Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757872
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757872/1
Algemene subsidieverordening Roermond 2026
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-05-2026
Intitulé
Algemene subsidieverordening Roermond 2026De raad van de gemeente Roermond,
gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 januari 2026;
gezien het advies van de commissie BS van 3 februari 2026;
gelet op het bepaalde in artikel 149 Gemeentewet en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit:
Vast te stellen de Algemene subsidieverordening Roermond 2026.
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1. Definities
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- •
Awb: Algemene wet bestuursrecht;
- •
boekjaar: een kalenderjaar, tenzij in nadere regels dan wel bij subsidieverlening anders is bepaald;
- •
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond;
- •
Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld;
- •
raad: de gemeenteraad van de gemeente Roermond;
- •
subsidie:
- o
eenmalige subsidie: subsidie ten behoeve van bijzondere activiteiten, experimenten, projecten, investeringen of voor bijzondere prestaties;
- o
structurele subsidie: subsidie die per boekjaar of voor maximaal vier boekjaren per subsidieaanvraag aan een subsidieaanvrager wordt verstrekt, om een bijdrage te leveren aan activiteiten met een voortdurend karakter of jaarlijks terugkerende activiteiten.
- o
- •
nadere regels: specifieke subsidieregeling(en) die het college heeft vastgesteld op grond van deze verordening;
- •
Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47).
Artikel 2. Reikwijdte
-
1. Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college op de volgende beleidsterreinen, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen:
- a.
algemeen bestuur;
- b.
openbare orde en veiligheid;
- c.
verkeer, vervoer en waterstaat;
- d.
economische zaken;
- e.
(regionale) arbeidsmarkt en participatie;
- f.
onderwijs;
- g.
cultuur;
- h.
erfgoed;
- i.
leefbaarheid;
- j.
toerisme en recreatie;
- k.
sport;
- l.
sociale voorzieningen en maatschappelijke dienstverlening;
- m.
volksgezondheid;
- n.
milieu;
- o.
duurzaamheid;
- p.
ruimtelijke ordening en volkshuisvesting.
- a.
-
2. Deze verordening is tevens van toepassing op subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de wet.
Artikel 3. Nadere regels
Het college kan bij nadere regels vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin in ieder geval bepaald:
- •
welke doelgroep(en) voor subsidie in aanmerking komen;
- •
op grond van welke criteria subsidie kan worden verleend;
- •
hoe de hoogte van de subsidie wordt berekend;
- •
voor zover er sprake is van een subsidieplafond, hoe de beschikbare middelen worden verdeeld;
- •
hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.
Artikel 4. Staatssteunregels
-
1. Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij nadere regels afwijken van deze verordening en deze aanvullen.
-
2. Bij nadere regels waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijzen de nadere regels naar het desbetreffende steunkader.
-
3. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.
-
4. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van dat steunkader.
-
5. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader.
Artikel 5. Bevoegdheden, subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
-
1. De raad stelt door middel van de gemeentebegroting de financiële ruimte vast die beschikbaar is voor subsidiëring.
-
2. Het college is bevoegd besluiten te nemen over de verlening, weigering, buiten behandeling stelling, wijziging, intrekking, vaststelling en terugvordering van subsidies.
-
3. Het college is bevoegd om bij nadere regels dan wel subsidieverlening, al dan niet op verzoek van de aanvrager, te bepalen dat een subsidieontvanger een egalisatiereserve vormt als bedoeld in artikel 4:72 Awb.
-
4. Het college is bevoegd om bij nadere regels dan wel subsidieverlening, al dan niet op verzoek van de aanvrager, voorschotten te verlenen op subsidies.
-
5. Het college kan subsidieplafonds vaststellen binnen de financiële ruimte als bedoeld in lid 1 van dit artikel. In dat geval bepaalt het college bij nadere regels de wijze van verdeling van de betrokken middelen.
-
6. Het college kan een subsidieplafond verlagen als:
- a.
het plafond wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar door de raad is vastgesteld of goedgekeurd; en
- b.
de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de gemeentebegroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.
- a.
-
7. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd op grond van het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.
-
8. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.
Hoofdstuk 2. Aanvraag en verlening
Artikel 6. Aanvrager
-
1. Subsidie kan slechts worden aangevraagd door een rechtspersoon zonder winstoogmerk.
-
2. Bij nadere regels kan van het voorgaande lid worden afgeweken.
Artikel 7. Aanvraag
-
1. Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college. Als hiervoor een digitale aanvraagprocedure beschikbaar is, wordt deze gebruikt.
-
2. Bij de aanvraag legt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens over:
- a.
een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;
- b.
de doelen en resultaten die met de activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;
- c.
een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen voor.
- a.
-
3. Aanvullend op het gestelde in het vorige lid, kan het college verzoeken om nadere informatie die voor de beslissing op de aanvraag nodig is, waaronder maar niet uitsluitend:
- a.
een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;
- b.
een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening met betrekking tot de-minimissteun (de-minimisverklaring);
- c.
als het een subsidie betreft die per boekjaar aan een rechtspersoon wordt verstrekt, de stand van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag.
- a.
-
4. Een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt, legt tevens over:
- a.
een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten inclusief bestuurssamenstelling en aan de organisatie gelieerde rechtspersonen,
- b.
een kopie van de inschrijving in de Kamer van Koophandel, en
- c.
voor zover van toepassing: een exemplaar van het jaarverslag, de jaarrekening en/of de balans van het voorgaande jaar.
- a.
-
5. Bij nadere regels kan van de voorgaande leden worden afgeweken.
Artikel 8. Aanvraagtermijn
-
1. Een aanvraag om een structurele subsidie die per boekjaar, zijnde een kalenderjaar, wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk 1 september voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft.
-
2. Een aanvraag om een structurele subsidie die per boekjaar, niet zijnde een kalenderjaar, wordt verstrekt, wordt uiterlijk 12 weken voorafgaand aan dat boekjaar ingediend.
-
3. Aanvragen om eenmalige subsidie worden ingediend uiterlijk 8 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.
-
4. Bij nadere regels kunnen andere termijnen worden gesteld voor het indienen van een aanvraag.
Artikel 9. Beslistermijn
-
1. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.
-
2. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 8, tweede en derde lid, binnen acht weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.
-
3. Bij nadere regels kunnen andere termijnen worden gesteld.
-
4. Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.
Artikel 10. Meerjarige structurele subsidie
-
1. Het college kan besluiten om een meerjarige beschikking af te geven tot maximaal 4 boekjaren. In dat geval kan jaarlijks een indexering worden toegepast.
-
2. In een meerjarige beschikking wordt vermeld op grond waarvan tussentijds eventueel de beschikking tot subsidieverlening kan worden bijgesteld, en ook welke gegevens periodiek dienen te worden overlegd.
-
3. Bij meerjarige beschikkingen kan het college besluiten om, voorafgaand aan een nieuw boekjaar, de beschikking te wijzigen als het door de raad vastgestelde financiële kader daartoe aanleiding geeft.
-
4. Het college bepaalt bij nadere regels of verleningsbeschikking hoe de (tussentijdse) verantwoording plaatsvindt.
Artikel 11. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden
-
1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de wet weigert het college de subsidie in ieder geval:
- a.
als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt, of
- b.
als het gaat om een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als gevolg van een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.
- a.
-
2. Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:
- a.
subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of
- b.
de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader;
- c.
door het verlenen van de subsidie de maximaal toegestane omvang van de steun (steunintensiteit) wordt overschreden.
- a.
-
3. Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren:
- a.
als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente Roermond of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen, tenzij dit verklaarbaar is vanuit de regionale (centrum)functie van de gemeente Roermond;
- b.
als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd of als niet is aangetoond dat de aanvrager over onvoldoende eigen middelen beschikt om de activiteiten uit te voeren;
- c.
als de subsidie naar het oordeel van het college niet of in onvoldoende mate wordt besteed aan het doel waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld;
- d.
als de aanvraag niet tijdig is ingediend als bedoeld in artikel 8 van deze verordening;
- e.
niet voldoet aan criteria die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;
- f.
als de activiteiten van godsdienstige of politieke aard zijn;
- g.
voor zover de activiteiten primair betrekking hebben op verteer en vertier;
- h.
als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift, het algemeen belang of de openbare orde;
- i.
als subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;
- j.
in de bij de betrokken nadere regels bepaalde gevallen.
- a.
-
4. Voor zover na subsidieverlening blijkt dat sprake is van hetgeen in lid 1 tot en met 3 is vermeld, kan het college de subsidieverlening wijzigen of intrekken.
Artikel 12. Aan een subsidie verbonden algemene verplichtingen
-
1. Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan het college.
-
2. Een subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over:
- a.
beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;
- b.
relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;
- c.
ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen;
- d.
wijziging van de statuten voor zover het gaat om de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders, en het doel van de rechtspersoon.
- a.
-
3. Een subsidieontvanger voert een administratie die zo is ingericht, dat daaruit te allen tijde de van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en ontvangsten blijken.
-
4. De subsidieontvanger is verplicht het personeel en de bij de activiteiten betrokken vrijwilligers te verzekeren tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid.
-
5. De subsidieontvanger dient medewerking te verlenen aan onderzoeken die het college, de raad dan wel de rekenkamercommissie in het kader van de subsidiëring nodig acht.
-
6. De activiteiten van de organisatie open te staan voor iedereen zonder onderscheid naar enig persoonskenmerk dan wel beperking, behalve voor zover er sprake is van een op een specifieke doelgroep gerichte activiteit.
-
7. Een subsidieontvanger die aangemerkt wordt als een professionele organisatie dient in het personeelsbeleid bijzondere aandacht te besteden aan de kansen van groepen die een achterstand hebben op de arbeidsmarkt.
Artikel 13. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
-
1. Bij nadere regels of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de wet worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.
-
2. Bij nadere regels kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. In de toelichting bij de nadere regels wordt toegelicht waarom daartoe wordt overgegaan.
-
3. Bij nadere regels of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de wet. Daarbij wordt ook aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.
Hoofdstuk 3. Verantwoording en vaststelling
Artikel 14. Verantwoording
Voor zover dit niet is bepaald bij nadere regels, wordt bij de verleningsbeschikking vermeld hoe de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.
Artikel 15. Wijze van verstrekking en vaststelling subsidies tot en met € 5.000
-
1. Subsidies tot en met € 5.000 worden door het college verleend onder gelijktijdige vaststelling.
-
2. Bij nadere regels of verleningsbeschikking kan het college afwijken van hetgeen in het vorige lid van dit artikel is bepaald.
Artikel 16. Verantwoording subsidies van meer dan € 5.000
-
1. Bij subsidies van meer dan € 5.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in:
- a.
bij structurele subsidies:
- i.
in geval van een subsidie die per boekjaar, zijnde een kalenderjaar, wordt verstrekt, uiterlijk voor 1 mei van het jaar dat volgt op het betrokken boekjaar;
- ii.
in geval van een subsidie die per boekjaar, niet zijnde een kalenderjaar, wordt verstrekt, uiterlijk binnen 12 weken na afloop van het betrokken boekjaar;
- i.
- b.
bij eenmalige subsidies: uiterlijk 12 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, of de periode waarvoor de subsidie is verleend is verstreken.
- a.
-
2. De aanvraag bevat:
- a.
inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;
- b.
een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);
- c.
een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop.
- a.
-
3. Bij een subsidie van meer dan € 100.000,- maar minder dan € 200.000,-, dient de aanvraag tot vaststelling voorzien te zijn van een beoordelingsverklaring, opgesteld door een daartoe bevoegde onafhankelijke accountant.
-
4. Bij een subsidie vanaf € 200.000,- dient de aanvraag tot vaststelling voorzien te zijn van een controleverklaring, opgesteld door een daartoe bevoegde onafhankelijke accountant.
-
5. De verklaring als bedoeld in lid 3 en 4 van dit artikel dient ook te betrekking te hebben op de naleving van de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.
-
6. Bij nadere regels kan het college afwijken van hetgeen in dit artikel is gesteld.
Artikel 17. Vaststelling subsidies van meer dan € 5.000
-
1. Het college stelt een subsidie van meer dan € 5.000 vast binnen 12 weken na de ontvangst van een aanvraag tot vaststelling, tenzij bij nadere regels of subsidieverlening anders is bepaald.
-
2. Deze termijn kan eenmaal voor maximaal 8 weken worden verdaagd.
-
3. Bij nadere regels kunnen categorieën van subsidies of subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie wordt verleend onder gelijktijdige vaststelling.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 18. Hardheidsclausule
-
1. Het college kan in individuele gevallen ontheffing verlenen van een of meer verplichtingen van deze verordening.
-
2. Het college kan in bijzondere omstandigheden in individuele gevallen afwijken van een of meer bepalingen in deze verordening, als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.
-
3. In nadere regels kan worden bepaald dat het college kan afwijken van die regels, als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.
-
4. In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 19. Evaluatie
Het college stuurt tenminste eenmaal in de vier jaren aan de gemeenteraad een evaluatieverslag over de doeltreffendheid en de effecten van op deze verordening verstrekte subsidies in de praktijk.
Artikel 20. Inwerkingtreding en overgangsrecht
-
1. Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2026.
-
2. De Algemene subsidieverordening 2008 Roermond wordt ingetrokken.
-
3. Door het college op grond van artikel 3, vierde lid, van de Algemene subsidieverordening 2008 Roermond vastgestelde beleidsregels berusten, als zijnde nadere regels, op artikel 3 van deze verordening.
-
4. Op aanvragen die zijn ingediend voor de datum als bedoeld in lid 1 van dit artikel, maar waarover op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening nog geen besluit is genomen, zijn de bepalingen van deze verordening van toepassing.
-
5. Op aanvragen waarop een beslissing is genomen op grond van de Algemene subsidieverordening Roermond 2008, blijft die verordening van toepassing, die ter zake zijn rechtskracht behoudt.
Artikel 21. Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Algemene subsidieverordening Roermond 2026’ (Asv 2026).
Ondertekening
Aldus besloten door de raad van de gemeente Roermond in zijn openbare vergadering van 26 februari 2026.
De griffier, R.M. van der Weegen
De voorzitter, Y.F.W. Hoogtanders
Toelichting op Algemene subsidieverordening Roermond 2026
Artikelsgewijs
Artikel 1. Definities
In dit artikel is een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren regelingen. Deze definities zullen dus niet nogmaals in de verschillende nadere regels opgenomen hoeven te worden. Ook kan hier niet van worden afgeweken.
Er is geen definitie opgenomen van subsidie. Wat onder een subsidie moet worden verstaan, is omschreven in artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Kenmerken van een subsidie zijn dat er aanspraak is op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Overigens: ook garanties en leningen kunnen onder het subsidiebegrip vallen. Zie CBb 06-10-2016, ECLI:NL:CBB:2016:317 en CBb 01-05-2018, ECLI:NL:CBB:2018:237.
Het begrip Europees steunkader is wel gedefinieerd. Mocht het zo zijn dat een Europees steunkader wordt gewijzigd, aangepast of verlengd dan is het van belang dat de steun in overeenstemming is met de nieuwe bepalingen die daarin zijn opgenomen. Waarschijnlijk zal dat dan moeten leiden tot aanpassen van de desbetreffende nadere regels (zie toelichting bij artikel 3).
Bij het vervallen van een Europees steunkader kan er niet langer rechtmatig staatssteun worden verstrekt. Het is daarom raadzaam de looptijden van de Europese steunkaders in acht te nemen.
Artikel 2. Reikwijdte
Met het eerste lid krijgt het college de bevoegdheid overgedragen om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop de Algemene subsidieverordening Roermond 2026 (hierna: Asv 2026) van toepassing is.
Dit betreft in beginsel alle subsidies op de genoemde beleidsterreinen, met inbegrip van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is.
Artikel 3. Nadere regels
Met dit artikel krijgt het college de bevoegdheid om in een specifieke subsidieregeling, hier en verder nadere regels genoemd, de te subsidiëren activiteiten te bepalen. Voor zover het college iets wenst te regelen met betrekking tot de doelgroepen die voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van uitbetalen, dient dit eveneens in de nadere regels te gebeuren.
In andere artikelen van de Asv 2026 worden andere bevoegdheden gedelegeerd die betrekking hebben op de inhoud van de nadere regels: het afwijken van termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie en de wijze van verdelen van het subsidieplafond.
Voor zover het college geen gebruik maakt van de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen is het slechts in beperkte mate mogelijk om subsidies te verstrekken. De hoofdregel van de Awb is namelijk dat subsidieverstrekking gebaseerd moet zijn op een wettelijk voorschrift, zoals nadere regels, waarin de te subsidiëren activiteiten staan vermeld. Op grond van artikel 4:23, derde lid, van de Awb bestaan hierop maar vier uitzonderingen:
- a.
de spoedeisende subsidieverstrekking (tijdelijk, vooruitlopend op de vaststelling van een wettelijk voorschrift);
- b.
de subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost (de begroting dient de subsidieontvanger en het bedrag dat ten hoogste kan worden vastgesteld te vermelden);
- c.
de incidentele subsidieverstrekking (voor uitzonderlijke gevallen, en als er in beginsel slechts een keer subsidie zal worden toegekend);
- d.
de Europese subsidies (is voor gemeenten nauwelijks van belang).
Artikel 4. Staatssteunregels
Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er in de nadere regels afgeweken wordt van de Asv 2026, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd.
Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese Commissie dat in nadere regels en subsidiebeschikkingen die gebruik maken van het Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld.
Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader (vierde lid). Net zo goed als dat bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, kunnen ondernemingen alleen in aanmerking komen als de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader (vijfde lid).
Artikel 5. Bevoegdheden, subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
- 2.
De raad stelt door middel van de gemeentebegroting de financiële ruimte vast die beschikbaar is voor subsidiëring.
- 3.
Het college is bevoegd besluiten te nemen over de verlening, weigering, buiten behandeling stelling, wijziging, intrekking, vaststelling en terugvordering van subsidies.
- 4.
Het college is bevoegd om bij nadere regels dan wel subsidieverlening, al dan niet op verzoek van de aanvrager, te bepalen dat een subsidieontvanger een egalisatiereserve vormt als bedoeld in artikel 4:72 Awb.
- 5.
Het college is bevoegd om bij nadere regels dan wel subsidieverlening, al dan niet op verzoek van de aanvrager, voorschotten te verlenen op subsidies.
Vierde lid
De figuur van de egalisatiereserve is gebaseerd op artikel 4:72 van de Awb. Een egalisatiereserve is een reserve van de subsidieontvanger waaraan als bestemming het dekken van exploitatierisico’s is verbonden. De reserve wordt gevormd om tot een gelijkmatige verdeling van lasten te komen. Op grond van artikel 4:58 van de Awb is artikel 4:72 van de Awb alleen van toepassing op per kalender- of boekjaar verstrekte subsidie aan een rechtspersoon en bovendien enkel als dat in de Asv 2026, nadere regels of bij de subsidieverlening is bepaald. De verplichting een egalisatiereserve te vormen als bedoeld in het eerste lid kan dus enkel aan rechtspersonen worden opgelegd, voor per kalender- of boekjaar verstrekte subsidies.
Het college kan bij een verleningsbeschikking voor een subsidie die per kalender- of boekjaar wordt verstrekt bepalen dat de subsidieontvanger een egalisatiereserve dient te vormen (eerste lid). In dat geval komt het verschil tussen het vastgestelde subsidiebedrag en de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve. De reserve wordt dus gevormd uit exploitatieoverschotten om eventuele toekomstige tekorten op te vangen.
Naast een door het college opgelegde verplichting kan op grond van het tweede lid elke subsidieontvanger het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen.
Omdat de egalisatiereserve dient om tekorten in het ene jaar te compenseren met overschotten in het andere jaar, heeft de toepassing van het eerste of tweede lid alleen zin bij subsidies die in een reeks van jaren achter elkaar worden verstrekt.
Zesde lid
Op grond van dit lid is het college bevoegd de subsidieplafonds vast te stellen. De wijze van verdelen wordt vastgelegd in de betreffende nadere regels. In dat laatste geval zal verwezen moeten worden naar reeds geldende nadere regels. Als er nog geen geldende nadere regels zijn, treden de nadere regels en het subsidieplafond gelijktijdig in werking treden. Als alternatief geldt, dat de nadere regels weliswaar voor het vaststellen van het subsidieplafond in werking kunnen treden maar dat aanvragen pas ná het vaststellen van het subsidieplafond kunnen worden ingediend. Als dit niet (juist) geregeld is kan het subsidieplafond niet worden tegengeworpen aan aanvragers die hun aanvraag hebben ingediend voor bekendmaking (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Daarnaast wordt er, indien van toepassing, gewezen op de mogelijkheid het subsidieplafond te verlagen (tweede en derde lid, zie verder hieronder). De raad stelt uiteraard nog steeds de financiële kaders vast (in de begroting). Het is binnen die kaders dat het college vervolgens de subsidieplafonds kan vaststellen.
Het college, dat via het tweede en derde lid van dit artikel de bevoegdheid gedelegeerd heeft gekregen om te besluiten over het verstrekken van subsidies, is verder verplicht – in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste lid, van de Awb – (in bepaalde gevallen) om bij het gebruik maken van deze gedelegeerde bevoegdheid een begrotingsvoorbehoud te maken.
Zevende en achtste lid
De verlaging van een subsidieplafond heeft in beginsel geen gevolgen voor aanvragen die vóór bekendmaking van de verlaging zijn ingediend (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb).
Dat is anders als aan de drie voorwaarden genoemd in artikel 4:28 van de Awb is voldaan:
- 1)
aanvragen voor de desbetreffende subsidie moeten worden ingediend voordat de begroting is vastgesteld of goedgekeurd.
- 2)
verlaging vloeit voort uit vaststelling van de begroting, en
- 3)
de mogelijkheid van verlaging is aangekondigd bij de vaststelling van het oorspronkelijke subsidieplafond.
Om te waarborgen dat het college alleen overgaat tot verlaging van subsidieplafonds als die verlaging ook daadwerkelijk kan worden gebruikt is het zevende en achtste lid opgenomen. Het komt er op neer dat een subsidieplafond alleen kan worden verlaagd als het oorspronkelijke subsidieplafond is vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld én de aanvragen voor de vaststelling van de begroting moesten zijn ingediend én er bovendien op de mogelijke verlaging wordt gewezen bij de bekendmaking van het plafond.
Artikel 6. Aanvrager
Dit artikel regelt door wie een aanvraag op grond van deze verordening kan worden ingediend. Als hoofdregel geldt dat subsidie kan worden aangevraagd door een rechtspersoon zonder winstoogmerk. In nadere regels kan het college besluiten daarvan af te wijken.
Artikel 7. Aanvraag
In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan; en dat als hiervoor een aanvraagprocedure beschikbaar is, de aanvraag dan met gebruikmaking van deze procedure gedaan moet worden. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits de digitale weg open is gesteld. In het tweede en derde lid is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag in elk geval overgelegd dienen te worden. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag; dit volgt uit de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG). Een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt, moet nog aanvullende stukken overleggen (vierde lid).
Bij nadere regels kan het college besluiten hiervan af te wijken bijvoorbeeld door voor aanvragen om bepaalde subsidies meer of andere gegevens en bescheiden te verlangen.
Artikel 8. Aanvraagtermijn
De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen structurele subsidies die per kalenderjaar of per boekjaar worden verstrekt, en eenmalige subsidies.
Bij nadere regels kan het college besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in het eerste tot en met derde lid (vierde lid).
Artikel 9. Beslistermijn
Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen structurele subsidies per kalenderjaar of boekjaar en eenmalige subsidies. Bij nadere regels kan het college besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid (derde lid).
De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (vierde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU en vervolgens teruggevorderd dient te worden.
Artikel 10. Meerjarige structurele subsidie
Het college is bevoegd een structurele subsidie meerjarig te verlenen, tot een maximum van vier boekjaren.
Artikel 11. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden
Eerste lid
In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld.
Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond in het eerste lid, onder a).
Bepaalde Europese steunkaders verbieden – als er een bevel tot terugvordering uitstaat – alleen het verlenen van staatsteun onder de betreffende verordening; niet het verlenen van subsidies in het algemeen. Door de in het eerste lid, onder b, gekozen formulering van de weigeringsgrond in combinatie met het verplichtende karakter komt het in de Asv 2026 echter neer op een – op zichzelf verdedigbare – verbreding van de weigeringsgrond tot het verlenen van subsidies in het algemeen (als er een bevel tot terugvordering uitstaat).
Tweede lid
In het tweede lid is een absolute weigeringsgrond opgenomen voor die gevallen dat overgaan tot subsidieverstrekking strijdigheid op zou leveren met een Europees steunkader omdat er dan subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het toepasselijke steunkader of omdat de betreffende subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het toepasselijke steunkader. Een onderneming wordt naar oordeel van de Europese Commissie beschouwd als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Meer informatie over dit begrip is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren (van de Europese Commissie) voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01). Dat er sprake moet zijn van een stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij anders – zonder de steun – niet had uitgevoerd. Ook houdt het in beginsel in dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart.
Derde lid
In het derde lid zijn nog een aantal facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht. Deze gelden in aanvulling op artikel 6 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob).
Onderdeel b geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt. Aanvrager beschikt over voldoende eigen middelen als het eigen vermogen van de aanvrager groter is dan de totale begrote kosten voor het komende boekjaar.
Onder f kan het college de aanvraag weigeren wanneer deze activiteiten van zuiver politieke of godsdienstige aard betreft. Activiteiten van culturele aard, die mogelijk een godsdienstige oorsprong hebben, vallen hierbuiten.
Onder g kan het college de aanvraag weigeren wanneer deze primair betrekking heeft op activiteiten in het kader van verteer en vertier. Voor zover het verteer en vertier duidelijk ondersteunend is aan een activiteit, zowel in aard als omvang, kan het college besluiten deze wel als subsidiabel aan te merken.
Onder i is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het college een aanvraag kan weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan dan nadat deze overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VWEU (de meldingsprocedure) is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking die in beginsel niet ongeoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan de-minimissteun. In deze gevallen kan het college óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te verkrijgen. Als het college besluit over te gaan tot melding, dan wordt in verband met de standstill-verplichting de beslistermijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (zie artikel 8, vierde lid). Als de Europese Commissie besluit de voorgenomen subsidieverstrekking niet goed te keuren, dan zal het college de aanvraag alsnog weigeren (zie het eerste lid, onder a). Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een andere grond worden geweigerd.
Onderdeel j ten slotte geeft het college de bevoegdheid in een nadere regels nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.
Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Dit op grond van artikel 3 van de Wet terugvordering staatssteun. Een bepaling daarover in de Asv 2026 is daarvoor niet nodig, omdat deze verplichting rechtstreeks uit de Wet terugvordering staatssteun voortvloeit.
Een subsidie kan ook (geweigerd en) ingetrokken worden in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 6 van die wet.
Artikel 12. Aan een subsidie verbonden algemene verplichtingen
Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en informatieplicht (tweede lid) die voor alle subsidieontvangers geldt. Met ‘schriftelijk’ in het eerste lid is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. De melding kan ook digitaal worden gedaan als het college de digitale weg open heeft gesteld.
Op grond van het vierde lid dient de aanvrager zijn personeel en vrijwilligers adequaat te verzekeren. Voor zover beroep kan worden gedaan op een collectieve vrijwilligersverzekering (al dan niet via de gemeente) is dit toegestaan.
Het zesde en zevende lid van dit artikel zien op het inclusiebeleid van de gemeente.
Artikel 13. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb).
Wat betreft het eerste en tweede lid wordt het creëren van deze mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden geboden door de artikelen 4:38 (voor zover het betreft verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) en 4:39 (voor zover het betreft verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) van de Awb. In beginsel dient de Asv 2026 hiervoor een uitdrukkelijke grondslag te bieden, of – in het geval van verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie – de verleningsbeschikking.
Het eerste lid ziet op de verplichtingen die verband houden met de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eisen inzake de deskundigheid van de personen die de te subsidiëren activiteit uit zullen voeren.
Het tweede lid maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet strekken tot verwezenlijking van het eigenlijke doel van de gesubsidieerde activiteit. Het betreft echter geen vrijbrief, deze verplichtingen moeten wel enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten of om de activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het opleggen van oneigenlijke subsidieverplichtingen terughoudendheid dient te worden betracht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het college van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk gemotiveerd worden.
In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan het bestuursorgaan. Het gaat daarbij om de volgende gevallen:
- –
als de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt;
- –
als de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;
- –
als de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd;
- –
als de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of
- –
de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.
Deze vergoedingsplicht echter geldt alleen als hierin is voorzien in de verordening of nadere regels, of – als deze ontbreken – in de subsidiebeschikking. Daarbij moet zijn bepaald hoe de hoogte van de vergoeding wordt berekend (dit hoeft geen volledige compensatie te betreffen). Met het derde lid krijgt het college de bevoegdheid om hier uitvoering en invulling aan te geven. In de praktijk zal dit alleen aan de orde zijn bij rechtspersonen die jaarlijks subsidie ontvangen, maar het is ook mogelijk in andere gevallen.
Artikel 14. Verantwoording
Geen nadere toelichting.
Artikel 15. Wijze van verstrekking en eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000
Subsidies tot en met € 5.000 kunnen op basis van vertrouwen worden verstrekt; er wordt dan niet standaard om verantwoording gevraagd. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij niet nakoming van de verplichtingen (zie artikel 12). Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de subsidieontvanger.
Als de subsidieontvanger al (positief) bekend is zal de subsidie bij een dergelijk klein bedrag meestal direct vastgesteld en uitbetaald kunnen worden. In andere gevallen kan er eerst verleend worden, gevolgd door een ambtshalve vaststelling (eerste lid). In zo’n geval wordt een eventueel voorschot in één termijn (lumpsum) verstrekt en hoeft de subsidieontvanger geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard, terwijl toch het risico voor de gemeente beperkt blijft.
Verder wordt in het geval van verlening gevolgd door ambtshalve vaststelling, in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde activiteiten moeten zijn verricht. De subsidie wordt vervolgens, binnen een nader bepaalde termijn, ambtshalve vastgesteld door de subsidieverstrekker. In het tweede lid is een afwijkende termijn opgenomen voor situaties waarin speciale rapportageverplichtingen worden opgelegd.
Artikel 16. Verantwoording subsidies van meer dan € 5.000
In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie vanaf € 5.000 aan het college dienen te verantwoorden; er dient een aanvraag tot vaststelling ingediend te worden (eerste en tweede lid), deze bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan (tweede lid). Ingevolge dit artikel wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt.
Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring, andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enz. Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt.
Lid drie tot en met zes regelt in welke gevallen de aanvrager een verklaring van een onafhankelijke accountant moet indienen, om de rechtmatige besteding van de subsidie aan te tonen.
Voorts kan het college, overeenkomstig het zesde lid, in de nadere regels aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen dan een inhoudelijk verslag. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording; dit volgt uit de AVG. Ook kan het college in nadere regels andere bedragen aanhouden dan hetgeen bepaald is in het derde en vierde lid van dit artikel.
Artikel 17. Vaststelling subsidies van meer dan € 5.000
Het eerste lid bevat – overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb – de termijn waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden; wel bestaat de mogelijkheid tot verdagen (tweede lid). Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn – voor de duur van ten hoogste de in het tweede lid nader bepaalde termijn – biedt dan uitkomst. Een besluit tot verdaging op grond van het tweede lid is appellabel (dit in tegenstelling tot een mededeling op grond van artikel 4:14 van de Awb dat de – eventueel verdaagde – termijn niet gehaald wordt). Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording; dit volgt uit de AVG.
Artikel 18. Hardheidsclausule
Deze bepaling is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen vasthouden aan een bepaling in de Asv 2026 wegens bijzondere omstandigheden onevenredig kan zijn tot de daarmee te dienen belangen.
Op grond van het tweede lid kan het college bovendien in een nadere regels een hardheidsclausule opnemen die ziet op nader in die nadere regels aangegeven bepalingen.
Artikel 19. Evaluatie
Geen nadere toelichting.
Artikel 20. Inwerkingtreding en overgangsrecht
Geen nadere toelichting.
Artikel 21. Citeertitel
Geen nadere toelichting.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl