Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757844
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757844/1
Nadere regels en beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik
Geldend van 28-02-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Nadere regels en beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente BunnikBurgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik;
Gelet op de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik;
Overwegende dat het doel van deze nadere regels en beleidsregels is om richtlijnen te geven voor de toepassing van artikelen uit de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik, deze als doel hebben om de besluitvorming door de gemeente te structureren en een schakel zijn tussen de wetgeving en de uitvoeringspraktijk, besluiten om onderstaande nadere regels en beleidsregels vast te stellen.
Begripsbepalingen
College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik
Jeugdwet: de Jeugdwet
Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Verordening: de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik
Begrippen die voorkomen en verklaard worden in de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik, de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning worden niet in deze lijst verklaard.
Inleiding
Deze nadere regels en beleidsregels zijn een uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van de gemeente Bunnik. Samen met de verordening vormen zij de basis voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Jeugdwet. Om de leesbaarheid te bevorderen en de veelheid aan voorschriften te verminderen, zijn de nadere regels en beleidsregels samengevoegd. In de tekst staan verwijzingen naar de verordening ingeval het een nadere regel betreft zoals genoemd in de verordening.
In de beleidsregels geeft het college aan hoe zij omgaat met haar bevoegdheden rond de uitvoering van de Wmo en de jeugdwet. De beleidsregels uit dit document zijn bedoeld voor de afweging van belangen, het vaststellen van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften. Er worden handvatten gegeven voor de afwegingen die gemaakt worden om hulp op maat in te zetten. De nadere regels in dit document zijn algemeen verbindend. Deze bevatten concrete regels die altijd van toepassing zijn en waar rechten aan ontleend kunnen worden.
Hoofdstuk 1, Leidend principe
Artikel 1 Herstel van het gewone leven
Het doel van ondersteuning is om inwoners te helpen hun leven zoveel mogelijk voort te zetten zoals dat vóór het ontstaan van uitdagingen of beperkingen het geval was, of zoals dat gebruikelijk is voor mensen in vergelijkbare omstandigheden en leeftijdscategorieën. Daarbij staat het herstel van het gewone leven centraal: een situatie waarin iemand weer mee kan doen, eigen regie ervaart en zich verbonden voelt met de omgeving. Ondersteuning is gericht op wat noodzakelijk is om dit herstel mogelijk te maken. Dit betekent dat niet elke wens of voorkeur wordt gehonoreerd, maar dat de inzet proportioneel is en aansluit bij wat redelijkerwijs nodig is voor participatie en zelfredzaamheid. Het kan betekenen dat iemand zich moet aanpassen aan blijvende beperkingen, en dat niet alle eerdere activiteiten of hobby’s volledig kunnen worden hervat. De ondersteuning is aanvullend op wat iemand zelf kan organiseren, met hulp van zijn netwerk en algemene voorzieningen.
Hoofstuk 2 Beleidsregels Jeugd
Artikel 2.1 Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht)
- 1.
De inzet van hulp en ondersteuning is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van individuele voorzieningen en maatwerkvoorzieningen als het de jeugdige en/of de ouder(s) niet lukt om op eigen kracht het probleem op te lossen. De actuele hulpvraag van de jeugdige en/of de ouder(s) vormt doorgaans het uitgangspunt voor de gekozen oplossingsrichting en bijbehorende mogelijkheden.
- 2.
Onder eigen kracht wordt samenvattend in ieder geval verstaan:
- a.
gebruikelijke hulp van ouder(s) en/of andere verzorgers of opvoeders;
- b.
bovengebruikelijke hulp van ouder(s) voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan;
- c.
ondersteuning van en uit het sociale netwerk;
- d.
de inzet van informele hulp;
- e.
het gebruik maken van algemene voorzieningen;
- f.
het aanspreken van voorliggende wetgevingen, zoals onder andere de Wet Passend Onderwijs, de Wet Kinderopvang, de Zorgverzekeringswet en de Wet Langdurige Zorg.
- a.
- 3.
Bij het onderzoek naar eigen kracht en oplossend vermogen worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
- a.
Voor het oplossen van een probleem is de jeugdige en/of de ouder(s) primair zelf verantwoordelijk;
- b.
De jeugdige en/of de ouder(s) volgt de adviezen op van het Centrum voor Elkaar en andere betrokken professionals ten aanzien van de inzet van eigen kracht en eigen mogelijkheden;
- c.
Uit het oogpunt van fysiek en geestelijk welbevinden van de jeugdige en/of zijn ouder(s) gaat de gemeente uit van alle beschikbare mogelijkheden ten aanzien van het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie vanuit Positieve Gezondheid. Bij deze benadering staat een betekenisvol leven van mensen centraal, waarbij de nadruk ligt op veerkracht, eigen regie en het aanpassingsvermogen van de mens en niet op specifieke beperkingen of ziektebeeld;
- d.
De jeugdige en/of de ouder(s) doet er alles aan om de noodzaak tot (meer) hulp en ondersteuning te voorkomen en treft de maatregelen die hiervoor nodig zijn;
- e.
De jeugdige en/of de ouder(s) anticipeert op de toekomst door rekening te houden met voorziene en/of voorspelbare mogelijkheden om (meer) hulp en ondersteuning te voorkomen;
- f.
Voor het (toekomstig) beschikbaar en betaalbaar houden van hulp en ondersteuning, verwachten we van (meer) draagkrachtige personen dat zij waar mogelijk de zelfstandige bekostiging van hulp in overweging nemen.
- a.
Artikel 2.2 Gebruikelijke hulp aan jeugdigen
Gebruikelijke hulp wordt beschreven als hulp en zorg die naar algemeen aanvaarde maatstaven in redelijkheid mag worden verwacht van ouder(s) en/of andere verzorgers of opvoeders. Het college hoeft geen voorziening voor jeugdhulp toe te kennen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn. Dit volgt uit artikel 2.3 van de Jeugdwet en de jurisprudentie1. Dat wordt ook wel eigen kracht genoemd. Terwijl de eigen kracht ziet op het hele gezinssysteem, gaat het bij gebruikelijke hulp om de hulp die ouder(s) aan hun kind kunnen bieden. Uit de jurisprudentie volgt ook dat bovengebruikelijke hulp onder omstandigheden van ouder(s) mag worden verwacht2.
1 Centrale Raad van Beroep d.d. 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477
2 Centrale Raad van Beroep d.d. 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362
Artikel 2.2.1 Hoofdlijnen gebruikelijke hulp
- 1.
Voor de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid van hun kind zijn ouder(s) verantwoordelijk voor:
- a.
een veilige en beschermende woonomgeving (zowel fysieke en sociale veiligheid);
- b.
een passend pedagogisch klimaat en stimulans in de ontwikkeling van de jeugdige;
- c.
verzorging, begeleiding en opvoeding.
- a.
- 2.
Het is gebruikelijk dat ouder(s) hun kind de dagelijkse zorg, hulp en ondersteuning bieden die past bij de levensfase van het kind. Het kan ook gaan om activiteiten die niet standaard bij alle jeugdigen noodzakelijk zijn, maar die wel als gangbare hulp en zorg van ouder(s) aan kinderen kunnen worden gezien. Bij jeugdigen met een chronische aandoening, ziekte, stoornis of beperking is het gebruikelijk dat ouder(s) zo veel mogelijk de dagelijkse zorg leveren, ook als dat meer is dan gemiddeld bij gezonde kinderen van dezelfde leeftijd. Dit is een belangrijk uitgangspunt. Immers, ook bij gezonde kinderen van dezelfde leeftijd verschilt de inzet van de dagelijkse zorg van kind tot kind. Het ene kind ontwikkelt zich nu eenmaal anders dan het andere kind en heeft meer of minder begeleiding en zorg nodig.
- 3.
Uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (voetnoot 1en 2) kan worden afgeleid dat bovengebruikelijke hulp onder bepaalde omstandigheden ook van ouder(s) kan worden verwacht en dus onder 'eigen kracht' kan vallen. Om dat vast te stellen moet college goed onderzoeken of sprake is van voldoende eigen kracht van ouder(s). Uit de uitspraak van de CRvB volgt dat de volgende factoren in ieder geval van belang zijn:
- a.
de behoefte en de mogelijkheden van de jeugdige;
- b.
de voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan;
- c.
de mogelijkheden, de draagkracht en belastbaarheid van ouder(s)/het netwerk;
- d.
de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;
- e.
het belang van de ouder(s) om te voorzien in een inkomen.
- a.
- 4.
Als uit onderzoek naar deze factoren volgt dat de ouder(s) de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan de gemeente concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht.
- 5.
Indien noodzakelijk kunnen ouder(s) een beroep doen op inkomensregelingen van de gemeente.
- 6.
Ook wordt er een redelijkheidstoets gedaan: wat mag in redelijkheid verwacht worden van de ouder(s) en hun netwerk in de betreffende situatie. Dit gaat verder dan de vraag of de geboden ondersteuning als normaal of gangbaar gezien kan worden. Dit is ter afweging aan de consulent in overleg met de aanvrager.
- 7.
De beoordeling of hulp gebruikelijk is, hangt mede af van de leeftijd van het kind. De meeste kinderen vanaf 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft. Ook bij andere ADL-activiteiten heeft het ene kind meer en/of langer sturing en begeleiding nodig dan het andere. Als een kind van 10 jaar nog toezicht nodig heeft bij het tandenpoetsen, is het gebruikelijk dat de ouder dit toezicht biedt.
- 8.
Van ouder(s) kan worden verwacht dat zij hun kind (voorbeelden van gebruikelijke hulp):
- a.
begeleiden naar activiteiten zoals muziekles, zwemles en sport;
- b.
begeleiden naar het ziekenhuis. Deze uren kunnen wel meegewogen worden in het totaalplaatje van de (over)belasting van de ouder(s) voor de zorg van hun kind;
- c.
ondersteunen bij het leren valt in de regel onder ofwel gebruikelijke zorg, ofwel onder onderwijs, niet onder jeugdhulp;
- d.
begeleiden bij plannen en structureren van dagindeling, (huis)werk en vrijetijdsbesteding;
- e.
vervoeren naar de locatie waar jeugdhulp geboden wordt.
- a.
Artikel 2.2.2 Uitval of overbelasting van een ouder
- 1.
Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de jeugdige over. Hiervoor moet de ouder, als dat mogelijk is, aanspraak maken op zorgverlof. Is dit niet mogelijk, dan wordt gekeken naar andere voorliggende voorzieningen (kinderopvang, opvang op school, naschoolse opvang). Daarbij wordt gekeken naar wat in redelijkheid met mantelzorg (sociaal netwerk van het gezin) kan worden opgevangen. Zijn deze mogelijkheden maximaal benut of afwezig, dan is toewijzing van een individuele voorziening vanuit de jeugdhulp mogelijk. Hetzelfde geldt voor de uitval van de ouder in een éénoudergezin. Is geen hulp vanuit het eigen netwerk mogelijk, dan kan jeugdhulp worden ingezet, tenzij er alternatieven zijn in de vorm van een algemene voorziening (zoals maatjes, inzet vrijwilligers, etc.).
- 2.
Wanneer de uitval van de ouder naar verwachting langer gaat duren en een langduriger oplossing nodig is, wordt naar een alternatieve en meer blijvende oplossing gezocht. Hierbij wordt ook de aanwezigheid van mantelzorg betrokken. Sommige hulp kan vanuit de Zorgverzekeringswet of de Wet Langdurige Zorg worden ingezet, zeker als het kind ernstig en langdurig gehandicapt is.
- 3.
De zorg voor een jeugdige kan zo zwaar worden, dat overbelasting bij de ouder(s) ontstaat. Om voor jeugdhulp in aanmerking te komen, moet de overbelasting van de ouder veroorzaakt worden door de hulp aan de jeugdige. Bij overbelasting door een drukke baan en/of nevenactiviteiten, ligt de verantwoordelijkheid voor een oplossing hier in eerste instantie bij de ouder(s) zelf. Bijvoorbeeld in aanpassingen in de leefsituatie, op het werk en/of in de nevenactiviteiten. Bij de eventuele toewijzing van jeugdhulp wordt hier eerst naar gekeken.
- 4.
Wanneer een nieuwe/ herhaalde zorgtoewijzing wordt aangevraagd, wordt gekeken of en welke (aantoonbare) inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen. Ook hier wordt bij de zorgtoewijzing rekening mee gehouden.
- 5.
Het kan zijn dat er sprake is van andere factoren waardoor ouder(s) geen of niet voldoende gebruikelijke hulp kunnen leveren, zoals bij jeugdigen met ernstige verslavingsproblematiek en/of psychiatrische problematiek, of wanneer de ouder(s) zelf met een licht verstandelijke beperking hebben. In alle gevallen zal eerst naar de eigen mogelijkheden en een voorliggend aanbod gekeken worden voor jeugdhulp aangevraagd kan worden.
Vervoersvoorziening jeugdhulp gemeente Bunnik
Deze nadere regels behoren bij artikel 3.4 van de verordening en zijn gebaseerd op de uitgangspunten van de Jeugdwet. Ze stellen onder welke voorwaarden het college een vervoersvoorziening toekent voor vervoer van en naar jeugdhulpinstellingen en op welke wijze dit gebeurt. Uitgangspunt blijft de eigen verantwoordelijkheid van ouder(s) en het benutten van eigen kracht en voorliggende voorzieningen.
Artikel 2.3 Begripsbepalingen vervoersvoorzieningen
In deze nadere regels vervoersvoorzieningen worden de begrippen uit de verordening gehanteerd. Aanvullend gelden de volgende definities:
- a.
Vervoersvoorziening jeugdhulp: een voorziening in natura of als financiële tegemoetkoming voor vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar jeugdhulp wordt geboden, indien dit vervoer niet door ouder(s) of het netwerk kan worden verzorgd.
- b.
Eigen vervoer: vervoer met een vervoermiddel dat eigendom is van of beschikbaar is voor de ouder(s), jeugdige of het netwerk, zoals auto, (elektrische) fiets, bakfiets of brommer, mits passend en verantwoord.
- c.
Aangepast vervoer: speciaal vervoer (bijv. taxi, taxibus, schoolbus) dat is afgestemd op de beperkingen van de jeugdige.
- d.
Openbaar vervoer: openbaar toegankelijk personenvervoer per bus, trein, tram, metro of veerdienst.
- e.
Begeleider: de persoon die de jeugdige tijdens het vervoer begeleidt (ouder, familielid, vrijwilliger of aangewezen begeleider).
- f.
Reistijd: de tijd tussen vertrek van het woonadres en aankomst op de locatie van de jeugdhulp (of omgekeerd), inclusief overstap- en wachttijd.
- g.
Woning: de plaats waar de jeugdige feitelijk en structureel verblijft.
- h.
Zelfredzaamheid: het vermogen van de jeugdige om zich zelfstandig te verplaatsen, gelet op leeftijd, ontwikkeling en eventuele beperkingen.
- i.
Voorliggende voorziening: andere wettelijke regeling of voorziening die vervoer reeds dekt, zoals het Leerlingenvervoer, Wmo-vervoer of vervoer op grond van de Wet langdurige zorg.
Artikel 2.3.1 Uitgangspunten vervoersvoorziening jeugdhulp
- 1.
De verantwoordelijkheid voor het organiseren van vervoer ligt primair bij ouder(s), conform het uitgangspunt van zelfredzaamheid en eigen kracht.
- 2.
Van ouder(s) wordt verwacht dat zij de jeugdige in beginsel ten minste twee keer per week zelf brengen en halen.
- 3.
Van ouder(s) wordt verwacht dat zij de jeugdige in beginsel bij een afstand van 6 kilometer of minder de jeugdige zelf brengen of halen. Uitgangspunt is Google Maps.
- 4.
Een vervoersvoorziening wordt uitsluitend toegekend wanneer:
- a.
ouder(s) aantoonbaar niet in staat zijn het vervoer zelf uit te voeren of te organiseren;
- b.
er geen mogelijkheden zijn binnen het netwerk of voorliggende voorzieningen, zoals Leerlingenvervoer, Wmo-vervoer of vervoer op grond van de Wlz.
- a.
- 5.
Vanaf de leeftijd van 12 jaar wordt van de jeugdige, afhankelijk van het ontwikkelingsniveau en mogelijkheden, een toenemende mate van zelfstandigheid verwacht. Dit kan betekenen dat de jeugdige (al dan niet onder begeleiding) zelfstandig kan reizen met het openbaar vervoer of de fiets, indien dit verantwoord en haalbaar is.
- 6.
Het Centrum voor Elkaar beoordeelt per individueel geval of van de jeugdige verwacht mag worden dat hij/zij (gedeeltelijk) zelfstandig reist. Hierbij wordt gekeken naar:
- a.
de afstand en bereikbaarheid van de locatie;
- b.
de fysieke en mentale mogelijkheden van de jeugdige;
- c.
de veiligheid van de route;
- d.
eventuele begeleiding die nodig is.
- a.
Artikel 2.3.2 Vervoersvoorziening jeugdhulp (nadere regel artikel 3.4 verordening)
- 1.
Een vervoersvoorziening op grond van de Jeugdwet wordt uitsluitend toegekend wanneer:
- a.
De jeugdige beschikt over een geldige beschikking voor een individuele jeugdhulpvoorziening die plaatsvindt op een vaste locatie buiten de eigen woning;
- b.
Het vervoer aantoonbaar noodzakelijk is voor deelname aan deze voorziening;
- c.
Alternatieven, zoals zelfstandig reizen of vervoer door ouder(s) of het sociaal netwerk, onvoldoende passend of verantwoord zijn.
- a.
- 2.
De afstand tussen de verblijfsplaats van de jeugdige en de locatie van de jeugdhulpvoorziening is een relevante wegingsfactor:
- a.
Bij een afstand van minder dan 6 kilometer wordt dit in beginsel beschouwd als gebruikelijke zorg. Van ouder(s) wordt verwacht dat zij dit vervoer zelf organiseren;
- b.
Een afstand van meer dan 6 kilometer kan aanleiding zijn voor een vervoersvoorziening, maar leidt niet automatisch tot toekenning. Ook dan wordt beoordeeld of ouder(s) of het netwerk het vervoer kunnen organiseren.
- a.
- 3.
Het vervoer dient betrekking te hebben op de kortste of meest doelmatige route tussen het woonadres van de jeugdige en de zorglocatie, zoals vastgesteld via Google Maps.
- 4.
De volgende vervoersvoorzieningen kunnen, indien passend, worden toegekend:
- a.
(gedeeltelijke) kilometervergoeding voor eigen vervoer;
- b.
(gedeeltelijke) OV-vergoeding voor de jeugdige en, indien noodzakelijk een begeleider;
- c.
OV-training ter bevordering van zelfstandig reizen;
- d.
aansluiting bij bestaande vervoersstromen, zoals Wmo-vervoer of Leerlingenvervoer;
- e.
vervoer via de zorgaanbieder (bij zorg in natura);
- f.
aangepast vervoer, zoals individueel of groepsvervoer per taxi.
- a.
- 5.
De verstrekking van vervoersvoorzieningen volgt het principe van licht naar zwaar:
- a.
Er wordt eerst gekeken naar eigen kracht, gebruik van openbaar vervoer en bestaande netwerken;
- b.
Pas wanneer deze opties aantoonbaar niet passend of haalbaar zijn, wordt zwaardere ondersteuning overwogen.
- a.
Artikel 2.3.3 Kilometervergoeding (nadere regel artikel 3.4 verordening)
- 1.
Ouder(s) die zelf voor vervoer zorgen of dit organiseren via het netwerk, kunnen in aanmerking komen voor een kilometervergoeding wanneer zij het vervoer niet volledig zelf kunnen bekostigen.
- 2.
De vergoeding bedraagt de geldende fiscale norm vanuit de belastingdienst en wordt berekend op basis van de kortste route via Google Maps.
- 3.
Als er een vergoeding wordt toegekend, is dat alleen voor het deel dat de jeugdige vervoerd wordt.
- 4.
Geen vergoeding wordt verstrekt voor vervoer tussen de middag indien de jeugdige tussentijds wordt opgehaald en teruggebracht of voor omrijroutes.
- 5.
De vergoeding wordt periodiek uitbetaald.
Artikel 2.3.4 Vergoeding openbaar vervoer (nadere regel artikel 3.4 verordening)
- 1.
Indien openbaar vervoer passend en haalbaar is, wordt een OV-vergoeding verstrekt.
- 2.
De vergoeding is gebaseerd op het reguliere OV-tarief voor de kortst mogelijke reis van het woonadres tot de zorglocatie, inclusief eventuele kosten voor begeleiding.
- 3.
Begeleiding wordt geacht noodzakelijk indien:
- a.
De jeugdige jonger is dan negen jaar (peildatum beschikking), of;
- b.
De jeugdige door een structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking niet zelfstandig gebruik kan maken van het OV.
- a.
- 4.
Abonnementskosten worden vergoed indien deze goedkoper zijn dan losse ritten.
- 5.
Geen extra vergoeding wordt verstrekt voor het traject naar het OV-knooppunt per fiets of te voet, tenzij dit onderdeel is van een goedgekeurde gecombineerde voorziening.
- 6.
De vergoeding wordt periodiek uitbetaald.
Artikel 2.3.5 Vervoer via zorgaanbieder (Zorg in Natura) (nadere regel artikel 3.4 verordening)
- 1.
Indien de gecontracteerde zorgaanbieder vervoer aanbiedt als onderdeel van de jeugdhulpvoorziening, wordt het vervoer in beginsel via de aanbieder georganiseerd, mits dit passend en doelmatig is.
- 2.
De consulent beoordeelt of vervoer via de zorgaanbieder:
- a.
aansluit bij de hulpvraag van de jeugdige;
- b.
doelmatig is ten opzichte van andere vervoersopties;
- c.
past binnen de afgesproken zorgvorm en contractuele afspraken met de aanbieder.
- a.
- 3.
Indien vervoer via de aanbieder passend wordt geacht:
- a.
Wordt de jeugdige opgenomen onder de juiste prestatiecode in het systeem;
- b.
Vindt de betaling rechtstreeks plaats aan de aanbieder, conform de contractuele afspraken.
- a.
Artikel 2.3.6 Aangepast vervoer (nadere regel artikel 3.4 verordening)
- 1.
Aangepast vervoer (bijvoorbeeld groepsvervoer, individueel vervoer of een taxi) kan worden ingezet indien:
- a.
Geen van de lichtere voorzieningen passend is (kilometervergoeding, OV, vervoer door zorgaanbieder of aansluiting bij Leerlingenvervoer);
- b.
Er sprake is van een medische of praktische noodzaak.
- a.
Artikel 2.3.7 Geen recht op vervoersvoorziening (nadere regel artikel 3.4 verordening)
- 1.
Geen vervoersvoorziening wordt toegekend wanneer:
- a.
De jeugdhulp plaatsvindt op een locatie die op redelijke afstand ligt en de jeugdige zelfstandig of met begeleiding uit het netwerk kan reizen;
- b.
Uitgangspunt hierbij is binnen een straal van 6 kilometer op basis van Google Maps;
- c.
Ouder(s) het vervoer zelf kunnen regelen en bekostigen;
- d.
Geen sprake is van een geldige beschikking voor jeugdhulp op locatie;
- e.
Er sprake is van een tijdelijk logistiek probleem of incidentele onmacht, tenzij dit structureel wordt onderbouwd.
- a.
Artikel 2.3.8 Procedure en beoordeling (nadere regel artikel 3.4 verordening)
- 1.
De noodzaak van een vervoersvoorziening wordt vastgesteld tijdens het opstellen van het ondersteuningsplan.
- 2.
De medewerker van het Centrum voor Elkaar onderzoekt met ouder(s) de vervoersmogelijkheden.
- 3.
Ouder(s) zijn verplicht wijzigingen in omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het vervoer onverwijld te melden.
- 4.
Het college kan een vervoersvoorziening herzien of intrekken indien:
- a.
niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden;
- b.
onjuiste of onvolledige gegevens.
- a.
Hoofdstuk 3, beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning
Artikel 3.1 Vraagverheldering en onderzoek maatschappelijke ondersteuning
- 1.
In artikel 2.10 van de verordening staat beschreven hoe het onderzoek wordt doorlopen om tot een verheldering van hulp- en ondersteuningsvraag te komen. In dat artikel worden de begrippen eigen kracht dan wel eigen mogelijkheden, mantelzorg, gebruikelijke hulp, voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen genoemd. Deze begrippen worden hieronder verder toegelicht.
Artikel 3.1.1 Eigen kracht dan wel eigen mogelijkheden
- 1.
Onder eigen kracht wordt de toereikende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen om voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren rekening houdend met leeftijd van de inwoner of het vermogen om zelf zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorzien in een behoefte aan beschermd wonen of opvang waar het inwoners betreft, verstaan. Eigen kracht dan wel eigen mogelijkheden betreffen dus lichamelijke of geestelijke mogelijkheden om bepaalde dingen te doen of te organiseren. Bijvoorbeeld het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden of het organiseren van het dagelijks functioneren. Die eigen lichamelijke of geestelijke mogelijkheden kunnen zo nodig objectief worden vastgesteld via een deskundigenadvies, zoals staat beschreven in artikel 2.13 van de verordening. Het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de Wmo is pas aan de orde als er onvoldoende oplossingsmogelijkheden zijn bij de inwoner zelf en in diens sociale omgeving.
Artikel 3.1.2 Gebruikelijke hulp
- 1.
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, echtgenoot, ouder(s), inwonende kinderen of andere huisgenoten. Gebruikelijke hulp is normaal binnen een leefeenheid. De volgende criteria zijn van toepassing om te kunnen bepalen of de gebruikelijke hulp die nodig is binnen een leefeenheid nog reëel is:
- a.
De gebruikelijke helper is aanwezig, dus kan het doen;
- b.
Er is geen dreigende overbelasting gebleken;
- c.
Er zijn geen medische beperkingen bij de gebruikelijke helper;
- d.
Het gaat niet om specialistische hulp;
- e.
Een druk bestaan is geen reden daarvan af te zien.
- a.
Artikel 3.1.3 Mantelzorg
- 1.
Wanneer verminderde zelfredzaamheid of een participatieprobleem (gedeeltelijk) kan worden opgelost door een mantelzorger of vrijwilliger, kan aanvullend daarop een algemene of maatwerkvoorziening nodig zijn. Indien noodzakelijk wordt bij het bepalen van de meest passende ondersteuningsvorm rekening gehouden met de belangen van de mantelzorger of vrijwilliger. Mantelzorg is een vorm van ondersteuning die niet afdwingbaar is door de gemeente.
- 2.
In artikel 4.2 lid 3 van de verordening staat beschreven dat het college nadere regels vast stelt over de manier waarop het de jaarlijkse waardering van de mantelzorgers regelt. Deze manier is vastgelegd in de “Nadere regeling Mantelzorgwaardering gemeente Bunnik”.
Artikel 3.1.4 Voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen
- 1.
Algemene en overige voorzieningen zijn laagdrempelig en direct toegankelijk voor inwoners. Ze bieden ondersteuning of activiteiten die bijdragen aan het versterken van zelfredzaamheid en het verminderen van participatieproblemen. Deze voorzieningen zijn beschikbaar zonder voorafgaand uitgebreid onderzoek naar individuele behoeften, persoonskenmerken of mogelijkheden. Ze zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning en sluiten aan bij het uitgangspunt van de verordening: het bevorderen van deelname aan het gewone leven, in verbinding met de eigen omgeving en op basis van wat mensen zelf kunnen, eventueel met hulp van hun netwerk. Onder voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen wordt bijvoorbeeld verstaan:
- a.
een algemene voorziening voor het verkrijgen van hulp bij het huishouden voor licht en zware schoonmaakactiviteiten;
- b.
een glazenwasser voor ramen aan de buitenkant;
- c.
boodschappenservice (waaronder boodschappen bestellen via internet) of met hulp van vrijwilliger of mantelzorger;
- d.
maaltijdvoorziening, maaltijdservices, open eettafels of kant en klare maaltijden;
- e.
aanschaf van een droogtrommel;
- f.
een tuinman;
- g.
een hondenuitlaat-service;
- h.
wasservice voor kleding en linnengoed.
- a.
Artikel 3.2 Normeringskader Huishoudelijke Ondersteuning (nadere regel artikel 4.3 verordening)
- 1.
Een inwoner kan op grond van de verordening een verzoek indienen voor huishoudelijke ondersteuning.
- 2.
Als afwegingskader voor het inzetten van huishoudelijke ondersteuning wordt gebruik gemaakt van het normenkader huishoudelijke ondersteuning 2025 dat door bureau HHM is opgesteld. Dit normenkader is bij de gemeente op te vragen en beschikbaar via de gemeentelijke website.
Artikel 3.2.1 Bijdrage van kinderen in het huishouden
- 1.
In geval de leefeenheid van de zorgvrager mede bestaat uit kinderen, dan gaat de indicatiesteller ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.
- 2.
Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.
- 3.
Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, dat wil zeggen rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.
- 4.
Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Een 18-23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn:
- a.
schoonhouden van sanitaire ruimte,
- b.
keuken en een kamer,
- c.
de was doen,
- d.
boodschappen doen,
- e.
maaltijd verzorgen,
- f.
afwassen en opruimen.
- a.
Artikel 3.3 Afwegingskader begeleiding individueel/groep/dagbesteding
- 1.
Met betrekking tot de begeleiding maakt de gemeente onderscheid tussen individuele begeleiding en begeleiding in een groep. Of de inwoner is aangewezen op individuele begeleiding of begeleiding in groepsverband, wordt bepaald door de afweging wat het best past. Begeleiding in groepsverband gaat voor op individuele begeleiding als daarmee hetzelfde doel kan worden bereikt.
Artikel 3.3.1 Individuele begeleiding
- 1.
Een inwoner kan op één of meerdere leefgebieden problemen ervaren door het ontbreken van regie en structuur in het dagelijks leven. Dit kan hem belemmeren in zijn zelfredzaamheid, het kunnen participeren in de maatschappij en het zelfstandig kunnen (blijven) wonen. Om de inwoner hierbij te ondersteunen kan er een vorm begeleiding worden ingezet. Het kan daarbij gaan om individuele begeleiding, begeleiding in groepsverband (dagbesteding) en bemoeizorg. De begeleiding is bedoeld voor inwoners met een:
- a.
verstandelijke of cognitieve beperking;
- b.
psychiatrische aandoening;
- c.
lichamelijke aandoening of beperking;
- d.
zintuigelijke beperking;
- e.
psychogeriatrische aandoening;
- f.
psychosociaal probleem.
- a.
- 2.
Niet de aandoening is leidend (van welk ziektebeeld/ welke grondslag sprake is) maar de mogelijkheden en de beperkingen van de inwoner. Het Centrum voor Elkaar brengt in kaart wat het effect is van de aandoening of beperking op de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie van de inwoner en het vermogen van de inwoner en zijn omgeving om dit effect op te kunnen vangen. Vervolgens stelt het Centrum voor Elkaar vast waar nog behoefte is aan ondersteuning en wat de doelen van deze ondersteuning zijn. Begeleiding richt zich op:
- a.
Het aanbrengen of behouden van regie en structuur;
- b.
Het aanleren of behouden van vaardigheden in het dagelijks leven;
- c.
Het aangaan en onderhouden van sociale contacten;
- d.
Het ondersteunen van de mantelzorger;
- e.
Het stabiliseren van een ernstig ontregelde thuissituatie.
- a.
- 3.
De inzet van de begeleiding individueel is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. Daarmee wordt bedoeld dat eerst wordt gekeken of de ondersteuning voorliggend kan worden opgelost. Het aantal uren individuele begeleiding wordt toegekend op basis van onder meer:
- a.
De doelen die bereikt moeten worden op basis van de (medische) situatie van de inwoner;
- b.
De concrete taken die de begeleider met de inwoner gaat oppakken;
- c.
De aard van de begeleiding: regulier of gespecialiseerd;
- d.
Het aantal keer per week dat de begeleider moet komen;
- e.
Kans op terugval van de inwoner.
- a.
- 4.
Met betrekking tot de begeleiding maakt de gemeente onderscheid tussen individuele begeleiding en begeleiding in een groep. Of de inwoner is aangewezen op individuele begeleiding of begeleiding in groepsverband, wordt bepaald tijdens het onderzoek wat het best past. Begeleiding in groepsverband gaat voor op individuele begeleiding als daarmee hetzelfde doel kan worden bereikt.
- 5.
Alleen voor individuele begeleiding wordt onderscheid gemaakt tussen gespecialiseerde begeleiding en reguliere begeleiding. Voor de meeste begeleidingsvragen, kan reguliere begeleiding worden ingezet. Dat is het uitgangspunt. Voor de begeleiding van sommige inwoners is een bepaald specialisme nodig. Bijvoorbeeld omdat er sprake is van een zeer specifiek of zwaar ziektebeeld.
- 6.
Gespecialiseerde begeleiding is bedoeld voor inwoners die niet zelfredzaam zijn en waarbij sprake is van ernstig tekortschietende zelfregie, sociaal-emotionele problematiek, integratie en participatie. Er is sprake is van complexe en/of meervoudige problematiek wat vraagt om intensieve begeleiding. Gespecialiseerde begeleiding kan ook ingezet worden bij bijkomende problematiek die veelal zorgt voor een ernstige ontregeling of risico in disfunctioneren zoals: crimineel gedrag, reclassering, verslavingsproblematiek, crisissituaties of ernstige verwaarlozing.
- 7.
De gespecialiseerde begeleiding richt zich op:
- a.
tekortschietende zelfregie en/of inzicht in de problematiek;
- b.
ernstige problemen t.a.v. het psychisch en/of cognitief functioneren;
- c.
oriëntatiestoornissen;
- d.
gedragsproblematiek, ook gedragsproblemen waardoor er risico bestaat voor de veiligheid van de inwoner en/of anderen;
- e.
of plotselinge veranderingen waardoor bovenstaand beeld optreedt.
- a.
Artikel 3.3.2 Groepsbegeleiding/ dagbesteding
- 1.
Groepsbegeleiding kan de volgende doelen hebben:
- a.
Het bieden van een dagprogramma met als doel (al dan niet aangepaste vormen van) werk, vrijwilligerswerk, of onderwijs te vervangen;
- b.
Het bieden van activiteiten met als doel een andere vorm van dagstructurering dan werk of onderwijs en ook het zoveel mogelijk handhaven van zelfredzaamheid, cognitieve capaciteiten en vaardigheden of het reguleren van gedragsproblemen;
- c.
Het ontlasten van de mantelzorger.
- a.
- 2.
Arbeidsmatige dagbesteding kan de volgende doelen hebben:
- a.
Het ontwikkelen van werkvaardigheden;
- b.
Het vergroten van de maatschappelijke participatie en de zelfredzaamheid;
- c.
Het bieden van (dag)structuur.
- a.
- 3.
Het aantal dagdelen groepsbegeleiding wordt toegekend op basis van onder meer:
- a.
De doelen die bereikt moeten worden op basis van de (medische) situatie van de inwoner;
- b.
De behoefte van de inwoner;
- c.
De aard van de begeleiding;
- d.
De behoefte van de eventuele mantelzorger.
- a.
- 4.
Voor sommige vormen van dagbesteding en begeleiding geldt dat deze landelijk worden ingekocht. Het betreft dagbesteding en begeleiding voor mensen met een zintuigelijke beperking (visueel of auditief). De toegang tot deze begeleiding gaat hetzelfde als die tot alle andere vormen van begeleiding.
Artikel 3.3.3 Vervoer bij groepsbegeleiding/ dagbesteding
- 1.
Bij groepsbegeleiding/ dagbesteding kan als dat nodig is, vervoer geïndiceerd worden naar de locatie waar de begeleiding plaatsvindt. Vervoer wordt alleen toegekend als:
- a.
Er groepsbegeleiding is geïndiceerd;
- b.
De inwoner niet in staat is om de locatie waar de begeleiding plaatsvindt zelfstandig of met behulp van personen uit zijn/haar sociale netwerk te bereiken.
- a.
- 2.
Er kan vanuit de Wmo geen toezicht tijdens het vervoer worden geïndiceerd. Ook niet naar begeleiding in groepsverband. Het vervoer moet afgestemd zijn op de doelgroep die wordt vervoerd. Het gaat hier niet om vervoer met de Regiotaxi maar om vervoer dat geregeld wordt door de zorgaanbieder van de dagbesteding. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor de wijze waarop ze het vervoer regelen.
Artikel 3.4 Afwegingskader vervoer / deelname aan het maatschappelijk verkeer
- 1.
Vervoer kan een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van de Wmo-doelstelling ‘participatie in de samenleving’, oftewel meedoen. Algemene vervoersvoorzieningen en gebruik van eigen vervoersvoorzieningen of oplossingen in eigen kring of met vrijwilligers, zijn altijd voorliggend. Ook voorliggend is het openbaar vervoer.
- 2.
Voor het oplossen van vervoersproblemen zijn er diverse voorliggende en gebruikelijke oplossingen:
- a.
taxivervoer of vervoer via familie, vrienden en/of vrijwilligers;
- b.
fiets met lage instap en/of hulpmotor;
- c.
tandem;
- d.
chauffeursdienst Automaatje Bunnik;
- e.
de inzet van chauffeurs vanuit de Huiskamer van Odijk;
- f.
de inzet van vrijwilligers van Stichting Vrijwillige Hulpdienst Werkhoven;
- g.
Regiotaxi Utrecht (collectief vervoer).
- a.
- 3.
Deze voorzieningen komen niet voor vergoeding in aanmerking. Regiotaxi is een collectief vervoerssysteem voor deur-tot-deurvervoer en is door iedere inwoner tegen betaling (het hogere OV vangnettarief zoals jaarlijks vastgesteld vanuit Provincie Utrecht) te gebruiken. Het is daarom een algemene voorziening.
Artikel 3.4.1 Tegemoetkoming vervoer (nadere regel artikel 4.7 lid 7 verordening)
- 1.
Een inwoner kan op grond van de verordening in aanmerking komen voor een vergoeding voor vervoer met eigen auto.
- 2.
De kilometervergoeding hiervoor is gelijk aan de belastingvrije vergoeding die door de belastingdienst wordt gehanteerd tot een maximum van 1.500 kilometer per jaar. In 2025 is dit €0,23 per kilometer.
- 3.
Deze belastingvrije kilometervergoeding wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld door de Belastingdienst en vanuit de gemeente gehanteerd als basis voor de financiële tegemoetkoming.
Artikel 3.4.2 Regiotaxi Utrecht voor Wmo-pashouders (maatwerkvoorziening Wmo)
- 1.
Regiotaxi Utrecht is bedoeld voor sociaal recreatieve doeleinden en mag niet door Wmo-reizigers gebruikt worden voor bijvoorbeeld woon-werkverkeer en vaste ritten naar dagbesteding of dagbehandeling.
- 2.
Een inwoner komt in aanmerking voor een Wmo-pas wanneer deze problemen ervaart op het gebied van vervoer die hij niet zelf of met hulp van zijn sociale omgeving kan oplossen. Een voorwaarde is dat de inwoner niet meer dan 800 meter lopend kan afleggen en/of niet zelfstandig de bushalte kan bereiken.
- 3.
Wmo-vervoer is niet bedoeld voor reizigers die gebruik kunnen maken van andere vervoersregelingen (bijvoorbeeld vanuit de Zorgverzekering) of contractuele afspraken, zoals: zittend ziekenvervoer, vervoer van en naar Wmo-dagbesteding, Leerlingenvervoer, jeugdhulpvervoer en vervoer op grond van de Participatiewet.
- 4.
Een reiziger mag maximaal 25 kilometer reizen per rit, waarbij het vertrek- of aankomstadres zich binnen het totale Vervoergebied Regiotaxi Utrecht 2024-2028 dient te bevinden. Wanneer een reiziger verder dan 25 km wil reizen dan zijn de meerdere kilometers tegen commercieel tarief (OV-vangnettarief) en voor kosten van die reiziger. Er kan maximaal 10 kilometer tegen het commerciële tarief worden gereisd. Een totale rit kan daarom nooit langer zijn dan 35 kilometer.
- 5.
Bij de Regiotaxi kan begeleiding worden geïndiceerd. Dit betekent dat er kosteloos een begeleider mee moet reizen. In dit geval mag een inwoner niet meer alleen met de Regiotaxi reizen.
- 6.
Regiotaxi Utrecht biedt de mogelijkheid voor “individueel vervoer”. Dit houdt in dat gemeente een Wmo-geïndiceerde pashouder een indicatie kan verstrekken voor “individueel vervoer” op medische indicatie of andere zwaarwegende redenen. Alleen wanneer (vaak op basis van medisch advies) is vastgesteld dat de regiotaxi voor een inwoner niet voldoet (bijvoorbeeld in geval van onbeheersbare incontinentie of ernstige gedragsproblemen) komen andere oplossingen in beeld. Hiervan kan ook sprake zijn wanneer de gezinssituatie (bijvoorbeeld in geval van meerdere gehandicapte kinderen) dat vraagt.
- 7.
Vanwege de algemene basis van ‘goedkoopst adequaat’ zijn toekenningen van individuele vervoersvoorzieningen zeer zeldzaam. De ritten van deze Wmo-pashouders met een indicatie “individueel vervoer” mogen niet gecombineerd worden met andere reizigers c.q. ritten. Daarnaast geldt dat er bij Wmo-pashouders “individueel vervoer” ook nog specifiek kan worden gevraagd om vervoer met een “taxi” of “taxibus”. De extra kosten voor “individueel vervoer” komen voor rekening van de gemeente. De ritprijs voor het individueel vervoer is voor de Wmo-geïndiceerde gelijk aan de ritprijs van het “normale” collectief vervoer (OV-vangnettarief). Op grond van het voorgaande kan de inwoner in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming vervoer in plaats van de Regiotaxi voor individueel vervoer. Hieronder valt het gebruik van de eigen auto of een individuele taxi.
Artikel 3.4.3 Eigen bijdrage regiotaxi (nadere regel artikel 4.9 lid 8 van de verordening)
- 1.
De eigen bijdrage voor vervoer met regiotaxi Utrecht voor Wmo-pashouders bedraagt € 0,32 per kilometer over 2026. Dit bedrag wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van de Nationale Energie Efficiency Index (NEA norm vervoer).
- 2.
Tevens geldt een opstaptarief, over 2026 is dit € 1,29. Dit bedrag wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van de NEA norm vervoer.
- 3.
De Wmo-pashouder mag maximaal 25 kilometer per dag reizen tegen korting. Hierna geldt het gebruikelijke OV-tarief (OV-vangnettarief), zoals gepubliceerd op de website van Regiotaxi Utrecht https://regiotaxiutrecht.nl/.
Artikel 3.4.4 Valys
- 1.
Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Daarbij geldt een straal tot 25 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht. Hiermee kan de inwoner ook sociale contacten, het hebben en onderhouden van sociale contacten aangaan en behouden en het deelnemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Op grond van de Wmo verstrekt het college uitsluitend vervoersvoorzieningen voor het zich lokaal verplaatsen binnen de straal van 25 km rond de woning. Dit betekent dat aan de aanwezigheid van voor de betrokkene belangrijke bovenregionale contacten op zichzelf geen, dan wel slechts in bijzondere situaties een beslissende betekenis toekomt, omdat daarvoor Valys de voorliggende voorziening is. Hiervoor is een Wmo-indicatie nodig. Om met Valys te kunnen reizen, is een persoonlijke Valyspas nodig.
- 2.
Iemand komt in aanmerking voor een Valyspas met standaard Persoonlijk Kilometer Budget (PKB) als hij/zij minimaal één van de volgende (bewijs)documenten heeft:
- a.
bewijs van de gemeente dat inwoner recht heeft op Wmo-vervoer (bijv. Wmo-regiotaxipas);
- b.
bewijs van de gemeente dat inwoner recht heeft op een Wmo-(rij)hulpmiddel (bijv. Wmo-rolstoel of scootmobiel);
- c.
gehandicaptenparkeerkaart Passagier (GPK P);
- d.
OV-begeleiderskaart van Argonaut.
- a.
- 3.
Inwoners die niet over deze bewijsdocumenten beschikken kunnen zelf een aanvraag doen bij Valys die vervolgens wordt beoordeeld door een sociaal medisch adviseur van Argonaut.
Artikel 3.4.5 Scootmobiel
- 1.
Een scootmobiel compenseert een mobiliteitsprobleem in de directe woonomgeving en voor middellange afstanden. Een scootmobielen wordt verstrekt voor vervoersbestemmingen voor korte afstanden die de inwoner anders te voet of met de fiets (niet zijnde elektrisch aangedreven) aflegt. Dit is het vervoersgebied waarvoor het collectief vervoer niet of onvoldoende geschikt is. Bij de afweging of een scootmobiel een geschikte maatwerkvoorziening is, worden de volgende zaken in overweging genomen. De inwoner kan:
- a.
zelfstandig op en van de scootmobiel stappen;
- b.
enkele meters zelfstandig, zonder loophulpmiddel lopen;
- c.
scootmobiel op een adequate wijze (technisch) bedienen;
- d.
zelfstandig en veilig deelnemen aan het verkeer op de openbare weg op basis van voldoende verkeersinzichten.
- a.
- 2.
Als er geen stallingmogelijkheid voor de scootmobiel is met een elektriciteitspunt voor het opladen van de accu’s, komen ook de kosten van de aanleg van een stalling of elektriciteitspunt mogelijk voor vergoeding in aanmerking. Als deze kosten erg hoog zijn, kunnen andere vervoersvoorzieningen overwogen worden.
Artikel 3.4.6 (Elektrische) Handbike
- 1.
Ook een (elektrische) handbike kan gebruikt worden voor afstanden die normaal met de fiets afgelegd zouden worden.
Artikel 3.4.7 Sportrolstoelen
- 1.
Sportrolstoelen en aangepaste sportvoorzieningen worden niet in natura verstrekt. De gemeente biedt in voorkomende gevallen een pgb aan van de aanschaf daarvan. De inwoner krijgt dit pgb alleen wanneer hij kan aantonen dat hij:
- a.
de sport beoefent waarvoor de voorziening is aangevraagd;
- b.
actief lid is van een sportvereniging;
- c.
zonder de sportrolstoel of de aangepaste sportvoorziening niet kan sporten door zijn beperkingen.
- a.
Artikel 3.5 Afwegingskader kortdurend verblijf/ respijtzorg
- 1.
Respijtzorg is het tijdelijk overdragen van de zorg om mantelzorgers te ontlasten. Er zijn veel verschillende vormen van respijtzorg, waarbij het overnemen van zorgtaken zowel door een professional of een vrijwilliger kan worden uitgevoerd. De inzet van de respijtzorg is zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig. Opties om de mantelzorger te ontlasten worden per situatie bekeken. Deze omvatten:
- a.
mogelijkheden vanuit de aanvullende ziektekostenverzekering;
- b.
vrijwilligers, die de mantelzorger tijdelijk (alle) zorgtaken uit handen nemen;
- c.
maatwerkvoorziening dagbesteding;
- d.
logeren bij familie/vrienden;
- e.
mantelzorgondersteuning;
- f.
kortdurend verblijf.
- a.
- 2.
Kortdurend verblijf is een vorm van respijtzorg. Bij kortdurend verblijf gaat de inwoner logeren bij een professionele zorgaanbieder van kortdurend verblijf, bijvoorbeeld in een instelling of logeerhuis, waar in een veilige omgeving 24-uurs toezicht geboden kan worden. Het doel hiervan is het overnemen van de gebruikelijke hulp of de zorg van de mantelzorger om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen of te verminderen. Dit kortdurend verblijf kan een aaneengesloten periode of terugkerend enkele dagen zijn. Aaneengesloten verblijf is bijvoorbeeld ten behoeve van vakantie van de mantelzorger. Bij terugkerend verblijf geldt een maximum van drie etmalen per week.
- 3.
Het onderzoeken of de inzet van kortdurend verblijf passend is, wordt in samenwerking met de inwoner, de verlener van gebruikelijke zorg en/of mantelzorger van de betrokkene, de mantelzorgondersteuner binnen het Centrum voor Elkaar en de Wmo-consulent binnen het Centrum voor Elkaar, gedaan.
- 4.
Om in aanmerking te komen voor kortdurend verblijf moet worden voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden:
- a.
Er is sprake van dreigende of al aanwezige overbelasting van de mantelzorger. Ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg levert, is noodzakelijk. Elke andere reden dan respijt bieden aan de mantelzorger is niet relevant; bijvoorbeeld de noodzaak voor medische behandeling of herstel van de inwoner. In dat geval is het een zaak van huisartsen zorgverzekeraar, via de regeling kortdurend eerstelijns-verblijf;
- b.
De inwoner voor wie de mantelzorger de verantwoordelijkheid draagt, komt niet in aanmerking voor een Wlz-indicatie;
- c.
De inwoner is gezien de zorgbehoefte aangewezen op zorg met permanent toezicht (toezicht op regelmatige en onregelmatige momenten op basis van actieve observatie);
- d.
Andere (lichtere) vormen van respijtzorg of voorliggende voorzieningen bieden onvoldoende ondersteuning. Daarbij kan onder ander gedacht worden aan:
- i.
mogelijkheden vanuit de aanvullende ziektekostenverzekering;
- ii.
vrijwilligers, die de mantelzorger tijdelijk (alle) zorgtaken uit handen nemen;
- iii.
maatwerkvoorziening dagbesteding;
- iv.
logeren bij familie/vrienden;
- v.
andere (lichtere) vormen van respijtzorg;
- vi.
mantelzorgondersteuning.
- i.
- a.
- 5.
Aanvullend op deze logeeropvang kan ook overige noodzakelijke zorg en ondersteuning geboden worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om persoonlijke zorg en verpleging vanuit de ziektekostenverzekeringswet (Zvw) en de ambulante ondersteuning of dagbesteding vanuit de Wmo. Crisisopname maakt geen onderdeel uit van kortdurend verblijf. Crisisopname is namelijk plotseling nodig, terwijl kortdurend verblijf vooraf ingepland kan worden. Crisisopname is onderdeel van de Zvw.
Artikel 3.6 Afwegingskader bemoeizorg
- 1.
Bemoeizorg (ook wel outreachende zorg of Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ) genoemd) is het bieden van (ongevraagde) zorg aan mensen met een (vaak) complexe problematiek, die zorg mijden. Dit gebeurt wanneer de inwoner (tijdelijk) zelf niet in staat is de benodigde zorg en ondersteuning te regelen en de situatie zodanig ernstig is dat niet-handelen geen optie is.
- 2.
De doelen van bemoeizorg kunnen als volgt worden omschreven: ِ
- a.
Het verminderen van problemen die de inwoner of zijn omgeving ervaart;
- b.
Het verhogen van de kwaliteit van leven van de inwoner (en diens naasten);
- c.
Het verminderen van de overlast, die deze inwoner in sommige gevallen veroorzaakt; ِ
- d.
Het toe leiden van de inwoner naar reguliere zorg.
- a.
- 3.
Bemoeizorg heeft niet als doel om specifieke problemen te verminderen of om structurele begeleiding te bieden. Bemoeizorg is tijdelijk en wordt periodiek geëvalueerd.
- 4.
Bemoeizorg kan worden ingezet als:
- a.
Er is sprake van ernstige (vaak langdurige) psychosociale of psychiatrische problematiek, waarbij iemand niet in staat is om zelf of met het netwerk passende hulp te organiseren;
- b.
Er is zorgmijding of weerstand, maar tegelijkertijd wel sprake van risico op verdere maatschappelijke ontregeling (bijvoorbeeld vervuiling, dreigend huisverlies, overlast, escalatie in relaties, veiligheidsrisico’s);
- c.
Er is (nog) geen crisis, maar wel het risico dat de situatie daarnaartoe beweegt als er niet proactief contact wordt gelegd;
- d.
Het sociale netwerk is onvoldoende beschikbaar of overbelast, waardoor het risico ontstaat dat iemand (verder) geïsoleerd raakt;
- e.
De hulpvraag van de betreffende persoon kan niet kan worden afgewacht.
- a.
- 5.
Bemoeizorg kan door de gemeente worden gefinancierd als maatwerkvoorziening binnen het Wmo-product Begeleiding. Bemoeizorg kan soms gefinancierd worden vanuit de Zvw, bijvoorbeeld daar waar Zvw-gefinancierde zorg onderdeel uitmaakt van de F-ACT teams.
Artikel 3.7 Afwegingskader Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang
De maatwerkvoorziening die vallen onder Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang zijn individuele begeleiding 24/7 bereikbaar, beschermd wonen, beschermd thuis en maatschappelijke opvang.
Artikel 3.7.1 Individuele begeleiding 24/7 bereikbaar
- 1.
Individuele begeleiding 24/7 bereikbaar is een vorm van individuele begeleiding waarbij de inwoner naast de individuele begeleiding, ook 24-uur per dag telefonisch en digitaal toegang heeft tot een zorgmedewerker. Hiermee is het een intensievere variant van individuele begeleiding, die lichter is dan het maatwerk Beschermd Thuis.
- 2.
Om in aanmerking te komen voor individuele begeleiding 24/7 bereikbaar moet worden voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden:
- a.
De inwoner is beperkt zelfredzaam met hoog risico op ontregeling;
- b.
De inwoner woont zelfstandig of onzelfstandig (op kamers of met anderen in een woning);
- c.
Er is sprake van meervoudige psychosociale problematiek;
- d.
Hulpvraag is grotendeels maar niet altijd planbaar;
- e.
Zorgmijding komt in beperkte mate voor;
- f.
De inwoner is in staat met intensieve begeleiding en praktische ondersteuning zelf de regie te voeren over zijn eigen leven;
- g.
Hulpvraag is zodanig uitstelbaar dat 24/7 ondersteuning bereikbaar is, maar niet nabij of aanwezig hoeft te zijn.
- a.
Artikel 3.7.2 Beschermd wonen/ Beschermd thuis
- 1.
De centrumgemeente is verantwoordelijk voor het maatwerk Beschermd wonen en Beschermd thuis. Voor gemeente Bunnik is dit de centrumgemeente Utrecht. Gemeente Utrecht heeft als centrumgemeente een regierol, verantwoordelijkheid en de daarbij horende financiële middelen ten aanzien van de uitvoering van Beschermd wonen en Beschermd thuis voor de gemeente Bunnik.
- 2.
Beschermd wonen houdt in: het wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen. Hierbij wordt steeds in beeld gehouden dat het perspectief is dat de inwoner uiteindelijk weer zelfstandig gaat wonen al dan niet met ambulante begeleiding.
- 3.
Beschermd thuis is bedoeld voor mensen die alleen met (zeer) veel hulp en ondersteuning zelf hun eigen leven kunnen leiden. Deze mensen wonen meestal zelfstandig in een eigen woning of instellingswoning, maar hebben wel 24-uurszorg nodig om zelfstandig te kunnen wonen.
- 4.
Voor Beschermd wonen en Beschermd thuis gelden de verordening en beleidsregels van de Gemeente Utrecht. Het afwegingskader voor beschermd wonen staat beschreven in artikel 6.10.1 Afwegingskader ‘Beschermd Thuis, Beschermd Verblijf en Beschermd Wonen Bovenregionaal’
Artikel 3.7.3 Maatschappelijke opvang
- 1.
Bij maatschappelijke opvang gaat het om het bieden van tijdelijke opvang aan mensen die dakloos zijn, te weten verblijf in de een opvanginstelling of instellingswoning met daarbij stabiliserende begeleiding. Het gaat om personen die al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Deze opvang wordt vooralsnog door de centrumgemeente Utrecht georganiseerd voor de 16 gemeenten in de regio Utrecht, waaronder voor de gemeente Bunnik.
Artikel 3.8 Afwegingskader woonvoorzieningen
- 1.
Woonvoorzieningen zijn aanpassingen in of rond een woning die helpen om langer zelfstandig te wonen, bijvoorbeeld door een beperking, ziekte of ouderdom. Dit kunnen vaste of losse hulpmiddelen zijn, zoals een traplift, een verhoogd toilet, een drempelhulp of aangepaste keukenaanpassingen.
- 2.
Bijzondere woonvormen waarvoor er via de Wmo geen compensatieplicht geldt, zijn:
- a.
hotels;
- b.
pensions;
- c.
trekkerswoonwagens;
- d.
kloosters;
- e.
tweede woningen;
- f.
vakantiewoningen;
- g.
recreatiewoningen;
- h.
kamerverhuur;
- i.
op gehandicapten of ouderen gerichte woongebouwen.
- a.
-
Deze uitsluitingen betreffen woonvormen die niet als hoofdwoning dienstdoen en die niet permanent bewoond worden. Natuurlijk kunnen bewoners van dergelijke woningen wel bij de gemeente terecht voor advies en informatie.
- 3.
Bij het beoordelen van de noodzaak tot verstrekken van een maatwerkvoorziening wordt meegewogen dat de ontstane problemen in en rond de woning voorzienbaar waren. Meegewogen wordt of de inwoner zelf het risico heeft afgewogen dat zijn woning (in de afzienbare toekomst) niet geschikt zou zijn en er naar gehandeld. In verband hiermee wordt er onder andere gekeken naar de volgende aspecten:
- a.
De eigenaar van de woning is verantwoordelijk voor de in de woning gebruikte materialen. Als hieruit problemen voortkomen dan dient de inwoner zich te wenden tot de woningeigenaar.
- b.
Er zijn situaties waarin de inwoner verhuist van een aangepaste en/of geschikte woning naar een woning die minder of helemaal niet is aangepast/geschikt. Dit is een verhuizing van een geschikte naar een niet geschikte woning. De gemeente heeft alleen een verantwoordelijkheid voor het aanpassen van de woning als er voor deze verhuizing een belangrijke reden bestaat en van de inwoner niet verwacht mag worden dat hij zelfredzaam is in het oplossen van het probleem.
- a.
-
Ook als iemand met (dreigende) beperkingen verhuist vanuit een voor hem ongeschikt huis, dan verwacht de gemeente dat hij deze gelegenheid aangrijpt om naar een geschikte woning te verhuizen. Hierbij wordt ook van de inwoner verwacht dat hij rekening houdt met de toekomst.
-
Het staat iedereen vrij om een andere woning uit te kiezen. Het college zal bij de aanvraag van woonvoorzieningen echter altijd overwegen in hoeverre de inwoner met de ontstane problemen rekening had kunnen houden bij de woonkeuze.
- 4.
Onderzocht wordt in hoeverre eigen oplossingen kunnen leiden tot een oplossing voor het probleem. Hierbij wordt ook overwogen of er volstaan kan worden met voorzieningen die relatief goedkoop en/of algemeen gebruikelijk zijn en waarvoor geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Als algemeen gebruikelijk wordt in dit verband beschouwd onder meer:
- a.
het aanbrengen van beugels en handgrepen;
- b.
het laten plaatsen van een verhoogd toilet;
- c.
het aanschaffen van een toiletverhoger;
- d.
het aanschaffen van een toiletstoel;
- e.
het aanschaffen van een eenvoudige niet kantelbare douchestoel;
- f.
het laten aanleggen van eenvoudige drempelhulpen;
- g.
tweede (trap)leuningen.
- a.
- 5.
De veel gebruikte roerende woonvoorzieningen zijn over het algemeen tegen redelijke prijzen verkrijgbaar bij (thuiszorg)winkels en via internet. Als de inwoner de voorziening via de eigen bijdrage uiteindelijk helemaal zelf betaalt, dan is hij misschien sneller en/of goedkoper geholpen met een zelf aangeschafte voorziening. De keuze is aan de inwoner.
- 6.
Een bouwkundige aanpassing of woon-technische ingreep aan een woonruimte wordt toegekend aan de inwoner. De gemeente kan, in het geval er sprake is van een huurwoning, ervoor kiezen om de kosten voor de voorziening direct aan de eigenaar uit te betalen. De beschikking wordt verstuurd aan de inwoner met een afschrift aan de woningeigenaar. Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning wordt altijd een programma van eisen opgesteld. Zo nodig worden meerdere offertes opgevraagd.
- 7.
De volgende woningaanpassingen in en rond de woning en aanvullende bepalingen zijn van toepassing:
- a.
In de keuken
- a.
-
Aanpassingen in de keuken zijn mogelijk als sprake is van beperkingen bij het uitvoeren van keukenactiviteiten waarvoor de inwoner grotendeels verantwoordelijk is.
- b.
Aan de trap
- b.
-
Als iemand vraagt om zijn beperkingen in het traplopen op te lossen, dan wordt gekeken naar de mate van normaal gebruik van de woning. Als er geen mogelijkheden zijn om anders gebruik te maken van de gebruiksruimtes worden alternatieven overwogen zoals bijvoorbeeld een traplift, easystep of een tweede leuning.
-
Indien de gemeente een regeling heeft getroffen of een contract heeft gesloten voor de levering van trapliften, wordt de traplift in natura en in bruikleen verstrekt conform het contract met de trapliftleverancier. Als de inwoner voor een pgb kiest moet de inwoner een drietal offertes overleggen om de hoogte van het pgb te kunnen vaststellen. Waarbij artikel 4.3 lid 1 van de verordening in acht genomen wordt en rekening gehouden wordt met tarieven voor aanschaf en onderhoud in eventuele contracten met leveranciers van de gemeente.
-
Indien de gemeente geen regeling of contract heeft gesloten wordt de aanschaf van een traplift met behulp van een financiële tegemoetkoming mogelijk gemaakt. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is gebaseerd op de goedkoopst passende voorziening. De inwoner betaalt in alle situaties een bijdrage zoals genoemd in artikel 4.9 van de verordening.
- c.
Van het toilet
- c.
-
Het aanpassen van het toilet bestaat voornamelijk uit het opheffen van beperkingen in gebruik en toegankelijkheid van het toilet.
-
Een zogenaamde spoel/föhn installatie, is bedoeld voor mensen die niet in staat zijn zichzelf te reinigen na de toiletgang, kan worden verstrekt.
-
Een tweede toilet, bijvoorbeeld op de bovenverdieping, wordt in principe niet verstrekt. Er is een uitzondering hierop mogelijk in het geval dat:
- i.
Een losse toiletstoel of chemisch toilet niet geleegd en/of schoongemaakt kan worden door de inwoner, een huisgenoot, vrijwilliger of hulpverlener en;
- ii.
De gang naar beneden, voornamelijk in de nacht, niet of niet op tijd mogelijk is.
- d.
Aan de natte cel
- i.
-
Met de natte cel wordt bedoeld de ruimte in de woning waar iemand zich wast, doucht en eventueel naar het toilet kan: de badkamer. Ook hier worden aanpassingen aangebracht om eventuele beperkingen in het gebruik en de toegankelijkheid mogelijk te maken.
- e.
Bereikbaarheid/toegankelijkheid/bezoekbaarheid van de woning
- e.
-
Mogelijke aanpassingen zijn:
- i.
verbreden van toegangsdeuren en -paden;
- ii.
aanbrengen van automatische deuropeners;
- iii.
aanbrengen van drempelhulpen;
- iv.
verwijderen van drempels;
- v.
bereikbaar maken van tuin of balkon.
- f.
Aanbouw
- i.
-
Het college besluit vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Als het gaat om een aanbouw bij een eigen woning, zal de gemeente allereerst beoordelen wat iemands eigen mogelijkheden zijn. Ook zal er gekeken worden of het verhuizen naar een geschikte woning een oplossing kan bieden.
- g.
Terras
- g.
-
Als de aanleg van een verhard terras, direct aansluitend aan de woonruimte, of de aanpassing van een bestaand terras noodzakelijk is, dan moet de grootte in overleg met de inwoner bepaald worden.
- h.
Mogelijk te vergoeden kosten
- h.
-
De kosten voor woningaanpassingen die meewegen bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming en getoetst worden op goedkoopst compenserend, zijn:
- i.
de aanneemsom;
- ii.
de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten;
- iii.
het architectenhonorarium;
- iv.
de kosten voor het toezicht op de uitvoering;
- v.
de leges;
- vi.
de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting;
- vii.
renteverlies;
- viii.
de prijs van bouwrijpe grond;
- ix.
de door de gemeente (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet waren te voorzien;
- x.
de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen;
- xi.
de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening;
- xii.
de administratiekosten die de verhuurder maakt.
- i.
-
Bij de toekenning van voorzieningen wordt uitgegaan van het niveau van sociale woningbouw. Het hiervoor geldende niveau is vastgelegd in het “Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)”.
- i.
Vergoeding woonwagens
- i.
-
Als de technische levensduur van een woonwagen minder dan vijf jaar is, of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt, moet in overleg met de inwoner bepaald worden hoeveel de vergoeding voor bouwkundige en niet-bouwkundige woonvoorzieningen en verwijdering van in bruikleen verstrekte voorzieningen bedraagt en hoe zich dat verhoudt tot de economische waarde van de woonwagen. Waarbij verhuizen de voorliggende optie is.
- j.
Opstalverzekering
- j.
-
De gemeente eist dat de eigenaar van de woning bij het vergroten van de woning zelf zorgt voor de aanpassing van de opstalverzekering.
- k.
Gereedmelding woningaanpassing
- k.
-
Een woningaanpassing, niet zijnde het aanbrengen van een traplift, moet binnen een bij de situatie passende redelijke termijn na het verlenen van de voorziening gereed zijn. Als niet aan de termijn wordt voldaan, kan het college besluiten om het besluit tot toekenning van de voorziening in te trekken. Als de voorziening gereed is, moet er door de inwoner aan de gemeente een schriftelijke gereedmelding worden overlegd.
- 8.
Voorzieningen worden zo min mogelijk verwijderd. Als het onontkoombaar is om een voorziening te verwijderen zijn de kosten van het verwijderen voor de gebruiker van de voorziening. De gemeente is niet verantwoordelijk voor de kosten van het verwijderen hiervan.
- 9.
Ook bij mantelzorgers die helpen bij de verzorging van de inwoner, kunnen er sprake zijn van problemen. Dit is dan het gevolg van de zorgtaak van de mantelzorger, waardoor de mantelzorger (te) zwaar belast wordt. In zo’n geval kan compensatie ook een optie zijn. Een tillift is een duidelijk voorbeeld van een hulpmiddel waar de mantelzorger veel baat bij heeft.
Artikel 3.9 Woningaanpassing aan gemeenschappelijke ruimten
- 1.
Deze maatwerkvoorziening kan slechts worden verstrekt voor:
- a.
het aanbrengen van automatische deuropeners;
- b.
aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw, mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel;
- c.
drempelhulpen of vlonders;
- d.
het verbreden van toegangsdeuren (aanvullend op verordening);
- e.
het aanbrengen van een extra trapleuning bij een portiekwoning (aanvullend op verordening).
- a.
- 2.
Het college kan een pgb of zorg in natura verstrekking verlenen voor het treffen van voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte, indien deze zonder de voorzieningen ontoegankelijk is voor de inwoner met beperkingen. Deze voorziening wordt verstrekt op de inwoner met de beperking(en). Hiervoor is geen eigen bijdrage verschuldigd. Daarbij is het van belang te onderzoeken of de aanpassingen voor meer bewoners van toepassing zijn die gebruik maken van de gemeenschappelijke ruimte en zo of er bijvoorbeeld een Vereniging van Eigenaren (VVE) is die deze kosten voor zijn rekening kan nemen. Ook moet nagegaan worden of het betreffende woningcomplex een label heeft. Bijvoorbeeld seniorenwoningen: aanpassingen in de gemeenschappelijke ruimte vallen daardoor onder de verantwoordelijkheid van de woningcorporatie.
- 3.
Een maatwerkvoorziening in een gemeenschappelijke ruimte kan alleen worden toegekend als er een individuele persoon met beperkingen is voor wie de maatwerkvoorziening noodzakelijk is. De onderhoudsplicht van de voorziening(en) ligt bij de eigenaar van het complex.
- 4.
Als een inwoner woningeigenaar is en deel uitmaakt van een VVE dient de inwoner eerst bij de VVE na te vragen of zij de aanpassing willen realiseren.
- 5.
Als duidelijk is dat de VVE de aanpassing niet wil bekostigen en aanbrengen, heeft de gemeente een compensatieplicht en kan de gemeente de voorziening plaatsen zonder toestemming van de VVE. Wel moet de VVE gehoord worden bij het voornemen tot plaatsen. Het wachten op de Algemene Ledenvergadering is niet noodzakelijk om de aanvraag in behandeling te nemen, gelet op het feit dat toestemming geen vereiste voor toekenning vormt. Ook indien de inwoner de woning huurt, zal de woningeigenaar (de verhuurder) als derde belanghebbende tijdens de besluitvormingsprocedure volgens het principe van hoor en wederhoor gehoord worden.
Artikel 3.10 Woningaanpassing voor wat betreft meest geschikte beschikbare woning
- 1.
Het college verstrek geen maatwerkvoorziening voor woningaanpassingen als de inwoner niet is verhuisd naar de meest geschikte beschikbare woning, tenzij vooraf toestemming is gegeven door het college, met als afwegingskader het primaat van verhuizen.
- 2.
Primaat van verhuizen. Wanneer de kosten van een aanpassing in of aan de woning hoger blijken dan een bepaald bedrag om te verhuizen naar een geschikte woning of een geschikt te maken woning treedt het primaat van verhuizen in werking. Dit wil zeggen: uit het oogpunt van de noodzakelijke kosten en het doel van de ondersteuning adviseert het college aan de inwoner om te verhuizen naar een geschikte woning. Hierbij weegt het college alle relevante zaken mee: financiële consequenties van de verhuizing, de beschikbaarheid (in verband met de medisch verantwoorde termijn), argumenten pro en contra de verhuizing voor de inwoner, de eventueel aanwezige mantelzorg, nabijgelegen voorzieningen enzovoort. Een zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het advies ten grondslag liggen. Niemand kan verplicht worden om te verhuizen. Kiest de inwoner (en zijn gezin) ervoor in de huidige woning te blijven wonen dan stelt het college, voor de noodzakelijke aanpassingen een beperkt bedrag beschikbaar.
- 3.
Dit bedrag is gemaximaliseerd aan de hoogte van de verhuiskostenvergoeding zoals opgenomen in artikel 3.11. Het resterende bedrag komt voor rekening van de inwoner. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat alle benoemde aanpassingen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd.
- 4.
De inwoner heeft naderhand geen recht meer op toekenning van een voorziening die tijdens de initiële afweging tot het pakket van eisen behoorde.
- 5.
Het primaat van verhuizen is zowel van toepassing bij huur- als bij koopwoningen. Bij een koopwoning wordt een afweging gemaakt of het kopen van een andere geschikte of gemakkelijk aan te passen woning gezien kan worden als de meest goedkope en adequate oplossing. Ook als er een geschikte huurwoning beschikbaar is, geldt het primaat van verhuizen naar die woning voor de eigenaar van de koopwoning.
- 6.
Bij verhuizing komt de inwoner niet in aanmerking voor een saneringsvergoeding van de woning. Bij een verhuizing is het immers gebruikelijk dat iemand zijn woning op eigen kosten opnieuw inricht en stoffeert. Hierbij kan de inwoner alvast rekening houden met zijn gezondheidsklachten.
Artikel 3.11 Tegemoetkoming verhuiskosten (nadere regel artikel 4.3 lid 8 verordening)
- 1.
Een inwoner die vanwege zijn beperkingen niet meer in zijn eigen woning kan wonen en daarom moet verhuizen, kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten.
- 2.
Voor verhuiskosten van een 1-persoonshuishouden is de bijdrage eenmalig maximaal € 4.603,80.
-
Dit is 60% van de Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie, volgens het Burgerlijk Wetboek.
- 3.
Voor verhuiskosten van een meerpersoonshuishouden is de bijdrage eenmalig maximaal € 5.754,75. Dit is 75% van de Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie.
- 4.
De hoogte van de tegemoetkoming verhuiskosten gebaseerd op de Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie wordt jaarlijks aangepast per 1 maart.
- 5.
Een verzoek om een verhuiskostenvergoeding wordt in de volgende gevallen afgewezen:
- a.
Bij algemeen gebruikelijke verhuizingen (niet limitatief):
- i.
jongeren die op zichzelf gaan wonen;
- ii.
jonge gezinnen die groter gaan wonen;
- iii.
ouderen die naar een kleinere woning of seniorenwoning verhuizen;
- iv.
bewoners van een Wlz-instelling die op een zeker moment zelfstandig gaan wonen.
- i.
- b.
Bij geen onverwacht optredende noodzaak;
- c.
Bij verhuizing naar een niet zelfstandige woonruimte;
- d.
Indien de verhuizing al heeft plaatsgevonden.
- a.
Artikel 3.12 Afwegingskader hulpmiddelen
- 1.
Hulpmiddelen kunnen nodig zijn om problemen op te lossen bij het verplaatsen in en om de woning. Deze kunnen door de gemeente verstrekt worden, maar er zijn ook veel hulpmiddelen die particulier aangeschaft kunnen worden. In het kader van het verplaatsen in en om de woning gaat het om een rolstoel die iemand nodig heeft voor dagelijks zittend gebruik in en om de woning.
- 2.
Als iemand al een voorziening heeft aangeschaft voordat daarvoor een aanvraag voor hulpmiddel is ingediend dan kan de gemeente meestal de situatie voorafgaand aan de aanpassing niet goed meer beoordelen. Als bij de beoordeling van de aanvraag niet meer is vast te stellen of de voorziening noodzakelijk was, dan wordt de aanvraag afgewezen. De bewijslast hiervoor ligt bij de inwoner.
- 3.
Een aanvraag voor een voorziening die eerder is verstrekt en waarvan de afschrijvingstermijn nog niet voorbij is wordt afgewezen. Dit geldt niet indien de voorziening buiten de schuld van de inwoner niet meer functioneert.
- 4.
De gemeente houdt de volgende afschrijvingstermijnen aan voor de verstrekte voorzieningen:
- a.
rolstoelen, vervoermiddelen en roerende woonvoorzieningen: 7 jaar;
- b.
niet-roerende woningvoorzieningen: 10 jaar;
- c.
in tegenstelling tot lid 4a geldt voor een sportrolstoel een afschrijvingstermijn van 3 jaar.
- a.
- 5.
De afschrijvingstermijnen worden zowel bij voorzieningen in natura als bij voorzieningen die in de vorm van een pgb zijn verstrekt toegepast. Voorzieningen waarvan de afschrijvingstermijn is verstreken, maar die nog goed functioneren, worden niet vervangen.
- 6.
Soms blijken reparaties aan hulpmiddelen nodig. De kosten van reparaties die nodig zijn door onzorgvuldig gebruik of grove nalatigheid van de inwoner worden verhaald op de inwoner. Als dit zich vaker voordoet bij dezelfde inwoner, dan krijgt deze een waarschuwing voor het terugnemen van de voorziening. Ook als iemand een pgb heeft, kan de gemeente op deze manier ingrijpen.
Slotbepalingen
- 1.
De citeertitel van deze nadere regels en beleidsregels is Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik.
- 2.
De Nadere regels en Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik treden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026 en de beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp vastgesteld op 21 april 2020 en het “Besluit vervoersvoorziening Jeugdhulp gemeente Bunnik 2015”, geldend per 01-01-2015 gelijktijdig ingetrokken.
Ondertekening
Aldus besloten op 10 februari 2026
Ondertekening
De secretaris De burgemeester
Dhr. M. van der Jagt Dhr. R. van Bennekom
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl