Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Stede Broec 2026

Geldend van 04-03-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Stede Broec 2026

De raad van de gemeente Stede Broec;

Overwegende dat het aanbeveling verdient de Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 20 aan te passen en te actualiseren als gevolg van gewijzigde wet- en regelgeving:

Gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en 97, 98, 99 van de Gemeentewet en de artikelen 3.1.1, vijfde lid, 3.1.3. eerste lid, 3.1.4. eerste lid, 3.1.9, eerste lid, 3.3.2, 3.3.3, tweede lid, 3.4.1, eerste lid, en 3.4.2, en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers

gelezen het voorstel van het presidium d.d. 27 februari 2026;

b e s l u i t :

Vast te stellen de hiernavolgende verordening:

Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Stede Broec 2026

Artikel 1. Definitiebepaling

In deze verordening wordt verstaan onder

  • a.

    Commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de Verordening op de raadscommissies Stede Broec 2022.

  • b.

    Griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de Gemeentewet of diens plaatsvervanger.

  • c.

    Raadslid: toegelaten lid van de gemeenteraad, als bedoeld in artikel V4 van de Kieswet

  • d.

    Rechtspositiebesluit: (landelijk) Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers

  • e.

    Verordening: deze verordening rechtspositie raads- en commissieleden Stede Broec.

Artikel 2. Toelage raadslid onderzoekscommissie (en bijzondere commissie)

  • 1. Een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie is als bedoeld in artikel 155a, derde lid van de Gemeentewet wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente een toelage toegekend van maximaal driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid van het Rechtspositiebesluit.

  • 2. Een raadslid dat lid is van een bijzondere commissie als bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit wordt voor de duur van de activiteiten van de commissie een toelage toegekend van het maximale bedrag zoals genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid van het Rechtspositiebesluit.

Artikel 3. Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergadering i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak.

  • 1. Een commissielid kan een vergoeding worden toegekend van maximaal 125% van de vergoeding waarop hij overeenkomstig artikel 3.4.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit aanspraak op maakt als:

    • a.

      Het commissielid op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelneming aan haar werkzaamheden is aangetrokken.

    • b.

      Het commissielid een vergoeding ontvangt die niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en/of de omvang van de door hem te verrichte arbeid.

  • 2. Het presidium beslist op advies van de griffier en burgemeester over de zwaarte en hoogte van de vergoeding.

Artikel 4. Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden

  • 1. Een raads- of commissielid dat een vergoeding wil ontvangen in verband met het deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor de uitvoering van zijn functie als bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositie dient daartoe vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier. Deze aanvraag gaat vergezeld van stukken met inhoudelijk informatie en kostenspecificatie.

  • 2. Het college kan de beslissing op dit verzoek mandateren aan de griffier.

  • 3. De maximale vergoeding van de scholing bedraagt:

    • a.

      € 150,- per jaar per raadslid

    • b.

      € 150,- per jaar per commissielid.

Artikel 5. Informatie- en/of communicatievoorzieningen raads- en commissieleden

  • 1. Een raads- of commissielid tekent een bruikleenovereenkomst wanneer hem ten laste van de gemeente voor de duur van de uitoefening van zijn functie informatie- en/of communicatievoorzieningen ter beschikking worden gesteld als bedoeld in artikel 3.3.2, Rechtspositiebesluit. Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.

  • 2. Een raads- of commissielid levert binnen één maand na beëindiging van zijn functie de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente.

  • 3. Overname van de informatie-en communicatievoorzieningen na schoning is mogelijk tegen vergoeding van de resterende waarde van de voorzieningen in het economisch verkeer.

Artikel 6. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

  • 1. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoeding, tegemoetkomingen en verstrekking, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit.

  • 2. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoeding, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h van de Wet op de Loonbelasting 1964.

Artikel 7. Betaling vaste vergoedingen

Tenzij het Rechtspositiebesluit of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van de vergoeding van commissieleden, bedoeld in artikel 3.4.1. van het Rechtspositiebesluit maandelijks plaats met inachtneming van een vergoeding per bijgewoonde vergadering.

Artikel 8. Betaling en declaratie van onkosten

  • 1. Tenzij het Rechtspositiebesluit of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door:

    • a.

      Betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur.

    • b.

      Betaling vooruit uit eigen middelen.

  • 2. Een aanvraag om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.

  • 3. Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen drie maanden na factuurdatum of betaling door raads- en commissieleden ingediend bij de griffier.

  • 4. Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan raads- of commissieleden binnen één maand na het indienen van de aanvraag wordt overgemaakt.

Artikel 9. Titel en inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Stede Broec 2026.

  • 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie.

  • 3. De Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Stede Broec 2019 wordt ingetrokken.

Ondertekening

Aldus besloten door de raad van de gemeente Stede Broec in zijn openbare vergadering van 19 februari 2026.

De raad voornoemd,

de griffier,

D.A. Langedijk

de voorzitter,

R.A.P. Wortelboer

Toelichting:

Wettelijke regelingen:

In de wet en nadere regelgeving zijn alle belangrijke onderwerpen over de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers opgeschreven. In de Gemeentewet staat dat de precieze afspraken over de rechten en plichten en de financiële afspraken van raads- en commissieleden moet worden opgeschreven bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Die precieze uitwerking staat in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de regels over (onkosten)vergoedingen verder opgeschreven.

Hoofdlijnen gemeentelijke verordening

In deze verordening zijn alleen bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van raadsleden en commissieleden zover die niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Bij de laatste moderniserings- en harmoniseringsoperatie (Staatsblad 15 oktober 2018), betreffende de rechtpositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er wederom een aantal bepalingen wettelijk in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De overweging hierbij is dat het bestuurlijk wenselijk is om de voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en regelgeving vast te leggen om politieke discussies te voorkomen. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om lokaal bij verordening van wettelijke regelingen af te wijken. Het ministerie van BZK publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening.

In dien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang. In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat 'buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, ontvangen de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoeding en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente. Deze verordening vormt een (nadere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen.

Arbeidsverhouding en fiscale positie

Raadsleden en commissieleden hebben geen dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden opteren voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in verklaring bij de Belastingdienst. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring (verkrijgbaar bij de griffie) bij de Belastingdienst.

Als de raads- en commissieleden en gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan geldt dat de onkostenvergoeding en raadsvergoeding als inkomsten moeten worden verantwoord en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten verantwoorden in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en commissieleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst doorgeven middels een formulier IB-47. Omdat raads- en commissieleden op persoonlijke titel worden gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft dan ook geen VAR-verklaring/Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente. De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (AppA) is niet van toepassing op raads- en commissieleden.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1.Definitiebepaling

Bij afwezigheid van de griffier wordt hiervoor gelezen: de op grond van artikel 107 gemeentewet benoemde plaatsvervangend griffier.

Artikel 2.Toelage raadslid onderzoekscommissie (en bijzondere commissie)

Dit artikel gaat over de toelagen (extra vergoedingen) voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Dit geldt bijvoorbeeld voor de vertrouwenscommissie en de onderzoekscommissie, zoals deze in de Gemeentewet zijn genoemd. Zo'n bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening worden vastgesteld. Daarbij moet worden aangegeven dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk extra werk (meerwerk) is naast het gewone lidmaatschap van de gemeenteraad. De hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde zware commissies is anders voor de vertrouwenscommissie dan voor de onderzoekscommissie. De burgemeester stelt de duur van de activiteiten vast.

Voor de toelage van een lid van de vertrouwenscommissie geldt een vast bedrag per maand. Dit bedrag is belast en staat in artikel 3.1.2. van het Rechtspositiebesluit. Voor de toelage van een lid van een bijzondere commissie geldt het bedrag genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, per maand voor de periode dat de commissie actief is. Het bedrag wordt berekend in verhouding tot die periode. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage. Het gaat dus niet om hoe lang iemand lid is, maar om hoe lang de commissie echt aan het werk is.

Het nieuwe artikel 3.1.4a. van het Rechtspositiebesluit biedt de mogelijkheid van een toelage voor de vaste commissievoorzitters. Sommige gemeenten hadden behoefte aan zo’n bepaling. Hoe groot de gemeente is, maakt daarbij niet uit. De raad beoordeelt hoeveel werk en tijd het voorzitterschap kost. Op basis daarvan bepaalt de raad vervolgens of er een vergoeding nodig is en hoe hoog deze moet zijn. Deze mogelijkheid wordt niet geeffectueerd in deze verordening.

Artikel 3.Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak.

De hoogte van de vergoeding voor leden van gemeentelijke commissies, die zijn ingesteld op basis van artikel 82, 83 en 84 van de Gemeentewet is verplicht vastgesteld op een vast bedrag per inwonerklasse voor elke bijgewoonde vergadering van de commissie. In bepaalde gevallen, zoals bij bijzondere deskundigheid en/of zwaarte van de taak in de commissie, is het mogelijk om een hoger bedrag aan vergoeding per vergadering toe te kennen dan bepaald in het Rechtspositiebesluit.

Het kan bijvoorbeeld gaan om een raadscommissie met een bijzondere opdracht die een hogere belasting kent voor één of meerdere commissieleden. Deze bepaling maakt het mogelijk de afweging op lokaal niveau te maken.

Het presidium maakt deze beslissing op basis van een advies van de griffier en burgemeester. Voor het commissielid die wordt aangetrokken op basis van zijn of haar bijzondere beroepsmatige deskundigheid wordt de hoogte van de vergoeding geformuleerd in het benoemingsbesluit.

Artikel 4.Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden.

Voor raads- en commissieleden is expliciet in artikel 3.3.3. lid 1 Rechtspositiebesluit bepaald dat de kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste kunnen worden gebracht van de gemeente. Partijpolitieke scholing komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking, maar kunnen vanuit de fractievergoedingen worden betaald. De inhoud van de scholing is bepaald of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is. Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is.

Om in aanmerking te komen voor vergoeding van de scholingskosten moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt dat voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij. Overigens kan de gemeente ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen, Ook dit komt ten laste van de gemeente.

Er is ruimte voor lokale accenten. Op grond van artikel 3.3.3. lid twee van het Rechtspositiebesluit kan de raad nadere regels stellen voor de scholing van zijn leden. Deze nadere regels kunnen bijvoorbeeld in een scholingsplan komen te staan. In dit plan kunnen procedureregels voor individuele scholingsverzoeken worden opgenomen als ook regels over de hoogte van de tegemoetkoming. Dit plan kan vervolgens als handvat dienen bij toetsing van individuele scholingsaanvragen. In deze verordening wordt de mogelijkheid van een scholingsplan niet geeffectueerd.

Uit paragraaf 3.1 van de circulaire Wijzigingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers voor gemeenten blijkt dat het college verantwoordelijk is voor de uitvoering aan de hand van de centrale kaders uit het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers1. Het College en de Raad zijn niet bevoegd om uitzonderingen of beperkingen op te leggen aan individuele verzoeken op de centraal gestelde kaders. Als de aanvraag binnen de kaders valt, wordt het uitgevoerd.

Lid 2 geeft het college de mogelijkheid om de beslissing op scholingsverzoeken te mandateren.

Artikel 5. Informatie- en/of communicatievoorzieningen raads- en commissieleden

Het college van burgemeester en wethouders telt ten laste van de gemeente aan een raadslid, wethouder of de burgemeester voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking. Ook commissieleden kunnen aanspraak maken op ICT-middelen op grond van artikel 3.4.4. Rechtspositiebesluit. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan een tablet of computer en de daarbij behorende software(abonnementen). Er mag slechts één computer verstrekt worden. Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer.

De gemeente versterkte informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke ambtsdragers omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdragers wordt ingeleverd bij de gemeente. Dit heeft de gemeente ook de mogelijkheid om dit ICT-middel te schonen. Als het middel is geschoond, dan is het aan gemeente of het dit desbetreffende ICT-middel wil hergebruiken. Als dit niet zo is, dan kan de gemeente ambtsdragers de mogelijkheid bieden het ICT-middel over te nemen. Dit overnemen is dus geen recht van de ambtsdragers maar het gevolg van een keuze van de gemeente. In dit geval is er bereidheid het ICT-middel af te stoten. Een circulaire vereist in dat geval dat de gemeente ervoor zorgt dat het ICT-middel door of namens de gemeente is geschoond met speciale software (conform Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO)). Verder dient de politieke ambtsdrager voor het overnemen van het ICT-middel op grond van de circulaire een vergoeding te betalen. Deze vergoeding dient gelijk te zijn aan de resterende waarde van het ICT-middel in het economisch verkeer.

Het college bepaalt de spelregels voor het overnemen van voorzieningen in overleg met de griffier.

Artikel 6.Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel

In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdragers kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belasting als loon gezien en moet hiervoor bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstelling, intermediaire kosten of onder de nihil-waardering valt.

Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte – tot 1,2% fiscale loonsom – onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreven, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen.

Op de website van de VNG treft u advies over de vrije ruimte.

Artikel 7.Betaling vaste vergoeding en

Artikel 8.Betalingen en declaratie van onkosten.

Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen wanneer de vergoeding en onkosten betaald moeten worden aan raads- en commissieleden. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kunnen deze artikelen uitkomst bieden. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Het college kan, in overleg met de griffier, een formulier vaststellen waarmee raads- en commissieleden de gemaakte onkosten kunnen declareren. Raads- en commissieleden declareren in beginsel hun kosten bij de griffier. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een vooraf vastgesteld bedrag betreft.

Het Rechtspositiebesluit artikel 3.1.7 en de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers artikel 3.1 regelen de vergoeding van reiskosten aan raads- en commissieleden. Hierin worden kosten voor het gebruik van openbaar vervoer en gebruik van een eigen vervoersmiddel van het maximumbedrag dat door een werkgever aan een werknemer per afgelegde kilometer onbelast kan worden versterkt alsmede de parkeerkosten, veerkosten en tolkosten. Boetes en naheffingsaanslagen voor parkeren worden niet vergoed. Als laatste kan een raadslid of commissielid die een functionele beperking heeft, incidenteel een voor de beperking geschikt vervoersvoorziening laten vergoeden.