Openstelling Programma Europees Fonds Regionale Ontwikkeling 2021-2027 Noord-Nederland (EFRO)

Geldend van 02-03-2026 t/m heden

Intitulé

Openstelling Programma Europees Fonds Regionale Ontwikkeling 2021-2027 Noord-Nederland (EFRO)

Versterking van het digitaliseringsinnovatie-ecosysteem in Noord-Nederland

De openstelling in het kort

Met deze subsidie-openstelling roepen we relevante, samenwerkende partijen op om met een gezamenlijk initiatief en vanuit een integrale visie en aanpak in te spelen op de versterking van het digitaliseringsinnovatie-ecosysteem in Noord-Nederland. Hiermee is Noord-Nederland beter in staat om kansen te benutten binnen de transitie ‘van analoog naar digitaal’. Digitalisering is daarnaast een belangrijke ‘enabler’ voor de andere drie transities. Verder wordt digitaal innovatief ondernemerschap voor mkb-ondernemingen versterkt. Het marktpotentieel van innovaties op het gebied van digitalisering wordt zo gestimuleerd.

Het beoogde resultaat van deze openstelling is het creëren van een versterkt digitaliseringsinnovatie-ecosysteem in Noord-Nederland dat als basis voor mkb-ondernemingen dient om hun digitaal innovatief ondernemerschap te versterken.

Waarom deze openstelling?

Het Programma Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling 2021-2027 Noord-Nederland (EFRO-programma) kent meerdere doelstellingen. De drie belangrijkste doelstellingen uit het EFRO-programma zijn:

het benutten van kansen binnen de vier transities;

het verbeteren van het innovatie-ecosysteem;

het versterken van de randvoorwaarden voor het innovatie-ecosysteem.

Deze openstelling is (voornamelijk) gericht op de tweede doelstelling en als afgeleide gericht op de eerste en derde doelstelling.

Daarnaast zijn er in het EFRO-programma een drietal uitgangspunten gedefinieerd: 

Doelgroep-differentiatie: werk aan een systeem waarbij de ondersteuning effectief gekoppeld is aan de doelgroepen die we willen bereiken (van koplopers tot volgers); 

Ketenaanpak: werk toe naar een situatie waarbij er een logische opvolging is van ondersteuningsmogelijkheden en follow-up; 

Positionering: tracht de activiteiten daar te plaatsen waar de doelgroep het meest effectief kan worden bereikt. 

Verder staan in het EFRO-programma de vier transities centraal waarmee we als Noord-Nederland te maken hebben: ‘van een lineaire naar circulaire economie’, ‘van fossiele naar hernieuwbare energie’, ‘van zorg naar (duurzame) gezondheid’ en ‘van analoog naar digitaal’. De transities dienen als aangrijpingspunt om kansen en bedreigingen (die volgen uit deze transities) aan te pakken. Hierbij ontstaat (maatschappelijke) vraagarticulatie (en urgentie) die richtinggevend is voor innovatie in onze regio.

De transitie naar een digitale economie is gaande, ingrijpend en raakt aan elk maatschappelijk vraagstuk en elke sector, zoals ook zichtbaar in de EU-strategie uitgestippeld in de EU Digital Compass. De kansen voor Noord-Nederland liggen niet zozeer op het gebied van sleuteltechnologieën, maar meer op het gebied van toepassing van digitale technologieën en daaruit afgeleide kansen. Dit werkt twee kanten op: het aanhaken van mkb bij de digitaliseringstransities en het benutten van ICT-gerelateerde kansen. Dit laatste kan bijvoorbeeld in de energie-intensieve procesindustrie waar digitalisering, sensoren en data steeds belangrijker worden om zicht te krijgen op het energiegebruik in het productieproces en om besparingskansen te identificeren. Hetzelfde geldt ook binnen de zorgsector en andere sectoren.

Een relatief groot deel van het mkb in Noord-Nederland is echter (nog) niet klaar of zelfs nog niet bezig met innovatie en bereidt zich onvoldoende voor op vergroening en digitalisering1. Het mkb zal beter in staat gesteld moeten worden om kennis en vaardigheden te vergaren die nodig zijn voor digitaal innovatief ondernemerschap. Het blijkt dat de grootste knelpunten niet zozeer om technologie draaien, maar om mensen: om ondernemers en werknemers die de (management) skills en vaardigheden missen om technologische vernieuwing toe te passen. Het dagelijks runnen van een bedrijf blijkt vaak lastig te combineren met het ontwikkelen en exploiteren van nieuwe vormen van kennis.

Het potentieel dat ondernemingen hebben wordt hierdoor niet volledig benut. Dit vraagt om een specifieke aanpak, meer ‘light touch’ en ‘tailor made’ en het bevorderen van onderling verbinden van ondernemers (‘peer exchange en peer learning’) en het verkleinen van de afstand tussen kennisinstellingen en bedrijven. Ook de rol die studenten en stagiaires hierbij kunnen vervullen, wordt nog onvoldoende benut.

In de afgelopen jaren is gewerkt aan het digitaliseringsinnovatie-ecosysteem in Noord-Nederland. Zo is er in Drenthe de IT Hub, in Fryslân zijn er MICA en de MKB Cyber Campus en in Groningen zijn er Niemeyer en Ruby. Dit zijn waardevolle regionale digitale hubs met expertise en ieder met z’n eigen instrumenten. In deze hubs ontmoeten het regionale mkb en kennispartijen elkaar, wordt kennis overgebracht, gewerkt aan digitaliserings-vraagstukken en digitaal innovatief ondernemerschap versterkt. Verder hebben het bedrijfsleven en (semi) overheidspartijen zich verenigd via onder andere Samenwerking Noord en thematische hubs als de AI Hub Noord-Nederland en de European Digital Innovation Hub Noord-Nederland. Hoewel dit positieve ontwikkelingen zijn, wordt echter ook steeds duidelijker dat verdere opschaling, continuering en versterkte noordelijke samenwerking noodzakelijk is. Want ondanks de vele initiatieven en veelal incidentele en/of losstaande dienstverlening blijven veel mkb-bedrijven achter in de transitie ‘van analoog naar digitaal’ door gebrek aan middelen, kennis en ondersteuning.

Het huidige innovatieklimaat is onvoldoende aantrekkelijk en toegankelijk voor een mkb-onderneming, verzuild en niet overzichtelijk genoeg om kansen te zien en verbindingen tot stand te brengen. Dit komt mede door versnippering, beperkte samenwerking en doorverwijzing binnen netwerken, (soms) onderlinge concurrentie en doublures, beperkte uitvoeringscapaciteit bij de hubs en een gebrek aan bewustwording bij mkb-ondernemingen. Ook ontbreekt het aan een noordelijke visie en aanpak op het digitaliseringsinnovatie-ecosysteem in Noord-Nederland, gezamenlijke doelen en de thema’s waarop het noorden zich inzet. Vele uitgevoerde onderzoeken onderschrijven dit, zoals de Regioscan Digitalisering (door Min.EZ/IPO/Dialogic), de IBDO Benchmark Digitalisering en de Analyse Digitaal Ecosysteem voor het noordelijke mkb (door RuG/E&E).

Tenslotte ontstaan er door recente ontwikkelingen in Groningen rondom de AI-fabriek, het BACH initiatief en de NijBegun-agenda voor digitalisering nieuwe vragen en kansen voor het digitale innovatie-ecosysteem voor heel Noord-Nederland. Hierbij zit de uitdaging er onder andere in om deze voorzieningen en ontwikkelingen goed te verbinden met Drenthe en Friesland. Dit betekent dat deze openstelling beoogt om de bestaande krachten beter te benutten, duplicatie te voorkomen en daarmee het Noord-Nederlandse digitaliseringsinnovatie-ecosysteem als geheel te versterken.

Door in te zetten op een versterkt digitaliseringsinnovatie-ecosysteem in Noord-Nederland kan het klimaat worden verbeterd waarin de groep innovatieve ondernemers kan groeien (door het benutten van de kansen die er liggen op het vlak van digitalisering) en elkaar kan versterken. En meer innovatieve ondernemers in de regio zorgt uiteindelijk voor een grotere innovatiecapaciteit als basis voor de economie van de toekomst.

Voor het versterken van de randvoorwaarde ondernemerschap wordt momenteel ook gewerkt aan een breder programma gericht op de mkb-dienstverlening voor Noord-Nederland. Het is essentieel dat de activiteiten en doelstellingen die uit deze openstelling volgen (op termijn) bijdragen aan dit overkoepelende programma. Uiteindelijk heeft dit programma (onder andere) ten doel dat alle betrokken stakeholders (en hun diensten) vanuit een gezamenlijke visie en aanpak in goede samenhang met elkaar functioneren, zodat er een logisch integraal geheel ontstaat ter ondersteuning van het innovatief mkb. Daarnaast heeft deze openstelling raakvlakken met het kennisvalorisatie-vraagstuk waarvoor het programma KONNECT 2.0 loopt en waarbij hubs (waaronder de digitale hubs) een belangrijke rol spelen. Ook hiervoor geldt dat de activiteiten en doelstellingen die uit deze openstelling volgen in lijn zijn met het programma KONNECT 2.0.

Doelstellingen

Alles overwegend, kunnen we concluderen dat er nog stappen te zetten zijn op het gebied van digitalisering en het digitaliseringsinnovatie-ecosysteem. Relevante partijen worden opgeroepen om een gezamenlijke visie en aanpak te ontwikkelen voor Noord-Nederland en een aantal samenhangende activiteiten te ontwikkelen en investeringen te doen in de belangrijkste uitdagingen die Noord-Nederland momenteel ervaart. Inzet op meer en betere onderlinge samenwerking (tussen hubs onderling en tussen hubs en cluster-, netwerk- en intermediaire organisaties) en passende en toegankelijke dienstverlenging/ondersteuning aan de mkb-ondernemer zijn essentieel om de transitie naar een digitale economie in Noord-Nederland te realiseren. Hierbij is het ook belangrijk dat het onderwijs goed aangesloten blijft, ten behoeve van zowel kennisontwikkeling als kennisdeling en -uitwisseling.

Doelgroep-differentiatie is hierbij van belang. Dit houdt in dat de voorgestelde kennis en diensten moeten worden aangeboden in een vorm die aansluit bij het vraagstuk en de ondernemer. Bij ondernemers die hun eerste stappen maken op het gebied van digitalisering is het logisch om te kiezen voor eenvoudige, laagdrempelige en verkennende activiteiten. Ondernemers die al verder op weg zijn in hun digitaliserings-ontwikkeling hebben behoefte aan uitdagende(re) en complexe(re) activiteiten.

Verder zijn een goede ketenaanpak en positionering van belang. Het is belangrijk dat relevante partijen een duidelijke rol hebben voor de mkb-ondernemer. Enerzijds moet er geïnvesteerd worden in het ontwikkelen en vergroten van digitaliserings-competenties bij ondernemers die nog weinig of niet innovatief acteren, anderzijds moet de innovatiecapaciteit van innovatieve ondernemers verder versterkt worden. Bij die laatste groep gaat het vooral om ondernemers die al wel innovatief actief zijn, maar dit nog niet of te weinig op structureel niveau doen. Het is belangrijk dat de innovaties die een ondernemer verricht uiteindelijk een wezenlijk en duurzaam onderdeel zullen vormen van de organisatie. Door te identificeren waar verschillende soorten ondernemers behoefte aan hebben, kan daar door relevante partijen aan gewerkt worden en kunnen de verschillende doelgroepen gerichter worden bereikt (positionering). Daarnaast is het belangrijk dat de voorgestelde acties niet alleen terecht komen bij de al bekende partijen in de keten en fragmentatie wordt voorkomen. Het is tevens van belang dat de meer ‘onzichtbare’ partijen ook op tijd geïdentificeerd en vervolgens betrokken worden. Intermediaire organisaties, zoals eerstelijnsorganisaties (Ynbusiness, Grobusiness en IBDO) en de NOM kunnen hier, via samenwerking met bestaande hubs en programma’s, een rol in vervullen.

Deze openstelling is geen oproep tot de ontwikkeling van nieuwe clusters of hubs, maar vraagt een betere uitwerking van de organisatie rondom deze samenwerkingsverbanden. Wanneer er meer grip is op de digitaliserings-vragen en -behoeften van de mkb-ondernemers en hier een overkoepelend en compleet beeld van is, kan er beter ingespeeld worden op wat ze nodig hebben. Dit kan met name plaatsvinden via/rondom campussen, regionale hubs, proeftuinen en living labs, met nadrukkelijke deelname van het noordelijke mkb en met een doorlopend en divers aanbod (van mbo tot wo) dat voorziet in de behoefte van ondernemers. Met de kennis die ondernemers op dit soort plekken op doen, kunnen nieuwe businessmodellen worden ontwikkeld, die de ondernemers meer levensvatbaarheid op de lange termijn bieden. Ze ontwikkelen zich zo op een duurzame manier op het gebied van innovatie en dit zorgt voor een steviger innovatieklimaat in de regio.

Uit verschillende analyses, zoals verwoord in EFRO-programma 2021-2027 voor Noord-Nederland, blijkt daarnaast dat er nog een uitdaging ligt op het gebied van peer-exchange en peer-learning. Er ligt dus een behoefte tot investeren in het verbeteren van de onderlinge verbindingen en het creëren van meer openheid binnen de verschillende betrokken partijen. Een manier om dit te bewerkstelligen is door het (meer) in contact brengen van mkb’ers onder elkaar en/of mkb’ers met kennisinstellingen, om het onderlinge uitwisselen van kennis en leerpunten te stimuleren. Hierbij valt te denken aan de organisatie van netwerkbijeenkomsten en evenementen die de kennisuitwisseling onderling stimuleren, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een ketenaanpak. Ook kan het van belang zijn om resultaten en leeruitkomsten beter en meer met relevante partijen te delen ten behoeve van de kennisdeling onderling.

Wat maakt een project een goed project?

Een goed project is opgezet vanuit een sterke, strategische visie en integrale aanpak en kent een langjarig perspectief. Van belang zijn het genereren van blijvende impact, business-gerichtheid, samenhang en samenwerking, breed draagvlak op Noord-Nederlandse schaal en resulterend in de aantoonbare verbetering van het digitaliserings-innovatie-ecosysteem en digitaal innovatief ondernemerschap. Hierbij dient het project als één van de stappen om de opgestelde visie te verwezenlijken. Daarin is het belangrijk dat er aandacht is voor zowel de kwalitatieve als de kwantitatieve onderbouwing van de impact die het project heeft op de regio. Daarnaast vragen we projectaanvragers te letten op de volgende zaken:

De aanvraag verbetert onderlinge samenwerking tussen en programmering van de digitale hubs. Waarbij het van belang is dat de programmering vraaggestuurd is, de impact/effecten onderbouwd worden met data en er wordt geïnvesteerd in voldoende en professionele menskracht.

Het is belangrijk dat de voorgestelde activiteiten goed aansluiten bij bestaande structuren/initiatieven en projecten in de regio als ook landelijk. De activiteiten moeten elkaar versterken en goed op elkaar aansluiten.

Bouwt u verder op bestaande activiteiten of samenwerkingen? Evalueer deze dan en licht toe waarom bepaalde keuzes voor de toekomst gemaakt worden, op basis van deze resultaten. Zorg dat de lessen uit het verleden uw keuzes voor de toekomst onderbouwen. Omschrijf ook waar vernieuwing of verdieping van de activiteiten plaatsvindt ten opzichte van de al uitgevoerde activiteiten.

Er sprake is van passende data-gedreven monitoring van toekomstige resultaten, zodat we inzicht krijgen in de ontwikkeling van digitaal ondernemerschap en de werking van het digitaliserings-ecosysteem in Noord-Nederland. Zo kan er geleerd worden van resultaten en leeruitkomsten.

De aanvraag stimuleert samenwerking en kennisdeling tussen mkb’ers, maar ook tussen mkb’ers en kennisinstellingen en regionale overheden.

Onderbouw op welke activiteiten EFRO-subsidie van toepassing is en waarom.

Commitment (ook financieel) is uitermate belangrijke voor ons. We willen in zee gaan met een sterk projectconsortium dat wordt gevormd door professionele organisaties. U dient ons ervan te overtuigen dat uw consortium bij uitstek geschikt is om het project tot een succes te brengen.

Wat bieden wij?  

De totale subsidie binnen deze openstelling bedraagt €3.000.000,- (EFRO & Rijkscofinanciering) voor de periode tot maximaal 31 december 2029. Het maximale subsidiepercentage bedraagt 50% van de subsidiabele kosten. 

  

Openstellingsperiode  

De subsidie wordt opengesteld van 2 maart 2026 12:00 tot en met 11 mei 2026 12:00. Aanvragen die na deze datum worden ingediend, worden afgewezen.  

Let op: 

Alleen complete aanvragen waarbij alle verplichte documenten zijn aangeleverd worden beoordeeld. Lever daarom alle gevraagde en verplichte documenten op de juiste manier aan. De subsidieaanvraag dient u in via het EFRO-webportaal (klik hier)

De verplichte documenten voor deze openstelling zijn: 

Projectplan; 

Begroting; 

Bewijs rechtsgeldig getekend penvoerder (getekend door een tekenbevoegd persoon (of personen bij gezamenlijke bevoegdheid)); 

o Bewijsvoering waaruit te herleiden is wie tekenbevoegd is. 

Bewijs rechtsgeldig getekend projectpartner (indien van toepassing, voor alle projectpartners, getekend door een tekenbevoegd persoon (of personen bij gezamenlijke bevoegdheid)); 

o Bewijsvoering waaruit te herleiden is wie tekenbevoegd is. 

U kunt ons helpen in het tijdig kunnen behandelen van uw aanvraag wanneer u ook de volgende stukken bij ons aanlevert:  

• De juridische organisatiestructuur van de deelnemende partijen;  

• De jaarrekeningen waarop de verklaringen financiële moeilijkheden gebaseerd zijn;  

• MKB-verklaring voor alle projectpartners die hebben aangegeven tot het MKB te behoren;  

• Verklaring (niet) in financiële moeilijkheden van alle deelnemende partijen;  

• Machtigingsformulier intermediair (als daar gebruik van wordt gemaakt) 

• Een toelichting op de aard van de activiteiten. Licht per werkpakket toe of er sprake is van economische of niet-economische activiteiten en/of in welke mate ondernemers economische steun ontvangen, etc. Maak hier bij voorkeur een koppeling met de staatssteunkaders en geef aan of de steun terecht komt bij projectpartners of bij deelnemers. 

 

Beoordeling   

Alle aanvragen waarbij alle verplichte documenten zijn aangeleverd worden parellel beoordeeld op ontvankelijkheid (onderdeel van de subsidie-technische toets) door het SNN en inhoudelijk beoordeeld door de Deskundigencommissie. De Deskundigencommissie bestaat uit onafhankelijke deskundigen. Zij adviseren het SNN over de toekenning van de subsidie. Dit doen zij op basis van de landelijk afgesproken selectiecriteria uit het beoordelingskader. 

Aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst. Dit betekent dat de projecten die als eerste compleet zijn ingediend als eerste in aanmerking komen voor subsidie. Er geldt een ondergrens van 70 punten. Projecten die minder dan 70 punten scoren, komen niet in aanmerking voor subsidie. Deze projecten dragen onvoldoende bij aan de doelstellingen van het subsidieprogramma. Daarnaast geldt dat voor elk criterium minimaal de helft van het maximaal aantal te behalen punten dient te worden gescoord. 

In de subsidie-technische toets wordt een aanvraag getoetst op beleidscriteria, harde afwijzingsgronden en maximale staatssteun. Wij kunnen u tijdens de subsidie-technische toets vragen om aanvullende informatie aan te leveren. Dit doen wij wanneer de verstrekte informatie nog onvoldoende is om te komen tot een beschikking. 

 

Wijze van projectselectie 

Aanvragen worden beoordeeld conform de beoordelingsmethodiek en beoordelingscriteria die gelden voor het EFRO-programma 2021-2027 Noord-Nederland. 

Aan projecten worden per criterium punten toebedeeld, waarbij per criterium vijf verschillende gradaties mogelijk zijn. Het maximumaantal punten verschilt per criterium. De te behalen punten per criterium en gradatie worden hieronder nader toegelicht. 

 De projecten worden door de Deskundigencommissie op de volgende criteria beoordeeld: 

 

A. De bijdrage van een project aan de doelstellingen van het programma en de openstelling 

Bij het beoordelen van dit criterium wordt gevraagd om een kwalitatief oordeel te geven over het projectvoorstel in relatie tot wat met het programma, de betreffende specifieke doelstelling en de openstelling wordt beoogd. 

 

Hierbij gaat het om: 

De bijdrage aan de doelstellingen zoals uitgewerkt in het programma en de uitvoeringsregeling voor de openstelling; 

De score op van toepassing zijnde resultaatindicatoren en outputindicatoren; 

De noodzaak van de subsidie (‘additionaliteit’); 

De bijdrage aan de doelstellingen ten opzichte van de gevraagde bijdrage (‘value for money’);  

De mate waarin, aan de hand van een sterke, strategische onderbouwde visie, door het consortium wordt gewerkt aan verbetering van het digitaal innovatief ondernemerschap en het digitaliseringsinnovatie-ecosysteem in Noord-Nederland. En daarmee de aanwas en pool van innovatieve en digitaal-vaardige ondernemers in Noord-Nederland te vergroten;   

De mate waarin verbinding tussen de digitale hubs in Noord-Nederland wordt verbeterd. Hiermee wordt fragmentatie binnen het digitaliseringsecosysteem voorkomen en wordt de samenhang – zowel op inhoud als op verbinding – verbeterd. Ook het tegengaan van overlap, het creëren van een noordelijke aanpak en doelen (verbonden met een sterk regionaal netwerk) én het invullen van ontbrekende schakels in het systeem zijn daarbij belangrijke elementen. 

 

B. De bijdrage van een project aan maatschappelijke impact en duurzame ontwikkeling 

Bij dit criterium gaat het om de vraag in hoeverre het project erin slaagt economische en maatschappelijke doelstellingen met elkaar te verbinden en synergie weet te bewerkstelligen; dus in hoeverre een project inspeelt op maatschappelijke uitdagingen – de RIS3-transities –, daar economisch voordeel uit weet te creëren en tevens maatschappelijke impact genereert. 

 

In de beoordeling wordt meegenomen: 

De impact van een project hier en elders; 

De impact van een project nu en in de toekomst; 

De mate van kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van de impact en de haalbaarheid hiervan. 

 

In bredere zin wordt bij dit criterium beoordeeld in hoeverre een project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en niet leidt tot onnodig negatieve effecten in termen van duurzame ontwikkeling (het ‘do no significant harm’-principe). 

 

Hierbij gaat het om: 

Ecologische duurzaamheid (‘planet’), hierbij valt te denken aan efficiënt gebruik van hulpbronnen, verhogen van de biodiversiteit, klimaatadaptie en mitigatie; duurzaam watergebruik en beheer; tegengaan van vervuiling van het milieu; verbetering van de luchtkwaliteit; en herstelvermogen voor rampen, risicopreventie en beheer; 

Sociale duurzaamheid (‘people’), hierbij valt te denken aan bevordering van gelijkheid van mannen en vrouwen en non-discriminatie, (sociale) participatie, verrijking cultuur, veiligheid, gezondheid en onderwijs; 

Economische duurzaamheid (‘profit’), hierbij valt te denken aan bevordering van kennis, kapitaalgoederen, vestigingsvoorwaarden, circulariteit van de economie en verbetering van de economische structuur. 

 

Dit dient in overeenstemming te zijn met de definitie in het Brundtland Rapport2: Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld, in gevaar te brengen. Alsmede dat het project positief bijdraagt aan de beginselen gendergelijkheid en non-discriminatie in brede zin. 

 

C. Het financieel en economisch toekomstperspectief van een project 

Bij dit criterium wordt een project beoordeeld op het perspectief en de potentiële economische en maatschappelijke impact op de langere termijn, dat wil zeggen, na afloop van de subsidieperiode. Het kan gaan om directe impact van een project of om het potentieel van een project om vervolginitiatieven te genereren, veranderingen teweeg te brengen en/ of andere partijen te enthousiasmeren en inspireren. Hierbij gaat het onder meer om: 

De mate waarin het consortium mkb’ers ondersteunt op basis van hun actuele behoeften en hen vervolgens verbindt met de volgende stap in de keten. Belangrijk hierbij is een samenhangend en continu ondersteuningsaanbod dat aansluit bij de verschillende doelgroepen en hun specifieke behoeften; 

De mate waarin, door inzet van het consortium en de ondersteunende activiteiten, er sprake is van blijvende economische en maatschappelijke impact en business gerichtheid. Onderbouwing op basis van resultaten en evaluaties uit het verleden alsmede keuzes voor de toekomst (in de vorm van aanpassingen en/of op- of afschaling van lopende ondersteuningsactiviteiten) kunnen hierbij een rol spelen;   

De mate waarin er nationale verbindingen worden gelegd met netwerken en stakeholders op het terrein van digitaal ondernemerschap;   

De mate van (financieel) commitment binnen de projectperiode én daarna van het consortium en de regio voor dit project én de verwezenlijking van de lange termijnvisie. 

   

D. De innovativiteit van een project 

Bij dit criterium wordt een project beoordeeld op het vernieuwende karakter. Het gaat om vernieuwing in brede zin, binnen een project zelf en/of vernieuwing die een project teweegbrengt. Hierbij gaat het onder meer om: 

De mate waarin, met behulp van een geïntegreerde aanpak, de kwaliteit en innovativiteit van de hubs wordt verhoogd en geborgd. Ook hier kunnen onderbouwing op basis van resultaten en evaluaties uit het verleden alsmede keuzes voor de toekomst (in de vorm van aanpassingen en/of op- of afschaling van lopende ondersteuningsactiviteiten) een rol spelen; 

De mate waarin sprake is van een aanpak waardoor het consortium effectief kan samenwerken. En/of waardoor andere partijen (‘unusual suspects’ of verrassende combinaties van partijen) bij het project zijn betrokken. 

 

E. De kwaliteit van een aanvraag 

Bij dit criterium wordt beoordeeld op de kwaliteit van de aanvrager en de kwaliteit van het projectplan.  

 

a. De kwaliteit van de aanvrager;  

Het gaat bij dit element primair om de vraag of het een aanvrager of een consortium wordt toevertrouwd projectdoelstellingen daadwerkelijk te realiseren en de risico’s die met projectuitvoering gepaard gaan, weet te beheersen. Hierbij gaat het om:  

De aanwezigheid van een relevant, complementair en representatief consortium of samenwerking met relevante, complementaire stakeholders (inclusief duidelijke rolverdeling en mandaat); 

Het trackrecord en de ervaring van het consortium; 

De uitvoerings- en slagkracht van het consortium; 

Het lerend vermogen van het consortium; 

De mate van samenwerking binnen een projectconsortium of met samenwerkende partners/stakeholders; 

De manier waarop en de mate waarin kennis wordt ingebracht en gedeeld tijdens de uitvoering van een project; 

De overtuigingskracht waarmee een projectvoorstel wordt gepresenteerd/ gepitcht. 

 

b. De kwaliteit van het projectplan. Hierbij gaat het om: 

Is de projectopzet duidelijk en zijn activiteiten logisch en helder omschreven? Bestaat er een logisch onderling verband tussen de activiteiten die zijn voorzien en het doel dat wordt beoogd? En is de aanpak gedegen, onafhankelijk, gestructureerd en goed gepositioneerd?; 

Is dat wat nodig is om het doel te bereiken in het projectplan opgenomen en niet meer dan dat?; 

Zijn doelstellingen objectief en meetbaar geformuleerd?; 

Is de planning realistisch en haalbaar?; 

Is er een sluitende begroting en is deze helder en effectief opgezet?; 

Is er sprake van een passend data-gedreven monitoring- en evaluatiesysteem, dat gekoppeld en ondersteunend is aan de te behalen projectresultaten?; 

Is de projectopzet flexibel? Wordt er rekening gehouden met mogelijke bijsturing? Is het monitoringsysteem hieraan voedend?; 

Zijn risico’s en de manier waarop deze worden beheerst, helder en uitputtend beschreven?; 

Blijkt uit de projectopzet dat er wordt gestuurd op het realiseren van leereffecten en het delen van ervaringen en resultaten met anderen?   

 

Puntenscore per beoordelingscriterium 

 

Onderdeel 1 

Onderdeel 2 

Onderdeel 3 

Onderdeel 4 

Onderdeel 5 

20 punten 

20 punten 

20 punten 

20 punten 

20 punten 

15 punten 

15 punten 

15 punten 

15 punten 

15 punten 

10 punten 

10 punten 

10 punten 

10 punten 

10 punten 

5 punten 

5 punten 

5 punten 

5 punten 

5 punten 

0 punten 

0 punten 

0 punten 

0 punten 

0 punten 

 

Besluitvorming en beschikking   

Vervolgens wordt de subsidieaanvraag met een zwaarwegend advies van de Deskundigencommissie ter besluitvorming voorgelegd aan het Dagelijks Bestuur van het SNN (DB SNN). Na het besluit van het DB SNN volgt de subsidiebeschikking. De beslisperiode voor het geven van een beschikking is 26 weken. Deze tijd loopt vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend. De beslisperiode wordt opgeschort als aanvullende informatie wordt gevraagd. 

 

Nadere bepalingen   

 

Subsidie  

Subsidies die vanuit deze openstelling worden verstrekt worden gefinancierd vanuit het EFRO-programma, aangevuld met Rijkscofinanciering. Dit fonds wordt in Noord-Nederland ingezet via het EFRO-programma 2021-2027 Noord-Nederland. Als juridische grondslag op deze uitvoeringsregeling geldt de Regeling Europese EZ-subsidies (REES), de Uitvoeringswet EFRO, de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies, de GB-verordening en de Algemene wet bestuursrecht. 

 

Subsidie wordt alleen verstrekt wanneer: 

Er geen sprake is van staatssteun (waaronder de de-minimis-verordening); 

Of wanneer de steun op grond van artikel 107, lid 3 VWEU als verenigbaar met de interne markt wordt beschouwd; 

Of wanneer het project valt binnen de categorieën steun zoals bedoeld en gedefinieerd in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening. 

 

Kosten komen voor subsidie in aanmerking (subsidiabele kosten) als: 

Er een direct en logisch verband is tussen de activiteiten waarop de kosten betrekking hebben en de resultaten die met het project en het EFRO-programma worden beoogd; 

De kosten voldoen aan de beginselen van proportionaliteit. De kosten mogen niet onevenredig hoog zijn in verhouding tot de activiteiten en het doel waarop deze kosten betrekking hebben; 

Projectkosten zijn subsidiabel wanneer de verplichtingen die leiden tot werkzaamheden zijn aangegaan na de datum waarop het SNN de subsidieaanvraag heeft ontvangen. Ook moeten de werkzaamheden die tot de kosten leiden, zijn verricht op uiterlijk de einddatum van het project. Daarbij moeten de projectkosten betaald zijn binnen 4 weken na de einddatum van de projectperiode. Dit met uitzondering van eventuele accountantswerkzaamheden die verricht worden voor het verzoek tot definitieve vaststelling; 

Uit de GB-verordening, de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies, de REES volgt welke soorten kosten op welke wijze subsidiabel zijn; In het EFRO-Handboek worden deze regels nader toegelicht; 

In aanvulling hierop geldt dat de subsidiabele kostensoorten kunnen worden beperkt wanneer staatssteunregels daartoe verplichten. 

  

Penvoerderschap   

De penvoerder is voor het SNN het aanspreekpunt voor het project én de partij aan wie het SNN de subsidie uitkeert. De penvoerder is verantwoordelijk voor indienen van de aanvraag en het doorbetalen van de subsidie aan andere deelnemers. Afspraken hierover moeten in de samenwerkingsovereenkomst worden vastgelegd.   

  

Begunstigden   

Deze subsidie is in de basis bedoeld voor samenwerkende partijen ter bevordering van digitaal innovatief ondernemerschap en het digitaliseringsinnovatie-ecosysteem in Noord-Nederland.  

 

Samenwerkingsovereenkomst   

Bij een samenwerkingsverband wordt de subsidie aangevraagd door een deelnemer aan het samenwerkingsverband, waarbij het project de instemming draagt van alle deelnemers van het samenwerkingsverband. De samenwerking moet worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst die door alle deelnemers wordt ondertekend.  

  

Afwijzen van een aanvraag   

Een subsidieaanvraag wordt zonder meer afgewezen als het DB SNN door toewijzing niet zou voldoen aan verplichtingen gesteld in de GB-verordening, of andere geldende wet- en regelgeving. Dit houdt onder andere in dat een aanvraag in ieder geval wordt afgewezen als:   

Er onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische of economische haalbaarheid van het project;   

Door de aanvrager niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat het project financieel of op andere wijze obstakelvrij is;   

Niet aannemelijk is dat het project kan worden afgerond binnen de periode die ligt tussen de indieningsdatum van de aanvraag en drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking;   

De werkzaamheden in het subsidieproject zijn gestart vóór de ontvangst van de aanvraag;   

De aanvraag niet voldoet aan de waarborging van gelijke kansen en voorkoming van discriminatie en/of het project geen negatieve effecten op het milieu kent;   

De aanvrager in financiële moeilijkheden verkeert;  

Er niet voor elk criterium minimaal de helft van het maximaal aantal te behalen punten wordt gescoord; 

Het project minder dan 70 punten heeft gescoord. 

  

Projectperiode en kosten   

Subsidie wordt verstrekt voor de periode die nodig is voor de uitvoering van het project. De maximale projectperiode is tot uiterlijk 31 december 2029. De kosten komen voor subsidie in aanmerking vanaf het moment dat de subsidieaanvraag is ingediend. Gaat het project later van start? Dan geldt dat de kosten voor subsidie in aanmerking komen vanaf de startdatum.   

  

Doorgeven van wijzigingen   

Wijzigt er iets in het project? Dan moet u deze wijziging zo snel mogelijk melden bij het SNN.   

  

Rapportage en bevoorschotting   

De subsidieaanvrager moet minimaal een keer per jaar een voortgangsrapportage indienen. In deze voortgangsrapportage staat de financiële en inhoudelijke voortgang van het project over de voorafgaande periode. Voor deze rapportage moet het door het SNN verstrekte format gebruikt worden. Als er niet degelijk wordt gerapporteerd kan de subsidie worden ingetrokken of verlaagd.   

 

Wanneer gestart is met de uitvoering van het project kan een voorschot van 20% van de maximaal verleende subsidie worden verstrekt. Dit voorschot wordt niet verstrekt als het SNN een obstakel in de uitvoering van het project constateert.   

 

Na het afronden van een voortgangsrapportage zal een extra voorschot worden uitbetaald. De hoogte van dat voorschot wordt bepaald op basis van de gemaakte en betaalde kosten. In totaal kan er voor maximaal 95% aan voorschotten worden uitbetaald. 

 

Het resterende subsidiebedrag wordt bij de projectvaststelling uitbetaald.   

  

Vaststelling van de subsidie   

Uiterlijk 4 weken na de einddatum van het project moet een vaststellingsverzoek worden ingediend. Hiervoor moet het format van het SNN gebruikt worden. Een lijst van aan te leveren documenten bij de vaststelling wordt in de verleningsbeschikking opgenomen. Een rapport van bevindingen door een accountant kan hier onderdeel van zijn.   

 

De subsidie wordt lager vastgesteld als de gerealiseerde kosten lager zijn dan begroot. Ook kan de subsidie lager worden vastgesteld wanneer niet aan de verplichtingen in de verleningsbeschikking is voldaan. Voor de berekening van de uiteindelijke subsidie wordt uitgegaan van het subsidiepercentage bij verlening.  

 

Het SNN kan de uitbetaling van de subsidie opschorten als de financiering vanuit de Europese Commissie niet beschikbaar is. 

 

Besluit tot vaststelling van de uitvoeringsregeling 

Deze uitvoeringsregeling is door het DB SNN vastgesteld. Dit heeft zij gedaan in haar hoedanigheid van beheerautoriteit Noord-Nederland. De uitvoeringsregeling wordt gepubliceerd en treedt in werking op 2 maart 2026 en werkt terug tot deze datum voor zover bekendmaking plaatsvindt na 2 maart 2026. 

 

De uitvoeringsregeling wordt aangehaald als: Versterking van het digitaliseringsinnovatie-ecosysteem in Noord-Nederland. 

 

Linkjes naar wet-, regelgeving en algemene informatie   

GB-verordening nr. 2021/1060 (Klik hier).  

Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (Klik hier).   

Uitvoeringswet EFRO (Klik hier).  

Algemene groepsvrijstellingsverordening nr. 651/2014 (Klik hier).   

De-minimis steun Nr. 1407/2013 (Klik hier).   

RIS3 (Klik hier).   

Publiekssamenvatting EFRO-programma 2021-2027 Noord-Nederland (Klik hier). 

Algemene wet bestuursrecht (Klik hier).   

  

Dit bedoelen wij met de begrippen die wij gebruiken:  

GB-verordening: Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021. Deze bevat de gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006;   

Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling beschikking, besluit of verordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie, gelet op de artikelen 42, 106, derde lid, 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft vastgesteld;   

Minister van EZK: Minister van Economische Zaken en Klimaat;   

REES: Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat 8 oktober 2021, nr. WJZ/20222966. Hierin staat de wijziging van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 in verband met specifieke regels voor de subsidiabiliteit van uitgaven. Ook bevat de regeling andere wijzigingen in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en Europese territoriale samenwerking en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur.   

Programma EFRO 2021-2027: het programma als bedoeld in artikel 22 van de Verordening (EU) nr. 2021/1060. Dit programma is goedgekeurd door de Europese Commissie en geldt voor het landsdeel Noord-Nederland.  

RIS3 2021-2027: Research & Innovation Strategy for Smart Specialization Noord-Nederland. Dit is het document waarin de innovatiestrategie en vier transities voor Noord-Nederland voor de periode 2021- 2027 worden toegelicht;   

SNN: het Samenwerkingsverband Noord-Nederland;   

Noord-Nederland: de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. 

Ondertekening