Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757894
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757894/1
Geldend van 27-02-2026 t/m heden
1 Inleiding
1.1
De energietransitie in Nederland vraagt om een stevige versnelling en verbreding.
De Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 was vooral gericht op het realiseren van duurzame
elektriciteitsopwekking met zon en wind. De RES 2.0 markeert juist een volgende stap:
een integrale benadering waarin duurzame opwek, warmtevoorziening en infrastructuur
nauw met elkaar worden verbonden. We werken toe naar een energiesysteem waarbij vraag
en aanbod dichter naar elkaar komen.
In de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen bouwen we in deze RES 2.0 voort op de
bestaande kaders en afspraken uit de RES 1.0. Met de vaststelling van de RES 2.0 blijven
de kaders en afspraken uit de RES 1.0 dus ook staan.
Van het bestaande bod van 1,62 TWh duurzame elektriciteit in 2030 is inmiddels 1,21
TWh gerealiseerd of vergund. Voor de resterende opgave – circa 0,30 TWh – zoeken we
samen naar de meest haalbare oplossing.
1.2 Nieuwe zoekgebieden en Regionale planMER
In de RES 1.0 was er een groot verschil tussen de toekomstige opwek van zonne- (89%) en windenergie (11%). Voor de RES 2.0 zetten we in op een betere wind-zonverhouding (idealiter van 50% - 50% per onderstation). Daarom is onderzoek gedaan naar extra gebieden voor windenergie. In 2023 heeft de RES GMR een milieueffectonderzoek (planMER) uitgevoerd met de gehele regio als onderzoeksgebied. Dit planMER is in bijlage 1 opgenomen bij deze RES 2.0. Het gehele document is te vinden op de planMER webpagina.
Op basis van de uitkomsten van de PlanMER hebben diverse gemeenten eigen plannen gemaakt om windlocaties ruimtelijk te borgen. De uitkomsten van deze processen zijn opgenomen in hoofdstuk 3. De gemeenten stellen de nieuwe zoekgebieden vast en nemen deze op in de RES.
Tegelijkertijd is de realisatie van duurzame elektriciteit steeds ingewikkelder. Zo is er zowel landelijk als regionaal sprake van netcongestie, waardoor nieuwe plannen geen aansluiting kunnen krijgen op het elektriciteitsnet. Ook strikt ruimtelijk beleid vanuit de provincie vermindert de mogelijkheden voor nieuwe projecten. Het gaat onder meer om restrictiever beleid voor zonne-energie op natuur- en landbouwgronden, beleid om de Wespendief op de Veluwe te beschermen tegen nadelige effecten door windturbines en een afstandsnorm voor windturbines.
Om te verduurzamen is steeds meer de koppeling nodig tussen (lokale) opwek, opslag en gebruik van energie. Ook de koppeling en omzetting tussen elektriciteit, warmte en energiedragers zoals waterstof, wordt steeds actueler. Deze RES 2.0 weerspiegelt de actuele inzichten en opgaven rondom het energiesysteem als geheel. Naast elektriciteit staan thema’s als warmte, netcongestie, bestuurlijke samenwerking en draagvlak centraal. De nadruk ligt op het slimmer benutten van infrastructuur, het gefaseerd en regionaal programmeren van projecten en het ontwikkelen van handelingsperspectieven voor gemeenten en partners.
We formuleren in deze RES 2.0 voor het energiesysteem vier thema’s die richting geven aan onze gezamenlijke inzet. Daarbij zetten we in op:
-
Het beter benutten van de bestaande infrastructuur.
-
Integraal programmeren van ruimtelijke en energetische ontwikkelingen.
-
Een nauwe samenwerking tussen gemeenten, netbeheerders, provincies en landelijke partijen.
-
Het ontwikkelen van handelingsperspectieven voor gemeenten, bedrijven en inwoners.
De urgentie en de opgave zijn groot: de vraag naar elektriciteit en duurzame warmte groeit snel, terwijl uitbreiding van infrastructuur veel tijd kost. Netcongestie, de verduurzaming van de gebouwde omgeving en het realiseren van nieuwe duurzame bronnen vragen om een doortastende aanpak en (bestuurlijke) samenwerking.
Met deze RES 2.0 geven we samen richting aan een robuust, duurzaam en flexibel energiesysteem waarin elektriciteit, warmte en infrastructuur elkaar versterken. Zo werken we aan een Groene Metropoolregio die klaar is voor de toekomst en waarin iedereen kan meedoen aan de energietransitie.
1.3 Betrokkenen
In de afgelopen maanden is de ontwerp RES 2.0 tot stand gekomen in een proces waarbij
zowel ambtelijk, bestuurlijk als vanuit het maatschappelijke veld, input is opgehaald
en verschillende feedbackrondes hebben plaatsgevonden.
Zo waren de regionaal belanghebbenden, verenigd in de Regionale Adviestafel RES, betrokken
bij het opstellen van de RES 2.0. Verschillende gemeenteraden hebben voorafgaand aan
de uitwerking van RES 2.0 wensen en bedenkingen opgesteld. Deze wensen en bedenkingen
zijn meegewogen in de RES 2.0 en de beantwoording is in bijlage 2 opgenomen.
2 Energiesysteem
2.1 Inleiding
2.1.1 Waar staan we nu?
In de RES 1.0 hebben we afspraken gemaakt over het duurzame opwekdoel (het bod). Daarbij
is afgesproken dat de verhouding tussen zonnevelden en windturbines beter in balans
moest komen.
In de Verrijking RES 2024 hebben we beschreven dat er op het elektriciteitsnet onvoldoende
transportcapaciteit is voor zowel opwek als gebruik. Dit veroorzaakt netcongestie.
De congestieproblematiek is per onderstation inzichtelijk gemaakt door de aanpak regionaal
programmeren die afgelopen jaar is uitgevoerd (dit is beschreven in bijlage 3). De
inzichten die zijn opgehaald en de netimpact-analyse van Liander laten zien dat er
knelpunten zijn bij zowel energievraag als -aanbod. Het is noodzakelijk dat we het
energienetwerk niet alleen bekijken vanuit de transportcapaciteit voor elektriciteit,
maar als energiesysteem in zijn geheel. De scope van de RES 2.0 is daarmee veranderd
ten opzichte van de scope van de RES 1.0. Het gaat dus niet alleen om het realiseren
van het duurzame opwekdoel en de benodigde transportcapaciteit, maar over het totale
systeem van vraag en aanbod van elektriciteit.
Daarom zijn er acties en keuzes geïdentificeerd om de match tussen vraag en aanbod
te verbeteren. Deze hebben we vastgelegd in het Regionaal Uitvoeringsplan Energiesysteem.
16 gemeenten onderschreven dit plan in het bestuurlijk platform in december 2024.
Er is afgesproken gezamenlijk uitvoering te geven aan dit uitvoeringsplan. De provincie
kan het regionaal uitvoeringsplan energiesysteem nog niet steunen omdat het provinciale
Programma Energiesysteem nog niet is vastgesteld in Provinciale Staten. Het uitvoeringsplan
is wel in lijn met de leidende principes en keuzes uit het eerder vastgestelde provinciale
Beleidskader Energiesysteem.
De provinciale kaders, beleid en uitgangspunten zijn leidend bij de regionale uitwerking
en doorwerking hiervan naar onze regio en gemeenten. De RES 2.0 wordt hierop geactualiseerd
en aangepast. Regionale samenwerking is cruciaal omdat het energiesysteem niet stopt
bij de grenzen van gemeenten.
2.1.2 Doelen en afspraken
Om invulling te geven aan het onderdeel Energiesysteem formuleren we vier doelstellingen en maken we zes bestuurlijke afspraken. Het gaat om de volgende doelstellingen:
|
1 |
We maken de relatie duidelijk/inzichtelijk tussen de beleidsdoelen en ontwikkelen een handelingsperspectief in het energiesysteem om dit te faciliteren. |
|
|
De RES-organisatie faciliteert de uitwisseling van kennis en ervaring tussen de partijen om iedereen op hetzelfde kennisniveau te krijgen. Hiermee ontstaat beter begrip van de complexiteit van het energiesysteem en de wisselwerking met de beleidsopgaven. In verdiepende sessies ontwikkelen we gezamenlijk een handelingsperspectief om proactief de randvoorwaarden voor het energiesysteem mee te nemen in ontwerp en uitvoering van beleidsplannen. |
|
2 |
We maken vraag, aanbod en infrastructuur ontwikkelingen inzichtelijk (inclusief wet- en regelgeving) en bouwen aan een toekomstbestendig regionaal energiesysteem in 2050. |
|
|
In de stappen van het regionaal programmeren halen de RES-organisatie en netbeheerders de ontwikkelingen op voor vraag en aanbod bij gemeenten. Vervolgens voeren de netbeheerders een impactanalyse uit voor het bepalen van de benodigde infrastructuur. Deze update wordt jaarlijks uitgevoerd in Q4. We verzamelen kennis via ons netwerk over relevante wet- en regelgeving voor het ontwikkelen van het regionale energiesysteem. |
|
3 |
We passen slimme ontwerp- en beleidskeuzes toe om de schaarse transportcapaciteit beter te benutten en de oplossingsruimte te vergroten. |
|
|
In het uitvoeringsplan energiesysteem zijn ontwerp- en beleidskeuzes gebundeld vanuit het proces van regionaal programmeren. In vier actielijnen* geven we hier gezamenlijk uitvoering aan om de infrastructuur beter te benutten en de oplossingsruimte te vergroten. Hiervoor werken we met een trekker per actielijn en een werkgroep met gemeenten, provincie, netbeheerder en andere stakeholders. |
|
4 |
We werken samen over de grenzen heen op meerdere schaalniveaus (lokaal/regionaal/provinciaal/landelijk). |
|
|
Als regio zijn we de verbindende schakel tussen het lokale en provinciale schaalniveau van het energiesysteem. Buiten het provinciale schaalniveau is het FGU (Flevopolder, Gelderland, Utrecht) schaalniveau voor onze regio van belang. We leggen de verbinding tussen deze niveaus en signaleren knelpunten en oplossingen naar het landelijk niveau via Nationaal Programma RES (NPRES) en het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN)**. We stemmen af met de andere opgaven binnen de GMR-organisatie, we participeren in de programma’s binnen de provincie zoals Gelderse Energie Infrastructuur (GEIS), provinciaal Programma Energiesysteem en leggen de relatie met marktpartijen en externe stakeholders. |
*Actielijnen in regionaal uitvoeringsplan energiesysteem (RUE) zijn: netbewust bouwen, netbewuste warmtetransitie, netbewuste bedrijventerreinen en logistiek laden en netbewuste duurzame opwek.
** In de Interbestuurlijke Samenwerkingsafspraken (ISA) wordt de samenwerking tussen de beleidsniveaus vormgegeven en in een toekomstig Nationaal Programma Energiesysteem uitgewerkt. Hier sluiten we bij aan indien dit gereed is.
Hieruit volgen zes bestuurlijke afspraken:
-
Afspraak 1: De RES-organisatie doorloopt elke twee jaar met de gemeenten, provincie en Liander de stappen van het regionaal programmeren.
-
Afspraak 2: We nemen de (voor gemeenten en regio) relevante maatregelen uit het actieplan netcongestie Gelderland op in het uitvoeringsplan energiesysteem om de urgente netcongestie te beperken tot 2033-2035.
-
Afspraak 3: Alle gemeentelijke RES-deelnemers zetten gezamenlijk in op de beschreven actielijnen in het regionaal uitvoeringsplan energiesysteem.
-
Afspraak 4: We sluiten aan bij provinciaal beleid en actualisaties daarvan, zoals het Beleidskader Energiesysteem, Programma Energiesysteem en de Omgevingsvisie Gelderland. Dit is het uitgangspunt voor de regionale toepassing ervan.
-
Afspraak 5: We ontwikkelen in 2026 een regionale visie op het energiesysteem om een concrete invulling te geven aan het beleid en keuzes vanuit de provincie (Beleidskader Energiesysteem, Programma Energiesysteem en Omgevingsvisie Gelderland) en lokale energievisies en/of warmteprogramma’s.
-
Afspraak 6: Vanuit de RES-organisatie continueren we de samenwerking in het programma GEIS van de provincie Gelderland. Ambtelijk en bestuurlijk is één vertegenwoordiger aangedragen om de belangen en input vanuit de regio in te brengen in het programma GEIS. We informeren, koppelen terug en activeren gemeenten over relevante onderwerpen en benodigde acties.
2.1.3 Decentraal energiesysteem: Samenhang opwek, warmte en energiesysteem
Het aansluiten van wind- en zonprojecten op het elektriciteitsnet is niet meer vanzelfsprekend.
We moeten naar een situatie waarin we de opwek koppelen aan zowel de plaats als het
tijdstip van energieverbruik. Op die manier wordt de opwek meer lokaal gebruikt en
is minder transportcapaciteit nodig. Dit beperkt de netcongestie. Daarom leggen we
de link tussen vraag, aanbod en infrastructuur in het thema Energiesysteem.
Voor het thema warmte geldt hetzelfde: als we meer collectieve warmtebronnen en warmte-infrastructuur
willen ontwikkelen, dan is voldoende transportcapaciteit nodig op het elektriciteitsnet.
Tegelijkertijd ontlast de aanleg van collectieve warmtenetten ook het elektriciteitsnet
en de netcongestie die daarop speelt. Een warmtenet is in veel gevallen namelijk een
maatschappelijk goedkopere oplossing om de bestaande bouw te verduurzamen, vaak goedkoper
dan het inzetten van elektrische warmtepompen. Een warmtenet beperkt namelijk de hoge
pieken in het elektriciteitsnet.
In het energiesysteem bekijken we alle energiedragers in de regio (elektriciteit,
warmte, waterstof en groen gas). We brengen de energievraag, -aanbod, -infrastructuur,
-opslag en/of buffering bij elkaar. Daarvoor moet het huidige systeem veranderen.
We gaan van een centraal systeem naar een meer decentraal systeem. Ook verschuiven
we van een systeem van voortdurende beschikbaarheid naar een systeem waarin gezocht
wordt naar balans tussen opwek, buffering en verbruik. Dit principe is ook opgenomen
in het Beleidskader Energiesysteem Gelderland. Het sluit aan bij het gedachtegoed
van de ‘Wereld van B’ en het ‘local for local’-principe. Daarbij werken lokale partijen
samen om een goede balans te vinden tussen energievraag en -opwek. Dat geldt voor
de periode tot 2030, maar ook voor 2050 en verder.
2.1.4 Aanpak Integraal programmeren
De aanpak integraal programmeren helpt om gestructureerd inzicht te krijgen in de energievraag, -aanbod en infrastructuur. Dit is nodig omdat de komende jaren de gevraagde transportcapaciteit harder stijgt dan de verwachte uitbreiding van transportcapaciteit. Hierdoor ontstaat een mismatch tussen vraag en aanbod van elektriciteit. In de regio doorlopen we tweejaarlijks de stappen uit de aanpak regionaal integraal programmeren van Liander. Deze stappen zijn: inzicht verkrijgen, analyse van de netimpact, inventariseren oplossingen en het borgen van de acties die hiervoor nodig zijn in het uitvoeringsplan. Deze aanpak is in detail beschreven in bijlage II.
Afspraak 1: In de regio werken we aan een toekomstbestendig energiesysteem. De regio doorloopt hiervoor elke twee jaar met de gemeenten, provincie en Liander de stappen van het regionaal programmeren. En ze werken samen aan het regionaal uitvoeringsplan. Jaarlijks zal Liander een ophaalronde doen in afgeslankte vorm bij gemeenten om de prognoses bij te werken. Dit proces van regionaal programmeren draagt bij aan doel 2: het verkrijgen van inzicht.
Deze stappen uit de aanpak vormen de basis voor het thema energiesysteem in alle beleidsplannen, programma’s en actieplannen. Dit hoofdstuk energiesysteem bestaat uit drie onderdelen: (A) sneller bouwen, (B) beter benutten van het energiesysteem en (C) toekomstbestendig energiesysteem. Binnen deze onderdelen geven overheden op alle niveaus sturing aan het energiesysteem: het Rijk, provincie, regio en gemeenten. De samenhang tussen deze onderdelen is weergegeven in onderstaand figuur. In dit hoofdstuk beschrijven we de drie onderdelen, de rol van de RES-organisatie en de gemaakte afspraken. Tot slot volgt een beschrijving van de samenwerking en organisatie in de regio.
|
Regionaal Integraal Programmeren (= input voor onderdelen A, B, C) |
||
|
A. Sneller bouwen Energie-infra1 |
B. Beter benutten energiesysteem |
C. Toekomstbestendig energiesysteem |
|
Provinciaal MIEK |
Netcongestie aanpak |
Beleidsplannen |
1 Op lokaal niveau faciliteren we als RES-organisatie ook de gemeenten bij hun opgave voor het realiseren van energie-infrastructuur, zoals Midden Spanningsruimtes (MSR).
2.2 Sneller bouwen
2.2.1
Zoals in de aanpak integraal programmeren is beschreven, is er grote urgentie om snel meer energie-infrastructuur te realiseren. Dit is nodig om de grote groei in met name elektriciteitsvraag te kunnen faciliteren. Het spoor sneller bouwen is daarom een belangrijk onderdeel van onze regionale inzet. Onze rol ligt met name in het faciliteren en aanjagen van de projecten van de netbeheerder. Dat doen we door verbinding te leggen tussen gemeenten, provincie en netbeheerders en problemen tijdig te signaleren. Hiervoor haken we aan bij de lopende processen op provinciaal niveau voor integraal programmeren en het spoor ‘sneller bouwen’ van het GEIS-programma. Samen zoeken we naar mogelijkheden om ruimtelijke processen te versnellen en verbeteren.
2.2.2 Provinciaal MIEK
Binnen het programma Gelderse Energie-Infrastructuur (GEIS) wordt gewerkt aan het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur en Klimaat (pMIEK). Het pMIEK richt zich op energie-infrastructuurprojecten met betrekking tot elektriciteit, warmte, waterstof en groen gas. Het pMIEK wordt tweejaarlijks vastgesteld door Gedeputeerde Staten. In het pMIEK 2.0 (2025) staan concrete projecten, verkenningsprojecten en onderzoeksprojecten. Deze concrete pMIEK- projecten worden maandelijks gemonitord op voortgang door de netbeheerders. In GEIS stuurt de provincie (via het pMIEK) op de versnelde uitvoering van deze projecten uit de investeringsplannen van de netbeheerders. Dit gebeurt in samenwerking met de netbeheerders, regio’s en andere betrokkenen. De energyboard houdt de voortgang van pMIEK-projecten bij en adresseert eventuele hulpvragen.
De regio is op een aantal aspecten betrokken hierbij:
• De regio werkt mee aan het opzetten en uitvoeren van de relevante onderzoeksprojecten
in de regio. Zie tabel 1.
• De regio haalt de belangen van de gemeenten op (via onder andere het ambtelijk overleg
en werkgroepen), zorgt dat deze belangen goed geborgd worden in de onderzoeksprojecten
en informeert de gemeenten regelmatig over de voortgang en opgehaalde inzichten.
• In de projecten rondom Brick Valley en de warmtenetten zorgt de regio dat gemeenten
tijdig en met een juiste vertegenwoordiging zijn aangehaakt bij de opzet en uitvoering
van deze onderzoeken, zowel in projectoverleggen als via het ambtelijk overleg.
• Binnen de energyboard wordt iedere 6 weken de monitor van de pMIEK-projecten besproken
met de Gelderse RES-regio’s, netbeheerders en provincie. Er wordt gesignaleerd waar
mogelijk vertraging is ontstaan bij projecten in de regio (‘rode vlaggen’) en de benodigde
acties besproken om deze actief met de relevante gemeenten op te pakken.
|
Project |
Regio/ Gebied |
Type infra |
Actiehouder(s) |
Betrokken partijen |
|
Aftakking waterstofbackbone Brick Valley (V) |
Brick Valley |
Waterstof |
Provincie, GMR en HyNetwork Services (Gasunie) |
Steenfabrieken en glastuinbouw, Liander |
|
Onderzoek realisatie warmtetransportinfrastructuur in Gelderland (O) |
Verspreid |
Warmte |
RES-regio’s |
GWIB, gemeenten, Provincie, Liander, Firan en waterschappen |
|
Energie-intensieve clusters & decentrale oplossingen (O) |
Verspreid |
Alle |
Provincie en Liander |
Gemeenten, RES-regio’s, Rijk en TenneT |
|
Rol van energieopslag in het Gelderse energiesysteem (O) |
Verspreid |
Alle |
Provincie en Liander |
TenneT en Rijk |
|
Technische verdieping rol Kernenergie in Gelderse energiesysteem [SMRs] |
Nog onbekend |
Elektriciteit |
Provincie |
Leander, Tennet en Rijk |
2.3 Beter benutten
2.3.1 Netcongestie op meerdere niveaus

Het beter benutten van het energiesysteem is noodzakelijk om de huidige netcongestie
te beperken. In figuur 1 is het elektriciteitssysteem visueel weergegeven. Op dit
moment is er sprake van netcongestie op het hoogspanningsnet. Hierdoor wordt op bepaalde
momenten van de dag onvoldoende elektriciteit geleverd vanuit het hoogspanningsnet
van TenneT naar de onderstations en de lagere netten van Liander daarachter.
Ook is op sommige plekken sprake van netcongestie op het middenspanningsnet en het
laagspanningsnet. Dit betekent dat er onvoldoende capaciteit op de laagspanningskabels
en de middenspanningsruimtes staat. Hierdoor krijgen gebruikers niet de volledige
productie van hun zonnepanelen terug en zijn er beperkingen voor elektriciteitsverbruik.
Deze congestie kan er ook voor zorgen dat nieuwbouwwoningen op dit moment niet allemaal
op tijd aangesloten worden op het net. De congestie op dit laag- en
middenspanningsniveau is een belangrijk knelpunt dat Liander in de regio moet oplossen
met extra investeringen in het net en slimme oplossingen om het net beter te benutten.
Netbeheerders kunnen op dit moment bij netcongestie alleen sturen op grootverbruikersaansluitingen.
Dat betekent dat er op dit moment geen ruimte is voor bedrijven en instellingen die
(extra) capaciteit nodig hebben. Zij komen op een wachtlijst. Sinds november 2022
staan al 1500 bedrijven op een wachtlijst in Gelderland (Actieplan FGU). Voor kleinverbruikers,
huishoudens en midden- en klein bedrijven (MKB), heeft netcongestie nog beperkt impact.
Netbeheerders hebben namelijk geen sturing op kleinverbruikers. Zonder extra maatregelen
kunnen op termijn ook kleinverbruikers effecten van netcongestie merken, bijvoorbeeld
een wachtrij voor kleinverbruikers (huishoudens en midden- en kleinbedrijf) en kans
op ernstige stroomuitval. Dit brengt de congestieproblematiek in een nieuwe fase.
Hoe groot die impact wordt, hangt af van twee factoren:
1. De snelheid waarmee netuitbreidingen gerealiseerd worden.
2. De mate waarin de acties uit het actieplan netcongestie slagen.
2.3.2 Actieplan netcongestie Gelderland
Het actieplan netcongestie Gelderland is een actieplan van netbeheerders Tennet en
Liander. De provincie Gelderland (Provinciale Staten) hebben ingestemd met dit actieplan.
In dit actieplan staan acties als netbewuste nieuwbouw, netbewuste warmtetransitie,
Smart Energy Hubs en netbewust laden om de infrastructuur beter te benutten en de
netcongestie te beperken.
De netbeheerders en de provincie staan samen aan de lat om hier uitvoering aan te
geven.
De uitvoering van deze maatregelen wordt gecoördineerd door netbeheerders, samen met
de FGU-provincies en het ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG), en regionaal
vertaald naar de RES in samenwerking met de RES-projectleider energiesysteem. Gemeenten
blijven verantwoordelijk om deze maatregelen lokaal te vertalen, toe te passen en
vast te leggen in beleid.
Tegelijkertijd worden ook de benodigde juridische kaders en financiële mogelijkheden onderzocht en mogelijk gemaakt via lobby bij de koepels en het Rijk in afstemming met de provincie.
Afspraak 2: We voeren voor de gemeenten en regio relevante maatregelen uit het actieplan uit om de urgente netcongestie te beperken tot 2030. Voorbeeld hiervan is de inzet voor netbewust laden, netbewust bouwen, netbewuste installaties in bestaande bouw en netondersteunende opslag en buffering. Deze afspraak draagt bij aan doel 3: het beter benutten van de transportinfrastructuur.
2.3.3 Regionaal Uitvoeringsplan Energiesysteem
Het resultaat van de aanpak regionaal programmeren, zoals beschreven in paragraaf 2.1, is een uitvoeringsplan. In 2024/2025 is een regionaal uitvoeringsplan energiesysteem (RUE) opgesteld. Dit uitvoeringsplan bestaat uit beleids- en ontwerpkeuzes om het energiesysteem beter te benutten. Het uitvoeringsplan bevat vier actielijnen met acties, initiatieven en projecten om de netimpact te reduceren en vorm te geven aan het toekomstige regionale energiesysteem:
-
Netbewuste nieuwbouw
-
Netbewuste warmtetransitie van de bestaande bouw en glastuinbouw
-
Netbewuste bedrijventerreinen en mobiliteit: koppeling vraag-aanbod en buffering
-
Netbewuste duurzame opwek: efficiëntere inzet van grootschalige opwek
De focus ligt op acties die nu ingezet worden, maar die effect hebben op de langere
termijn, na 2030. Het provinciaal Beleidskader Energiesysteem en het actieplan netcongestie
Gelderland (inclusief actualisaties) vormen belangrijke kaders voor dit regionale
uitvoeringsplan. Deze provinciale plannen zijn regionaal vertaald en concreet gemaakt
in dit plan. Uiteindelijk zullen de resultaten van het hele regionaal programmeren
traject, doorwerken in de investeringsplannen van Liander. Het eigenaarschap van dit
uitvoeringsplan ligt bij de RES-organisatie, onder de opgave Circulaire Regio van
de Groene Metropoolregio, met afstemming binnen de andere opgaven van de GMR én in
samenwerking met Liander. Dit plan wordt jaarlijks gemonitord en tweejaarlijks volgt
een update op dit plan, op basis van de resultaten uit het regionaal programmeren.
Voor nieuwbouw zetten we in op het toepassen van de ontwerpprincipes netbewust bouwen.
Ook zoeken we de verbinding met de andere opgaven in de GMR rondom de woondeal en
conceptueel en circulair bouwen. Nieuwe bedrijventerreinen en bestaande terreinen
ontwikkelen we netbewust of netneutraal met koppeling van lokale opwek, opslag en
vraag (local for local). In de bestaande bouw zetten we in op een netbewuste warmtetransitie
door het ontwikkelen van collectieve warmtesystemen en bronontwikkeling via het regionaal
warmteprogramma van de RES. Dit draagt bij aan doel 3.
We werken samen in werkgroepen aan de uitwerking van de actielijnen met een afvaardiging
van de gemeenten. Hierin verzamelen en borgen we kennis en ervaring met elkaar en
werken we aan handvatten en handelingsperspectieven voor gemeenten.
2.3.4 Lokaal energie opwekken en consumeren: local for local
De provincie Gelderland hecht veel waarde aan het samenbrengen van energievraag en
aanbod, het zogenoemde local for local principe. ‘Local for local’ houdt in dat lokaal
opgewekte energie ook lokaal wordt gebruikt. In plaats van alle energie centraal op
te wekken en over lange afstanden te transporteren, draait een decentraal energiesysteem
om productie en verbruik op lokale schaal (Beleidskader Energiesysteem). Dit betekent
dat energiecoöperaties, bedrijven en bewoners in een regio zelf duurzame stroom of
warmte opwekken en deze direct met elkaar delen binnen de eigen gemeenschap (EnergieSamen
local4local). In Gelderland is dit principe een antwoord op het overbelaste stroomnet:
energie (zowel elektriciteit als warmte) moet meer lokaal opgewekt én gebruikt worden
voor een efficiënter gebruik van het netwerk, zoals de pilot Smart Energy Hub Innofase
in Duiven (Solarmagazine).
Een local for local aanpak in de energievoorziening biedt veel voordelen: het netwerk
wordt minder belast door betere afstemming van de lokale vraag en aanbod, duurzame
energie wordt regionaal opgewekt én geconsumeerd (dubbelgroene stroom) en bewoners
raken meer betrokken dankzij lokaal eigenaarschap en betaalbare, stabiele energiekosten.
Tegelijkertijd zijn er uitdagingen, zoals het balanceren van variabele opwek en consumptie,
het aanpassen van regelgeving (Energiewet) en organisatiemodellen (zoals energiegemeenschappen),
en het financieel haalbaar maken van projecten voor niet alleen de coöperatie, maar
ook inkomensgroepen met een kleine beurs. Creatieve oplossingen zoals lokale opslag,
afspraken over flexibele energievraag en -aanbod en innovatieve financieringsvormen
(bijvoorbeeld gemeenteleningen) zijn essentieel om deze aanpak succesvol te maken.
Deze uitdagingen gelden ook voor het opzetten van Smart Energy Hubs op het gebied
van samenwerking, organisatievormen en contractuele afspraken.
De provincie Gelderland ondersteunt dit local for local principe actief, onder andere
via pilots en samenwerking met energiegemeenschappen. Het is een belangrijke bouwsteen
voor een klimaatneutrale provincie in 2050 (Gelders Energieakkoord; Gelders Programma
Klimaat; Beleidskader Energiesysteem). Voorbeelden in de provincie zijn Smart Energy
Hub Innofase, lokaal energiebedrijf AGEM (Achterhoekse Gemeenten), energiecoöperaties
Lochem Energie en Zutphen Energie en de regionale samenwerking Betuwewind en Energie
Samen Rivierenland.
Ook landelijk wordt er belang gehecht aan het decentrale energiesysteem met een centrale
rol voor energiegemeenschappen. In de kamerbrief van Hermans in juni ’25 (decentrale
ontwikkeling van het energiesysteem) en de kamerbrief van april ’25 (weerbaar energiesysteem
en toekomstbestendige industrie) is hier duiding aan gegeven met een aantal stimuleringsmaatregelen
en beleidsvoornemens, zie figuur 2.

2.4 Toekomstbestendig decentraal energiesysteem
2.4.1
Naast het beter benutten van het energiesysteem moeten we nu ook keuzes maken voor de ontwikkeling van het energiesysteem na 2030. Daarom worden op meerdere niveaus energievisies opgesteld om dit toekomstige energiesysteem te schetsen en te bepalen hoe het toekomstige, meer decentrale energiesysteem eruitziet. In dit systeem komen de Wereld van B, het local for local principe en energyhubs terug. Dit zijn principes om op lokaal niveau vraag, aanbod en infrastructuur samen te brengen. In deze paragraaf worden kort de bestaande en lopende ontwikkelingen beschreven voor de provincie en regio.
2.4.2 Beleidskader Energiesysteem Gelderland
Op 18 december 2024 hebben Provinciale Staten het Beleidskader Energiesysteem vastgesteld.
Dit beleidskader is gericht op de lange termijn (2030-2050) en beschrijft onder andere
de strategische doelen van het Gelders energiebeleid. Ook beschrijft het de leidende
principes voor de inrichting van het energiesysteem en geeft het richtlijnen aan Gedeputeerde
Staten voor de uitwerking van het beleidskader in een Programma Energiesysteem. Dit
kader vormt ook de basis voor het pMIEK dat elke 2 jaar wordt vastgesteld door de
Gedeputeerde Staten. Met het pMIEK prioriteren Gedeputeerde Staten energie-infraprojecten
binnen de investeringsplannen van de netbeheerders (zie ook onderdeel 3 sneller bouwen).
Het Beleidskader Energiesysteem wordt opgenomen in de actualisatie van de Gelderse
Omgevingsvisie, waarin de provincie integrale afwegingen maakt tussen energie en andere
opgaven. De vernieuwde Omgevingsvisie Gelderland vervangt dan het beleidskader.
Voor de RES zijn de provinciale kaders en uitgangspunten leidend bij de regionale
uitwerking en doorwerking naar de gemeenten. De belangrijkste kaders voor nu zijn
de leidende principes uit het beleidskader.
Hoofdprincipe: Energie wordt medesturend voor de inrichting van Gelderland.
Inrichtingsprincipes:
• We besparen zoveel mogelijk energie.
• We organiseren het Gelderse energiesysteem zoveel mogelijk decentraal met aandacht
voor de combinatie van lokale opwek, lokale opslag en lokaal gebruik (local for local
principe).
• We zetten in op een diverse energiemix.
• We stimuleren betrokkenheid van Gelderlanders bij de energietransitie, onder andere
via participatie en de mogelijkheid tot lokaal eigendom van opwek en opslag.
Afspraak 4: We sluiten aan bij provinciaal beleid en actualisaties daarvan, zoals het Beleidskader Energiesysteem, Programma Energiesysteem en de Omgevingsvisie Gelderland. Dit is het uitgangspunt voor de regionale toepassing ervan. Dit draagt bij aan doel 1: het inzichtelijk maken van beleidsdoelen en handelingsperspectief voor het regionaal energiesysteem.
Bovengenoemd beleidskader werkt de provincie in 2025 uit in het Gelders Programma Energiesysteem, een thematisch programma volgens de Omgevingswet. Daarin worden de strategische doelen van het beleidskader vertaald in tactische doelen en maatregelen. In dit traject betrekt de provincie de regio en gemeenten op meerdere momenten inhoudelijk. Ook vindt eenmalig een bestuurlijke consultatie plaats. Dit programma is een belangrijk kader voor de RES en gemeenten. Daarom blijven we hierbij nauw betrokken via de bestaande samenwerkingen, zoals het GEIS en de energyboard (zie onderdeel 6 samenwerking en organisatie).
2.4.3 Regionale visie op het Decentrale Energiesysteem
Op regionaal niveau is het ook nodig om tot een gedeeld beeld te komen op het decentrale
energiesysteem, met duidelijke principes en keuzes. Het provinciale beeld is namelijk
niet altijd tot in detail uitgewerkt voor regionaal en lokaal niveau. Het is gericht
op de realisatie van de provinciale beleidsdoelstellingen. Het regionale schaalniveau,
inclusief de onderstations, is geschikt om met de 16 gemeenten gezamenlijk een beeld
te vormen. Daarbij bouwen we voort op bestaande lokale visies en beleidsdocumenten
die er al zijn of in ontwikkeling zijn. Het energiesysteem houdt immers niet op bij
de gemeentegrens. Het vraagt om een bovenlokale oplossing en, in veel gevallen, bovenlokale
samenwerking. Tegelijkertijd liggen er lokaal juist kansen door het toepassen van
de ‘Wereld van B’, ‘local for local’ en het gebiedsgericht werken waarbij het energievraagstuk
in combinatie met ruimtelijke vraagstukken en verduurzaming wordt bekeken.
De regionale energievisie steken we pragmatisch in door vooral te focussen op de inhoud
die er al is op nationaal, provinciaal en lokaal niveau. De kamerbrief van Hermans
op het decentrale energiesysteem biedt hiervoor al veel handvatten, net als het Gelders
Programma Energiesysteem. We willen in deze visie duidelijk krijgen welke zaken slim
en nuttig zijn om op regionaal niveau op te pakken en wat er op lokaal niveau vorm
kan krijgen. De visie zal ook een inschatting geven van de benodigde energievraag,
-aanbod en infrastructuur die nodig is tot 2050. Hierbij gaat het expliciet om de
combinatie van de energiedragers elektriciteit, warmte en duurzame gassen. De rol
van biomassa in deze energiemix is nog nader af te stemmen in de regio. Ook maken
we de opgave die er na 2030 nog ligt duidelijk, voor bijvoorbeeld duurzame opweklocaties,
ruimte op het elektriciteitsnet voor ontwikkelingen rondom bedrijventerreinen en potentiële
locatie(s) voor waterstofproductie en/of een waterstofaftakking op het landelijk waterstofnetwerk.
Hiervoor sluiten we aan bij nationale en provinciale kaders en keuzes. Ook de ruimtevraag
van de energie-infrastructuur in de fysieke leefomgeving heeft de aandacht in deze
analyse.
Voorbeelden van vraagstukken in deze regionale visie zijn:
1. Het netbewust ontwikkelen van nieuwbouwwoningen en werklocaties (bedrijventerreinen
en logistiek).
2. Het verduurzamen van de bestaande gebouwde omgeving (netbewuste warmtetransitie).
3. Verduurzaming van huidige werklocaties (bedrijventerreinen en logistiek).
4. Opweklocaties bij energievraag (local for local).
5. De ruimtelijke inpassing van energie-infrastructuur op zowel lokaal (middenspanningsruimtes
en warmte-overdrachtstations) als bovenlokaal (middenspanningsstations, warmte-opwaardering,
piek- en back-up centrales warmte).
Daarbij zetten we in op bundeling van vraag en aanbod en slimme oplossingen achter
de meter, zoals cablepooling, energyhubs, energieopslag en buffering en opwek van
zon- en/of wind achter de meter. Energyhubs zijn echter complex om te realiseren door
samenwerking, contractvorming en financiering. We passen daarom de lessen en ervaringen
toe uit het handelingsperspectief van bedrijventerreinen om ondernemers concreet te
helpen bij hun energievraagstuk. Namelijk: inzicht in energiebehoefte en vraagprofiel,
inventariseren van energiebesparingsmogelijkheden en/of flexibiliteitsopties, inzicht
in oplossingen achter de meter en, als laatste stap, over de grens heen kijken naar
oplossingen met netburen of een groepscontract met andere ondernemers.
Afspraak 5: In de RES ontwikkelen we in 2026 een regionale visie op het energiesysteem om een concrete invulling te geven aan de leidende principes en keuzes vanuit de provincie (beleidskader, programma energiesysteem en omgevingsvisie Gelderland). Dit bevat onder andere keuzes over de energie-intensieve clusters, waterstofaftakking, Brick Valley en warmtetransportinfrastructuur. Dit draagt bij aan doel 2.
Deze visie geven we zoveel mogelijk regionaal en gezamenlijk vorm met een geplande start in 2026. Dit is een logisch moment waarop de lopende ontwikkelingen op provinciaal niveau naar verwachting grotendeels uitgewerkt zijn. De vorm en status (programma, visie, perspectief, etc.) stemmen we nog af met de RES-deelnemers. Het plan van aanpak hiervoor wordt te zijner tijd besproken met het ambtelijk en bestuurlijk platform van de RES. De wisselwerking met het bestaande RUE wordt nader uitgewerkt als de vorm en status van deze visie duidelijk zijn.
2.4.4 Gelderse Energie Infrastructuur (GEIS)
Sinds 2022 bestaat het samenwerkingsprogramma Gelderse Energie Infrastructuur (GEIS).
Hierin werken provincie, RES-regio’s, netbeheerders en KGG samen aan oplossingen voor
netcongestie en het energiesysteem van de toekomst. Dit programma heeft drie onderdelen:
1. Bouwen
2. Integraal programmeren en toekomstig energiesysteem
3. Slimme, plaatselijke oplossingen
In het programma zijn we als gemeenten in de RES-regio’s zowel ambtelijk als bestuurlijk
vertegenwoordigd in respectievelijk het kernteam GEIS en de energyboard. Hieraan nemen
de RES-procesregisseur en/of de projectleider Energiesysteem en de bestuurlijk trekker
RES-deel. De rol van de vertegenwoordigers is om te adviseren op provinciale keuzes
in het energiesysteem en het perspectief van de gemeenten in te brengen. Dit doen
zij door het signaleren van knelpunten, mogelijke consequenties en de impact van (bovenregionale)
keuzes (juridisch, organisatorisch, uitvoerbaarheid, etc.) op lokaal niveau.
De input en belangen worden voor zover mogelijk vooraf opgehaald in de ambtelijke
en bestuurlijke overleggen van de circulaire regio van Groene Metropoolregio (GMR).
De resultaten worden teruggekoppeld in de stukken van de ambtelijke en bestuurlijke
platforms.
Afspraak 6: Vanuit de RES continueren we de samenwerking in het programma GEIS van de provincie Gelderland. Ambtelijk en bestuurlijk is één vertegenwoordiger aangedragen om de belangen en input vanuit de regio in te brengen in dit programma GEIS. Deze vertegenwoordigers informeren, koppelen terug en activeren gemeenten over relevante onderwerpen en benodigde acties. Dit draagt bij aan doel 4: het verbinden van de schaalniveaus in het energiesysteem en doel 1: het duiden van de relatie tussen beleidsdoelen en het ontwikkelen van handelingsperspectief.
3 Duurzame elektriciteitsopwek
3.1 Algemeen
Op 1 juni 2021 heeft de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen de RES 1.0 opgeleverd.
Deze regionale energiestrategie is vastgesteld door de 16 gemeenteraden, Provinciale
Staten en de algemeen besturen van de drie waterschappen. Hieronder een samenvatting
van de belangrijkste RES 1.0 afspraken rond duurzame elektriciteitsopwek:
• In 2030 wekken we als regio grootschalig 1,62 TWh duurzame elektriciteit op.
• Het gaat om een regionaal bod, waar we als provincie, 16 gemeenten, waterschappen
en netbeheerder gezamenlijk verantwoordelijk voor zijn.
• De verdeling (in TWh) uit figuur 3 wordt gehanteerd om het regionale bod te behalen.
• We weten dat er in geplande vermogens een grote mismatch is tussen zon (89%) en
wind (11%).
• We streven in het vervolgproces naar een betere wind-zon verhouding (idealiter van
50% - 50% per onderstation).
• Richting een RES 2.0 onderzoeken we extra (verkennings)gebieden voor windturbines
om de verhouding te verbeteren.

3.2 Restopgave RES: nog 0,30 TWh grootschalige elektriciteitsopwek
3.2.1 Inleiding
Om te bepalen hoeveel duurzame elektriciteit een project opwekt, maken we gebruik
van de rekenregels volgens het begrippenkader RES. Dit zijn landelijk geldende regels
om de voortgang van alle regionale energiestrategieën inzichtelijk te hebben. Voor
de monitoring van de RES-voortgang is iedere RES-regio gebonden aan het begrippenkader
RES. De meest recente monitoring is te vinden in de Voortgangsrapportage RES van juli
2025.
Om te bepalen hoeveel duurzame elektriciteit we als regio nog via nieuwe projecten
moeten opwekken, kijken we echter verder dan alleen de laatste stand van zaken in
de monitoring. We willen weten welke projecten nog worden gerealiseerd de komende
jaren. Om daar een inschatting van te maken, doen we ook een eigen aanname. Die aanname
is dat alle vergunde projecten én drie vergevorderde windinitiatieven uiteindelijk
worden gerealiseerd. Daardoor komen de cijfers in dit hoofdstuk wat hoger uit dan
de cijfers in de RES-monitor. In de RES-monitor wordt per projectfase namelijk gerekend
met een slagingskans. Zo telt de voorziene elektriciteit van vergunde projecten die
nog niet zijn gerealiseerd in de RES-monitor voor 90% mee. Projecten die nog niet
zijn vergund tellen in de RES-monitor voor 80% of minder mee.
Van de afgesproken 1,62 TWh is op dit moment 0,71 TWh gerealiseerd en 0,50 TWh vergund.
Een aantal vergunde projecten wacht daarbij nog op een uitspraak van de Raad van State.
Het gaat onder andere om de windparken Caprice en Beuningen en zonnepark Leuth. Ook
zitten nog twee vergevorderde windinitiatieven in de projectenpijplijn (opgenomen
in tabel 3), samen goed voor 0,11 TWh. Als we deze getallen bij elkaar optellen, dan
komen we tot 1,32 TWh. Dit betekent dat we als regio nog een restopgave hebben van
0,30 TWh aan grootschalige duurzame elektriciteitsopwek.

3.2.2 Waarom nieuwe plannen voor de restopgave van 0,30 TWh?
In de RES 1.0 zijn afspraken gemaakt over de 1,62 TWh duurzame elektriciteitsopwek.
Waarom is het nodig om nieuwe plannen te maken voor de restopgave van 0,30 TWh? Daarvoor
moeten we terug naar de initiële verdeling van het RES-bod.
Het grootste deel van het bod missen we in het onderdeel zon-op-dak, namelijk ongeveer
0,21 TWh. De zon-op-dakambitie van 0,49 TWh was in de RES 1.0 relatief groot: 25%
van het maximale dakpotentieel dient in 2030 zonne-energie op te wekken. Het initiatief
daarvoor ligt bij individuele bedrijven en organisaties in de regio. Iedere organisatie
beslist zelf óf, wanneer en hoeveel zonnepanelen ze op haar dak plaatst. Zon-op-dakprojecten
lopen in de afgelopen jaren echter tegen flinke extra uitdagingen aan. Zo speelt er
sinds november
2022 netcongestie, waardoor organisaties hun nieuw opgewekte zonne-energie niet langer
aan het elektriciteitsnet mogen leveren. Ook geldt voor bestaande zon-op-dakprojecten
dat ze inmiddels in veel gevallen terugleverkosten betalen als ze op piekmomenten
zonne-energie aan het elektriciteitsnet leveren. Het is dus veel minder aantrekkelijk
voor organisaties om zonnepanelen te installeren.
Een kleiner deel, namelijk de resterende 0,09 TWh missen we in de opgave op land.
Op de vraag ‘waar dan?’, valt geen eenduidig antwoord te geven. Er zijn namelijk twee
doorrekeningen gemaakt voor de RES 1.0. Voor de concept RES 1.0 is een doorrekening
gemaakt op basis van een projectenlijst met 88 projecten. Aangezien niet iedere gemeente
zich in al deze genoemde projecten kon vinden, is er voor de definitieve RES 1.0 een
meer globale doorrekening gemaakt op basis van zoekgebieden. Een gezamenlijk regionaal
bod van 1,62 TWh bleef daarmee realistisch en is door alle betrokken partners vastgesteld.
Momenteel is 1,32 TWh gerealiseerd, vergund of onderdeel van een vergevorderd initiatief.
De verdeling van de 16 regiogemeenten staat in figuur 5.

3.3 Local for local als uitgangspunt voor de restopgave van 0,3 TWh
3.3.1 Inleiding
In de paragrafen 2.3 en 2.4 zijn het local for local principe en het toekomstig regionaal energiesysteem besproken.
De provincie Gelderland heeft in het Beleidskader Energiesysteem vijf leidende principes
meegegeven voor de inrichting van het toekomstige Gelderse energiesysteem. Wellicht
dat deze nog veranderen na vaststelling van het provinciaal Programma Energiesysteem.
1. Energie wordt medesturend voor de inrichting van Gelderland.
2. We besparen zoveel mogelijk energie.
3. We organiseren het Gelderse energiesysteem decentraal met aandacht voor de combinatie
van lokale opwek, lokale opslag en lokaal gebruik.
4. We zetten in op een diverse energiemix.
5. We stimuleren betrokkenheid van Gelderlanders bij de energietransitie.
Principes drie en vier zijn daarbij belangrijk voor de grootschalige opwek van duurzame
elektriciteit. Vanwege netcongestie en de weersafhankelijkheden in duurzame elektriciteitsopwek
wordt het belangrijker om deze opwek te ontwikkelen in en om gebieden met een groter
elektriciteitsvraag en -gebruik. De restopgave van 0,30 TWh staat gelijk aan:
-
30 windturbines van 3,6 MW, óf;
-
19 windturbines van 5,6 MW, óf;
-
16 windturbines van 7,0 MW, óf;
-
316 hectare aan zonnevelden.
Om invulling te geven aan de restopgave van 0,30 TWh zetten we in op drie parallelle
sporen:
1. Zon-op-dakprojecten beter in beeld en als onderdeel van local for local oplossingen.
2. Elektriciteitsopwekking bij energie-intensieve bedrijven.
3. Nieuwe zoekgebieden windenergie om gemeentelijke beleidsdoelen te faciliteren.
3.3.2 Zon-op-dak beter in beeld en als onderdeel van local for local oplossingen
De realisatie van zon-op-dakprojecten blijft achter bij de ambitie die in de RES 1.0
is gesteld. Netcongestie en terugleverkosten zijn daarbij knelpunten die voortduren
tot na 2030. Dat betekent echter niet dat er geen toekomst is voor zon-op-dakprojecten.
Steeds meer organisaties lopen in hun bedrijfsvoering tegen de grenzen van hun elektriciteitscontract
aan. Op het moment dat organisaties meer elektriciteit willen gebruiken dan hun contract
toestaat, komt er pas na 2030 hulp vanuit de netbeheerders. Ze zijn voor een groeiend
elektriciteitsgebruik de komende jaren dus op zichzelf en hun nabije omgeving aangewezen.
Zon-op-dakprojecten kunnen daarin een oplossing bieden voor gebruik ‘achter de meter’.
Bijvoorbeeld in combinatie met opslag en/of in samenwerking met andere organisaties
in de omgeving. Op het moment dat dit vraagstuk bij meer organisaties of bedrijven
speelt, bijvoorbeeld op een bedrijventerrein, is het interessant om zon-op-dakprojecten
of andere duurzame elektriciteitsopwek te organiseren als onderdeel van gezamenlijke
local for local oplossingen.
Het Regionaal Uitvoeringsplan Energiesysteem adresseert dit. Bestuurlijke afspraken
3 en 4 ondersteunen de aanpak van zon-op-dak als onderdeel van local for local oplossingen.
Ook valt er qua zon-op-dak winst te behalen in de monitoring. Op dit moment verloopt
die monitoring via de nationale klimaatmonitor. Die monitor loopt echter twee jaar
achter op de actualiteit. Ook is het de vraag of de cijfers in de klimaatmonitor volledig
zijn. We zoeken daarom naar manieren om de monitoring van zon-op-dakprojecten te verbeteren,
onder andere door de samenwerking te zoeken met de netbeheerder en de regionale omgevingsdiensten.
3.3.3 Elektriciteitsopwekking bij energie-intensieve bedrijven
Binnen de RES GMR vallen zo’n twintig bedrijven en instellingen onder de Europese ETS-regelgeving. ETS staat voor Emissions Trading System en is het Europees handelssysteem voor de CO2-uitstoot van de industrie. Een industrieel bedrijf moet in dat systeem voor elke ton CO2 dat het uitstoot één emissierecht inleveren. Ze kunnen die emissierechten kopen en verhandelen. Zo betaalt de industrie voor haar eigen CO2-uitstoot. De ETS dwingt de Europese industrie om geleidelijk naar nul uitstoot in 2040 te gaan.
Bedrijven krijgen steeds minder emissierechten gratis en moeten steeds meer kopen. Bovendien zorgden nieuwe regels van het ETS voor een verhoging van de gemiddelde prijs van een emissierecht. In 2018 kostte een emissierecht nog €8, nu €24. Het Planbureau voor de Leefomgeving verwacht dat die prijs in 2030 €40 tot €50 per emissierecht bedraagt. De twintig ETS-instellingen in onze regio móeten hun CO2 dus afbouwen in de komende 30 jaar als ze willen blijven produceren.
Onder de twintig ETS-bedrijven vallen onder andere de afvalverbrandings-installaties AVR en ARN, allebei met een uitstoot van boven de 120.000 ton CO2 in 2024. Ook andere bekende namen zoals het Radboud UMC en de papierfabriek in Renkum vallen onder het ETS-regime, plus een flink aantal steenfabrieken in het rivierengebied. Een overzicht van de ETS-bedrijven binnen de RES-regio is opgenomen in het figuur 6.
Naast de ETS-bedrijven zijn er andere energie-intensieve bedrijven en instellingen in de regio die op den duur moeten verduurzamen. Het gaat onder andere om een aantal zandwinningen, betoncentrales en rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s). Ook agrarische bedrijven vormen een belangrijke doelgroep. Bij agrariërs of een clustering van agrarische bedrijven zijn, naast de ontwikkeling van traditionele zon- en windprojecten, ook alternatieve vormen van duurzame opwek denkbaar. Het gaat dan om bijvoorbeeld erfmolens, mestvergisting en windmolens met een beperkte tiphoogte van zo’n 100 meter.
De druk om te verduurzamen en de CO2-uitstoot terug te dringen groeit bij bovenstaande bedrijven en instellingen. In veel gevallen hebben deze bedrijven ook de mogelijkheden om grootschalige elektriciteit op te wekken. Het gaat in veel gevallen namelijk om bedrijven met veel (dak)oppervlak, solide investeringsmogelijkheden en vaak liggen ze op een behoorlijke afstand van woningen en woonwijken. Daarbij is sprake van lokaal eigendom op het moment dat deze bedrijven een lokale eigenaar hebben. Netcongestie is geen knelpunt wanneer ze de opgewekte elektriciteit zelf gebruiken, opslaan of omzetten: het gebruik ‘achter de meter’. Een aantal bedrijven heeft zich in het afgelopen jaar dan ook al gemeld voor de ontwikkeling van grootschalige elektriciteitsprojecten.

Gemeenten, provincie, waterschappen en netbeheerders spreken af om de plannen voor
grootschalige duurzame elektriciteitsopwek te inventariseren bij bovenstaande bedrijven.
Daarbij geldt een inspanningsverplichting om mee te denken en mee te werken op het
moment dat deze bedrijven en instellingen initiatieven ontwikkelen. Daarbij gelden
de volgende randvoorwaarden:
1. De grootschalige duurzame opwekprojecten beïnvloeden de zon-windverhouding binnen
de RES niet negatief. Dat betekent voor de ontwikkeling van zonne-energie, dat dit
altijd wordt aangesloten ‘achter de meter’ en nooit rechtstreeks op een onderstation
van het elektriciteitsnet.
2. Op deze manier wordt voldaan aan de kaders van de provincie Gelderland en aan de
Gelderse voorkeursvolgorde zon.
3. In de grootschalige duurzame opwekprojecten is sprake van een streven naar minimaal
50% lokaal eigendom. Daarbij staat lokaal eigenaarschap van de organisaties, bedrijven
of instellingen ook gelijk aan lokaal eigendom.
Bovenstaande aanpak helpt bedrijven in hun verduurzamingsopgave en draagt tegelijk
bij aan de regionale doelstellingen. Bij bedrijven en grootverbruikers van elektriciteit
gaat het om specifieke (bedrijfs)locaties in plaats van zoekgebieden. In deze RES
2.0 zijn dan ook geen specifieke zoekgebieden opgenomen voor deze categorie van elektriciteitsopwek
bij energie-intensieve bedrijven.
3.4 Windenergie als onmisbare bouwsteen
3.4.1 Inleiding
In de Verrijking RES 2024 is uiteengezet waarom alleen nog windenergie als duurzame decentrale elektriciteitsopwek op het elektriciteitsnet kan worden aangesloten:
-
De hoeveelheid zonne-energie is de afgelopen jaren enorm gestegen. Daardoor kan het elektriciteitsnet die hoeveelheid elektriciteit op piekmomenten (wanneer de zon schijnt) steeds moeilijker aan.
-
De hoeveelheid windenergie is juist achtergebleven, waardoor duurzame elektriciteit maar beperkt beschikbaar is op momenten dat de zon niet schijnt.
-
Netbeheerder Liander heeft in de planMER en in de Verrijking RES 2024 per onderstation aangegeven welke energietechniek de voorkeur heeft. Voor 30% van de onderstations heeft Liander een voorkeur voor windenergie. Voor 70% van de onderstations gaat het om een zeer sterke voorkeur voor windenergie.
-
In de RES 1.0 projecten was sprake van een grote onbalans tussen zonne- en windenergie. In voorziene vermogens ging het om 89% zonne-energie en 11% windenergie. Eén van de opdrachten uit de RES 1.0 is de onbalans te verbeteren. Idealiter naar een 50% - 50% verhouding per onderstation.
-
Via ‘local for local’, aansluiting achter de meter, contractafspraken met de netbeheerder of cable pooling met bestaande (zon)projecten kan windenergie ook in tijden van netcongestie vaak nog worden gerealiseerd..

3.4.2 Milieueffectonderzoek: vooral kansen voor windenergie langs grote doorgaande wegen
Vanwege de onbalans tussen zonne- en windenergie hebben gemeenten en provincie in de RES 1.0 afgesproken om onderzoek te doen naar extra zoekgebieden voor windenergie. In 2023 heeft de RES GMR een milieueffectonderzoek (planMER) uitgevoerd met de gehele regio als onderzoeksgebied. Dit planMER is als bijlage 1 opgenomen bij deze RES 2.0. Het gehele document is te vinden op de planMER webpagina. In het planMER is gekeken naar de volle breedte van de RES; de mogelijkheden voor windenergie, zonne-energie en warmtebronnen.
De hoofdvraag is:
Welke gebieden zijn vanuit milieueffecten geschikt, geschikt te maken of ongeschikt voor de ontwikkeling van ten minste 1,62 TWh duurzame elektriciteitsambitie en regionale warmtebronnen in de Groene Metropoolregio. En hoe kan dit - naast de referentie RES 1.0 - worden ingevuld aan de hand van drie thematische alternatieven?
Deze vraag is in drie stappen beantwoord:
1. Door ongeschikte gebieden op basis van wet- en regelgeving uit te sluiten en op
de kaart onderscheid te maken tussen geschikte en geschikt te maken gebieden.
2. Door vanuit de RES en de thema’s natuur, landschap en leefomgeving de geschikte
en geschikt te maken gebieden te bekijken.
3. Door vanuit milieueffecten te komen tot mogelijke zoekgebieden in de geschikte
en geschikt te maken gebieden.
Uit het onderzoek blijkt dat de zoekgebieden voor windturbines in de RES 1.0 vanuit
milieuperspectief goed mogelijk zijn. Ook blijkt dat zonne-energie qua milieuaspecten
bijna overal mogelijk is. Voor windenergie liggen er goede kansen langs grote doorgaande
wegen en in een aantal buitengebieden die niet zijn aangemerkt als cultuurhistorische
plek of natuurgebied.
Eén van de drie samenvattende kaarten uit het milieueffectonderzoek is weergegeven
in figuur 7. De kaart laat zien welke gebieden geschikt zijn, of geschikt te maken
zijn voor de ontwikkeling van twee of meer windturbines met een lage geluidsemissie.
De kaart heeft gebruik gemaakt van een referentieturbine met een relatief lage geluidsemissie
(een Nordex N117). Voor de milieutechnische mogelijkheden is de hoogte of omvang van
windturbines niet zo relevant, de geluidsemissie is leidend. Met andere woorden: een
aanzienlijk hogere of grotere windturbine met eenzelfde lage geluidsemissie, biedt
vergelijkbare milieutechnische mogelijkheden.
De drie samenvattende milieubeoordelingskaarten zijn in hoge resolutie te vinden op
de planMER webpagina. Het gaat om de volgende kaarten:
-
Milieubeoordeling voor de ontwikkeling van zonnevelden.
-
Milieubeoordeling voor de ontwikkeling van windturbines met een lage geluidsemissie.
-
Milieubeoordeling voor de ontwikkeling van windturbines met een hoge geluidsemissie.

Op 2 november 2023 bracht de Commissie m.e.r. haar advies uit op de planMER. Daarin stelt de commissie twee adviezen centraal:
-
De informatie over natuur en landschap was volgens de Commissie nog van onvoldoende kwaliteit. Natuurgevolgen waren mogelijk onderschat. Voor landschap was niet duidelijk of alle voorgestelde zoekgebieden wel ‘geschikt’ waren. De commissie miste een uitwerking op gebiedsniveau: waarom is een gebied qua natuur en landschap beter geschikt voor de opwekking van duurzame elektriciteit of warmte dan een ander gebied?
-
Ook vroeg de Commissie bij de gemeenten aandacht voor het bewaken van de samenhang tussen gebieden voor duurzame energieproductie. Dit is belangrijk om bijvoorbeeld onbedoelde opeenstapeling van negatieve milieueffecten te voorkomen.
Een nadere uitwerking op gebiedsniveau vindt lokaal plaats op het moment dat projecten concreet worden in een projectMER. Aan de hand van het advies van de Commissie m.e.r om de samenhang tussen gebieden te bewaken, geven we gehoor door nieuwe RES-projecten altijd eerst op de regionale tafel te bespreken. Op basis van de uitkomsten van de PlanMER werken gemeenten aan eigen plannen om windlocaties ruimtelijk te borgen vanuit hun eigen, door raden vastgestelde, beleidsdoelstellingen. Dit proces loopt parallel aan deze rapportage.
3.4.3 Effect van Veluws wespendiefbeleid op de mogelijkheden voor windenergie
De provincie Gelderland beschermt diersoorten in het kader van de Omgevingswet, waarin
de voormalige Wet natuurbeheer (Wnb) is opgenomen. Een van die diersoorten is de wespendief,
een roofvogel die op de Veluwe broedt. Daarom besloten Gedeputeerde Staten eind 2022
dat er geen windturbines mogen komen op de Veluwe en in een zone van 1 kilometer daaromheen.
In een cirkel van 1 tot 8 kilometer om de Veluwe zijn (tijdelijk) beperkt windturbines
toegestaan met een stilstandsvoorziening in juli en augustus.
In de 1 kilometerzone rondom de Veluwe was in onze regio één windproject in voorbereiding.
Dit project bevond zich in de idee-fase en is daarom voor 0% meegerekend in de RES
1.0. In de 1 tot 8 kilometerzone zijn meerdere windprojecten in voorbereiding. Deze
windprojecten kunnen beperkt doorgang vinden op basis van een stilstandsvoorziening
van 4,5 maanden per jaar. Ook vinden op de Veluwe twee onderzoeken plaats. Eén om
wespendieven te herkennen via cameradetectie en een ander onderzoek om wespendieven
individueel te volgen via een zender. Als een of beide onderzoeken gunstige resultaten
opleveren, worden in de 1 tot 8 kilometerzone meer windprojecten mogelijk met minder
stilstand. De resultaten van deze onderzoeken worden in 2026 verwacht.
3.5 Voldoende mogelijkheden voor windenergie binnen de regio
3.5.1 Inleiding
De gemeenten Arnhem en Nijmegen zijn sterk verstedelijkt en hebben daardoor beperkte
mogelijkheden voor de ontwikkeling van windturbines. Toch hebben beide gemeenten het
afgelopen decennium mogelijkheden gevonden om windplannen te ontwikkelen. In Arnhem
gaat het om het windproject Koningspleij met vier windturbines. In Nijmegen gaat het
om twee windprojecten: Nijmegen-Betuwe met vier turbines en De Groene Delta met twee
turbines.
Naast de grote steden zijn er acht gemeenten met goede mogelijkheden voor de ontwikkeling
van windenergie. Naast Arnhem gaat het in het noordelijke deel van de regio om de
gemeenten Duiven en Zevenaar. In het middengebied hebben beide gemeenten, Lingewaard
en Overbetuwe, goede mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie. Ten zuiden
van de Waal liggen die mogelijkheden, naast de ontwikkelde windplannen in Nijmegen,
vooral in Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen.
De gemeente Berg & Dal tenslotte kent een zeer gevarieerd landschap met veel natuurwaarden,
diersoorten, bos- en heuvelgebieden en drinkwaterwingebieden. Er zijn geen snelwegen
of landelijk gelegen provinciale wegen die de gemeente Berg & Dal doorkruisen en waarlangs
windturbines kunnen worden ontwikkeld. Dit maakt dat de relatief grote en landelijke
gemeente Berg & Dal nagenoeg geen geschikte gebieden heeft voor de ontwikkeling van
windenergie. Er zijn wel enkele gebieden die mogelijk geschikt te maken zijn. Windenergie
in Berg & Dal is daarmee niet uitgesloten, maar vanuit regioperspectief ligt het ook
niet direct voor de hand.
Dit leidt tot het volgende beeld van gemeenten met goede mogelijkheden voor de ontwikkeling
van windenergie. Met in het blauw de noordelijke gemeenten Arnhem, Duiven en Zevenaar,
in het paars Lingewaard en Overbetuwe in het middengebied en de zuidelijke gemeenten
Beuningen, Druten, Heumen, Nijmegen en Wijchen in het groen.

3.5.2 Windenergie om gemeentelijke beleidsdoelen te faciliteren
Binnen deze tien gemeenten zijn er grote verschillen in mogelijkheden, gerealiseerde windprojecten, vergunde windplannen en aangewezen zoekgebieden voor windenergie. In onderstaande tabel staat een overzicht van het aantal windturbines in concrete plannen per gemeente.
|
Gemeente |
Gerealiseerde en/of vergunde windprojecten |
Windprojecten in voorbereiding |
Totaal aantal turbines |
|
Arnhem |
- - |
||
|
Beuningen |
- - |
||
|
Duiven |
- - |
||
|
Druten |
- - |
- - |
- - |
|
Heumen |
- - |
- - |
- - |
|
Lingewaard |
- - |
||
|
Nijmegen |
- - |
||
|
Overbetuwe |
- - |
||
|
Wijchen |
- - |
||
|
Zevenaar |
- - |
Van de tien gemeenten heeft de helft al vijf of meer windturbines gerealiseerd, vergund
of gepland. Met name van Nijmegen is dat een behoorlijke prestatie, omdat het van
de tien gemeenten feitelijk de minst geschikte, of geschikt te maken gebieden kent.
Arnhem zit met vier gerealiseerde turbines weliswaar net onder de grens van vijf,
maar ook voor die gemeente geldt dat het aantal geschikte of geschikt te maken gebieden
zeer beperkt is. Voor de gemeente Duiven geldt dat in het vastgestelde RES 1.0 zoekgebied
W.5 nog potentie is voor 1 tot 2 windturbines.
Naast Arnhem zijn er vier andere gemeenten met minder dan vijf gerealiseerde, vergunde
of geplande windturbines. Het gaat om Wijchen (drie turbines), Zevenaar (vier turbines)
en de gemeenten Druten en Heumen die nog geen windprojecten gepland hebben. Voor alle
vier de gemeenten geldt dat de potentie aan geschikte en geschikt te maken gebieden
relatief groot is.
3.5.3 Heumen beraadt zich op windenergie
3.5.3 Heumen beraadt zich op windenergie
De gemeente Heumen streeft ernaar om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Als belangrijke tussenstap wil de gemeente in 2030 elektriciteitsneutraal zijn. Heumen heeft de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om dit gemeentelijke duurzaamheidsdoel te behalen. Zo zijn eerst de mogelijkheden voor waterkracht onderzocht en vervolgens die van grootschalige zonne-energie. Tenslotte heeft de gemeente onderzoek gedaan naar windenergie, waarbij twee mogelijke gebieden in het oog sprongen.
Enerzijds het gebied tussen de Hatertse/Overasseltse Vennen en de dorpen Overasselt en Nederasselt; het zogenoemde ‘Kommengebied’. Anderzijds de zone tussen de A73 en het Maas-Waalkanaal. In februari 2025 heeft de gemeenteraad gekozen voor het Kommengebied als zoekgebied voor windenergie. Zowel het Kommengebied, als de A73 zone hebben een potentie van 2 tot 3 windturbines.
De vraag is echter hoe realistisch de keuze voor het Kommengebied is. Dit gebied ligt namelijk volledig in het ‘CNS-vlak’ van het militaire vliegveld Volkel. CNS staat voor Communicatie, Navigatie en Surveillance. In essentie betekent het CNS-beschermingsvlak dat de verkeerstoren zijn werk kan doen en daarbij niet door hoge bouwwerken gehinderd wordt. Dit gebied wordt ook wel aangeduid als CTR-zone of Militaire Control Zone. In het regionale milieueffectonderzoek zijn deze luchtvaartbeperkingen niet meegenomen.
In december 2025 is een onderzoek naar de haalbaarheid van het Kommengebied als zoekgebied voor windenergie afgerond. Uit het onderzoek blijkt dat het Kommengebied ongeschikt is voor windenergie vanwege de radarcontour en de afstand tot een onderstation. De gemeenteraad van Heumen heeft daarom op 29 januari 2026 besloten het Kommengebied niet langer als zoekgebied voor windenergie aan te wijzen.

3.5.4 Zevenaar kiest drie nieuwe zoekgebieden windenergie
De gemeente Zevenaar hanteert de volgende duurzaamheidsdoelen: Zevenaar wil in 2030
de gemeentelijke CO2-uitstoot met 55% hebben verminderd ten opzichte van het jaar
1990. In 2040 wil de gemeente Zevenaar aardgasvrij zijn en in 2050 energieneutraal.
Begin 2025 heeft Zevenaar haar Omgevingsvisie richting 2040 vastgesteld. De gemeente
beschrijft daarin acht samenhangende ambities. Ambitie 5 gaat in op een klimaatneutrale
gemeente. Daarin geeft Zevenaar aan: “Voor windenergie (als onderdeel van de RES-opgave)
zien we mogelijkheden nabij bestaande locaties en langs de A12 (energiecorridor).”
… “We geven zoekzones aan waar we mogelijkheden zien voor grootschalige opwek. We
zetten in op zon op daken. Ook op windturbines, mits goed ingepast eventueel in combinatie
met zon.”
Met die tekst geeft de gemeenteraad van Zevenaar haar kaders mee voor de ontwikkeling
en uitwerking van windenergie binnen de gemeentegrenzen. Het college van Zevenaar
heeft op 19 augustus 2025, in lijn met de gestelde kaders van de Omgevingsvisie, een
drietal zoekgebieden aangewezen voor de ontwikkeling van windenergie. Het gaat om
drie gebieden die aansluiten op bestaande windlocaties, namelijk:
1. Het Zevenaarse gebied aansluitend op het RES-windzoekgebied W.5 bij Innofase in
de buurgemeente Duiven.
2. Het gebied rond het bestaande windpark Byvanck.
3. Het gebied ten noorden van de A12 en de kern Zevenaar.
Daarmee wijst het Zevenaarse college de gebieden in de bouwsteenkaart Leefomgeving
van de Omgevingsvisie Zevenaar (2025) aan als windzoekgebieden binnen de gemeente.
De zoekgebieden liggen grotendeels in lijn met de voorkeursgebieden van het Zevenaarse
‘Toets- en afwegingskader grootschalige duurzame energieopwekking’ uit 2020. In de
komende periode actualiseert het college dit Toets- en afwegingskader en brengt dit
in lijn met de Omgevingsvisie en de aangewezen zoekgebieden voor de ontwikkeling van
windenergie. Dit vergt geen volledig nieuw afwegingskader, maar een aanscherping van
de uitgangspunten naar de huidige situatie.

3.5.5 Druten: lokale afweging in visie op wind- en zonne-energie
De gemeente Druten heeft het doel om in 2040 energieneutraal te zijn. Dat betekent dat de gemeente over 15 jaar lokaal net zoveel schone energie opwekt als dat ze gebruikt. De gemeente heeft dit in 2024 vastgelegd in haar toekomstvisie ‘Samen Sterk, Samen Druten’. Druten richt zich daarbij vooral op zonne-energie. Dat heeft de gemeente in de afgelopen jaren ver gebracht. Zo is in figuur 5 aan het begin van dit hoofdstuk te zien dat Druten binnen de RES-regio de derde plaats inneemt bij duurzame elektriciteitsopwek.
De gemeente Druten heeft eind 2025 haar Lokale Energiestrategie (LES) vastgesteld. Hierin wordt met het Energy Transition Model (ETM) uitgerekend hoeveel energie de gemeente in 2040 moet opwekken om energieneutraal te zijn. De zeven zonneparken die Druten inbracht voor de RES 1.0 zijn hiervoor niet voldoende. De gemeente heeft dus ook nog een aanzienlijke opgave om haar doel van een energieneutrale gemeente in 2040 te bereiken. De planMER laat zien dat er in de gemeente Druten verschillende gebieden zijn waar windenergie technisch mogelijk is. Of en hoe deze mogelijkheden worden benut, wordt lokaal bepaald in een nog vast te stellen visie op windenergie door de gemeenteraad.

3.5.6 Wijchen: tender tussen drie mogelijke windzoekgebieden
De gemeente Wijchen wil, in lijn met het Klimaatakkoord, de CO2-uitstoot terugbrengen en op termijn energieneutraal worden. Energieneutraal betekent dat in de gemeente evenveel energie duurzaam wordt opgewekt, als dat er op jaarbasis wordt verbruikt. Uitgesloten hierbij is de energie die gepaard gaat met mobiliteit van en naar de gemeente.
De gemeente Wijchen heeft in 2024 een Visie Zon en Wind opgesteld. Op basis van de planMER RES GMR heeft de gemeente acht gebieden onderzocht, die misschien geschikt zijn om windmolens te plaatsen. Daarvan zijn drie gebieden overgebleven:
In een van deze gebieden komt dus een windpark. In figuur 12 staan de drie mogelijke windzoekgebieden van Wijchen genummerd. Waar de windmolens precies komen, hangt af van de plek waar het hoogspanningsstation van TenneT komt.
Op dit moment werkt de landelijke netbeheerder TenneT aan een locatiekeuze voor een hoogspanningsstation, in afstemming met de gemeente Wijchen en de provincie Gelderland. Dit hoogspanningsstation kent een aanzienlijke ruimteclaim van circa 26 hectare (exclusief natuur- en watercompensatie). Het ministerie van Klimaat, Groene Groei en Energie (KGG) is het bevoegd gezag voor de besluitvorming over dit station. De precieze locatie van het hoogspanningsstation is nog niet bekend en concurreert met de zoekgebieden voor windenergie. De locatiekeuze voor het hoogspanningsstation gaat voor de aanwijzing van een windzoekgebied. De keuze voor het uiteindelijke windzoekgebied wacht daarmee de komende jaren op duidelijkheid over de locatie en impact van het hoogspanningsstation. De gemeente Wijchen en de GMR onderstrepen het nationale belang van het hoogspanningsstation. Tegelijk betekent het ruimtebeslag dat er in het gebied minder ruimte beschikbaar is voor andere ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder windenergie.
In december 2025 heeft de gemeenteraad van Wijchen het "Gebiedsraamwerk Buitengebied Batenburg, Niftrik, Hernen, Bergharen en Leur" vastgesteld. Dit gebiedsraamwerk, en de daaruit voortkomende gebiedsvisie, worden betrokken bij de verdere regionale uitwerking en afstemming in en rond dit gebied, zodat bij keuzes over energie-opwek, netcongestie en energie-infrastructuur steeds wordt gekeken naar het totaalbeeld en de optelsom van effecten voor natuur, landschap en leefomgeving.

3.5.7 Samenvatting zoekgebieden RES 2.0
Figuur 13 geeft een samenvatting van de zoekgebieden voor zonne- en windenergie in de regio. Hierin zijn de RES 1.0 zoekgebieden opgenomen, aangevuld met de vastgestelde windzoekgebieden in de gemeente Zevenaar. Voor de gemeente Overbetuwe geldt ten opzichte van de RES 1.0 een aanpassing van de zoekgebieden langs de A15.

3.6 Gedragscode Acceptatie en participatie windenergie op land
Om acceptatie van windenergie te bevorderen, hebben verschillende organisaties de
‘Gedragscode Acceptatie & Participatie windenergie op land’ opgesteld. De Gedragscode
is een initiatief van Greenpeace, Milieudefensie, NedZero, Natuur & Milieu, de Natuur-
en Milieufederaties, de Nederlandse Vereniging omwonenden windturbines (NLVOW) en
EnergieSamen. De kern van de gedragscode is dat de omgeving in een zo vroeg mogelijk
stadium bij windprojecten wordt betrokken. Voor ieder project wordt in overleg met
belanghebbenden en het bevoegd gezag een participatieplan opgesteld, waarmee afspraken
over participatie door inwoners vast komen te liggen. Hierbij staat maatwerk centraal.
De Gedragscode bindt de leden van NedZero (voorheen NWEA) aan een aantal basisprincipes
ten aanzien van participatie, communicatie en het leveren van een bijdrage aan het
versterken van acceptatie. Ook de natuur- en milieuorganisaties, de NLVOW en de energiecoöperaties
binden zich door ondertekening van de code aan het verbeteren van participatie waardoor
acceptatie van windenergie wordt vergroot.
De gedragscode verbindt alle ondertekenaars aan de basisprincipes voor lokale betrokkenheid
en werd in 2014 positief gewaardeerd door de minister van Economische Zaken. In 2020
is de Gedragscode Acceptatie & Participatie Windenergie op Land herzien. Zo zijn de
afspraken uit het Klimaatakkoord over het streven naar minimaal 50% lokaal eigendom
toegevoegd en is een paragraaf opgenomen over natuur en landschap.
We onderschrijven het belang van deze gedragscode en de randvoorwaarden die daarmee
gelden voor alle initiatiefnemers en projectontwikkelaars.
We spreken af om deze gedragscode bij windprojecten in de regio te hanteren. Dit is
bij de vaststelling van de Verrijking RES 2024 benoemd als wens vanuit de gemeente
Wijchen. Het staat gemeenten en provincie vrij om hierop zelf aanvullend beleid te
maken.
3.7 Lokaal eigendom in de RES
In de RES 1.0 is afgesproken om te streven naar minimaal 50% lokaal eigendom bij de
ontwikkeling van wind- en zonprojecten in de regio. Dit streven sluit aan bij het
Klimaatakkoord van 2019. De motivatie is dat de energietransitie meer kans op succes
heeft als de lokale bevolking er actief bij betrokken is en er ook de vruchten van
plukt. Dat is belangrijk omdat windturbines en zonneparken worden ingepast in de leefomgeving
van mensen. Een goede betrokkenheid van de omgeving leidt daarbij tot beter ingepaste
projecten, waar een gebrek aan betrokkenheid juist weerstand oproept.
Lokaal eigendom kent diverse vormen. Individuele lokale eigenaren horen daarbij, inclusief
lokale bedrijven en agrariërs. In dat geval blijft de opbrengst van de projecten in
de lokale gemeenschap. Maar als het gaat om betrokkenheid bij de besluitvorming zijn
bredere samenwerkingsverbanden, zoals energiecoöperaties een betere oplossing. Energiecoöperaties
bestaan in vrijwel alle gemeenten in onze regio, zij het in verschillende stadia van
ontwikkeling en realisatie van projecten.
Die lokale betrokkenheid is in de meeste gevallen bij zon-op-dak projecten van meer
dan 15 kWP (de minimum omvang om mee te tellen voor het halen van de RES-doelen) gewaarborgd.
Meestal is de eigenaar van het dak ook eigenaar van het project en in veel gevallen
kan die eigenaar beschouwd worden als onderdeel van de lokale gemeenschap. In een
aantal gevallen wordt het project beheerd door een energiecoöperatie. Bovendien is
het belang van lokaal eigendom bij zon-op-dakprojecten wat minder relevant, gezien
de beperkte impact op de leefomgeving.
Belangrijker is lokaal eigendom bij windturbines en zon-op-landprojecten. Voor beide
typen projecten is helaas sprake van een relatief dalende trend, in elk geval voor
zover het de bijdrage van energiecoöperaties betreft. Hoewel in absolute zin de coöperatieve
productie van zon- en windenergie tussen 2020 en 2024 in onze regio met bijna 150%
is toegenomen, is het aandeel in de totale productie van wind- en zon-op-landstroom
gehalveerd; van 20% naar 10%. Als het om nog te verwezenlijken plannen gaat is het
aandeel van de coöperaties in onze regio veel groter: 34%. Van andere vormen van lokaal
eigendom zijn geen cijfers beschikbaar.
De energiecoöperaties hebben nog veel plannen en staan klaar om de gemeenten te helpen
naar 50% lokaal eigendom toe te werken. Netcongestie speelt hen ook parten, en in
sommige gevallen hardnekkige weerstand van enkelen die tot in de Raad van State doorvechten.
De doelstelling te streven naar minimaal 50% lokaal eigendom blijft relevant en nodig.
Daar waar het belang van decentrale oplossingen in het energiesysteem groeit, gaat
ook het belang van lokaal eigendom groeien. Bij lokaal eigendom worden middelen en
opbrengsten voor een belangrijk deel ingezet ten dienste van de lokale inwoners en
partners. Gemeenten kunnen een cruciale rol spelen in het realiseren daarvan. Zij
kunnen onverbloemd voor lokaal eigendom kiezen en dat ook in woord en daad uitdragen.
Daar zijn goede voorbeelden van, ook in onze regio. Zoals de gemeente Beuningen, die
dit niet alleen als voorwaarde had gesteld voor de realisatie van een flink windpark,
maar ook de vorming van een lokale coöperatie heeft gesteund en nog steeds doet. De
provincie heeft in juni een beleidsregel uitgevaardigd om dit concreet te maken (Beleidsregel
lokaal eigendom en participatie bij duurzame energie. Lokale wet- en regelgeving).
Maar gemeenten kunnen nog verder gaan, zoals in enkele delen van Nederland al gebeurt,
door het zelf gaan deelnemen in lokale projecten, samen met coöperaties. Dat betekent
enerzijds een organisatorische en institutionele versterking en waarborgt anderzijds
dat de lokale bevolking, voor zover die dat wil, via de coöperatie veel meer kan betekenen
dan wanneer het een traditionele gemeentelijke activiteit zou zijn.
Voor meer info over dit onderwerp zie de webpagina lokaal eigendom op de GMR website.
4 Warmte
4.1 Doelstellingen, bod en afspraken RES 1.0
4.1.1 Inleiding
Doelstellingen warmtetransitie bestaande woningvoorraad
De regionale doelstellingen voor warmte zijn afgeleid uit het Nationaal Klimaatakkoord
(2019) en de Europese klimaatwet (2021). Deze leiden tot:
Nationale Doelstelling
•2050: 7 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen zijn van het aardgas af.
•2030: de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen zijn verduurzaamd.
Regionale Doelstelling Groene Metropoolregio
Vertaling van deze doelstellingen naar het aantal woningen in de Groene Metropoolregio
leidt tot:
• 2050: alle woningen verduurzaamd en aardgasvrij (347.000 woningen).
• 2030: de eerste 20% (75.000 woningen) verduurzaamd en aardgasvrij.
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 alle woningen en utiliteitsbouw (zoals scholen, winkels en kantoren) goed geïsoleerd zijn en dat aardgas niet langer de standaard is om gebouwen te verwarmen. Dit noemen we de warmtetransitie van de gebouwde omgeving. In de RES 2.0 richten we ons specifiek op de warmtetransitie van de bestaande woningvoorraad. De relatie tussen de warmtetransities van de gebouwde omgeving, industrie en bedrijventerreinen en de ontwikkeling van warmtebronnen wordt onderzocht in het kader van het uitvoeringsplan energiesysteem van de regio. In deze RES komen utiliteitsbouw en nieuwbouw alleen aan bod als deze relevant zijn voor de warmtetransitie van de bestaande woningvoorraad. Voor nieuwbouw geldt dat deze op basis van het bouwbesluit gasloos en duurzaam wordt gerealiseerd.
4.1.2 Individuele of collectieve aanpak
Bij de overstap naar aardgasvrije alternatieven onderscheiden we een individuele en
een collectieve aanpak. Bij een individuele aanpak vervangen woningeigenaren zelf
hun cv-ketel, bijvoorbeeld door een warmtepomp. Vaak gebeurt dit op een natuurlijk
moment, zoals een verhuizing of verbouwing. Bij een collectieve aanpak schakelt een
heel gebied, in een projectmatige aanpak, over naar een duurzame warmteoplossing.
Dat kan een warmtenet zijn, maar ook een collectieve actie om warmtepompen te installeren.
Hier kan de aanwijsbevoegdheid van de gemeente een rol spelen.
Beide aanpakken brengen aanzienlijke kosten met zich mee voor woningeigenaren, ook
al kunnen ze deze deels of geheel terugverdienen. Investeringen in isolatie en vervanging
van verwarmingsinstallaties zijn niet altijd eenvoudig te financieren. Ook woningcorporaties
kunnen een collectieve aanpak hanteren; zij hebben hierover met het Rijk prestatieafspraken
gemaakt.
4.2 De rol van gemeenten
4.2.1 Inleiding
Gemeenten hebben de regierol in de wijkgerichte aanpak van de warmtetransitie. Uiterlijk eind 2021 hebben zij daarvoor een Transitievisie Warmte (TVW) opgesteld. Voor eind 2026 stellen gemeenten daarnaast een warmteprogramma vast waarin zij minimaal tien jaar vooruitkijken en een visie geven op de lange termijn. Dit warmteprogramma moet elke vijf jaar geactualiseerd worden. De provincie Gelderland geeft in haar Beleidskader Energiesysteem richting aan deze leidende principes: focus op energiebesparing, focus op lokale decentrale inrichting van het energiesysteem en focus op een diverse energiemix. In de warmteprogramma’s wordt per wijk aangegeven wanneer deze overstapt op een andere warmtevoorziening dan aardgas. Daarmee helpen gemeenten de woningeigenaar met de keuze en ondersteunen ze bij de overschakeling naar aardgasvrij verwarmen.

4.2.2 Nieuwe wetgeving
Om gemeenten te ondersteunen in hun regierol wordt een nieuw wettelijk kader ontwikkeld:
-
De Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (WGIW) is een aanvulling op de omgevingswet die gemeenten in staat stelt om, binnen strikte regels, te bepalen waar en wanneer wijken van het gas af gaan. Dit wordt vastgelegd in een warmteprogramma, dat uiterlijk 31 december 2026 moet zijn vastgesteld.
-
De Wet collectieve warmte (Wcw) geeft gemeenten de regie bij de ontwikkeling en exploitatie van warmtenetten en beschermt woningeigenaren door middel van gereguleerde tarieven en toezicht op warmtebedrijven. In de wet staat dat warmtebedrijven voor meer dan 50% in handen dienen te zijn van publieke partijen. De Wet collectieve warmte (Wcw) is op 3 juli 2025 aangenomen door de Tweede Kamer en treedt naar verwachting op 1 januari 2026 in werking, na behandeling en goedkeuring door de Eerste Kamer.
4.3 Waar staan we nu in de regionale warmtetransitie?
De warmtetransitie is in de regio Arnhem-Nijmegen een grote uitdaging. Van de 350.000
woningen wordt circa 85% nog verwarmd met aardgas2. Bij de resterende 15% is het hoofdverwarmingssysteem
een warmtenet, warmtepomp of ontbreekt informatie. In onze regio zijn ongeveer 28.000
woningen aangesloten op warmtenetten van Vattenfall. In de TVW’s maakten de gemeenten
nog weinig keuzes voor warmteoplossingen op de lange termijn. Er werden veelal no
regret-maatregelen aangekondigd zoals isolatie, vaak met een gemeentebrede aanpak.
In enkele gevallen werd de keuze gemaakt voor een warmtenet of onderzoek aangekondigd
naar de haalbaarheid ervan. Tijdens het opstellen van de TVW’s ontbrak het veel gemeenten
aan benodigde kennis en capaciteit. Inmiddels zijn sommige plannen bijgesteld of (tijdelijk)
stilgelegd.
In de afgelopen jaren is de kennis over de warmtetransitie bij gemeenten en hun partners
aanzienlijk gegroeid, onder meer door deelname aan het nationale Programma Aardgasvrije
Wijken (PAW) en het provinciale programma ‘Wijk van de Toekomst’. Landelijke organisaties
zoals NPRES en NPLW bieden hierbij ondersteuning. Hierdoor zijn gemeenten steeds beter
in staat om in hun warmteprogramma’s duidelijke keuzes te maken. Omdat iedereen mee
moet kunnen in de warmtetransitie, doen gemeenten onderzoek naar de haalbaarheid en
betaalbaarheid van hun aanpak en zijn zij in gesprek met betrokken buurten en wijken.
2. https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/dashboard/energie-installaties

4.4 De maatschappelijk gewenste warmteoplossing
Bij de overstap naar aardgasloos verwarmen maken we onderscheid tussen individuele
warmteoplossingen, bijvoorbeeld met een individuele warmtepomp, en collectieve warmteoplossingen
met bijvoorbeeld een warmtenet dat met restwarmte, geothermie, WKO of andere warmte-/koudebron
gevoed wordt. Welke oplossing in financieel opzicht het beste is, hangt niet alleen
af van het financiële plaatje voor de woningeigenaar maar ook van de nationale meerkosten.
Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar de noodzakelijke verzwaring van het elektriciteitsnet.
Deze kosten zijn voor bewoners niet direct zichtbaar, omdat ze landelijk worden gesocialiseerd
en dus gedeeld door alle gebruikers.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in haar startanalyse van 2021 voor
alle buurten en wijken in Nederland een inschatting gemaakt van de maatschappelijk
wenselijke warmte-oplossing. In 2025 is deze analyse verrijkt. De uitkomsten schetsen
een beeld van de aardgasvrije technische opties in 2050, maar zijn nadrukkelijk geen
eindbeeld. Lokale factoren spelen namelijk een grote rol en zijn niet overal in de
analyse meegenomen. De PBL-analyse vormt daarom vooral een startpunt voor het gesprek.
Binnen de GMR is samen met gemeenten, op basis van de startanalyse uit 2020 en aanvullend
onderzoek door het provinciaal Expertteam warmte, een inschatting gemaakt van de wenselijke
warmteoplossing voor de bestaande woningvoorraad van de regio, zie figuur 16. We gaan
nog steeds uit van deze grove inschatting waar warmtenetten mogelijk zijn. Ook klimaatneutraal
gas wordt gezien als individuele oplossing.
-
Voor circa 180.000 woningen is een warmtenet wenselijk.
-
Voor 124.150 woningen is de individuele warmte-oplossing wenselijk.
Wat uiteindelijk de oplossing gaat worden, zullen gemeenten in samenspraak met wijken en buurten besluiten in warmteprogramma’s en wijkuitvoeringsplannen.

4.5 Regionale synergie door samenwerking
4.5.1 Inleiding
De collectieve, maar ook de individuele warmteoplossingen zijn ingrijpende transities met veel knelpunten. Gemeenten kunnen de haalbaarheid vergroten en de kosten verlagen door samen te werken bij de aanleg en exploitatie van warmtenetten, bronnen en transportleidingen. Schaalgrootte, standaardisatie en financiering helpen daarbij. Voor individuele oplossingen kan een gezamenlijke aanpak van gemeenten zich richten op kostprijsverlaging, ontzorging en handelingsperspectief. Hierdoor wordt het voor woningeigenaren betaalbaar en aantrekkelijk gemaakt. Woningisolatie is bij beide routes een noodzakelijke stap. Ook hier kunnen gemeenten samenwerken aan slimme aanpakken om kosten naar beneden te krijgen en inwoners te ontzorgen.
4.5.2 Knelpunten
De gemeenten hebben aangegeven dat ze aanlopen tegen knelpunten: gebrek aan capaciteit, beperkte juridische, organisatorische en financiële kennis, beperkte financiële middelen, onzekerheid over hun rol en gebrek aan ervaring met grootschalige transitieprocessen. Op deze knelpunten werken de gemeenten samen, bijvoorbeeld met ondersteuning van middelen van de SPUK (Specifieke Uitkering) regionale structuur warmte in de periode 2024-2027.
4.5.3 Samenwerking bij isolatie-aanpak
Vanwege kosten en netcongestie is het wenselijk om de warmtevraag van woningen naar beneden te brengen. Dat betekent isoleren. Voor woningeigenaren zijn isolatiemaatregelen vaak ingrijpend. Ze vereisen een flinke verbouwing, forse investeringen en ecologisch onderzoek. De kosten daarvan zijn niet door alle woningeigenaren op te brengen. Ook verdienen ze zich niet altijd binnen een redelijke termijn terug, ondanks de subsidies die het Rijk en gemeenten verstrekken. Door te isoleren op natuurlijke momenten zoals verhuizing of verbouwing worden de kosten van isoleren verlaagd, meegefinancierd en daarmee betaalbaar gemaakt. Maar niet iedereen heeft die kans, het zijn vaak specifieke groepen die bij het isoleren van de woning in de knel komen. Veel gemeenten hebben een aanpak om woningeigenaren te ondersteunen met subsidies, leningen, energieloketten en advies. Gemeenten kunnen gezamenlijk slimme oplossingen ontwikkelen, van elkaar leren en schaalvoordelen bereiken. De regio kan hierbij ondersteunen.
4.5.4 Samenwerking bij aanpak warmtepompen
Volgens de regionale analyse is voor ongeveer 124.500 woningen een elektrische verwarming
met een individuele verwarmingsinstallatie (warmtepomp) wenselijk. Er zijn ook woningeigenaren
in warmtenetgebieden die de voorkeur geven aan een individuele verwarmingsinstallatie.
Voor de woningeigenaar is het vervangen van een CV door een warmtepomp een complexe
en kostbare operatie, ondanks subsidies. De woning vereist een sterkere isolatie en
vaak moeten radiatoren worden vervangen of is de aanleg van vloerverwarming nodig.
Deze maatregelen zijn kostbaar en ingrijpend. Bovendien maakt het op grote schaal
aansluiten van warmtepompen het noodzakelijk om het elektriciteitsnet te verzwaren.
Ook hier geldt dat gemeenten gezamenlijk slimme oplossingen kunnen ontwikkelen waarbij
ze van elkaar leren en schaalvoordelen behalen. Dit is in het bijzonder nodig om inwoners
een haalbaar en betaalbaar alternatief te kunnen bieden wanneer gemeenten wijkgericht
aan de slag gaan met een all-electric oplossing.
4.5.5 Samenwerking bij warmtenetten
Bij de regionale analyse is geschat dat voor ongeveer 180.000 woningen een middentemperatuur warmtenet mogelijk is. Voor woningeigenaren biedt een middentemperatuur warmtenet in principe een eenvoudige en zorgeloze overschakeling: zware isolatie is minder nodig en radiatoren hoeven meestal niet vervangen te worden. Vergeleken met de warmtepomp zijn de investeringen voor de woningeigenaar lager en is er minder overlast. Echter maken woningeigenaren zich zorgen over de kosten van een warmtenet en is het voor hen onduidelijk wat ze zelf aan werk moeten doen in hun woning. Bovendien willen ze ook keuzevrijheid hebben. Ze gaan dus niet altijd voor de warmteoplossing met de laagste maatschappelijke kosten.
Wanneer woningeigenaren zelf overstappen op een individuele warmtepomp, daalt het
aantal potentiële aansluitingen op een warmtenet. Dit maakt de businesscase voor een
warmtenet in dat gebied minder haalbaar. Het is dus niet vanzelfsprekend dat een wijk
met een aangewezen warmtekavel ook daadwerkelijk een warmtenet krijgt. De collectieve
aanpak vraagt daarom om nieuwe inzichten en het delen van ervaringen door gemeenten.
De gemeenten in de regio willen dan ook nadrukkelijk samenwerken om te leren van de
verschillende aanpakken. Ook kunnen ze een rol spelen bij de ondersteuning van woningeigenaren
door ontzorging en financiering.
De laagtemperatuur (LT) en de zeer laagtemperatuur (ZLT) warmtenetten komen steeds
meer in beeld als alternatief voor de middentemperatuur warmtenetten en de individuele
oplossingen. In de regio zijn er nog geen voorbeelden van deze ontwikkeling en het
kennisniveau is nog laag. ZLT warmtenetten zijn mogelijk een alternatief en kunnen
ook koeling bieden. In de regio wordt dit verder onderzocht.
4.6 Warmtebronnen in regio
4.6.1 Inleiding

Warmtenetten worden gevoed met duurzame bronnen. Figuur 17 geeft een inschatting van de warmtebronnen in Nederland. Voor de toekomstige warmtenetten in onze regio is er een aantal opties voor duurzame bronnen:
-
De twee afvalverwerkers AVR en ARN
-
De rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s)
-
Geothermiebronnen
-
Warmtebuffers HTO’s (en overige boven- en ondergrondse opslag)
-
Aquathermie
-
Zonthermie op daken
-
Bodemwarmte (WKO)
-
Restwarmte
Op basis van deze bronnen onderscheiden we in de regio verschillende clusters van gemeenten:
-
Het AVR-cluster bestaat uit vijf gemeenten die samen in gesprek gaan over de ontwikkeling van een robuust warmtenet op basis van AVR-warmte en andere nog te ontwikkelen bronnen zoals de rwzi Nieuwgraaf en het ‘warmte uit water’ project van Arnhem en Lingewaard.
-
Het ARN-cluster telt drie gemeenten die warmtenetten ontwikkelen voor delen van hun gemeenten.
-
Bij het LOAN geothermie initiatief onderzoeken vier gemeenten de haalbaarheid van geothermie waarbij nadrukkelijk het tuinbouwcluster NEXTgarden in Lingewaard en later ook de gebouwde omgeving van warmte kunnen worden voorzien.
In 2025 wordt binnen de regio een warmtebronnenstrategie ontwikkeld die op een later
moment aanleiding kan geven om de clustering van gemeenten naar warmtebron bij te
stellen.
Niet alle gemeenten nemen deel aan de bovengenoemde clusters en binnen vrijwel elke
gemeenten zijn er kernen die zich er niet voor lenen. In de toekomst kunnen voor deze
gemeenten en kernen op basis van behoeften nieuwe clusters worden gevormd. Bijvoorbeeld
bij de gezamenlijke aanpak van aquathermie, benutting van warmte van rwzi’s en thema’s
zoals warmtevraagreductie, warmtebuffers en koeling.
4.6.2 AVR-cluster
Feiten en cijfers
-
Arnhem, Duiven, Westervoort, Rheden en Zevenaar
-
Totaal 135.000 woningen
-
110.000 woningen potentieel geschikt voor aansluiting op het warmtenet
-
Jaarlijks ca. 2,8 PJ nodig
-
Warmteproductie AVR tot 2030: 1,13 PJ per jaar
-
Groei tot 2,7 PJ mogelijk door ontwikkeling warmtebronnen (rwzi, geothermie), seizoenswarmtebuffers en aquathermie
Ontwikkelingen
De gemeenten zijn in mei 2024 een actieplan overeengekomen waarin bestuurlijke afspraken
zijn gemaakt om de bestaande AVR-warmte in te zetten voor de meest concrete en actuele
projecten. Daarin is de realisatie van de prioritaire projecten opgenomen die de overstap
mogelijk maakt van 31.300 woningen met een warmtevraag van 1.115 TJ, op grootschalige
collectieve warmte (op basis van een inventarisatie en analyse van november 2023 en
maart 2024). Het gaat hierbij om woningen in Malburgen-Oost, de Startwijken, Velp
en de eerste wijken van stad-Zevenaar.
De gemeenten zijn nu in gesprek over de doorontwikkeling van het bestaande warmtenet
tot een meerbronnensysteem dat betaalbaarheid, maatschappelijke kosten, CO2-reductie,
leveringszekerheid en technische en organisatorische uitvoerbaarheid combineert. Daarbij
staan een aantal opgaven centraal:
-
Voortzetten van nu al lopende ontwikkelingen met in totaal 26.000 nieuwe aansluitingen van bestaande woningen in het cluster. Hiermee wordt de bestaande capaciteit van AVR benut.
-
Onderzoek naar de haalbaarheid van nieuwe duurzame bronnen, energie-infrastructuur, seizoensopslag en de daarbij behorende warmtenetten.
-
Concretiseren van de samenwerking tussen de betrokken gemeenten en bedrijven die nu al actief betrokken zijn bij het warmtesysteem.
Het verdelingsvraagstuk dat in de RES 1.0 gesignaleerd is bij de AVR wordt zo door gemeenten, warmtebedrijven en warmteproducenten bij voorkeur gezamenlijk (publiek en privaat) opgepakt. Dat leidt naar verwachting tot een duurzaam warmtesysteem met de laagste maatschappelijke kosten.
4.6.3 ARN-Cluster
Feiten en cijfers
-
Nijmegen, Wijchen en Beuningen
-
Totaal 117.000 woningen
-
Ontwikkelgebieden Waalsprong en Waalfront in Nijmegen al aangesloten op warmtenet
-
Warmtenet in ontwikkeling in wijk Dukenburg, Nijmegen
-
Gemeenten onderzoeken voor ca. 64.300 woningen een warmtenet als oplossing
-
ARN belangrijkste bron warmtenet
-
Gemeenten in overleg over benutting ARN warmte, ontwikkeling van warmtenetten en een bronnenstrategie
Ontwikkelingen
Het Expertteam Warmte heeft de mogelijkheden van een warmtenet in dit deel van de
regio onderzocht. Een eerste inschatting is dat de huidige warmteproductie van ARN,
zonder aanvullende duurzame warmtebronnen en warmtebuffers, voldoende is voor de beoogde
nieuwe warmtenetten in de gemeenten Beuningen, Wijchen en Nijmegen. In Nijmegen wordt
in de wijk Dukenburg gewerkt aan de ontwikkeling van een warmtenet. Voor meer wijken
in Nijmegen geldt dat warmtenetten kansrijk zijn. Als alle potentiegebieden in de
drie gemeenten van warmte voorzien gaan worden, vraagt dat om de ontwikkeling van
extra warmtebronnen en buffers. De ontwikkelingsopgave voor het ARN-cluster bestaat
dus uit het zekerstellen van voldoende warmte voor de toekomstige wijken. Gemeenten
zullen, na een eventueel besluit tot aanleg van warmtenetten, die uitdaging op termijn
gezamenlijk moeten oppakken om tot synergie te komen.
4.6.4 LOAN
In vervolg op het in 2022 verschenen ‘Potentie-onderzoek naar geothermie in Gelderland’, onderzoeken vier gemeenten (Lingewaard, Overbetuwe, Arnhem, Nijmegen: LOAN) de potentie van geothermie. In dat kader is door het bedrijf IF-technology aanvullend onderzoek uitgevoerd. De belangrijkste conclusies zijn dat er op enkele locaties mogelijkheden voor geothermie zijn maar dat die omgeven zijn door onzekerheden. Voor het wegnemen van die onzekerheden zijn proefboringen nodig. De gemeenten onderzoeken momenteel Locatie 3 (zie figuur 18) boven het dorp Elst. Deze ligt op acceptabele afstand van de wijk Schuytgraaf (Arnhem), Elst en het tuinbouwcluster NEXTgarden. Op die locatie bevindt zich waarschijnlijk een interessant geothermisch reservoir van ca. 47 à 56 °C op een diepte van 1 à 1,5 kilometer.

De gemeenten werken samen toe naar een proefboring en seismisch onderzoek om daarmee
de onzekerheid te verkleinen en inzicht te verkrijgen in de haalbaarheid van een geothermiebron.
Een lobbytraject richting het Rijk gericht op medefinanciering is hier onderdeel van.
Hoewel het onderzoek zich richt op de belangen van de vier gemeenten, is het van breder
regionaal belang. De bron ligt namelijk dichtbij de ARN- en AVR-clusters en kan bijdragen
aan de ontwikkeling van hun warmtenetten. Bovendien biedt dit inzicht in de bredere
potentie van geothermie in de regio. Als de diepe ondergrond zich hier voor geothermie
leent, dan waarschijnlijk ook op de andere kansrijke locaties.
4.7 Het perspectief voor collectieve warmte
4.7.1 Inleiding
De regionale uitdaging voor 2050 is om 180.000 woningen op een warmtenet aan te sluiten.
Dit is gebaseerd op een analyse van onderzoeksbureau Haskoning, aangevuld met inschattingen
van GMR. Dit wordt in vervolganalyses door gemeenten nader onderzocht.
Een meer-bronnen warmteinfrastructuur maakt efficiënt gebruik van schaalvoordelen,
heeft het voordeel dat de bronnen als elkaars piek- en back-upvoorzieningen kunnen
fungeren én biedt de mogelijkheid om in de toekomst bronnen in en uit te faseren.
In de komende jaren heeft de restwarmte van de afvalverwerkingsinstallaties een groot
aandeel in de regionale bronnenmix. Omdat deze productie naar verwachting richting
2050 afneemt door kleinere afvalstromen, is het noodzakelijk al eerder alternatieve
bronnen te ontwikkelen. Ook om de collectieve warmtevoorziening robuuster te maken
én om gemeenten alternatieve warmtebronnen te kunnen bieden, is het wenselijk om al
ruim voor 2050 te starten met de ontwikkeling van andere duurzame bronnen. Bijvoorbeeld
restwarmte van electrolysers of grootschalige toepassing van aquathermie of zonthermie.
Verschillende gemeenten werken om die reden aan een bronnenstrategie. Die wordt momenteel
verbreed naar een regionale bronnenstrategie. Dit geeft ons inzicht in nog te ontwikkelen
regionale bronnen en een tijdspad hiervoor.
4.7.2 Gemeenten en kernen buiten de clusters
Kleinere kernen die vanwege hun ligging geen onderdeel zijn van deze clusters hebben vaak nog weinig zicht op de haalbaarheid van warmtenetten. Vaak omdat ze geen toegang hebben tot regionale warmtebronnen, geen lokale bron hebben of de haalbaarheid daarvan nog niet bepaald is. Ook profiteren ze niet van de voordelen van samenwerking. Met deze gemeenten werken we samen aan meer lokale oplossingen, zoals een kleine kernen aanpak of kleinschaligere bronnen. Daar kunnen mogelijk nieuwe concepten voor worden ontwikkeld.
4.8 Uitdagingen bij de gemeentelijke aanpak
4.8.1 Inleiding
In de warmtetransitie hebben gemeenten te maken met diverse uitdagingen: technisch, economisch, organisatorisch-juridisch, personele en op het gebied van draagvlak.

4.8.2 Technische uitdagingen
In technisch opzicht ligt de focus voor collectieve warmte in de regio op de grootschalige warmtenetten van ARN en AVR. De benodigde bronnen en systeemcomponenten (geothermie, rwzi, aquathermie en warmtebuffers) staan aan het begin van de opschalings- en kostprijsdalingscurves.
-
Binnen, maar ook buiten onze RES, kijken gemeenten naar specifieke technieken:
-
Laagtemperatuur warmtenetten (tussen 10°C en 55°C). Deze warmtenetten hebben het voordeel dat ze bronnen op lagere temperatuurniveaus kunnen benutten zoals bodemwarmte, lage temperatuur restwarmte, aqua- en riothermie. Daarvoor is een goede isolatie van de woningen belangrijk. Ze bieden soms ook de mogelijkheid om te koelen.
-
Buurtenergiesystemen (BES). Dit zijn kleinschalige warmtenetten gevoed door een collectieve warmtepomp.
-
De holarchische benadering van Topsector Kennis en Innovatie (TKI). Hierbij wordt de energievraag binnen een gebied integraal aangepakt en zoveel mogelijk gedekt door lokale bronnen. Zo worden bovenlokale bronnen alleen ingezet voor het in evenwicht houden van vraag en aanbod.Daardoor hoeft de transportinfrastructuur minder verzwaard te worden, wordt het systeem meer autonoom en robuust en wordt congestie op de transportnetten verlicht. Bij een holarchische benadering kunnen energiegemeenschappen een rol spelen. Opwek, opslag, verkoop, uitwisseling en afname van energie komen daar in diverse vormen coöperatief binnen één energiegemeenschap samen. Tegelijkertijd kan sturing op energieprofielen plaatsvinden aan de opwek- en afnamekant. Hiermee kan de energiegemeenschap bij uitstek de vorm zijn waarin een ‘holon’ (zie figuur 19) kan worden gerealiseerd.
Door binnen de regio met elkaar deze innovatieve concepten nader te onderzoeken en pilots uit te voeren, kunnen we sneller leren.
4.8.3 Economische uitdagingen
De economische uitdaging van de warmtetransitie is groot voor gemeenten. Alle inwoners moeten meekunnen in de warmetransitie. De betaalbaarheid van aansluiting op een warmtenet, een warmtepomp en isolatie staan bij veel gemeenten op nummer één. Subsidies zijn vaak onvoldoende om de hoge kosten te dekken. Het is dan ook noodzakelijk om kosten flink naar beneden te brengen. Schaalvergroting en innovatie kunnen voor collectieve en individuele warmteoplossingen een flinke bijdrage leveren aan kostprijsverlaging. Voor warmtenetten kunnen de kosten van aanleg en exploitatie naar verwachting flink worden verlaagd door vergaande standaardisering en schaalvergroting. Dat kunnen we alleen maar bereiken met intensieve samenwerking tussen gemeenten, publieke en private partijen. Omdat kostprijsverlaging tijd kost, zijn rijkssubsidies vooralsnog onmisbaar en is het ook noodzakelijk om warmtetransportnetten buiten de business case van de gemeentelijke warmtenetten te houden. Voor collectieve warmteoplossingen maakt de GMR zich sterk voor aanvullende financiering van onder meer het Rijk. Voor de warmtetransportnetten zet de GMR een eerste stap met een maatschappelijke kostenbatenstudie. Deze voert ze in het kader van pMIEK, samen met andere regio’s uit.
4.8.4 Juridisch-organisatorische uitdagingen
Ook de juridisch-organisatorische uitdagingen zijn groot voor gemeenten. De Wet collectieve warmte verandert de markt voor warmtenetten fundamenteel.
-
De sector verandert van hoofdzakelijk privaat naar publiek. Gemeenten moeten bepalen hoeveel invloed ze op het warmtenet willen hebben. Voor vergaande invloed op de duurzaamheid, tarieven en de activiteiten van het warmtebedrijf kan een gemeentelijk aandeel in een warmtebedrijf wenselijk zijn. Verschillende gemeenten richten al gemeentelijke warmtebedrijven op of denken na over hun rol.
-
De warmtetarieven zullen niet langer op de prijs van aardgas gebaseerd zijn, maar op de werkelijke kosten van het betreffende warmtenet. Dat kan leiden tot prijsverschillen tussen grote en kleine gemeenten, tussen landelijke en stedelijke gebieden en tussen gebieden met goedkope en dure warmtebronnen die de warmtetransitie in de weg kunnen staan.
In deze sterk veranderende omgeving zoeken veel gemeenten naar de juiste organisatorische vorm. Daarbij bestaat het risico dat gemeenten los van elkaar tot andere keuzes komen. Hierdoor kan een lappendeken van warmtebedrijven ontstaan die de standaardisatie en schaalvergroting in de weg staan. Het is wenselijk dat gemeenten gezamenlijk onderzoeken hoe ze kunnen komen tot een regiobrede organisatie die de warmtetransitie optimaal ondersteunt. Gemeenten kunnen de hulp inroepen van het GWIB (Gelders WarmteInfraBedrijf). Het GWIB helpt hen bij de ontwikkeling van een gemeentelijk warmte-infrabedrijf en kan een rol spelen bij het ontwikkelen van regionale warmtebedrijven.
4.8.5 Uitdagingen op het gebied van draagvlak
Draagvlak voor de warmtetransitie bij inwoners en politiek is essentieel. Gemeenten stellen warmteprogramma’s en wijkuitvoeringsplannen op waarbij ze inwoners intensief betrekken. Betaalbaarheid, ontzorging en handelingsperspectief zijn onmisbare elementen voor het creëren van draagvlak. Daarbij kan socialisatie van kosten tussen dure en minder dure warmtenetaansluitingen het draagvlak vergroten. Specifiek voor restwarmte kan er beperkt draagvlak zijn als het voortbestaan van een vervuilend bedrijfsproces wordt gelegitimeerd door levering van restwarmte. Sommige gemeenten binnen onze regio hebben aangegeven behoefte te hebben aan intensieve samenwerking om regionaal tot wijkuitvoeringsplannen te komen die ontzorgen, draagvlak hebben en betaalbaar zijn.
4.9 Voorstellen voor gezamenlijke actie
Sinds de RES 1.0 zijn er binnen de regio grote stappen gemaakt. De uitdaging is echter
groot: er moeten meer dan 300.000 woningen van het aardgas af waarvan idealiter meer
dan de helft met een collectieve warmtevoorziening wordt verwarmd. Dat vraagt om afspraken
over samenwerking en, vanwege de schaarste aan duurzame warmte, over de ontwikkeling
en inzet van warmtebronnen. De gemeenten spreken daarom het volgende af:
1. We streven naar collectieve warmtesystemen waar dat uit het oogpunt van nationale
kosten de beste oplossing is, maar ook waar dat beter past in het integrale energiesysteem
en het beschikbare ‘doen-vermogen’ in een wijk of buurt. Samen onderzoeken we de technische
en financiële kant van de regionale warmtetransitie.
2. We ondersteunen de ontwikkeling van gemeentelijke of subregionale warmtebedrijven
om te komen tot een betaalbaar aanbod voor onze bewoners en de borging van onze publieke
waarden.
3. We ontwikkelen samen een visie op een optimaal warmtesysteem waar dat gewenst en
relevant is. Dat kan op subregionaal niveau zijn. De visie omvat tenminste de technisch-economische,
bestuurlijke en sociale aspecten. Het doel is versnippering te voorkomen en schaal-
en efficiencyvoordelen te benutten, zodat de warmtetransitie betaalbaar en toegankelijk
blijft. Gemeenten kunnen in hun eigen tempo en binnen hun eigen mogelijkheden aansluiten,
waarbij de visie wordt meegenomen in warmteprogramma’s die gemeenten momenteel ontwikkelen.
4. We werken waar mogelijk en nodig in gezamenlijkheid aan bovengemeentelijke oplossingen,
wisselen informatie over business cases uit en benutten logische koppelkansen. Waar
het kan, werken we met lokale warmtebronnen en -buffers (local for local).
5. We werken regiobreed samen, delen kennis en leren gezamenlijk, hierbij zetten we
in op:
-
Pilots die als voorbeeld voor alle gemeenten kunnen dienen.
-
Het op projectniveau ontdekken van de voordelen van samenwerking om zo te groeien naar haalbare en betaalbare warmtesystemen.
-
Het aansluiten op de energievisie Gelderland waarin wordt opgeroepen tot een slim en decentraal energiesysteem met een diverse energiemix en een flexibel systeem om vraag en aanbod met elkaar te combineren.
5 Colofon
Regionale Energie Strategie
Arnhem-Nijmegen 2025
RES 2.0
Opdrachtgever
-
Bestuurlijk Platform Circulaire Regio - RES
-
Bestuurlijk Opdrachtgever RES:
Maarten van den Bos, wethouder Ruimtelijke Ordening, handhaving, duurzaamheid en milieu gemeente Lingewaard -
Ambtelijk Opdrachtgever RES:
Michiel Hustinx, opgavemanager Circulaire Regio
Proces en contact
Ine van den Hurk, procesregisseur
RES Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen
res@gmr.nl
Opgesteld door
Regionaal project team RES in samenwerking met de gemeenten Arnhem, Berg en Dal, Beuningen,
Doesburg Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden,
Rozendaal, Westervoort, Wijchen en Zevenaar, de waterschappen Rijn en IJssel, Rivierenland
en Vallei en Veluwe, provincie Gelderland en Liander.
Fotoverantwoording
Rien Ramerman
Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen
We hebben geprobeerd alle rechthebbenden met betrekking tot foto’s in het document
te achterhalen. Mocht u desondanks foto’s tegenkomen, waarvan u rechthebbende bent
en u heeft geen toestemming gegeven voor de publicatie ervan, neemt u dan contact
op via res@gmr.nl
Vormgeving
Groep 5700
Meer info
www.gmr.nl/res
Elst, oktober 2025
6 Afkortingen en verklarende woordenlijst
6.1 Afkortingen
EZK = Ministerie van Economische Zaken
GEA = Gelders Energieakkoord
GEIS = Gelderse Energie Infrastructuur
GWIB = Gelders Warmte Infra Bedrijf
HT = Hoge Temperatuur warmte
LT = Lage Temperatuur warmte
m.e.r. = Milieueffectrapportage
MT = Midden Temperatuur warmte
NPRES = Nationaal Programma Regionale Energie Strategie
OER = Opwek Energie op Rijksgronden
PBL = Planbureau voor de Leefomgeving
PS = Provinciale Staten
RES = Regionale Energiestrategie
RSW = Regionale Structuur Warmte
RVO = Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
RWS = Rijkswaterstaat
TVW = Transitievisie Warmte
WUP = Wijkuitvoeringsplan
TWh = Terawattuur
6.2 Verklarende woordenlijst
Aquathermie
Aquathermie is de verzamelnaam voor de winning, opslag en distributie van warmte en/of
koude uit riool-, afval-, drink- en oppervlaktewater.
Energietransitie
Structurele verandering van de samenleving naar een samenleving met duurzame fossielvrije
energiehuishouding.
Gebouwde omgeving
De verzameling bestaande woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen, enzovoorts.
Gelders Energieakkoord (GEA)
In het netwerk van het Gelders Energie Akkoord werken bijna 250 Gelderse organisaties
samen. Inzet: 55% minder CO2- uitstoot in 2030 en een klimaatneutrale provincie in
2050.
Groene Metropoolregio
De Groene Metropoolregio is een samenwerking tussen 18 gemeenten uit de regio. Vanaf
1 januari 2021 werken zij, vanuit een gezamenlijke visie en een regionale agenda van
vijf opgaven, aan een goede balans tussen groei en leefkwaliteit.
Klimaatakkoord
De Nederlandse invulling (juni 2019) van het Klimaatakkoord van Parijs, bestaande
uit meer dan 600 afspraken tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden
om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 te halveren ten opzichte van 1990.
Lokaal eigendom en zeggenschap
Bij lokaal eigendom doen lokale partijen (waaronder inwoners) zowel in financieel
opzicht als in zeggenschap mee in een vorm van duurzame opwekking. Voor nieuwe grootschalige
zonnevelden en windmolens geldt vanuit het Klimaatakkoord en de RES Groene Metropoolregio
Arnhem Nijmegen een streven naar minimaal 50% lokaal eigendom. Lokaal eigendom is
anders dan alleen financiële participatie. Bij die laatste zijn er geen afspraken
over zeggenschap van de omgeving gemaakt. Een voorbeeld van financiële participatie
zonder zeggenschap is het uitgeven van obligaties aan het eind van het ontwikkelproces.
Andere voorbeelden van financiële participatie zijn het kopen van aandelen in een
windpark of zonneveld of een omgevingsfonds.
Nationaal Programma RES (NPRES)
NPRES heeft tot doel om de regio’s zo veel mogelijk te ondersteunen bij het opstellen
van hun RES. Het programma wordt getrokken door de drie koepelorganisaties (VNG, IPO,
en Unie van Waterschappen) en de ministeries van EZK en BZK
Omgevingsvisie
Rijk, provincies en gemeenten stellen ieder een omgevingsvisie op: een strategische
visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving.
Participatie
Meedenken, meepraten en meedoen bij de totstandkoming van een plan of een project
door een brede groep van stakeholders. Dit kunnen zijn bewoners, bedrijven, maatschappelijke
organisaties, (semi) overheden die direct te maken krijgen met het plan of het project.
Participatie in het kader van de RES kun je onderscheiden in proces- en projectparticipatie.
Regionale Energiestrategie (RES)
De Regionale Energietransitie is een instrument om met maatschappelijke betrokkenheid
te komen tot regionale keuzes voor:
De opwekking van duurzame elektriciteit;
De warmtetransitie;
De daarvoor benodigde energie infrastructuur.
De RES is ook een manier om de samenwerking tussen alle regionale partijen (overheden
en maatschappelijke organisaties) te organiseren in voorbereiding op concrete projecten
die voortkomen uit de RES.
Tot slot is de RES een product waarin staat beschreven welke strategie de RES-regio
hanteert om lokale/regionale energiedoelstellingen te bepalen en te behalen. De RES
heeft een horizon van 2030 met een doorkijk naar 2050.
RES-deelnemers
De deelnemers die samen de RES vormgeven en daarover besluiten: de gemeenten Arnhem,
Berg en Dal, Beuningen, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe,
Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort, Wijchen en Zevenaar, de waterschappen Rijn
en IJssel, Rivierenland en Vallei en Veluwe, provincie Gelderland en Liander. Liander
neemt geen besluiten over de RES. Liander (en TenneT) besluiten over de investeringsplannen
voor infrastructuur.
Regionale Structuur Warmte (RSW)
De Regionale Structuur Warmte brengt de vraag naar, het aanbod aan en de infrastructuur
van warmte in kaart. Het is onderdeel van de RES.
Terawattuur
Terawattuur is een meeteenheid voor energie. In het kader van de RES wordt de term
onder andere gebruikt voor de hoeveelheid energie die per jaar wordt gebruikt of opgewekt.
1 terawattuur = 1 miljard kilowattuur = 1.000.000.000 kilowattuur. 1 TWh staat gelijk
aan circa 1.000 hectare zonnepanelen of ongeveer 70 windturbines van 4 MW.
Transitievisie Warmte
In de Transitievisie Warmte leggen gemeenten hun visie vast op de warmtetransitie
en lichten ze hun voorziene strategie op inzet van warmtebronnen toe. Ook wordt vastgelegd
op welke termijn wijken aardgasvrij worden en welke alternatieve warmtevoorziening
voor elke wijk het meest voor de hand ligt.
Warmtecluster
In een warmtecluster komen vraag en aanbod van warmte bij elkaar: er is een warmtebron
met daar omheen gelegen warmtevraagclusters die interesse hebben in de afname van
warmte uit die bron.
Warmtevraagcluster
Een cluster van gebouwen (woningen, bedrijven, enzovoorts) met een bepaalde vraag
naar warmte. De gebouwen vormen samen een cluster omdat ze dicht bij elkaar liggen
en samen een vraag naar warmte hebben ter grootte van minimaal 1.500 woningen. Rondom
clusters vanaf die omvang is de aanleg van een grootschalig warmtenet kansrijk.
Zoekgebied
Een zoekgebied is een bepaald gebied waar windturbines of zonnevelden zouden kunnen
komen. Dit wil dus niet zeggen dat zomaar overal in het zoekgebied turbines of zonnevelden
geplaatst gaan worden. Slechts een deel van het totale gebied zal benut worden.
Initiatiefnemers kunnen een voorstel voor een wind- of zonnepark indienen bij de gemeente.
Of een voorstel uitgevoerd gaat worden, hangt er onder andere van af of er restricties
gelden, zoals wetgeving ten aanzien van natuur en veiligheid. Ook speelt het maatschappelijk
en bestuurlijk draagvlak een rol. De gemeente, de netwerkbeheerder, ontwikkelaars,
inwoners en andere belanghebbenden bepalen samen hoe en waar er gaat worden opgewekt.
Voordat de eerste schop de grond in gaat doorloopt elk nieuw project verschillende
stappen, zoals een toets op de omgevingsvisie, een milieutoets en een vergunningsaanvraag.
Dat biedt inwoners en belanghebbenden meerdere momenten om mee te praten.
Bijlage II Overzicht documentbijlagen
1 Bijlage 1: planMER GMR Arnhem-Nijmegen
Het hoofdrapport van de planMER is digitaal te lezen via deze link: planmer-hoofdrapport.pdf
2 Bijlage 2: Beantwoording wensen en bedenkingen
Geen wensen en bedenkingen:
Berg en Dal, collegebesluit 06-feb-25
Duiven, collegebesluit 10-dec-24
Doesburg, collegebesluit 11-feb-25
Heumen, raadsbesluit 10 jan 2025
Renkum, collegebesluit 11-feb-25
Rozendaal, collegebesluit 03-dec-24
Waterschap Rijn en IJssel, collegebesluit 19-nov-24
Westervoort, collegebesluit 10-dec-24
Zevenaar, collegebesluit 26-nov-24
Overbetuwe, collegebesluit 21-jan-25
Wensen:
1 Opnemen in RES 2.0 verkleint zoekgebied Midden-Betuwe
Reactie RES: Het accurate zoekgebied Midden-Betuwe wordt opgenomen in de RES 2.0.
Nijmegen, collegebesluit 29-jan-25
Wensen:
1 De gemeenteraad spreekt de wens uit dat er een robuust evenwicht wordt nagestreefd
tussen wind- en zonne-energie, dat niet alleen de netbelasting minimaliseert, maar
ook beter aansluit bij de energievraagprofielen en landschappelijke waarden.
Reactie RES: Om de netbelasting te minimaliseren én beter aan te sluiten bij de energievraagprofielen
wordt het aandeel windenergie in de RES 2.0 vergroot. Daarmee wordt ook het evenwicht
tussen wind- en zonne-energie robuuster.
2 De gemeenteraad spreekt de wens uit dat er een goede bestuurlijke afstemming plaatsvindt
tussen buurgemeenten omtrent de plaatsing van windmolens nabij de gemeentegrenzen.
Reactie RES: Een heldere wens. Op regionaal niveau kunnen de ambtelijke en bestuurlijke
platforms Circulaire Regio (APCR en BPCR) hiervoor worden benut.
3 De gemeenteraad spreekt de wens uit dat in de RES2.0 voldoende duurzame opwek is
geïdentificeerd om de CO2-reductie doelstellingen te halen. Deze doelstellingen zijn
echter geen eindstation. Dit biedt een kans om als regio een voortrekkersrol te vervullen
in lijn met het Klimaatakkoord en de nationale klimaatdoelen van 55% CO2-reductie.
Reactie RES: Het Gelders Klimaatplan (januari 2022) becijfert dat een Gelderse bijdrage
van 3,4 TWh in 2030 realistisch is als bijdrage aan het nationale doel van 55% CO2-reductie.
De zes Gelderse RES-ambities tellen op tot 6,5 TWh duurzame elektriciteitsopwek in
2030. Daarmee liggen de ambities en uitwerkingen van de Gelderse RES’en (en de RES
GMR Arnhem-Nijmegen) in lijn met uw wens.
4 De gemeenteraad spreekt de wens uit dat in de RES concrete acties worden opgenomen
voor meer en snellere uitvoering van windenergieprojecten. Zodat het college daad
bij ambitie voegt om de verhouding tussen het totale vermogen van wind en zon te verbeteren.
Reactie RES: In de RES 2.0 wordt de restopgave voor grootschalige elektriciteitsopwek
geadresseerd door zo concreet mogelijk zoekgebieden voor windenergie toe te voegen.
Dit zal tot meer windprojecten leiden.
Voor een snellere uitvoering van windprojecten biedt de RES organisatie alle hulp
die vanuit gemeenten of provincie gewenst is. Echter, op het moment dat de RES organisatie
eigenstandig acteert om windprojecten tot snellere uitvoering te brengen, bestaat
het risico dat dit averechts werkt en juist vertraagt. Ieder project kent z’n eigen
dynamiek van ontwikkelaars, omwonenden, gemeenten en provincie. Als RES faciliteren
we daarin waar mogelijk, maar voeren we niet de regie.
5 De gemeenteraad spreekt de wens uit om in de regio erop toe te zien dat we geen
nieuwe biomassacentrales toevoegen en de aangegeven landelijke verwachting van de
vergroting van het aandeel van biomassa als “duurzame” bron in 2030 te voorkomen.
Reactie RES: Nieuwe biomassacentrales zijn in RES- en regioverband niet aan de orde.
6 De gemeenteraad spreekt de wens uit om in de regio te onderzoeken of een energiemix
waarin biomassa compleet wordt uitgefaseerd mogelijk is. Reactie RES: In de RES 2.0
wordt voorgesteld om in 2026 te starten met het opstellen van een visie op het regionale
energiesysteem. Een van de onderzoeksvragen kan zijn of het mogelijk danwel wenselijk
is om biomassa uit de energiemix uit te gefaseren. Voor de op te stellen visie wordt
eerst een plan van aanpak gemaakt wat voorgelegd zal worden aan de RES-partners.
7 De gemeenteraad spreekt de wens uit om in de RES 2.0 een duidelijkere beschrijving
op te nemen hoe de regio 50% lokaal eigendom als minimum streven gaat realiseren in
2030.
Reactie RES: Voor nadere invulling van de RES 1.0 afspraak om te streven naar minimaal
50% lokaal eigendom, is de adviesraad RES gevraagd om advies uit te brengen voor de
RES 2.0. De adviesraad kent een sterke regionale vertegenwoordiging van energiecooperaties.
Onderdeel van de RES2.0 is het gezamenlijk onderschrijven van de gedragscode Acceptatie
en participatie als uitgangspunt.
Bedenkingen:
1 De gemeenteraad spreekt de bedenking uit dat de concept verrijking vaag blijft over
waar en wanneer extra windparken zullen komen. Dit baart zorgen omdat we nog maar
5 jaar verwijderd zijn van de gestelde deadline van 2030.
Reactie RES: De herijking RES 2024 was inderdaad nog niet concreet over het waar en
wanneer van extra windparken. In de RES 2.0 zijn hiervoor nieuwe zoekgebieden opgenomen.
Beuningen, collegebesluit 13-feb-25
Wensen:
1 We blijven benadrukken dat nu ook andere gemeenten aan zet zijn om verantwoordelijkheid
te pakken. Het gesprek over het verdelen van het zoet en het zuur in de regio moet
wat ons betreft een prikkel zijn om dit op gang te brengen.
Reactie RES: Uw wens lijkt betrekking te hebben op de ontwikkeling van windenergie.
In de RES 2.0 worden nieuwe zoekgebieden windenergie opgenomen in een aantal gemeenten.
2 We roepen op om in te blijven zetten op de ontwikkeling van wind.
Reactie RES: Wij ondersteunen deze oproep. In de RES 2.0 wordt de restopgave voor
grootschalige elektriciteitsopwek ook geadresseerd door zoekgebieden voor windenergie
toe te voegen. Dit zal tot meer windprojecten leiden.
3 Integraal programmeren als jaarlijks proces is geen doel op zicht. Het doel is om
het energiesysteem toekomstbestendig te maken en laten we elkaar daarin scherp houden
wat nodig is. Het bij elkaar brengen van vraag en aanbod moet daarin een rol hebben.
Reactie RES: Het integraal programmeren is inderdaad geen doel op zich, maar is een
middel om inzicht te krijgen in vraag, aanbod en infrastructuur om zo te bouwen aan
een toekomstbestendig systeem. Het bij elkaar brengen van vraag en aanbod heeft ook
de aandacht in de RES.
4 Blijf inzetten op het ondersteunen van gemeenten bij de inzet van warmte, zeker
nu duideijk is dat het doel van 1,62 TWh duurzame elektriciteit opwek onder druk staat.
Reactie RES: Om aardgas uit te faseren, zal ingezet moeten worden op een mix van duurzame
energiesystemen. Alles all-electric is geen optie. In de GMR liggen er belangrijke
kansen voor warmtenetten, mits we dit regionaal oppakken. Warmte zal dus een belangrijke
rol in de RES 2.0 innemen.
5 Laten we er als regio voor zorgen dat, nu het RES-proces onder de Omgevingswet werkt,
dit niet ten koste gaat van de voortgang en de stappen die nodig zijn om onze ambitie
te realiseren.
Reactie RES: Een heldere wens en een belangrijk aandachtspunt in de uitvoering van
de RES-afspraken.
Bedenkingen
1 Het bedrag per inwoner aan de RES als onderdeel van de Circulaire Regio, is geen
vanzelfsprekendheid.
Reactie RES: Jaarlijks wordt de begroting en de bijdragen voorgelegt aan de gemeenten,
daar vindt ook de besluitvorming plaats. De inwonerbijdrage maakt daar onderdeel vanuit.
Arnhem, collegebesluit 12-feb-25
Wensen:
1 Onze wens is om ambitieus te blijven en de projecten die in de pijplijn zitten of
in voorbereiding zijn te realiseren. Daarnaast willen we ook kijken naar de ontwikkelingen
en te nemen acties na 2030, de huidige tijdshorizon van de RES.
Reactie RES: De RES 2.0 richt zich voor het opwekbod op 2030. De acties en intenties
vanuit het energiesysteem kijken meer vooruit. We stellen voor om dit in 2026 een
regionale visie op het energiesysteem uit te werken, hierbij kijken we naar de tijdshorizon
2050.
2 Arnhem spreekt daarbij haar wens uit dat er wordt onderzocht of een energiemix waarin
houtige biomassa compleet wordt uit gefaseerd mogelijk is.
Reactie RES: Bij het opstellen van een regionale energievisie kan ook onderzocht worden
of het mogelijk danwel wenselijk is om houtige biomassa uit de energiemix uitgefaseerd
kan worden.
3 Doordat enkel grootschalige infrastructuuroplossingen op de korte termijn te weinig
effect lijken te hebben, spreekt Arnhem de wens uit om in de RES 2.0 ook een decentrale
aanpak van opwek en opslag (zoals buurtbatterijen) en vraagsturing op te nemen, en
de kennis en oplossingen over een decentrale aanpak optimaal met elkaar te delen.
Reactie RES: In de RES wordt uitvoering gegeven aan het regionaal uitvoeringsplan
energiesysteem. In dit plan staat het beter benutten van het regionale (en decentrale)
energiesysteem centraal om zo de impact op het net en de benodigde infrastructuur
te beperken. Hierbij sturen we het toepassen op slimme beleid- en ontwerpkeuzes voor
wonen, bedrijven, mobiliteit en duurzame opwek.
4 Arnhem spreekt daarbij haar wens uit dat er meer aandacht wordt besteed aan natuur-inclusieve
oplossingen binnen de RES, zoals het combineren van zonne-energieprojecten met natuurherstel
en groene maatregelen, zodat niet alleen biodiversiteit wordt bevorderd, maar er tevens
een gelijk speelveld ontstaat tussen gemeenten.
Reactie RES: Op 12 oktober 2023 heeft de Tweede Kamer een Kwaliteitsbudget gereserveerd
voor het herstellen en versterken van de ecologie en landschapskwaliteit in en om
wind- en zonneparken op land. Het budget is verdeeld over de 30 RES-regio’s: elke
regio ontvangt € 829.000. In de RES 2.0 worden afspraken gemaakt over de verdeling
van dit kwaliteitsbudget.
5 Arnhem spreekt daarbij haar wens uit dat de energietransitie van onze regio niet
ten koste mag gaan van mensenrechten noch mag bijdragen aan oorlog of ernstige schade
aan natuur en klimaat elders.
Reactie RES: Een heldere wens die als aandachtspunt wordt opgenomen in de RES 2.0.
Bedenkingen
1 Arnhem spreekt daarbij haar bedenking uit dat het bod van de RES 1.0 voor grootschalige
opwek niet in lijn is met de klimaatdoelen van het Rijk, sinds deze zijn bijgesteld
naar 55% reductie in 2030.
Reactie RES: Het Gelders Klimaatplan (januari 2022) becijfert dat een Gelderse bijdrage
van 3,4 TWh in 2030 realistisch is als bijdrage aan het nationale doel van 55% CO2-reductie.
De zes Gelderse RES-ambities tellen op tot 6,5 TWh duurzame elektriciteitsopwek in
2030. Daarmee liggen de ambities en uitwerkingen van de Gelderse RES’en (en de RES
GMR Arnhem-Nijmegen) in lijn met uw wens. Mocht u dit anders zien, dan zijn we benieuwd
naar uw onderbouwing.
Wijchen, collegebesluit 17-feb-25
Wensen:
1 Met het vaststellen van de visie op wind- en zonne-energie heeftde gemeente Wijchen
er voor gekozen op te gaan werken volgens de landelijke ‘gedragscode Acceptatie &
participatie Windenergie op land’ . Het is hierbij de wens van de raad om deze landelijke
gedragscode regionaal te omarmt te zien, de RES 2.0 lijkt ons daar een geschikte plek
voor.
Reactie RES: In de RES 2.0 wordt een verwijzing opgenomen naar de Gedragscode Acceptatie
& Participatie Windenergie, inclusief korte samenvatting van wat de gedragscode behelst.
2 De gemeente Wijchen gaat ruimte bieden aan een nieuw te plaatsen hoogspanningsstation
wat meer capaciteit op het landelijke 380 kV-net brengt. Dit station is hiermee een
onmisbare schakel in de energietransitie. Met een oppervlakte van 26 hectare is het
ruimtebeslag ook erg groot. Hierom willen wij een waardering voor het hoogspanningsstation
terugzien in de RES 2.0.
Reactie RES: De ruimtelijke inpassing van hoogspanningsstations is primair belegd
bij de nationale overheid. De regio en RES zijn daar geen directe partij in. Als regio
helpen we de gemeente om te komen tot een zo acceptabel mogelijke (landschappelijke)
inpassing. We zien de grote impact die dit station, samen met meerdere opgaven, heeft
in het gebied. Bovendien beperkt de inpassing van het station de ruimtelijke keuze
voor de invulling van de regionale duurzame opwek. Welke ook een afspraak is met de
landelijke overheid.
3 Het nieuwe energiesysteem vereist een grote hoeveelheid ruimte en heeft daarnaast
een andere ruimtelijke impact dan het oude fossiele systeem. Hier kan gedacht worden
aan de ruimtelijke impact van zon- en windprojecten, maar ook de benodigde ruimte
voor infrastructuur. Dit wordt in de voorligende RES soms indirect benoemd, maar dit
onderwerp verdient zijn eigen paragraaf.
Reactie RES: Een heldere analyse. In de RES 2.0 zal de toenemende ruimtelijke impact
als uitdaging voor de energietransitie expliciet worden vermeld.
4 Aansluitende bij de wens van het college spreekt de raad de wens uit tot compensatie
voor het te bouwen hoogspanningsstation in Wijchen. Er wordt meer duidelijkheid gewenst
over hoe dit gecompenseerd gaat worden. Hiertoe worden een aantal suggesties gedaan,
zoals het inbrengen van duurzame energieuit andere gemeente als eigen bijdrage of
voorrang bij het toekennen van vermogen op het elektriciteitsnet.
Reactie RES: De ruimtelijke inpassing van hoogspanningsstations is belegd bij de nationale
overheid. De regio en RES zijn daar geen partij in. Om het regionale duurzame opwekbod
te halen hebben we alle inbreng van de gemeenten nodig. In de RES 2.0 wordt ook aangegeven
wat we nog van aan aantal gemeenten wordt verwacht. De regio beslist niet over het
toekennen van vermogen op het elektriciteitsnet. Hier gelden de regels van het ACM
en is de netbeheerder gehouden aan deze regels.
5 De belastbaarheid van gebieden is een belangrijk onderwerp voor de raad. In sommige
gebieden komen er nu veel ontwikkelingen samen, terwijl het juist van belang is impactvole
ontwikkelingen te spreiden om zowel bestuurlijk- als maatschappelijk draagvlak te
behouden. In de RES 2024 wordt meerdere malen gewezen op het belang van draagvlak
en het samen klaren van de klus. Hiertoe roept de raad op alle impactvolle ontwikkelingen
in kaart te brengen. Hierbij kan gedacht worden aan de infrastructuur ten behoeve
van het electriciteitsnet, maar ook de verbreding van de A50 en industrieterreinen.
Ook is zicht op de bijdragen per gemeenten op de onderwerpen warmtetransitie en infrastructuur
wenselijk. Ten slotte wordt er met het oog op de provinciale ambities op kernenergie
opgeroepen dit onderwerp ook op te nemen in de RES.
Reactie RES: In de RES 2.0 komt het energiesysteem nog centraler te staan. In zowel
het integraal programmeren als bij het opstellen van een regionale energievisie worden
de ontwikkelingen per subregio in beeld gebracht. Bij de nog op te stellen visie kunnen
we de energievraag en het aanbod per gemeente in beeld brengen. Omdat kernergie een
mogelijke toekomstige bron van energieopwek wordt in onze regio zullen we dit meenemen
bij het uitwerken van de regionale energievisie.
6 Afspraken in de RES raken verschillende bestuurslagen, een verheldering van de verhoudingen
tussen de verschillende bevoegdheden op lokaal, regionaal en provinciaal niveau is
wenselijk. Zo kan de provincie via een provinciaal inpassingsplan (PIP)sturen op netinpassing.
We zien graag terug hoe deze bevoegdheid zich verhoudt tot de afspraken binnen de
RES. Daarnaast zien we graag meer duidelijkheid over wanneer de provincie gebruik
kan en/of moet maken van een PIP en hoe de provincie dit zal doen. Reactie RES: Een
overzicht met bevoegdheden per bestuurslaag en eventueel gebruik daarvan wordt opgenomen
in de bouwstenennotitie
Lingewaard, collegebesluit 18-feb-25
Wensen:
1 Actualisatie zoekzone zon. De zoekzone aan de Lingewal is door de gemeenteraad vastgesteld
in 2017. Echter mogen initiatieven nu niet vergund worden omdat de zoekzone niet als
zodanig in de RES 1.0 zijn opgenomen. Onze wens is dus nadrukkelijk om deze zoekzone
in RES 2.0 op te nemen als zodang.
Reactie RES: De zoekzone aan de Lingewal, zoals vastgesteld door de Lingewaardse gemeenteraad
in 2017 wordt niet opgenomen in de RES 2.0. Deze zoekzone is in strijd met de provinciale
afspraken over voorkeursvolgorde voor opwekken zonne-energie welke zijn vastgelegd
in de zonneladder.
2 De gemeenteraad heeft de energievisie A15-Betuweroute vastgesteld. Dit maakt het
noodzakelijk dat ook de zoekzone Energievisie A15-Betuweroute wordt opgenomen in de
RES 2.0. Deze is formeel nog niet opgenomen in de RES 1.0.
Reactie RES: De zoekzone Energievisie A15-Betuweroute, zoals vastgesteld door de Lingewaardse
gemeenteraad in 2025 wordt opgenomen in de RES 2.0.
3 In ons gemeentelijk Beleidskader Energietransitie is als voorwaarde voor de inpassing
van duurzame opwek opgenomen een efficiënte bijdrage aan het energiesysteem te leveren.
Mits een bedrijf behoefte heeft aan (meer) duurzame energie opwek en het bedrijf kan
aantonen dat er aan deze voorwaarde voldaan wordt, wenst ons college deze locatie
ook mee te kunnen nemen als opwek locatie in RES 2.0
Reactie RES: Energieprojecten die een efficiente bijdrage leveren aan het energiesysteem,
bijvoorbeeld voor bedrijfsverduurzaming en/of aansluiting ‘achter de meter’ worden
opgenomen in de RES 2.0.
Daarbij tevens verwijzend naar mogelijke locaties op basis van bedrijven binnen de
regio die vallen onder het Europese ETS-regime en/of grootverbruiker zijn van (fossiele)
energie.
Druten, collegebesluit mrt-25
Wensen:
1 Participatie. Het is cruciaal om de omgeving en inwoners actief te betrekken bij
toekomstige ontwikkelingen in hun leefomgeving. Wij benadrukken het belang van samenwerking
met lokale energiecoöperaties en het betrekken van de gemeenschap vanaf het begin
van elk project. Dit bevordert niet alleen het draagvlak, maar zorgt er ook voor dat
de belangen en zorgen van de lokale bevolking worden meegenomen in de besluitvorming.
Dit geldt zowel voor besluitvorming rondom zoekgebieden als voor initiatieven voor
grootschalige opwekprojecten.
Reactie RES: Wij onderschrijven dit belang. In de RES 2.0 wordt ook een verwijzing
opgenomen naar de Gedragscode Acceptatie & Participatie Windenergie, inclusief korte
samenvatting van wat de gedragscode behelst.
2 Het is mooi dat de RES 1.0 Verrijking hier al uitgebreid aandacht aan besteedt in
hoofdstuk 6. In de praktijk ervaren we echter dat ons als gemeente weinig tijd wordt
geboden voor uitgebreide participatie en besluitvorming op RES-trajecten, zoals de
visie op windenergie. We hopen dat een verbeterde borging van de benodigde tijd voor
dergelijke trajecten een plek kan krijgen binnen de RES.
Reactie RES: In juli 2023 is de milieueffectrapportage opgeleverd en ter informatie
aan alle raden gestuurd. Vanaf dat moment was het aan de gemeenten zelf om hun windplannen
nader uit te werken in een windvisie of omgevingsvisie om zelf tot de gewenste zoekgebieden
voor wind te komen.
3 Innovatie. De raad pleit voor meer aandacht in de RES voor alternatieve energiebronnen
en opslag zoals geothermie, thermische opslag en batterijsystemen. Het is goed om
te zien dat hier al meer aandacht aan wordt besteed in de verrijkte RES 1.0, maar
we zien dit graag verder uitgebreid met meer concrete projecten en ondersteuning.
De verrijkte RES 1.0 benadrukt dat het energiesysteem van de toekomst meer decentraal
en divers zal moeten zijn. Wij zien veel potentie in kleinschalige en innovatieve
opslag, zoals thermische buffers en batterijen. Deze technologieën kunnen bijdragen
aan een flexibeler en veerkrachtiger energiesysteem en moeten daarom actief worden
gestimuleerd en ondersteund.
Reactie RES: Warmte-opslag komt terug in de RES 2.0 als onderdeel van het totale warmtesysteem.
Momenteel werken we aan een regionale bronnenstrategie waarin we ook stil zullen staan
bij opslag van warmte. We lezen de wens om innovatie (opslag/batterijen) ook als een
wens om een bredere kijk op het energiesysteem weer te geven. In de RES 2.0 hebben
we opgenomen om een regionale kijk op het energiesysteem te maken in 2026. Hierin
kunnen we tegemoet komen aan deze wens. we maken deze kijk pas als de provincie haar
energievisie heeft opgeleverd.
4 Solidariteit. De energietransitie is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van en
voor ons allemaal. De gemeente Druten neemt deze verantwoordelijkheid serieus en heeft
om deze reden 7 zonneparken met een geschat gezamenlijk vermogen van 150 MWp ingebracht
in de RES 1.0. Net als vele andere gemeenten zijn wij trots op ons mooie landschap
en willen dit behouden voor onze inwoners. Dit rijmt niet altijd met de inpassing
van (vele) projecten voor energieproductie. Om deze reden vragen wij aandacht in de
RES voor een gelijke verdeling van de lasten en verantwoordelijkheden tussen de omliggende
gemeenten. Solidariteit en samenwerking zijn essentieel om de doelen van de RES te
bereiken en te zorgen voor een eerlijke en rechtvaardige energietransitie.
Reactie RES: Solidariteit is belangrijk bij het behalen van de opwekdoelen en ook
bij het verdelen energie. Vraag en aanbod in balans brengen binnen onze regio vraagt
samenwerking en solidariteit met elkaar.
3 Bijlage 3: Regionaal programmeren
3.1 Urgentie: Waarom is deze aanpak nodig?
De komende jaren stijgt de gevraagde transportcapaciteit harder dan de verwachte realisatie
van transportcapaciteit. Hierdoor ontstaat een mismatch tussen vraag en aanbod van
elektriciteit, zoals afgebeeld in figuur 20. Om problemen in de energievoorziening
te voorkomen, is het belangrijk om nu keuzes te maken, zodat de benodigde investeringen
van netbeheerders op tijd klaar zijn voor 2030-2050. Deze investeringen zijn nodig
omdat de uitbreidingen van ons elektriciteitsnet, de huidige en geplande ontwikkelingen
niet bij kunnen houden.
Belangrijke oorzaken zijn de aangescherpte beleidsdoelstellingen (ruimtelijk-economisch
en klimaatdoelen) van overheden en de sterke groei in elektriciteitsvraag door verduurzamingsmaatregelen.
Voorbeelden zijn het grote aantal nieuwbouwplannen, verduurzaming van woningen en
het elektrificeren van mobiliteit, glastuinbouw, bedrijventerreinen en industrie.
Er is een sterkere uitwisseling nodig tussen de uitbreidingsplannen van de netbeheerders
en de gevraagde capaciteit vanuit de gebruikers.
De aanpak integraal programmeren is een gestructureerde manier om samen met overheden
en stakeholders te bouwen aan een toekomstbestendig energiesysteem. In deze aanpak
brengen we de uitbreiding van onze energie-infrastructuur (elektriciteit, warmte en
duurzame gassen zoals biogas, en waterstof) in lijn met andere gewenste ruimtelijke
ontwikkelingen, inclusief de realisatie van klimaatdoelstellingen. Alle sectoren met
een claim op het energiesysteem nemen we integraal mee, zoals: industrie- en bedrijventerreinen,
gebouwde omgeving, mobiliteit, land- en glastuinbouw en duurzame opwek.

De gevraagde capaciteit stijgt harder dan de verwachte realisatie van transportcapaciteit
(figuur 20)
Om deze mismatch te verkleinen zijn vier oplossingsrichtingen opgesteld:
A.
Sneller en meer infrastructuur realiseren om de transportcapaciteit te vergroten.
Hierop zetten de netbeheerders maximaal in, maar er zijn ook beperkingen vanwege personeel-
en materiaalschaarste en de doorlooptijden voor engineering, ruimtelijke procedures,
stikstofregelgeving en bouwtijd. Daarom is deze optie momenteel niet voldoende om
het hele gat te overbruggen.
B.
Slimme oplossingen implementeren om de gevraagde capaciteit te verminderen. Hiermee
kun je bestaande transportcapaciteit beter benutten en daalt de gevraagde capaciteit
op piekmomenten. Dit is een oplossing die in de aanpak voor netcongestie en integraal
programmeren wordt uitgewerkt.
C.
Prioriteren en het maken van keuzes is op dit moment onvermijdelijk. Omdat oplossingen
1 en 2 onvoldoende opleveren, is sprake van netcongestie en moeten er keuzes gemaakt
worden over de verdeling van de schaarse transportcapaciteit. De mogelijkheden en
kaders voor prioriteren zijn op dit moment echter beperkt.
D.
Programmeren van ontwikkelingsprojecten en infrastructuur-uitbreidingen biedt ook
een oplossing. Dit betekent dat plannen voor woningbouw of verduurzaming van bedrijventerreinen
later in de tijd worden gepland om te voorkomen dat er nu een groot tekort ontstaat
aan transportcapaciteit. Ook de infrastructuur-uitbreidingen worden geprogrammeerd
in de tijd. Hiermee krijgen de belangrijkste
3.2 Aanpak regionaal programmeren
Om de beschreven resultaten van integraal programmeren te behalen, is meer inzicht
nodig in de toekomstige energievraag, het aanbod, de benodigde infrastructuur en de
ruimtelijke ontwikkelingen. Dit inzicht vormt input voor overheden in de regio en
voor het omgevingsbeleid en het programma energiesysteem van provincie Gelderland.
Ook krijgen gemeenten en netbeheerders een goed beeld van de knelpunten voor het prioriteren
van aansluitingen bij beperkte capaciteit.
In het regionaal integraal programmeren doorlopen gemeenten, Liander en regio samen
een proces van vier stappen. Deze aanpak sluit aan op een methode ontwikkeld door
Liander. Hierin staat de samenwerking tussen de regio, gemeenten, Liander en impactvolle
stakeholders centraal. De aanpak bestaat uit vier stappen die de RES-organisatie en
Liander jaarlijks doorlopen:
1.
Het creëren van een gemeenschappelijke feitenbasis: samen op zoek naar een volledig
en gedeeld beeld van ontwikkelingen in vraag- en aanbod van energie in de regio;
2.
Het in kaart brengen van de benodigde netcapaciteit: een doorvertaling van de (gewenste)
ontwikkelingen in benodigde netuitbreiding in ruimte, tijd en geld (door Liander);
3.
Potentiële keuzes in beeld: de impact op het net proberen te reduceren door samen
ontwerp- en beleidskeuzes voor te bereiden en te vertalen naar concrete acties;
4.
Uitvoeringsplan (aanscherpen): gewenste acties prioriteren en op elkaar afstemmen
en opnemen in het regionaal uitvoeringsplan energiesysteem. Hiervoor is een goede
samenwerking tussen provincies, gemeenten en netbeheerders cruciaal.

Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl