Beleidsregels algemene- en bijzondere bijstand gemeente Tubbergen 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 04-03-2026 met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleidsregels algemene- en bijzondere bijstand gemeente Tubbergen 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Tubbergen besluit

gelet op hoofdstuk 3 en artikel 35 van de Participatiewet

vast te stellen de volgende:

Beleidsregels algemene- en bijzondere bijstand gemeente Tubbergen 2026

  • 1.

    Algemene bepalingen

    • Definities

  • 2.

    Algemene bijstand

    • Overbruggingsvoorschot

    • Vermogensvaststelling bij bezit van een motorvoertuig

    • Verlaging bijstand in verband met woonsituatie

    • Verlaging bijstand bij schoolverlaters

  • 3.

    Bijzondere bijstand

    • Voorwaarden bijzondere bijstand

    • Moment van aanvragen bijzondere bijstand

    • Draagkracht

    • In aanmerking te nemen middelen

    • In aanmerking te nemen vermogen

    • Draagkrachtperiode bijzondere bijstand

    • Wijziging draagkracht tijdens de draagkrachtperiode

    • Drempelbedrag

    • Waar en wanneer een medisch advies opvragen

    • Medische kosten en orthodontie onder de 18 jaar

    • Uitvaartkosten (niet zijnde de uitvoering van de Wet op de Lijkbezorging)

    • Kosten bewindvoering, mentorschap en curatele

    • Rechtsbijstand

    • Babyuitzet

    • Maaltijdvoorziening

    • Kosten van scholing en opleiding

    • Stofferings- en inrichtingskosten, duurzame gebruiksgoederen (inclusief witgoed)

    • Verhuiskosten

    • Woonkostentoeslag

    • Doorbetaling vaste lasten bij verblijf in inrichting

  • 4.

    Slotbepalingen

    • Intrekking

    • Inwerkingtreding

    • Citeertitel

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1 Definities

In deze beleidsregels wordt bedoeld met:

  • a.

    Pw: Participatiewet

  • b.

    Aanvrager: degene die algemene of bijzondere bijstand aanvraagt

  • c.

    Belanghebbende: degene die een Pw-uitkering aanvraagt of recht heeft op een Pw-uitkering

  • d.

    Bijstandsnorm: de norm zoals genoemd in artikel 5 aanhef en onder c Pw

  • e.

    Kostendelersnorm: de norm zoals genoemd in artikel 22a Pw

  • f.

    Bijzondere bijstand: bijstand zoals genoemd in artikel 35 Pw voor noodzakelijke kosten van bestaan vanwege bijzondere omstandigheden

  • g.

    Vermogen: vermogen zoals genoemd in artikel 34 Pw

  • h.

    Vermogensgrens: de vermogensgrens zoals genoemd in artikel 34 Pw

  • i.

    Motorvoertuig: alle motorvoertuigen, waaronder auto’s, motoren, brommers en scooters.

  • j.

    Nibud: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting

  • k.

    Wrb: Wet op de rechtsbijstand

  • l.

    WSNP: Wet schuldsanering natuurlijke personen

  • m.

    Woonkosten

    • -

      Bij een huurwoning de door belanghebbende verschuldigde huurprijs als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag.

    • -

      Bij een eigen woning de hypotheeklasten verbonden aan de door belanghebbende bewoonde woning, de zakelijke lasten behorend bij de woning en een naar de omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud. Onder zakelijke lasten wordt verstaan: rioolrechten, de onroerende zaakbelasting, premie brand- en opstalverzekering en het eigenaarsdeel van de waterschapslasten.

  • n.

    Schoolverlater: belanghebbende die tot zes maanden terug de deelname aan onderwijs of een beroepsopleiding heeft beëindigd. De periode van zes maanden vangt aan na het beëindigen van het recht op studiefinanciering dan wel de tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

Hoofdstuk 2: Algemene bijstand

Artikel 2.1 Overbruggingsuitkering

  • 1. Voor zover een belanghebbende niet de beschikking heeft over enig bank- of girotegoed of over contante middelen en ter overbrugging tot aan de eerstvolgende reguliere betaaldatum een overbruggingsuitkering noodzakelijk is in verband met bij echtscheiding, beëindiging zelfstandig bedrijf, vertrek uit AZC of om een andere reden, wordt op aanvraag een overbruggingsuitkering toegekend.

  • 2. De overbruggingsuitkering wordt om niet verstrekt.

  • 3. De overbruggingsuitkering bedraagt niet meer dan noodzakelijk en derhalve maximaal 1 maanduitkering (inclusief vakantietoeslag).

Artikel 2.2. Vermogensvaststelling bij bezit van een motorvoertuig

  • 1. Een motorvoertuig met een waarde € 5.000,00 of minder wordt als algemeen gebruikelijk aangemerkt en vrijgelaten bij de vermogensvaststelling.

  • 2. Als een motorvoertuig meer dan € 5.000,00 waard is, wordt alleen het meerdere meegenomen bij de vaststelling van het vermogen.

  • 3. De waarde van een auto wordt vastgesteld aan de hand van de koerslijst ANWB (via internet).

  • 4. De genoemde vrijlating van lid 1 wordt toegepast op maximaal één motorvoertuig. Als een inwoner meer motorvoertuigen heeft wordt de vrijlating toegepast op het motorvoertuig met de hoogste waarde en tellen de overige voertuigen voor de volledige waarde mee in de vermogensvrijlating.

Artikel 2.3. Verlaging bijstand in verband met woonsituatie

  • 1. De bijstandsnorm wordt op grond van artikel 27 Pw verlaagd wanneer er sprake is van lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan dan gebruikelijk in verband met de woonsituatie.

  • 2. De verlaging bedraagt: 20% van de gehuwdennorm, als bedoeld in artikel 21 onderdeel b Pw, indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden of wanneer geen woning wordt bewoond.

  • 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing wanneer toepassing van artikel 22a Pw op de bijstandsnorm volgens artikel 21 Pw al een gelijk of een lager uitkeringsbedrag oplevert.

Artikel 2.4 Verlaging bijstand schoolverlater

  • 1. De bijstandsnorm wordt voor een schoolverlater van 21 jaar of ouder verlaagd tot het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor deelnemers aan beroepsonderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.

  • 2. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op alleenstaande ouders en gehuwden.

  • 3. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing wanneer toepassing van artikel 22a van de Pw op de bijstandsnorm volgens artikel 21 reeds een gelijk of een lager uitkeringsbedrag oplevert.

Hoofdstuk 3: Bijzondere bijstand

Algemene bepalingen

Artikel 3 Voorwaarden bijzondere bijstand

De aanvraag om bijzondere bijstand wordt verleend als aan de voorwaarden van artikel 35 Pw is voldaan. De voorwaarden zijn:

  • 1.

    belanghebbende moet deze kosten maken

  • 2.

    de kosten moeten voor belanghebbende noodzakelijk zijn

  • 3.

    de kosten moeten voortvloeien uit voor belanghebbende bijzondere individuele omstandigheden

  • 4.

    de kosten kunnen niet worden voldaan uit de aanwezige middelen

Artikel 3.1. Moment van aanvragen bijzondere bijstand

  • 1. De aanvraag wordt ingediend voordat of uiterlijk op de datum dat de kosten zijn opgekomen.

  • 2. In afwijking van lid 1 kan het college bijzondere bijstand verlenen voor kosten die voorafgaand aan de aanvraag zijn gemaakt, als:

    • a)

      het college de noodzaak van deze kosten op het moment van de aanvraag nog kan vaststellen en

    • b)

      daarbij geldt dat de kosten tot maximaal 3 maanden vóór de aanvraag via bijzondere bijstand worden vergoed.

Artikel 3.2. Draagkracht

  • 1. Om te bepalen of de aanvrager de bijzondere kosten, als bedoeld in artikel 35 Pw, kan voldoen uit het beschikbare inkomen en vermogen moet eerst worden bepaald wat de draagkracht is.

  • 2. De draagkrachtis 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Bij toepassing van de kostendelersnorm wordt voor de draagkracht uitgegaan van de bijstandsnorm zonder rekening te houden met de verlaging wegens kostendelers. Ditzelfde geldt bij de verlaagde norm bij een schoolverlater of vanwege lage woonkosten. Ook dan wordt uitgegaan van de van toepassing zijnde norm zonder rekening te houden met de verlaging.

  • 3. De individuele studietoeslag wordt niet als middel aangemerkt bij de beoordeling van de draagkracht.

Artikel 3.3. In aanmerking te nemen inkomen

  • 1. Bij de bepaling van de draagkracht wordt het inkomen zoals bedoeld in de artikelen 31 tot en met 33 Pw in meegenomen.

  • 2. De middelen genoemd in artikel 31 lid 2 Pw en artikel 33 lid 5 Pw worden vrijgelaten voor algemene bijstand en ook niet in aanmerking genomen als inkomen voor de bepaling van draagkracht voor bijzondere bijstand. Bij een aanvraag bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen worden deze middelen wel meegenomen in de draagkracht.

  • 3. Bij het vaststellen van het in aanmerking te nemen inkomen worden niet meegerekend:

    • a.

      inkomensbestanddelen die bij de verlening van algemene bijstand ook niet tot de middelen worden gerekend

    • b.

      het deel van het inkomen waarop executoriaal beslag is gelegd

    • c.

      het deel van het inkomen dat gereserveerd wordt in verband met een schuldsaneringsregeling op grond van de WSNP

    • d.

      het deel van het inkomen dat gereserveerd wordt in verband met een minnelijke schuldsanering

    • e.

      een verstrekte individuele inkomenstoeslag

Artikel 3.4. In aanmerking te nemen vermogen

  • 1. Het college sluit voor het vaststellen van het in aanmerking te nemen vermogen aan bij artikel 34 Pw.

  • 2. Het vermogen dat is gebonden in de eigen woning wordt niet gerekend tot het in aanmerking te nemen vermogen bij de bepaling van de draagkracht zoals bedoeld in artikel 3.2.

  • 3. Voor het vermogen telt van de waarde van één motorvoertuig een bedrag van € 5000,- niet mee. Eén motorvoertuig met een waarde tot maximaal € 5000,- wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd.

  • 4. Het vermogen wordt vrijgelaten tot aan de betreffende vermogensgrens van artikel 34 lid 3 Pw.

  • 5. Lid 4 geldt niet bij aanvragen voor kosten van duurzame gebruiksgoederen.

Artikel 3.5. Draagkrachtperiode bijzondere bijstand

  • 1. De draagkracht wordt vastgesteld voor een periode van 12 maanden, beginnend op de eerste dag van de maand, waarin de aanvraag is ingediend.

  • 2. Wanneer de bijzondere kosten zich periodiek voordoen, maar niet gedurende een heel jaar (bijvoorbeeld bij een tijdelijke woonkostentoeslag), kan de draagkracht over een kortere periode worden berekend, zodat niet de volledige jaardraagkracht hoeft te worden ingezet.

  • 3. Als er sprake is van kosten die vóór de aanvraagdatum zijn gemaakt, dan wordt de draagkrachtperiode vastgesteld vanaf de eerste dag van de maand waarop de bijstandsverlening betrekking heeft.

Artikel 3.6. Wijziging draagkracht tijdens de draagkrachtperiode

In beginsel wordt de eenmaal vastgestelde draagkracht niet gewijzigd. Alleen als er een wijziging in het inkomen als bedoeld in artikel 3.3 lid 1 van deze beleidsregels en het vermogen als bedoeld in artikel 3.4 lid 1 van deze beleidsregels heeft plaatsgevonden wordt de draagkracht gewijzigd. In dat geval wordt de draagkrachtperiode opnieuw vastgesteld.

Artikel 3.7. Drempelbedrag

Voor de kosten van bijzondere bijstand geldt geen drempelbedrag zoals bedoeld in artikel 35 lid 2 Pw.

Artikel 3.8. Waar en wanneer een medisch advies opvragen

  • 1. Het college vraagt deskundigen om advies als dat voor het vaststellen van de noodzaak en/of de hoogte van de kosten nodig is.

  • 2. Er wordt geen (medisch) deskundigenadvies gevraagd als:

    • a.

      het jaarlijks terugkerende kosten betreft en het duidelijk is dat de (medische) situatie sinds het laatste advies niet is gewijzigd of uit het eerder gegeven advies blijkt dat een herbeoordeling niet nodig is

    • b.

      de (medische) noodzaak van de kosten op een andere wijze is vastgesteld en de kosten (incidenteel of periodiek op jaarbasis) minder bedragen dan de kosten van de medische advisering

    • c.

      de kosten minder bedragen dan € 300,00 per jaar.

Kostensoorten waarvoor beleid is vastgelegd

Artikel 3.9. Collectieve zorgverzekering

  • 1. De inwoner kan deelnemen aan de door het college aangeboden collectieve zorgverzekering, als:

    • a.

      de inwoner een inkomen heeft dat niet hoger is dan 130% van de voor hem geldende bijstandsnorm, en;

    • b.

      de inwoner 18 jaar of ouder is, en;

    • c.

      de inwoner geen student is, in die zin dat er uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs gevolgd wordt, en;

    • d.

      de inwoner in de basisregistratie personen als inwoner van Tubbergen geregistreerd is, en;

    • e.

      als de aanmelding voor deelname aan de door het college aangeboden collectieve zorgverzekering door de zorgverzekeraar is goedgekeurd.

  • 2. In afwijking van artikel 3.4. van deze beleidsregels vindt er geen vermogenstoets plaats als bedoeld in artikel 34 van de Pw.

  • 3. Zolang de inwoner gebruikmaakt van de door het college aangeboden collectieve zorgverzekering en aan de voorwaarden uit lid 1 van dit artikel voldoet, wordt de deelname met ingang van het nieuwe kalenderjaar stilzwijgend voortgezet.

  • 4. Het college betaalt de gemeentelijke bijdrage collectieve zorgverzekering rechtstreeks aan de zorgverzekeraar en de inwoner krijgt hierdoor een premiekorting. De hoogte van de gemeentelijke bijdrage collectieve zorgverzekering is afhankelijk van het gekozen verzekeringspakket.

  • 5. Het college betaalt de premie voor de collectieve zorgverzekering in beginsel van de uitkering rechtstreeks door aan de zorgverzekeraar als de inwoner een uitkering van het college ontvangt en de hoogte van de uitkering hiervoor toereikend is.

  • 6. Het college beëindigt de deelname aan de collectieve zorgverzekering op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, als:

    • a.

      het inkomen van de inwoner hoger is dan 130% van de voor hem geldende bijstandsnorm;

    • b.

      de inwoner een student is, in die zin dat er uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs gevolgd;

    • c.

      de inwoner verhuist naar een andere gemeente en het eigen risico heeft meeverzekerd;

    • d.

      de inwoner niet langer voldoet aan de voorwaarden die de zorgverzekeraar stelt voor deelname aan de collectieve zorgverzekering.

  • 7. Het college beëindigt de deelname aan de collectieve zorgverzekering per de eerste van de maand volgend op de datum van wijziging als:

    • a.

      de inwoner verhuist naar het buitenland;

    • b.

      de inwoner verhuist naar een andere gemeente en het eigen risico niet heeft meeverzekerd.

  • 8. Als de inwoner overlijdt, beëindigt het college de deelname aan de collectieve zorgverzekering één dag na de dag van het overlijden.

Artikel 3.10. Medische kosten en orthodontie onder de 18 jaar

  • 1. Voor medische kosten wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening, die gezien haar aard en doel geacht wordt voor belanghebbende toereikend en passend te zijn.

  • 2. Voor de volgende kosten bestaat ook geen recht op bijzondere bijstand:

    • kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt

    • kosten die voor rekening van de inwoner blijven zoals een eigen bijdrage en het wettelijk of vrijwillig eigen risico.

  • 3. In afwijking van lid 1 wordt bijzondere bijstand verstrekt voor medische kosten tot aan de vergoeding van de gemeentelijk ondersteunde collectieve aanvullende zorgverzekering volgens pakket 2 van zorgverzekeraar Menzis, wanneer de aanvrager door een premieachterstand geen aanvullende ziektekostenverzekering kan afsluiten.

  • 4. In afwijking van lid 1 kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van orthodontie van kinderen tot 18 jaar. De hoogte van de vergoeding bedraagt over de gehele behandelduur maximaal € 2.500,00 per kind, onder aftrek van eventuele vergoedingen.

Artikel 3.11. Uitvaartkosten (niet zijnde de uitvoering van de Wet op de Lijkbezorging)

  • 1. Voor de kosten van een begrafenis of een crematie kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt aan de belanghebbende op wie volgens de bepalingen in het huwelijksgoederenrecht en het erfrecht de plicht rust de kosten van lijkbezorging van bloed- en aanverwanten te voldoen. Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt voor zover deze kosten niet uit de nalatenschap voldaan kunnen worden, niet gedekt zijn door verzekeringen en/of overlijdensuitkering (krachtens een sociale zekerheidswet) en de nabestaande niet over toereikende middelen beschikt om (zijn aandeel in) de uitvaartkosten te voldoen.

  • 2. Op de maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste lid worden middelen uit de nalatenschap van de overledene volledig in mindering gebracht.

  • 3. De maximaal te vergoeden (totale) kosten van de begrafenis of crematie bedragen € 6.000.

Artikel 3.12. Kosten bewindvoering, mentorschap en curatele

  • 1. Het college verleent bijzondere bijstand voor de kosten van een door de kantonrechter ingesteld beschermingsbewind, mentorschap of onder curatelestelling.

  • 2. Het college verleent bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht verbonden aan het verzoek tot bewindvoering, mentorschap of ondercuratelestelling. In afwijking van het tijdstip van het opkomen van de kosten zoals genoemd in artikel 3.1., wordt als tijdstip voor het opkomen van het griffierecht de datum van de uitspraak van de kantonrechter genomen.

  • 3. Voor de verstrekking van de bijzondere bijstand sluit het college aan bij de beschikking van de kantonrechter. Uit de beschikking blijkt welke bewindvoerder, mentor of curator er is benoemd en voor welke werkzaamheden er kosten in rekening gebracht mogen worden

  • 4. Het college baseert de hoogte van de bijzondere bijstand op de bedragen die de bewindvoerder, mentor of curator feitelijk in rekening brengt tot een maximumbedrag zoals vastgesteld in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

  • 5. Het college verzoekt de bewindvoerder, curator en/of mentor om bij een eerste aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering, mentorschap en/of curatele een plan van aanpak in te leveren. Dit is het plan van aanpak dat ook bij het verzoekschrift aan de rechtbank is ingediend.

  • 6. Het college verleent in ieder geval geen bijzondere bijstand voor:

    • a.

      de kosten van bewindvoering in het kader van de WSNP

    • b.

      de kosten van beheer van een pgb als de inwoner niet is aangewezen op zorg in de vorm van een pgb

Artikel 3.13. Rechtsbijstand

  • 1. Het college verleent bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand als er op grond van een toevoeging volgens de Wrb rechtsbijstand is verleend.

  • 2. De hoogte van de bijzondere bijstand voor deze eigen bijdrage is beperkt tot de eigen bijdrage die geldt wanneer de doorverwijzing is verkregen via het Juridisch Loket.

  • 3. De volgende kosten komen in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand:

    • a.

      vertaalkosten;

    • b.

      reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van rechtszittingen;

    • c.

      de kosten gemaakt in de bezwaarfase anders dan de eigen bijdrage op grond van de Wrb;

  • 4. In afwijking van artikel 3.1.lid 1:

    • doen de kosten zich voor op de datum dat de rechtsbijstandverlener het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand tot verlening van de toevoeging heeft ontvangen.

    • en doen de kosten zich wel voor als er een voorschotnota is voorafgaand aan de verleende toevoeging.

Artikel 3.14. Babyuitzet

  • 1. De kosten voor een babyuitzet behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze moeten uit het inkomen op bijstandsniveau worden betaald. Bijzondere bijstand is in beginsel niet mogelijk, omdat daarvoor gereserveerd moet worden. Alleen wanneer een aanvrager niet heeft kunnen reserveren of lenen en geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, dan is bijzondere bijstand voor een babyuitzet mogelijk als er sprake is:

    • bijzondere omstandigheden

    • en de kosten niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden betaald

    De verstrekking van babyuitzet door de Stichting Babyspullen is een voorliggende voorziening.

  • 2. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald op grond van de feitelijk te maken kosten en de reeds aanwezige babyspullen. Voor het bepalen van de prijzen wordt de Nibudprijzengids aangehouden.

Artikel 3.15. Maaltijdvoorziening

  • 1. Belanghebbende moet uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm de dagelijkse kosten van maaltijden kunnen betalen.

  • 2. De meerkosten van maaltijdvoorziening kunnen wel in aanmerking komen voor bijstandsverlening. Voor deze kosten is mogelijk geen voorliggende voorziening.

  • 3. Uitzondering op lid 1 geldt voor hulpbehoevenden die door ziekte of gebrek noodzakelijkerwijs gebruik moeten maken van een maaltijdvoorziening.

  • 4. Op een maaltijdvoorziening is slechts recht als er geen sprake is van een voorliggende voorziening vanuit de Wmo 2015. Vanuit de Wmo 2015 kan een eigen bijdrage soms worden verlaagd of op nihil worden gezet als er geen draagkracht is.

  • 5. Maaltijdvoorziening: een voorziening waarbij door een daartoe gespecialiseerd bedrijf of instelling tegen betaling volledige, warme maaltijden worden geleverd.

  • 6. Eetpunt: een voorziening uitgevoerd door een daartoe gespecialiseerd bedrijf waar een volledige, warme maaltijd kan worden genuttigd.

  • 7. Een maaltijdvoorziening omvat ook het eten van een maaltijd bij een eetpunt.

  • 8. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald aan de hand van de meerkosten boven het bedrag conform de Nibud-prijzengids voor de betreffende maaltijd.

  • 9. Belanghebbende kan beperkt maaltijden bestellen. Het is niet de bedoeling dat bijzondere bijstand wordt verstrekt aan anderen dan belanghebbende. Daarom geldt er voor één persoon een maximum aan 7 maaltijden per week.

  • 10. De bijstand wordt om niet toegekend.

Artikel 3.16. Kosten van scholing en opleiding

Voor de kosten van noodzakelijk geachte scholing wordt geen bijzondere bijstand verleend.

Artikel 3.17. Stofferings- en inrichtingskosten, duurzame gebruiksgoederen (inclusief witgoed)

  • 1. De belanghebbende moet de kosten, die verband houden met de in de titel van dit artikel genoemde kosten die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, primair uit zijn eigen middelen, inkomen, vermogen dan wel de individuele inkomens- of studietoeslag te voldoen. Dit door middel van reservering of door gespreide betaling achteraf waarbij rekening wordt gehouden met de draagkrachtbepalingen van deze beleidsregels. Dit geldt ook voor de kosten van de eerste woninginrichting.

  • 2. Als de kosten noodzakelijk zijn en uit bijzondere omstandigheden voortvloeien, wordt voor inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen (inclusief witgoed) een maatwerkvoorziening verleend voor de hoogstnoodzakelijke kosten in de vorm van een renteloze geldlening.

  • 3. Als hoogstnoodzakelijke kosten worden de prijzen zoals beschreven in de geldende Nibud Prijzengids gehanteerd.

  • 4. Voor stofferingskosten die naar hun aard niet als duurzame gebruiksgoederen mogen worden gezien, zoals verf, vloerbedekking en behang, kan bijzondere bijstand om niet worden verstrekt. Er kan (slechts) bijstand als lening worden verstrekt als er omstandigheden zijn zoals genoemd in artikel 48 lid 2 Pw.

  • 5. Bij bijstandsverlening voor woninginrichting wordt voor zover noodzakelijk voor behang- en schilderwerk uitgegaan van de prijzen zoals genoemd in de geldende Nibud Prijzengids. De totale hoogte voor de kosten van verf, vloerbedekking en behang is afhankelijk van de afmetingen van de woning.

  • 6. In afwijking van lid 1 geldt voor de eerste woninginrichting van toegelaten vluchteling dan wel uitgenodigde asielzoeker het volgende:

    • a.

      de kosten van de eerste woninginrichting wordt verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening.

    • b.

      voor het in redelijkheid bepalen van de hoogte van de noodzakelijke kosten bij complete woninginrichting wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate inrichting met een maximale vergoeding van 100% van de normbedragen zoals opgenomen in de Nibud Prijzengids.

    • c.

      de aflossing dient zoveel mogelijk plaats te vinden door middel van inhouding op de Pw-uitkering.

Artikel 3.18. Verhuiskosten

Voor de noodzakelijke kosten van een noodzakelijke verhuizing wordt bijzondere bijstand verstrekt.

Artikel 3.19. Woonkostentoeslag

  • 1. Huurtoeslag is voor bijstandverlening een voorliggende voorziening die toereikend en passend is. Indien geen of slechts beperkt recht op huurtoeslag bestaat, bijvoorbeeld door inkomen of vermogen van medebewoners, bestaat ook geen recht op bijstand.

  • 2. Van het uitgangspunt van lid 1 wordt alleen afgeweken indien men in een beperkte periode geen huurtoeslag ontvangt, wanneer iemand een zware terugval in inkomsten heeft dan wel een eigen woning bewoont.

  • 3. De hoogte van de woonkostentoeslag wordt berekend volgens de systematiek van de huurtoeslag onder aftrek van de werkelijk ontvangen huurtoeslag, het recht op renteaftrek bij belastingen inzake eigen woningbezit en de draagkracht.

  • 4. Indien de woonkosten, zowel van een huurwoning als van een eigen woning, meer bedragen dan de maximaal subsidiabele huur dan wordt bij recht op een woonkostentoeslag niet meer bijstand verstrekt dan op basis de maximaal subsidiabele huur wordt berekend. Bij een huurwoning wordt in dat geval de woonkostentoeslag voor maximaal 1 jaar verleend en wordt gelijktijdig een verhuisplicht opgelegd. Deze periode kan met maximaal 1 jaar worden verlengd als de aanvrager er alles aan heeft gedaan om vervangende woonruimte te krijgen en hierin toch niet is geslaagd.

  • 5. Voor woonkosten wordt bij een eigen woning rekening gehouden met rentebetalingen (onder aftrek van het recht op renteaftrek van de belastingdienst) die noodzakelijk verband houden met de eigen woning en met zakelijke lasten die verband houden met het hebben van een woning in eigendom.

  • 6. Geen rekening wordt gehouden met de kosten van periodiek onderhoud.

Artikel 3.20. Doorbetaling vaste lasten bij verblijf in een inrichting

  • 1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening voor de kosten van het aanhouden van de woning voor zover op geen andere wijze in de kosten kan worden voorzien, vanaf de eerste maand van opname of detentie:

    • a.

      gedurende maximaal zes maanden als er sprake is van opname in een inrichting of ziekenhuis die naar verwachting korter duurt dan zes maanden;

    • b.

      gedurende maximaal drie maanden als er sprake is van detentie die naar verwachting korter duurt dan drie maanden.

  • 2. De hoogte van de maatwerkvoorziening wordt vastgesteld op de feitelijke kosten van:

    • a.

      de huur minus eventueel door belanghebbende te ontvangen huurtoeslag;

    • b.

      het, verlaagde, maandelijkse termijnbedrag voor levering van water;

    • c.

      de maandelijkse vaste kosten (netbeheerkosten) aan de energieleverancier

    • d.

      het maandelijkse termijnbedrag voor de inboedel- en opstalverzekering.

Hoofdstuk 4: Slotbepalingen

Artikel 4 Intrekking

De Gewijzigde beleidsregels algemene en bijzonder bijstand Tubbergen 2023 en de Beleidsregel verlaging bijstandsnorm Participatiewet van 7-1-2015 worden hierbij ingetrokken.

Artikel 5 Inwerkingtreding en overgangsrecht

  • 1. De beleidsregels algemene- en bijzondere bijstand 2026 treden in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2026.

  • 2. De Gewijzigde beleidsregels algemene en bijzondere bijstand Tubbergen 2023 worden ingetrokken, maar blijven voor de duur van een half jaar vanaf de inwerkingtreding van deze beleidsregels van toepassing op:

    • a.

      bijzondere bijstand verstrekt op grond van de Gewijzigde beleidsregels algemene en bijzondere bijstand Tubbergen 2023;

    • b.

      aanvragen om bijzondere bijstand die voor inwerkintreding van deze beleidsregels zijn ingediend en voor zover de Gewijzigde beleidsregels algemene en bijzondere bijstand Tubbergen 2023 gunstiger zijn voor de aanvrager;

  • 3. De Beleidsregel verlaging bijstandsnorm Participatiewet van 7-1-2015 wordt ingetrokken.

Artikel 6 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels algemene- en bijzondere bijstand Tubbergen 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders in de vergadering van 17 februari 2026,

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tubbergen

Toelichting

Algemene toelichting

Voor de meeste onderwerpen en kostensoorten is inhoudelijk aansluiting gezocht bij het bestaande beleid. Het beleid is geactualiseerd en toegankelijker geschreven.

Bij andere onderwerpen gaat het ook om inhoudelijke wijzigingen.

Daarbij gaat het om het volgende:

  • Oude artikel 1b is vernummerd naar 2.1. Artikel 2.1. vaststelling waarde auto gewijzigd in motorvoertuig (dat zijn dus ook motoren, brommers en scooters).

  • Verlaging van algemene bijstand. Toegevoegd zijn de artikelen 2.2. en 2.3. over verlaging van de algemene bijstand in verband met de woonsituatie en bij schoolverlaters.

  • Bij bijzondere bijstand, artikel 3.1. is terugwerkende kracht na het opkomen van de kosten mogelijk tot maximaal 3 maanden.

  • Alles boven 120% van de bijstandsnorm is draagkracht.

  • Ook bij bewindvoeringskosten, mentorschap en curatele wordt alle inkomen boven de 120% van de bijstandsnorm gezien als draagkracht.

  • Nieuw artikel 3.9 Collectieve zorgverzekering

  • Nieuw artikel 3.11 Uitvaartkosten

  • Nieuw artikel 3.16 Maaltijdvoorzieningen, met name rekening houden met Nibud normen

  • Nieuw artikel 3.18. Stofferings- en inrichtingskosten, duurzame gebruiksgoederen (inclusief witgoed), met name rekening houden met Nibud normen.

  • Nieuw artikel 13.21. Doorbetaling vaste lasten bij verblijf in een inrichting.

In beginsel wordt er geen bijzondere bijstand meer verstrekt voor telefoonkosten, omdat er voldoende gratis mogelijkheden zijn om te communiceren.

Hetzelfde geldt voor de geringe meerkosten in elektriciteitsverbruik vanwege het gebruik van een scootmobiel of traplift.

Artikelsgewijze toelichting

Er is alleen een artikelsgewijze toelichting opgenomen als het artikel een toelichting nodig heeft.

Artikel 2.2. Vermogensvaststelling bij bezit van een motorvoertuig

De koerslijst geeft geen bedragen van auto’s ouder dan 15 jaar. Aangenomen mag worden dat deze geen waarde boven de € 5.000,- vertegenwoordigen. Mocht het om een exclusief model of oldtimer gaan, dan dient de waarde middels bijvoorbeeld een taxatierapport aangetoond te worden.

De uitkomst van de ANWB koerslijst omvat zeven verschillende prijsindicaties die inzicht geven in de waarde van een auto in diverse situaties. We gaan hierbij uit van de verkoopprijs bij inruil bij een autobedrijf.

Afwijkende waarde vaststelling

Als er aantoonbare verschillen zijn tussen het goed en de uitgangspunten van de koerslijsten (bv schade auto of oldtimer) wordt afgeweken van de koerslijsten.

Bij recente aanschaf kan voor de waardebepaling uitgegaan worden van de recent betaalde aankoopprijs, indien niet gesteld of gebleken is dat die prijs niet reëel zou zijn.

Motorvoertuigen zijn auto’s, motoren, brommers en scooters.

Artikel 2.3. Verlaging bijstand in verband met woonsituatie

De bijstandsnormen worden verlaagd op grond van artikel 27 Pw als belanghebbende lagere kosten van bestaan heeft door zijn woonsituatie. Het gaat hier om personen van 21 jaar of ouder tot aan de pensioengerechtigde leeftijd (artikel 21 Participatiewet).

Als aan een door belanghebbende bewoonde woning voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden, wordt de norm verlaagd met 20% van de gezinsnorm.

Onderscheid maken naar de mate waarin woonkosten ontbreken is niet noodzakelijk. Wanneer belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten heeft, kan worden afgestemd met artikel 18 lid 1 Pw. Dit artikel richt zich bijvoorbeeld op krakerssituaties en situaties waarin door ex-partners volledig in de woonkosten wordt voorzien.

De verlaging van 20% van de gezinsnorm geldt ook voor dak- en thuislozen. Dit met het idee dat daarmee de drempel om in een woning te gaan wonen wordt verminderd. Wanneer dit in specifieke situaties problemen oplevert dan kan gebruik worden gemaakt van artikel 18 lid 1 Pw.

Artikel 3.1. moment van aanvragen bijzondere bijstand

Bij bijzondere bijstand kan bijstand worden verstrekt met terugwerkende kracht tot maximaal 3 maanden na het opkomen van de kosten onder de voorwaarde dat de noodzaak nog kan worden vastgesteld.

Artikel 3.2. Draagkracht

Vanwege praktische overwegingen wordt bij inkomsten en bij de van toepassing zijnde bijstandsnorm bij berekeningen uitgegaan van de bedragen exclusief vakantiegeld.

Bij het aanvragen van bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen worden in beginsel de middelen als bedoeld in artikel 31 lid 2 Pw, artikel 33 lid 5 Pw (inkomsten) en artikel 34 lid 2 Pw (vermogen) niet vrijgelaten.

Artikel 3.4. In aanmerking te nemen vermogen

Een (1) motorvoertuig met een waarde tot maximaal € 5.000 wordt beschouwd als algemeen gebruikelijk.

Een motorvoertuig kan zijn een auto, een motor, een brommer, een scooter. Het betreffen vervoermiddelen die een waarde vertegenwoordigen.

Als de waarde meer bedraagt dan € 5.000 wordt de meerwaarde aangemerkt als vermogen.

Caravans en boten worden niet beschouwd als algemeen gebruikelijk. De waarde hiervan wordt volledig meegenomen in de vermogensvaststellingberekening.

Waardevaststelling

Auto: koerslijst ANWB www.anwb.nl/auto/koerslijst (inruilprijs)

Motor: verkoopsites of informatie van dealers (ANWB heeft geen koerslijst meer)

Caravan: caravan koerslijst (www.caravankoopwijzer.nl/koerslijst) (inruilprijs)

Boot: taxatierapport

De koerslijst geeft geen bedragen van auto’s ouder dan 15 jaar. Aangenomen mag worden dat deze geen waarde boven de € 5.000,-- vertegenwoordigen. Mocht het om een exclusief model of oldtimer gaan, dan dient de waarde middels bijvoorbeeld een taxatierapport aangetoond te worden. In die gevallen kan er bijzondere bijstand worden verstrekt voor een taxatierapport.

Afwijkende waarde vaststelling

Als er aantoonbare verschillen zijn tussen het motorvoertuig en de uitgangspunten van de koerslijsten (bv schade auto of oldtimer) wordt afgeweken van de koerslijsten.

Bij recente aanschaf kan voor de waardebepaling uitgegaan worden van de recent betaalde aankoopprijs, indien niet gesteld of gebleken is dat die prijs niet reëel zou zijn. Dat kan worden uitgegaan van de aanschafwaarde, mits deze recent is geldt dit ook voor brommers en scooters.

Meerdere auto’s of motoren op naam

Van slechts 1 motorvoertuig wordt een waarde van maximaal € 5.000,- niet in aanmerking genomen. Het meerdere wordt meegenomen in de vermogensvaststelling.

Artikel 3.6. Draagkrachtperiode bijzondere bijstand

Alleen als er een wijziging in de middelen heeft plaatsgevonden wordt de draagkracht gewijzigd. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarbij (een deel van) het inkomen wegvalt.

Artikel 3.8. Waar en wanneer een medisch advies opvragen

Het medisch advies moet gevraagd worden bij gecontracteerde organisaties.

Artikel 3.10. Medische kosten

In beginsel wordt er geen bijzondere bijstand verstrekt voor medische kosten. Onder 'medische kosten' wordt verstaan: noodzakelijk te maken kosten welke vallen binnen de reikwijdte van de kostensoorten waarover de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de WLZ zich uitspreekt. De Zvw en Wlz vergoeden alle noodzakelijke ziektekosten. Beide regelingen gelden samen als een toereikende en passende voorliggende voorziening (artikel 15 Pw). Dit betekent dat kosten die niet door de Zvw of Wlz worden vergoed, ook niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.

In afwijking hiervan bestaat er wel recht op bijzondere bijstand als de aanvrager zich door een premieachterstand niet heeft kunnen verzekeren via de gemeentelijke ondersteunende collectieve aanvullende zorgverzekering op basis van pakket 2. Gedurende de periode van de premieachterstand hoeft men niet verzekerd te zijn bij zorgverzekeraar Menzis. Dit omdat men in deze situatie niet over kan stappen naar een andere zorgverzekeraar.

Artikel 3.11. Uitvaartkosten (niet zijnde de uitvoering van de Wet op de Lijkbezorging)

Begrafenis/crematiekosten behoren tot de “passiva” van de nalatenschap. Daardoor komen deze kosten voor rekening van de erfgenamen. In veel gevallen heeft de overledene zelf voor deze kosten gespaard of zich verzekerd om erfgenamen hier niet mee te belasten. De erfgenamen kunnen op persoonlijke titel in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor zover hun erfdeel onvoldoende is om de kosten te kunnen voldoen. Er kan een maatwerkvoorziening/bijzondere bijstand worden verleend voor zover er bij erfgenamen, die op grond van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest, sprake is van onvoldoende middelen en het ontbreken van een voorliggende voorziening, Er kan alleen bijzondere bijstand worden verleend voor het aandeel in de kosten die de aanvrager heeft. De goedkoopst mogelijke adequate voorziening is toereikend.

De hoogte van de vergoeding bedraagt maximaal € 6000,-. Dit bedrag is hoger dan de volgende noodzakelijke kosten zoals vermeld in de Nibud prijzengids: akte van overlijden, overbrengen overleden naar rouwcentrum/woonhuis, laatste verzorging van overledene, kist, opbaren thuis/rouwcentrum, 1 rouwauto, kosten graf, maximaal 50 rouwkaarten en koffie voor maximaal 50 personen. Als niemand voorziet of kan voorzien in de begrafenis of crematie, geldt de Wet op de Lijkbezorging. De gemeente draagt dan zorg voor de begrafenis en verhaalt de gemaakte kosten op de erfgenamen. Deze kosten komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

Artikel 3.12. Kosten bewindvoering, mentorschap en curatele

De bewindvoerder heeft aanspraak op beloning overeenkomstig de bedragen van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (artikel 1:447 lid 1 BW). De jaarbeloning is verschuldigd vanaf de eerste dan wel de zestiende dag van de maand waarin de bewindvoerder is benoemd. Dit betekent dat een bewindvoerder een volledige maand in rekening mag brengen als hij in de periode van de 1e tot en met 15e dag van de maand benoemd is, en een halve maandvergoeding mag factureren als hij vanaf de 16e van de maand benoemd is. Als de taak van de bewindvoerder eindigt op een dag in de eerste helft van de maand, dan mag de bewindvoerder over die maand de beloning in rekening brengen tot de 16e dag van die maand. Eindigt de taak in de tweede helft van de maand? Dan mag hij de beloning rekenen over de gehele maand. Er wordt uitgegaan van een forfaitaire jaarbeloning op basis van het aantal uren waarin de werkzaamheden jaarlijks worden uitgeoefend, inclusief een onkostenvergoeding en exclusief BTW.

Artikel 3.13. Rechtsbijstand

Voor vertaalkosten is in principe geen bijzondere bijstand mogelijk. Advocaten kunnen namelijk kosteloos gebruik maken van een gesubsidieerd tolkencentrum.

Ook voor de reiskosten van een belanghebbende voor het bijwonen van rechtszittingen is in principe geen bijzondere bijstand mogelijk.

Wanneer er bijzondere bijstand wordt verleend voor de kosten op basis van een voorschotnota moet er binnen 3 maanden een kopie van de verleende toevoeging worden ingediend.

Artikel 3.15 Maaltijdvoorziening

Indicaties voor de verstrekking van bijzondere bijstand kunnen zijn:

  • Belanghebbende heeft een voorziening in het kader van de Wmo;

  • Belanghebbende heeft een indicatie voor thuiszorg;

  • Belanghebbende heeft geen mensen in zijn of haar netwerk die deze taak op zich kunnen nemen.

Wanneer overduidelijk blijkt dat belanghebbende niet in staat is om zelf de maaltijden te verzorgen en er geen gebruik kan worden gemaakt van een voorliggende voorziening, kan ook in deze gevallen bijzondere bijstand worden verstrekt.

Gezinssituatie

  • -

    indien er een partner aanwezig is: is deze nog in staat maaltijden te bereiden?

Medisch advies:

Bij twijfel over de noodzaak moet er een medisch advies worden gevraagd.

Hoogte bijzondere bijstand maaltijdvoorziening

Voor de hoogte wordt uitgegaan van de meerkosten ten opzichte van de Nibud-normen.

Voorbeeld Nibud-prijzengids 2024 / 2025 Kosten van voeding per persoon ten opzichte van tweepersoonshuishoudens

soort huishouden

kosten

1-persoonshuishoudens

10% duurder

3-persoonshuishoudens

15% goedkoper

4-persoonshuishoudens

25% goedkoper

5-persoonshuishoudens of groter

30% goedkoper

Kosten van voeding per persoon per dag1 (tabel 5.1)

 

ontbijt

lunch

warme maaltijd

tussendoortjes

totaal

kind 1 - 3 jaar

€ 0,86

€ 1,02

€ 0,88

€ 0,27

€ 3,04

kind 4 - 8 jaar

€ 1,13

€ 1,24

€ 1,41

€ 0,52

€ 4,30

kind 9 - 13 jaar

€ 1,68

€ 2,07

€ 2,18

€ 0,99

€ 6,92

man 14 - 50 jaar

€ 2,09

€ 2,21

€ 2,81

€ 1,22

€ 8,33

vrouw 14 - 50 jaar

€ 1,62

€ 2,00

€ 2,69

€ 1,21

€ 7,52

man 51 - 69 jaar

€ 1,86

€ 2,12

€ 2,62

€ 1,36

€ 7,96

vrouw 51 - 69 jaar

€ 1,56

€ 2,09

€ 2,54

€ 1,31

€ 7,50

man en vrouw 70+

€ 1,68

€ 2,11

€ 2,56

€ 1,32

€ 7,67

zwangere vrouw

€ 1,78

€ 2,18

€ 2,79

€ 1,53

€ 8,28

bij borstvoeding

€ 1,95

€ 2,36

€ 2,77

€ 1,67

€ 8,75

Noot: 1) Deze bedragen zijn gebaseerd op een 2-persoonshuishouden.

Bron: Referentievoedingen: Voedingscentrum, 2016 en 2021 | Nederlandse Vereniging van Diëtisten, 2020 | berekeningen Nibud, juni 2024

Rekenvoorbeeld 1: kosten van voeding voor een gezin

Een gezin bestaat uit een vader en moeder, een kind van 12 jaar en een kind van 7 jaar. Per dag besteedt dit gezin aan eten: € 8,33 + € 7,52 + € 6,92 + € 4,30 = € 27,07 minus 25 procent vanwege 4-persoonshuishouden = € 20,30.

Rekenvoorbeeld 2: Vergoeding voor maaltijdvoorziening

Een alleenstaande man van 80 jaar vraagt bijzondere bijstand aan voor een maaltijdvoorziening. Gedurende 4 dagen per week krijgt hij een warme maaltijd thuisbezorgd van een plaatselijke stichting. De kosten hiervan zijn € 6,50 per dag.

Bereken de bijzondere bijstand als volgt:

Per dag besteedt deze man aan zijn warme maaltijd: € 2,56 (gebaseerd op een 2-persoonshuishouden). Hier komt 10 procent bij vanwege zijn 1-persoonshuishouden:

€ 2,56 * 1,1 = € 2,82 per dag.

In de bijzondere bijstand wordt de vergoeding bepaald door het verschil tussen de kosten van de maaltijdvoorziening en de daadwerkelijke kosten: € 6,50 - € 2,82 = € 3,68 per dag. Meneer maakt 4 dagen per week gebruik van de maaltijdvoorziening en krijgt dus 4 maal € 3,68 = € 14,72 per week vergoed. Op jaarbasis is dat 52 maal € 14,72 = € 765,44.

Artikel 3.17. Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten

Algemeen

De kosten van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden betaald uit een inkomen ter hoogte van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, door middel van reservering of door gespreide betaling achteraf. In beginsel is er dus geen bijstandsverlening mogelijk voor deze kosten. Belanghebbenden kunnen voor deze kosten mogelijk een lening afsluiten bij een kredietverlenende instantie.

Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken. In dat geval wordt bijzondere bijstand verleend, ook als dit bijstand betekent in aanvulling op een voorliggende voorziening.

Vaststelling noodzaak

Bij de behandeling van een aanvraag moet eerst de noodzaak van de herinrichting te worden vastgesteld. Als de noodzaak ontbreekt dan kan de aanvraag direct worden afgewezen.

Ook als een (her)inrichting noodzakelijk is, kan in het algemeen geen bijstand worden verleend in verhuis- en herinrichtingskosten, omdat deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. En die moeten worden betaald uit het beschikbare inkomen.

Hoogte bijzondere bijstand

Het is duidelijk dat bij de bepaling van het benodigde bedrag uitsluitend kan worden uitgegaan van noodzakelijk aan te schaffen goederen. Deze beoordeling dient aan de hand van een door aanvrager op te stellen inventarislijst te geschieden, die waar mogelijk is voorzien van de bedragen waarmee de goederen zo goedkoop en adequaat mogelijk kunnen worden aangeschaft. In het algemeen dienen geen pro-forma nota's te worden ingenomen. In zeer bijzondere situaties kan het desondanks wenselijk zijn dat aanvrager pro-forma-nota's overlegt als enigerlei vorm van begeleiding bij de inrichting noodzakelijk is. Een goedkope en adequate oplossing staat voorop. Bijvoorbeeld de goedkoopste (een goed van de Action of Leenbakker in plaats van Xenos of een design meubelzaak). Adequaat betekent dat het wel afdoende moet zijn. Bijvoorbeeld een 2-persoons zitbank is niet afdoende voor een gezin van 6 personen.

Inrichtingskosten

De Nibud normen worden aangehouden. Een ontwikkeling van de laatste jaren is dat veel goederen aangeschaft kunnen worden via winkels die tweedehands goederen verkopen of via marktplaats. Het is de keuze van de klant of hij daarvan gebruik wil maken. Uitgangspunt is dat niet alle gebruiksgoederen zoals bij de prijzengids van het Nibud wel gebeurt, deel uit hoeven te maken van een complete woninginrichting. Ook wordt meegewogen dat goederen tweedehands kunnen worden aangeschaft. Bij stofferingskosten kan niet uitgegaan worden van tweedehandsprijzen.

Qua maximaal mogelijke te verstrekken bedragen bij deelinrichting dient gebruik te worden gemaakt van de richtprijzen van de Nibudprijzengids. Bij het vaststellen van het benodigd bedrag wordt gelet op het karakter van de Participatiewet ervan uitgegaan dat van aanvrager in redelijkheid mag worden verwacht dat hij/zij bij het inkopen van de benodigde goederen prijsbewust te werk gaat. Bij de verhuis-en herinrichting mag rekening worden gehouden met zelfwerkzaamheid.

Vorm van bijstand

Als men niet over de financiële middelen beschikt om bijvoorbeeld duurzame noodzakelijke gebruiksgoederen aan te schaffen, zal men daarvoor moeten reserveren of zal men geld moeten lenen.

Inboedel & Duurzame gebruiksgoederen

Voor de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand wordt verwezen naar de geldende prijzen zoals genoemd in de Nibud Prijzengids.

Artikel 3.18. Verhuiskosten

Omschrijving kosten

Kosten in verband met verhuizing, bijvoorbeeld de kosten in verband met het transport van de inboedel en dubbele vaste lasten voor woning gedurende overgangsperiode.

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening. Denk in dit geval aan:

  • een geldlening bij een kredietverlenende instantie

  • de Wmo. Bijvoorbeeld als de verhuizing medisch noodzakelijk is in verband met een handicap van de betrokkene

  • een werkgever. Bijvoorbeeld als volgens de CAO of een individuele arbeidsovereenkomst een tegemoetkoming in verhuiskosten betaald wordt door de werkgever.

Recht op bijzondere bijstand

De kosten in verband verhuizing behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten.

Daarom moet behalve de noodzaak van verhuizing ook de voorzienbaarheid van verhuizing dienen te worden onderzocht. Dat dit is gebeurd moet blijken uit de motivering in een rapportage.

Alleen bij bijzondere, zich onverwacht voordoende omstandigheden kan er aanleiding zijn bijstand te verlenen als geen of onvoldoende reserveringscapaciteit aanwezig is. Voor het bepalen van de voorzienbaarheid van de verhuizing is onder andere de inschrijvingsdatum als woningzoekende van belang. Ook moet worden beoordeeld of de verhuizing kan worden uitgesteld. Bijstandsverlening voor een verhuizing enkel op grond van een sociale of medische indicatie is in het algemeen niet mogelijk. Jonge mensen die bijvoorbeeld in verband met de komst van een kind naar een eengezinswoning wensen te verhuizen óf wat oudere mensen die naar een kleinere woning willen gaan, zullen in verband met de voorzienbaarheid van de verhuizing in het algemeen zelf in verhuis- en herinrichtingskosten moeten voorzien. Bijvoorbeeld door middel van het aangaan van een lening bij de geëigende kredietverlenende instelling. Of de verhuizing moet worden uitgesteld totdat er voldoende geld is gereserveerd.

Bijstand om niet

Niet voor alle kosten bij een verhuizing/herinrichting wordt leenbijstand verleend. De eigenlijke kosten van de verhuizing, zoals de dubbele huur, verhuisbusje, verf en behang, aansluitkosten apparatuur, kunnen "om niet" worden verstrekt.

Dubbele huur wordt veroorzaakt door een vroegere acceptatiedatum van de nieuwe woning, dan de laatste huurdag van de oude woning. Er is dan sprake van een overlap. Indien er sprake is van dubbele huur, kan dat deel van de huur dat als dubbele huur wordt aangemerkt, om niet verstrekt worden.

De bepaling van de dubbele huur is als volgt:

Stel:

Men verhuist van woning A (€ 300,00 huur per maand) naar woning B (€ 400,00 huur per maand). Huurcontract van woning A is opgezegd ingaande 1 februari. Woning B is aanvaard ingaande 16 januari. De overlap betreft periode 16 januari t/m 31 januari (= 16 dagen)

Berekening:

huur per maand van de nieuwe woning (€ 400,00) : 31 dagen (afhankelijk van de maand) x 16 dagen (overlap) = € 206,45 dubbele huur.

Eerste huur (staat vaak in het huurcontract) is niet hetzelfde als dubbele huur. Bij eerste huur is er geen sprake van een overlap, aangezien twee huurperiodes naadloos op elkaar aansluiten. Mocht er toch aanleiding zijn om bijzondere bijstand voor eerste huur te verstrekken, dan kan dat in principe alleen om niet, tenzij de bijstandverlening valt te plaatsen onder artikel 48 lid 2 Pw.

Voor de waarborgsom wordt in beginsel geen bijstand verstrekt. Als hiervoor bijstand wordt verstrekt, is dit in de vorm van een lening. Slechts in bijzondere situaties kan bijstand om niet geboden zijn.

Artikel 3.19. Woonkostentoeslag

Om terugvordering te voorkomen wordt op voorhand rekening gehouden met de belastingteruggave voor rentelasten. Onderhoudskosten worden in beginsel in de berekening niet meegenomen.

Artikel 3.20. Doorbetaling vaste lasten bij verblijf in een inrichting

De hoogte van de doorbetaling is beperkt in duur. Voor de energiekosten geldt dat alleen het vast recht voor energiekosten wordt vergoed. Dat zijn de zogenaamde netbeheerkosten, een vast recht, dat wordt betaald aan de energieleverancier die dat vervolgens doorbetaald aan de netbeheerder.

Voor water geldt een verlaagd termijnbedrag nu er geen water verbruikt wordt in de tijd dat belanghebbende in een inrichting verblijft.