugdhulp langer dan twaalf weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.
- a.
-
3. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
-
4. Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder.
-
5. Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het tweede lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb.
-
6. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen.
-
7. Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken.
Artikel 25. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s
-
1. Het college kan een toezichthouder aanwijzen die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.
-
2. Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen.
-
3. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.
Artikel 26. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
-
1. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
-
2. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract.
HOOFDSTUK 7. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN
Artikel 27. Voorliggende voorzieningen
-
1. Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:
- a.
met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet;
- b.
naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of
- c.
gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.
- a.
-
2. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen.
-
3. De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.
Artikel 28. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
-
1. Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:
- a.
de Leerplichtwet;
- b.
de Participatiewet;
- c.
de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;
- d.
de Wet Inburgering 2021;
- e.
de Wet kinderopvang;
- f.
de Wet langdurige zorg;
- g.
de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- h.
de Wet passend onderwijs;
- i.
de Wet publieke gezondheid;
- j.
de Wet tijdelijk huisverbod;
- k.
de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en
- l.
de Zorgverzekeringswet,
zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.
- a.
-
2. De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot:
- a.
het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;
- b.
stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;
- c.
een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt.
- a.
-
3. Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee:
- a.
de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder;
- b.
de balans tussen de draagkracht en draaglast van een jeugdige of ouder(s) zoals bedoeld in artikel 10 en de mogelijkheden van het sociaal netwerk;
- c.
welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;
- d.
welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.
- a.
-
4. Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren.
-
5. Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om:
- a.
voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en
- b.
de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is;
- a.
-
6. Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.
-
7. Conform de overeenkomsten met gecontracteerde jeugdhulpaanbieders in de regio stelt een jeugdhulpaanbieder voor jeugdigen die jeugdhulp krijgen een perspectiefplan op bij het bereiken van het 16e levensjaar. Wanneer een jeugdige bij aanmelding de leeftijd van 16 jaar reeds heeft bereikt, wordt dit plan opgesteld bij de start van de zorg. In het perspectiefplan staat:
- 1.
welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf de 18e verjaardag; en
- 2.
hoe en vanuit welke wet (Wmo, Wlz, zorgverzekeringswet of verlengde Jeugdwet) de hulp de 18e verjaardag wordt ingezet.
- 1.
-
8. De jeugdhulpaanbieder betrekt de jeugdige, de ouder(s) en het college bij het opstellen van het perspectiefplan.
HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT
Artikel 29. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
-
1. Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:
- a.
cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;
- b.
cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;
- c.
overheadkosten;
- d.
kosten voor indexering; en
- e.
de voor de sector toepasselijke CAO-schalen;
- a.
-
2. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.
-
3. Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.
HOOFDSTUK 9. KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP
Artikel 30. Klachtregeling
Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen, ouders en hun wettelijk vertegenwoordigers die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening.
Artikel 31. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
-
1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de, krachtens artikel 150 van de Gemeentewet, gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
-
2. Het college stelt jeugdigen en hun ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
-
3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.
-
4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.
HOOFDSTUK 10. SLOTBEPALINGEN
Artikel 32. Evaluatie en monitoring
-
1. Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens één jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.
-
2. Ten behoeve van de evaluatie verzamelt het college systematisch informatie bij relevante betrokkenen over de uitvoering en het proces over:
- a.
het aantal jeugdigen met jeugdhulp (totaal en per type jeugdhulp);
- b.
de kosten van jeugdhulp (totaal, gemiddeld per cliënt, gemiddeld per type jeugdhulp);
- c.
het aantal verwijzingen (per type verwijzer);
- d.
de verhouding tussen Zorg in natura en pgb;
- e.
cliënttevredenheid.
- a.
Artikel 33. Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) afwijken van de bepalingen in deze verordening, wanneer toepassing van deze verordening of van de hieruit voortvloeiende nadere regels leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Artikel 34. Overgangsrecht, intrekking oude verordening
-
1. Een jeugdige of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2022, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening.
-
2. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2022 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.
-
3 Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van Verordening Jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2022 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige Verordening jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2026 leidt tot een gunstiger uitkomst.
-
4. Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van Verordening Jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2022 te herzien:
- a.
op de gronden, vermeld in Verordening Jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2022;
- b.
indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen;
- c.
indien de cliënt wenst te veranderen van jeugdhulpaanbieder of van verstrekkingsvorm.
- a.
-
5. Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder Verordening Jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2022, terug te vorderen op de in deze verordening[en] genoemde gronden.
-
6. De Verordening Jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2022 wordt ingetrokken.
Artikel 35. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp Hendrik-Ido-Ambacht 2026.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 1 december 2025.
De voorzitter,
De griffier,
Bijlage 1: Dienstomschrijvingen Jeugdhulp ZHZ versie per 1 januari 2026
Dienstomschrijvingen Jeugdhulp ZHZ
Inleiding
Voor u ligt het document ‘Dienstomschrijvingen Jeugdhulp Zuid-Holland Zuid'. Vanaf 1 januari 2022 zijn de hierin opgenomen diensten van toepassing binnen de regio Zuid-Holland Zuid. Dit document dient als een overzicht van alle jeugdhulpdiensten waarop binnen deze regio gedeclareerd kan worden. In de inleiding en hoofdstuk 1 worden relevante begrippen nader toegelicht en gedefinieerd. Vanaf hoofdstuk 2 vindt u de gedetailleerde omschrijvingen van de producten.
De rode draad
In 2018 heeft de regio Zuid-Holland Zuid het beleidsplan Meerjarenperspectief vastgesteld. In aanloop naar de nieuwe inkoopperiode zijn bestuurlijke uitgangspunten geformuleerd en vastgesteld die het kader vormen voor de contractering van jeugdhulp. Deze uitgangspunten zijn in dialoog met cliëntvertegenwoordigers, jeugdhulpaanbieders en gemeenten verder geconcretiseerd en vertaald naar onder andere doelen, inspanningsverplichtingen, resultaatverplichtingen, KPI's en de dienstomschrijvingen in dit document.
Deze gezamenlijke ontwikkeling heeft geleid tot de volgende zes kernwaarden die richtinggevend zijn voor de jeugdhulp in de regio:
- 1.
Jeugdhulp wordt geboden in de leefomgeving; jeugdigen groeien thuis op.
- 2.
Jeugdhulpaanbieders (professionals) bieden dienstbaar vakmanschap.
- 3.
Iedere jeugdige volgt onderwijs.
- 4.
Jeugdhulp zorgt voor toegenomen zelfredzaamheid en duurzaam herstel van de jeugdige en het gezin.
- 5.
Jeugdhulp versterkt het netwerk van de jeugdige en het gezin.
- 6.
Doelmatige inzet van (schaarse) middelen.
Verhouding deelovereenkomsten en dienstomschrijvingen
Diensten kunnen uitsluitend worden gedeclareerd wanneer de jeugdhulpaanbieder hiervoor een Bijzondere Deel Overeenkomst (hierna: BDO) met SOJ ZHZ heeft gesloten. Sommige diensten kunnen vanuit meerdere BDO's worden aangeboden/geleverd. In onderstaande tabel is aangegeven voor welke diensten dit van toepassing is:
|
Naam |
Segment 1: Hoog specialistisch |
Segment 2: Wonen |
Segment 3a: Dagbesteding & dagbehandeling |
Segment 4: Specialistisch veelvoorkomend |
|
Persoonlijke verzorging |
|
|
|
X |
|
Ervaringsdeskundige |
X |
X |
X |
X |
|
Begeleiding basis |
|
|
|
X |
|
Begeleiding regulier |
|
|
|
X |
|
Begeleiding specialistisch |
|
|
|
X |
|
Behandeling VG |
|
|
|
X |
|
Behandeling J&O |
X |
|||
|
Dienstverlening consult en advies |
X |
X |
X |
X |
|
Vaktherapie |
|
|
|
X |
|
GGZ regulier/ generalistisch (basis GGZ) |
|
|
|
X |
|
GGZ specialistisch |
|
|
|
X |
|
Curatieve zorg door kinderartsen |
|
|
|
X |
|
Medicatieveiligheid |
|
|
|
X |
|
Forensische GGZ |
|
|
|
X |
|
Basis diagnostiek |
|
|
|
X |
|
Specialistische diagnostiek |
|
|
|
X |
|
Dagbesteding regulier |
|
|
X |
|
|
Dagbesteding intensief |
|
|
X |
|
|
Naschoolse dagbesteding |
|
|
X |
|
|
Dagbehandeling regulier |
|
|
X |
|
|
Dagbehandeling intensief |
|
|
X |
|
|
Dagbehandeling specialistisch (GGZ) |
|
|
X |
|
|
Pleegzorg Intensief |
|
X |
|
|
|
Pleegzorg regulier (voltijd) |
|
X |
|
|
|
Pleegzorg regulier (deeltijd) |
X |
|||
|
Gezinshuis (regulier) |
|
X |
|
|
|
Gezinshuis (intensief) |
|
X |
|
|
|
Gezinsbehandeling |
|
|
X |
|
|
Logeren (regulier) |
|
X |
|
|
|
Logeren (intensief) |
|
X |
|
|
|
Logeren (extra-intensief) |
|
X |
|
|
|
Wonen met begeleiding - licht |
|
X |
|
|
|
Wonen met begeleiding - regulier |
|
X |
|
|
|
Wonen met begeleiding intensief |
|
X |
|
|
|
Verblijf met behandeling |
X |
|
|
|
|
Verblijf met behandeling – 3 milieu |
X |
|
|
|
|
Toeslag crisis ambulant |
X |
|
|
|
|
Toeslag crisis bij pleegzorg |
|
X |
|
|
|
ED Diagnostiek en behandeling * |
|
|
|
|
|
Verblijf met behandeling - intensief |
X |
|
|
|
|
HIC - GGZ |
X |
|
|
|
|
GGZ Specialistisch Midden |
X |
|||
|
GGZ Hoogspecialistisch |
X |
|
|
|
|
Toeslag crisis bij Wonen (diverse intensiteiten) |
|
X |
|
|
|
Toeslag crisis bij Verblijf met behandeling |
X |
|
|
|
|
Voorbeeld Het product 'ervaringsdeskundige' is in alle Bijzondere Delen Overeenkomsten toegankelijk. Ieder hoofdstuk start met een overzicht van alle diensten, met hierbij opgenomen of deze specifiek zijn toegekend aan een bepaalde Bijzondere Delen Overeenkomst. Als hier geen opmerkingen over opgenomen zijn, is de dienst toegekend aan alle Bijzondere Delen Overeenkomsten. Voorwaarde voor declaratie is en blijft natuurlijk dat u voor de betreffende dienst gecontracteerd bent en voldoet aan de kwaliteitscriteria en specifieke eisen die per dienst zijn beschreven. |
|
Voorbeeld De diensten voor dagbesteding en dagbehandeling kunnen uitsluitend verleend worden door jeugdhulpaanbieders die de Bijzondere Delen Overeenkomsten voor dagbesteding en dagbehandeling hebben ondertekend. Voor andere diensten geldt dat het tekenen van het Algemene Deel en een van de Bijzondere Delen Overeenkomsten het mogelijk maakt het product te declareren, mits aan de kwaliteitscriteria van het product wordt voldaan. |
Hoofdstuk 1: Toelichting op begrippen en processen
In deze dienstomschrijvingen jeugdhulp 2026 worden de begrippen aangehouden zoals die zijn opgenomen in de Jeugdwet en de Verordening Jeugd van de gemeenten. In bijlage 5 van deze overeenkomst worden, daar waar noodzakelijk, nog een aantal begrippen nader toegelicht. Waar in dit hoofdstuk dat aan de orde is, wordt met een sterretje (*) verwezen naar deze bijlage. Hieronder geven we een nadere duiding van een aantal begrippen en processen die van invloed zijn op de uitvoering van de jeugdhulp.
Jeugdige, gezin en netwerk
De jeugdhulpaanbieder ondersteunt de jeugdige én hun sociale omgeving. Dat betekent dat ondersteuning en advies aan gezins- en familieleden, school, vereniging, kerk, enzovoorts onderdeel uitmaken van de jeugdhulp wanneer dat leidt tot een grotere inzet van het sociale netwerk, meer zelfredzaamheid en participatie van de jeugdige en bijdraagt aan de voor de jeugdige en het gezin opgestelde doelen. De hulp wordt geboden op de locatie die het meest passend en effectief is om de gestelde doelen te bereiken. Uitgangspunt is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor degenen die het echt nodig hebben en dat de jeugdhulp betaalbaar moet blijven. De jeugdhulp wordt immers gefinancierd met gemeenschapsgeld.
De wijze waarop de jeugdhulp wordt uitgevoerd draagt bij aan het onderhouden, activeren en/of opbouwen van een steunend netwerk voor de jeugdige en het gezin. De jeugdhulpaanbieder zet actief netwerkversterkende strategieën in. Het werken vanuit sociale netwerkstrategieën is een basishouding van waaruit de professional denkt en handelt. Zijn rol is die van een facilitator; hij maakt mogelijk dat iedereen die aanklopt in zijn eigen kracht blijft en gebruik maakt van de krachten in zijn eigen omgeving. De jeugdige houdt de regie over zijn eigen leven. Het verdient aanbeveling om naast deze basishouding ook hiervoor specifiek ontwikkelde werkwijzen consequent toe te passen. (Zoals de Jim aanpak en Eigen Kracht conferenties).
Analyse van de problematiek van de jeugdige en/of het gezin
Voordat overgegaan kan worden tot het inzetten van hulp aan de jeugdige en/of het gezin is het noodzakelijk dat er een gedegen analyse plaatsvindt van de problematiek van de jeugdige en/of het gezin. Daarvoor zijn verschillende methoden mogelijk. Te denken valt bijvoorbeeld aan een probleemanalyse*, risico-taxatie*, DSM* en/of de verklarende analyse*.
Vanaf 2024 wordt er met name ingezet op het gebruik van de verklarende analyse waar in een gezamenlijk proces met de jeugdige, de ouders en de jeugdhulpverlener wordt toegewerkt om de problemen te begrijpen. De focus hierbij ligt op het achterhalen waardoor de hulpvragen zijn ontstaan en waardoor ze blijven voortbestaan. Daarbij wordt gekeken naar de verschillende factoren die een rol spelen, zoals kindfactoren, gezinsfactoren, omgevingsfactoren en interacties tussen betrokkenen. Het moet helpen om patronen te herkennen in de problemen en de interacties binnen het gezin en de omgeving. Doel van de verklarende analyse is dat er inzicht ontstaat in de problematiek en er betere beslissingen kunnen worden genomen welke hulp passend en noodzakelijk is. In de komende jaren zal tot verdere implementatie van deze methode gekomen moeten worden.
Aanmelding en intake
Aanmelding en intake zijn activiteiten die plaatsvinden aan het begin van het traject bij de desbetreffende aanbieder. Hoewel de intake kenmerken van een analyse kan bevatten, mag deze niet worden gedeclareerd onder het product diagnostiek als er geen diagnostiek of behandeling op volgt. De intake wordt beschouwd als start van de hulpverlening en is declarabel zodra de jeugdige daadwerkelijk jeugdhulp gaat ontvangt. Indien u na een intake tot de conclusie komt dat u geen passende hulp kunt bieden voor de gestelde hulpvraag, neemt u direct contact op met de verwijzer. Dit helpt om mismatches in het vervolg te voorkomen.
Werkwijze jeugdhulpverleners (aanvullend op de gestelde personele eisen)
Norm verantwoorde werktoedeling en inzet via de verlengde arm
Volgens de Jeugdwet dienen de toegang, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen in beginsel te werken met geregistreerde professionals. Dit betreft professionals die zijn opgenomen in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of die als artikel 3-beroep zijn geregistreerd in het BIG-register.
De norm verantwoorde werktoedeling is opgenomen in het Besluit Jeugdwet en verplicht jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen om zorgvuldig taken toe te delen aan professionals. Deze norm bestaat uit drie onderdelen:
- 1.
Geregistreerde professionals voeren de taken uit
De taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional. Er wordt gewerkt met professionals die zijn geregistreerd in het BIG-register en/of Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), op HBO- of WO-niveau.
- 2.
Toedeling taken op basis van kennis en vaardigheden
De jeugdhulpaanbieder deelt de taken toe met inachtneming van de specifieke kennis en vaardigheden van de geregistreerde professionals.
- 3.
Werken volgens professionele standaarden
Jeugdhulpaanbieders dragen er zorg voor dat de geregistreerde professionals werken volgens de voor hen geldende professionele standaarden, zoals de beroepscode en vakinhoudelijke richtlijnen.
Daarnaast moet de werkwijze voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en aan de beroepscode. Hierin is vastgesteld welke niet SKJ-geregistreerde professional mag werken onder de eindverantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerde professional. Dit wordt de verlengde arm-constructie genoemd.
Gedeelde besluitvorming/shared decision making
Het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) stelt dat minderjarigen, ongeacht hun leeftijd, recht hebben om hun mening te geven. Bij beslissingen die in het leven van jeugdigen genomen worden, dus ook over passende hulp, moet een passend gewicht aan hun mening gehecht worden (artikel 12 IVRK). Daarnaast is wettelijk vastgelegd dat ouders verplicht zijn om de ontwikkeling en het welzijn van hun kind te bevorderen (Burgerlijk wetboek 1, art 247). Daarmee ligt de verantwoordelijkheid om hulp in te schakelen bij ouders wanneer jeugdigen zich onvoldoende ontwikkelen.
Zowel de literatuur over jeugdhulp en jeugdbescherming als de medische literatuur laat zien dat participatie van ouders en jeugdigen in het besluitvormings- en het behandelproces een positief effect heeft op de uitkomsten van de behandeling of zorg. In de medische wereld is shared decision making’ ontwikkeld. Dit is een methode waarbij zorgprofessionals samen met jeugdigen beslissingen nemen over de behandeling. Shared decision making is gebaseerd op ‘evidence based practice, wat inhoudt dat beslissingen gebaseerd zijn op de hoogst haalbare evidentie.
Uitgangspunt van jeugdhulp is dan ook dat in dialoog tussen de professional, het gezin en de jeugdige een gezamenlijk beeld ontwikkeld wordt over de problematiek en de meest passende aanpak.
Werkwijzen binnen de jeugdzorg
Evidence-based practice en practice based werken
Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid wordt beoordeeld door vast te stellen of de individuele voorziening bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. Ook wordt er door jeugdhulpaanbieders gewerkt met bewezen effectieve interventies, oftewel evidence based-practice*. Wanneer er geen bewezen effectieve interventie is, moet de jeugdhulpaanbieder aantonen dat hij werkt met een practice based* methodiek. In geen geval mag er gewerkt worden met een bewezen niet effectieve interventie. In de gemeentelijke verordening is aanvullende informatie over de verschillende methodieken terug te lezen. U bent verplicht hier kennis van te nemen.
Methodisch werken
Alle jeugdhulp kenmerkt zich door een methodische aanpak. Dat betekent dat er stelselmatig, geordend en voor de jeugdige navolgbaar wordt gewerkt, met een concreet resultaat voor ogen. Methodisch werken bevat een aantal stappen:
- 1)
verzamelen van informatie
- 2)
vaststellen van behoeften en problemen,
- 3)
formuleren van doelen
- 4)
vaststellen van en plannen van passende activiteiten
- 5)
uitvoeren van de activiteiten volgens planning,
- 6)
evalueren van de voortgang
- 7)
bijstellen van de zorg en ondersteuning indien nodig
Deze werkwijze is cyclisch, dat wil zeggen dat op basis van evaluatie doelen en aanpak kunnen worden aangepast, waarna de stappen opnieuw worden doorlopen. De stappen worden vastgelegd in het hulpverleningsplan van de jeugdige en/of het gezin.
Als je als hulpverlener gestructureerd en planmatig werkt, weten jeugdigen en opvoeders beter wat er gaat gebeuren. Dit vergroot hun betrokkenheid en actieve inzet. Het resultaat is doelgerichte hulp die op koers blijft en daadwerkelijk bijdraagt aan verbeteringen in het leven van jeugdigen en gezinnen (T. van Yperen)
Multidisciplinair team en multidisciplinaire samenwerking
In de dienstenomschrijving maken we onderscheid tussen een multidisciplinair team en multidisciplinaire samenwerking. Dit onderscheid helpt bij het inzetten van de juiste diensten. Het hier gedefinieerde onderscheid is geen allesomvattende definitie van multidisciplinair werken. Vanuit de werkwijze 1 Gezin, 1 Plan, 1 Regisseur is er altijd sprake van multidisciplinaire samenwerking als meerdere partijen of organisaties (binnen of buiten de jeugdhulp) actief zijn in een gezin. De professional brengt zijn specifieke kennis en expertise in binnen dit netwerk en stemt werkzaamheden en doelrealisatie af met andere betrokkenen. In de dienstenomschrijving noemen we deze vorm van samenwerking een multidisciplinair netwerk.
Er is sprake van een multidisciplinair team wanneer
- 1)
verschillende noodzakelijke disciplines geborgd zijn binnen de organisatie en
- 2)
de verantwoordelijkheid voor de uitvoerings- en behandelregie binnen dit team is belegd.
Een multidisciplinair team is samengesteld uit verschillende noodzakelijke complementaire disciplines en bestaat tenminste uit:
- 1.
Uitvoerend ambulante behandelaren/gezinswerkers die actief betrokken zijn bij de uitvoering van het behandelplan;
- 2.
Ambulant begeleiders;
- 3.
Indien van toepassing: groepswerkers van de dag- en/of verblijfsvoorziening;
- 4.
Een regiebehandelaar (zie beschrijving onder regie);
- 5.
Aanvullende inhoudelijke specialistische deskundigheid in relatie tot de gestelde hulpvraag wordt zo nodig toegevoegd aan het team.
De kracht van een multidisciplinair team ligt in de structurele en georganiseerde uitwisseling tussen disciplines én tussen persoonlijk professionele inzichten van de bovengenoemde disciplines (minimaal 4 personen). Indien nodig participeert het multidisciplinaire team in breder een multidisciplinair netwerk rondom het gezin.
Een multidisciplinair team kan worden gevormd wanneer:
- •
Eén jeugdhulpaanbieder het team volledig binnen de eigen organisatie samenstelt, of
- •
Meerdere (gecontracteerde) jeugdhulpaanbieders gezamenlijk een team vormen, waarbij afspraken over beschikbaarheid, rolverdeling, inzet en afrekening formeel zijn vastgesteld
Let op: Wanneer in de dienstomschrijving expliciet wordt geëist dat een multidisciplinair team wordt ingezet, is de bekostiging van dit team inbegrepen in het tarief. De inzet van het multidisciplinair team kan in dat geval niet separaat worden gedeclareerd.
Direct cliëntgebonden tijd, indirect cliëntgebondentijd en niet-cliëntgebonden tijd,
De volgende definities, zoals uitgewerkt door de VNG, worden gehanteerd voor de begrippen: direct cliëntgebonden, indirect cliëntgebondentijd en niet-cliëntgebondentijd:
Direct cliëntgebonden tijd
De tijd waarbij de jeugdaanbieder direct contact heeft met de jeugdige en/of gezin ten behoeve van de begeleiding/behandeling. Dit kan zowel face-to-face als telefonisch of elektronisch zijn. De direct cliëntgebonden tijd is gericht op de behandeling/begeleiding van de jeugdige en levert handvatten voor omgeving om de effecten van de behandeling/begeleiding te versterken.
Een onderdeel van direct cliëntgebonden tijd is de groepscontacttijd per cliënt. Deze wordt als volgt berekend: De totale tijd van aanwezige hulpverlener bij een groepsbehandeling /begeleiding groep, gedeeld door het aantal aanwezige cliënten in behandeling / begeleiding.
|
Voorbeeld Bij groepstherapie van 1 uur door verpleegkundige en psycholoog (2 * 60 minuten = 120 minuten), delen door 10 aanwezige cliënten betekent 12 minuten facturatie per jeugdige; 6 minuten te facturen op functiecode verpleegkundige en 6 minuten op functiecode van de psycholoog. |
Indirect cliëntgebonden tijd
De tijd die de jeugdhulpaanbieder besteedt aan zaken rondom een contactmoment (de direct cliëntgebonden tijd), maar waarbij de jeugdige en/of gezin zelf niet aanwezig is zoals:
- o
administratie, verslaglegging, rapportage
- o
overleg over de cliënt (dus ook de tijd die anderen dan de directe behandelaar hieraan besteden)
- o
analysetijd (bijvoorbeeld ten behoeve van diagnostiek)
- o
reistijd (van en naar de cliënt(en))
- o
voorbereiding
- o
coördinatie met andere hulpverleners in het gezin (wanneer nodig)
Niet-cliëntgebonden tijd
De tijd van een professional die niet direct of indirect gerelateerd is aan contactmomenten met de jeugdig zoals instellingsoverleg beleidsmatig overleg, ziekte, vakantie, verlof, opleiding, reflectie/intervisie en pauzes. Niet-cliëntgebonden tijd is niet declarabel.
Normenkader
In lijn met de ontwikkelingen in de regio en met de pilot 'Begeleiding' is per product een normenkader opgesteld. De exacte definities zijn opgenomen in de definitielijst in bijlage 5. Dit normenkader heeft als doel een impuls te geven aan de doelmatigheid van de geleverde hulp en bij te dragen aan kernwaarde 4: Jeugdhulp zorgt voor toegenomen zelfredzaamheid en duurzaam herstel van de jeugdige en het gezin (zie bijlage 1 ´Kernwaarden Jeugdhulp 2022´ en verder).
Een belangrijk aandachtspunt is dat het normenkader niet te rigide mag worden toegepast. Een te strikte toepassing kan maatwerk in de hulpverlening belemmeren, wat haaks staat op het beoogde doel, namelijk een impuls voor doelmatigheid. Indien noodzakelijk mag er van het normenkader worden afgeweken binnen de vastgestelde bandbreedte zoals omschreven in definitielijst. De bevoegdheid om hierover te beslissen ligt bij het lokale team of de betrokken GI. Afwijking van het normenkader wordt met name overwogen in de volgende situaties:
- 1.
Dreigende uithuisplaatsing;
- 2.
Dreigende schooluitval;
- 3.
Bij een levenslange en levensbrede noodzaak tot ondersteuning en hulp;
- 4.
Een rechterlijke uitspraak die afwijking vereist.
Het besluit tot afwijking wordt genomen vóór de start van de zorg. Indien gedurende de looptijd van de toewijzing door gewijzigde omstandigheden een aanpassing noodzakelijk is, dient de jeugdhulpaanbieder tijdig contact op te nemen met het lokaal team of de GI.
Een afwijking van het normenkader zonder (tijdige) toestemming van het lokale team of de GI zal er toe leiden dat de dienstverlening die buiten het normenkader valt niet vergoed wordt.
Jeugdhulpverleningsplannen
Het is belangrijk dat achter de in te zetten jeugdhulp een plan ligt waarin de verschillende aspecten van de jeugdhulp zelf maar ook doelen en te behalen resultaten beschreven staan. Het zorgen dat de gestelde doelen worden behaald is vanzelfsprekend. Door de plannen samen met de jeugdigen, ouders en het eventuele netwerk op te stellen ontstaat er een basis van waaruit gewerkt kan worden.
Er zijn verschillende soorten van plannen die afhankelijk van de situatie van de jeugdige en/of het gezin worden opgesteld. Zo is daar het familiegroepsplan* waar gemeenten hun inwoners op wijzen dat bij de vraag om jeugdhulp op te stellen. Wanneer de jeugdhulp start is het verplicht een perspectiefplan* op te stellen dat voor jeugdigen van 16 jaar en ouder*l nog eens speciaal noodzakelijk om hun toekomstperspectief na hun 18de verjaardag te schetsen en tussen hun 16de en 18de jaar ook nog eens bij te stellen. Daar het volgen van onderwijs belangrijk en noodzakelijk is voor de toekomst van de jeugdigen wordt het opstellen van het ontwikkelingsperspectief (OPP)* binnen de jeugdhulp is samenwerking met het onderwijs steeds belangrijker. Het opstellen van een OPP is de verantwoordelijkheid van school (vanuit de Wet Passend Onderwijs). Bij verzoek om inzet jeugdhulp in school moet er een OPP zijn (opgesteld door school) waaruit blijkt dat er extra ondersteuning vanuit onderwijs en jeugdhulp nodig is. Het OPP is een werkdocument en omvat naast het ontwikkelingsdeel (denk aan belemmerende en stimulerende factoren) een planningsdeel (uitstroom, doelen en beredeneerd aanbod) en een evaluatiedeel. Zo moet duidelijk worden wat de school inzet om doelen met de leerling te bereiken. Het OPP dient in gezamenlijkheid met ouders te worden opgesteld. Ouders moeten instemming verlenen op het handelingsdeel (de individuele ondersteuning die de leerling krijgt). School is dit verplicht vanuit de Wet Passend Onderwijs.
Nazorg of gewoon jeugdhulp
Om overgangen tussen verschillende typen jeugdhulp te verbeteren en multidisciplinair samenwerken te bevorderen, wordt een overdrachts- of afbouwperiode ingezet. Met andere woorden: de jeugdhulpaanbieder is klaar als de ander verder kan. Dit kunnen ouders of de jeugdige zelf zijn, maar ook leerkrachten, woonvoorzieningen, dagbehandelingen, beschermd wonen, en andere betrokken partijen. Uitgangspunt is dat jeugdhulp alleen tijdelijk en voor een korte periode wordt ingezet, en alleen indien nodig.
Bij diensten met een verblijfscomponent (eenheid = etmaal) en de diensten met een dagdeelcomponent (eenheid = dagdeel) is in de productomschrijving een ambulant natraject opgenomen. Dit betekent dat een aantal uren voor deze overgangsfase is verdisconteerd in het tarief van het betreffende product. Wanneer niet tijdig gestart wordt met het voorbereiden van en toewerken naar deze overgangsfase, loopt de jeugdhulpaanbieder het risico dat het verwachte aantal uren uit de omschrijving onvoldoende toereikend is. Dit ontslaat de aanbieder echter niet van de verantwoordelijkheid de bijbehorende activiteiten en acties uit te voeren.
Voor diensten waarbij geen natraject is opgenomen, dienen deze activiteiten worden uitgevoerd binnen het gestelde normenkader (maximale uren/ intensiteit en maximale duur).
Het is van belang om tijdig te starten met de jeugdige en/of het gezin en met de transfer van het geleerde naar mede-opvoeders of beroepsopvoeders die na afloop van de interventie betrokken zijn. Met de term “transfer” wordt bedoeld dat jeugdigen de gelegenheid krijgen om het geleerde onder begeleiding toe te passen in de thuissituatie.
Regie
De regie op de uitvoering van het opgestelde plan ligt primair bij ouders en, afhankelijk van de leeftijd, bij de jeugdigen. Indien nodig ondersteunt de professional hierbij. In uitzonderlijke situaties kan het wenselijk of noodzakelijk zijn om de regie tijdelijk en voor zeer korte duur over te nemen. Ook wanneer er sprake is van een jeugdbeschermingsmaatregel, blijft de regie – waar mogelijk – bij het gezin . Het (gedeeltelijk) overnemen van het gezag betekent niet automatisch dat de regie op het plan volledig wordt overgenomen.
Naast de algehele regie op de uitvoering van het plan zelf hebben we binnen het gehele hulpverleningsproces te maken met behandelregie* en casusregie* en procesregie*. Van belang is dat verschillende verantwoordelijkheden hierin steeds goed worden belegd (en genomen) en dat, zeker bij zeer complexe situaties, samenwerking tussen de verschillende regiehouders plaats heeft. Voor wat betreft de casusregie ligt de verantwoordelijkheid hiervan bij het lokale team of een GI. Wanneer één van deze partijen niet betrokken zijn, ligt dit bij de uitvoerende jeugdhulpaanbieder. De functie van procesregie is primair belegd bij het expertteam Passende Hulp Zuid-Holland Zuid dat kan worden ingezet bij zeer complexe situaties of waarin de hulpverlening vastloopt. Vanwege de aard en het karakter van de rol, is de procesregisseur in principe niet betrokken bij de inhoudelijke behandeling en draagt geen verantwoordelijkheid voor de uitvoering daarvan.
No show binnen de jeugdhulp
No show, ook wel ongeplande afwezigheid, is het niet verschijnen van een jeugdige op een afspraak die niet minimaal 24 uur van tevoren is afgezegd. Er is dus sprake van ongeplande afwezigheid. Over geplande afwezigheid spreken we als een jeugdige niet verschijnt op een afspraak die wel minimaal 24 uur van tevoren is afgezegd. Declaratie van no shows is uitsluitend toegestaan voor onderstaande producten. Het is van belang dat de jeugdhulpaanbieder zich aantoonbaar inspant om no show te voorkomen. De jeugdhulpaanbieder is verplicht om no shows administratief bij te houden (valt o.a. onder indicator bereik/uitval – verschijnen op afspraak – zie opmerking).
No show bij ambulante voorzieningen
Bij een no show op locatie bij de jeugdige thuis mag de reistijd worden gedeclareerd onder de code van de beoogde dienst. Bijvoorbeeld indien begeleiding basis was gepland, mag de reistijd worden gefactureerd onder de code begeleiding basis. De ingeroosterde tijd voor de afspraak dient te worden benut voor werkzaamheden voor andere jeugdigen.
Afwezigheidsdagen bij jeugdhulp met een verblijfscomponent
De periode van tijdelijke afwezigheid start op de eerste dag na vertrek bij de jeugdhulpaanbieder of het woonadres en eindigt op de dag vóór de terugkomst. Verplichting: De dagen worden alleen bekostigd als de jeugdige voorafgaand aan de vakantie of detentie minimaal 14 dagen in de instelling verbleef. Afwezigheid van een jeugdige in een verblijfssetting wordt in de volgende situaties bekostigd:
- 1.
Bij afwezigheid vanwege vakantie, detentie of ziekenhuisopname voor:
- •
Maximaal 14 aaneengesloten dagen per keer en
- •
Maximaal 42 dagen per kalenderjaar.
- •
Weekenddagen tellen mee in de telling van de dagen
- •
- 2.
Bij weekendverlof geldt:
- •
Maximaal 52 keer 2 aaneengesloten dagen in een periode van 7 dagen (=104 dagen op jaarbasis).
- •
- 3.
Voor jeugdigen die dagonderwijs volgen, wordt afwezigheid bekostigd tot maximaal de wettelijke vakantieduur .
No show bij dagvoorzieningen
De no show vergoeding is opgenomen in de opbouw van het tarief van de dagvoorzieningen. Aparte declaratie is hiervoor dus niet mogelijk.
No show binnen Jeugdhulp op School
Enkel voor aanbieders die gecontracteerd zijn voor BDO 7 Jeugdhulp op School geldt de volgende no-show regeling. Bij onvoorziene uitval (afzegging binnen 24 uur) mag gedurende maximaal drie weken maximaal 80% van de reguliere inzet worden gedeclareerd. Dit gebeurt op basis van het gemiddelde van de inzet (wat blijkt uit declaraties) over de drie voorafgaande maanden. In dit geval vervalt de mogelijkheid om gebruik te maken van de no-show regeling voor ambulante voorzieningen.
Bijzondere kosten
Wanneer jeugdigen niet thuis wonen, maar in een instelling of pleeggezin verblijven, blijven de ouders verantwoordelijk voor alle kosten die voortvloeien uit hun onderhoudsplicht, zoals vastgesteld in artikel 1:392 van het Burgerlijke wetboek. De enige uitzondering hierop zijn verzorgingskosten die direct samenhangen met het verblijf. Kosten voor voeding, verzorgingsproducten, linnengoed en was zijn opgenomen in de tarieven voor logeren, pleegzorg, gezinshuizen, wonen met begeleiding en verblijf met behandeling. Naast de reguliere kosten maken jeugdigen – ook wanneer zij niet thuis wonen – gebruik van voorzieningen waarvoor aanvullende kosten ontstaan. Deze worden aangeduid als bijzondere kosten*. Voorbeeld hiervan zijn aanvullende zorgverzekering, reiskosten voor omgangsregeling, kosten voor aanschaf van een fiets en schoolkosten. Deze kosten vallen onder de verantwoordelijkheid van de ouders of verzorgers, tenzij zij aantoonbaar niet kunnen betalen of zij weigeren te betalen ondanks inspanningen daartoe.
- 1.
Zak en kleedregeling in residentiële hulp
- 2.
Bijzondere kosten Jeugdbescherming
- 3.
Bijzondere kosten Pleegzorg
Zak- en kleedgeldregeling in residentiële jeugdhulp
De zak- en kleedgeldregeling in residentiële jeugdhulp is per 1 januari 2024 vastgelegd in de Regeling Jeugdwet. Deze regeling is bedoeld voor jeugdigen die langdurig in een jeugdhulpinstelling verblijven en waarvan de ouders niet (meer) in staat zijn om te voorzien in zak- en kleedgeld, ondanks hun wettelijke onderhoudsplicht.
Uitgangspunten en voorwaarden;
- •
Ouders zijn primair verantwoordelijk voor het levensonderhoud van hun kind, ook wanneer de jeugdige in een residentiële voorziening verblijft onder toezicht of voogdij.
- •
Jeugdhulpaanbieders zijn verplicht om de kosten op ouders te verhalen. Pas wanneer dit aantoonbaar niet lukt, mogen zij zak- en kleedgeld verstrekken aan de jeugdige.
- •
Gemeenten vergoeden deze kosten achteraf aan de jeugdhulpaanbieder via een nacalculatie.
- •
De jeugdige moet minimaal één maand voltijds in een jeugdhulpinstelling verblijven.
- •
De vergoeding wordt verstrekt voor een kalenderjaar of de duur van de opname.
- •
De jeugdhulpaanbieder verhaalt deze kosten bij de SOJ middels het zak- en kleedgeldformulier.
Pleegzorg valt buiten deze regeling
Tolkkosten
De jeugdhulpaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor de inzet van tolken/vertalers bij de hulpverlening. Een zorgverlener wordt namelijk geacht 'verantwoorde hulp' te bieden conform professionele richtlijnen en standaarden. Een onderdeel daarvan kan zijn dat in een aantal situaties een professionele of informele tolk wordt ingezet om 'verantwoorde zorg' te kunnen bieden. De jeugdhulpaanbieder is in dat geval ook zelf verantwoordelijk voor de kosten van de tolk. Declaratie is niet mogelijk.
Respijtzorg
Respijtzorg wordt ingezet om de balans tussen draagkracht en draaglast van de jeugdige en het gezin te behouden. Het doel is om overbelasting van ouders en andere gezinsleden te voorkomen en de veerkracht van het gezin te versterken.
Doelgroep:
- 1.
Gezinnen met één of meerdere kinderen die vanwege hun beperking of aandoening een bovengemiddeld beroep doen op de draagkracht van ouders en andere gezinsleden. De balans is zodanig verstoord dat overbelasting dreigt. Respijtzorg voor volwassenen is vanuit de Wmo voorliggend op de Jeugdwet. Voordat respijtzorg vanuit de Jeugdwet wordt verkend, is het verplicht om eerst respijtzorg vanuit de Wmo in te zetten. Neem hiervoor contact op met de Wmo-afdeling van de betreffende gemeente.
- 2.
Jeugdigen vanaf 12 jaar die vanwege hun aandoening of beperking in combinatie met onvoorspelbaar en/of agressief gedrag, geen gebruik kunnen maken van reguliere activiteiten in de lokale sociale infrastructuur (zoals sport, vrije tijd, jongerenwerk of cultuur). Ook het sociale netwerk biedt structureel en periodiek onvoldoende ondersteuning.
Voor de inzet van respijtzorg wordt eerst gekeken naar de mogelijkheden binnen
- •
reguliere voorzieningen binnen de lokale infrastructuur;
- •
de inzet van het (brede) sociale netwerk van het gezin. Hierbij wordt nadrukkelijk ingezet op netwerkversterkende strategieën om een duurzame steunstructuur te realiseren. Wanneer uit onderzoek blijkt dat deze mogelijkheden onvoldoende beschikbaar of toegankelijk zijn, wordt eerst kortdurende begeleiding ingezet om deze voorzieningen alsnog bereikbaar te maken. Indien deze inzet ontoereikend is, kan (tijdelijk) gebruik gemaakt worden van de volgende diensten:
- •
Begeleiding regulier
- •
Begeleiding specialistisch
- •
Dagbesteding regulier
- •
Dagbesteding intensief
- •
Naschoolse dagbesteding
- •
Logeren regulier
- •
Logeren intensief
- •
Logeren extra intensief
- •
Weekendpleegzorg
- •
Vergroten van de zelfredzaamheid
In de dienstomschrijvingen wordt regelmatig verwezen naar het vergroten van de zelfredzaamheid van jeugdigen. Voor de jeugdhulpverlening houdt dit in dat men zich niet alleen richt op het oplossen van de problemen of bieden van tijdelijk ondersteuning, maar vooral om de jeugdige vaardigheden, inzichten en mogelijkheden bij te brengen zodat hij/zij in het dagelijks leven steeds beter zelfstandig kan functioneren. Concreet gaat het dan om:
- •
Praktische zelfredzaamheid, zoals het leren omgaan met geld, structureren van hun dag, huishouden doen, afspraken nakomen of hun school- en werkzaken regelen.
- •
Sociaal-emotionele zelfredzaamheid, waarbij jeugdigen wordt geleerd om te gaan met hun emoties, weerbaar worden, relaties opbouwen en onderhouden, hulp durven vragen en grenzen aangeven.
- •
Vergroten van hun probleemoplossend vermogen door hen vaardigheden te laten ontwikkelen om met tegenslagen om te gaan, keuzes te maken en hun eigen toekomst vorm te geven.
- •
Het realiseren van zelfregie, waarbij zij worden gestimuleerd om eigen doelen te formuleren, mee te beslissen over zijn/haar traject en verantwoordelijkheid te nemen voor stappen die gezet worden.
Het uiteindelijke doel is dat de jeugdige na afloop van de jeugdhulp zo zelfstandig mogelijk kan functioneren in de samenleving, met zo min mogelijk blijvende afhankelijkheid van hulpverlening.
Draagkracht* en draaglast*
Bij het beoordelen van de noodzaak om jeugdhulp in te zetten spelen de begrippen draagkracht en draaglast een belangrijke rol. De gemeenten hebben in hun lokale verordening jeugdhulp (2025) daarover een aantal bepalingen opgenomen die zij in de beoordeling van een aanvraag meenemen. Maar ook bij het uitvoeren van het jeugdhulptraject zelf is de balans en eventuele disbalans van beiden van belang.
Draagkracht verwijst naar wat een jeugdige en het gezin/ouders aankan. Hoe zit het bijvoorbeeld met de beschikbare energie, vaardigheden, veerkracht, copingstrategieën, beschermende factoren en steun uit het sociale netwerk? Bij draaglast gaat het over de belasting die een jeugdige en het gezin/ouders ervaart. Hierin spelen de aard van de problemen, conflicten thuis, stress (bijv. schooldruk) en verplichtingen, zoals te weinig inkomen, schulden maar ook mantelzorgtaken waarmee men te maken heeft, een rol.
Centrale Intake
Jeugdhulpaanbieders in segment 1 'Hoog specialistische hulp' hebben zich bij het ondertekenen van de betreffende Bijzondere Deelovereenkomsten gecommitteerd aan het inrichten en uitvoeren van een centrale intake. Deze centrale intake, als deze operationeel is, komt in plaats van de intake bij de afzonderlijke organisaties. Doel van deze centrale intake:
- 1.
Vroegtijdig inzet van de benodigde deskundigheid in het hulpverleningsproces;
- 2.
Versterking van gedeeld eigenaarschap op casusniveau, met name bij complexe casussen;
- 3.
Voorkomen en verminderen van onnodige vertraging en wachttijden voor jeugdige en gezinnen in ingewikkelde omstandigheden.
De centrale intake is uiterlijk per 1 januari 2026 operationeel.
(Onderwijs)urennorm dagvoorzieningen
In de regio zal de (onderwijs)urennorm voor dagvoorzieningen worden geïntroduceerd. Voor de dagvoorzieningen betekent dit dat een urenrichtlijn wat betreft de aanwezigheid op de voorzieningen in lijn wordt gebracht met de door het ministerie van OCW vastgestelde onderwijs-urennorm. Deze norm zal worden vastgesteld voor een periode van 3 jaar maar kan worden aangepast als het ministerie de norm bijstelt. De onderwijs-urennorm is vanaf 2024 operationeel.
Uitsluitings- en afwegingslijst
Op alle in dit documenten beschreven diensten zijn in beginsel - maar niet uitsluitend -de criteria uit de uitsluitings- en afwegingslijst van toepassing. Zie hoofdstuk 7. Deze lijst biedt handvatten voor het beoordelen van aanvragen en het maken van zorgvuldige afwegingen binnen het jeugdhulpaanbod.
Jeugdhulpvervoer
Het product jeugdhulp vervoer is niet opgenomen in deze dienstenomschrijving.
Op grond van artikel 2.3 lid 2 van de Jeugdwet zijn gemeenten verplicht om jeugdhulpvervoer te organiseren voor jeugdigen, die om medische redenen of beperkingen in de zelfredzaamheid hierop zijn aangewezen. Het college beslist over de noodzaak voor de inzet van deze voorziening. In Zuid-Holland Zuid worden deze verwijzingen door Stichting Jeugdteams ZHZ uitgevoerd
Conform het geldende delegatiebesluit heeft de SOJ ZHZ de vervoersvoorziening middels een Europese aanbestedingen separaat in de markt gezet. Hiermee wordt voorzien in de vervoersvoorziening voor jeugdigen. Jeugdhulpvervoer wordt derhalve niet belegd bij jeugdhulpaanbieders en maakt geen onderdeel uit dienstomschrijvingen. Dit betekent dat jeugdhulpvervoer dat door aanbieders wordt georganiseerd niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Voor vragen omtrent vervoer kunnen jeugdhulpaanbieders zich richten tot Stichting Jeugdteams/het lokale team van de gemeente. Indien nodig stemt Stichting jeugdteams/het lokale team van de gemeente af met SOJ ZHZ en/of Stroomlijn (de regionale regiecentrale voor vervoer). Meer informatie is te vinden in de vervoersregeling op de website van de SOJ ZHZ.
Overige voorzieningen
Jeugdhulp lokaal – overige voorziening
Met jeugdhulp naar voren hebben gemeenten de lokale infrastructuur versterkt door deskundigheid naar voren te halen en zelf te contracteren. De inhoud en omvang van deze deskundigheid kan variëren per gemeente. Initiatief tot en regie op deze lokale contractering ligt bij de gemeenten.
Hoofdstuk 2: Jeugdhulp zonder verblijfscomponent
Inleiding
Jeugdhulp wordt doorgaans uitgevoerd in de dagelijkse leefomgeving van het gezin of op de locatie van de aanbieder. Jeugdhulp kan ook worden gecombineerd met vormen van jeugdhulp met verblijf, zoals dagvoorzieningen met een 24-uurs verblijfsvoorziening. Wanneer de hulpvraag van de jeugdige vraagt om aanvullende begeleiding of behandeling naast de verblijfsvoorziening (bed of stoel), is het mogelijk om verschillende diensten per jeugdige te combineren. Basisvoorzieningen van dag- en verblijfsdiensten kunnen niet worden uitgebreid met aanvullende diensten uit dit hoofdstuk.
Een uitzondering hierop de geldt voor de inzet van jeugdhulp binnen het (speciaal) onderwijs. Begeleiding en behandeling op school dienen altijd via Jeugdhulp op school te worden ingezet. Alleen wanneer deze voorziening niet beschikbaar is kan een dienst uit deze dienstomschrijvingen worden gedeclareerd, mits er een geldige wettelijke verwijzing aanwezig is.
Niet declarabele activiteiten
In hoofdstuk 7 van deze dienstomschrijving is een overzicht opgenomen van activiteiten die niet declarabel zijn binnen de producten in dit hoofdstuk.
Jeugdhulp in groepsverband
Jeugdigen leren van volwassenen én van elkaar en hetzelfde geldt voor ouders. Om dit onderlinge leren te bevorderen en ook om te stimuleren dat de uitgevoerde interventie bijdraagt aan het ontwikkelen en bouwen van een netwerk (zoals lotgenotencontact, herkenning en herstel), is het uitvoeren van begeleiding en behandeling in groepsverband voorliggend op individuele jeugdhulp. Hiermee worden niet de diensten bedoeld die vallen onder dagbesteding of dagbehandeling. Dit betreft gestructureerde dagdeelactiviteiten die doorgaans plaatsvinden op een speciaal ingerichte locatie van de aanbieder. Groepsgerichte jeugdhulpinterventies kunnen betrekking hebben op onderdelen van het programma, maar ook op het geheel. Centraal staat dat de interventie bijdraagt aan het doel van de jeugdige en/of het gezin. De bedoeling is om gezamenlijk de beweging te maken van individuele (dure) jeugdhulp naar groepsgerichte jeugdhulp, en op deze manier de jeugdhulp betaalbaar en beschikbaar te houden.
Jeugdhulp op School (JOS)
JOS is een individuele voorziening die scholen in staat stelt jeugdhulp binnen de school te organiseren als onderdeel van de ondersteuningsstructuur. Door de deskundigheid van de jeugdhulpaanbieders hieraan toe te voegen, wordt de ondersteuning versterkt. De samenwerkingsverbanden kiezen hiervoor een preferente jeugdhulpaanbieder. Vooralsnog is JOS beschikbaar op scholen voor het speciaal basis- , voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs.
Op verzoek van de samenwerkingsverbanden in het werkgebied Zuid-Holland Zuid worden contracten gesloten met door hen aangewezen preferente jeugdhulpaanbieders.
Resultaatgebieden
- •
Elke jeugdige volgt een vorm van onderwijs;
- •
Jeugdhulp op school maakt onderdeel uit van het integraal onderwijs perspectiefplan onder regie van de school waarbij een optimaal onderwijsklimaat wordt beoogd en schooluitval wordt voorkomen.
Activiteiten (niet uitputtend)
Jeugdhulp die wordt geleverd op de groep of op locatie van de school waar de jeugdige onderwijs volgt is onderdeel van het onderwijs perspectiefplan (OPP). Als een leerling extra ondersteuning nodig heeft, bovenop de basisondersteuning zoals beschreven in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband, dient een OPP te worden opgesteld. Vanuit de Wet Passend Onderwijs heeft school de verplichting om een OPP op te stellen. Het OPP dient door school in gezamenlijkheid met ouders te worden opgesteld. Ouders moeten instemming verlenen op het handelingsdeel (de individuele ondersteuning die de leerling krijgt).De concrete activiteiten worden, binnen de kaders van de overeenkomst, in samenwerking met de samenwerkingsverbanden, scholen en poortwachters vastgesteld.
Jeugdhulp op school is niet bedoeld voor:
- •
Het aanleren van didactische kennis, inzichten of vaardigheden die samenhangen met de leerdoelen van jeugdige.
- •
Het financieren van preventieve activiteiten, zoals sociale vaardigheidstrainingen, Rots & Water trainingen, weerbaarheidstrainingen, coachingsgesprekken en vergelijkbare interventies. Deze vallen onder het lokale preventiebeleid van de gemeenten.
- •
Het aanbieden van scholing of training gericht op deskundigheidsbevordering van leerkrachten. Deze vallen onder het reguliere scholingsbeleid van de school of het samenwerkingsverband.
Verwijzing
JOS is een individuele voorziening. De toetsing op de inzet is belegd bij de poortwachters. De poortwachters zijn een team van tenminste twee personen namelijk een vertegenwoordiger van het samenwerkingsverband en een vertegenwoordiger van de lokale toegangsorganisatie.
|
Jeugdhulp op School |
|
|
Normenkader |
Wanneer er sprake is van dreigend schooluitval, gelden binnen JOS de volgende normen:
|
Overzicht
|
Overzicht persoonlijke verzorging, begeleiding, behandeling |
|||||
|
Dienst |
Persoonlijke verzorging |
Begeleiding |
Behandeling |
Diagnostiek en analyse |
opmerking |
|
Ervaringsdeskundige |
X |
Wordt toegevoegd aan begeleidings- of behandeltraject |
|||
|
Consult en advies |
Beschikkingsvrij en niet via berichtenverkeer |
||||
|
Persoonlijke verzorging |
X |
||||
|
Begeleiding basis |
X |
||||
|
Begeleiding regulier |
X |
Zo nodig ook in te zetten voor respijtzorg |
|||
|
Begeleiding specialistisch |
X |
Zo nodig ook in te zetten voor respijtzorg |
|||
|
Vaktherapie |
X |
||||
|
Behandeling VG |
X |
||||
|
Behandeling J&O |
X |
||||
|
Curatieve zorg door kinderartsen |
X (medicamenteus) |
||||
|
Medicatieveiligheid |
X |
||||
|
Basis GGZ |
X |
||||
|
Specialistische GGZ |
X |
||||
|
GGZ Specialistisch Midden |
X |
Uitsluitend bij aanbieders met een contract in segment 1 |
|||
|
Forensische GGZ |
X |
||||
|
GGZ Hoogspecialistisch |
X |
Uitsluitend bij aanbieders met een contract in segment 1 |
|||
|
Gezinsbehandeling |
X |
Uitsluitend bij aanbieders met een contract in segment 4 |
|||
|
ED diagnostiek en behandeling |
X |
X |
|||
|
Jeugdhulp op school |
X |
X |
X |
X |
Uitsluitend bij aanbieders met een contract in segment 7 |
|
Ervaringsdeskundige |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Minuut |
|
Intensiteit |
Maximaal 10% van de totale tijdsinzet van jeugdhulp door jeugdhulpaanbieder, met een maximale inzet van 4 uur per week |
|
Omschrijving |
|
|
Type dienst |
Ambulant individueel |
|
De ondersteuning die door de ervaringsdeskundige geboden wordt, is gebaseerd op herkenning, erkenning en begrip van ‘binnenuit’ en sluit aan op de principes van herstel ondersteunende zorg, methodische zelfhulp en de kernwaarden van ervaringsdeskundigheid. De ervaringsdeskundige onderscheidt zich van andere hulpverleners doordat hij of zij ervaringskennis heeft van de methoden en het proces van jeugdige en gezinnen. Daarnaast is hij zelf een voorbeeld van hoop en empowerment. De kerntaken van een ervaringsdeskundige zijn uitgewerkt naar verschillende taakgebieden1: cliëntgebonden, organisatiegebonden en professiegebonden taken. In het kader van een voorziening Jeugdhulp zijn uitsluitend de cliëntgebonden taken declarabel. De ervaringsdeskundige wordt vooral ingezet voor gezinnen en jeugdigen met meer complexe hulpvragen. De inzet van de ervaringsdeskundige is uitsluitend declarabel als aanvulling, ondersteuning en versterking van een andere dienst uit deze dienstencatalogus. |
|
|
Activiteiten |
|
|
De ervaringsdeskundige is in te zetten op de volgende activiteiten:
|
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen en gezinnen met meervoudige problematiek |
|
De ervaringsdeskundige wordt vooral ingezet voor:
|
|
|
Resultaat |
|
|
Type resultaat |
|
|
De inzet van een ervaringsdeskundige voor jeugdige of ouders beoogt bij te dragen aan een aantal gestelde doelen:
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
|
|
Functieprofiel |
n.v.t. |
|
Functiemix |
n.v.t. |
|
Dienstverlening consult en advies |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Inleiding |
|
|
Een belangrijk doel van de Jeugdwet is dat deskundigheid van specialisten vroegtijdig en (thuis)nabij beschikbaar is, voor het gezin en de jeugdige. In de gesprekken met de aanbieders kwam naar voren dat in voorkomende gevallen de bekostiging een belemmering was om de beschikbare deskundigheid dichtbij te brengen. Namelijk wanneer een aanbieder een consult of advies geeft voor een jeugdige die geen hulp ontvangt of gaat ontvangen van deze aanbieder. Deze dienstverlening consultatie en advies is toegevoegd aan de declaratiemogelijkheden, zodat de inspanning voor een jeugdige gedeclareerd kan worden. |
|
|
Omschrijving |
|
|
Type dienst |
NVT |
|
Door consult en advies wordt aanvullende specifieke kennis en ervaring ingezet om tot een goede duiding van problematiek te komen. Opdrachtnemer wordt gevraagd om gericht mee te denken over een vraagstuk/casus, het beoordelen van de hulpvraag en inzet van passende jeugdhulp/ ondersteuning terwijl de jeugdige niet bij opdrachtnemer in zorg is. Jeugdige en/of ouders zijn geïnformeerd over het gevraagde consult. Het betreft nadrukkelijk het wisselen en kennis en informatie ten gunste van de probleemanalyse en/of het komen tot vervolgstappen voor passende hulpverlening. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
|
|
Jeugdhulpprofessionals, waarbij de beschikbare kennis- en kunde binnen de eigen organisatie incidenteel onvoldoende is in relatie tot de hulpvraag van de jeugdige/ het gezin. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Een integrale, eventueel tussentijdse (probleem)analyse en heldere vervolgstappen voor de jeugdige en het gezin. |
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
|
|
Functieprofiel |
|
|
Functiemix |
Alle professionals die voldoen aan de kwaliteitseisen gesteld door de Jeugdwet en werken bij een gecontracteerde aanbieder. |
|
Regiebehandelaar |
Nee |
|
Persoonlijke verzorging |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Minuut |
|
Duur |
Niet van toepassing |
|
Intensiteit |
Niet van toepassing |
|
Omschrijving |
|
|
Type dienst |
Ambulant individueel |
|
Persoonlijke verzorging richt zich op de ontwikkeling of stabiliseren van algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg om een tekort aan zelfredzaamheid op te lossen door het aanleren van vaardigheden zodat de jeugdige zo zelfstandig mogelijk kan deelnemen aan de samenleving. De inzet van persoonlijke verzorging is tevens mogelijk om het gezin tijdelijk te ondersteunen omdat de draagkracht/draaglast binnen het gezin is verstoord of om de maatschappelijke participatie van ouders mogelijk te maken. De hulp vindt plaats in de thuissituatie. De persoonlijke verzorging wordt thuis en zo nodig buiten kantoortijden uitgevoerd, als ouders niet in staat zijn deze verzorging zelf te bieden. |
|
|
Activiteiten |
|
|
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen 0 – 18 jaar |
|
Jeugdigen die extra ondersteuning nodig hebben bij de dagelijkse verzorging als wassen/douchen, aankleden, eten en drinken, toedienen van medicatie en toiletbezoek. Het betreft ondersteuning die niet door ouders, leerkrachten of jeugdprofessionals kan worden geleverd. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
|
|
De zelfredzaamheid van de jeugdige/ het gezin m.b.t. zelfzorg van de jeugdige is toegenomen. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
|
|
Functieprofiel |
MBO |
|
Functiemix |
De uitvoering vindt tenminste plaats door een MBO verzorgende. |
|
Regiebehandelaar |
Nee |
|
Begeleiding basis |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Minuut |
|
Duur |
Maximaal 18 maanden |
|
Intensiteit |
Maximaal 182 uur per jaar (maand 13 t/m 18 mag max. 91 uur) |
|
Omschrijving |
|
|
Type dienst |
Ambulant individueel of als groepsdienst |
|
De ondersteuning richt zich op:
Voorwaarde is dat altijd systeemgericht wordt gewerkt op alle leefgebieden. Begeleiding basis is gericht op het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen. De in te zetten hulp is doelmatig met een passende (personele) inzet om de in het gezinsplan en/of begeleidingsplan gestelde doelen te bereiken en de leefbaarheid te optimaliseren. Begeleiding basis is in het kader van respijtzorg, enkel met toestemming van het lokale team mogelijk, maar daar is de inzet vanuit het eigen netwerk of lokale voorzieningen altijd voorliggend. Bij het ontbreken van mogelijkheden binnen het eigen netwerk kan begeleiding tijdelijk ingezet worden voor een maximale periode van een half jaar voor maximaal 2 uur per week. In die periode worden er alternatieven in het eigen netwerk, omgeving en gemeentelijke voorzieningen onderzocht en georganiseerd. Afwijking op deze richtlijn is enkel mogelijk na toestemming van het lokale team. |
|
|
Activiteiten |
|
|
Onder begeleiding basis kunnen onder andere de volgende activiteiten vallen:
|
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen van 0 tot 18 jaar en hun ouders |
|
Begeleiding basis richt zich op jeugdigen en hun ouders, met één of meerdere van de volgende kenmerken:
|
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
|
|
De beoogde resultaten van de jeugdhulp liggen op de volgende gebieden:
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
Evidence of practice based |
Methodisch, practice based |
|
Om tot een juiste afgestemde begeleiding te komen kan het nodig zijn om op basis van de vraaganalyse vanuit het lokale team of een andere verwijzer, een nadere inventarisatie te maken van de krachten en de problemen van de jeugdige, het gezin en het netwerk evenals van de factoren die de klachten positief of negatief beïnvloeden c.q. in stand houden. Zie de uitsluitingslijst (hoofdstuk 7) voor activiteiten die niet declarabel zijn. |
|
|
Functieprofiel |
MBO (+) |
|
Functiemix |
|
|
Regiebehandelaar |
Nee |
|
Groepsgrootte |
2-8 |
|
Begeleiding regulier |
||
|
Normenkader |
||
|
Eenheid |
Minuut |
|
|
Duur |
Maximaal 18 maanden |
|
|
Intensiteit |
Maximaal 182 uur per jaar (maand 13 t/m 18 mag max. 91 uur) |
|
|
Omschrijving |
||
|
Type dienst |
Ambulant individueel of als groepsdienst. Groepsdienst is voorliggend op individuele jeugdhulp. |
|
|
De ondersteuning richt zich op:
Voorwaarde is dat altijd systeemgericht wordt gewerkt op alle leefgebieden. Begeleiding regulier is gericht op het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen. De in te zetten hulp is doelmatig met een passende (personele) inzet om de in het gezinsplan en/of begeleidingsplan gestelde doelen te bereiken en de leefbaarheid te optimaliseren. Begeleiding regulier is in het kader van respijtzorg, enkel met toestemming van het lokale team mogelijk, maar daar is de inzet vanuit het eigen netwerk of lokale voorzieningen altijd voorliggend. Financiering vanuit de Wmo is voorliggend op financiering vanuit de Jeugdwet. Bij het ontbreken van mogelijkheden binnen het eigen netwerk kan begeleiding tijdelijk ingezet worden voor een maximale periode van een half jaar voor maximaal 2 uur per week. In die periode worden er alternatieven in het eigen netwerk, omgeving en gemeentelijke voorzieningen onderzocht en georganiseerd. Afwijking op deze richtlijn is enkel mogelijk na toestemming van het lokale team. |
||
|
Activiteiten |
||
|
Onder begeleiding regulier kunnen onder andere de volgende activiteiten vallen:
|
||
|
Doelgroep |
||
|
Voor wie? |
Jeugdigen van 0 tot 18 jaar en hun ouders |
|
|
Begeleiding regulier richt zich op jeugdigen en hun ouders, met één of meerdere van de volgende kenmerken:
|
||
|
Resultaten |
||
|
Type resultaat |
|
|
|
De beoogde resultaten van de jeugdhulp liggen op de volgende gebieden:
|
||
|
Dienst specifieke eisen |
||
|
Evidence of practice based |
Methodisch, practice based |
|
|
Om tot een juiste afgestemde begeleiding te komen kan het nodig zijn om op basis van de vraaganalyse vanuit het lokale team of een andere verwijzer, een nadere inventarisatie te maken van de krachten en de problemen van de jeugdige, het gezin en het netwerk evenals van de factoren die de klachten positief of negatief beïnvloeden c.q. in stand houden. Zie de uitsluitingslijst (hoofdstuk 7) voor activiteiten die niet declarabel zijn. |
||
|
Functieprofiel |
HBO |
|
|
Functiemix |
|
|
|
Regiebehandelaar |
Nee |
|
|
Groepsgrootte |
2-8 |
|
|
Begeleiding specialistisch |
||
|
Normenkader |
||
|
Tarief & eenheid |
Minuut |
|
|
Duur |
Maximaal 18 maanden |
|
|
Intensiteit |
Maximaal 182 uur per jaar (maand 13 t/m 18 mag max. 91 uur) |
|
|
Omschrijving |
||
|
Type dienst |
Ambulant individueel |
|
|
De ondersteuning richt zich op:
Voorwaarde is dat altijd systeemgericht wordt gewerkt op alle leefgebieden. Begeleiding specialistisch is gericht op het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen. De in te zetten hulp is doelmatig met een passende (personele) inzet om de in het gezinsplan en/of begeleidingsplan gestelde doelen te bereiken en de leefbaarheid te optimaliseren. Begeleiding specialistisch is in het kader van respijtzorg, enkel met toestemming van het lokale team mogelijk, maar daar is de inzet vanuit het eigen netwerk of lokale voorzieningen altijd voorliggend. Financiering vanuit de Wmo is voorliggend op financiering vanuit de Jeugdwet. Bij het ontbreken van mogelijkheden binnen het eigen netwerk kan begeleiding tijdelijk ingezet worden voor een maximale periode van een half jaar voor maximaal 2 uur per week. In die periode worden er alternatieven in het eigen netwerk, omgeving en gemeentelijke voorzieningen onderzocht en georganiseerd. Afwijking op deze richtlijn is enkel mogelijk na toestemming van het lokale team. Tijdelijk overnemen van regie op de opvoeding Ouders kunnen door diverse (vaak een combinatie van) omstandigheden (tijdelijk) de regie in de opvoeding kwijtraken. Er is een disbalans ontstaan tussen de opvoedingscapaciteiten van de ouders en ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige. De aanbieder neemt tijdelijk deze rol over van ouders. Van belang is te onderzoeken of er ondersteunende factoren zijn in de omgeving van het gezin die bijdragen aan het terugbrengen van de balans. In sommige gevallen is dat niet beschikbaar en kan met de (tijdelijke) ondersteuning van een jeugdhulpaanbieder hieraan worden bijgedragen. |
||
|
Activiteiten |
||
|
Er is altijd sprake van tijdelijk overnemen van regie op de opvoeding Verder kunnen onder begeleiding specialistisch onder andere de volgende activiteiten vallen:
|
||
|
Doelgroep |
||
|
Voor wie? |
Jeugdigen van 0 tot 18 jaar en hun ouders |
|
|
Begeleiding specialistisch richt zich op jeugdigen en hun ouders, met één of meerdere van de volgende kenmerken:
|
||
|
Resultaten |
||
|
Type resultaat |
||
|
De beoogde resultaten van de jeugdhulp liggen op de volgende gebieden:
|
||
|
Dienst specifieke eisen |
||
|
Evidence of practice based |
Methodisch, bij voorkeur evidence based |
|
|
||
|
Functieprofiel |
HBO WO |
|
|
Functiemix |
|
|
|
Regiebehandelaar |
ja |
|
|
Vaktherapie |
|
Normenkader |
|
Tarief & eenheid |
|
Duur |
|
Intensiteit |
|
Omschrijving |
|
Type dienst |
|
Vaktherapie is een manier van behandelen van psychosociale en psychische problematiek, verwerken van trauma waarbij de nadruk ligt op doen en ervaren, en minder op praten. Onder vaktherapie vallen:
Vaktherapie biedt de jeugdige de mogelijkheid te communiceren en zich te uiten, daar waar hij dit verbaal nog niet kan. Daarnaast geeft het jeugdige de mogelijkheid spanning te ontladen en gevoelens te uiten. Daardoor kunnen zij hun ervaringen verwerken en experimenteren met vormen van nieuw gedrag. Vaktherapie mag alleen worden ingezet als onderdeel van een gehele behandeling en kan dus niet als zelfstandig los product worden ingezet. |
|
Doelgroep |
|
Voor wie? |
|
Vaktherapie wordt vooral gebruikt door jeugdigen van 4 – 12 jaar en richt zich op jeugdigen en hun ouders, met één of meerdere van de volgende kenmerken:
|
|
Resultaten |
|
Type resultaat |
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
Functieprofiel |
|
Functiemix |
|
Regiebehandelaar |
|
|
Behandeling VG |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Duur |
Maximaal 1 jaar |
|
Intensiteit |
Maximaal 65 uur |
|
Omschrijving |
|
|
Type dienst |
Ambulant individueel, mag ook als groepsproduct worden aangeboden. |
|
Behandeling is gericht op het leren van nieuw gedrag/vaardigheden van de jeugdigen en opvoedvaardigheden van de ouders/verzorgers. Een aantal kenmerken van dit product:
Wanneer de behandeling binnen de gestelde tijd onvoldoende tot het gewenste resultaat leidt, wordt actief overwogen een vorm van begeleiding of gezinsbehandeling in te zetten. Bij een levenslange en levensbrede noodzaak tot ondersteuning en hulp wordt een afwijking van het normenkader actief overwogen. Bij voorkeur wordt dit besluit genomen voor start zorg (zie normenkader hoofdstuk 1). |
|
|
Activiteiten (niet uitputtend) |
|
|
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
0 tot 18 jaar en hun ouders |
|
Er is bij de jeugdige sprake van een blijvende stoornis en/of beperking, die maken dat de jeugdige matige tot ernstige beperkingen ervaart en/of bedreigd wordt in zijn ontwikkeling. Behandeling VG richt zich op jeugdigen tot 18 jaar en hun (pleeg)ouders met één of meerdere van de volgende kenmerken:
|
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Aanleren van vaardigheden/nieuw gedrag voor jeugdige en ouders |
|
De opvoed- en opgroeisituatie is gestabiliseerd of verbeterd. Gedragsproblemen van de jeugdige zijn gestabiliseerd. Jeugdige en/of andere gezinsleden hebben nieuwe vaardigheden of gedragsalternatieven aangeleerd. Interactie binnen het gezin tussen alle gezinsleden onderling is positief en er is sprake van een stabiele en positief opvoedklimaat. Het gezin en de jeugdige hebben voldoende handvatten om het geleerde in de praktijk te brengen. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
Evidence of practice based |
Evidence based |
|
|
|
Functieprofiel |
HBO/WO/WO+/SKJ of BIG geregistreerd |
|
Functiemix |
Vanuit een multidisciplinair team (zie inleiding) en onder regie van een SKJ geregistreerde Orthopedagoog generalist, een SKJ geregistreerde Kinder- en Jeugd psycholoog en/of een arts verstandelijk Gehandicapten. |
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
Groepsgrootte |
2-8 |
|
Behandeling J&O |
||
|
Normenkader |
||
|
Eenheid |
Minuten |
|
|
Intensiteit |
Maximaal 65 uur |
|
|
Omschrijving |
||
|
Type dienst |
Ambulant individueel of als groepsproduct. Groepsproduct is voorliggend op individueel. |
|
|
Behandeling is gericht op het leren van nieuw gedrag/ vaardigheden van de jeugdigen en opvoedvaardigheden van de ouders/ verzorgers. Een aantal kenmerken van dit product:
Wanneer de behandeling binnen de gestelde tijd onvoldoende tot het gewenste resultaat leidt, wordt in dialoog met het lokale team of de GI actief overwogen een vorm van begeleiding of gezinsbehandeling in te zetten. |
||
|
Activiteiten |
||
|
||
|
Doelgroep |
||
|
Voor wie? |
0 tot 18 jaar en hun ouders |
|
|
Er is bij de jeugdige sprake van een tijdelijke of blijvende stoornis en/of beperking, die maken dat de jeugdige matige tot ernstige beperkingen ervaart en/of bedreigd wordt in zijn ontwikkeling. Er is bij de jeugdige geen DSM benoemde stoornis vastgesteld. Behandeling J&O richt zich op jeugdigen tot 18 jaar en hun (pleeg)ouders, met één of meerdere van de volgende kenmerken:
|
||
|
Resultaten |
||
|
Type resultaat |
Aanleren van vaardigheden/ nieuw gedrag voor jeugdige en ouders |
|
|
De opvoed- en opgroeisituatie is gestabiliseerd of verbeterd. Gedragsproblemen van de jeugdige is gestabiliseerd. Jeugdige en/of andere gezinsleden hebben nieuwe vaardigheden of gedragsalternatieven aangeleerd. Interactie binnen het gezin tussen alle gezinsleden onderling is positief en er is sprake van een stabiele en positief opvoedklimaat. Het gezin en de jeugdige hebben voldoende handvatten om het geleerde in de praktijk te brengen. |
||
|
Dienst specifieke eisen |
||
|
Evidence of practice based |
Evidence based |
|
|
||
|
Functieprofiel |
HBO/WO/WO+/SKJ of BIG geregistreerd |
|
|
Functiemix |
Vanuit een multidisciplinair team (zie inleiding) en onder regie van een SKJ of BIG geregistreerde Orthopedagoog generalist, BIG geregistreerde GZ-psycholoog of een SKJ geregistreerde Kinder- en Jeugd psycholoog |
|
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
|
Groepsgrootte |
2-8 |
|
|
Curatieve zorg door kinderartsen (Farmacotherapie kinderartsen en kinder- en jeugdpsychiaters) |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Duur |
1,5 jaar |
|
Intensiteit |
Maximaal 350 minuten |
|
Omschrijving |
|
|
Type dienst |
|
|
Farmacotherapie kinderartsen en kinder- en jeugdpsychiaters: is gericht op medicamenteuze behandeling van matig, ernstige tot zeer complexe kinderpsychiatrische problematiek (bv. een depressieve stoornis, angst- en dwangstoornissen, ticstoornissen, ernstige ADHD, eetstoornissen en autisme). Non-medicamenteuze interventies in de voorgeschiedenis hebben geen of beperkt effect gehad. De ontwikkeling van het kind of diens welbevinden is bedreigd. De in te zetten hulp is doelmatig en zo kortdurend als mogelijk. Dit product betreft het indiceren en adviseren van medicatie bij een client, het geven van voorlichting over de effecten en mogelijke bijwerkingen van het gebruik van deze medicatie en het instellen en bijstellen van psychofarmaca. Bij complexere kinderpsychiatrische problematiek wordt vanaf het begin multimodaal behandeld. Als de medicatie-instelling wordt uitgevoerd door een kinderarts, wordt in deze situaties actief samenwerking gezocht met een deskundige collega-aanbieder die bevoegd en bekwaam is voor het uitvoeren van gedragstherapie (zie kwaliteitscriteria GGZ regulier en GGZ specialistisch). Dit product betreft het instellen en bijstellen van psychofarmaca, evenals het geven van voorlichting over de effecten en mogelijke bijwerkingen van het gebruik van deze medicatie alsook de medicatiecontrole. |
|
|
Activiteiten |
|
|
De volgende activiteiten kunnen worden onderscheiden:
|
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
0 tot 18 jaar en hun ouders |
|
Jeugdigen met gedragsproblemen en psychische en/of psychiatrische stoornissen waarbij het instellen van medicatie noodzakelijk is om de belemmerende effecten van de aandoening te verminderen en de kans op herstel en ontwikkeling te bevorderen. Jeugdigen met complexe (DSM V) stoornissen die gelijktijdig niet-medicamenteuze behandeling ontvangen. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
|
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
Evidence of practice based |
Evidence based |
|
Voor jeugdigen jonger dan 6 jaar dient men zeer terughoudend te zijn in het voorschrijven van medicatie (off label). Dit wordt dan ook alleen toegestaan voor Kinder- jeugdpsychiaters met aantoonbare ervaring met jonge jeugdigen. Na adequate instelling, wordt de medicatiecontrole overgedragen aan de huisarts met de mogelijkheid de kinder- en jeugdpsychiater of kinderarts te consulteren en desgewenst de jeugdige terug te verwijzen. De regiebehandelaar die de medicamenteuze behandeling , is bevoegd en bekwaam ten aanzien van de medicamenteuze behandeling van gedragsproblemen en psychische en/of psychiatrische stoornissen. Deze dienst wordt uitgevoerd volgens de voor het vakgebied en de discipline geldende richtlijnen. Deze dienst wordt uitgevoerd volgens de voor het vakgebied en de discipline geldende richtlijnen, zie https://www.ggzstandaarden.nl/. |
|
|
Functieprofiel |
WO/WO+ |
|
Functiemix |
|
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
Medicatieveiligheid |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Duur |
1 jaar |
|
Intensiteit |
Maximaal 200 minuten |
|
Omschrijving |
|
|
Type dienst |
Ambulant individueel |
|
De curatieve GGZ-zorg is gericht op medicamenteuze behandeling van lichte tot matige, licht- tot middelcomplexe ADHD of stabiele chronische problematiek. De in te zetten hulp is doelmatig en zo eenvoudig als mogelijk. |
|
|
Activiteiten |
|
|
De volgende activiteiten kunnen worden onderscheiden gedurende de GGZ-behandeling (niet het instellen) of voor jeugdigen welke niet meer in GGZ-behandeling zijn:
|
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
0 tot 18 jaar en hun ouders |
|
Jeugdigen met gedragsproblemen en psychische en/of psychiatrische stoornissen waarbij het monitoren evalueren en indien nodig bijlstellen van medicatie noodzakelijk is om de belemmerende effecten van de aandoening te dempen. Jeugdigen met complexe (DSM V) stoornissen. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
|
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
Evidence of practice based |
Evidence based |
|
Deze dienst wordt uitgevoerd volgens de voor het vakgebied en de discipline geldende richtlijnen, zie https://www.ggzstandaarden.nl/. |
|
|
Functieprofiel |
HBO, VS, MSP |
|
Functiemix |
|
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
GGZ regulier/ generalistisch (basis GGZ) |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Duur |
Maximaal 1 jaar |
|
Intensiteit |
Maximaal 840 minuten, met de mogelijkheid tot eenmalige verlenging met 600 minuten. (Na akkoord van lokaal team of de GI) |
|
Omschrijving |
|
|
Type dienst |
Ambulant individueel of als groepsproduct. Groepsproduct is voorliggend op individueel. |
|
De Basis GGZ is gericht op behandelen van lichte tot ernstige, psychische problematiek. De in te zetten hulp is doelmatig en zo eenvoudig als mogelijk en niet meer dan nodig om het behandeldoel te bereiken. De behandeling is gebaseerd op een protocollaire behandelaanpak die in gemiddeld 10 behandelingen aangewezen is conform multidisciplinaire richtlijnen voor betreffende stoornis. De behandeling vindt grotendeels monodisciplinair plaats. Basis GGZ vindt zoveel als mogelijk plaats in de directe leefomgeving van jeugdige (en ouders). Als behandeling onvoldoende resultaat geeft, is gezinsbehandeling of een SGGZ-behandeling in te zetten. Als gedurende de behandelperiode onvoldoende tijd resteert om het geleerde in te slijpen en/of te generaliseren kan zo nodig begeleiding ingezet worden. Met de verruiming van de te declareren uren willen de gemeenten het mogelijk maken dat een behandeling van bepaalde jeugdigen die qua zorgzwaarteprofiel ook in de jeugd GGZ-behandeling specialistisch kunnen vallen nu toch effectief en doelmatig behandeld kunnen worden in de Basis GGZ. Daarmee kan hulp zoveel mogelijk in de normale leefomgeving van de jeugdige worden geboden. Diagnostiek voorafgaand aan de dienst GGZ regulier/generalistisch maakt geen onderdeel uit van deze dienst GGZ en wordt separaat gedeclareerd onder de dienst basisdiagnostiek. In het kader van normaliseren en destigmatiseren is de uitvoering van diagnostiek niet strikt noodzakelijk om een behandeling declarabel te maken. |
|
|
Activiteiten |
|
|
Maatwerkcombinatie van:
Het is aan de zorgaanbieder om binnen het behandeltraject een passend zorgaanbod te organiseren. Voor diagnostiek wordt het hiervoor ingerichte product diagnostiek ingezet. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
0 tot 18 jaar en hun ouders |
|
Er is bij de jeugdige sprake van een tijdelijke of blijvende psychische stoornis en/of beperking, die maken dat de jeugdige matige tot ernstige beperkingen ervaart en/of bedreigd wordt in zijn ontwikkeling. Er is sprake van (een vermoeden van) een DSM-stoornis. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Aanleren van vaardigheden/ nieuw gedrag voor jeugdige en ouders |
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
Evidence of practice based |
Evidence based |
|
|
|
Functieprofiel |
HBO/WO/WO+/SKJ of BIG-geregistreerd |
|
Functiemix |
Wordt hoofdzakelijk (voor 80%) door WO geschoold personeel uitgevoerd. In mindere mate kan naast de WO-er ondersteunend HBO of WO+ geschoold personeel ingezet worden. |
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
Groepsgrootte |
2-8 |
|
GGZ specialistisch |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Duur |
1 jaar |
|
Intensiteit |
Maximaal 74 uur |
|
Omschrijving |
|
|
Type dienst |
Ambulant individueel of als groepsproduct. Groepsproduct is voorliggend op individueel. |
|
De specialistische jeugd ggz is gericht op behandelen van matig tot ernstige, complexe psychische problemen of niet-stabiele chronische problematiek met matige tot ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren. De in te zetten hulp is doelmatig en passend om het behandeldoel te bereiken. Regiebehandelaar Bij de behandeling in de specialistische GGZ draagt de regiebehandelaar zoals vastgelegd in het kwaliteitsstatuut, de eindverantwoordelijkheid voor de totale behandeling. De regiebehandelaar is daarmee eindverantwoordelijk voor de diagnosestelling, de vaststelling, uitvoering en evaluatie van het behandelplan. Op het moment dat specialistische behandeling volgt na specialistische diagnostiek, wordt de diagnostiek niet separaat gefactureerd maar maakt de diagnostiek onderdeel uit van het behandeltraject en daarmee ook het behandeltarief. In het kader van normaliseren en de-stigmatiseren is de uitvoering van diagnostiek niet strikt noodzakelijk om een behandeling declarabel te maken. |
|
|
Activiteiten |
|
|
GGZ-behandeling conform professionele standaarden die binnen de sector gebruikelijk zijn. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
0 tot 18 jaar en hun ouders |
|
GGZ specialistisch is voor jeugdigen met een beperking op grond van een DSM-benoemde stoornis. Er is sprake is van een hoog risico, een ernstig ziektebeeld en ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren. Er zijn duidelijke aanwijzingen die duiden op co morbiditeit, een gevaar voor zelfverwaarlozing, ernstige opvoedingsproblematiek en/of decompensatie. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Aanleren van vaardigheden/ nieuw gedrag voor jeugdige en ouders |
|
Volledig of zover mogelijk verminderen van de ernst van klachten en symptomen met als doel dat de jeugdige functioneert en zich leeftijdsadequaat ontwikkelt binnen zijn/haar mogelijkheden zowel thuis als op school en in de vrije tijd of hierin positieve ontwikkelingen laat zien. Dat omvat onder meer:
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
Evidence of practice based |
Evidence based |
|
|
|
Functieprofiel |
HBO/WO/WO+, onder verantwoordelijkheid regiebehandelaar |
|
Functiemix |
Ja |
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
Groepsgrootte |
2-8 |
|
GGZ Specialistisch Midden |
||
|
Normenkader |
||
|
Tarief & eenheid |
Uren |
|
|
Duur |
Maximaal 2 jaar |
|
|
Omschrijving |
||
|
Type dienst |
Ambulant individueel |
|
|
GGZ Specialistisch Midden-behandeling is een multidisciplinaire behandeling voor jeugdigen (of gezinnen) met zeer complexe problematiek of bij wie één of meer ernstige psychiatrische stoornissen (benoemd in de DSM V) op de voorgrond staan. De methoden die worden gebruikt zijn evidence based en practice based. GGZ Specialistisch Midden-behandeling komt pas in beeld als andere behandelmogelijkheden geen uitzicht (meer) bieden, of niet tot verbetering of stabilisatie leidt van de psychische problematiek en de belemmeringen in het dagelijks functioneren van de jeugdige. Indien sprake is van zeer specifieke GGZ-problematiek waar landelijk een gespecialiseerde behandeling voor is ingekocht, dan is deze voorliggend op GGZ Specialistisch Midden (bijvoorbeeld eetstoornissen). Wanneer psychiatrische diagnostiek heeft plaatsgevonden, kan indien nodig aanvullende of hernieuwde diagnostiek onderdeel uitmaken van de behandeling. Waar GGZ-basis en GGZ specialistisch een maximaal aantal uren kennen op diagnostiek, is bij GGZ Specialistisch Midden geen sprake van een maximum om voor deze doelgroep een traject op maat te kunnen bieden. |
||
|
Activiteiten |
||
|
||
|
Voor wie? |
Jeugdigen van 0-18 jaar en hun ouders |
|
|
Jeugdigen met zeer complexe problematiek, bij wie één of meer ernstige psychiatrische stoornissen (benoemd in de DSM V) op de voorgrond staan en voor wie geen passende zorg beschikbaar is binnen basis en specialistische GGZ-behandeling en ambulante behandeling. Vaak in combinatie met psychiatrische problematiek bij andere gezinsleden Te denken valt aan de volgende situaties:
|
||
|
Resultaten |
||
|
Type resultaat |
|
|
|
Volledig of zover mogelijk verminderen van de ernst van klachten en symptomen met als doel dat de jeugdige functioneert en zich leeftijdsadequaat ontwikkelt binnen zijn/haar mogelijkheden zowel thuis als op school en in de vrije tijd of hierin positieve ontwikkelingen laat zien. De behandeling draagt bij aan het vergroten van de zelfredzaamheid van jeugdige, gezin en hun netwerk. Dat omvat onder meer:
|
||
|
Dienst specifieke eisen |
||
|
Type resultaat |
Evidence based en Practice based |
|
|
||
|
Instelling specifieke eisen: |
|
|
|
||
|
Functieprofiel |
Multidisciplinair team HBO/WO/WO+/BIG geregistreerde regiebehandelaar |
|
|
Functiemix |
De behandeling wordt geboden door professionals met een opleidingsniveau variërend van HBO tot en met medisch specialist. Het zwaartepunt ligt bij de inzet van WO+ opleidingsniveau. De psychiater wordt voor een groter gedeelte van de tijd betrokken dan bij de GGZ specialistisch het geval is. |
|
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
|
Forensische GGZ |
||
|
Normenkader |
||
|
Eenheid |
Minuten |
|
|
Duur |
1 jaar |
|
|
Omschrijving |
||
|
Type dienst |
Ambulant individueel, mag ook als groepsproduct worden aangeboden |
|
|
Met forensische zorg wordt alle geestelijke gezondheidszorg bedoeld aan jeugdigen van 12 tot 23 jaar die delict gedrag en/of seksueel of agressief grensoverschrijdend gedrag vertonen (of bij wie de dreiging hiertoe in de nabije toekomst groot is). Bij de jeugdige is óf een strafrechtelijke maatregel opgelegd wegens het plegen van een strafbaar feit volgens het jeugdstrafrecht of adolescentenstrafrecht óf een civielrechtelijke maatregel, een civielrechtelijk onderzoek, óf de zorg die wordt geboden in een vrijwillig kader zonder (straf)maatregel. Forensische zorg is (hoog)specialistische zorg die in eerste instantie gericht is op de veiligheid. Dit door recidive terug te dringen en delicten en/of grensoverschrijdend gedrag te voorkomen. |
||
|
Activiteiten |
||
|
Forensische zorg aan jeugdigen met een hoog risicoprofiel vraagt om hooggespecialiseerde zorg die gebruik maakt van specifieke werkzame elementen. Binnen de forensische zorg wordt in het bijzonder aandacht besteed aan delict- (of grensoverschrijdend) gerelateerd gedrag en risicotaxatie. Deze vorm van behandeling is voor de forensische doelgroep bewezen effectiever dan reguliere GGZ-behandelingen, c.q. behandelingen waarin deze werkzame elementen onvoldoende worden toegepast. Verschil Forensische GGZ met GGZ Hoog specialistische behandeling. Uitgangspunt van de forensische zorg is het gevaar criterium en het risicogericht behandelen, terwijl bij de reguliere (hoogspecialistische) GGZ per definitie de stoornis centraal staat. In de forensische zorg wordt een stoornis alleen behandeld als dit ertoe leidt dat de kans op gewelddadig of grensoverschrijdend gedrag afneemt of als het helpt om een jeugdige beter van de behandeling te laten profiteren. Forensische zorg kenmerkt zich verder door de systeemleden op een nadrukkelijke manier bij de behandeling te betrekken. |
||
|
Voor wie? |
Jeugdigen van 12 tot 23 jaar en hun ouders |
|
|
Het betreft een complexe groep jeugdigen die delict gedrag en/of seksueel of agressief grensoverschrijdend gedrag vertoont (of bij wie de dreiging hiertoe in de nabije toekomst groot is). Veel van deze jeugdigen zijn gediagnosticeerd met een gedragsstoornis, vaak in combinatie met andere stoornissen (bijvoorbeeld ADHD of ASS) en/of een licht verstandelijke beperking. De stoornis die mogelijk ten grondslag ligt aan de zorg is geen in- of exclusiecriterium voor de inzet van forensische zorg. Het gevaar criterium is dit echter wel; zonder passende en tijdige behandeling vormen deze jeugdigen een gevaar voor zichzelf en hun omgeving en wordt het steeds moeilijker om het grensoverschrijdende gedrag te beperken en de negatieve ontwikkeling en achterliggende problematiek aan te pakken. Bij de forensische doelgroep kan het bijvoorbeeld gaan om jeugdigen die betrokken zijn bij straatroof, een zedendelict of gewelddadigheden in groepsverband, maar ook om jeugdigen die op verschillende leefgebieden (ernstige vormen van) grensoverschrijdend gedrag vertonen en hierdoor de dreiging tot uithuisgeplaatst of van school weggestuurd worden groot is. |
||
|
Resultaten |
||
|
Type resultaat |
|
|
|
Binnen de forensische zorg voor jeugdigen gaat het om:
|
||
|
Dienst specifieke eisen |
||
|
Evidence of practice based |
Evidence based |
|
|
Aangezien risicotaxatie en delict analyse onderscheidende facetten zijn in de forensische zorg, dient de aanbieder aan te tonen dat er risicomanagement wordt uitgevoerd, hierbij zijn de volgende richtlijnen leidend:
Een forensische zorginstelling of een zorginstelling met een forensische poli beschikt over meer dan drie onderscheidende interventies/methodieken/zorgprogramma's die specifiek ontwikkeld zijn voor de forensische doelgroep, waarvan minimaal één interventie of zorgprogramma erkend is als minimaal 'goed onderbouwd' door de erkenningscommissie justitiële interventies van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) en de andere behandelvormen minimaal gebaseerd zijn op de werkzame Risk-Need-Responsivity-principes (RNR). De forensische zorginstelling beschikt over een behandelteam met, onder andere, een ervaren kinder- en jeugdpsychiater, een GZ-psycholoog, orthopedagoog en systeemtherapeut. |
||
|
Functieprofiel |
De behandeling wordt geboden door professionals met een opleidingsniveau variërend van HBO tot en met medisch specialist. |
|
|
Functiemix |
HBO/WO/WO+/SKJ of BIG geregistreerd |
|
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
|
Groepsgrootte |
2-8 |
|
|
GGZ hoogspecialistisch |
||
|
Normenkader |
||
|
Eenheid |
Minuten |
|
|
Duur |
Maximaal 2 jaar |
|
|
Omschrijving |
||
|
Type product |
Ambulant individueel |
|
|
Hoogspecialistische GGZ-behandeling is multidisciplinaire behandeling voor jeugdigen (of gezinnen) met zeer complexe problematiek, bij wie een of meer ernstige psychiatrische stoornissen (benoemd in de DSM 5) op de voorgrond staan. De methoden die worden gebruikt zijn evidence based. Hoog specialistische GGZ komt pas in beeld als andere behandelmogelijkheden geen uitzicht (meer) bieden tot verbetering of stabilisatie van de psychische problematiek van de jeugdige en de belemmeringen in het dagelijks functioneren die dit met zich meebrengt. Indien sprake is van zeer specifieke GGZ-problematiek waar landelijk een gespecialiseerde behandeling voor is ingekocht, dan is deze voorliggend op hoog specialistische GGZ (bijvoorbeeld eetstoornissen). Psychiatrische diagnostiek heeft plaatsgevonden, echter indien nodig kan aanvullende of hernieuwde diagnostiek onderdeel uitmaken van de behandeling. Waar GGZ-basis en GGZ specialistisch een maximaal aantal uren kennen, is hiervan bij hoog specialistische GGZ geen sprake om voor deze zeer complexe doelgroep een traject op maat te kunnen bieden. |
||
|
Activiteiten |
||
|
||
|
Doelgroep |
||
|
Voor wie? |
Jeugdigen van 0-18 jaar met zeer complexe problematiek |
|
|
Jeugdigen met zeer complexe problematiek, bij wie één of meer ernstige psychiatrische stoornissen (benoemd in de DSM V) op de voorgrond staan en voor wie geen passende zorg beschikbaar is binnen basis en specialistische GGZ-behandeling en ambulante behandeling. Te denken valt aan de volgende situaties:
|
||
|
Resultaten |
||
|
Type resultaat |
Afname problematiek, aanleren nieuw gedrag en vaardigheden |
|
|
Volledig of zover mogelijk verminderen van de ernst van klachten en symptomen met als doel dat de jeugdige functioneert en zich leeftijdsadequaat ontwikkelt binnen zijn/haar mogelijkheden zowel thuis als op school en in de vrije tijd of hierin positieve ontwikkelingen laat zien. De behandeling draagt bij aan het vergroten van de zelfredzaamheid van jeugdige, gezin en hun netwerk. Dat omvat onder meer:
|
||
|
Dienst specifieke eisen |
||
|
Practice of Evidence based |
Evidence based |
|
|
||
|
Functieprofiel |
Multidisciplinair team HBO/WO/WO+/BIG geregistreerde regiebehandelaar |
|
|
Functiemix |
De behandeling wordt geboden door professionals met een opleidingsniveau variërend van HBO tot en met medisch specialist. Het zwaartepunt ligt bij de inzet van WO+ opleidingsniveau. De psychiater wordt voor een groter gedeelte van de tijd betrokken dan bij de GGZ specialistisch het geval is. |
|
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
|
Gezinsbehandeling |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Duur |
Maximaal 9 maanden (ambulant) |
|
Intensiteit |
Maximaal 640 uur |
|
|
|
|
Omschrijving |
|
|
Type product |
Ambulant |
|
Samen met het gezin wordt er gewerkt aan het beheersbaar maken en verminderen van de meervoudig en complexe problematiek, waarbij de veiligheid en de ontwikkelingsmogelijkheden van de jeugdige(n) centraal staan. Doel is met name gedragsverandering bij de opvoeders, zodanig dat zij beter kunnen aansluiten bij de ontwikkelingsbehoefte van de jeugdige. Inzet (begeleiding) vanuit de Wmo is dan ook voorliggend. Het betreft immers met name een hulpvraag van de ouders/volwassenen. De gezinsbehandeling vindt zoveel als mogelijk plaats in de directe leefomgeving van de jeugdige. Gezinsbehandeling start met handelingsgerichte diagnostiek en observatie. Dit product wordt bij voorkeur ingezet in combinatie met een ervaringsdeskundige. De interventie kenmerkt zich door maatwerk op inhoud en uitvoering. De interventie wordt passend gemaakt voor jeugdigen/of ouders en het netwerk en draagt bij aan het vergroten van de zelfredzaamheid van jeugdige, gezin en hun netwerk. Psychiatrische diagnostiek is geen onderdeel van de gezinsbehandeling. Als er vermoedens zijn van psychische problematiek bij één of meerdere gezinsleden die niet gediagnosticeerd is en die van invloed is op het functioneren van het gezin, dan dient de jeugdhulpaanbieder in overleg met de verwijzer in het belang van de behandeling eerst of gelijktijdig diagnostiek in te zetten. Hiervoor kunnen ‘diagnostiek basis’ en ‘diagnostiek specialistisch’ worden ingezet. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Gezinnen met meervoudige problemen (op minimaal drie gebieden van de zelfredzaamheidsmatrix). |
|
Gezinnen met problemen op meerdere levensgebieden in combinatie met een (zeer) ernstige verstoring in het dagelijks leven bij tenminste een van de in het gezin opgroeiende jeugdigen. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Afname problematiek jeugdige en nieuwe gedrag en vaardigheden in het gezin |
|
Gezinsbehandeling is gericht op het hanteerbaar maken van de meervoudige problematiek op verschillende leefgebieden van de verschillende gezinsleden. De beoogde resultaten van de gezinsbehandeling liggen op de volgende gebieden:
|
|
|
Activiteiten (voorbeelden) |
|
|
|
|
Ontwikkeling |
|
|
Deze hulpverlening kent de volgende belangrijke ontwikkelopgaven:
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
Practice of evidence based |
Beide |
|
|
|
Functieprofiel |
HBO/WO |
|
Functiemix |
HBO/ geschoold in de evidence based methode(n) die word(t)(en) toegepast. Gedragswetenschapper |
|
Multidisciplinair team |
Ja |
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
MDFT - Multi-dimensionele Familie Therapie |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Minuten |
|
Duur |
Maximaal 9 maanden |
|
Intensiteit |
Maximaal 243 uur (gemiddeld 6 uur per week) |
|
Omschrijving |
|
|
Type product |
Ambulant |
|
MDFT is Multi-dimensionele Familie Therapie (MDFT). MDFT is een erkend behandelprogramma voor jeugdigen én zijn/haar gezin. Het biedt hulp aan jeugdigen met uiteenlopend, vaak meervoudig probleemgedrag. MDFT is effectief bevonden in twaalf goed opgezette onderzoeken op het gebruik van alcohol en drugs; criminaliteit; symptomen van psychische en gedragsstoornissen; band met school en functioneren van het gezin. MDFT is geprotocolleerd, maar vormt geen strak keurslijf. MDFT ziet de jeugdige als een persoon die eigen aandacht verdient, dus niet louter als verlengstuk van bijvoorbeeld het gezin. Behandeling wordt gecombineerd met begeleiding van de jeugdige. MDFT is flexibel en gericht op ervaringsleren tussen de jeugdige en zijn/haar ouders. Er wordt gewerkt met de emoties die ontstaan tussen de betrokkenen. Praktische informatie
MDFT bestaat uit drie fases:
Het behandelprogramma richt zich op de 4 kerngebieden (domeinen) in het leven van de jeugdige: De jeugdige, ouders, het gezin en externe sociale systemen (buiten-gezins domein). Het buiten-gezins domein; is zo breed als nodig (school, werk, huisvesting, pro-sociale activiteiten, netwerk). Binnen MDFT zijn gezinsgesprekken van groot belang, vanuit het idee dat daar de sleutel tot verandering ligt. Wanneer gezinsleden (weer) in staat zijn met elkaar te communiceren, lukt het hun vaak ook beter samen de problemen aan te pakken en tot verandering te komen. De begeleiding vindt zoveel mogelijk plaats in de directe leefomgeving van het gezin. Deze dienst wordt bij voorkeur ingezet in combinatie met een ervaringsdeskundige. MDFT duurt gemiddeld 6 maanden. Vaak heeft het gezin dan weer het vertrouwen op een goede manier toekomstige hobbels met elkaar aan te gaan. Vertrouwen is hersteld en belangrijkste stappen in veranderingsproces zijn gezet. Belangrijk is dat indien nodig er afgeschaald kan worden, zodat het proces na MDFT nog met het gezin opgevolgd kan opvolgen (vaak is dit ook niet nodig). |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen tussen de in basis 13 en 18 jaar met problematiek van verschillende aard en hun gezin, (op minimaal drie gebieden van de zelfredzaamheidsmatrix). Heel soms vanaf 12 jaar |
|
MDFT is een gezinstherapie voor jeugdigen tussen de 13-18 jaar (heel soms 12 jaar) met problematiek van verschillende aard en hun gezin. Het betreft veelal gezinnen waar sprake is van meervoudige problematiek (op minimaal 3 gebieden van de zelfredzaamheidsmatrix). Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat MDFT goed aansluit bij jeugdigen die problemen hebben met gebruik van alcohol of drugs, en/of crimineel gedrag vertonen. Maar ook bij (andere) symptomen van psychische- en gedragsproblemen is MDFT effectief gebleken. Voorbeelden hiervan zijn spijbelen, weglopen, agressie, zich isoleren. Hier wordt MDFT ingezet ter voorkoming van escalatie. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Afname problematiek jeugdige en nieuwe gedrag en vaardigheden in het gezin |
|
MDFT is gericht op het hanteerbaar maken van de meervoudige problematiek op verschillende leefgebieden van de jeugdige en hun gezin. De beoogde resultaten van MDFT liggen op de volgende gebieden:
|
|
|
Activiteiten (niet uitputtend) |
|
|
|
|
Ontwikkeling |
|
|
Deze hulpverlening kent de volgende belangrijke ontwikkelopgaven:
|
|
|
Product specifieke eisen |
|
|
Practice/evidence based |
Ja |
|
In beginsel maakt de inzet van een ervaringsdeskundige deel uit van de MDFT. Er wordt gebruik gemaakt van effectief bewezen systeeminterventies. GGZ-systeeminterventies vallen niet onder dit product. |
|
|
Functieprofiel |
HBO 85 % (schaal 10) WO 15% (schaal 12) |
|
Functiemix |
HBO geschoold in de evidence based methode(n) die word(t)(en) toegepast, heeft een opleiding tot MDFT-therapeut gevolgd via Stichting Jeugdinterventies Gedragswetenschapper Supervisor: De supervisie-intervisie structuur is belangrijk in het bewaken van de kwaliteit, dit is voorwaarde voor licentiering (3-jaarlijks) van Stichting Jeugdinterventies. Daarom is in het tarief een toeslag berekend voor de inzet van een supervisor in schaal 11 voor 16% per uur. |
|
Multidisciplinair team |
Ja |
|
Regiebehandelaar |
Ja |
ED diagnostiek en behandeling
Omschrijving
Ernstige Dyslexie diagnostiek en behandeling is bedoeld voorbij jeugdigen in groep 3 tot en met 8 van het basisonderwijs. Het traject omvat zowel onderzoek als behandeling. Wanneer diagnostiek en/of behandeling pas start ná het verlaten van groep 8, kan geen aanspraak meer worden gemaakt op vergoeding vanuit de Jeugdwet.
De uitvoering volgt het meest actuele, landelijk vastgestelde “Protocol Dyslexie, Diagnostiek en behandeling 3.0” van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie. De ED-zorg wordt geleverd door zorgaanbieders die intensief samenwerken met de samenwerkingsverbanden en/of scholen, en die werken volgens de vastgestelde protocollen.
Daarnaast wordt er toegewerkt naar duo behandelingen, waarbij twee jeugdigen gelijktijdig worden behandeld. Ook vindt (een deel van) de behandeling digitaal plaats.
Verwijzing naar ED-zorg
Met alle samenwerkingsverbanden in de regio zijn afspraken gemaakt over de verwijzing naar ED-zorgaanbieders. De poortwachter van het samenwerkingsverband treedt op als verwijzer.
Tarief en belangrijkste financierings- en betaalvoorwaarden
ED Diagnostiek en behandeling worden integraal gefactureerd.
De declaratie vindt plaats op basis van daad werkelijk geleverde eenheden (minuten en/of uren). Vergoeding van ED-zorg vindt enkel plaats als er een akkoordverklaring is van de ED-specialist in dienst van het samenwerkingsverband
|
Ernstige Dyslexie |
|
|
Normenkader |
Voor 90% van de jeugdigen is de maximale behandelduur 5050 minuten en voor het overige deel geldt een maximum van 5800 minuten. Deze behandelduur is inclusief diagnostiek, behandeling, eindevaluatie, afstemming en samenwerking met het onderwijs. Behandelingen die de grens van 5800 overschrijden komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
Hoofdstuk 3: Jeugdhulpdiensten specifiek voor diagnose
Voor een toelichting op de diensten diagnostiek en de verhouding ten opzichte van intake, analyse, vraagverheldering verwijzen wij u naar hoofdstuk 1. In het kader van normaliseren en destigmatiseren is het uitvoeren van diagnostiek niet strikt noodzakelijk om behandeling declarabel te maken.
Het ligt niet voor de hand verschillende diagnostische diensten tegelijkertijd in te zetten.
Overzicht diagnostiek
|
|
Persoonsgericht met aandacht voor gezin en omgeving |
Gezinsgericht met aandacht voor omgeving |
Bijzonderheden |
|
Basisdiagnostiek |
X |
|
|
|
Specialistische diagnostiek |
X |
|
|
|
Basis diagnostiek |
||
|
Normenkader |
||
|
Eenheid |
Minuten |
|
|
Duur |
Maximaal 4 maanden |
|
|
Intensiteit |
Maximaal 15 uur |
|
|
Omschrijving |
||
|
Type dienst |
Ambulant individueel |
|
|
Basis diagnostisch onderzoek heeft betrekking op enkelvoudige onderzoeken zoals IQ of Dyslexie-onderzoek door middel van gesprekken, testen, observatie en vragenlijsten helder krijgen van het diagnostisch beeld van de jeugdige. Diagnostiek omvat alle activiteiten gericht op verduidelijking van de klachten en van de jeugdhulpvraag. Diagnostiek is noodzakelijk wanneer nog niet duidelijk is welke aanpak/hulp er nodig/passend is voor een jeugdige. Dit product wordt ingezet indien er een vermoeden is van een onderliggende psychische stoornis of een cognitieve beperking en het voor de inzet van passende ondersteuning ten behoeve van de jeugdige noodzakelijk is:
Mocht de jeugdige/het gezin niet direct na diagnostiek in behandeling worden genomen, dan is de regiebehandelaar van de diagnostiekfase de eerstverantwoordelijke voor de zorg van de jeugdige. |
||
|
Activiteiten |
||
|
Observaties, gesprekken, testen, vragenlijst afnemen, rapportage opstellen en het opstellen van een diagnostisch verslag. Basisdiagnostiek wordt uitgevoerd naar de binnen uw branche geldende standaarden. |
||
|
Doelgroep |
||
|
Voor wie? |
0 tot 18 jaar en hun ouders |
|
|
Er is bij de jeugdige sprake van een tijdelijke of blijvende psychische stoornis en/of beperking, die maken dat de jeugdige matige tot ernstige beperkingen ervaart en/of bedreigd wordt in zijn ontwikkeling. |
||
|
Resultaten |
||
|
Type resultaat |
Analyse/diagnostiek |
|
|
Een duidelijk beeld van de oorzaken van klachten en hulpvraag van de jeugdige en het gezin op basis van een verklarende analyse. Door het diagnostische proces kan de inhoud en omvang bepaald worden van noodzakelijk vervolgstappen in behandeling/begeleiding. Het opstellen van een diagnostisch verslag. |
||
|
Dienst specifieke eisen |
||
|
Practice of Evidence based |
Evidence based |
|
|
Een intelligentieonderzoek valt uitsluitend onder de Jeugdwet als het onderzoek onderdeel is van een diagnostisch proces in het kader van jeugdhulp en als er vermoeden is dat de intelligentie sterk van invloed is op het wel of niet realiseren van de doelen van de jeugdige/het gezin. Dit zijn de doelen die opgesteld zijn in het kader van jeugdhulp. Regiebehandelaar is op zijn minst opgenomen in het register basisdiagnostiek en in het bezit van basisaantekening orthopedagogiek of psychodiagnostiek. Wat valt niet onder deze dienst:
|
||
|
Functieprofiel |
HBO/WO |
|
|
Functiemix |
Wordt hoofdzakelijk door WO geschoold personeel uitgevoerd. In mindere mate kan naast de WO-er ondersteunend HBO of WO+ geschoold personeel ingezet worden. |
|
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
|
Groepsgrootte |
n.v.t. |
|
|
Specialistische diagnostiek |
||
|
Normenkader |
||
|
Eenheid |
Minuten |
|
|
Duur |
Maximaal 3 maanden |
|
|
Intensiteit |
Maximaal 20 uur |
|
|
Omschrijving |
||
|
Type dienst |
Ambulant individueel |
|
|
Specialistisch diagnostisch onderzoek is een uitgebreid onderzoek met een mogelijke DSM diagnose tot gevolg, door middel van gesprekken, testen, vragenlijsten en observaties helder krijgen van het diagnostisch beeld van de jeugdige. Diagnostiek omvat alle ambulante activiteiten gericht op verduidelijking van de klachten en van de jeugdhulpvraag. Diagnostiek (door middel van observatie en/of diagnostisch onderzoek) is noodzakelijk wanneer nog niet (helemaal) duidelijk is welke hulp er nodig is voor een jeugdige of als er behoefte is aan duidelijkheid over de te volgen aanpak. Dit product wordt ingezet indien er een vermoeden is van een onderliggende psychische stoornis of een cognitieve beperking en het voor de inzet van passende ondersteuning t.b.v. van de jeugdige noodzakelijk is meer helderheid te krijgen over de oorzaak van de beperkingen in het functioneren en indien de vraaganalyse van de verwijzer onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een vervolgtraject. Mocht de jeugdige/het gezin niet direct na diagnostiek in behandeling worden genomen, dan is de regiebehandelaar van de diagnostiekfase de eerstverantwoordelijke voor de zorg van de jeugdige. Als specialistische behandeling volgt na specialistische diagnostiek maakt de diagnostiek onderdeel uit van de specialistische behandeling en wordt de diagnostiek niet separaat gefactureerd. |
||
|
Activiteiten |
||
|
Observaties, gesprekken, testen vragenlijst afnemen, rapportage opstellen. |
||
|
Doelgroep |
||
|
Voor wie? |
0 tot 18 jaar en hun ouders |
|
|
Er is bij de jeugdige sprake van een tijdelijke of blijvende psychische stoornis en/of beperking, die maken dat de jeugdige ernstige tot zeer ernstige beperkingen ervaart en/of bedreigd wordt in zijn ontwikkeling. Vanwege de aard van de problematiek is specialistische inzet vereist. |
||
|
Resultaten |
||
|
Type resultaat |
Analyse/diagnostiek |
|
|
Een duidelijk beeld van de oorzaken van klachten en hulpvraag op basis waarvan de kwaliteit en de effectiviteit van opvolgende stappen in een behandeling kunnen worden bepaald. Het opstellen van een diagnostisch verslag. (Technisch professioneel en een cliëntverslag) |
||
|
Dienst specifieke eisen |
||
|
Practice of Evidence based |
Evidence based |
|
|
Een intelligentieonderzoek valt uitsluitend onder de Jeugdwet als het onderzoek onderdeel is van een diagnostisch proces in het kader van jeugdhulp. En als er vermoeden is dat de intelligentie sterk van invloed is op het wel of niet realiseren van de doelen van de jeugdige/het gezin. Dit zijn de doelen die opgesteld zijn in het kader van jeugdhulp. De inzet moet voldoen aan de geldende GGZ-standaarden. Wat valt niet onder deze dienst: Diagnostiek noodzakelijk voor het bepalen van een specifiek schooltype valt niet onder dit product en een los intelligentieonderzoek. |
||
|
Functieprofiel |
HBO/WO+/Medisch specialist |
|
|
Functiemix |
Wordt hoofdzakelijk door WO geschoold personeel uitgevoerd. In mindere mate kan naast de WO-er ondersteunend HBO of WO+ geschoold personeel ingezet worden, regelmatig onder supervisie van een K&J psychiater of Klinisch psycholoog (WO+) |
|
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
|
Groepsgrootte |
n.v.t. |
|
Hoofdstuk 4: Dagvoorzieningen
Algemeen
De diensten uit dit hoofdstuk zijn uitsluitend te declareren door jeugdhulpaanbieders die Bijzondere Delen Overeenkomst 3: Dagbehandeling en dagbesteding hebben ondertekend.
Overzicht
|
|
Dagbesteding |
Dagbehandeling |
Aanvullende inzet begeleiding mogelijk? |
Aanvullende inzet behandeling mogelijk? |
Richtlijn urennorm |
Zo nodig in te zetten als respijtzorg |
|
Dagbesteding regulier |
X |
|
Ligt niet voor de hand |
ja |
ja |
ja |
|
Dagbesteding intensief |
X |
|
Ligt niet voor de hand |
Ja |
ja |
ja |
|
Naschoolse dagbesteding |
X |
|
Ligt niet voor de hand |
nee |
nee |
ja |
|
Dagbehandeling regulier |
|
X |
Ligt niet voor de hand |
Nee, niet op zelfde dagdelen |
ja |
nee |
|
Dagbehandeling intensief |
|
X |
Ligt niet voor de hand |
Nee, niet op zelfde dagdelen |
ja |
nee |
|
Dagbehandeling specialistisch (GGZ) |
|
X |
Ligt niet voor de hand |
Ligt niet voor de hand |
ja |
nee |
|
Dagbesteding regulier |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Dagdelen |
|
Duur |
Regulier: Maximaal 6 maanden. Voor doelgroep levenslang en levensbreed: Maximaal 3 jaar |
|
Intensiteit |
Maximaal 9 dagdelen per week. i.h.k.v. respijtzorg 2 dagdelen per week |
|
Omschrijving |
|
|
Het product dagbesteding betreft een dagprogramma met begeleiding (in een groep) waarbij jeugdigen jonger dan 18 jaar verschillende activiteiten krijgen aangeboden gedurende een aantal dagdelen. Het betreft een gestructureerd dagprogramma met een pedagogisch groepsklimaat. De begeleiding is erop gericht de jeugdige zoveel mogelijk zelfstandig te laten zijn. Maar ook ter ondersteunen bij het plannen van activiteiten, het nemen van besluiten of het regelen van dagelijkse zaken. Het samenstellen van de activiteiten voor de jeugdige is maatwerk. Samen met de ouders en het onderwijs wordt het ontwikkelingsperspectief opgesteld dat gericht is op het ontwikkelperspectief van de jeugdige. Het OPP wordt opgesteld door het onderwijs voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben en bevat afspraken tussen school, de leerling en de ouders over de benodigde zorg en begeleiding. De zorgaanbieder heeft inzage in het OPP de aangeboden activiteiten passen bij het beschreven Ontwikkel Perspectief. De zorg mag alleen geboden worden, wanneer de zorgaanbieder de zorg aan laat sluiten op het OPP. Het betreft niet de activiteiten die vallen onder de algemene gemeentelijke voorzieningen of naschoolse activiteiten voor jeugdigen. Het betreft hier ook niet de activiteiten die bekostigd dienen te worden vanuit de Participatiewet dan wel vanuit onderwijs. Dagbesteding regulier kan tijdelijk of levenslang en levensbreed worden ingezet in het kader van respijtzorg en ter vervanging van school. Het eigen netwerk of lokale voorzieningen zijn altijd voorliggend. Zie respijtzorg in hoofdstuk 1. Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar andere tijdsbesteding, zoals school of andere vrijetijdsbesteding. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na-traject betreft ongeveer 4 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen 4-18 jaar |
|
|
|
Activiteiten |
|
|
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
|
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
Evidence of practice based |
Methodisch, practice based |
De zorg mag alleen geboden worden, wanneer de zorgaanbieder de zorg aan laat sluiten op het OPP. |
|
|
Functieprofiel |
MBO/HBO |
|
Functiemix |
De Jeugdhulp wordt ten minste uitgevoerd door een MBO opgeleide jeugd- en gezinsprofessional die beschikt over een registratie in het mbo-registerplein ‘sociaal werker’, (dan wel dat de jeugdhulpaanbieder op verzoek een overzicht kan aanleveren van een passend scholings- of opleidingsplan); De regievoering/inhoudelijke coördinatie van het werkproces wordt uitgevoerd door ten minste een SKJ geregistreerde HBO opgeleide jeugd- en gezinsprofessional. |
|
Regiebehandelaar |
Nee |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 6 |
|
Ratio begeleider : jeugdige |
1:6 |
|
Dagbesteding intensief |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Dagdelen |
|
Duur |
Maximaal 6 maanden. i.h.k.v. respijtzorg maximaal 6 maanden |
|
Intensiteit |
Maximaal 9 dagdelen per week. i.h.k.v. respijtzorg 2 dagdelen per week |
|
Omschrijving |
|
|
Het product dagbesteding betreft een dagprogramma met begeleiding (in een groep) waarbij kinderen en jeugdigen jonger dan 18 jaar verschillende activiteiten krijgen aangeboden gedurende een aantal dagdelen. Het betreft een gestructureerd dagprogramma met een pedagogisch groepsklimaat. De begeleiding is erop gericht de jeugdige zoveel mogelijk zelfstandig te laten zijn. Maar ook ter ondersteunen bij het plannen van activiteiten, het nemen van besluiten of het regelen van dagelijkse zaken. Het samenstellen van de activiteiten voor de jeugdige is maatwerk. Samen met de ouders wordt het ontwikkelingsperspectief door school opgesteld dat gericht is op het ontwikkelperspectief van de jeugdige. Het OPP wordt opgesteld door het onderwijs voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben en bevat afspraken tussen school, de leerling en de ouders over de benodigde zorg en begeleiding. De zorgaanbieder heeft inzage in het OPP de aangeboden activiteiten passen bij het beschreven Ontwikkel Perspectief. De zorg mag alleen geboden worden, wanneer de zorgaanbieder de zorg aan laat sluiten op het OPP. Het betreft niet de activiteiten die vallen onder de algemene gemeentelijke voorzieningen of naschoolse activiteiten voor jeugdigen. Het betreft hier ook niet de activiteiten die bekostigd dienen te worden vanuit de Participatiewet dan wel vanuit onderwijs. Dagbesteding intensief kan tijdelijk of levenslang en levensbreed worden ingezet in het kader van respijtzorg en ter vervanging van school. Het eigen netwerk of lokale voorzieningen zijn altijd voorliggend. Zie respijtzorg in hoofdstuk 1. Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar andere tijdsbesteding, zoals school of andere vrijetijdsbesteding. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na-traject betreft ongeveer 4 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen van 0-18 jaar |
|
Dagbesteding intensief is bedoeld voor:
|
|
|
Activiteiten |
|
Samenwerking, overleg en afstemming met de ouder(s) gericht op opvoed- en ontwikkelingsvragen. Er wordt zodanig contact onderhouden met ouders/verzorgers dat het geleerde op de voorziening ook thuis geoefend kan worden en andersom. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
|
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
Evidence of practice based |
Methodisch, practice based |
|
|
|
Functieprofiel |
HBO/WO onder verantwoordelijkheid van SKJ geregistreerde een gedragswetenschapper |
|
Functiemix |
De Jeugdhulp wordt ten minste uitgevoerd door een HBO opgeleide professional. De regievoering/ inhoudelijke coördinatie van het werkproces wordt uitgevoerd door ten minste een WO opgeleidegedragswetenschapper. |
|
Regiebehandelaar |
Nee |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 4 |
|
Ratio begeleider : jeugdige |
1:4 |
|
Naschoolse dagbesteding |
||
|
Normenkader |
||
|
Eenheid |
Dagdelen |
|
|
Duur |
De duur is gelijk aan de duur van de dagbehandelingsvoorzieningen |
|
|
Intensiteit |
Maximaal 3 dagdelen per werkweek |
|
|
Omschrijving |
||
|
Naschoolse dagbesteding kan alleen ingezet worden in combinatie met een schoolvervangende dagbehandelingsvoorziening in het geval deze jeugdigen ook na schooltijd ondersteunende dagbesteding nodig hebben en voor wie de ondersteuning in BSO+ ontoereikend of onwenselijk is. |
||
|
Doelgroep |
||
|
Voor wie? |
Jeugdigen van 4 tot maximaal 18 jaar |
|
|
Naschoolse dagbesteding is bedoeld voor jeugdigen die naar een schoolvervangende dagbehandelingsvoorziening gaan en wiens ouder(s) werken of studeren. |
||
|
Resultaten |
||
|
Type resultaat |
|
|
|
Er is sprake van gestructureerde besteding van de middag, met ruimte voor ontspanning en het ontwikkelen van vaardigheden voor het besteden van vrije tijd met andere jeugdigen. |
||
|
Dienst specifieke eisen |
||
|
Evidence of practice based |
Methodisch, practice based |
|
|
||
|
Functieprofiel |
MBO/HBO De begeleiding vindt plaats door SKJ-geregistreerde medewerkers |
|
|
Functiemix |
Het zwaartepunt ligt bij een inzet van SKJ geregistreerde HBO professionals, die in de uitvoering van hun werk ondersteund kunnen worden door een MBO opgeleide jeugd- en gezinsprofessional die als 'sociaal werker' geregistreerd staat. |
|
|
Regiebehandelaar |
Nee |
|
|
Groepsgrootte |
Maximaal 8 |
|
|
Ratio begeleider : jeugdige |
1:4 |
|
|
Dagbehandeling regulier |
||
|
Normenkader |
||
|
Eenheid |
Dagdelen |
|
|
Duur |
Regulier: Maximaal 6 maanden. Voor doelgroep levenslang en levensbreed: Maximaal 3 jaar |
|
|
Intensiteit |
Maximaal 9 dagdelen per week |
|
|
Omschrijving |
||
|
Bij deze dienst ligt de nadruk op het bieden van structuur en veiligheid om behandeling/ontwikkeling mogelijk te maken. Er is sprake van een therapeutisch groepsklimaat. Dagbehandeling regulier is jeugdhulp gericht op het herstellen of op gang brengen van een ernstig vastgelopen of verstoorde ontwikkeling van een jeugdige en het versterken van de opvoedingskracht van het gezin en/of gericht op belevingsgerichte activiteiten voor jeugdigen met een verstandelijke beperking. De hulp vindt plaats in een groep met een therapeutisch leefklimaat, gedurende één of meer dagdelen per week, afhankelijk van de behandelbehoefte. Er wordt een interventieprogramma in een structuurversterkend klimaat geboden door een multidisciplinair team. Ouder(s) worden altijd bij de behandeling betrokken. Afhankelijk van de behandel- en ondersteuningsvragen van de jeugdige en/of ouder(s) kan het aanbod verder bestaan uit:
Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar andere tijdsbesteding, zoals school of andere vrijetijdsbesteding. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na-traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
||
|
Doelgroep |
||
|
Voor wie? |
Jeugdigen 0-18 jaar |
|
|
||
|
Resultaten |
||
|
Type resultaat |
|
|
|
Dagbehandeling vindt altijd plaats met een concreet behandeldoel. Deze kunnen liggen op het gebied van:
|
||
|
Dienst specifieke eisen |
||
|
Evidence of practice based |
Methodisch, practice en evidence based |
|
|
||
|
Functieprofiel |
MBO /HBO/WO |
|
|
Functiemix |
Het zwaartepunt ligt bij een inzet van SKJ geregistreerde HBO professionals, die in de uitvoering van hun werk ondersteund kunnen worden door een MBO opgeleide jeugd- en gezinsprofessional die als 'sociaal werker' geregistreerd staat in het mbo-registerplein.Er is een SKJ of BIG geregistreerde gedragswetenschapper en/of een regiebehandelaar betrokken, beiden minstens WO-niveau. Deze is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de geleverde hulp. Het werk wordt uitgevoerd vanuit een multidisciplinair team, waar specifiek paramedisch personeel en/of vaktherapeuten onderdeel van uitmaken. |
|
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
|
Groepsgrootte |
Maximaal 8 |
|
|
Ratio begeleider: jeugdige |
1:4 |
|
|
Dagbehandeling intensief |
||
|
Normenkader |
||
|
Eenheid |
Dagdelen |
|
|
Duur |
Maximaal 6 maanden |
|
|
Intensiteit |
Maximaal 9 dagdelen per week |
|
|
Omschrijving |
||
|
Bij deze dienst ligt de nadruk op het bieden van structuur en veiligheid om behandeling/ontwikkeling mogelijk te maken. Er is sprake van een therapeutisch groepsklimaat. Dagbehandeling intensief is jeugdhulp gericht op het herstellen of op gang brengen van een ernstig vastgelopen of verstoorde ontwikkeling van een jeugdige en het versterken van de opvoedingskracht van het gezin en/of gericht op belevingsgerichte activiteiten voor jeugdigen met een verstandelijke beperking. De hulp vindt plaats in een groep met een therapeutisch leefklimaat, gedurende één of meer dagdelen per week, afhankelijk van de behandelbehoefte. Er wordt een interventieprogramma in een structuurversterkend klimaat geboden door een multidisciplinair team. Ouder(s) worden altijd bij de behandeling betrokken. Afhankelijk van de behandel- en ondersteuningsvragen van de jeugdige en/of ouder(s) kan het aanbod verder bestaan uit:
Het verschil met dagbehandeling regulier: Gedurende de dag momenten van één-op-één behandeling, bijvoorbeeld om de jeugdige te helpen het gedrag te reguleren.Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar andere tijdsbesteding, zoals school of andere vrijetijdsbesteding. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
||
|
Doelgroep |
||
|
Voor wie? |
Jeugdigen 0-18 jaar |
|
|
Dagbehandeling intensief is bedoeld voor jeugdigen:
Gezien de problematiek van de jeugdige wordt het noodzakelijk geacht individuele behandelmomenten op de dag te integreren om de doelen van de jeugdhulp te realiseren. |
||
|
Resultaten |
||
|
Type resultaat |
|
|
|
Dagbehandeling vindt altijd plaats met een concreet behandeldoel. Deze kunnen liggen op het gebied van:
|
||
|
Dienst specifieke eisen |
||
|
Evidence of practice based |
Therapeutisch en evidence based |
|
Afwijking van het normenkader (bv. meer dagdelen) is uitsluitend mogelijk na toestemming van de Centrale Intake EN als hiermee uithuisplaatsing wordt voorkomen. |
||
|
Functieprofiel |
MBO/HBO/WO |
|
|
Functiemix |
Het zwaartepunt ligt bij een inzet van SKJ geregistreerde HBO professionals, die in de uitvoering van hun werk ondersteund kunnen worden door een MBO opgeleide jeugd- en gezinsprofessional die als 'sociaal werker' geregistreerd staat in het mbo-registerplein. Er is een SKJ of BIG geregistreerde gedragswetenschapper en/of een regiebehandelaar betrokken, beiden minstens WO-niveau. Deze is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de geleverde hulp. Het werk wordt uitgevoerd vanuit een multidisciplinair team, waar specifiek paramedisch personeel en/of vaktherapeuten onderdeel van uitmaken. |
|
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
|
Groepsgrootte |
Maximaal 6 |
|
|
Ratio begeleider: jeugdige |
1:3 |
|
|
Dagbehandeling specialistisch (GGZ) |
|
|
Normenkader |
|
|
Tarief & eenheid |
Dagdeel |
|
Intensiteit |
Maximaal 9 dagdelen per week, maximaal 6 maanden |
|
Omschrijving |
|
|
Bij deze dienst ligt de nadruk op het bieden van structuur en veiligheid om behandeling mogelijk te maken. Er is sprake van een therapeutisch groepsklimaat. Dagbehandeling specialistisch is jeugdhulp gericht op het herstellen of op gang brengen van een ernstig vastgelopen of verstoorde ontwikkeling van een jeugdige en het versterken van de opvoedingskracht van het gezin als gevolg van een psychiatrische stoornis. De hulp vindt plaats in een groep gedurende een of meer dagdelen per week, afhankelijk van de behandelbehoefte. Er wordt een interventieprogramma in een structuurversterkend klimaat geboden door een multidisciplinair team. Ouder(s) worden altijd bij de behandeling betrokken. Afhankelijk van de behandel- en ondersteuningsvragen van de jeugdige en/of ouder(s) kan het aanbod verder bestaan uit:
|
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen 0-18 jaar |
|
Dagbehandeling specialistisch GGZ is bedoeld voor jeugdigen:
Het verschil met dagbehandeling regulier J&O/VG en dagbehandeling intensief J&O/VG: Er is sprake van ernstige psychiatrische problematiek. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
|
|
Dagbehandeling specialistisch GGZ vindt altijd plaats met een concreet behandeldoel. Deze is altijd: Behandeling van de psychiatrische problematiek. Aanvullende doelen kunnen liggen op het gebied van:
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
Evidence of practice based |
Therapeutisch, Evidence based |
|
|
|
Functieprofiel |
HBO/WO |
|
Functiemix |
Professionals dagbehandeling zijn SKJ/geregistreerd en hebben minimaal een relevante opleiding op (post)-hbo-niveau of wo-niveau. Regiebehandelaar Inzet therapie GZ psycholoog voor behandeling max 1 uur in de week Inzet paramedische en vaktherapie max 2 uur per week Inzet KJP max 1 uur per week Inzet multidisciplinair team |
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
Ratio begeleider: jeugdige |
1:4 |
Hoofdstuk 5: Jeugdhulp met verblijf
De diensten in dit hoofdstuk zijn uitsluitend te declareren door aanbieders die de Bijzondere Delen Overeenkomsten Wonen en/of Hoogspecialistische Jeugdhulp hebben ondertekend. Voor een aantal diensten is ondertekening van de Bijzondere Delen Overeenkomst Hoogspecialistische jeugdhulp een voorwaarde.
Overzicht
|
Diensten |
Pedagogisch leefklimaat |
Therapeutisch leefklimaat |
Combi met begeleiding binnen de voorzieningen |
Combi met behandeling binnen de voorziening |
Combi met dagbesteding/ dagbehandeling binnen de voorziening |
Uitsluitend beschikbaar vanuit BDO hoogspecialistisch |
|
Logeren (3 intensiteiten) |
X |
|
nee |
nee |
nee |
|
|
Pleegzorg (toeslag) intensief |
X |
|
Ligt niet voor de hand |
ja |
nee |
|
|
Pleegzorg regulier (voltijd) |
X |
|
Ja (ook in de vorm van respijtzorg) |
ja |
nee |
|
|
Pleegzorg regulier (deeltijd) |
X |
|
Ja (ook in de vorm van respijtzorg) |
ja |
nee |
|
|
Gezinshuis (2 intensiteiten) |
X |
|
Ja op basis van ondersteuningsbehoefte jeugdige, niet ter structurele aanvulling op de basisvoorziening van het gezinshuis |
ja |
nee |
|
|
Wonen met begeleiding - licht |
X |
|
Ja op basis van ondersteuningsbehoefte jeugdige, niet ter structurele aanvulling op de basisvoorziening. |
ja |
nee |
|
|
Wonen met begeleiding - regulier |
X |
|
Ja op basis van ondersteuningsbehoefte jeugdige, niet ter structurele aanvulling op de basisvoorziening. |
ja |
nee |
|
|
Wonen met begeleiding intensief |
X |
|
Ligt niet voor de hand |
ja |
Ligt niet voor de hand |
|
|
Verblijf met behandeling |
|
X |
Ligt niet voor de hand |
Aanvullend op therapeutisch klimaat |
Ja, dagbehandeling |
X |
|
Verblijf met behandeling - intensief |
|
X |
Ligt niet voor de hand |
Aanvullend op therapeutisch klimaat |
Ja dagbehandeling |
X |
|
Verblijf met behandeling – 3 milieu |
|
X |
Ligt niet voor de hand |
Aanvullend op therapeutisch klimaat |
Ja, indien geen school |
X |
|
Jeugdzorg Plus |
|
X |
Ligt niet voor de hand |
Aanvullend op therapeutisch klimaat |
Ja |
X |
|
HIC - GGZ |
|
X |
Ligt niet voor de hand |
Aanvullend op therapeutisch klimaat |
Ligt niet voor de hand |
X |
Indien jeugdige een eigen woonruimte heeft, zijn hoofdstuk 2, 3, 4 en 5 van toepassing.
Algemeen
In de tarieven voor verblijf is rekening gehouden met huisvestgingskosten, overhead, verzorgingskosten en kapitaallasten (indien van toepassing). Persoonlijke verzorging is een integraal onderdeel van dit tarief en wordt niet separaat gedeclareerd, tenzij sprake is van risicovolle handelingen (zie productomschrijving persoonlijke verzorging).
Kwaliteitseisen specifiek voor jeugdhulp met een verblijfscomponent
De volgende specifieke kwaliteitseisen gelden voor alle diensten in dit hoofdstuk:
- 1.
Iedere jeugdige heeft een mentor/vaste hulpverlener die ook beschikbaar is voor het gezin. Deze vaste mentor/hulpverlener is beschikbaar voor het na-traject. Een professional die voor de jeugdige de rol van mentor vervult heeft een vast dienstverband.
- 2.
Ouders en andere gezinsleden blijven of worden optimaal betrokken bij de jeugdige. Indien mogelijk participeren zij in de dagelijkse gang van zaken op de voorziening en worden zij in staat gesteld (een deel) van hun opvoedende taak zelf uit te voeren. Mogelijkheden van rooming-in (overnachten) worden optimaal benut en zo nodig uitgebreid. Dit geldt niet als de voorziening ingezet wordt als vorm van respijtzorg, hoewel ook dan overwogen kan worden om in het belang van de jeugdigen de ouders periodiek op onderdelen te laten participeren.
- 3.
Om de hulp beter de laten aansluiten bij de leefwereld van jeugdige en ouders worden:
- o
Aantoonbaar en structureel netwerkversterkende strategieën ingezet en/of
- o
Ervaringsdeskundigen ingezet;
- o
- 4.
Het is tijdig, uiterlijk bij het bereiken van 16e levensjaar, duidelijk wat de jeugdige na zijn 18e levensjaar nodig heeft. Deze eventuele hulp en ondersteuning wordt vanaf het 17e levensjaar ingeregeld. Er wordt hierbij nadrukkelijk aandacht besteed aan de vijf leefdomeinen Support (sociaal netwerk), wonen, school en werk, inkomen en schulden, welzijn en gezondheid.
Wat zit niet in het tarief?
- 1.
De inzet van de niet bevoegde ervaringsdeskundige wordt separaat gedeclareerd en maakt geen onderdeel uit van het tarief;
- 2.
Behandeling wordt, indien daadwerkelijk aangeboden, separaat gedeclareerd. Deze maakt geen onderdeel uit van het tarief. Indien voor de jeugdige aanvullend specifieke behandeling nodig is, kan hiervoor een van de diensten behandeling ingezet worden. Deze behandeling wordt dan niet uitgevoerd door de basisbezetting van deze voorziening.
Ontwikkelingen
In het kader van de afbouw Jeugdzorg Plus en het steeds beter ontwikkelen van inzicht in behoeften van jeugdigen zijn en worden zeer specifieke en kleinschalige verblijfsvormen ontwikkeld. Bij een beperkt aantal aanbieders zijn deze zeer kleinschalige verblijfsvormen ontwikkelt en we verwachten deze in de toekomst onder regie van de SOJ ZHZ mogelijk nog meer te ontwikkelen. Deze diensten zijn met zeer beperkte informatie opgenomen in de dienstomschrijvingen en kunnen in zeer beperkte mate na overleg met het expertteam en/of SOJ ZHZ ingezet worden.
Een dergelijke jeugdhulpdienst wordt uitsluitend in samenwerking met de SOJ ZHZ ontwikkeld voor jeugdigen uit de regio Zuid-Holland Zuid. Op basis van daadwerkelijke kosten worden vervolgens afspraken gemaakt of facturatie en declaratie. Deze route wordt uitsluitend gevolgd als de huidige dienstomschrijvingen significant afwijken van de uitvoering in de (nieuwe) voorziening.
|
Logeeropvang regulier |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal |
|
Duur |
2 jaar |
|
Intensiteit |
Maximaal 63 etmalen per jaar |
|
|
|
|
Omschrijving |
|
|
Logeren is gericht op het herstel van de draagkracht en de draaglast van het gezin (ouders, broers en zussen) of anderen die een jeugdige als gezinslid verzorgen en opvoeden. Daarnaast is logeren ook gericht op het realiseren van een time-out, rustpunt, voor jeugdigen die niet deel kunnen nemen aan het reguliere maatschappelijk verkeer en niet kunnen logeren binnen het netwerk en de informele zorg. De jeugdige verblijft tijdelijk elders waar verzorging, dagelijkse opvoeding en begeleiding en voor sommige jeugdigen (periodiek) ook specifieke opvoeding geboden wordt. Als meerdere kinderen in het gezin een indicatie voor logeeropvang hebben, dan gaan zij gelijktijdig naar dezelfde logeeropvang, tenzij in het gezinsplan gemotiveerd van deze richtlijn wordt afgeweken. Gedurende de periode dat deze voorziening ingezet wordt, wordt samen met het lokale team ofwel de GI de alternatieven in het voorveld en het netwerk onderzocht. Ambulant na-traject: de jeugdige/het gezin wordt begeleid in de afbouw van het gebruik van de logeervoorziening. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit het lokale team. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 4 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen uit gezinnen met complexe en meervoudige problemen EN/OF Jeugdigen vanaf 12 die niet deel kunnen nemen aan regulier maatschappelijk verkeer en niet kunnen logeren in netwerk of informele zorg |
|
Jeugdigen die geen gebruik kunnen maken van reguliere voorzieningen voor vrijetijdsbesteding, niet kunnen worden opgevangen in het netwerk of bij vrijwilligersinitiatieven zoals steungezinnen. Meer specifiek:
Logeren kan ook ingezet worden als respijtzorg/adempauze voor de jeugdige zelf. Dit kan als: Er geen enkele mogelijkheid is voor de jeugdige om te participeren in (regulier) maatschappelijk verkeer in de vrije tijd. De jeugdige kan niet deelnemen aan reguliere sport- of culturele activiteiten EN er zijn geen mogelijkheden voor opvang in het netwerk. Dit kan ook als de gezinssituatie een onevenredig grote druk legt op de draagkracht van de jeugdige. Er is met name sprake van gezinsproblematiek, denk aan verslaving ouders in combinatie met zeer beperkte of geen mogelijkheden binnen het netwerk. De jeugdige is in enige mate beperkt in zijn/haar ontwikkeling en de mate van zelfredzaamheid door een lichamelijke, zintuiglijke, cognitieve, verstandelijke beperking, of een psychiatrische of psychosociaal probleem, of een combinatie daarvan. Het gedrag van de jeugdige is voorspelbaar en risico`s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Goed genoeg ouderschap |
|
De ouder(s) kunnen hun opvoedtaak voldoende vormgeven (zie ’goed genoeg ouderschap’ in de richtlijn ‘gezinnen met complexe en meervoudige problemen’) dankzij de ontlasting die de logeeropvang hen biedt. Met de logeeropvang wordt eventuele dreigende uithuisplaatsing (mede) voorkomen. De jeugdige ondervindt geen nadelige gevolgen van de logeeropvang en neemt deel aan het maatschappelijk verkeer, namelijk onderneemt activiteiten buitenshuis. Alternatieven in het netwerk en bij reguliere voorzieningen zijn met ouders en het lokaal team nader onderzocht. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
|
|
Functieprofiel |
MBO/HBO |
|
Functiemix |
De begeleiding wordt voornamelijk geleverd door professionals met een opleidingsniveau variërend van MBO-niveau 3/4, onder verantwoordelijkheid van een SKJ geregistreerde jeugd- en gezinsprofessional, die in dienst is van de organisatie of aantoonbaar hiertoe vastgelegde samenwerkingsafspraken heeft met een voor Jeugdhulp in ZHZ gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. 24-uurs verblijf, dagbesteding en het creëren van een passend pedagogisch klimaat is integraal onderdeel van deze dienst. |
|
Regiebehandelaar |
Nee |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 8 |
|
Ratio begeleider: jeugdige |
2:8, slapende nachtdienst, waarvan tenminste 1 geschoolde pedagogische medewerker |
|
Logeeropvang intensief |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal |
|
Duur |
1 jaar |
|
Intensiteit |
Maximaal 63 etmalen |
|
|
|
|
Omschrijving |
|
|
Logeren is gericht op het herstel van de draagkracht en de draaglast van het gezin (ouders, broers en zussen) of anderen die een jeugdige als gezinslid verzorgen en opvoeden. Daarnaast is logeren ook gericht op het realiseren van een time-out, rustpunt, voor jeugdigen die niet deel kunnen nemen aan het reguliere maatschappelijk verkeer en niet kunnen logeren binnen het netwerk en de informele zorg. De jeugdige verblijft tijdelijk elders waar verzorging, dagelijkse opvoeding en begeleiding en voor sommige jeugdigen (periodiek) ook specifieke opvoeding geboden wordt. Als meerdere kinderen in het gezin een indicatie voor logeeropvang hebben, dan gaan zij gelijktijdig naar dezelfde logeeropvang, tenzij in het gezinsplan gemotiveerd van deze richtlijn wordt afgeweken. Gedurende de periode dat deze voorziening ingezet wordt, wordt samen met het lokale team ofwel de GI de alternatieven in het voorveld en het netwerk onderzocht. Ambulant na-traject: de jeugdige/het gezin wordt begeleid in de afbouw van het gebruik van de logeervoorziening. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit het lokale team. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 4 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen uit gezinnen met complexe en meervoudige problemen en/of Jeugdigen vanaf 12 die niet deel kunnen nemen aan regulier maatschappelijk verkeer en niet kunnen logeren in netwerk of informele zorg |
|
Jeugdigen die geen gebruik kunnen maken van reguliere voorzieningen voor vrijetijdsbesteding, niet kunnen worden opgevangen in het netwerk of bij vrijwilligersinitiatieven zoals steungezinnen. Meer specifiek:
De jeugdige is in hoge mate beperkt in zelfredzaamheid door een lichamelijke, zintuiglijke, cognitieve, verstandelijke beperking, of een psychiatrische of psychosociaal probleem, of een combinatie daarvan. Het gedrag van de jeugdige is redelijk voorspelbaar en risico`s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Goed genoeg ouderschap |
|
De ouder(s) kunnen hun opvoedtaak voldoende vormgeven (zie ’goed genoeg ouderschap’ in de richtlijn ‘gezinnen met complexe en meervoudige problemen’) dankzij de ontlasting die de logeeropvang hen biedt. Met de logeeropvang wordt eventuele dreigende uithuisplaatsing (mede) voorkomen. De jeugdige ondervindt geen nadelige gevolgen van de logeeropvang en neemt deel aan het maatschappelijk verkeer, namelijk onderneemt activiteiten buitenshuis. Alternatieven in het netwerk en bij reguliere voorzieningen zijn met ouders en het lokaal team nader onderzocht. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
|
|
Functieprofiel |
HBO / MBO |
|
Functiemix |
De begeleiding wordt geleverd door professionals met een opleidingsniveau variërend van MBO-niveau 3 tot en met HBO (functiemix), onder verantwoordelijkheid van een SKJ geregistreerde jeugd- en gezinsprofessional. 24-uurs verblijf, dagbesteding en het creëren van een passend pedagogisch klimaat is integraal onderdeel van deze dienst. |
|
Regiebehandelaar |
Nee |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 6 |
|
Ratio begeleider: jeugdige |
2:6, slapende nachtdienst, waarvan tenminste 1 geschoolde pedagogische medewerker |
|
Logeeropvang extra intensief |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal |
|
Duur |
1 jaar |
|
Intensiteit |
Maximaal 63 etmalen |
|
Omschrijving |
|
|
Type dienst |
Verblijf |
|
Logeren is gericht op het herstel van de draagkracht en de draaglast van het gezin (ouders, broers en zussen) of anderen die een jeugdige als gezinslid verzorgen en opvoeden. Daarnaast is logeren ook gericht op het realiseren van een time-out, rustpunt, voor jeugdigen die niet deel kunnen nemen aan het reguliere maatschappelijk verkeer en niet kunnen logeren binnen het netwerk en de informele zorg. De jeugdige verblijft tijdelijk elders waar verzorging, dagelijkse opvoeding en begeleiding en voor sommige jeugdigen (periodiek) ook specifieke opvoeding geboden wordt. Als meerdere kinderen in het gezin een indicatie voor logeeropvang hebben, dan gaan zij gelijktijdig naar dezelfde logeeropvang, tenzij in het gezinsplan gemotiveerd van deze richtlijn wordt afgeweken. Gedurende de periode dat deze voorziening ingezet wordt, wordt samen met het lokale team ofwel de GI de alternatieven in het voorveld en het netwerk onderzocht. Ambulant na-traject: de jeugdige/het gezin wordt begeleid in de afbouw van het gebruik van de logeervoorziening. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit het lokale team. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 4 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen uit gezinnen met complexe en meervoudige problemen en/of Jeugdigen vanaf 12 die niet deel kunnen nemen aan regulier maatschappelijk verkeer en niet kunnen logeren in netwerk of informele zorg |
|
Jeugdigen die geen gebruik kunnen maken van reguliere voorzieningen voor vrijetijdsbesteding, niet kunnen worden opgevangen in het netwerk of bij vrijwilligersinitiatieven zoals steungezinnen. Meer specifiek:
De jeugdige is in hoge mate beperkt in zelfredzaamheid door een lichamelijke, zintuiglijke, cognitieve, verstandelijke beperking, of een psychiatrische of psychosociaal probleem, of een combinatie daarvan. Het gedrag van de jeugdige is soms onvoorspelbaar en risico`s als gevolg van de problematiek zijn niet altijd goed in te schatten. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Goed genoeg ouderschap |
|
De ouder(s) kunnen hun opvoedtaak voldoende vormgeven (zie ’goed genoeg ouderschap’ in de richtlijn ‘gezinnen met complexe en meervoudige problemen’) dankzij de ontlasting die de logeeropvang hen biedt. Met de logeeropvang wordt eventuele dreigende uithuisplaatsing (mede) voorkomen. De jeugdige ondervindt geen nadelige gevolgen van de logeeropvang en neemt deel aan het maatschappelijk verkeer, namelijk onderneemt activiteiten buitenshuis. Alternatieven in het netwerk en bij reguliere voorzieningen zijn met ouders en het lokaal team nader onderzocht. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
|
|
Functieprofiel |
HBO / MBO |
|
Functiemix |
De begeleiding wordt geleverd door professionals met een opleidingsniveau variërend van MBO-niveau 4 tot en met HBO (functiemix), onder verantwoordelijkheid van een SKJ geregistreerde jeugd- en gezinsprofessional. 24-uurs verblijf, dagbesteding en het creëren van een passend pedagogisch klimaat is integraal onderdeel van deze dienst. |
|
Regiebehandelaar |
Nee |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 4 |
|
|
|
|
Ratio begeleider : jeugdige |
2:4, slapende nachtdienst, waarvan tenminste 1 geschoolde pedagogische medewerker |
|
Pleegzorg regulier (voltijd) |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal |
|
Gemiddelde trajectprijs |
Niet van toepassing |
|
Duur |
Geen maximum |
|
Intensiteit |
Minimaal 4 etmalen per week, maximaal 7 etmalen per week |
|
Verlengde jeugdzorg |
Plaatsing is wettelijk mogelijk tot 21 jaar en dat is geen verlengde jeugdhulp. Het uitgangspunt is daarbij: ‘ja, tenzij’. Verlengde jeugdhulp is indien nodig mogelijk tot 23 jaar, ligt echter niet voor de hand, WMO is voorliggend. |
|
Omschrijving |
|
|
Pleegzorg is een vorm van hulp waarbij een jeugdige tijdelijk en zo mogelijk in deeltijd in een ander gezin gaat wonen. De jeugdige wordt dan niet door de eigen ouders maar door pleegouders verzorgd en opgevoed. Pleegkinderen blijven de wettelijke kinderen van hun ouders. De jeugdige kan de hele week in een pleeggezin wonen. Wanneer de jeugdige fulltime in het pleeggezin woont, kan ook af en toe in het weekend of in een vakantie bij een ander pleeggezin, de logeeropvang, thuis of in het netwerk zijn. De pleegouder(s) biedt de jeugdige een vervangende opvoedsituatie: een veilig verblijf, goede verzorging en opvoeding. Het 'zo gewoon mogelijk opgroeien' staat daarbij voorop. Soms is het om een duurzame plaatsing te realiseren nodig dat de jeugdige dagdelen of dagen in het weekend of in vakanties naar een ander pleeggezin gaat, gebruik maakt van logeeropvang of van gespecialiseerde opvang. Ambulant na-traject: De jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar huis of naar zelfstandigheid. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit de lokale verwijzers. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen van 0 tot 21 jaar |
|
Jeugdigen van 0 tot 21 jaar uit gezinnen waar de opvoedingsproblemen zo groot zijn dat de jeugdige tijdelijk of voor langere tijd niet meer volledig in het eigen gezin kan wonen en niet onbegeleid in het netwerk geplaatst kan worden. |
|
|
Activiteiten |
|
|
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Jeugdige groeit op in een veilige, geborgen omgeving |
|
De pleegouders voelen zich door de pleegouderbegeleiding gesteund in hun opvoedtaak. Een specifiek resultaat voor de jeugdige is dat hij/zij contact houdt met zijn/haar ouders en het eigen netwerk. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
|
|
Functieprofiel |
HBO/WO |
|
Functiemix |
De jeugdhulp wordt ten minste uitgevoerd door HBO opgeleide SKJ geregistreerde jeugd- en gezinsprofessionals; De regievoering/ inhoudelijke coördinatie van het werkproces wordt uitgevoerd door ten minste een SKJ en geregistreerde gedragswetenschapper/gedragsdeskundige (orthopedagoog, ontwikkelingspsycholoog of psycholoog met afstudeerrichting klinische psychologie); |
|
Regiebehandelaar |
Nee |
|
Pleegzorg regulier (deeltijd) |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmalen |
|
Gemiddelde trajectprijs |
Niet van toepassing |
|
Duur |
Geen maximum |
|
Intensiteit |
Maximaal 3 etmalen per week |
|
Verlengde jeugdzorg |
Plaatsing is wettelijk mogelijk tot 21 jaar en dat is geen verlengde jeugdhulp. Het uitgangspunt is daarbij: ‘ja, tenzij’. Verlengde jeugdhulp is indien nodig mogelijk tot 23 jaar, ligt echter niet voor de hand, WMO is voorliggend. |
|
Omschrijving |
|
|
Pleegzorg is een vorm van hulp waarbij een jeugdige tijdelijk en zo mogelijk in deeltijd in een ander gezin gaat wonen. De jeugdige wordt dan niet door de eigen ouders maar door pleegouders verzorgd en opgevoed. Pleegkinderen blijven de wettelijke kinderen van hun ouders. Deeltijd pleegzorg wordt ingezet als vorm van respijtzorg voor de jeugdige en/of het basisgezin (dit kan ook andere verblijfplaats zijn dan bij de ouders, denk aan een ander pleeggezin of gezinshuis zijn). Deeltijd pleegzorg wordt uitsluitend ingezet als alle mogelijkheden in het netwerk van de jeugdige en/of het basisgezin zijn uitgeput. De pleegouder(s) biedt de jeugdige een vervangende opvoedsituatie: een veilig verblijf, goede verzorging en opvoeding. Het 'zo gewoon mogelijk opgroeien' staat daarbij voorop. Ambulant na-traject: De jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar huis of naar zelfstandigheid. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit de lokale verwijzers. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen van 0 tot 21 jaar |
|
Jeugdigen van 0 tot 21 jaar uit gezinnen waar de opvoedingsproblemen zo groot zijn dat de jeugdige tijdelijk of voor langere tijd niet meer volledig in het eigen gezin kan wonen en niet onbegeleid in het netwerk geplaatst kan worden. |
|
|
Activiteiten |
|
|
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Jeugdige groeit op in een veilige, geborgen omgeving |
|
De pleegouders voelen zich door de pleegouderbegeleiding gesteund in hun opvoedtaak. Een specifiek resultaat voor de jeugdige is dat hij/zij contact houdt met zijn/haar ouders en het eigen netwerk. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
|
|
Functieprofiel |
HBO/WO |
|
Functiemix |
De jeugdhulp wordt ten minste uitgevoerd door HBO opgeleide SKJ geregistreerde jeugd- en gezinsprofessionals; De regievoering/ inhoudelijke coördinatie van het werkproces wordt uitgevoerd door ten minste een SKJ en geregistreerde gedragswetenschapper/gedragsdeskundige (orthopedagoog, ontwikkelingspsycholoog of psycholoog met afstudeerrichting klinische psychologie); |
|
Regiebehandelaar |
Nee |
|
Pleegzorg (toeslag) intensief |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Toeslag per etmaal |
|
Gemiddelde trajectprijs |
Niet van toepassing |
|
Duur |
Maximaal 12 maanden Bij crisisplaatsing; maximaal 2 maanden |
|
Intensiteit |
Maximaal 7 etmalen per week |
|
Verlengde jeugdzorg |
Plaatsing is wettelijk mogelijk tot 21 jaar en dat is geen verlengde jeugdhulp. Het uitgangspunt is daarbij: ‘ja, tenzij’. Verlengde jeugdhulp is indien nodig mogelijk tot 23 jaar, ligt echter niet voor de hand, WMO is voorliggend. |
|
Omschrijving |
|
|
Pleegzorg is een vorm van hulp waarbij een jeugdige tijdelijk en zo mogelijk in deeltijd in een ander gezin gaat wonen. De jeugdige wordt dan niet door de eigen ouders maar door pleegouders verzorgd en opgevoed. Pleegkinderen blijven de wettelijke kinderen van hun ouders. De jeugdige kan de hele week in een pleeggezin wonen. Wanneer de jeugdige fulltime in het pleeggezin woont, kan ook af en toe in het weekend of in een vakantie bij een ander pleeggezin, de logeeropvang, thuis of in het netwerk zijn. Onder pleegzorg valt zowel voltijd- als deeltijdpleegzorg. De pleegouder(s) biedt de jeugdige een vervangende opvoedsituatie: een veilig verblijf, goede verzorging en opvoeding. Het 'zo gewoon mogelijk opgroeien' staat daarbij voorop. Verschil met Pleegzorg Regulier Het product ‘pleegzorg (toeslag) intensief' onderscheidt zich van ‘pleegzorg regulier’, omdat er meer tijd is ingeruimd om bijvoorbeeld in het eerste jaar het perspectiefonderzoek goed uit te kunnen voeren en/of meer uren pleegzorgbegeleiding te kunnen bieden. In pleegzorg (toeslag) intensief wordt altijd een team samengesteld rondom de jeugdige. Dit team bestaat uit ouders, pleegouders, betrokken professionals en netwerkleden. De jeugdige wijst een vertrouwenspersoon uit zijn eigen netwerk aan en ook deze vertrouwenspersoon maakt deel uit van het team rondom de jeugdige. Pleegzorg (toeslag) intensief wordt ingezet
Plaatsing in het netwerk wordt altijd onderzocht en indien dit niet mogelijk is dan wordt dit door de jeugdhulpaanbieder gemotiveerd vastgelegd in het dossier van de jeugdige. Als netwerkplaatsing niet mogelijk is, worden pleegouders gezocht in de leefomgeving van de jeugdige. Indien de jeugdige bij bestandspleegouders wordt geplaatst, dan wordt de plaatsing gerealiseerd in de regio Zuid-Holland Zuid, zo dicht mogelijk bij de leefomgeving van de jeugdige (tenzij dit vanuit zorginhoudelijke overwegingen niet wenselijk is). De jeugdige gaat bij voorkeur naar zijn eigen school, als dat een beschermende, positieve factor is. Kan de jeugdige niet naar zijn eigen school, dan is gemotiveerd in het dossier beschreven waarom niet. Geen vervoer mag nooit de reden zijn. Pleegzorg kan een tijdelijke situatie zijn met als perspectief de terugkeer in het eigen gezin (hulpverleningsperspectief). Als terugkeer in het eigen gezin niet meer mogelijk is, is de pleegzorg gericht op langdurige opvoeding in het pleeggezin (opvoedingsperspectief). Het perspectief moet binnen een half jaar worden bepaald. Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar huis of richting zelfstandigheid. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit de lokale verwijzers. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen van 0 tot 21 jaar |
|
Jeugdigen van 0 tot 21 jaar uit gezinnen waar de opvoedingsproblemen zo groot zijn dat de jeugdige tijdelijk of voor langere tijd niet meer volledig in het eigen gezin kan wonen en niet onbegeleid in het netwerk geplaatst kan worden. |
|
|
Activiteiten |
|
|
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Stabiele opgroeisituatie en duidelijkheid over het perspectief (jeugdige) |
|
Ouders en pleegouders voelen zich door de pleegzorgbegeleiding gesteund in hun opvoedtaak. De jeugdige houdt contact met zijn/haar ouders en het eigen netwerk. Het perspectiefonderzoek is uitgevoerd en het perspectief is helder. Binnen dit onderzoek is nadrukkelijk aandacht besteed in de mogelijkheden en kansen binnen het (bredere) netwerk van de jeugdige/het gezin. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
Het perspectief wordt binnen een half jaar bepaald. Indien de jeugdhulpaanbieder meer tijd nodig heeft dan een half jaar om tot een advies over het perspectief te komen, dan wordt zodra dit duidelijk is contact opgenomen met de verwijzer of de gecertificeerde instelling en wordt in het dossier vastgelegd waarom het perspectief nog niet duidelijk is, waarom en wat er wel voor nodig is om dit te bepalen.
|
|
|
Functieprofiel |
De jeugdhulp (begeleiding en het perspectiefonderzoek) wordt ten minste uitgevoerd door HBO opgeleide SKJ geregistreerde jeugd- en gezinsprofessionals; De regievoering/ inhoudelijke coördinatie van het werkproces wordt uitgevoerd door ten minste een SKJ geregistreerde gedragswetenschapper/gedragsdeskundige (orthopedagoog, ontwikkelingspsycholoog of psycholoog met afstudeerrichting klinische psychologie); |
|
Functiemix |
HBO/WO |
|
Regiebehandelaar |
Nee |
|
Gezinshuis regulier |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal |
|
Duur |
Geen maximum |
|
Verlengde jeugdzorg |
Plaatsing is wettelijk mogelijk tot 21 jaar en dat is geen verlengde jeugdhulp. Het uitgangspunt is daarbij: ‘ja, tenzij’. Verlengde jeugdhulp is indien nodig mogelijk tot 23 jaar, ligt echter niet voor de hand, WMO is voorliggend. |
|
Omschrijving |
|
|
Een gezinshuis is een kleinschalige vorm van jeugdhulp - georganiseerd vanuit een natuurlijk gezinssysteem waar gezinshuisouders volgens het 24x7-principe opvoeding, ondersteuning en zorg bieden aan bij hen in huis geplaatste jeugdigen die tijdelijk of langdurig zijn aangewezen op intensieve en professionele hulpverlening als gevolg van beschadigende ervaringen en/of complexe problematiek. Waar mogelijk en nodig wordt ook de terugkeer naar huis, onderwijs en de doorstroom naar werk of arbeidsmatige dagbesteding gerealiseerd. In een gezinshuis is ten minste één van de ouders professioneel opvoeder. Er is sprake van een hybride vorm van opgroeien, die deels normaal en deels professioneel van aard is. Jeugdigen die in een gezinshuis geplaatst worden, zijn vanzelfsprekend onderdeel van het bredere netwerk waar het gezinshuis in is ingebed en horen er daardoor bij (inclusie). Voor een gezonde ontwikkeling van de jeugdige is het belangrijk dat waar mogelijk ouders en gezinshuisouders intensief samenwerken aan de opvoeding en de toekomst van de jeugdige. Bij plaatsing in een gezinshuis wordt de jeugdige opgenomen in een gezin en ook het bredere netwerk neemt de jeugdige op natuurlijke wijze op. De bewoners van een gezinshuis vormen een geheel met (gezinshuis)ouders, eventuele eigen en andermans kinderen en betekenisvolle anderen buiten het gezinshuis. Jeugdigen die in een gezinshuis geplaatst worden, zijn vanzelfsprekend onderdeel van het bredere netwerk waar het gezinshuis in is ingebed en horen er daardoor bij (inclusie). De gezinshuisouder kan andere gezinshuisouders inzetten om het gezinshuis in het weekend of tijdens een vakantie over te nemen. Hoe vaak een 'weekendgezinshuisouder' wordt ingezet is niet strikt ingekaderd. Uitgangspunt hierbij is wel de basis uit de definitie, namelijk: een natuurlijk gezinssysteem. Ambulant na-traject: De jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar bijvoorbeeld thuis, een pleeggezin of richting zelfstandigheid. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit de lokale verwijzers. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen van 0 tot 21 jaar |
|
Jeugdigen die tijdelijk of blijvend niet thuis kunnen wonen en voor wie pleegzorg niet mogelijk is vanwege de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. Kenmerkend voor de doelgroep is dat zij naast verzorging en alledaagse opvoeding, structureel een beroep doen op specifieke opvoedingsvaardigheden. Dat kan het geval zijn als er sprake is van beperkingen, trauma’s, verwaarlozing, misbruik en/of mishandeling. Wanneer jeugdigen (hierdoor) moeilijk verstaanbaar gedrag ontwikkelen (acting-out en/of acting-in), vraagt dat om specifieke, het alledaagse overstijgende opvoedvaardigheden, veel extra aandacht en dus professionele vaardigheden om hiermee om te gaan. Gezinshuisouders onderscheiden zich hierin van pleegouders. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Afschalen of stabiele woonplek |
|
De jeugdige die (tijdelijk) niet meer thuis kan wonen, wordt een veilige en geborgen plaats geboden binnen een gezinsverband. De in te zetten jeugdhulp richt zich op een positieve ontwikkeling van de jeugdige, waardoor terugkeer naar huis, plaatsing in een (netwerk)pleeggezin, zelfstandig wonen wordt gerealiseerd. Is dat niet haalbaar dan is het streven een stabiele situatie in gezinshuis waarin de jeugdige zich zo goed mogelijk ontwikkeld. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
|
|
Functieprofiel |
HBO |
|
Functiemix |
Tenminste 1 van de gezinshuisouders beschikt over orthopedagogische/(ped)agogische kennis en ervaring op HBO-opleidingsniveau en is SKJ en/of BIG geregistreerd. Gedragswetenschapper Multi Disciplinair Team |
|
Regiebehandelaar |
Nee |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 6 |
|
Gezinshuis intensief |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal |
|
Duur |
Geen maximum |
|
Verlengde jeugdzorg |
Plaatsing is wettelijk mogelijk tot 21 jaar en dat is geen verlengde jeugdhulp. Het uitgangspunt is daarbij: ‘ja, tenzij’. Verlengde jeugdhulp is mogelijk tot 23 jaar, ligt echter niet voor de hand, WMO is voorliggend. |
|
Omschrijving |
|
|
Een gezinshuis is een kleinschalige vorm van jeugdhulp - georganiseerd vanuit een natuurlijk gezinssysteem waar gezinshuisouders volgens het 24x7-principe opvoeding, ondersteuning en zorg bieden aan bij hen in huis geplaatste jeugdigen die tijdelijk of langdurig zijn aangewezen op intensieve en professionele hulpverlening als gevolg van beschadigende ervaringen en/of complexe problematiek. Waar mogelijk en nodig wordt ook de terugkeer naar huis, onderwijs en de doorstroom naar werk of arbeidsmatige dagbesteding gerealiseerd. In een gezinshuis is ten minste één van de ouders professioneel opvoeder. Er is sprake van een hybride vorm van opgroeien, die deels normaal en deels professioneel van aard is. Jeugdigen die in een gezinshuis geplaatst worden, zijn vanzelfsprekend onderdeel van het bredere netwerk waar het gezinshuis in is ingebed en horen er daardoor bij (inclusie). Voor een gezonde ontwikkeling van de jeugdige is het belangrijk dat waar mogelijk ouders en gezinshuisouders intensief samenwerken aan de opvoeding en de toekomst van de jeugdige. Bij plaatsing in een gezinshuis wordt de jeugdige opgenomen in een gezin en ook het bredere netwerk neemt de jeugdige op natuurlijke wijze op. De bewoners van een gezinshuis vormen een geheel met (gezinshuis)ouders, eventuele eigen en andermans kinderen en betekenisvolle anderen buiten het gezinshuis. Jeugdigen die in een gezinshuis geplaatst worden, zijn vanzelfsprekend onderdeel van het bredere netwerk waar het gezinshuis in is ingebed en horen er daardoor bij (inclusie). De gezinshuisouder kan andere gezinshuisouders inzetten om het gezinshuis in het weekend of tijdens een vakantie over te nemen. Hoe vaak een 'weekendgezinshuisouder' wordt ingezet is niet strikt ingekaderd. Uitgangspunt hierbij is wel de basis uit de definitie, namelijk: een natuurlijk gezinssysteem. Ambulant na-traject: De jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar bijvoorbeeld thuis, een pleeggezin of richting zelfstandigheid. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit de lokale verwijzers. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen van 0 tot 21 jaar |
|
Jeugdigen die tijdelijk of blijvend niet thuis kunnen wonen. De doelgroep onderscheidt zich van de doelgroep gezinshuis regulier door een hogere zorgzwaarte: hoge risico’s en behoeften en lage responsiviteit. Veelal zijn er vaardigheidstekorten op bijvoorbeeld het gebied van zelfzorg, zelfredzaamheid, sociale agressieregulatie en zijn er problemen op meerdere levensgebieden. Voor de doelgroep geldt dat er veelal sprake is van sterk ontregeld gedrag waarvoor een gezinshuis regulier of een leefgroep geen optie (meer) is. Naast de problematiek van de jeugdige zelf is er sprake van een onveilige of instabiele opvoed- en opgroeiomgeving en een ernstige verstoorde balans in de draagkracht en de draaglast. Er is veelal sprake van verstoorde gezagsverhouding, pedagogische onmacht en/of verwaarlozing/ mishandeling |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Stabiele woonplek |
|
De jeugdige die (tijdelijk) niet meer thuis kan wonen, wordt een veilige en geborgen plaats geboden binnen een gezinsverband. De in te zetten jeugdhulp richt zich op een positieve ontwikkeling van de jeugdige, waardoor terugkeer naar huis, plaatsing in een (netwerk)pleeggezin of zelfstandig wonen wordt gerealiseerd. Is dat niet haalbaar dan is het streven een stabiele situatie in gezinshuis waarin de jeugdige zich zo goed mogelijk ontwikkeld. Indien zou kunnen worden afgeschaald naar ‘gezinshuis regulier’ dan verhuisd de jeugdige niet, tenzij de overplaatsing meer oplevert dan dat deze kost voor de jeugdige. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
|
|
Functieprofiel |
HBO |
|
Functiemix |
Tenminste 1 van de gezinshuisouders beschikt over orthopedagogische/(ped)agogische kennis en ervaring op hbo-opleidingsniveau en is SKJ en/of BIG geregistreerd. Gedragswetenschapper Multi Disciplinair Team |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 6 |
|
Wonen met begeleiding licht |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal + 8 uur nazorg |
|
Intensiteit |
Maximaal 12 maanden |
|
|
|
|
Omschrijving |
Jeugdigen vanaf ongeveer 16 jaar |
|
In een voorzieningen voor wonen en begeleiding krijgen jeugdige met psychosociale-, gedragsproblemen en/of een (licht) verstandelijke beperking hulp en begeleiding. De instelling is dan de (tijdelijke) vaste woon- en verblijfplaats. Er kan sprake zijn van studio's of andere varianten Het betreft een voorziening met een pedagogisch leefklimaat, waar verzorging, alledaagse opvoeding, en periodiek specifieke opvoeding de kern is. Het betreft voorzieningen waar geoefend wordt met zelfstandig wonen en zo zelfstandig mogelijk leven. Er wordt nadrukkelijk geïnvesteerd in het versterken van het netwerk van de jeugdige en de ouders. Hiertoe worden erkende, goed beschreven interventies ingezet. De mogelijke meerwaarde voor de inzet van een ervaringsdeskundige voor de ouders of de jeugdige wordt doelgericht met hen besproken. Indien mogelijk participeren ouders, ook binnen, bij de dagelijkse begeleiding en opvoeding van de jeugdige. De jeugdige gaat in principe naar school of werk. Als dagbesteding buiten de woonlocatie ingezet wordt, wordt deze separaat gedeclareerd. Bedbezetting: Het merendeel van de jeugdigen gaat in het kader van het ontwikkelplan regelmatig enkele dagen (weekend of doordeweeks) naar huis en maakt dan geen gebruik van de verblijfsfaciliteiten. Toezicht/beveiliging: Jeugdigen kunnen zonder toestemming de verblijfsvorm verlaten, tenzij er specifieke afspraken van toepassing zijn. Kenmerken huisvesting: Open verblijfsvorm voor basis verblijf zonder specifieke aanpassingen. Ambulant na-traject: De jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen vanaf ongeveer 16 jaar |
|
Jeugdige die niet in het eigen gezin, binnen het eigen netwerk, of in een gezinsetting op kan groeien. Jeugdige kan problematiek hebben op het gebied van gedrag, psychosociaal of een (licht) verstandelijke beperking. Jeugdige is in staat om (redelijk) zelfstandig te functioneren, gaat o.a. naar school, en verblijf is gericht op het zelfstandig wonen of terugkeer naar een gezinssysteem. Ondersteuning is gericht op de ouder(s) en jeugdige. Het betreft voornamelijk jeugdigen in de leeftijd vanaf 16 jaar. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Zelfstandig wonen en leven |
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
Practice based |
|
|
|
Functieprofiel |
MBO/HBO/WO |
|
Functiemix |
|
|
Regiebehandelaar |
Ja, gedragswetenschapper |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 8 |
|
Wonen met begeleiding - regulier |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal + 8 uur nazorg |
|
Intensiteit |
Maximaal 24 maanden |
|
Omschrijving |
|
|
In een voorzieningen voor wonen en begeleiding regulier krijgen jeugdigen met psychosociale-, gedragsproblemen en/of een (licht) verstandelijke beperking hulp en begeleiding. De instelling is dan de (tijdelijke) vaste woon- en verblijfplaats. Het betreft een voorziening met een pedagogisch leefklimaat, waar verzorging, alledaagse opvoeding, en periodiek specifieke opvoeding de kern is. Het betreft voorzieningen waar geoefend wordt met zelfstandig wonen en zo zelfstandig mogelijk leven. Er wordt nadrukkelijk geïnvesteerd in het versterken van het netwerk van de jeugdige en de ouders. Hiertoe worden erkende, goed beschreven interventies ingezet. De mogelijke meerwaarde voor de inzet van een ervaringsdeskundige voor de ouders of de jeugdige wordt doelgericht met hen besproken. Indien mogelijk participeren ouders, ook binnen, bij de dagelijkse begeleiding en opvoeding van de jeugdige. De jeugdige gaat in principe naar school of werk. Als dagbesteding buiten de woonlocatie ingezet wordt, wordt deze separaat gedeclareerd. Bedbezetting: Het merendeel van de jeugdigen gaat in het kader van het ontwikkelplan regelmatig enkele dagen (weekend of doordeweeks) naar huis en maakt dan geen gebruik van de verblijfsfaciliteiten. Toezicht/beveiliging: Jeugdigen kunnen zonder toestemming de verblijfsvorm verlaten, tenzij er specifieke afspraken van toepassing zijn. Kenmerken huisvesting: Open verblijfsvorm voor basis verblijf zonder specifieke aanpassingen. Ambulant na-traject: De jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen vanaf 12 jaar |
|
Jeugdige die niet in het eigen gezin, binnen het eigen netwerk, of in een gezinsetting op kan groeien. Jeugdige kan problematiek hebben op het gebied van gedrag, psychosociaal of een (licht) verstandelijke beperking. Jeugdige is in staat om (redelijk) zelfstandig te functioneren, gaat o.a. naar school, en verblijf is gericht op het zelfstandig wonen of terugkeer naar een gezinssysteem. Ondersteuning is gericht op de ouder(s) en jeugdige. De jeugdige is minder zelfredzaam dan binnen een voorziening wonen met begeleiding – licht. Dit kan komen door een jongere leeftijd, maar ook doordat de problematiek van de jeugdige hem/haar meer beperkt in het dagelijks leven. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Zelfstandig wonen en leven |
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
Practice based |
|
|
|
Functieprofiel |
MBO/HBO/WO |
|
Functiemix |
Begeleiding of ondersteuning via pedagogisch medewerker(s) ten behoeve van het pedagogische klimaat in de groep. Bij groep van 8 (gemiddelde groepsgrootte) is dat 115 uur per week. Consult en input van een gedragswetenschapper voor de groep, gericht op regie, kwaliteit en advies/sparring voor de pedagogisch medewerkers. |
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 8 |
|
Wonen met begeleiding - intensief |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal + 8 uur nazorg |
|
Intensiteit |
Maximaal 24 maanden |
|
Omschrijving |
Jeugdigen vanaf 12 jaar |
|
In een voorziening voor wonen en begeleiding intensief krijgen jeugdige met psychosociale-, gedragsproblemen en/of een (licht) verstandelijke beperking hulp en begeleiding. De instelling is de (tijdelijke) vaste woon- en verblijfplaats. Het betreft een voorziening met een pedagogisch leefklimaat, waar verzorging, alledaagse opvoeding, en specifieke opvoeding de kern is. De nadruk ligt op het bieden van structuur en veiligheid. Wat betreft de zelfstandigheid is wisselende begeleiding op aanvraag/behoefte noodzakelijk. De zelfredzaamheid van de jeugdigen is wisselend. Meestal is sprake van jeugdigen met gemiddelde/intensieve (gedrags)problemen (psychisch, sociaal en somatisch functioneren), waardoor er een noodzaak is tot verblijf buiten het eigen gezin. Wat betreft de ADL/BDL zijn begeleidende zorg en structureel toezicht noodzakelijk. Er wordt nadrukkelijk geïnvesteerd in het versterken van het netwerk van de jeugdige en de ouders. Hiertoe worden erkende, goed beschreven interventies ingezet. De mogelijke meerwaarde voor de inzet van een ervaringsdeskundige voor de ouders of de jeugdige wordt doelgericht met hen besproken. Indien mogelijk participeren ouders, ook binnen, bij de dagelijkse begeleiding en opvoeding van de jeugdige. Bedbezetting: Het merendeel van de jeugdigen blijft doorgaans doordeweeks dan wel in het weekend in de verblijfsvorm. Toezicht/beveiliging: Structurerende maatregelen en/of huisregels zijn op een groot gedeelte van de jeugdigen van toepassing. Jeugdigen verblijven voornamelijk in een open/besloten verblijfsvorm die gemiddeld tot intensieve bescherming biedt. Er is 24-uurs toezicht. Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid of naar wonen in het gezin/ een gezinssetting. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen vanaf 12 jaar |
|
Jeugdige die niet in het eigen gezin, binnen het eigen netwerk, of in een gezinsetting op kan groeien. Jeugdige kan problematiek hebben op het gebied van gedrag, psychosociaal of een (licht) verstandelijke beperking. Jeugdige is in staat om (redelijk) zelfstandig te functioneren, gaat o.a. naar school/werk (of dagbesteding), en verblijf is gericht op het zelfstandig wonen of terugkeer naar een gezinssysteem. Ondersteuning is gericht op de ouder(s) en jeugdige. Wat betreft de zelfstandigheid is wisselende begeleiding op aanvraag/behoefte noodzakelijk. De zelfredzaamheid van de jeugdigen is wisselend. Meestal is sprake van jeugdigen met gemiddelde/intensieve (gedrags-)problemen (psychisch, sociaal en somatisch functioneren), waardoor er een noodzaak is tot verblijf buiten het eigen gezin. Wat betreft de ADL/BDL zijn begeleidende zorg en structureel toezicht noodzakelijk. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Zelfstandig wonen en leven |
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
Evidence based |
|
|
|
Functieprofiel |
MBO/HBO/WO |
|
Functiemix |
Er wordt in de uitvoering hoofdzakelijk HBO geschoold personeel ingezet. |
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 8 |
|
Wonen met begeleiding – EXTRA intensief |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 4 |
|
EIS |
In uitzonderlijke situaties kan deze code worden afgegeven na afstemming met het expertteam. |
|
Verblijf met behandeling |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal + 8 uur nazorg |
|
Duur |
Maximaal 12 maanden |
|
Omschrijving |
|
|
Bij deze dienst ligt de nadruk op het bieden van structuur en veiligheid om behandeling mogelijk te maken. Er is sprake van een therapeutisch leefklimaat. Wat betreft de zelfstandigheid in het ADL/BDL is structureel begeleiding op aanvraag/behoefte nodig. De zelfredzaamheid van de jeugdigen is wisselend. Meestal is sprake van jeugdigen met intensieve (gedrags) problemen (psychisch, sociaal en somatisch functioneren), waardoor er een noodzaak is tot verblijf buiten het eigen gezin. Er is volledige begeleidende zorg en permanent (opvoedkundig) toezicht door het personeel noodzakelijk. Bedbezetting: De jeugdigen blijven doorgaans tijdens de duur, zeker in het begin, van het hulptraject in de verblijfsvorm. In het weekend gaan de jeugdigen, indien mogelijk, naar huis. Toezicht/beveiliging: Jeugdigen verblijven veelal in een open verblijfsvorm Door middel van nabijheid wordt veiligheid geboden. Er is 24-uurs toezicht. Kenmerken huisvesting: Overwegend open verblijfsvorm met mogelijke aanpassingen. Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid of naar wonen in het gezin/een gezinssetting. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
Jeugdigen die zeer ernstig belemmerd worden in dagelijks functioneren |
|
Voor wie? |
|
|
Meestal is sprake van jeugdigen met intensieve (gedrags)problemen (psychisch, sociaal en somatisch functioneren), mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking, waardoor er een noodzaak is tot verblijf buiten het eigen gezin. Het betreft jeugdigen uit gezinnen met (ernstige) problemen op meerdere levensgebieden EN/OF jeugdige met ernstige problematiek, bij wie ambulante behandeling tot nu toe onvoldoende resultaat heeft gegeven. Doel van dit verblijf is primair behandeling mogelijk te maken. De behandeling binnen deze dienst bestaat tenminste uit:
Indien voor de jeugdige aanvullend specifieke behandeling nodig is, kan hiervoor een van de diensten behandeling ingezet worden. Deze behandeling wordt dan niet uitgevoerd door de basisbezetting van deze voorziening. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Terug naar huis of naar een gezinssetting |
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
Evidence based |
|
|
|
Functieprofiel |
HBO/WO/WO+ |
|
Functiemix |
|
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 8 |
|
Ratio begeleider: jeugdige |
1 : 4 |
|
Verblijf met behandeling - intensief |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal + 4 uur nazorg |
|
Omschrijving |
|
|
Het betreft een (korte) klinische opname voor jeugdigen, als onderdeel van hun lopende (ambulante) behandeling. VOV-personeel is permanent beschikbaar. In voorkomende gevallen wordt hulp door medewerkers van andere afdelingen geboden. De nadruk ligt op het opleggen van oplossingen. Wat betreft de zelfstandigheid is er permanente begeleiding nodig. Bedbezetting: De jeugdigen blijven doorgaans tijdens de gehele duur van de behandeling in de verblijfsvorm. In het weekend gaan de jeugdigen, indien mogelijk, naar huis. Toezicht/beveiliging: Vrijheidsbeperkende maatregelen zijn op een gedeelte van de jeugdigen van toepassing. Jeugdigen verblijven in een gesloten of besloten verblijfsvorm, beschermend en beveiligd, waarbij het grootste deel van die jeugdigen zich niet aan het toezicht kan onttrekken. Er is 24-uurs toezicht. Kenmerken huisvesting: Besloten of gesloten verblijfsvorm. Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid of naar wonen in het gezin/ een gezinssetting. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 4 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
|
|
Het betreft jeugdigen met een ernstige verstoring in het functioneren door een verstoring in (bijvoorbeeld) het psychiatrisch ziektebeeld. Wat betreft de zelfstandigheid is er permanente begeleiding nodig. De zelfredzaamheid van de patiënten is laag. Een gedeeltelijk overname van zorg en permanent (opvoedkundig) toezicht door VOV-personeel is noodzakelijk. Er is sprake van gedragsproblemen/agressie. In het algemeen is sprake van intensieve dagelijkse begeleiding en dag structurering. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Stabilisatie |
|
|
|
Dienst specifieke eisen |
Evidence based |
|
Er is 24 uurs-aanwezigheid van minimaal één HBO-/WO-, en SKJ- of BIG-geregistreerde professional op de groep. Er wordt actief beleid gevoerd het gebruik van vrijheidsbeperkende maatregelen tot een maximum terug te dringen. De hulp wordt uitgevoerd vanuit een multidisciplinair team. Er is gedragswetenschappelijke expertise beschikbaar voor het team. Deze gedragswetenschapper/gedragsdeskundige/regiebehandelaar is minimaal WO-opgeleid. De landelijke richtlijn Residentiële Jeugdhulp wordt gevolgd. |
|
|
Functieprofiel |
HBO/WO/WO+ |
|
Functiemix |
Uitvoerend personeel op de groep hebben allen een SKJ of Big registratie Er is een wakende dienst in de nacht. Regiebehandelaar is op niveau WO+/ WO++ (Kinder- en Jeugdpsychiater, Arts verstandelijk Gehandicaptenzorg), VOV+ |
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 8 |
|
Aantal fte |
Inzet VOV+ begeleiding personeel: gem 1,3 fte op de groep per cliënt |
|
Verblijf met behandeling 3 milieu |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal + 12 uur nazorg |
|
Intensiteit |
Niet van toepassing? |
|
Omschrijving |
|
|
Binnen de 3milieuvoorziening krijgen jeugdigen een zeer intensieve behandeling op locatie. Zeer intensief betekent dat de jeugdige 24 uur per dag toezicht krijgt van de begeleiders en dat directe begeleiding beschikbaar is. De 3-milieuvoorziening bestaat uit een combinatie van onderwijs, behandeling en verblijf op één terrein. Het onderwijs dat wordt aangeboden is passend bij het leerniveau van de jeugdige. Het gedrag van deze jeugdigen maakt intensief toezicht noodzakelijk. Bedbezetting: De jeugdigen blijven doorgaans tijdens de duur van het hulptraject in de verblijfsvorm. Toezicht/beveiliging: Vrijheidsbeperkende maatregelen zijn op een gedeelte van de jeugdigen van toepassing. Jeugdigen verblijven veelal in een open verblijfsvorm. In dat geval is er intensieve bescherming, waarbij de jeugdige de verblijfsvorm niet zonder toestemming mogen verlaten. Er is 24-uurs toezicht. Kenmerken huisvesting: Overwegend open verblijfsvorm met mogelijke aanpassingen. In sommige gevallen kan ook een gesloten verblijfsvorm worden ingezet. Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid of naar wonen in het gezin/een gezinssetting. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 12 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen die zeer ernstig belemmerd worden in dagelijks functioneren |
|
Jeugdigen met de leeftijd van 6 tot 18 jaar met een licht verstandelijke beperking en/of zeer ernstige psychosociale, emotionele en gedragsproblemen. Deze jeugdigen hebben negatief gedrag ontwikkeld wat zich kan uiten in agressief of dreigend gedrag, woede- en paniekaanvallen, zelfverminking en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Zij hebben zeer intensieve begeleiding en ondersteuning nodig en moeten beschermd worden tegen zichzelf en hun omgeving. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Wonen (en eventueel behandeling) in gezinssetting is mogelijk |
|
Na behandeling zijn jeugdige en het gezin voldoende toegerust op wonen in een gezinssetting en (zo nodig met extra hulp) deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
Evidence based |
|
|
|
Functieprofiel |
HBO/WO/WO+ |
|
Functiemix |
Uitvoerend personeel op de groep hebben allen een SKJ of BIG registratie Er is een wakende dienst in de nacht. Regiebehandelaar is op niveau WO+/ WO++ (Kinder- en Jeugdpsychiater, Arts verstandelijk Gehandicaptenzorg) |
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 6 jeugdigen |
|
Aantal fte |
Gemiddeld 0,9 fte begeleiding op de groep per cliënt |
|
JeugdhulpPlus Groep 6 jeugdigen |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal + 24 uur nazorg |
|
Duur |
Maximaal 9 maanden |
|
Verlengde jeugdzorg |
Maximaal 6 maanden |
|
Eis |
Dit product kan alleen maar worden geboden door daarvoor geregistreerde jeugdhulpaanbieders |
|
Omschrijving |
|
|
Als de ontwikkeling van jeugdigen zo slecht verloopt dat er voor hun functioneren in de toekomst gevreesd wordt én de jeugdigen ook nog eens onvoldoende bereikbaar zijn voor hulp, dan kan er op een gegeven moment ‘onontkoombare hulp’ worden geboden. Deze ‘onontkoombare hulp’ wordt gerealiseerd door JeugdhulpPlus. JeugdhulpPlus is gericht op het mentaal bereiken van de jeugdige. De behandelaars gaan de relatie met hen aan door hen te steunen en er te zijn. Er wordt maximaal ingezet op het bereiken van een keerpunt. Daarbij kan de jeugdige afgeschermd worden van invloeden die het behandelproces in de weg kunnen zitten: contact met bijvoorbeeld vrienden en ouders kan worden voorkomen. Dit alles om de behandelbaarheid van de jeugdige zo groot mogelijk te maken. Het onderwijs dat wordt aangeboden is passend bij het leerniveau van de jeugdige. Bedbezetting: De jeugdige blijft doorgaans tijdens de gehele duur van de behandeling in de verblijfsvorm Toezicht/beveiliging: Vrijheid beperkende maatregelen zijn van toepassing Jeugdige verblijft in een gesloten verblijfsvorm, (zwaar) beschermend en beveiligd, waarbij de jeugdige zich niet aan het toezicht kan onttrekken. Er is 24-uurs toezicht. Kenmerken huisvesting: gesloten verblijfsvorm worden ingezet. Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid of naar wonen in het gezin/ een gezinssetting. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 24 uren verspreid over de duur van 8 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team en/of de GI. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen van 12 tot 18 jaar, die zeer ernstig belemmerd worden in dagelijks functioneren |
|
Jeugdige met ernstige gedragsproblemen, vaak in combinatie met een psychiatrische stoornis, een verstandelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. In een aantal gevallen gaat het ook om jeugdigen die (tegen zichzelf) in bescherming genomen moeten worden, bijvoorbeeld in geval van loverboy problematiek. Jeugdigen kunnen alleen maar worden toegelaten tot deze dienst met een Machtiging gesloten jeugdzorg of een voorlopige of geschorste machtiging. Daar waar na beëindiging van de machtiging een vervolgplaatsing voorlopig niet mogelijk is kan de jeugdige op basis van een zogenoemde hybride plek, bij een daarvoor in aanmerking komende jeugdzorgplus aanbieder, gebruik blijven maken van deze (hybride) plek. De wijziging van het regiem wordt afgestemd met de procesregisseur en de betreffende gemeente (Serviceorganisatie Jeugdhulp ZHZ). In overleg met hen wordt er voor gezorgd dat de doorstroom naar een vervolgplek zo snel mogelijk kan plaatsvinden. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Verminderen ontwikkelbedreiging |
Er is aansluitend hulp zodat de ontwikkelbedreiging verder wordt verminderd. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
Binnen het bovenregionale ontwikkeltraject 'Af- en ombouw JeugdhulpPlus kunnen anderen varianten van dit type jeugdhulp ontstaan en/of een ander gebruik van deze dienstomschrijving worden gehanteerd. Afwijking van de productomschrijving is mogelijk na akkoord van opdrachtgever. |
|
|
Functieprofiel |
HBO/WO/WO+ |
|
Functiemix |
De groepsbegeleiding bestaat uit hoofdzakelijk SKJ geregistreerde HBO-geschoolde professionals en minstens 30% SKJ geregistreerde WO-geschoolde professionals. Indien MBO-geschoolde professionals werkzaam zijn, staan zij onder supervisie van de HBO'ers; |
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 6 |
|
Ratio begeleider: jeugdige |
1:4 |
|
JeugdhulpPlus Intensief Groep 3 jeugdigen |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal |
|
Duur |
Maximaal 3 maanden |
|
Verlengde jeugdzorg |
Ligt niet voor de hand |
|
Doelgroep |
De groepen zijn bedoeld voor jeugdigen tussen de 12 en 18 jaar waarvoor zeer intensieve begeleiding/behandeling noodzakelijk is. Voor hen is een machtiging gesloten jeugdhulp afgegeven, doch plaatsing binnen een groep van zes is vooralsnog niet haalbaar. |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 3 |
|
EIS |
Deze voorziening is thans in ontwikkeling bij de jeugdhulpplusaanbieder voor het landsdeel Zuidwest. De opdracht hiervoor komt voort uit de derde actualisatie van de af- en ombouw jeugdhulpplus in het landsdeel Zuidwest (vastgesteld door het AB van de DG&J Zuid-Holland-Zuid op 19 december 2024). De inzet van dit product wordt bepaald na overleg met het expertteam. |
|
JeugdhulpPlus (Ambulant) |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Uren |
|
Doelgroep |
Jeugdigen tot en met 18 jaar en hun gezinnen die voor zichzelf en/of hun omgeving een dermate groot veiligheidsrisico vormen dat zij een (voornemen tot) voorwaardelijke machtiging voor opname in een JeugdhulpPlus instelling hebben. Voor jeugdigen (en gezinnen) met een (geschorste) machtiging voor gesloten jeugdhulp, is Ambulante JeugdhulpPlus bedoeld als voorziening ter verkorting van voor jeugdigen tot en met 18 jaar die voor zichzelf en/of hun omgeving een dermate groot veiligheidsrisico vormen dat zij een (voornemen tot) voorwaardelijke machtiging voor opname in een Jeugdhulp-plus instelling hebbende plaatsing in de Jeugdhulp Plus en het verduurzamen van de behandeling. |
|
Groepsgrootte |
Niet van toepassing |
|
Eis |
In aanmerking komen aanbieders die als zodanig geregistreerd zijn als aanbieder JeugdhulpPlus en die als zodanig voor het landsdeel Zuidwest zijn benoemd in de derde actualisatie af- en ombouw JeugdhulpPlus landsdeel Zuidwest. De inzet van dit product wordt bepaald na overleg met het expertteam. |
|
Hoogspecialistische klinische opname GGZ/HIC GGZ |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Etmaal + 4 uur nazorg |
|
Intensiteit |
Niet van toepassing |
|
Omschrijving |
|
|
Hoogspecialistische klinische opname GGZ is bedoeld voor jeugdigen met een zeer intensieve verstoring in het psychiatrisch ziektebeeld (psychisch, sociaal en somatisch functioneren), waardoor er een noodzaak tot opname is om de geneeskundige zorg te leveren. De behoefte aan begeleiding is afhankelijk van het beloop van het ziektebeeld van de jeugdige en kan, indien nodig, tot één-op-één begeleiding worden opgeschaald. De nadruk ligt hierbij op het aanbieden van oplossingen en voorkomen van dwangmaatregelen. Intensiteit van de begeleiding kan sterk wisselen en, indien nodig, opgeschaald worden tot één-op-één begeleiding of meermansbegeleiding. Bedbezetting: De jeugdige blijft doorgaans tijdens de gehele duur van de behandeling in de verblijfsvorm. Toezicht/beveiliging: Alhoewel alles in het werk wordt gesteld om dwangmaatregelen te voorkomen, kunnen deze wel toegepast worden. Er is permanent toezicht. Kenmerken huisvesting: Indien mogelijk een open verblijfsvorm met mogelijke aanpassingen. In sommige gevallen kan ook een gesloten verblijfsvorm worden ingezet. Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid of naar wonen in het gezin/ een gezinssetting. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 4 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen tot 18 jaar die zeer ernstig belemmerd worden in dagelijks functioneren |
|
Jeugdige vertoont over het algemeen ernstige (acute) gedragsproblemen/agressie, dan wel ernstige verstoringen in het functioneren. In het algemeen is sprake van intensieve dagelijkse begeleiding en dag structurering, met continu individueel (opvoedkundig) toezicht. Er is of kan sprake zijn van ernstige problematiek die moeilijk veranderbaar is en/of veel begeleiding behoeft. Er is sprake van gedragsproblemen die ontwrichting of gevaar op agressie (naar zichzelf/anderen) veroorzaken, met een continu risico hierop. Wat betreft de zelfstandigheid in het ADL/BDL is er permanente begeleiding nodig. De zelfredzaamheid van de patiënten is wisselend. Wel is er gedeeltelijk overname van zorg en permanent (opvoedkundig) toezicht door VOV-personeel nodig. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Stabilisatie |
|
Stabilisatie van de jeugdige en/of het gezin zodat behandeling (bij voorkeur ambulant) weer hervat kan worden. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
De aanbieder heeft bij voorkeur afspraken met de zorgverzekeraar om de zorg ongedeeld door te kunnen laten lopen na de 18e verjaardag |
|
|
Functieprofiel |
HBO/WO/WO+ |
|
Functiemix |
Uitvoerend personeel voornamelijk HBO/WO, de behandeling wordt separaat gedeclareerd |
|
Regiebehandelaar |
Ja |
|
Groepsgrootte |
Maximaal 6 |
|
Aantal fte |
Er wordt gemiddeld 1,6 fte per bed/plaats ingezet |
|
Ratio begeleider: jeugdige |
1,6 : 1 |
Hoofdstuk 6: Toeslag bij Crisisinterventies
Algemene omschrijving
Bij een crisissituatie is een snelle en efficiënte samenwerking tussenketenpartners essentieel. Het doel is om de situatie zoveel mogelijk te de-escaleren. Ketenpartners dragen door hun houding en attitude bij aan het creëren van rust, veiligheid en vertrouwen voor de persoon in crisis en diens omgeving. De hulp is niet goed planbaar, maar moet wel acuut beschikbaar zijn.
Het is van belang om te werken volgens de geldende protocollen , maar ook rekening te houden met de wensen van de persoon in crisis en diens naasten. Er wordt altijd gevraagd of de jeugdige ofhet gezin een Crisiskaart heeft en de daarin opgenomen wensen worden serieus genomen.
In acute situaties kan er spanning ontstaan tussen het snel willen handelen van hulpverleners en het blijven aansluiten bij de jeugdige of het het gezin . Ook het begrijpen van beslissingen van hulpverleners door alle partijen kan een uitdaging zijn. Heldere en duidelijke communicatie over het proces en over de rol van de aanwezige hulpverleners is van belang. Uitgangspunt is dat de crisisinterventie ambulant wordt uitgevoerd en gericht is op de-escaleren, rust creëren en vertrouwen opbouwen. Wanneer voldoende rust is opgebouwd en er (het begin van) vertrouwen is, wordt samen met de jeugdige/ het gezin een perspectiefplan opgesteld (inclusief een goede vraaganalyse). Alle interventies zijn gericht op herstel van het evenwicht thuis (zodat een veilige opgroeisituatie ontstaat) en als de jeugdige tijdelijk vanwege de crisis uit huis geplaatst is , op terugkeer van de jeugdige.
Iedere crisisinterventie is gericht op het doelmatig bijdragen aan de in het perspectiefplan opgenomen doelen van de jeugdige/ het gezin.
Er zijn meerdere wettelijke kaders van toepassing:
- •
De Jeugdwet;
- •
Wet verplichte GGZ;
- •
Wet zorg en dwang.
Deze wettelijke kaders geven aanwijzingen op het proces en de kwaliteit van crisisdiensten en crisisinterventies.
Doelgroep
In een crisissituatie gaat het om een complexe situatie waarin biologische, psychologische en sociale factoren een rol spelen. Een crisissituatie kan iedereen overkomen. Een crisis is een ernstige verstoring van het alledaagse functioneren. Door de ontregeling die plaatsvindt, schieten de gebruikelijke oplossingsstrategieën tekort (Hoekert, Lommerse & Beunderman, 2000).
Veroorzaakt door:
- •
Een (plotselinge) wijzigingen in de situatie vanwege de aandoening/ stoornis/ beperking van de jeugdige;
- •
Een (plotselinge) wijziging in de situatie vanwege problemen tussen ouders en kinderen;
- •
Een (plotselinge) wijzigingen in de situatie vanwege problemen van de ouders.
Waarbij het noodzakelijk is om binnen 24 uur een (intensieve) crisisinterventie in te zetten.
We maken onderscheid tussen uitputtingscrises en acute crisis.
- •
Uitputtingscrisis: de spreekwoordelijke druppel die de emmer doet overlopen. Er is al langere tijd sprake van een disbalans binnen het gezin.
- •
Acute crisis: een plotselinge wijziging in de situatie leidt tot een crisissituatie. (Zoals psychose, suïcidepoging, overlijden ouder).
De crisisinterventie wordt als volgt gedeclareerd:
- •
U declareert de productcode die past bij de inzet die gepleegd wordt (begeleiding, behandeling, een dag voorziening, wonen met begeleiding, verblijf met behandeling);
- •
Daarnaast factureert u eenmalig de toeslagcomponent die correspondeert met uw inzet. Deze toeslag compenseert de onplanbaarheid van de hulp, dus het feit dat u als organisatie personeel beschikbaar moet hebben om binnen de gestelde termijnen te kunnen leveren.
Crisisbed en Crisismeldpunt
Voor de beschikbaarheid van een bed in crisissituaties is een beschikbaarheidsbekostiging afgesproken met twee aanbieders gekoppeld aan de voortzetting van het huidige crisismeldpunt.
|
Toeslag crisis ambulant |
|
|
Normenkader: |
|
|
Eenheid |
Toeslag per uur |
|
Duur |
Maximaal 28 werkdagen |
|
Omschrijving |
|
|
Alle ambulante crisis diensten die binnen 24 uur worden ingezet in een crisissituatie, komen in aanmerking voor de ‘toeslag crisis ambulant’, met uitzondering van ‘dienstverlening consult en advies’. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
|
|
Jeugdigen en gezinnen die binnen 24 uur ambulante jeugdhulp nodig hebben in verband met een crisissituatie |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Jeugdige en gezinnen ontvangen binnen 24 uur hulp |
|
Jeugdige en gezin ontvangen hulp die bestaat uit:
Na eerste fase van stabilisatie zijn de resultaten van het ingezette product van toepassing. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
Naast de reguliere dienst specifieke eisen van het ingezette product, is het personeel wat in crisissituaties ingezet hiertoe extra geschoold/getraind/ervaren. |
|
|
Functieprofiel |
Passend bij reguliere dienst + aantoonbaar geschoold voor crisisinterventies |
|
Toeslag crisis bij Pleegzorg |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Eénmalig stuks |
|
|
|
|
Omschrijving |
|
|
Naast algemene omschrijving ook: Compensatie voor de onplanbaarheid van de inzet van het personeel + tijd voor regelzaken en de extra benodigde beschikbaarheid voor de jeugdige die van pleegouders wordt gevraagd na een crisisplaatsing. Deze opbouw bestaat om de onplanbaarheid van de pleegzorgbegeleiding gecombineerd van een extra bijdrage voor de pleegouders die ten tijde van crisis ook onplanbaar hun huis openzetten voor de jeugdige. De extra bijdrage voor de pleegouders behelst minimaal 65% van het tarief. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen die geplaatst worden in een pleeggezin in een crisissituatie |
|
Jeugdigen die geplaatst worden in een pleeggezin in een crisissituatie. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Jeugdige wordt binnen 48 uur opgevangen in een stabiele gezinssituatie |
|
Jeugdige en gezin ontvangen hulp die bestaat uit:
Na eerste fase van stabilisatie zijn de resultaten van het ingezette product van toepassing. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
|
|
Functieprofiel |
Passend bij reguliere dienst + aantoonbaar geschoold voor crisisinterventies |
|
Toeslag crisis bij Wonen (diverse intensiteiten) |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Eenmalig - stuks |
|
|
|
|
Omschrijving |
|
|
Deze eenmalige toeslag compenseert de onplanbaarheid van de hulp voor het feit dat de jeugdhulpaanbieder personeel beschikbaar moet hebben om binnen de gestelde termijnen hulp te kunnen leveren. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
|
|
Jeugdigen die in een crisissituatie geplaats worden in woonvoorziening – met begeleiding (diverse intensiteiten. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Jeugdige wordt binnen 48 uur opgevangen in een stabiele woonvoorziening |
|
Jeugdige ontvangt hulp die bestaat uit:
Na eerste fase van stabilisatie zijn de resultaten van het ingezette product van toepassing. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
De woonvoorziening wordt binnen 48 uur geboden |
|
|
Functieprofiel |
Passend bij reguliere dienst + aantoonbaar geschoold voor crisisinterventies |
|
Toeslag crisis bij Verblijf met behandeling |
|
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Eenmalig - stuks |
|
Omschrijving |
|
|
Deze eenmalige toeslag compenseert de onplanbaarheid van de hulp voor het feit dat de jeugdhulpaanbieder personeel beschikbaar moet hebben om binnen de gestelde termijnen hulp te kunnen leveren. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
|
|
Jeugdigen die in een crisissituatie geplaats worden in een voorziening verblijf met behandeling (diverse intensiteiten). |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Jeugdige wordt binnen 48 uur opgevangen in voorziening verblijf met behandeling. |
|
Jeugdige ontvangt hulp die bestaat uit:
Na eerste fase van stabilisatie zijn de resultaten van het ingezette product van toepassing. |
|
|
Dienst specifieke eisen |
|
|
De voorziening wordt binnen 48 uur geboden. |
|
|
Functieprofiel |
Passend bij reguliere dienst + aantoonbaar geschoold voor crisisinterventies |
Hoofdstuk 7: Uitsluitings- en afwegingslijst
In lijn met de nadere regels en verordeningen Jeugdhulp van de 10 gemeenten in Zuid-Holland Zuid zijn de volgende aanwijzingen van toepassing:
|
Omschrijving |
Jeugdwet? |
Voorwaarden |
Extra informatie |
Andere voor -ziening |
|
Acupunctuur |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp |
Mogelijk aanvullende zorgverzekering. Informeer bij de zorgverzekeraar |
|
Administratie, overnemen van |
Nee |
|
Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening jeugdhulp. Daarbij moet de jeugdige of zijn ouder zelf in staat zijn de aan een Pgb verbonden taken uit te voeren. |
|
|
Alarmsysteem |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp |
|
|
Au pair |
Nee, tenzij |
Het jeugdteam heeft vastgesteld dat er sprake is van het bieden van jeugdhulp onder de noemer sociaal netwerk. De au pair voldoet aan de eisen van artikel 15. |
Een au pair is een persoon van niet Nederlandse nationaliteit die participeert in een cultureel uitwisselingsprogramma. De hoofddoelstelling van het verblijf is de culturele uitwisseling en de overige werkzaamheden zijn nevenactiviteiten waarbij niet concreet is geregeld welke werkzaamheden een au pair wel of niet mag doen. Het is daardoor mogelijk dat een au pair bv. een jeugdige met een verstandelijke beperking begeleidt met een pgb. U moet wel rekening houden met bepaalde fiscale aspecten. De SVB kan u hierover informeren. (www.svb.nl) |
|
|
Begeleiding bij regulier onderwijs |
Nee, tenzij |
Door het jeugdteam is vastgesteld dat er sprake is van een individuele voorziening jeugdhulp, namelijk begeleiding |
Te denken valt hierbij aan begeleiding bij praktijklessen als schoolzwemmen of schoolgym of bij de omgang met andere jeugdiggen, lunchpauze en/of bij spel. De overige begeleiding is de verantwoordelijkheid van de school onder Passend Onderwijs. Het plannen en structureren van schoolse zaken als huiswerk is in principe de verantwoordelijkheid van de ouder. |
Passend onderwijs |
|
Begeleiding bij bijzonder en/of speciaal onderwijs |
Nee, tenzij |
Door het jeugdteam is vastgesteld dat er sprake is van de noodzaak om begeleiding in het kader van jeugdhulp in te zetten |
. Twee aandachtspunten:
|
In combinatie met Passend onderwijs |
|
Begeleiding via moderne media, bijvoorbeeld Skype. |
Nee, tenzij |
Het jeugdteam heeft vastgesteld dat er sprake is van een individuele voorziening jeugdhulp, namelijk begeleiding |
Het gaat hier bijv. om het tijdelijk ondersteunen in het aanbrengen van structuur, het stimuleren en aanzetten tot activiteit en daardoor het uitvoeren van vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen |
|
|
Begroting, hulp bij het opstellen van een PGB |
Nee |
|
Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening. Daarbij moet de jeugdige of zijn ouder zelf in staat zijn de aan een pgb verbonden taken uit te voeren. |
|
|
Beheer pgb |
Nee |
|
Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening. Daarbij moet de jeugdige of zijn ouder zelf in staat zijn de aan een Pgb verbonden taken uit te voeren. |
|
|
Bemiddelingskosten |
Nee |
|
Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening. Daarbij moet de jeugdige of zijn ouder zelf in staat zijn de aan een Pgb verbonden taken uit te voeren. |
|
|
Bewindvoerderkosten |
Nee |
|
Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening. Daarbij moet de jeugdige of zijn ouder zelf in staat zijn de aan een Pgb verbonden taken uit te voeren. |
Bijzondere bijstand afhankelijk van inkomen ouders |
|
Blindengeleidehond |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening |
BV Zvw |
|
Braille training |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening |
BV Zvw |
|
Buitenschoolse of naschoolse opvang |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening |
Wk |
|
Cadeau voor zorgverlener |
Nee |
|
Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening. |
|
|
Computer, aanpassingen en onderhoud |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp |
|
|
Consumpties |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp |
|
|
Cursus zorgverlener |
Nee |
|
Eigen verantwoordelijkheid zorgverlener |
|
|
Cursus/training opvoeden en opgroeien voor ouders/verzorgers in groepsverband, collectieve voorziening |
Nee |
Geen individuele voorziening jeugdhulp. Dit wordt geboden door een andere of overige voorziening, bijvoorbeeld CJG, jeugdgezondheidszorg of jeugdteam |
||
|
Nee, tenzij |
Er sprake is van jeugdhulp voor het omgaan met gedragsproblemen en het aanleren van opvoed- vaardigheden |
|||
|
Cursus voor een jeugdige |
Nee |
Geen individuele voorziening jeugdhulp. Dit wordt geboden door een andere of overige voorziening, bijvoorbeeld CJG, jeugdgezondheidszorg |
||
|
Nee, tenzij |
Er sprake is van een individuele training gericht op het omgaan met psychosociale of psychische problemen |
|||
|
Detentie van een jeugdige, jeugdhulp bij |
Nee |
|
Als een jeugdige in detentie is dan valt hij/zij onder Justitie en wordt geen jeugdhulp onder de Jeugdwet ingezet. |
|
|
Dieren, therapie met / begeleiding met, begeleiding bij verzorging van. Dier wordt als middel gebruikt om een doel te bereiken. |
Nee, tenzij |
Een jeugdhulpverlener gebruik maakt van dieren bij de begeleiding en/of ondersteuning |
Dieren zijn geen jeugdhulpverlener zoals genoemd in de Jeugdwet. Binnen de therapie dienen de doelen om verzorging van een dier in te zetten concreet te zijn beschreven en met elkaar in verhouding te staan. Hierbij moet ook een duidelijk resultaat worden geformuleerd met een tijdspad. |
|
|
Doventolk |
Nee |
|
Menzis regelt de vergoeding van doventolkuren in privésituaties, ongeacht waar de jeugdige is verzekerd. |
Zvw |
|
Entreegeld jeugdige |
Nee |
|
Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de bekostiging van vrijetijdsbesteding. |
|
|
Entreegeld bij begeleiding van de jeugdige |
Nee |
|
Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de (bekostiging van) begeleiding bij vrijetijdsbesteding. |
|
|
Evaluatiegesprek zorgverleners |
Nee |
|
Evalueren is onderdeel van de te leveren zorg en maakt daarmee onderdeel uit van de gewerkte zorguren van de zorgverlener. Zie ook ‘Overheadkosten’. |
|
|
Familiebezoek, begeleiding bij |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp. Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de begeleiding bij familiebezoek. |
|
|
Feuerstein methode |
Nee, tenzij |
Onderdeel van een behandelplan van een jeugdhulpaanbieder |
Vorm van psychosociale hulpverlening waarbij wordt uitgegaan van de mogelijkheden van de cliënt |
Mogelijk aanvullende zorgverzekering, informeer bij uw zorgverzekeraar |
|
Fitness (medische - , fysio - ) |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp Er is mogelijk een andere voorziening |
AV Zvw |
|
Gesprekken instanties, overnemen van |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp Dit is een overige voorziening, die wordt geboden door het jeugdteam. |
Jeugdteam |
|
Gratificatie zorgverlener |
Nee |
|
Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening. |
|
|
Homeopathie/ homeopathisch arts |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening |
Mogelijk AV Zvw |
|
Huiswerkbegeleiding basisonderwijs en voortgezet onderwijs |
Nee |
|
Elke jeugdige heeft ontwikkelrecht, het onderwijs is hiervoor verantwoordelijk. Bij hen ligt ook de taak om de betrokkenheid van de ouders te stimuleren bij het ondersteunen van hun kind daarin. |
Mogelijk particuliere of ge-meentelijke huis-werkbegeleiding |
|
Hulphonden |
Nee |
- |
Zie ook ‘blindegeleidehond’ |
BV Zvw |
|
Nee, tenzij |
De jeugdhulpverlener gebruik maakt van dieren bij de begeleiding en/of ondersteuning |
Dieren zijn geen jeugdhulpverlener zoals genoemd in de Jeugdwet. |
||
|
Hulpmiddelen (zoals protheses, speciaal schoeisel, rolstoel) |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening |
BV/AV Zvw |
|
Jeugdhulp buiten Nederland |
Nee |
|
|
|
|
Kerstpakket |
Nee |
|
Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening. |
|
|
Kinderopvang kind jeugdhulpverlener |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening |
Wk |
|
Kinderopvang, dagverblijf, babysit, crèche |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening |
Wk |
|
Leermiddelen, (aangepast) |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening |
Passend onderwijs |
|
Lesgeld / contributie |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de bekostiging van vrijetijdsbesteding. |
|
|
Lotgenotencontact |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp |
|
|
Manicure |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp |
|
|
Massage |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp |
|
|
Mediërend leren |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening. Het betreft aanleren schoolse vaardigheden. |
Passend Onderwijs |
|
Meditatieve ontwikkeling |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp |
|
|
Middelen |
Nee |
|
Dit zijn tastbare goederen, die nodig zijn bij het verlenen van jeugdhulp |
|
|
Mondhygiënist |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening |
BV Zvw |
|
Muziekles |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de bekostiging van vrijetijdsbesteding. |
|
|
Neurofeedback |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp |
|
|
Neurolinguïstisch programmeren (NLP) |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp |
|
|
Dagbesteding ter vervanging van onderwijs |
Nee, tenzij |
|
|
|
|
|
|||
|
Oppas of kortdurend verblijf jeugdige |
Nee, tenzij |
Afhankelijk van inzet netwerk en relevantie van het verzoek. |
De afweging of het gaat om evenwicht brengen in de draagkracht en -last van de ouders of elders ontspanning zoeken is relevant. Alleen bij ontbreken van het netwerk zou voor het in evenwicht brengen van draagkracht en –last hulp kunnen worden ingezet. |
|
|
Opvang budgethouder (= ouder/verzorger van de jeugdige ) |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening |
Wmo |
|
Overheadkosten van de jeugdhulpverlener |
Nee |
|
Is een integraal onderdeel van het uurtarief van de jeugdhulpverlener, deze kosten kunnen niet separaat worden gedeclareerd |
|
|
Paardrijden |
Nee, tenzij |
Een jeugdhulpverlener gebruik maakt van dieren bij de begeleiding en/of ondersteuning |
Dieren zijn geen jeugdhulpverlener zoals genoemd in de Jeugdwet. Paardrijden kan hoogstens voor maximaal 1 uur per week deel uitmaken van de therapie. |
|
|
Pastorale hulpverlening |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp |
|
|
Patiëntenvereniging, bijdrage |
Nee |
|
|
|
|
Pedicure |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp |
|
|
Personal trainer |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp |
|
|
Plannen en structureren |
Nee, tenzij |
Er door het jeugdteam is vastgesteld dat er sprake is van individuele begeleiding voor het aanleren van algemene plannings- en structurerings-vaardigheden van de dag of week in zijn totaliteit als dat niet op eigen kracht door de ouders kan worden geboden. |
Het is de taak van de ouders om hun minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook het aanleren van vaardigheden zoals plannen en structureren horen daar in principe bij. Deze hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht. |
|
|
Reiskosten van de jeugdige naar en van de jeugdhulpinstelling |
Nee |
|
Zie de vervoersregeling op de website van de SOJ ZHZ |
|
|
Reiskosten woon-werkverkeer jeugdhulpverlener |
Nee |
|
Reiskosten woon-werkverkeer van jeugdhulpverlener zijn voor eigen rekening |
|
|
Remedial teaching |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening |
Passend onderwijs |
|
Respijtzorg |
Nee, tenzij |
Door het jeugdteam is vastgesteld dat er sprake is van (dreigende) overbelasting van de ouder door de zorg voor een jeugdige met een lichamelijke, zintuiglijke en/of verstandelijke beperking, en/of een psychiatrische of somatische aandoening |
Jeugdhulp, die in dit kader die vergoed kan worden uit een pgb is begeleiding, dagbesteding of kortdurend verblijf bij een aanbieder of bij het sociale netwerk, niet zijnde het eigen gezin. |
|
|
Sport, begeleiding bij sport en begeleiding middels sport |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de bekostiging van en begeleiding bij vrijetijdsbesteding. |
|
|
Stage, begeleiding bij |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening |
Onderwijs |
|
Studiebegeleiding |
Nee |
|
|
|
|
Uitstapje jeugdige |
Nee |
|
Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de bekostiging van en begeleiding bij vrijetijdsbesteding. |
|
|
Uitstapjes school, begeleiding bij |
Nee, tenzij |
Door het jeugdteam is vastgesteld er sprake is van een vorm van jeugdhulp, zijnde begeleiding. |
Er moet sprake zijn van begeleiding. De uitstapjes zelf mogen niet uit het pgb betaald worden. |
|
|
Vakantie(kamp) jeugdige |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp |
|
|
Verpleging |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening |
Wlz, Zvw |
|
Vervoer van en naar school van de jeugdige |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening |
Leerlingen vervoer via gemeente |
|
Vervoer van school naar een buitenschoolse/ naschoolse opvanginstelling van een jeugdige |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening. Vervoer moet worden geregeld via de buitenschoolse /naschoolse opvanginstelling |
Wk |
|
Vervoerskosten van een jeugdige van en/of naar de locatie van een jeugdhulpaanbieder |
Nee |
|
Zie de vervoersregeling op de website van de SOJ ZHZ. |
|
|
Video home training |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp. Maakt onderdeel uit van een behandeling. |
|
|
Vrijetijdsbesteding, vergoeding van |
Nee |
|
Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in vrijetijdsbesteding. |
|
|
Vrijetijdsbesteding, begeleiding bij |
Nee |
|
Begeleiding bij vrijetijdsbesteding mag niet vanuit het Pgb jeugdhulp gefinancierd worden wanneer het doel participatie en recreatie is. Mee gaan met winkelen kan bijv. niet vanuit het pgb gefinancierd worden. |
|
|
Vrijwilligersvergoeding |
Nee |
|
|
|
|
Weerbaarheidstraining |
Nee |
|
Geen individuele voorziening jeugdhulp. Maakt onderdeel uit van een behandeling. |
|
|
Werving zorgverlener |
Nee |
|
Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening. |
|
|
Woningaanpassing |
Nee |
|
Er is sprake van een andere voorziening |
Wmo |
|
Zorgplan / werkplan / overeenkomsten opstellen |
Nee |
|
Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening. Daarbij moet de jeugdige of zijn ouder zelf in staat zijn de aan een Pgb verbonden taken uit te voeren. |
|
|
Zorgverleners uit het buitenland |
Nee, tenzij |
aan de voorwaarden wordt voldaan die de overheid stelt aan deze werknemers. |
Meer informatie over buitenlanders die in Nederland zorg verlenen vindt u op : http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/nieuw-in-nederland/vergunningen-buitenlandse-werknemers |
|
|
Zwembad entree |
Nee |
|
Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de bekostiging van vrijetijdsbesteding. Zie ook de invulling van ‘gebruikelijke zorg’ op de website van de Serviceorganisatie |
|
|
Zwemles |
Nee |
|
Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de bekostiging van vrijetijdsbesteding. Zie ook de invulling van ‘gebruikelijke zorg’ op de website van de Serviceorganisatie |
|
Hoofdstuk 8: Dienstomschrijvingen Jeugdbescherming en jeugdreclassering
Jeugdbescherming
Wettelijk kader
De wet kent de volgende kinderbeschermingsmaatregelen:
- •
Voogdij en voorlopige voogdij (Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) ;
- •
Ondertoezichtstelling (OTS) (artikel 1:255 BW);
- •
Voorlopige ondertoezichtstelling (VOTS) (artikel 1:257 BW).
Deze maatregelen worden doorgaans door de rechtbank opgelegd, meestal op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank benoemt een gecertificeerde instelling (zoals bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet) om de uitvoering van deze maatregelen op zich te nemen.
OTS en VOTS
Een gecertificeerde instelling wordt benoemd bij een OTS en VOTS wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan (1:255 BW):
- •
De ontwikkeling van een minderjarige wordt ernstig bedreigd;
- •
De ouders die het gezag uitoefenen en/of de minderjarige accepteren de noodzakelijke hulpverlening niet of onvoldoende;
- •
Er is een gerechtvaardigde verwachting dat de ouders in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding binnen een voor het kind aanvaardbare termijn te kunnen dragen.
Bij een VOTS is sprake van een acute situatie waarin een normaal onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en een reguliere procedure bij de rechtbank niet kan worden afgewacht. De rechtbank kan dan een VOTS uitspreken voor maximaal drie maanden. Daarna wordt de maatregel beëindigd of omgezet in een OTS.
Voogdij en voorlopige voogdij
Bij voogdij en voorlopige voogdij wordt de gecertificeerde instelling met het gezag over een minderjarige belast. Een gecertificeerde instelling kan in verschillende situaties met de (voorlopige) voogdij worden belast:
- •
Er is geen ouder of ander persoon (meer) die het gezag kan uitoefenen, bijvoorbeeld door overlijden of juridische onbevoegdheid van de ouder(s) (artikel 1:295 en 1:253r BW);
- •
Het gezag van de ouder(s) is door de rechter beëindigd (artikel 1:266 BW);
- •
Er is sprake van een acute, bedreigende situatie voor de jeugdige, waarin iemand anders dan de ouder direct beslissingen moet nemen (voorlopige voogdij, artikel 1:241 BW).
Uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen
Wanneer een gecertificeerde instelling wordt belast met de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, wijst zij een jeugdbeschermer aan (voogdijwerker of gezinsvoogdijwerker) . Vervolgens stelt de jeugdbeschermer – indien van toepassing – samen met het gezin een plan van aanpak op. De uitvoering gebeurt geprotocolleerd en methodisch, conform de Regeling Normenkader Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.
In geval van een OTS houdt de jeugdbeschermer toezicht op de veilige ontwikkeling van de minderjarige en verleent de jeugdbeschermer begeleiding en steun aan de ouders en de minderjarige. Samen met ouders en minderjarige stelt de jeugdbeschermer een plan op dat gericht is op het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging en/of onveiligheid. De gecertificeerde instelling kan hulpverlening inzetten indien dit nodig is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Tevens kan de gecertificeerde instelling de rechter verzoeken een machtiging uithuisplaatsing af te geven als de jeugdige (tijdelijk) niet door de ouders kan worden verzorgd/opgevoed. De gecertificeerde instelling heeft naast de machtiging uithuisplaatsing andere wettelijke middelen waarvan gebruik kan worden gemaakt, zoals het opvragen van informatie bij andere betrokken professionals en het geven van een schriftelijke aanwijzing.
In geval van voogdij uitgevoerd door de gecertificeerde instelling draagt de jeugdbeschermer er zorg voor dat de verzorging en opvoeding door een ander wordt opgepakt ((netwerk)pleeggezin, leefgroep of anders) en onderhoudt de jeugdbeschermer contact met het netwerk. Waar nodig zet de jeugdbeschermer hulpverlening in. De jeugdbeschermer onderzoekt of de oorspronkelijke gezags-situatie met de biologische ouders (deels) hersteld kan worden, dan wel dat het gezag (weer) bij een natuurlijk persoon belegd kan worden.
Uitvoerders
De werkzaamheden worden uitgevoerd door SKJ-geregistreerde of BIG-geregistreerde professionals.
|
Ondertoezichtstelling (OTS) |
|
|
Productcode |
48B10 |
|
Normenkader |
|
|
Eenheid |
Maand |
|
Duur (maximaal) |
Een OTS wordt voor maximaal één jaar uitgesproken en kan op verzoek van de gecertificeerde instelling door de rechtbank worden verlengd met maximaal één jaar. |
|
Omschrijving |
|
|
Type product |
Veiligheid |
|
Uitvoering van het eerste jaar van de OTS, waarvoor de rechtbank de gecertificeerde instelling heeft benoemd. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdige van 0-18 jaar en ouder(s)/gezin |
|
Jeugdigen van 0 tot 18 jaar, waarbij sprake is van een ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en/of waarbij ouders niet meewerken aan vrijwillige hulp of vrijwillige hulp niet tot voldoende resultaat heeft geleid. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Duurzaam veilige opgroei- en opvoedsituatie voor jeugdige en gezin |
|
Het doel is het creëren van (voldoende) ontwikkelingsmogelijkheden en een duurzaam veilige opgroei- en opvoedsituatie voor de jeugdige, maar ook ouders versterken in het hernemen van (opvoeding)verantwoordelijkheid (en daarbij behorend gedrag). De gecertificeerde instelling richt zich bij de uitvoering van de OTS op de concrete ontwikkelingsbedreigingen zoals opgenomen in de beschikking van de rechtbank. Vanaf het tweede jaar van de OTS ligt het accent daarnaast op het in kaart brengen van het perspectief van de minderjarige. Er zijn twee varianten; 1. De OTS dient verlengd te worden. Eris geen noodzaak tot advies vragen van de Raad voor de Kinderbescherming. 2. De OTS mét machtiging uithuisplaatsing dient verlengd te worden. Er moet eerst advies van de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd worden. . Wanneer duidelijk is dat ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding niet meer op zich kunnen nemen, kan de gecertificeerde instelling aan de Raad voor de Kinderbescherming vragen onderzoek te doen naar een gezag beëindigende maatregel. |
|
|
Product specifieke eisen |
|
|
|
Voogdij
Elke minderjarige staat onder gezag. Dit gezag kan worden uitgeoefend door de ouder(s) (ouderlijk gezag) of door een ander dan de ouder (voogdij). Bij voogdij ligt het gezag bij een natuurlijke persoon (zoals pleegouders) of een gecertificeerde instelling.
Voorlopige voogdij door een gecertificeerde instelling
Een gecertificeerde instelling kan met het gezag over een jeugdige (tot 18 jaar) worden belast in de volgende situaties:
- •
Er is geen ouder of ander persoon (meer) die het gezag kan uitoefenen, bijvoorbeeld dooroverlijden of juridische onbevoegdheid van de ouder(s) ( artikel 1:295 en 1:253r BW);
- •
Het gezag van de ouder(s) is door de rechter beëindigd (artikel 1:266 BW);
- •
Er is sprake van een acute, bedreigende situatie voor de jeugdige, waarin iemand anders dan de ouder direct beslissingen moet nemen (voorlopige voogdij, artikel 1:241 BW).
Taken van de jeugdbeschermer bij voogdij
Wanneer een gecertificeerde instelling met voogdij is belast, voert de jeugdbeschermer de volgende taken uit:
- •
Zorgdragen voor passende de verzorging en opvoeding van de jeugdige, bijvoorbeeld via een (netwerk)pleeggezin, leefgroep of andere vorm van opvang.
- •
Onderhouden van contact met het netwerk van de jeugdige.
- •
Inzetten van hulpverlening waar nodig.
- •
Onderzoeken of het oorspronkelijke gezag (gedeeltelijk) kan worden hersteld met de biologische ouders of dat het gezag (weer) bij een natuurlijk persoon kan worden belegd.
|
Voogdij |
|
|
Productcode |
48B11 |
|
Normenkader |
|
|
Tarief & eenheid |
Maand |
|
Duur (maximaal) |
Een voorlopige voogdij eindigt 3 maanden na de datum van de beschikking, tenzij voor die datum om een voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht. De voogdij kan maximaal duren tot de jeugdige 18 jaar is en wordt eerder afgesloten als bijvoorbeeld de rechter een ander als voogd benoemt of het gezag van de ouders herstelt. |
|
Omschrijving |
|
|
Type product |
Veiligheid |
|
Een voogdijmaatregel is gericht op het voorzien in het gezag van een minderjarige als de ouders hiertoe zelf niet in staat zijn of zijn overleden. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdige van 0-18 jaar en ouder(s)/gezin |
|
Jeugdigen van 0 tot 18 jaar waarvan de ouders zelf niet in staat zijn in het gezag te voorzien of zijn overleden. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Duurzaam veilige opgroei- en opvoedsituatie voor jeugdige en gezin |
|
De ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige is afgewend en de fysieke en/of psychische veiligheid is geborgd. De jeugdige heeft een stabiele opvoedingssituatie. Er is contact tussen de jeugdige en zijn oorspronkelijke milieu, tenzij dat niet in zijn belang is. De jeugdige wordt vertegenwoordigd in zaken waarin een wettelijke vertegenwoordiger nodig is en zijn vermogen wordt op een verantwoorde wijze beheerd. |
|
|
Product specifieke eisen |
|
|
|
|
Landelijk expertiseteam jeugdbescherming (LET) |
|
|
Productcode |
Diverse |
|
LET OTS LET voogdij |
48B12 48B13 |
|
Duur (maximaal) |
Overeenkomstig de maximale duur van een (V)OTS en (voorlopige) voogdij |
|
Omschrijving |
|
|
Type product |
Veiligheid |
|
Veilige uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel wanneer er sprake is van ernstig grensoverschrijdend gedrag door (één van) de ouders, waarbij er risico bestaat voor de veiligheid van de jeugdige(n) en/of de jeugdbeschermer. In deze gezinnen is sprake van extreem agressief gedrag, heftige psychiatrische problematiek en/of criminele activiteiten. De kinderbeschermingsmaatregel wordt in deze bijzondere situaties uitgevoerd door een jeugdbeschermer van het landelijk expertiseteam (LET). Dit is een samenwerkingsverband van alle GI’s. In twee gevallen kan het LET worden ingeschakeld:
Naast de overname kan het LET ook gevraagd worden om consultatie, advies en voorlichting. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdige van 0-18 jaar en ouder(s)/gezin |
|
Overeenkomstig de doelgroep van een (V)OTSen (voorlopige) voogdij |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Duurzaam veilige opgroei- en opvoedsituatie voor jeugdige en gezin |
|
Het doel is de inzet van het LET is om de dreigende situatie te beheersen, waar mogelijk te de-escaleren en te stoppen, zodat de hulpverlening aan de jeugdige kan worden gestart. Indien de situatie normaliseert, kan de maatregel hierna weer worden uitgevoerd door de door de rechter benoemde gecertificeerde instelling. |
|
|
Product specifieke eisen |
|
|
|
Jeugdreclassering
De jeugdreclassering biedt toezicht en begeleiding aan jeugdigen van 12 jaar of ouder die een strafbaar feit hebben gepleegd. Voorbeelden van strafbare feiten zijn vernieling, mishandeling of herhaald schoolverzuim..
Jeugdreclassering kan in elke fase van het strafproces worden ingezet. Dit gebeurt soms als enige strafrechtelijke maatregel en soms als onderdeel van een breder pakket aan maatregelen. Jeugdreclassering wordt vrijwel altijd ingezet op verzoek van en/of na onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming in samenspraak met de Officier van Justitie (Openbaar Ministerie). De jeugdreclasseringswerker rapporteert altijd terug naar de Raad voor de Kinderbescherming en eventueel naar het Openbaar Ministerie en indien van toepassing de rechtbank.
In de praktijk bestaat jeugdreclassering uit een combinatie van intensieve hulp aan en toezicht op een jeugdige.. Er zijn verschillende maatregelen van jeugdreclassering. Het wordt uitsluitend uitgevoerd door SKJ-geregistreerde jeugd- en gezinsprofessionals die werkzaam zijn bij een gecertificeerde instelling.
De meest voorkomende maatregel is Toezicht en Begeleiding (T&B). Deze wordt opgelegd door de kinderrechter of de Officier van Justitie en is gekoppeld aan een voorwaardelijke straf. De jeugdige is verplicht de begeleiding te accepteren; weigering kan juridische gevolgen hebben
Voorafgaand aan de zitting kan de Raad voor de Kinderbescherming ook vrijwillige Toezicht en Begeleiding aanbieden. Deze vorm van begeleiding kan na uitspraak van de rechter worden omgezet in een niet vrijwillige maatregel Toezicht en Begeleiding.
- 1.
Binnen het jeugdstrafrecht zijn verschillende vormen van begeleiding die onder Toezicht en Begeleiding vallen, afhankelijk van de ernst en complexiteit van de problematiek.
Intensieve Trajectbegeleiding (ITB) is een intensieve vorm van T&B, bedoeld voor jeugdigen met complexe problematiek. De begeleiding is intensiever en meer op maat, met een sterkere focus op gedragsverandering.
- 2.
Elektronische Controle (EC) wordt ingezet om te controleren of een jeugdige zich houdt aan een gebiedsgebod of gebiedsverbod.
- 3.
Gedrag beïnvloedende maatregel (GBM) kan door de rechter opgelegd worden aan jonge delict plegers met ernstige gedragsproblemen. Deze maatregel wordt toegepast wanneer een Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ-maatregel) te zwaar is, maar een voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden te licht. Het accent ligt niet op straf, maar op gedragsverandering.
De jeugdreclasseerder bepaalt wie de aanvullende jeugdhulp uitvoert die onder bijzondere voorwaarden is opgelegd. Daarnaast kan hij zelf jeugdhulp inzetten die binnen Toezicht en Begeleiding noodzakelijk wordt geacht. Hiervoor vindt afstemming plaats met gemeente. Volgens artikel 3.5 van de Jeugdwet is het oordeel van de jeugdreclassering hierin leidend.
Doel
Het doel van jeugdreclassering is om in samenwerking met ouder(s) of netwerk, met intensieve hulp aan en toezicht op een jeugdige het gedrag van de jeugdige in positieve zin te veranderen en recidive te voorkomen.
Doelgroep
Jeugdreclassering kan worden ingezet bij jeugdigen van 12 tot 18 jaar die een strafbaar feit hebben gepleegd of daarvan worden verdacht. De begeleiding kan doorlopen tot na de 18e verjaardag. Als het delict gepleegd wordt na de 18e verjaardag, dan is in principe het volwassenenstrafrecht van toepassing. Het jeugdstrafrecht kán echter tot 23 jaar toegepast worden als het ontwikkelingsniveau van de dader daartoe aanleiding geeft. Dat gebeurt op grond van het adolescentenstrafrecht (ASR). De gedachte daarachter is dat zolang de hersenen van een jeugdige verdachte nog in ontwikkeling zijn, het gedrag maximaal bijgestuurd kan worden. In het jeugdstrafrecht ligt daarop het accent, terwijl in het gewone strafrecht vergelding voorop staat.
|
Jeugdreclassering regulier |
|
|
Productcode Productcode jeugdreclassering inclusief toeslag elektronisch toezicht |
47B10 49S03 (Zie aanvullend dienstomschrijving elektronisch toezicht) |
|
Duur (maximaal) |
De maatregel Toezicht en Begeleiding door jeugdreclassering duurt minimaal 6 maanden en maximaal 2 jaar (verlenging met 1 jaar is mogelijk). De vrijwillige Toezicht en Begeleiding duurt 6 maanden en kan eenmaal worden verlengd met 6 maanden. |
|
Omschrijving |
|
|
Type product |
Veiligheid |
|
Het doel van de jeugdreclasseringsmaatregel is om in samenwerking met ouder(s) of netwerk, met intensieve hulp aan en toezicht op een jeugdige het gedrag van de jeugdige in positieve zin te veranderen en recidive te voorkomen. . |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdige van 12-23 jaar en ouder(s)/gezin |
|
Maatregel van jeugdreclassering met als doel te voorkomen dat de jeugdige recidiveert en hem/haar te begeleiden in een positieve ontwikkelingsrichting. Dit gebeurt onder meer door middel van het inzetten van zinvolle dagbesteding (school of werk) en vrijetijdsbesteding. Ook kan via deze maatregel begeleiding geboden worden op het gebied van wonen, budgetteren, sociale vaardigheden en hulp bij verslavingsproblematiek en psychiatrische problematiek. De maatregel Toezicht en Begeleiding kan ingezet worden in de volgende situaties:
|
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Duurzaam positieve ontwikkeling van de jeugdige |
|
De jeugdige houdt zich aan de opgelegde afspraken. Noodzakelijke hulpverlening wordt ingezet zodat recidive wordt voorkomen. In een plan worden de doelen van de maatregel door de jeugdige, de ouders en de jeugdreclassering gezamenlijk opgesteld om de positieve ontwikkeling van de jeugdige optimaal te stimuleren en de kans op recidive te verkleinen. |
|
|
Product specifieke eisen |
|
|
|
Elektronische controle (EC)
Elektronische controle is de verzamelnaam voor elektronische instrumenten die met behulp van technologie op afstand, altijd in combinatie met begeleiding door de (jeugd)reclassering, de vrijheidsbeperkende bijzondere voorwaarden ondersteunen en controleren. Elektronische controle is binnen het jeugdstrafrecht een hulpmiddel om te controleren of de jeugdige een locatiegebod of een locatieverbod, dat binnen de bijzondere voorwaarden van een schorsing of een voorwaardelijke straf valt, naleeft.
De meest gebruikte variant van elektronische controle, en dat geldt zeker voor het jeugdstrafrecht, is het locatiegebod waarbij de verdachte/dader gedurende een vast te stellen periode, doorgaans de avond en nacht, per etmaal thuis is. Daarnaast bestaat het locatieverbod, waarbij de verdachte/dader gedurende een bepaalde periode niet op bepaalde plekken, de risicozones, mag komen. Voorbeelden van een locatieverbod zijn een straatverbod en een stadionverbod.
|
Elektronische controle (EC) |
|
|
Duur (maximaal) |
Elektronische controle gaat altijd gepaard met een jeugdreclasseringsmaatregel en wordt doorgaans kortdurend ingezet. Elektronische controle kan niet langer worden ingezet dan de duur van de jeugdreclasseringsmaatregel. |
|
Omschrijving |
|
|
Type product |
Veiligheid |
|
Het doel van elektronische controle is toezien op het naleven door de jeugdige van een locatiegebod of locatieverbod, dat binnen de bijzondere voorwaarden van een schorsing of een voorwaardelijke straf valt. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdige van 12-23 jaar |
|
Conform het beleidskader elektronische controle kan worden geconcludeerd dat er drie doelgroepen in aanmerking komen voor elektronische controle. Het betreft doelgroepen waarbij op basis van het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrecht (LIJ) sprake is van een verhoogd risicoprofiel: hoog algemeen recidive risico (ARR) plus hoog/midden risico op geweld tegen personen (RGP). Tevens moet er in het dynamisch risicoprofiel (DRP) sprake zijn van een hoge score op meerdere domeinen |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Duurzaam positieve ontwikkeling van de jeugdige |
|
Elektronische controle wordt ingezet om te controleren of de jeugdige zich houdt aan een locatieverbod of locatiegebod. |
|
|
ITB CRIEM (Individuele trajectbegeleiding Criminaliteit in Relatie tot de Integratie van Etnische Minderheden) |
|
|
Productcode |
47B13 |
|
Eenheid |
Maand |
|
Duur (maximaal) |
ITB-CRIEM duurt 3 maanden en kan eventueel eenmaal verlengd worden met drie maanden. |
|
Omschrijving |
|
|
Type product |
Veiligheid |
|
Het doel van de trajectbegeleiding is de jeugdige te begeleiden in een positieve ontwikkelingsrichting zodat wordt voorkomen dat de jeugdige recidiveert en verder afglijdt naar criminaliteit. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdige van 12-23 jaar en ouder(s)/gezin |
|
ITB CRIEM is een vorm van toezicht en begeleiding. Dit kan worden opgelegd bij jeugdigen van niet-westerse afkomst die voor de eerste keer, of voor verschillende lichte vergrijpen met justitie in aanraking komen. De maatregel kan worden ingezet in de volgende situaties:
|
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Duurzaam positieve ontwikkeling van de jeugdige |
|
Het bevorderen van integratie en het tegengaan of opheffen van maatschappelijke marginalisatie door tijdens de ITB-Criem begeleiding aandacht te hebben voor het risico van het leven tussen twee culturen en de problemen die dat met zich mee kan brengen. |
|
|
Product specifieke eisen |
|
|
|
|
ITB Harde Kern (Intensieve trajectbegeleiding Harde Kern) |
|
|
Productcode |
47B14 |
|
Eenheid |
Maand |
|
Duur (maximaal) |
ITB-Harde kern duurt maximaal 6 maanden. |
|
Omschrijving |
|
|
Type product |
Veiligheid |
|
Het doel van de trajectbegeleiding is de jeugdige te begeleiden in een positieve ontwikkelingsrichting zodat recidive en verder afglijden naar criminaliteit voorkomen wordt. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdige van 12-23 jaar en ouder(s)/gezin |
|
ITB Harde Kern is een intensieve vorm van toezicht en begeleiding, die kan worden opgelegd bij jeugdigen die structureel ernstige delicten plegen. Het laatste delict dat is gepleegd kan worden bestraft met een detentie. Ook kan ITB Harde Kern worden opgelegd indien sprake is van een zogenaamde veelpleger die in korte tijd verschillende delicten heeft gepleegd. ITB Harde Kern wordt wel gezien als een vervanging van detentie. In veel gevallen is dit een “laatste kans”. De maatregel kan worden ingezet in de volgende situaties:
|
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Duurzaam positieve ontwikkeling van de jeugdige |
|
De doelen van de maatregel worden door de jeugdige, de ouders en de jeugdreclassering gezamenlijk opgesteld om de positieve ontwikkeling van de jeugdige optimaal te stimuleren en de kans op recidive te verkleinen. |
|
|
Product specifieke eisen |
|
|
|
|
GBM-advies (Gedragsbeïnvloedende maatregel – advies) |
|
|
Productcode |
47B11 |
|
Eenheid |
Stuks |
|
Duur (maximaal) |
De jeugdreclasseerder heeft 6 weken de tijd om een haalbaarheidsonderzoek te doen. Dit product kan eenmalig worden ingezet. |
|
Omschrijving |
|
|
Type dienst |
Veiligheid |
|
Onderzoek naar de haalbaarheid van de gedragsbeïnvloedende maatregel. De jeugdreclasseerder onderzoekt of de jeugdige en de ouders mee willen werken aan het behalen van de doelen. Er is intensief contact met de jeugdige, de ouders, andere leden van het gezin en het omringende netwerk. Ook zorgaanbieders worden benaderd zodat zorg op maat kan worden geboden. De motivatie van de jeugdige en de ouder wordt onderzocht. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdige van 12-23 jaar en ouder(s)/gezin |
|
De gedragsbeïnvloedende maatregel is bedoeld voor jeugdigen die een ernstig misdrijf of veelvuldige delicten hebben gepleegd en die kampen met psychische problematiek. Deze jeugdigen hebben problemen op veel leefgebieden. De maatregel wordt vaak ingezet als andere strafrechtelijke interventies geen vruchten hebben afgeworpen. Voorafgaand aan de oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel wordt een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Duurzaam positieve ontwikkeling van de jeugdige |
|
Een haalbaarheidsrapport waarin zowel de inhoud van de maatregelen als de doelen worden vastgelegd en de formulering van een advies aan de rechtbank. |
|
|
Product specifieke eisen |
|
|
|
|
GMB-begeleiding (gedragsbeïnvloedende maatregel – begeleiding) |
|
|
Productcode |
47B12 |
|
Eenheid |
Maand |
|
Duur (maximaal) |
Een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) kan voor minimaal 6 maanden en maximaal 1 jaar worden opgelegd. De maatregel kan eenmaal worden verlengd met maximaal de duur waarvoor deze in eerste instantie is opgelegd. |
|
Omschrijving |
|
|
Type product |
Veiligheid |
|
De gedragsbeïnvloedende maatregel is gericht op heropvoeding. Het doel is verder afglijden van de jeugdige te voorkomen en bij te dragen aan zijn verdere ontwikkeling. De maatregel beperkt de vrijheid van de jeugdige, maar de jeugdige gaat niet naar een justitiële jeugdinrichting. De maatregel is intensief en niet vrijblijvend. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdige van 12-23 jaar en ouder(s)/gezin |
|
De gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) is bedoeld voor jeugdigen die ernstige strafbare feiten hebben gepleegd en intensieve begeleiding nodig hebben om hun gedrag te veranderen. . Deze jeugdigen hebben problemen op veel leefgebieden. De maatregel wordt vaak ingezet wanneer andere strafrechtelijke interventies geen effect hebben gehad. Voorafgaand aan de oplegging van de GBM wordt een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Duurzaam positieve ontwikkeling van de jeugdige |
|
Door heropvoeding en de aanpak van de gedragsproblematiek van de jeugdige wordt de kans op recidive teruggedrongen. Tevens is de maatregel gericht op het bevorderen van de re-integratie van de jeugdige in de maatschappij. |
|
|
Product specifieke eisen |
|
|
|
|
Samenloop jeugdbescherming en jeugdreclassering |
|
|
Productcode |
47B15 |
|
Eenheid |
Maand |
|
Duur (maximaal) |
De maximale duur wordt bepaald door de maatregel (OTS of jeugdreclassering) met de kortste duur. |
|
Omschrijving |
|
|
Type product |
Veiligheid |
|
Samenloop van jeugdbescherming en jeugdreclassering heeft een tweeledig doel: enerzijds het terugdringen van de kans op recidive, door behandeling en de aanpak van de gedragsproblematiek van de jeugdige, anderzijds het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdige van 12-18 jaar en ouder(s)/gezin |
|
Jeugdigen tussen 12 en 18 jaar die veroordeeld zijn of verdacht worden van het plegen van een strafbaar feit én waarbij sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige en/of de jeugdige en/of ouders niet meewerken aan vrijwillige hulp of vrijwillige hulp niet tot voldoende resultaat heeft geleid. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Duurzaam veilige en positieve ontwikkeling van de jeugdige |
|
Samenloop heeft betrekking op het samengaan van een ondertoezichtstelling en een jeugdreclasseringmaatregel voor één jeugdige, welke wordt uitgevoerd door één jeugdbeschermer. De rechtbank heeft de gecertificeerde instelling zowel als uitvoerder van de kinderbeschermingsmaatregel als van de jeugdreclasseringsbegeleiding benoemd. Het product betreft een toeslag op de kosten voor een OTS. |
|
|
Product specifieke eisen |
|
|
|
Veilig Opgroeien Is Teamwerk (VOIT)
Veilig opgroeien is teamwerk bestaat uit het samenwerken aan een blijvend veilige ontwikkeling van jeugdigen, door de Stichting Jeugdteams ZHZ, Veilig Thuis ZHZ, Jeugdbescherming West, het Leger des Heils, de William Schrikker Stichting en de Raad voor de Kinderbescherming. Dit maakt het mogelijk dat zorgen over een veilige ontwikkeling van jeugdigen eerder kunnen worden besproken en dat samen met het gezin in een vroegtijdig stadium aan een blijvend veilige ontwikkeling wordt gewerkt.
In Veilig opgroeien is teamwerk stellen GI's onder andere expertise van en ondersteuning door jeugdbeschermers in een eerder stadium beschikbaar aan de professionals van de lokale (jeugd)teams. Namelijk op het moment dat een jeugdprofessional zorgen heeft over de veilige ontwikkeling van de jeugdige en er niet in slaagt om samen met het gezin deze zorgen duurzaam weg te nemen. De jeugdprofessional kan op dat moment rechtstreeks een beroep doen op een jeugdbeschermer voor advisering in anonieme casuïstiek en ondersteuning in concrete casuïstiek. Dit zorgt voor een zuivere rolverdeling waarin de jeugdprofessional naast het gezin kan blijven staan en de jeugdbeschermer met de jeugdprofessional en het gezin meedenkt over wat er nodig is om een ondertoezichtstelling te voorkomen. .
De samenwerking van de gecertificeerde instellingen met lokale (jeugd)teams in het kader van Veilig opgroeien is teamwerk is uitgewerkt in de documenten 'Werkproces 1e fase uitrol nieuwe werkwijze' en 'Gereedschapskist voor vrijwillige ondersteuning bij zorgen over veiligheid in een gezin'.
|
Veilig opgroeien is teamwerk (VOiT) |
|
|
Normenkader |
|
|
Tarief & eenheid |
Taakgerichte financiering (vooraf bepaald aantal uren * uurtarief) |
|
Gemiddelde trajectprijs |
N.v.t. De totale taakgerichte financiering is gemaximeerd op basis van het afgesproken maximaal aantal in te zetten uren. |
|
Duur (maximaal) |
De maximale duur is afhankelijk van de vraag van de jeugdprofessional om advies en/of ondersteuning. |
|
Intensiteit (maximale inzet) |
De intensiteit is afhankelijk van de vraag van de jeugdprofessional om advies en/of ondersteuning; |
|
Omschrijving |
|
|
Type product |
Veiligheid |
|
Vroegtijdige inzet van expertise van jeugdbeschermers in het lokale veld (vrijwillig kader) als er zorgen zijn over de veilige ontwikkeling van de jeugdige. Jeugdbeschermers bieden op verzoek van de jeugdprofessionals advies en/of ondersteuning aan jeugdprofessionals van de lokale (jeugd)teams.. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdigen van 0-18 jaar en ouder(s)/gezin |
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Duurzaam veilige ontwikkeling van de jeugdige |
|
Het doel is het creëren van (voldoende) ontwikkelingsmogelijkheden en een duurzaam veilige opgroei- en opvoedsituatie voor de jeugdige, maar ook het versterken van ouders vin het hernemen van (opvoeding)verantwoordelijkheid (en daarbij behorend gedrag). |
|
|
Product specifieke eisen |
|
|
|
Instemmingsverklaring gesloten jeugdhulp
Kernwaarde 1 is: Jeugdhulp wordt geboden in de leefomgeving; jeugdigen groeien thuis op.
Echter, sommige jeugdigen hebben zulke ernstige opgroei- of opvoedproblemen dat ze een gevaar vormen voor zichzelf of voor anderen. Deze jeugdigen kunnen in een afgesloten omgeving de juiste hulp krijgen. Zo wordt voorkomen dat de jeugdigen zich aan de behandeling kunnen onttrekken, of dat anderen de zorg in de weg staan. Een gesloten plaatsing omvat een gedwongen opname, gesloten verblijf en gedwongen behandeling in een Jeugdhulp Plus instelling; een zeer ingrijpende maatregel voor de jeugdige. Hiervoor dienen voldoende plaatsen beschikbaar te zijn in bij voorkeur kleine groepen, met op maat behandeling, waar adequate zorg en begeleiding geboden wordt. Er moet voorkomen worden dat jeugdigen overgeplaatst worden. Op grond van nationale en internationale regelgeving dient de mogelijkheid tot het ontnemen of beperken van iemands vrijheid te zijn vastgelegd bij of krachtens een wet. In hoofdstuk 6 van de Jeugdwet is bepaald aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om een jeugdige gesloten te plaatsen. Of aan deze voorwaarden is voldaan wordt getoetst door de kinderrechter.
Er kan ook voor gekozen worden om vanuit het vrijwillig kader een gesloten jeugdhulp plaatsing aan te vragen. Hiervoor kan dit product ook ingezet worden.
Eén van de voorwaarden is dat er een zogenaamde instemmingsverklaring door een gekwalificeerde gedragswetenschapper is afgegeven. In artikel 2 van de Regeling Jeugdwet is bepaald wie een gekwalificeerde gedragswetenschapper kan zijn.
De gekwalificeerde gedragswetenschapper beoordeelt op basis van onderzoek, bestaande uit dossieronderzoek en een recent gesprek (onderzoek) met de jeugdige, of een gesloten plaatsing noodzakelijk is en of hij kan instemmen met het verzoek voor een gesloten plaatsing. De gecertificeerde instelling dient het verzoek voor een gesloten plaatsing samen met de instemmingsverklaring in bij de rechtbank.
|
Instemmingsverklaring gesloten jeugdhulp |
|
|
Productcode |
47IZG |
|
Eenheid |
Stuks |
|
Duur (maximaal) |
De instemmingsverklaring is maximaal vier weken geldig. |
|
Omschrijving |
|
|
Type product |
Veiligheid |
|
Een instemmingsverklaring van een gekwalificeerde en onafhankelijke gedragswetenschapper is één van de wettelijke vereisten voor een gesloten plaatsing in een Jeugdhulp Plus instelling. Met de instemmingsverklaring vindt een extra toets naar de noodzakelijkheid van de gesloten plaatsing plaats. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdige van 0-18 jaar en ouder(s)/gezin |
|
Jeugdigen tussen 0-18 jaar waarvoor een verzoek tot Machtiging Uithuisplaatsing (MUHP) Jeugdhulp Plus wordt ingediend. |
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Duurzaam veilige en positieve ontwikkeling van de jeugdige |
|
Kernwaarde 1 is Jeugdhulp wordt geboden in de leefomgeving; jeugdigen groeien thuis op. Een voor de jeugdige die gesloten geplaatst wordt met rechtswaarborgen omklede procedure. De gekwalificeerde en onafhankelijke gedragswetenschapper beoordeelt of de gesloten plaatsing noodzakelijk is en geeft, indien hij/zij oordeelt dat de noodzaak aanwezig is, een instemmingsverklaring af. Indien de gekwalificeerde en onafhankelijke gedragswetenschapper oordeelt dat er geen noodzaak voor de gesloten plaatsing is, geeft deze zijn instemming niet. Het oordeel van de gekwalificeerde en onafhankelijke gedragswetenschapper wordt gemotiveerd vastgelegd in de instemmingsverklaring. |
|
|
Product specifieke eisen |
|
|
|
|
Toeleiding gesloten jeugdzorg |
|
|
Productcode |
47S06 |
|
Eenheid |
Stuks |
|
Omschrijving |
|
|
Type product |
Veiligheid |
|
De gecertificeerde instelling is verantwoordelijk voor het indienen van een verzoek voor een machtiging gesloten plaatsing bij de rechter, het voorbereiden van de zitting, het raadplegen van een gekwalificeerde en onafhankelijke gedragswetenschapper voor een instemmingsverklaring tot opname in een gesloten instelling en het zoeken en vinden van een plaats voor de jeugdige in een Jeugdhulp Plus instelling. Een verzoek tot een machtiging gesloten plaatsing kan bij de rechter worden ingediend door een gemeente, de Raad van de Kinderbescherming, een Gecertificeerde Instelling of de Officier van Justitie. |
|
|
Doelgroep |
|
|
Voor wie? |
Jeugdige van 0-18 jaar en ouder(s)/gezin |
|
|
|
Resultaten |
|
|
Type resultaat |
Duurzaam veilige en positieve ontwikkeling van de jeugdige |
|
|
|
Product specifieke eisen |
|
|
|
Bijlage 2: Opgroeien en opvoeden. Normale uitdagingen voor kinderen jongeren en ouders, van het Nederlands Jeugdinstituut, onderdeel 6 Samenvattend overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedvragen en ‘normale’ uitdagingen, uitgave 4 december 2020
Inleiding
De meeste kinderen in Nederland ontwikkelen zich zonder al te veel problemen tot autonome en sociale volwassenen die een positieve bijdrage leveren aan de samenleving. Ouders maken zich wel eens zorgen en hebben vragen over de opvoeding en het opgroeien van hun kinderen.
Dat is normaal en laat zien dat ouders betrokken zijn bij hun kind en het beste voor hun kind willen. Naast plezierige en liefdevolle situaties zijn er ook momenten dat opvoeden lastig is. Druk gedrag, tegendraadsheid, teruggetrokkenheid, verlegenheid, onzekerheid; het zijn tot op zekere hoogte normale verschijnselen bij kinderen, vaak gebonden aan de ontwikkelingsfase waarin zij zitten. Het (leren) omgaan met deze verschijnselen is de gewone opgave voor ouders, beroepsopvoeders, zoals pedagogisch medewerkers en leerkrachten, buurten en culturele gemeenschappen, basisvoorzieningen, vrijetijdsvoorzieningen en voor gemeenten.
Naar problemen bij het opvoeden van kinderen en naar risicofactoren is al veel onderzoek gedaan. Maar als we een gezonde, veilige en kansrijke ontwikkeling van kinderen willen bevorderen, zouden we juist meer kennis moeten hebben van de ‘gewone’, niet-problematische opvoeding. Daarom voeren we in deze notitie een literatuurverkenning uit naar factoren die een gezonde, veilige en kansrijke opvoeding en ontwikkeling kenmerken, en naar factoren die daarop een bedreigende of juist een beschermende invloed hebben.
We beschrijven verschillende theoretische modellen over ontwikkeling en sluiten vervolgens vooral aan bij het levensloopmodel waarin veel aandacht is voor beschermende factoren en het versterken van opvoedingsvaardigheden. Vanuit het levensloopmodel geven we per leeftijdsgroep een overzicht van de belangrijke ontwikkelingstaken van jeugdigen en van de opvoedingsopgaven die daar voor volwassenen tegenover staan.
Sommige kinderen en hun ouders hebben door de omstandigheden waarin zij opgroeien en opvoeden te maken met extra uitdagingen. Dat geldt onder meer voor kinderen van ouders met een verstandelijke beperking, kinderen in gezinnen met geldzorgen, kinderen van ouders met een migratieachtergrond, maar bijvoorbeeld ook voor kinderen die zelf psychosociale problemen hebben, bijvoorbeeld door een lichte verstandelijke beperking of adhd.
Omdat een aanzienlijk aantal gezinnen in Nederland een migratieachtergrond hebben, gaan we in deze notitie specifiek in op de invloed van cultuur en migratie op de ontwikkelingstaken van jeugdigen en de opvoedingsopgaven van ouders.
Tot slot beschrijven we factoren die het vervullen van ontwikkelingstaken kunnen bedreigen, zogenoemde risicofactoren, of juist positief beïnvloeden, ook wel beschermende factoren genoemd. Wie een positieve ontwikkeling van kinderen en jongeren wil bewerkstelligen moet inzetten op het bevorderen van die beschermende factoren.
1. Theorieën over de ontwikkeling van kinderen
Onder de term ontwikkeling verstaan we alle veranderingen in het menselijk gedrag die samenhangen met de leeftijd. Kenmerkend voor ontwikkeling is dat het een proces is dat in een vaste volgorde verloopt en onder normale omstandigheden onomkeerbaar is; het is cumulatief en gaat in de richting van eenvoudig naar complex (Verhulst, 2017).
Over het verloop van de ontwikkeling van jeugdigen bestaan diverse theorieën. De beschrijving hierna is vooral gebaseerd op Goosens en Luyckx (in Slot & van Aken, 2019).
1.1 Psychoanalyse
De psychoanalytische theorie gaat ervan uit dat ontwikkeling wordt gestuurd door onbewuste strevingen of driften die voortdurend in conflict komen met beperkingen vanuit de sociale omgeving. Deze theorie legt dan ook veel nadruk op de rol van emoties. Daarnaast wordt verondersteld dat ontwikkeling gestuurd wordt door interne voorstellingen die jeugdigen opbouwen van de belangrijke personen in hun leven en van hun ouders in het bijzonder.
Psychoanalyse heeft veel aandacht voor de ontwikkeling van identiteit en autonomie, waaruit essentiële ontwikkelingstaken voortvloeien. Uitgangspunt is dat kinderen en jongeren moeten loskomen van de afhankelijkheid van ouders en een niveau van autonomie moeten ontwikkelen dat past bij hun leeftijd. Jongeren dienen daarnaast seksualiteit te integreren in hun persoonlijkheid.
1.2 Cognitieve theorieën
Cognitieve theorieën1 leggen de nadruk op de ontwikkeling van het denken. Voorbeelden zijn de cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget, de informatieverwerkingstheorieën en de socioculturele theorie van Vygotsky. Elke theorie probeert een antwoord te bieden op een of meerdere basisvragen.
1.2.1 De theorie van Piaget
De cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget stelt dat denken een constructie is van schema’s of mentale structuren in de hersenen. Vanaf de geboorte zijn de zenuwcellen (neuronen) in onze hersenen reeds minimaal georganiseerd in schema’s. Door de invloed van genetische factoren veranderen de schema’s van kinderen op hetzelfde moment op een gelijkaardige manier. Daarnaast gaat Piaget er van uit dat elk kind aan de constructie van zijn eigen mentale schema’s werkt. Kinderen construeren actief kennis door hun omgeving te exploreren en te manipuleren. Ze verwerken nieuwe informatie uit de buitenwereld door processen van assimilatie (het opnemen of integreren van wat waargenomen wordt in een bestaand schema) en accommodatie (het aanpassen van het schema op basis van wat waargenomen wordt). Zo vinden kinderen telkens opnieuw een balans tussen hun cognitieve schema’s enerzijds en informatie uit de buitenwereld anderzijds.
De cognitieve ontwikkeling verloopt volgens Piaget stapsgewijs, dus discontinu. Van zuigeling tot adolescent doorlopen kinderen vier kwalitatief verschillende stadia: sensomotorisch, preoperationeel, concreet-operationeel en formeel-operationeel.
Vervolgonderzoek heeft een aantal van de basisideeën van Piaget weerlegd. Cognitieve veranderingen verlopen eerder gradueel en continu dan abrupt en stadiumgebonden. Piaget onderschatte daarnaast de kracht van taal. De taalontwikkeling beïnvloedt voortdurend de cognitieve ontwikkeling. Piaget hield verder te weinig rekening met sociale en culturele invloeden op ontwikkeling. Ondanks deze kritiekpunten heeft Piaget belangrijke inzichten opgeleverd, bijvoorbeeld dat kennis ontstaat uit ervaring, door het actief exploreren met voorwerpen.
1.2.2 De informatieverwerkingstheorie
Aanhangers van de informatieverwerkingstheorie gaan na in welke mate kinderen van verschillende leeftijden qua denken kwantitatief van elkaar verschillen. Ze beschouwen het menselijk brein als een systeem dat meer of minder informatie waarneemt (input), verwerkt en organiseert (proces) en een gedragsreactie genereert (output). Cognitieve ontwikkeling is een continu proces. In deze theorie is er veel aandacht voor executieve functies die onder meer plannen, zelfregulatie en mentale flexibiliteit mogelijk maken. Deze functies leiden tot diverse ontwikkelingstaken voor kinderen.
1.2.3 De theorie van Vygotsky
De socioculturele theorie van Vygotsky2 beschouwt de cognitieve ontwikkeling als een sociaal gemedieerd proces. Dat betekent dat ontwikkeling alleen kan plaatsvinden door de wederzijdse beïnvloeding tussen het kind en de mensen in zijn omgeving. Taal en regels of afspraken voor bijvoorbeeld spel zijn essentieel om de externe wereld te kunnen internaliseren. Kinderen leren problemen oplossen via hun interacties met volwassenen en meer ervaren leeftijdgenoten. Door met anderen te spelen en samen te werken leren ze wat belangrijk is en leren ze hun omgeving beter begrijpen. Van Vygotsky komt het begrip ‘zone van naaste ontwikkeling’, dat betrekking heeft op de potentiële ontwikkelingsmogelijkheden van een individu. Ontwikkelingsopdrachten die zich in die zone bevinden, kan het kind niet meteen zelfstandig vervullen, maar wel met enige hulp. Ontwikkelingsopdrachten buiten de zone zijn zelfs met hulp te moeilijk, wat tot frustratie of zelfmiskenning kan leiden, of juist te makkelijk, wat ook frustratie of verveling als gevolg kan hebben.
1.3 Contextuele theorieën
In deze theoretische benaderingen wordt geprobeerd de rol die de sociale omgeving speelt in de (psychologische) ontwikkeling in detail te beschrijven. Met de term ‘context’ wordt verwezen naar de relatie van een persoon met een groep anderen die belangrijk voor hem zijn.
1.3.1 De ecologische theorie
Deze theorie is het meest expliciet uitgewerkt in het ecologisch model van Bronfenbrenner (zie schema). Dit model biedt een gedetailleerde beschrijving van de omgeving waarin psychosociale ontwikkeling plaatsvindt.
De ecologische theorie beschrijft vijf niveaus in de interactie tussen mens en omgeving die allemaal direct of indirect invloed hebben op de ontwikkeling van jeugdigen. De eerste vier van deze niveaus, systemen genoemd, zijn hiërarchisch geordend en worden voorgesteld als concentrische cirkels:
Microsysteem: een verzameling relaties en activiteiten in de onmiddellijke, persoonlijke omgeving van een kind of jongere. Het gaat dan om het gezin, maar ook de groep van leeftijdgenoten en de kinderopvang of school, en tegenwoordig ook de applicaties en (social) media die kinderen benutten. Dit is het systeem dat een kind of jongere het meest direct beïnvloedt.
Mesosysteem: de wederzijdse verbindingen en processen die optreden tussen twee of meer microsystemen zoals het contact dat ouders hebben met de kinderopvang of school en het contact van jongeren met bijvoorbeeld het jongerenwerk.
Exosysteem: systemen waarmee een kind of jongere niet zelf contact heeft maar die toch invloed hebben op gedrag en ontwikkeling. Voorbeelden zijn het werk van ouders of hun sociale netwerken; wat daar gebeurt kan invloed hebben op het opvoeden door ouders. Hieronder vallen ook ontwikkelingen op het gebied van marketing/reclame of technologische ontwikkelingen (smartphones, smart-toys en -speakers) die bepalend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen.
Macrosysteem: het niveau dat het verst verwijderd is van de onmiddellijke ervaring van de jeugdige zoals de cultuur waarin iemand leeft, maatschappelijke instellingen, de regering (dus wet en regelgeving, sociaaleconomische factoren).
Verder onderscheidt Bronfenbrenner het chronosysteem. De sociale omgeving van de persoon verandert ook in de tijd. Essentieel zijn vooral belangrijke overgangen in de tijd, door Bronfenbrenner de ‘ecologische transities’ genoemd. Bronfenbrenner was er van overtuigd dat de historische context een belangrijke rol uitoefent op de ontwikkeling van mensen, maar heeft dit niet uitgewerkt.
1.3.2 De culturele dimensie van opvoeding
Bronfenbrenner beperkt de culturele dimensie van de opvoeding in zijn ecologisch model tot het macroniveau. Super & Harkness (1986) hebben een theoretisch raamwerk ontwikkeld dat meer rekening houdt met de culturele dimensie van opvoeding: de ‘developmental niche’. Die dimensie bevat drie subsystemen:
settingen: fysieke en sociale settingen waarin een kind leeft;
verzorgings- en opvoedingsgewoonten die cultureel bepaald zijn;
psychologie van de opvoeders: de opvattingen van ouders over kinderen en over de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van kinderen.
Deze drie subsystemen vormen de context waarin het kind opgroeit. De dagelijkse settingen waarin een kind zich bevindt, oefenen de belangrijkste culturele invloeden op dat kind uit. Deze settingen kunnen per cultuur verschillen.
De kern van de ‘developmental niche’-theorie is dat opvattingen van ouders de opvoedingsgewoonten en settingen waarin kinderen participeren in cultureel opzicht structureren. In diverse samenlevingen, zoals de Nederlandse, zijn de sociale en fysieke settingen waarin kinderen opgroeien de laatste decennia sterk veranderd onder invloed van urbanisatie, industrialisatie en modern onderwijs.
Ouders hebben dan drie mogelijkheden om op deze veranderingen te reageren:
Ze adopteren nieuwe waarden en normen naast de oude.
Ze vervangen de oude door de nieuwe waarden en normen.
Ze blijven vasthouden aan hun traditionele opvattingen.
1.3.3 De levenslooptheorie
Deze theorie is uitgewerkt om tijdgebonden invloeden op de ontwikkeling van jeugdigen mee te nemen. In iedere levensfase geldt een aantal ontwikkelingstaken. Omdat niet iedere jeugdige die ontwikkelingstaken op dezelfde wijze aanpakt, wordt in de levenslooptheorie gesproken over ‘ontwikkelingstrajecten’. Voor iedere ontwikkelingstaak zijn er verschillende mogelijkheden voor het vervolgtraject. Ontwikkeling kan dan ook verschillende vormen aannemen en diverse routes volgen. De flexibiliteit van de levensloop wordt ook beïnvloed door de veerkracht van een jeugdige. Met het begrip ‘plasticiteit’ wordt het vermogen aangeduid om de oude vorm weer aan te nemen nadat iemand iets heeft meegemaakt dat niet prettig was. Het begrip ‘veerkracht’ staat voor krachten in het individu of de omgeving waarop iemand een beroep kan doen en die een gunstig verloop van de ontwikkeling kunnen bevorderen.
De ontwikkelingstrajecten van jeugdigen worden ook bepaald door risicofactoren zoals stress en beschermende factoren zoals sociale steun. Daarnaast heeft de maatschappij een sterke invloed doordat verschillende ‘tussenstations’ in een ontwikkelingstraject maatschappelijk zijn bepaald. De levenslooptheorie spreekt in dit verband over ‘sociale paden’, bijvoorbeeld de volgorde van opleiding afmaken, werk zoeken, gezin vormen. Iedere jeugdige legt een specifiek ontwikkelingstraject af langs de sociale paden die de maatschappij aangeeft.
Voor het verloop van de ontwikkeling is een aansluiting tussen de eigenschappen van het individu en de kenmerken van de omgeving van groot belang. Een goede aansluiting houdt in dat de kenmerken van de omgeving aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van individuen.
1.4 Dynamische systeemtheorie
Deze theorie ziet de persoon en zijn hele sociale context - in ruimte en tijd - als een samenhangend geheel dat voortdurend in beweging is. Dat geheel wordt beschreven als een systeem van relaties tussen persoon en ouders, leeftijdgenoten, de cultuur of de historische periode waarin een jeugdige opgroeit. De verschillende onderdelen of relaties van het systeem werken op elkaar in, maar het systeem als geheel streeft ook naar een intern evenwicht.
Deze theorie steunt op een mensvisie die aansluit op de meer positieve aspecten van het gedrag zoals veerkracht, zelfregulering en zelfcontrole. In de psychologie gericht op adolescenten heeft dat bijvoorbeeld geleid tot een nadruk op de positieve ontwikkeling van jongeren waarin de eerste plaats hun talenten tot ontwikkeling komen. Bijvoorbeeld, adolescenten krijgen steeds meer vaardigheden waardoor ze hun eigen ontwikkeling kunnen sturen, maar doen dat wel altijd samen met belangrijke mensen in hun leven zoals ouders, leeftijdgenoten, leraren en begeleiders in het jeugdwerk. Deze positieve psychologie legt, net als het levensloopmodel, veel nadruk op beschermende factoren.
1.5 Theorieën vullen elkaar aan
Omdat de ontwikkeling van jeugdigen complex is en veel verschillende aspecten heeft, bestaan er uiteenlopende theorieën die de nadruk op een van die aspecten leggen: het leren omgaan met emoties (psychoanalyse), het steeds beter leren denken (cognitieve theorieën) en de invloed van de sociale omgeving (contextuele theorie en dynamische systeemtheorie). Door theorieën te combineren is een meer omvattende theorie over ontwikkeling mogelijk (Goosens en Luyckx in Slot & van Aken, 2019). De psychoanalytische en cognitieve theorie geven een goed overzicht van de algemene ontwikkelingslijn voor het ontwikkelen en versterken van de eigen identiteit en het ontwikkelen van steeds meer autonomie. De contextuele theorieën benaderen vooral hoe concrete leefomstandigheden de ontwikkeling een eigen kleur geven, waarbij de levenslooptheorie oog heeft voor risicofactoren en beschermende factoren in de ontwikkeling en het model Harkness & Super culturele aspecten naar voren brengt. De dynamische systeemtheorie (positieve psychologie) wil vooral, met het sterke geloof in de positieve eigenschappen van jeugdigen, de leefomstandigheden verbeteren en de ontwikkeling in positieve zin beïnvloeden. Denken vanuit beschermende factoren past het beste bij de contextuele theorieën (levensloopmodel) en de dynamische systeemtheorie, waaronder de positieve psychologie.
2. De rol van opvoeders in de ontwikkeling van kinderen
Het gezin is de eerste belangrijke omgeving waarin kinderen opgroeien. Het gezin biedt kinderen liefde, bescherming, veiligheid, ondersteuning en stimulering. Kinderen leren culturele regels, waarden en normen, en kunnen binnen veilige grenzen gedragingen en vaardigheden leren en oefenen. Ouders zijn de eerstverantwoordelijken voor de opvoeding van hun kinderen. In het gezin en bij de ouders ligt de basis voor een gezonde, veilige en kansrijke ontwikkeling (Daamen & Ince, 2014).
Opvoeding is een specifieke vorm van interactie tussen ouders en kinderen waardoor gewoonten, vaardigheden en inzichten worden overgedragen die het kind in staat stellen een eigen identiteit te ontwikkelen en adequaat te functioneren in de maatschappij. Opvoeding kan worden gezien als een transactioneel proces, waarin ouders en kinderen elkaar wederzijds beïnvloeden in relatie met de specifieke omgeving van het gezin. Zowel factoren in het kind, de ouders en de omgeving hebben invloed op dit proces. Sommige factoren beïnvloeden de opvoeding positief, andere bedreigen de opvoeding (Blokland, 2010).
2.1 Pijlers van opvoedingskwaliteit
De kwaliteit van de opvoeding rust op twee pijlers. De eerste pijler betreft de affectieve band tussen ouders en kinderen, de mate waarin ouders betrokken zijn bij hun kind, de emotionele ondersteuning die zij hun kind bieden en de ruimte die zij hun kind geven om eigen initiatieven te ontplooien. Bij de eerste pijler hoort ook het ondersteunen en stimuleren van de ontwikkeling van het kind: samen praten, uitleg geven, spelen, voorlezen. De tweede pijler betreft het bieden van structuur en houvast en de noodzaak om ongewenst gedrag tijdig te corrigeren. Het gaat dan om het stellen van regels en grenzen aan het gedrag van kinderen en het toezicht houden op wat ze doen. Het evenwicht tussen ondersteunen en structureren wordt als belangrijk kenmerk genoemd voor het beoordelen van een opvoedingssituatie (Maccoby, 1994; Blokland, 2010).
Tijdens de opvoeding wordt de ontwikkeling van een kind wordt positief beïnvloed door (Sanders, 2012):
- •
Een veilige en stimulerende omgeving
Om zich goed te kunnen ontwikkelen hebben kinderen liefde, veiligheid en bescherming nodig. In een veilige omgeving kunnen kinderen ongestoord spelen. Verder is het belangrijk dat kinderen bezigheden hebben die hen boeien en stimuleren en zijn afgestemd op hun leeftijd. Ouders bieden kinderen de kans om spelenderwijs te ontdekken, te spelen. Ze doen activiteiten met hun kind en hebben een goede interactie met het kind, wat wil zeggen dat ze gesprekjes hebben met het kind, initiatieven van het kind volgen en het kind informatie en uitleg geven.
- •
Positieve ondersteuning
Complimenten en aanmoediging versterken de band tussen ouders en kinderen en bevorderen gewenst gedrag van de kinderen. Positieve steun stimuleert kinderen om de vaardigheden te ontwikkelen die ze nodig hebben voor een goede sociale aanpassing en helpt ook om moeilijkheden en tegenslag te overwinnen. En dat bevordert weer de veerkracht en zelfredzaamheid van kinderen.
- •
Aansprekende discipline
Kinderen ontwikkelen zich het beste wanneer de omgeving duidelijk en voorspelbaar is en positief gedrag wordt versterkt. Aansprekende discipline betekent dat ouders duidelijke regels stellen, op een heldere manier instructies geven en snel en doortastend reageren wanneer kinderen ongewenst gedrag vertonen.
- •
Realistische verwachtingen
Ieder kind is uniek en ontwikkelt zich in zijn eigen tempo. Belangrijk is dat de verwachtingen van ouders in overeenstemming zijn met de leeftijd en de ontwikkeling van hun kind. Wanneer ouders te veel van hun kind verwachten of juist te weinig kunnen er problemen ontstaan.
- •
Goed voor jezelf zorgen
Geen enkele ouder is perfect. Opvoeden is iets dat iedereen met vallen en opstaan leert. Voor ouders die goed voor zichzelf zorgen en genoeg rust en ontspanning krijgen, is het makkelijker om geduldig, consequent en beschikbaar voor hun kinderen te zijn.
2.2 Opvoedingsvaardigheden
Kinderen ontwikkelen zich doordat ze bepaalde ervaringen opdoen. Dat zijn ervaringen met hun ouder(s), (professionele) opvoeders, andere mensen in hun omgeving en de materiële omgeving. Wij beperken ons hier tot de rol van ouders en andere directe opvoeders in het contact met het kind en de intermediërende rol die zij hebben voor de ervaringen die kinderen opdoen in interactie met andere personen en de materiële omgeving. We beschrijven hier kort de basale vaardigheden van opvoeders die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van kinderen. Het gaat bij deze vaardigheden om interactievaardigheden in het directe contact met het kind en om vaardigheden in het creëren van voorwaarden om de ontwikkeling van het kind zo goed mogelijk te laten verlopen.
In de literatuur krijgen interactievaardigheden van opvoeders de nodige aandacht. Vaardigheden die in dat verband veel genoemd worden zijn: het bieden van emotionele ondersteuning (sensitieve responsiviteit of sensitiviteit), het respecteren van de autonomie van kinderen, structuur bieden en grenzen stellen, informatie en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren en begeleiden van interacties tussen kinderen (vooral in de kinderopvang). Onderzoek heeft laten zien dat deze vaardigheden samenhangen met het welbevinden en de ontwikkeling van kinderen, zowel in de thuissituatie (Meij, Zevalkink & Hubbard, 1994) als in kinderopvangsituaties (Riksen-Walraven, 2006).
Of het nu gaat om een baby of een puber, de volgende vijf opvoedingsvaardigheden zijn in iedere situatie en in elke ontwikkelingsfase van een kind belangrijk. De zesde vaardigheid is van toepassing op situaties waarin kinderen bij elkaar zijn zoals in de kinderopvang of op school.
1. Emotioneel ondersteunen
Emotionele ondersteuning bieden is het kind een gevoel van geborgenheid geven zodat het zich veilig en op zijn gemak voelt. Hierdoor kan een kind zijn aandacht richten op zijn omgeving en is hij vrij om nieuwe indrukken op te doen en te leren van wat hij ervaart. Concreet betekent emotioneel ondersteunen dat de opvoeder op een positieve manier duidelijk zijn of haar betrokkenheid laat blijken bij wat het kind doet en ervaart, bijvoorbeeld door troosten, complimentjes geven, aanmoedigen en interesse tonen.
2. Respect voor autonomie
Wanneer een kind zich emotioneel ondersteund voelt door de opvoeder, gaat het op verkenning uit. Het is van belang dat de opvoeder het kind daarbij zo veel mogelijk de ruimte geeft en het respecteert in zijn autonomie. In de praktijk van de opvoeding betekent respect voor autonomie: de zelfstandigheid bevorderen en de eigenheid van het kind respecteren. Respect voor de autonomie houdt in:
het kind de ruimte geven om zoveel mogelijk zelf te doen en zelf te ontdekken;
de inbreng van het kind positief waarderen;
mét het kind praten, in plaats van tegen het kind of over zijn hoofd heen;
het kind voorbereiden op wat er komen gaat.
3. Structuur bieden en grenzen stellen
Om tegemoet te komen aan de groeiende behoefte aan zelfstandigheid en autonomie van het kind is het van belang dat het kind ervaart dat er een vaste structuur is en dat er grenzen zijn. Hoewel dit aspect lijnrecht tegenover het vorige lijkt te staan (hoe meer regels, hoe minder ruimte voor eigen inbreng van het kind), geeft het bieden van structuur juist het houvast dat het kind nodig heeft om zelfstandig activiteiten te ondernemen.
4. Informatie en uitleg geven
Om de wereld te leren begrijpen heeft een kind informatie en uitleg nodig. Het is belangrijk dat die informatie en uitleg aansluit bij de behoefte, de belevingswereld, de aandacht en het ontwikkelingsniveau van het kind. Naarmate de informatie van betere kwaliteit is, draagt deze meer bij aan de ontwikkeling van het kind. Met behulp van de informatie kan het kind zelfstandig verder met waar hij mee bezig is, krijgt hij het gevoel dat hij serieus genomen wordt, en wordt hij zekerder van zichzelf.
5. Ontwikkelingsstimulering
Bij ontwikkelingsstimulering gaat het om de acties die ondernomen worden om kinderen te begeleiden bij het vergroten van vaardigheden en kennis, passend bij hun ontwikkelingsniveau en potenties. Het gaat daarbij om verschillende ontwikkelingsgebieden zoals cognitieve ontwikkeling, taalontwikkeling, motorische ontwikkeling en sociaal emotionele ontwikkeling.
6. Begeleiden van interacties
Kinderen komen zowel thuis als in de kinderopvang, op school, bij verenigingen en online in aanraking met andere kinderen. Tijdens het ‘samenleven’ in groepen hebben kinderen onderling contact. Deze ervaringen kunnen hun sociaal emotionele ontwikkeling zowel positief als negatief beïnvloeden. Daarom is het belangrijk dat een opvoeder of beroepskracht oog heeft voor deze interacties en deze goed kan begeleiden. Dat betekent niet alleen dat de ouder of beroepskracht negatieve situaties zoals ruzie in goede banen leidt, maar ook dat zij positieve interacties tussen kinderen opmerkt, waardeert en beloont.
Het begeleiden van interacties, dat bij het sociaal leren van het kind in de groep een belangrijke rol speelt, bestaat vooral uit het opmerken en aanmoedigen van kinderen.
2.3 Overige vaardigheden
Naast de directe interactie met het kind, heeft de opvoeder ook gedeeltelijk invloed op ervaringen die het kind opdoet met anderen buiten het gezin en met de materiële omgeving van het kind. Dit vraagt vaardigheden van opvoeders in het creëren van voorwaarden voor een goede ontwikkeling van het kind. Zo kan in samenspraak met het kind gekozen worden voor bepaalde activiteiten, bepaald speelgoed, een bepaalde school of een bepaalde sportclub en kunnen (bepaalde) vriendschappen al dan niet gestimuleerd worden. Vaak zullen opvoeders die eerdergenoemde interactievaardigheden goed beheersen, de overige vaardigheden die we hier noemen ook wel bezitten. Zij zijn immers in staat om in het algemeen keuzes te maken die goed zijn afgestemd op het kind.
Daarnaast spelen ook andere vaardigheden van opvoeders een rol. Opvoeders kunnen wat goed gaat bij het kind en in de omgeving versterken. Wanneer zich problemen voordoen of dreigen voor te doen rondom of met het kind, moeten opvoeders in staat zijn deze het hoofd te bieden. Voorbeelden zijn: een moeder gaat op school praten met de leerkracht omdat ze vermoedt dat het kind gepest wordt, een leerkracht gaat praten met ouders omdat het kind op school weinig contact heeft met andere kinderen, een vader gaat praten met de voetbaltrainer omdat zijn zoon in een ander team is geplaatst dan al zijn vriendjes.
Tot slot spelen algemene probleemoplossingsvaardigheden ook een rol. Veel opvoeders hebben grote veerkracht en goede probleemoplossingsvaardigheden zodat zij een positieve ontwikkeling versterken en problemen voorkomen. Dat is echter niet bij alle opvoeders het geval. Opvoeders die om welke reden dan ook in moeilijke omstandigheden verkeren, bijvoorbeeld door verslaving, financiële problemen of relatieproblemen, lopen het risico dat dit zijn weerslag heeft op de opvoeding van het kind.
3. Ontwikkelingstaken van kinderen en jongeren
De ontwikkeling van kinderen begint bij al de bevruchting en wordt beïnvloed (of bepaald) door een wisselwerking tussen aanleg, biologische rijping en de (sociale) omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt.
De ontwikkeling van de hersenen is in de eerste twee jaar van het leven van een kind van groot belang. Alle kinderen worden geboren met de aanleg om complexe hersenfuncties te ontwikkelen. De jonge hersenen zijn een zeer ontvankelijk deel van het lichaam, met een groot aantal zenuwcellen en onderlinge verbindingen tussen deze zenuwcellen. Hersenontwikkeling is echter afhankelijk van de juiste ervaringen. De interactie tussen kind en omgeving is bepalend voor welke connecties gevormd worden en welke al gemaakte verbindingen blijven bestaan. Positieve interacties tussen kinderen en hun opvoeders beïnvloeden rechtstreeks het brein. In een omgeving die voorziet in voldoende en geschikte stimulatie, bijvoorbeeld doordat die rijk is aan taal, zal de genetische aanleg van het kind zich goed ontwikkelen (Oats et al. 2012).
Gedurende de eerste levensjaren wordt de basis gelegd voor het verdere leven. Zo hebben de eerste jaren in het leven van een kind een grote impact op onder meer het gedrag, de ontwikkeling van taal en denken, het vermogen om te leren, de gevoeligheid voor ziekten en de gezondheid en welzijn.
Verschillen die ontstaan blijken daarna moeilijk te compenseren (Roseboom, 2018).
In de loop van de ontwikkeling van baby naar volwassene is een opgaande lijn te constateren naar een steeds hoger niveau van functioneren. Daarin zijn verschillende ontwikkelingsfasen te onderscheiden. In iedere fase worden kinderen met nieuwe ontwikkelingstaken3 geconfronteerd: opgaven die kenmerkend zijn voor een bepaalde periode in de ontwikkeling en die om bepaalde vaardigheden vragen. Een ontwikkelingstaak is bijvoorbeeld het opbouwen van een goede gehechtheidsrelatie met de opvoeder of goed kunnen omgaan met leeftijdgenoten. Het kind of de jongere moet zich vaardigheden eigen maken om die taken te kunnen vervullen (Meij & Ince, 2013; Goosens & Luyckx in Slot & van Aken, 2019).
Ontwikkelingstaken hebben betrekking op alle aspecten van het psychologisch functioneren zoals lichaamsbeleving, gevoelsleven, de taal, het denken, executieve vaardigheden en de integratie in de maatschappij.
Ontwikkeling vindt plaats onder invloed van (Goosens & Luyckx in Slot & van Aken, 2019):
leeftijd: biologische rijping en lichamelijke veranderingen, invloed van hormonen en hersenontwikkeling.
omgevingsfactoren: kansen en steun vanuit de opvoedomgeving, input (zoals lesstof op school) en verwachtingen van de omgeving (gezin, school en vriendengroep).
geschiedenis: (ingrijpende, traumatische) historische gebeurtenissen, bijvoorbeeld een oorlog of een pandemie (corona), of maatschappelijke veranderingen zoals de opkomst van sociale media.
individuele levensgebeurtenissen: biologische of omgevingsfactoren die niet gekoppeld zijn aan leeftijd of tijdgebonden context, bijvoorbeeld een ziekte, echtscheiding of werkloosheid.
Op grond van deze verschillende invloeden op ontwikkeling kunnen we drie soorten ontwikkelingstaken onderscheiden:
Taken die in alle tijden gelden voor alle jeugdigen van een bepaalde leeftijd zoals het opbouwen van identiteit en autonomie;
Taken die gelden voor jeugdigen die leven in een bepaalde periode of een bepaalde omgeving zoals het leren van vaardigheden om door middel van sociale media online met anderen in contact te komen;
Taken die enkel gelden voor een beperkt aantal jeugdigen die met grote persoonlijke veranderingen worden geconfronteerd in hun leven zoals de gevolgen van migratie, echtscheiding of met beperkingen door ziekte of handicap (Goosens en Luyckx in Slot, 2019).
3.1 Ontwikkelingstaken per leeftijdsgroep
We beschrijven hier kort de belangrijkste thema’s en ontwikkelingstaken die in verschillende leeftijdsgroepen centraal staan en bieden per leeftijdsgroep een kort overzicht met voorbeelden van ontwikkelingstaken en bijbehorende vaardigheden. Van de drie soorten ontwikkelingstaken die we hierboven vermeld hebben beperken we ons hier tot de eerste twee, dus ontwikkelingstaken die gelden voor alle jeugdigen in verschillende leeftijdsgroepen. De aangegeven leeftijdsperiodes zijn globaal en moeten ook niet al te strikt worden gehanteerd. Het gaat om de kritieke periodes waarbinnen bepaalde thema’s extra veel aandacht vragen en verdienen. Als een ontwikkelingstaak volbracht is, blijft het thema ook daarna nog steeds belangrijk. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar wordt het in het schema opgenomen in de fase waarin het thema het meeste speelt. Zo begint de ontwikkeling van taal en denken al bij de geboorte, maar krijgt die een sterke impuls vanaf twee jaar. Ook liggen de leeftijden niet vast, maar kunnen ze per individu verschillen. Het ene kind is eerder toe aan sommige ontwikkelingstaken dan het andere kind. Ieder kind is uniek in het tempo en de manier waarop het bepaalde ontwikkelingstaken voltooit. Sommige kinderen en jongeren krijgen wat later of juist wat eerder met bepaalde ontwikkelingstaken te maken.
Het volgende overzicht is ontleend aan de overzichten van Slot & van Aken (2019); Spanjaard & Slot (2015); Timmermans, Heerwaarden, Pijpers & Carmiggelt (2015), Meij& Ince, 2013; Aarsen e.a. (2010), Dawson & Guare (2009), Van Yperen (1994), Nikken & de Vries (2020).
3.2 Ontwikkelingstaken voor kinderen van 0 tot 2 jaar
De belangrijkste ontwikkelingstaak voor het kind is in deze periode het opbouwen van een veilige gehechtheidsrelatie met een of meer volwassenen. Veilig gehechte kinderen kunnen hun opvoeder gebruiken als veilige basis van waaruit zij hun omgeving kunnen verkennen. In de loop van het tweede jaar worden autonomie en individuatie steeds belangrijker. Het kind gaat steeds meer initiatief nemen en kan onafhankelijk van de opvoeder succes en bevrediging bereiken. In deze periode wordt de basis gelegd voor vertrouwen in anderen en voor vertrouwen in de eigen competentie.
3.2.1 Taken en vaardigheden van 0 tot 2 jaar:
Veilige hechting: het zoeken van nabijheid bij een ouder of opvoeder, het ervaren van continuiteit, het gebruiken van ouders en opvoeders als veilige basis;
Lichaamsbeheersing en fysiologische zelfregulatie: zindelijkheid, zien, horen, eten, drinken, objecten vastpakken, zitten, kruipen, lopen en klauteren;
Omgaan met ouder(s) en familie: onderscheid maken tussen ouder en een vreemde, zonder paniek alleen kunnen zijn;
Exploratie en spelen: doelgericht spelen met voorwerpen, spelen naast andere kinderen;
Autonomie & individuatie: dingen zelf doen, weten dat je een individu bent met eigen wensen en voorkeuren, verschuiving van externe regulatie (door opvoeders) naar zelfsturing/zelfregulatie.
3.3 Ontwikkelingstaken voor kinderen van 2 tot 4 jaar
In deze periode ontwikkelt het kind het vermogen zich iets voor te stellen dat er niet meer is, evenals het vermogen tot imitatie. Ook komt de taalontwikkeling op gang. Er is sprake van een duidelijke opbouw van kennisstructuren en symbolische of representationele vaardigheden (begin van ‘alsofspel’, probleemoplossend spel, oog voor verhaaltjes en dagelijkse routines). In de loop van het derde jaar beginnen leeftijdgenootjes een rol te spelen (begin van samenspelen). De peuter moet in staat zijn constructief met leeftijdgenootjes om te gaan en niet voortdurend in conflict met of afzondering van hen te zijn. Dit vereist ook communicatieve vaardigheden. In deze periode ontwikkelt het kind ook het vermogen om zich aan te passen aan de eisen die opvoeders stellen (socialisatie), eerst op grond van externe regulatie en vervolgens door middel van zelfcontrole van het kind (zindelijkheid, impulscontrole, afblijven van sommige dingen). De zelfredzaamheid neemt toe (bijvoorbeeld zelf eten, aankleden, smartphone of tablet bedienen). Tenslotte is ook de identificatie met de sekserol als jongen en meisje een centraal thema in deze periode.
3.3.1 Taken en vaardigheden van 2 tot 4 jaar:
Taalvaardigheden: gesproken taal begrijpen, zinnen maken, een boodschap overbrengen, iets vertellen; voor kinderen met migrantenachtergrond Nederlands als tweede taal leren. Zelfsturing/zelfregulatie4: kunnen beheersen van emoties en gedrag, bijvoorbeeld behoeften uitstellen, impulsen controleren, irrelevante of onaangepaste prikkels onderdrukken (inhibitie) en omgaan met frustratie.
Constructieve omgang met leeftijdgenoten: samen spelen, initiatief nemen, iets delen.
Zelfredzaamheid: met bestek eten, zichzelf wassen, jezelf aan- en uitkleden.
Sekserol: identificatie met de rol als jongen en meisje.
3.4 Ontwikkelingstaken voor kinderen van 4 tot 6 en 6 tot 12 jaar
In deze periode neemt de autonomie verder toe. Dit uit zich in de kleuterperiode ook in het snel toenemend vermogen van het kind om voor zichzelf te zorgen (zichzelf wassen en aan- en uitkleden, eten). Bij kleuters komt de gewetensontwikkeling en ontwikkeling van schaamtegevoelens op gang. Verder begint vanaf cira 7 jaar het vermogen tot decentratie (andermans perspectief leren zien) zich te ontwikkelen. In de omgang met leeftijdgenoten moet het kind leren zijn egocentrische houding steeds meer te laten varen. Het vermogen om wederkerige relaties op te bouwen met vriendjes en vriendinnetjes en het geaccepteerd worden door de groep is dan een belangrijke ontwikkelingstaak. Tot slot wordt het kind in deze periode geconfronteerd met de maatschappelijke eis om te leren lezen, schrijven en rekenen. Daarnaast moet het zich in de schoolse situatie een taakhouding eigenmaken om zich gedurende (steeds) langere tijd te concentreren op schoolse taken. In de omgang met de leerkracht is het noodzakelijk om de leerlingrol aan te nemen. Met toenemende cognities en sociaalemotionele ervaringen kunnen kinderen steeds beter een moreel standpunt innemen over wat goed, slecht, eerlijk of onrechtvaardig is. Hun vermogen om fantasie en werkelijkheid van elkaar te onderscheiden wordt steeds genuanceerder. Vanaf circa 9 jaar zijn kinderen in staat om hun eigen ideeën, fantasieën en gedachten te beschouwen en daar emotioneel afstand van te nemen.
3.4.1 Taken en vaardigheden van 4 tot 6 jaar:
Schoolse vaardigheden/deelname basisonderwijs: concentratie, taalvaardigheid, opdrachten leren uitvoeren, in groepsverband functioneren;
Taakgerichtheid: langere tijd met een taak bezig zijn, actieve leerhouding;
Gebruik van digitale apparaten die meer motorische vaardigheden verlangen en van de digitale wereld;
Zich gezinsnormen eigenmaken, leren je aan regels te houden;
Omgang met leeftijdgenoten: vriendschappen sluiten, samen spelen, initiatief nemen, voor jezelf opkomen.
Gewetensontwikkeling;
Ontwikkeling van schaamtegevoelens;
Nemen van deelverantwoordelijkheden thuis: uitvoeren van kleine taakjes, zorgen voor huisdieren.
3.4.2 Taken en vaardigheden van 6 tot 12 jaar:
Vergroten zelfstandigheid ten opzichte van ouders/opvoeders: privacy, een eigen mening en verantwoordelijkheid;
Gebruik van basale infrastructuren: vervoer, geld, vrije tijdsvoorzieningen, digitale apparaten en de digitale wereld (internet en sociale media);
Zelfsturing/zelfregulatie: herkennen en bijsturen van emoties: herkennen en benoemen van eigen gevoelens, risicovolle impulsen opmerken, beheersen of bijsturen;Schoolse vaardigheden: taal- en communicatievaardigheden, in groepsverband functioneren, concentreren op taken, schoolse vaardigheden (lezen, schrijven, rekenen) eigen maken;
Relaties met leeftijdgenoten: aanknopen en onderhouden van wederkerig vriendschappen, geven en nemen in spel, eenvoudige conflicten oplossen, laten merken dat je de ander aardig vindt, vanaf ongeveer 8 jaar sociale media benutten voor contacten;
Zich verplaatsen in anderen: je inleven in situaties die je niet zelf meemaakt, de bedoelingen en belangen kunnen inschatten van andere kinderen en van volwassenen, rekening houden met wensen/belangen van anderen.
3.5 Ontwikkelingstaken voor jongeren van 12 tot 16 jaar
In deze periode staat een verdergaande emotionele zelfstandigheid van het kind centraal. De overgang naar het voortgezet onderwijs geeft daarvoor een belangrijke aanzet. Ook treden er in deze periode lichamelijke veranderingen op, die het begin van de puberteit markeren. Het kind moet ten opzichte van het eigen lichaam, ten opzichte van leeftijdgenoten en ten opzichte van de ouders een nieuwe eigen positie gaan innemen. Het kind wordt minder afhankelijk van de ouders en de vriendengroep wordt zijn referentiekader. Seksualiteit gaat een steeds grotere rol spelen in de omgang met leeftijdgenoten. Het (leren) aangaan en onderhouden van sociale contacten en vriendschappen staan in deze periode centraal. Een en ander leidt tot een nieuw waardensysteem en een nieuw gevoel van persoonlijke identiteit en het ontwikkelen van een positieve houding ten opzichte van opleiding, beroepskeuze en samenleving.
3.5.1 Taken en vaardigheden van 12 tot 16 jaar:
Cognitieve flexibiliteit5: regels kunnen toepassen in nieuwe situaties;
Positie ten opzichte van de ouders: minder afhankelijk worden van de ouders en het bepalen van een eigen plaats binnen de veranderende relaties in het gezin en de familie, risico’s durven nemen en eigen grenzen leren trekken;
Onderwijs of werk: kennis en vaardigheden opdoen om later een beroep te kunnen uitoefenen en een keuze maken ten aanzien van werk;
Vrije tijd: zelfstandig activiteiten in de vrije tijd kunnen ondernemen en de tijd zinvol kunnen doorbrengen (op tijd kunnen stoppen, compulsief gedrag weten te vermijden);
Autoriteit en instanties: accepteren dat er instanties en personen boven je gesteld zijn, binnen geldende regels en codes opkomen voor eigen belang;
Gezondheid en uiterlijk: zorgen voor goede voeding en een goede lichamelijke conditie, een uiterlijk waar je je prettig bij voelt en het inschatten en vermijden van risico’s;
Sociale contacten en vriendschappen: contacten leggen en onderhouden, oog hebben voor wat contacten met anderen kunnen opleveren, je openstellen voor vriendschap, vertrouwen geven en nemen, wederzijdse acceptatie;
Sociale media en internet: zelfstandig (zonder hulp van ouders) informatie vinden en delen, informatie en berichten wegen, onderscheid maken tussen de virtuele en de reële werkelijkheid, gevaren onderkennen;
Intimiteit en seksualiteit: seksualiteit integreren in je persoonlijkheid, ontdekken wat mogelijkheden, wensen en grenzen zijn bij jezelf en bij anderen.
3.6 Ontwikkelingstaken voor jongeren van 16 tot 23 jaar
In deze periode vindt de overgang van jeugd naar volwassenheid plaats. De jongere komt los van het ouderlijk gezag en zoekt zijn weg naar onafhankelijkheid, zelfstandigheid en zelfredzaamheid. De jongere ontwikkelt zijn eigen identiteit met eigen waarden en normen, duidelijke meningen en standpunten. Emotionele stabiliteit neemt in deze periode ook toe. Studie- en beroepskeuze,werk en op eigen benen leren staan (financieel onafhankelijk worden, op kamers gaan en zelfstandig huishouden voeren) staat in deze periode centraal. Ook worden duurzame vriendschappen en (intieme)relaties aangegaan.
3.6.1 Taken en vaardigheden van 16 tot 23 jaar:
Cognitieve flexibiliteit: regels kunnen toepassen in nieuwe situaties;
Onderwijs of werk: een opleiding afronden met een diploma/arbeidskwalificatie, een baan vinden, omgaan met collega’s en leidinggevende;
Eigen woonsituatie: zorgdragen voor je eigen kamer en spullen, omgaan met huisgenoten, zoeken van en zorgdragen voor een plek waar je goed kunt wonen, zorgdragen voor voldoende financiële middelen;
Emotionele zelfstandigheid: vanuit zelfstandigheid contact met ouders en andere familieleden opnieuw vormgeven;
Leren omgaan met andere of tegenstrijdige verwachtingen van gezin en omgeving (geldt m.n. voor jeugd met niet-westerse migratieachtergrond) en inschatten welke vaardigheden in welke culturele context passend zijn;
Sociale contacten en vriendschappen: contacten opbouwen en onderhouden, duurzame vriendschappen aangaan waarbij de kwaliteit van de vriendschappen belangrijker is dan het aantal (online) vrienden;
Intimiteit en seksualiteit: aangaan van en ervaring opdoen met (duurzame) Relaties;
Vrije tijd: ondernemen van activiteiten in de vrije tijd en het zinvol en prettig doorbrengen van de tijd waarin je geen verplichtingen hebt;
Zelfredzaamheid: de weg weten en voor jezelf opkomen ten aanzien van allerlei instanties en regels waarmee je als meerderjarige te maken krijgt;
Gezondheid en uiterlijk: zelfstandig zorgdragen voor een goede lichamelijke conditie, goede voeding en het inschatten en vermijden van risico’s.
4. Opvoedingsopgaven voor ouders
De ontwikkeling die kinderen doormaken vraagt steeds om aanpassing van het opvoedingsgedrag van ouders. In elke ontwikkelingsfase moeten ouders dat gedrag afstemmen op wat hun kind kan of nog moet leren (Oudhof, de Wolff, de Ruiter e.a., 2013). In deze paragraaf geven we een beschrijving van de algemene opvoedingsopgaven waar ouders in verschillende periodes voor staan en de (normale) problemen die zich in de verschillende leeftijdsgroepen van jeugdigen kunnen voordoen. Deze beschrijving is ontleend aan Van Yperen (1994), Meij & Ince (2013), Timmermans e.a. (2015) en Slot & van Aken (2019), Nikken & de Vries (2020).
4.1 Opvoedingsopgaven bij kinderen van 0 tot 2 jaar
In deze periode staan de opvoeders voor de opgave sensitief en responsief te reageren op de behoeften en signalen van het kind (emotionele ondersteuning). In het tweede jaar, waarin autonomie en individuatie een overheersend thema is, wordt het daarnaast belangrijk dat de opvoeder het kind zoveel mogelijk de kans geeft om zelf dingen te ontdekken en zo zijn eigen competentie te ervaren (respect voor autonomie). Anderzijds wordt het ook steeds vaker nodig om de situatie voor het kind te structureren en duidelijke grenzen te stellen. Tot slot is het belangrijk dat opvoeders de ontwikkeling van hun kind spelenderwijs stimuleren (Mesman, 2010), bijvoorbeeld door veel te praten met het kind, met elkaar te spelen en voor te lezen (of te vertellen). Gedrag van kinderen dat in deze periode soms voor opvoeders lastig kan zijn en waaraan ze het hoofd moeten (kunnen) bieden heeft te maken met slapen en eten, huilen, scheidingsangst, angst voor vreemden en voor onbekende situaties.
4.2 Opvoedingsopgaven bij kinderen van 2 tot 4 jaar
Voor de opvoeder blijven de eerdergenoemde opvoedingsopgaven bestaan: emotionele steun bieden, autonomie erkennen, structureren en grenzen stellen van belang. Gezien de toenemende intellectuele en sociale behoeften van het kind wordt in deze periode ook een steeds groter beroep gedaan op praten met het kind en informatie en uitleg geven over hoe dingen werken. Verder spelen ook waarden en normen een grotere rol en wordt praten wat hoort, moet en mag belangrijker. Wil het proces van internalisatie van maatschappelijke eisen enigszins harmonieus verlopen, dan moet de opvoeder soepel kunnen omgaan met de onzekerheid of twijfel van het kind over de (externe) eisen die nu aan hem gesteld worden.
Gedrag van kinderen dat in deze periode lastig kan zijn voor ouders heeft te maken met angst voor vreemden en onbekende situaties, koppigheid, driftbuien, ongehoorzaamheid, druk gedrag, zeurgedrag of driftbuien om beeldschermen (eindeloos) te mogen gebruiken of geadverteerde producten te kopen en niet zindelijk worden. Dergelijk gedrag is in deze leeftijdsperiode heel normaal en meestal van voorbijgaande aard. Toch kunnen ouders moeite hebben om met dit gedrag om te gaan of zich er zorgen over maken.
4.3 Opvoedingsopgaven bij kinderen van 4 tot 6 en van 6 tot 12 jaar
Voor opvoeders is het ook in deze periode van groot belang om kinderen een (cognitief) stimulerende omgeving aan te bieden, hun autonomie te bevorderen en hen de gelegenheid te geven met leeftijdgenoten om te gaan. Het is belangrijk dat opvoeders kinderen leren in de omgang met leeftijdgenoten open te staan en respectvol om te gaan met verschillen in bijvoorbeeld etniciteit en sekse, en dat zij de omgang met leeftijdgenoten met verschillende achtergronden stimuleren. Daarnaast blijft ook het bieden van structuur en het stellen van duidelijke grenzen in deze periode van belang.
De kans op acceptatie door leeftijdgenoten is groter wanneer het kind een gezinssituatie kent waarin warmte, begrip en wederkerigheid in de relaties belangrijk zijn. Kinderen krijgen dan meer zelfvertrouwen, een positiever zelfbeeld, leren zich inleven in anderen en warmte te tonen, enzovoort. Dit maakt de omgang met leeftijdgenoten makkelijker.
Ook in deze periode zien we de eerdergenoemde basisdimensies terug: emotionele ondersteuning, respect voor autonomie, structuur bieden en grenzen stellen, en uitleg en informatie geven. Kinderen kunnen zich beter concentreren en ontwikkelen meer doorzettingsvermogen in schoolse taken wanneer leerkrachten beschikken over goede interactievaardigheden en ouders positieve waardering hebben voor leren en school.
Normale uitdagingen voor de opvoeding zijn in deze periode ruzies (inclusief cyberpesten vanaf ongeveer 8 jaar), concentratieproblemen, lage (school)prestaties, niet naar school willen, incidenteel stelen of vandalisme, angst voor fantasiemonsters (tot ongeveer 8 jaar), zorgen over ernstig wereldnieuws (vanaf ongeveer 8 jaar) en overmatig beeldschermgebruik, vooral voor gamen en films en series kijken.
4.4 Opvoedingsopgaven bij jongeren van 12 tot 16 jaar
In deze periode is het vooral belangrijk dat opvoeders de jongere ondersteunen bij het verder ontwikkelen van de eigen identiteit en het vinden van een nieuwe positie ten opzichte van leeftijdgenoten, ouders en andere mensen in de omgeving. De opvoeder moet de jongere in de gelegenheid stellen om te experimenteren met het opbouwen van een eigen waarden- en normensysteem. Daarbij is de leeftijd ook belangrijk want aan een twaalfjarige stel je andere eisen dan aan een zestienjarige. In deze periode staat de opvoeder voor de taak een meer symmetrische relatie op te bouwen met het kind en is een positieve voorbeeldfunctie van de opvoeder van groot belang.
Normale uitdagingen voor de opvoeding in deze periode zijn incidenteel gebruik van alcohol en drugs, twijfels over identiteit of toekomst, problemen met uiterlijk (onzeker door invloeden van (social) media), problemen met autoriteiten, cyberpesten (slachtoffer en dader), sexting, overmatig gamen, sociale media en Netflix gebruiken en incidenteel spijbelen.
4.5 Opvoedingsopgaven bij jongeren van 16 tot 23 jaar
De jongere bevindt zich in deze periode in de overgang van jeugd naar volwassenheid, gaat zich losmaken van het ouderlijk gezag en wordt praktisch en emotioneel zelfstandig. Gezinsverhoudingen veranderen in deze periode en zo ook de rol van opvoeders. Jongeren gaan steeds meer hun eigen leven leiden, gaan op kamers wonen en zelf keuzes maken. Soms kunnen jongeren hun ouders voorbij streven in bijvoorbeeld opleiding en kennis over gebruik van digitale apparatuur en sociale media. De rol van de opvoeders verandert in deze periode van sturend naar adviserend. Belangrijk is dat zij keuzes en initiatieven van de jongere respecteren, maar ook beschikbaar zijn bij vragen en moeilijkheden en -waar nodig en mogelijk- emotionele, praktische en financiële steun bieden.
Normale opvoedingsopgaven in deze periode hebben te maken met stemmingswisselingen, incidenteel gebruik van alcohol en drugs, twijfels over identiteit of toekomst en problemen met autoriteiten.
5. Invloed van cultuur en migratie op ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven
Ruim een kwart van alle 0- tot 25-jarigen in Nederland heeft een migratieachtergrond. Veel van deze jeugdigen groeien op in gezinnen met culturele waarden en gebruiken die niet altijd aansluiten bij de cultuur van de meerderheid. Dit stelt zowel ouders als jeugdigen met een migratieachtergrond voor extra uitdagingen.
Ouders moeten flexibel zijn en een balans zien te vinden tussen de waarden van hun eigen cultuur en van de cultuur waarin zij wonen. Kinderen en jongeren moeten zich leren bewegen binnen verschillende culturele settingen met uiteenlopende eisen en verwachtingen. Daarmee hebben deze jeugdigen en hun ouders en opvoeders te maken met extra ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven. Gezien de grote omvang van deze groep besteden we expliciet aandacht aan de invloed van migratie op het opgroeien en opvoeden.
Nederland kent een grote diversiteit aan gezinnen met een migratieachtergrond. Zo zijn er gezinnen waarvan de ouders zelf migrant waren, gezinnen waarvan de grootouders migrant waren, gezinnen met een westerse en met een niet-westerse achtergrond. Van deze gezinnen is een deel naar Nederland gekomen als vluchteling. Hoewel de diversiteit in herkomst in Nederland groot is, bestaat de grootste groep, 67 procent, uit jeugdigen en gezinnen met een niet-westerse achtergrond: (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020). Binnen deze groep zijn de verschillen met de Nederlandse samenleving in opvoedcultuur ook het grootst. Hierbij dient te worden gewaakt voor generalisering. Tussen de diverse culturen en ook daarbinnen bestaat veel diversiteit; het maakt bijvoorbeeld (ook in Nederland) veel uit of ouders hoger of lager opgeleid zijn (Distelbrink e.a. 2017). Gezinnen met een niet-westerse achtergrond in Nederland hebben echter wel vaker een lage opleiding en laag inkomen. Dat kan van invloed zijn op de opvoeding, bijvoorbeeld door beperkte toegang tot educatieve materialen en activiteiten, of indirect door stress bij de ouders (Prevoo & Tamis-Le Monda, 2018).
5.1 Nieuwe uitdagingen
De meervoudige culturele context waarin opvoeding en ontwikkeling in Nederland plaatsvindt, stelt nieuwe eisen aan zowel opvoeders als jeugdigen. Kinderen en opvoeders met een migratieachtergrond hebben te maken met (extra) uitdagingen die (deels) niet of in mindere mate gelden voor gezinnen met een van oorsprong Nederlandse achtergrond. Vooral ouders met een niet-westerse migratieachtergrond hebben vaak te maken met een verschil in opvoedcultuur tussen Nederland en het land van herkomst. Daardoor ervaren deze ouders meer onzekerheid en hebben ze minder houvast bij het opvoeden dan van oorsprong Nederlandse ouders (Distelbrink e.a. 2017).
Ouders uit verschillende culturen kunnen verschillende waarden en doelen nastreven binnen de opvoeding. Waarden zijn aspecten die voortkomen uit algemene culturele opvattingen over wat belangrijk is. Waarden dragen bij aan de doelen die ouders in de opvoeding nastreven (Prevoo & TamisLeMonda, 2018). Onderzoek naar opvoeding binnen een aantal niet-westerse culturen geeft inzicht in het denken over opvoeden en heersende opvoedpraktijken, alsmede in dillema’s die zich kunnen voordoen bij het opvoeden in Nederland. Bij een aantal ouders zijn belangrijke waarden in de opvoeding vooral collectivisme en conformiteit. Het hanteren van regels is hierbij van groot belang. Zeker als ze lager opgeleid zijn vinden ouders gehoorzaamheid, respect hebben voor andere volwassenen en beschaafd gedrag belangrijke opvoedingsdoelen. Zij zullen daarom gehoorzaamheid van groter belang vinden (Tuk e.a. 2010, Distelbrink e.a. 2017). De opvoedwaarden van ouders met een migrantenafkomst die zelf in Nederland zijn opgegroeid, liggen dichter bij die van oorspronkelijk Nederlandse ouders, zeker naarmate ouders hoger opgeleid zijn. Daarnaast treden er verschuivingen op richting meer autonomie. Steeds meer ouders met een migratieachtergrond vinden autonomie een belangrijke waarde. Daarentegen voeden vluchtelingenouders hun kinderen gemiddeld meer autoritair op dan autochtone Nederlanders (Tuk e.a. 2010, Distelbrink e.a. 2017).
Voor sommige ouders is godsdienst een richtsnoer voor de opvoeding (Pels e.a. 2009, Tuk e.a. 2010, Distelbrink e.a. 2017). Vooral in islamitische gezinnen is de religieuze opvoeding een belangrijk punt van aandacht. Veel ouders zijn hier echter onzeker over. Het ontbreekt hen vaak aan adequate hulpbronnen, in de vorm van op hun behoeften toegesneden informatie en van (in)formele sociale steun (Distelbrink e.a. 2017). Ouders moeten bijvoorbeeld dilemma’s oplossen rondom de viering van islamitische feestdagen, toenemende orthodoxie of radicalisering6 van kinderen en discriminatie. Vaak hebben zij geen antwoord op ‘waarom’-vragen over religieuze geboden en verboden (bijvoorbeeld over het vasten, het geven van aalmoezen, voedings-, kleding- en gedragsvoorschriften). Ook de toenemende islamofobie stelt hen voor uitdagingen (Distelbrink e.a. 2017).
Behalve de ouders hebben ook kinderen en jongeren met een migratieachtergrond te maken met extra uitdagingen. In het gezin, op school en onder vrienden moeten ze leren omgaan met verschillende culturele contexten7 waarin sterk uiteenlopende eisen en verwachtingen kunnen gelden. Naast het leren van de eigen taal moeten deze kinderen en jongeren het Nederlands leren en zij moeten leren denken, voelen en handelen in meer dan één culturele context (Pels, 2000; Phalet & Saharso, 2003).
6. Samenvattend overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen
Onderstaand overzicht is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt.
|
Leeftijd |
Belangrijkste milieus |
Ontwikkelingstaken |
Opvoedingsopgaven |
Normale uitdagingen |
|
0-2 jaar |
Gezin Opvang |
Veilige hechting; Lichaamsbeheersing; Exploratie & spelen; Autonomie en individuatie. |
|
|
|
Leeftijd |
Belangrijkste milieus |
Ontwikkelingstaken |
Opvoedingsopgaven |
Normale uitdagingen |
|
2-4 jaar |
Gezin Buurt Opvang Media |
Representationele vaardigheid; Taalvaardigheid en denkontwikkeling; Zelfsturing (enige mate kunnen beheersen van emoties en gedrag); Constructieve omgang met leeftijdgenootjes; Socialisatie; Zelfredzaamheid; Sekserol-identificatie |
Sensitiviteit voor cognitief niveau (praten, informatie en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren); Respect voor autonomie én grenzen stellen; Bevorderen zelf- sturing (impulscontrole) |
|
|
4-6 jaar |
Gezin Basisschool Opvang Verenigingen Mediaomgeving |
Schoolse vaardigheden Taal- en denkontwikkeling Executieve vaardigheden (zelfsturing) Gezinsnormen eigen maken, houden aan regels; Vriendschappen sluiten; Ontwikkeling gewetensontwikkeling / schaamte- gevoelens; Digitale vaardigheden (apparaten gebruik beheersen/ besturen) |
Aanmoedigen sociaal gedrag Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdsgenootjes; Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; Mediaopvoeding Regels en grenzen uitleggen en stellen (bv. Gedrag, mediagebruik, televisie) Loslaten en vertrouwen geven |
|
|
Leeftijd |
Belangrijkste milieus |
Ontwikkelingstaken |
Opvoedingsopgaven |
Normale uitdagingen |
|
6-12 jaar |
Gezin Opvang School Verenigingen Peergroep Mediaomgeving |
Vergroten zelfstandigheid Gebruik infrastructuren (geld, vervoer, vrijetijdsvoorzieningen sociale media) Schoolsevaardig- heden; Internet en sociale media vaardigheden; Acceptatie door leeftijdgenoten; Sociaal gedrag: Samenwerken, conflicten oplossen |
Bevorderen zelfsturing (taakgerichtheid); Bewust leren omgaan met media (tijd, inhouden, contacten); Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdgenootjes; respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; Ondersteunen bij onderwijs; waardering voor schoolprestaties; |
|
|
12-16 jaar |
Gezin School Verenigingen Peergroep Media omgeving Werkkring |
Emotionele en praktische zelfstandigheid; Ontwikkeling waardensysteem Afstand nemen van ouders - peergroep wordt referentiekader; Sociale contacten en vriendschappen leggen en onderhouden; seksualiteit; Omgang met sociale media en gevaren onderkennen; Onderwijs en beroepsvoorbereiding. |
Ruimte bieden om te experimenteren en zich seksueel te kunnen ontwikkelen; Toezicht houden; Emotionele beschikbaarheid; tolerantie voor experimenten; leeftijdsadequaat structuur bieden en grenzen stellen; voorbeeldfunctie vervullen m.b.t. leefstijl en gedrag. |
|
|
Leeftijd |
Belangrijkste milieus |
Ontwikkelingstaken |
Opvoedingsopgaven |
Normale uitdagingen |
|
16-23 jaar |
Gezin School Verenigingen Peergroep Internetgroep Werkkring |
Overgang van jeugd naar volwassenheid; Loskomen van ouderlijk gezag; ontwikkeling eigen waarden en normen; onafhankelijkheid; Duurzame relaties aangaan; |
Meer symmetrische relatie aan gaan met de jongere; Emotionele, financiële en praktische steun; Eigen keuzes en beslissingen laten maken; Accepteren seksuele keuzes; |
Stemmings- wisselingen; Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; twijfels over identiteit of toekomst; problemen met autoriteiten. |
7. Risicofactoren en beschermende factoren
In het leven van kinderen en ouders gebeurt er doorlopend van alles; in het eigen gezin, in de directe omgeving of in de maatschappij. Al die gebeurtenissen zijn meer of minder van invloed op hoe een kind zich kan ontwikkelen.
In problematische situaties kan het beheersen van een ontwikkelingstaak of een opvoedingsopgave bedreigd worden door risicofactoren of juist profijt hebben van beschermende factoren. Risicofactoren zijn factoren die de kans vergroten dat een probleem ontstaat, in stand blijft of verergert. Beschermende factoren zijn factoren die de kans op het ontstaan of in stand blijven van een probleem verkleinen.
7.1 De top tien van beschermende factoren
Behalve aan risicofactoren voor de ontwikkeling van kinderen wordt de laatste decennia nationaal en internationaal ook steeds meer aandacht besteed aan factoren die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van jeugdigen. Ince, Van Yperen en Valkestijn (2018) hebben op basis van literatuuronderzoek de belangrijkste factoren op een rij gezet.
Aan de hand van verschillende theoretische kaders en overzichtsstudies is een aantal factoren aan te wijzen waarvan het aannemelijk is dat ze bijdragen aan een positieve ontwikkeling van jeugdigen en risicofactoren kunnen compenseren. Behalve kenmerken van het kind (zoals geslacht, sociale instelling en een veerkrachtig temperament) zijn er factoren die betrekking hebben op vaardigheden van de jeugdigen (sociale competenties, emotionele competenties en gedragsmatige competenties). Bovendien zijn er factoren in de omgeving van de jeugdigen en dan met name in hun relaties met belangrijke volwassenen en instituties in de omgeving en de kansen die vanuit de omgeving aan hen geboden wordt.
Ince e.a. (2018) hebben daar de tien belangrijkste uitgelicht: de top tien van beschermende factoren. Hoewel we deze tien factoren afzonderlijk beschrijven, zijn ze veelal complementair en ondersteunen ze elkaar wederzijds. Het is dan ook van belang ze in samenhang en in aanvulling op elkaar te zien. Voor een uitgebreide verantwoording en beschrijving van de top tien beschermende factoren verwijzen we naar de publicatie van Ince e.a. ‘Top tien beschermende factoren voor een positieve ontwikkeling van jeugdigen’.
De tien beschermende factoren zijn:
1. Sociale binding
Bij sociale binding gaat het om de emotionele band en het commitment van een kind met sociale relaties in het gezin, zijn vriendengroep, school en wijk. Concreet gaat het om warme, ondersteunende, affectieve relaties met het gezin en andere volwassenen in de omgeving. De basis hiervoor wordt gelegd in de relaties en interacties die een kind heeft met zijn opvoeders. De binding of hechting die op jonge leeftijd met ouders en andere verzorgers ontstaat, vormt de basis voor banden die later vorm krijgen met vrienden, school en gemeenschap. De kwaliteit van de relaties met deze andere domeinen speelt een essentiële rol in het zich ontwikkelen en opgroeien tot een gezonde volwassene.
2. Kansen voor betrokkenheid
Om interpersoonlijke vaardigheden te kunnen ontwikkelen moeten kinderen en jongeren kansen krijgen om een concrete, betekenisvolle en gewaardeerde bijdrage te leveren aan verbanden waarvan zij deel uitmaken (familie, school, gemeenschap) door bijvoorbeeld: iemand helpen, meedoen in keuzes maken, klassenvertegenwoordiger zijn, als jongere voorlichting geven aan kinderen, iemand helpen, meedoen in keuzes maken, klassenvertegenwoordiger zijn, als jongere voorlichting geven aan kinderen.
3. Prosociale normen
Voor een gezonde ontwikkeling is het nodig dat kinderen en jongeren opgroeien in een omgeving waarin duidelijke normen en waarden gelden en daarop gebaseerde concrete regels voor positief gedrag uitgedragen en nageleefd worden. Regels en grenzen moeten duidelijk zijn. Ook een duidelijk voorbeeld van prosociale waarden en normen die via media (denk Sesamstraat, Blues Clues, mr Barney) worden uitgedragen hebben decennia later nog invloed op de ontwikkeling van kinderen.
4. Erkenning en waardering voor positief gedrag
Om hun sociaal gedrag te versterken is het van groot belang dat kinderen erkenning en waardering krijgen voor positief gedrag. Positieve bekrachtiging bepaalt hun motivatie om het gedrag in de toekomst te herhalen. Sociale bekrachtigers zijn essentieel voor het ontwikkelen van positief gedrag en kunnen afkomstig zijn uit het gezin, de school, de vriendengroep en de gemeenschap waartoe de jeugdige behoort.
5. Steun van belangrijke volwassenen
Steun van ouders en andere volwassenen in de omgeving van jeugdigen, zoals pedagogisch medewerkers in de kinderopvang, leerkrachten en volwassenen in de buurt, is van belang voor het welbevinden en de voorspoedige ontwikkeling van kinderen. Kinderen met ondersteunende netwerken zijn veerkrachtiger en beter bestand tegen stresserende omstandigheden en hebben meer kans op te groeien tot gezonde volwassenen. Ook ouders zijn gebaat bij een goed sociaal netwerk. Ouders met een goed sociaal netwerk zijn meer ontspannen in de opvoeding, hebben meer zelfvertrouwen en gaan positievere relaties met hun kinderen aan.
6. Constructieve tijdsbesteding
Bij constructieve tijdsbesteding van jeugdigen gaat het om kansen die geboden worden vanuit het gezin en de gemeenschap om in hun vrije tijd deel te nemen aan bijvoorbeeld creatieve, sociale of sportieve activiteiten (bijvoorbeeld muziek, theater sport, clubs of verenigingen). Dit kunnen ook online uitwisselingen zijn. Idealiter gaat het om activiteiten die jongeren in contact brengen met volwassenen/anderen die hen aanmoedigen en ondersteunen bij het ontwikkelen van hun talenten en vaardigheden. Constructieve tijdsbesteding gecombineerd met positieve relaties met leeftijdgenoten en volwassenen vormt een buffer tegen risico’s en de kans op risicovol gedrag vermindert.
7. Competenties
Voor een positieve ontwikkeling van jeugdigen zijn sociale, emotionele en gedragsmatige competenties van belang. Ze blijken bij te dragen aan schoolsucces, prosociaal gedrag, goede relaties met vrienden en volwassenen en minder probleemgedrag.
Sociale competentie omvat een scala aan interpersoonlijke vaardigheden die jeugdigen helpen hun gevoelens, gedachten en gedrag te integreren om bepaalde sociale doelen te bereiken. Emotionele competentie is het vermogen om gevoelens en emotionele reacties van zichzelf en anderen te kunnen identificeren en er adequaat op te kunnen reageren. Sociale en emotionele competenties blijken bij te dragen aan schoolsucces, prosociaal gedrag, goede relaties met vrienden en volwassenen en minder probleemgedrag.
Gedragsmatige competentie heeft drie dimensies namelijk: non-verbale communicatie (door gezichtsuitdrukkingen, intonatie en dergelijke), verbale communicatie (bijvoorbeeld duidelijke vragen formuleren, effectief reageren op kritiek, gevoelens duidelijk verwoorden) en in actie komen (anderen helpen, weglopen van negatieve situaties, participeren in positieve activiteiten).
8. Cognitieve vaardigheden
Bij cognitieve vaardigheden kan onderscheid gemaakt worden tussen algemene cognitieve vaardigheden, zoals logisch en analytisch denken en abstract redeneren, en specifieke cognitieve vaardigheden, zoals lees- en rekenvaardigheden, die belangrijk zijn voor schoolsucces.
9. Schoolmotivatie
Schoolmotivatie is een belangrijke factor voor schoolsucces. Schoolmotivatie gaat over betrokkenheid bij leeractiviteiten, binding met school, prestatiemotivatie en positieve verwachtingen van eigen succes. Schoolmotivatie wordt onder andere beïnvloed door ouderlijke attitudes, ouderbetrokkenheid en aanmoediging. Daarnaast zijn normen en waarden die worden uitgedragen door de gemeenschap en de vriendengroep van groot belang.
10. Positieve identiteit
Positieve identiteit gaat over hoe jongeren zichzelf zien in relatie tot de toekomst, eigenwaarde en gevoel van persoonlijke effectiviteit. Het werkt beschermend als de jeugdige de toekomst positief ziet, met eigenwaarde en gevoel, en de ervaring dat je zelf kunt bijdragen aan het bereiken van wat je wil.
7.2 Risicofactoren
Kinderen en jongeren lopen een groter risico op ontwikkelingsproblemen wanneer er sprake is van een opeenvolging of opeenstapeling van verschillende negatieve factoren. Uit de literatuur blijkt dat een cumulatie van risicofactoren (in verschillende domeinen) een veel grotere kans geeft op ernstige problemen dan wanneer er sprake is van één risicofactor. Tevens is er sprake is van een ‘balanswerking’ tussen aanwezige risicofactoren en beschermende factoren. De balans tussen beschermende factoren en risicofactoren blijkt cruciaal voor het wel of niet problematisch verlopen van de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Problemen ontstaan wanneer er onvoldoende beschermende factoren zijn om de risicofactoren te compenseren (Van der Laan & Blom, 2006; Loeber & Farrington, 2012; O’Conell, Boat & Warner, 2009).
Risicofactoren kunnen onderverdeeld worden in: factoren bij de jeugdige, factoren in het gezin en factoren in de wijdere omgeving (waaronder school, vriendengroep en buurt).
7.2.1 Factoren bij de jeugdige
De belangrijkste risicofactoren bij jeugdigen waarvan onderzoek heeft laten zien dat ze samenhangen met het vóórkomen van problemen zijn (O’ Conell e.a. 2009; Lipsey & Derzon, 1998; Groenendaal & Van Yperen, 1994; Hawkins, Catalano & Miller, 1992; Valkenburg & Piotrowski, 2016):
biologische factoren, zoals prematuriteit en laag geboortegewicht, zwangerschapscomplicaties en genetische afwijkingen;
moeilijk temperament;
hyperactiviteit, impulsiviteit (of juist te sterke controle over emoties) en/of sterke prikkelbaarheid;
een laag (verbaal) IQ of EQ (moeite met in- of meeleven met anderen vergroot de risico’s bij (online) contacten) en achterblijvende taalontwikkeling;
ingrijpende gebeurtenissen, zoals ziekenhuisopname, mishandeling en de dood van één van de ouders.
7.2.2 Factoren in het gezin
Op gezinsniveau zijn onder meer de volgende risicofactoren aanwezig:
Psychiatrische problematiek van één van de ouders, waarbij de mate van het sociaal functioneren van die ouder en de aantasting van het opvoedingsklimaat bepalend is;
Problematische levensgeschiedenis van één of beide ouders, zoals incest, mishandeling en verwaarlozing;
Problematische gezinsrelaties die tot uiting komen in: een ineffectieve, dwingende omgang van de ouder met het temperament van het kind, een autoritaire of (te) permissieve opvoedingsstijl, een lage gevoelsmatige betrokkenheid bij het kind, mishandeling, verwaarlozing, het ontbreken van een veilige hechting tussen ouder(s) en kind, en een disharmonische relatie tussen de ouders en een slechte communicatie binnen het gezin;
Laag gezinsinkomen en stress door schulden en of werkloosheid;
Ouders die zelf antisociaal gedrag vertonen, en ouders die een positieve houding hebben tegenover of gedrag vertonen rond geweld en criminaliteit en/of alcohol- en drugsgebruik;
Ontbreken van familie of vrienden van het gezin die tot steun kunnen zijn.
7.2.3 Factoren in de wijdere omgeving van het kind
Hierbij kan onderscheid gemaakt in factoren op school, in de vriendengroep en in de buurt en samenleving:
School: gebrek aan betrokkenheid bij de school, gebrek aan organisatie of controle op school en ontbreken van duidelijkheid over of stimulering van sociaal wenselijk gedrag binnen de school, slechte schoolresultaten, spijbelen en voortijdig schoolverlaten;
Vriendengroep: omgang met leeftijdgenoten die probleemgedrag vertonen en/of lid zijn van een jeugdbende;
Buurt en samenleving: sociale uitsluiting (jeugdigen hebben niet het gevoel deel uit te maken van de maatschappij), lage sociale cohesie in de buurt, weinig controle op gedrag in de buurt, onduidelijke normen in de wijk of normen die bevorderend zijn voor drugsgebruik, geweld en criminaliteit, de beschikbaarheid van alcohol en drugs, verkrijgbaarheid van vuurwapens, ontbreken van stimulering van sociaal wenselijk gedrag in de wijk, lage sociaaleconomische status (armoede).
Mediaomgeving: mediagebruik waar kinderen nog te jong voor zijn door niet naleven van Kijkwijzer/PEGI classificaties, ontbreken van leeftijdsaanduidingen in media-industrie,,of onhanteerbare normen, bijvoorbeeld social media officieel pas vanaf 16 jaar, games zonder regulatie van kansspelen (lootboxes), reclames voor tabak, alcohol, ongezonde producten, overdreven nadruk op schoonheid en succes op social media.
Samenvatting
Met de meeste kinderen en jongeren in Nederland gaat het goed. De waardering die zij hebben voor hun relatie met hun ouders is vergeleken met andere landen ook hoog (Inchley e.a., 2020). Om zich positief te kunnen ontwikkelen moeten jeugdigen zich op verschillende leeftijden vaardigheden eigenmaken om de taken waarvoor zij gesteld worden goed te kunnen vervullen. Aansluitend daarop krijgen ouders en andere opvoeders opvoedingsopgaven om de jeugdigen te ondersteunen en stimuleren bij het volbrengen van hun ontwikkelingstaken.
De meeste ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven gelden voor alle kinderen en ouders. Maar specifieke omstandigheden zoals kinderen met LVB-ouders, kinderen en ouders met migratieachtergrond of gescheiden ouders kunnen extra ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven meebrengen.
Het is belangrijk om al op jonge leeftijd van een kind aandacht te geven aan een veilige, ondersteunende en stimulerende omgeving. Daarnaast is de kwaliteit van de sociale interacties tussen het kind en zijn primaire opvoeders van doorslaggevende betekenis. Hiermee wordt immers de basis gelegd voor het vertrouwen van het kind in zichzelf en anderen. Dit zijn twee basale voorwaarden voor verdere competentieontwikkeling en daarmee voor het uitvoeren van toekomstige ontwikkelingsopgaven.
Omdat een kind wordt geconfronteerd met opeenvolgende ontwikkelingstaken is het belangrijk dat opvoeders beschikken over een goede leefomgeving en over vaardigheden om hun gedrag aan te passen aan de ontwikkelingsfase waarin het kind zich bevindt. Bij veel kinderen komen in de loop van hun ontwikkeling ‘normale’ uitdagingen voor die voor ouders soms lastig kunnen zijn of hen zorgen baren. Het meeste ‘moeilijke’ gedrag is normaal, komt vaak voor binnen bepaalde leeftijdsgroepen en is van voorbijgaande aard.
In het leven van jeugd en ouders zijn factoren te onderscheiden die het beheersen van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven, en dus van een positieve ontwikkeling van jeugd, kunnen belemmeren (risicofactoren) en factoren die juist een positieve ontwikkeling bevorderen (beschermende factoren). Zowel risicofactoren als beschermende factoren kunnen liggen bij het individu, in het gezin, op school en in de buurt. Inzetten op beschermende factoren bij jeugd en gezin is van belang om tegenwicht te bieden aan eventuele risicofactoren en zo een positieve ontwikkeling van jeugdigen te bewerkstelligen.
Verder lezen
Voor meer verdiepende informatie over de onderwerpen die in dit document aan de orde zijn geweest kunnen de volgende bronnen geraadpleegd worden:
Cultuur en opvoeding
Day, M., Badou, M. & van Breda, B. (2020). Geboren en getogen 2.0. Onderzoek naar de meervoudige identiteit van jongeren met een migratieachtergrond van de tweede en derde generatie. Utrecht: Kennisplatform Integratie & Samenleving.
Prevoo, M.J.L. & Tamis-LeMonda, C.S. (2018). Opvoeding en globalisering in westerse landen. In: Kind & Adsolescent (2018) 39:113-126.
Mediaopvoeding
Nikken, P. & de Vries, D. (2020). De-schermwijzer: praktische gids voor (groot)ouders over schermtijd, social media, gamen en online veiligheid. Utrecht Kosmos.
Smithuijsen, D. (2020). Gouden Bergen. Portret van de digitale generatie. Amsterdam: Uitgeverij de Bezige Bij.
Valkenburg, P. & Piotrowski, J. (2016). Plugged in: How media attract and affect youth. Yale university Press.
Ouderschap en opvoeden
Strik, A. & Schoemaker, J. (bijgestelde 2e versie 2018). Interactievaardigheden. Een kindvolgende benadering. Amsterdam: Reed Business.
Positieve Ontwikkeling
Ince, D., Van Yperen, T. & Valkesteijn, M. (2018).
Literatuur
Aarssen, J. van der Bolt, L., Leseman, P. , Davidse, N., de Jong, M., Bus, A en J. Mesman. Redactie: Schouten, E. (2010). Zelfsturing als basis voor de ontwikkeling van het kind. Een oriëntatie vanuit wetenschap en praktijk. Utrecht: Sardes Speciale Editie nr. 9.
Blokland, G. (2010). Over opvoeden gesproken : methodiekboek pedagogisch adviseren. Amsterdam: SWP Uitgeverij.
Centraal Bureau voor de Statistiek (2020). Bevolking naar leeftijd en migratieachtergrond.
Daamen, W. & Ince, D. (2014). Wat werkt bij het bevorderen van een positieve ontwikkeling van jeugdigen. Utrecht: Nederlands jeugdinstituut.
Dawson, P., en R. Guare, (2009). Slim maar… Help kinderen hun talenten benutten door hun executieve functies te versterken. Amsterdam: Hogrefe.
Distelbrink, M., Pels, T., Jansma, A. en R. van Gaag. (2012). Ouderschap versterken. Literatuurstudie over opvoeding in migrantengezinnen en de relatie met preventieve voorzieningen. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut Utrecht.
Distelbrink, M., Pels, T. en C. Winkelman, (2017). Waardenopvoeding in diversiteit. Het begint met een gesprek. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut, Kennisplatform Integratie & Samenleving.
Groenendaal, J.H.A. & van Yperen, T.A. (1994). Beschermende en bedreigende factoren. In: Rispens, J., Goudena, P. & Groenendaal, J. (red). Preventie van psychosociale problemen bij kinderen en jeugdigen. Houten/Zaventem: Bohn Stafleu van Loghum.
Hawkins, J.D., Catalano, R.F. & Miller, J.Y. (1992). Risk and protective factors for alcohol and other problems in adolescence and early adulthood. Psychological Bulletin, 112 (1): 64-105.
Ince, van Yperen & Valkesteijn ( 2018). Top tien beschermende factoren. Voor een positieve ontwikkeling van jeugdigen. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
Inchley, J. e.a. redactie (2020). Spotlight on adolescent health and well-being. Findings from the 2017/2018 Health Behaviour in School-aged Children (HBSC) survey in Europe and Canada. International report. Volume 1. Key findings. World Health Organization.
Laan, A.M. van der & Blom, M. (2006). Jeugddelinquentie: risico’s en bescherming. Bevindingen uit de WODC Monitor Zelfgerapporteerde Jeugdcriminaliteit 2005. Den Haag: WODC.
Lipsey, M.W. & Derzon, J.H. (1998). Predictors of violent or serious delinquency in adolescence and early adulthood: A synthesis of longitudinal research. In R. Loeber & D. Farrington (red.), Serious and violent juvenile offenders, pp. 86-105. Thousand Oaks: Sage.
Loeber, R., & Farrington, D.P. (2012). Advancing knowledge about direct protective factors that may reduce youth violence. American Journal of Preventive Medicine, 43, S24-S27.
Maccoby, E. E. (1994). The role of parents in the socialization of children: An historical overview. In R. D. Parke, P. A. Ornstein, J. J. Rieser, & C. Zahn-Waxler (Eds.), A century of developmental psychology (p. 589–615). American Psychological Association.
Nikken, P. & de Vries, D. (2020). De-schermwijzer: praktische gids voor (groot)ouders over schermtijd, social media, gamen en online veiligheid. Utrecht Kosmos.
Oates, Karmiloff-Smith, Johnson, (2012). Focus op de eerste kinderjaren 7. De hersenontwikkeling. The Open University Child and Youth Studies Group. Walton Hall, Milton Keynes. Verenigd Koninkrijk.
O’Connell, M. E., Boat, T. & Warner, K. E. (2009). Preventing mental, emotional and behavioral disorders among young people. Washington D.C.: The National Academies press.
Oudhof, M., de Wolff, M., de Ruiter, M., Kamphuis, M., L’Hoir, P. & Prinsen, B. (2013). JGZ Richtlijn Opvoedingsondersteuning voor hulp bij opvoedingsvragen en lichte opvoedproblemen. Utrecht: Nederlands Centrum Jeugdgezondheidszorg.
Pels, T. (2000). De generatiekloof in allochtone gezinnen: mythe of werkelijkheid? In: Pedagogiek, jaargang 20 nr. 2, juni 2000.
Pels, T., Distelbrink, M. en Postma, L. (2009a). Opvoeding in de migratiecontext. Review van onderzoek naar de opvoeding in gezinnen van nieuwe Nederlanders. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Pels, T., Distelbrink, M. en Tan (2009b). Meetladder diversiteit interventies. Verhoging van bereik en effectiviteit van interventies voor (etnische) doelgroepen; Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Pels, T., en M. Distelbrink, M. (2014). Opvoedingsthema’s in migrantengezinnen. Amsterdam: Kenniswerkplaats Tienplus.Roseboom, T. (2018). De eerste 1000 dagen. Het fundamentele belang van een goed begin vanuit biologisch, medisch en maatschappelijk perspectief. Utrecht: de Tijdstroom.
Phalet, K. & Saharso, S. (2003). Jeugd. In: Migrantenstudies, Themanummer Jeugd, 2003, 19(4), 196-200.
Prevoo, M.J.L. & Tamis-LeMonda, C.S. (2018). Opvoeding en globalisering in westerse landen. Verklaringen voor verschillen in ouder-kindinteracties. In: Kind en Adolescent (2018) 39:113126.
Prodia Specifiek Diagnostisch Protocol bij cognitief zwak functioneren en verstandelijke beperking. Bijlage: Cognitieve Ontwikkelingstheorieën 14 maart 2019, gedownload 2 juni 2020
Sanders, M. R. (2012). Development, evaluation, and multinational dissemination of the Triple P-Positive Parenting Program. Annual Review of Clinical Psychology, 8, 345-379.
Slot, W. & van Aken, M. (redactie) (2019). Psychologie van de adolescentie. Basisboek. Amersfoort: ThiemeMeulenhoff.
Spanjaard, H. & Slot, W. (2015). Tijden veranderen, ontwikkelingstaken ook. Een ‘update’ van het competentiemodel. In: Kind en adolescent praktijk. Nr 3, september 2015, pp. 14-21.
Super, C. & Harkness, J. (1986). The developmental niche: a conceptualization at the interface of child and culture. In: International journal of behavioral diversity. 9(4)545-569.
Timmermans, M., van Heerwaarden, Y., Pijpers, F. & Carmiggelt, B. (2015). Ontwikkelingsaspecten en Omgevingsinteractie (O&O). Toelichting. Utrecht: Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ).
Tuk, B., Mahamed , K. en A. Baabbi. (2010). Je wilt je kind niet kwijtraken. Utrecht: Pharos.
U.S. Department of Health and Human Services, Substance Abuse and Mental Health Services Administration (2009). Risk and protective factors for mental, emotional, and behavioral disorders across the life cycle.
Valkenburg, P. & Piotrowski, J. (2016). Plugged in: How media attract and affect youth. Yale university Press.
Verhulst, F.C. (2017). De ontwikkeling van het kind. Assen: van Gorcum.
Yperen, T. van (1994). Problemen in de ontwikkeling van kinderen. In: J. Rispens, P.P. Gouden & J.J.M. Groenendaal (red). Preventie van psychosociale problemen bij kinderen en jeugdigen.
Houten/Zaventem: Bohn Stafleu Van Loghum.
Noot
4Executieve functies beginnen zich al de eerste maanden te ontwikkelen. Respons-inhibitie en werkgeheugen zijn al voor 1 jaar in enige mate te zien bij kinderen. Tussen 1 en 4 ontstaan emotie-regulatie, volgehouden aandacht en begin van flexibiliteit. Inhibitie ontwikkelt zich vooral tussen 3 en 5 jaar (Dawson en Guare, 2009).
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl