Beleidsregel Wet Bibob gemeente Midden-Delfland 2025

Geldend van 27-02-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel Wet Bibob gemeente Midden-Delfland 2025

De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;

Overwegende dat,

  • Voorkomen moet worden dat de overheid criminele activiteiten faciliteert;

  • De gemeente Midden-Delfland alleen zaken wil doen met integere partijen;

  • De aanpak van ondermijning een prioriteit is in het Integraal Veiligheidsbeleid 2024 – 2027 en een plan van aanpak ondermijning 2024 – 2026 is opgesteld, waarbij de Wet Bibob als een belangrijk instrument wordt gezien in de aanpak;

  • Het voorgaande Bibob-beleid uit 2012 dateert;

  • De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van MiddenDelfland op basis van het voorgaande tot vernieuwing van het Bibob-beleid over wil gaan;

Gelet op,

Het bepaalde in de Wet Bibob en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, alsook de relevante bepalingen in de Alcoholwet, de Omgevingswet, de Huisvestingswet, de Algemene Plaatselijke Verordening 2022, de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Algemene Subsidieverordening 2016, de Aanbestedingswet 2012 en het Burgerlijk Wetboek.

[Gelet op, bevat een kennelijke verschrijving. Hier wordt bedoeld: Het bepaalde in de Wet Bibob en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, alsook de relevante bepalingen in de Alcoholwet, de Omgevingswet, de Huisvestingswet, de Algemene Plaatselijke Verordening 2025, de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Algemene Subsidieverordening 2026, de Aanbestedingswet 2012 en het Burgerlijk Wetboek.]

Besluiten vast te stellen:

Beleidsregel Wet Bibob gemeente Midden-Delfland 2025

Hoofdstuk 1: algemeen

1.1 Begripsomschrijvingen

In deze beleidsregel zijn de definities zoals genoemd in artikel 1.1 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet Bibob) van toepassing.

Waar in deze beleidsregel ‘de gemeente’ wordt genoemd, wordt zowel het bestuursorgaan – als wanneer van toepassing – de rechtspersoon met een overheidstaak bedoeld.

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a.

    Aanvraag: een aanvraag zoals bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

  • b.

    APV: Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Midden-Delfland;

  • c.

    bestuursorgaan: de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad van de gemeente Midden-Delfland;

  • d.

    Bibob-toets: het doen van onderzoek naar een aanvraag waarbij met toepassing van de Wet Bibob door de gemeente wordt beoordeeld of er redenen aanwezig zijn om: e. De aanvraag te weigeren;

  • e.

    De kandidaat niet tot de overheidsopdracht toe te laten;

  • f.

    De overeenkomst niet aan te gaan;

  • g.

    De beschikking in te trekken, te beëindigen of daaraan voorschriften te verbinden;

  • h.

    Advies bij het Bureau Bibob aan te vragen (artikel 9 lid 2 van de Wet Bibob).

  • i.

    Bibob-vragenformulier: het formulier dat iemand in moet vullen bij de start van de Bibob-toets (zie artikel 7a, lid 5 van de Wet Bibob).

  • j.

    Eigen ambtelijke informatie: informatie die binnen de gemeente aanwezig is, bijvoorbeeld in documenten of digitaal. Of informatie die de gemeente in open of gesloten bronnen mag bekijken of aanvragen en/ of informatie waarover de gemeente op verzoek over kan beschikken, De gemeente mag deze informatie gebruiken voor het eigen onderzoek.

  • k.

    RIEC: het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum, het regionaal samenwerkingsverband zoals bedoeld in artikel 28 lid 2 onder d van de Wet Bibob;

  • l.

    subsidie: een subsidie zoals bedoeld in artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb);

1.2 Afwijken beleid

In individuele gevallen kan er worden besloten om af te wijken van dit beleid, wanneer de omstandigheden van het individuele geval daar naar oordeel van de gemeente aanleiding toe geven.

1.3 Weigering volledig invullen Bibob-vragenformulieren

  • a.

    Bij een weigering om de Bibob-vragenformulieren volledig ingevuld te retourneren, zullen bij aanvragen om een beschikking de daartoe gestelde regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegepast worden. Bij aanhoudende weigering zal de gevraagde beschikking buiten behandeling worden gesteld op grond van artikel 4:5 van de Awb;

  • b.

    Bij verleende beschikkingen zal een weigering op grond van artikel 4 lid 1 van de wet worden beschouwd als een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet. De verstrekte vergunning kan als gevolg daarvan worden ingetrokken.

1.4 Uitzonderingen op het toepassingsbereik bij beschikkingen

Een Bibob-onderzoek wordt in beginsel niet toegepast op aanvragen van:

  • a.

    (semi) Overheidsinstanties;

  • b.

    Wettelijk (middels een daartoe verstrekte vergunning) toegelaten woning(bouw)corporaties (die op grond van de Woningwet zijn aangewezen als toegelaten instellingen voor de volkshuisvesting);

  • c.

    Omgevingsvergunningen met een bouwsom lager dan €500.000;

  • d.

    Exploitatievergunningen voor een Bed and Breakfast met 3 kamers of minder.

Hoofdstuk 2: toepassing van de Wet Bibob bij vergunningen

In dit hoofdstuk wordt aangegeven wanneer de Wet Bibob door de gemeente wordt ingezet bij vergunningen.

2.1 Horeca en kansspelen

2.1.1 De gemeente voert een Bibob-toets uit bij een aanvraag of wijziging van de volgende vergunningen:

  • a.

    Alcoholwetvergunning (artikel 3 Alcoholwet, met uitzondering van slijterijbedrijven);

  • b.

    Alcoholwetvergunning paracommerciële rechtspersonen (de aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet in het geval het een paracommerciële rechtspersoon betreft als bedoeld in artikel 4 van de Alcoholwet), waarbij de exploitatie van de horeca-activiteiten niet in eigen beheer plaatsvinden;

  • c.

    Exploitatievergunning speelgelegenheid (artikel 2:39 van de APV).

2.1.2 De gemeente kan een Bibob-toets uitvoeren bij een aanvraag of wijziging van de volgende vergunningen:

  • a.

    Exploitatievergunning openbare inrichting (artikel 2:28 van de APV);

  • b.

    Alcoholwetvergunning voor slijterijbedrijven (artikel 3 Alcoholwet);

  • c.

    Alcoholwetvergunning paracommerciële rechtspersonen (de aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet in het geval het een paracommerciële rechtspersoon betreft als bedoeld in artikel 4 van de Alcoholwet);

  • d.

    Bijschrijven leidinggevende op de Alcoholwetvergunning (artikel 30a Alcoholwet);

  • e.

    Aanwezigheidsvergunning kansspelautomaat (artikel 30b van de Wet op de kansspelen).

2.2 Seksinrichtingen

2.2.1 De gemeente voert een Bibob-toets uit bij een aanvraag of wijziging van de volgende vergunningen:

  • a.

    Exploitatievergunning seksinrichting (artikel 3:3 van de APV), indien sprake is van vestiging van een nieuw bedrijf, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming.

  • b.

    De Bibob-toets wordt één keer in de vier jaar uitgevoerd.

2.3 Evenementen

2.3.1 De gemeente voert een Bibob-toets uit bij een aanvraag of wijziging van de volgende vergunningen:

  • a.

    Evenementenvergunning (artikel 2:25 van de APV).

    De toepassing zal daarbij beperkt blijven tot aanvragen voor evenementen die door of namens commerciële partijen worden georganiseerd dan wel (in omvang) op een bedrijfsmatige wijze georganiseerd worden.

2.4 Bouwen & milieu

2.4.1 De gemeente voert een Bibob-toets uit bij de volgende aanvragen of wijzigingen:

  • a.

    Omgevingsplanactiviteit (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet).

  • b.

    Bouwactiviteit (artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet).

  • c.

    Milieubelastende activiteit (artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b van de Omgevingswet).

  • d.

    Wijziging aanvrager of vergunninghouder zoals bedoeld in artikel 5.37 van de Omgevingswet).

2.4.2. De gemeente voert een Bibob toets uit als de kosten van de aangevraagde bouwactiviteit hoger zijn dan €500.000.

2.5 Overige aanvragen

2.5.1. De gemeente kan een Bibob-toets uitvoeren bij overige aanvragen om vergunningen die niet eerder zijn benoemd in deze beleidsregel, waarbij de gemeente bevoegd is tot het toepassen van de Wet Bibob.

2.5.2 De gemeente kan een Bibob-toets uitvoeren bij aanvragen als deze vallen onder de in bijlage 1 benoemde risicocategorieën en/of risicogebieden.

  • Zie bijlage voor een overzicht van risicocategorieën en risicogebieden.

2.5.3 De gemeente kan een Bibob-toets uitvoeren als er sprake is van informatie:

  • die bij de gemeente bekend is (eigen ambtelijke informatie);

  • van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC;

  • van het Bureau Bibob (bijvoorbeeld een tip zoals bedoeld in artikel 11 en/of informatie zoals bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob);

  • van het OM (OM-tip, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob);

  • van een bestuursorgaan dat of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van deze wet (zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob).

Het gaat hierbij om duidelijke aanwijzingen die het vermoeden rechtvaardigen, dat ten aanzien van de betrokkene(n) en/of derde(n) als bedoeld in artikel 3 lid 4 van de Wet Bibob, mogelijk sprake is van een mindere mate van gevaar of ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van deze wet.

2.6 Verleende vergunningen

2.6.1 De gemeente kan een Bibob-toets uitvoeren bij verleende vergunningen als:

  • a.

    de vergunning gaat over een activiteit en/of gelegen is in een concreet bepaald gebied, dat op basis van een genomen besluit van de gemeente na de verstrekking van de vergunning, in Bijlage 1 is aangewezen als een risicocategorie en/of -gebied;

  • b.

    vanuit eigen ambtelijke informatie en/of vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC, er aanwijzingen zijn dat er mogelijk sprake is van een ernstige mate van gevaar of mindere mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob;

  • c.

    er een tip van het Bureau Bibob als bedoeld in artikel 11 en/of informatie zoals bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob ontvangen;

  • d.

    er een tip van het OM (OM-tip, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob) is ontvangen;

  • e.

    er is een tip van een bestuursorgaan dat of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van de Wet Bibob, als bedoeld in artikel 26 van deze wet is ontvangen.

Hoofdstuk 3: toepassing van de Wet Bibob bij subsidies

In dit hoofdstuk wordt aangegeven wanneer de Wet Bibob door de gemeente wordt ingezet bij subsidies.

3.1 Subsidies

3.1.1. De gemeente kan een Bibob-toets uitvoeren bij een aanvraag om een subsidie of een reeds vastgestelde of verleende subsidie als:

  • de te subsidiëren activiteit plaatsvindt in een gebouw, gebied of branche dat op basis van artikel 2:81 van de APV door de burgemeester is aangewezen. Dit geldt ook wanneer de subsidieaanvrager of -ontvanger in dit gebouw of gebied is gevestigd en de te subsidiëren activiteit op een andere locatie plaatsvindt;

  • de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd die valt onder één of meer van de in de bijlage 1 genoemde risicocategorieën en/of risicogebieden;

  • er sprake is van informatie:

    • die bij de gemeente bekend is (eigen ambtelijke informatie); o van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC; o van het Bureau Bibob (bijvoorbeeld een tip zoals bedoeld in artikel 11 en/of informatie zoals bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob);

    • van het OM (OM-tip, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob); o van een bestuursorgaan dat of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van deze wet (zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob).

Het gaat hierbij om duidelijke aanwijzingen die het vermoeden rechtvaardigen, dat ten aanzien van de betrokkene(n) en/of derde(n) als bedoeld in artikel 3 lid 4 van de Wet Bibob, mogelijk sprake is van een mindere mate van gevaar of ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van deze wet.

Hoofdstuk 4: toepassing van de Wet Bibob bij vastgoed

In dit hoofdstuk wordt aangegeven wanneer de Wet Bibob door de gemeente wordt ingezet bij vastgoedtransacties waarbij de gemeente partij is.

4.1 Vastgoed

4.1.1 De gemeente kan een Bibob-toets uitvoeren bij vastgoedtransacties waarbij de gemeente partij is als:

  • De vastgoedtransactie één of meerdere van onderstaande kenmerken heeft:

    • het vastgoedobject, zoals een gebouw of een stuk grond, gebruikt wordt of gebruikt gaat worden binnen een door de gemeente benoemde risicocategorie en/of risicogebied zoals benoemd in Bijlage 1;

    • betrekking heeft op een onroerende zaak of grond gelegen in een gebied, gebouw of gaat over een branche dat op basis van artikel 2:81 van de APV door de burgemeester is aangewezen;

    • grote financiële complexiteit; o complexe bedrijfsstructuur;

    • hoog financieel risico voor de gemeente;

    • wanneer ook sprake is van een aanvraag om beschikking (genoemd in hoofdstuk 2 en 3 van deze beleidsregel) en deze getoetst wordt aan de Wet Bibob.

  • Er sprake is van informatie:

    • die bij de gemeente bekend is (eigen ambtelijke informatie);

    • van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC;

    • van het Bureau Bibob (bijvoorbeeld een tip zoals bedoeld in artikel 11 en/of informatie zoals bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob);

    • van het OM (OM-tip, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob);

    • van een bestuursorgaan dat of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van de Wet Bibob (zoals bedoeld in artikel 26 van deze wet). waarbij vragen ontstaan of bestaan over de integriteit van de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

2. Bij de start van onderhandelingen, zal de gemeente de wederpartij informeren dat een Bibob-toets deel kan uitmaken van de procedure.

3. In de overeenkomst wordt een integriteitsclausule opgenomen, op basis waarvan kan worden overgegaan tot ontbinding, opzegging, vernietiging of opschorting van de overeenkomst.

4. Als is besloten tot uitvoering van een Bibob toets neemt de gemeente geen definitief besluit tot het aangaan van een vastgoedtransactie totdat het Bibob onderzoek volledig is afgerond.

Hoofdstuk 5: toepassing van de Wet Bibob bij overheidsopdrachten

In dit hoofdstuk wordt aangegeven wanneer de Wet Bibob door de gemeente wordt ingezet bij overheidsopdrachten. De gemeente kan de wet toepassen bij overheidsopdrachten zoals bedoeld in de Aanbestedingswet 2012, dan wel een overeenkomst zorg vanuit de Jeugdwet en/ of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

5.1 Overheidsopdrachten

5.1.1 De gemeente kan een Bibob-toets uitvoeren bij aangaan of uitvoering van overheidsopdrachten zoals bedoeld in de Aanbestedingenwet als:

  • De activiteiten vallen onder de in Bijlage 1 benoemde risicocategorieën en/of risicogebieden;

  • Er sprake is van informatie:

    • die bij de gemeente bekend is (eigen ambtelijke informatie);

    • van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC;

    • van het Bureau Bibob (bijvoorbeeld een tip zoals bedoeld in artikel 11 en/of informatie zoals bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob);

    • van het OM (OM-tip, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob);

    • van een bestuursorgaan dat of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van de Wet Bibob (zoals bedoeld in artikel 26 van deze wet). waarbij vragen ontstaan of bestaan over de integriteit van de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.

2. In aanbestedingsdocumenten zal worden opgenomen dat inschrijvende partijen er rekening mee moeten houden dat de gemeente, alvorens tot gunning over te gaan, een Bibob-toets kan uitvoeren.

3. De gemeente neemt een integriteitsclausule op in het contract. Daarin zet de gemeente dat het onder het contract uit kan als uit een Bibob-onderzoek blijkt dat de uitvoerder van de opdracht niet integer is, zoals bedoeld in artikel 9, lid 2 van de Wet Bibob.

Hoofdstuk 6: uitzonderingen

De Bibob-toets zal niet worden uitgevoerd (behalve als hiertoe aanleiding bestaat), indien de aanvraag afkomstig is van:

  • overheidsinstanties;

  • semi-overheidsinstanties;

  • een rechtspersoon of organisatie waaraan de gemeente zelf deelneemt;

  • toegelaten woning(bouw)corporaties (die op grond van de Woningwet zijn aangewezen als toegelaten instellingen voor de volkshuisvesting).

Hoofdstuk 7: uitvoering van de Bibob-toets

In bijlage 2 staat beschreven hoe de uitvoering van de Bibob-toets eruitziet.

Hoofdstuk 8: overige bepalingen

1. Intrekking oude beleidsregels

De Beleidslijn Wet Bibob gemeente Midden-Delfland 2012 wordt ingetrokken met ingang van het moment waarop deze beleidsregel in werking treedt.

2. Inwerkingtreding

De beleidsregel treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking van de beleidsregels.

3. Citeertitel

Deze beleidsregel worden aangehaald als: Beleidsregel Wet Bibob gemeente MiddenDelfland 2025.

Ondertekening

Midden-Delfland, 27 januari 2026

De burgemeester van Midden-Delfland

Midden-Delfland, 27 januari 2026

Burgemeester en wethouders van Midden-Delfland

de secretaris,

M.A.I. Born

de burgemeester,

F.I. Noordermeer-van Slageren

BIJLAGE 1 Aangewezen risicocategorieën en -gebieden

Risicocategorieën:

Branches

  • Autobranche (autohandel, garages, leasebedrijven en autodemontage)

  • Energieproducenten (w.o. (mest)vergisters, windmolens, zonneparken, etc.)

  • Datacenters

Bedrijven/ winkels/ inrichtingen

  • Afvalverwerkings- en -verwerkingsbedrijven

  • Afvalrecyclingbedrijven

  • Belwinkels en internetcafés

  • Coffeeshops

  • Darkstores

  • Fitnessbedrijven, sportscholen, sporthallen en sportcomplexen

  • Goudinkoopbedrijven

  • Horecabedrijven

  • Hotels/pensions

  • Inrichtingen voor het reinigen van drukhouders, insluitsystemen, ketels, vaten, mobiele tanks, tankauto's, tank- of bulkcontainers

  • Kamerverhuurbedrijven (alsmede omgevingsvergunningen voor kamerverhuur- en/of logiespanden)

  • Kappers, barbershops, nagelstudio’s en tattooshops

  • Massagesalons/wellnesscentra/zonnestudio’s

  • Mestverwerkingsbedrijven

  • Reïntegratiebedrijven en/ of activiteiten

  • Recreatieparken en jachthavens

  • Seksinrichtingen, inclusief escortbedrijven, seksbioscopen en erotische massagesalons

  • Sekswinkels

  • Shishalounges

  • Sloopbedrijven/ asbestverwijderingsbedrijven

  • Smartshops/headshops

  • Speelautomatenhallen/gamecenters

  • Uitzendbureaus

  • Voorzieningen voor logies en verhuur aan toeristen

  • Vuurwerkopslag/transport;

  • Wisselkantoren

Panden

  • Bedrijfsverzamelgebouwen

  • Clubhuis OMG’s

  • Garageboxen en opslagruimtes

  • Omzetten/ splitsen van woningen/ panden voor kamerverhuur of realisatie van (meerdere) woonruimten

  • Transformatie kantoorpanden (naar woningen en/ of kamers)

  • Zaalverhuur

  • Woonruimte voor arbeidsmigranten

Instellingen

  • Opvang van vluchtelingen

  • Religieuze instellingen

  • Zorgbureaus/zorgaanbieders (inclusief aanbieden van zorgwoningen) Evenementen

  • Evenementen georganiseerd door (leden van) OMG’s, bijvoorbeeld toertochten of ride outs motorclubs (of vergelijkbare evenementen)

  • Vechtsportgala’s (of vergelijkbare evenementen) Activiteiten

  • Particuliere schoolactiviteiten

Bovenstaande opsomming van risicocategorieën is niet-limitatief, maar geeft een indicatie van mogelijke risicocategorieën. Deze opsomming kan aangepast worden, indien ontwikkelingen hiertoe aanleiding geven.

Toelichting

In deze bijlage zijn activiteiten opgenomen, waarbij er een risico aanwezig is dat met die activiteiten strafbare feiten worden gepleegd, dan wel dat die activiteit wordt gebruikt om onrechtmatig verkregen voordelen te benutten. De lijst met risicocategorieën is tot stand gekomen vanwege een verhoogd risico op misstanden bekend vanuit het RIEC en op basis van het beleid van de omliggende gemeenten.

Het benoemen van onderstaande activiteiten betekent niet dat voor deze activiteiten ook een vergunningplicht geldt of gaat gelden. Wanneer er activiteiten (gaan) plaatsvinden waarvoor geen beschikking dient te worden afgegeven of geen overeenkomst wordt aangegaan die onder de werking van de Wet Bibob valt, kan er ook geen Bibob-toets plaatsvinden.

Risicogebieden

Niet van toepassing.

Toelichting

De gemeente kan bepaalde gebieden aanwijzen waarbij het wenselijk is dat in dat gebied een eigen onderzoek wordt gestart indien sprake is van een aanvraag voor een beschikking (of een verleende beschikking) of een vastgoedtransactie wordt aangegaan of een overheidsopdracht wordt gegund.

Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen, revitalisatie van gebieden of bepaalde gebieden waar sprake is van (vermoedens van) ondermijnende activiteiten.

BIJLAGE 2 Uitvoering van de Bibob-toets

1. Beoordeling door de gemeente

1.1 Nieuw ingediende aanvragen om een beschikking worden eerst aan de reguliere eisen getoetst.

1.2 Wanneer aan de reguliere eisen wordt voldaan, zal of kan de gemeente een Bibob-toets uitvoeren, zoals aangegeven in hoofdstuk 2 en 3 van dit beleid.

1.3 Wanneer er vermoedens zijn dat door de betrokkene(n) in een Bibob-onderzoek valsheid in geschrifte is gepleegd, wordt door de gemeente een afweging gemaakt of het passend is hiervan aangifte te doen.

1.4 Er wordt geen beschikking afgegeven, vastgoedtransactie aangegaan of overheidsopdracht toegekend voordat het Bibob-onderzoek volledig is afgerond.

2. Eigen onderzoek

2.1. De Bibob-toets start met een eigen onderzoek door de gemeente.

2.2. Het onderzoek naar het zich voordoen van de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob bestaat uit:

  • 2.2.1

    het beoordelen van de aanvraag tot het verlenen van een beschikking, dan wel het beoordelen van een reeds verleende beschikking of een (voorgenomen) vastgoedtransactie, of (gunning van) een overheidsopdracht en de daarbij overgelegde gegevens, mede aan de hand van de bij de gemeente bekende feiten en omstandigheden; en

  • 2.2.2.

    het verzamelen, bewerken en analyseren van informatie die, al dan niet door middel van de gegevens zoals vermeld in het Bibob-vragenformulier en bijbehorende bijlagen, is verstrekt door de betrokkene, alsmede van gegevens die zijn verkregen uit informatiebronnen van de partners van het RIEC en andere bronnen die de gemeente volgens de Wet Bibob kan raadplegen.

Concreet betekent dit in ieder geval:

  • a.

    controle en analyse op het Bibob-vragenformulieren inclusief bijlagen, en de door de betrokkene daarbij aangeleverde documenten;

  • b.

    de controle en analyse van eventuele extra, op verzoek van de gemeente door betrokkene overlegde documenten of informatie;

  • c.

    open bronnenonderzoek (zoals Kamer van Koophandel, Kadaster etc.) ten aanzien van de betrokkene en mogelijke relevante Bibob-relaties;

  • d.

    opvragen van Justitiële gegevens op grond van de Wet Bibob (artikel 15 Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens) over de volgende personen:

    • i.

      de betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet Bibob;

    • ii.

      degene die direct of indirect leidinggeeft of heeft gegeven aan betrokkene;

    • iii.

      degene die direct of indirect zeggenschap heeft of heeft gehad over betrokkene;

    • iv.

      degene die direct of indirect vermogen verschaft of heeft verschaft aan betrokkene;

    • v.

      degene die als leidinggevende, beheerder, bedrijfsleider of vervoersmanager is of zal worden vermeld op de beschikking die is aangevraagd of is gegeven;

    • vi.

      degene die redelijkerwijs met betrokkene gelijk kan worden gesteld op grond van zijn feitelijke invloed op de betrokkene.

  • e.

    de officier van justitie, een ander bestuursorgaan dat of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van de Wet Bibob, en die beschikt over gegevens die erop duiden dat een betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die reeds gepleegd zijn of naar redelijkerwijs kan worden vermoed gepleegd zullen worden, gevraagd worden of er aanleiding is om ten aanzien van deze betrokkene een eigen onderzoek te starten en eventueel daarna het Bureau Bibob om een advies te vragen;

En indien hier aanleiding toe is:

  • a.

    opvragen van Belastingdienst informatie (volgens de gestelde richtlijnen van de Belastingdienst, op basis van artikel 7c. van de Wet Bibob) over de volgende personen;

    • i.

      de betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet Bibob;

    • ii.

      degene die direct of indirect leidinggeeft of heeft gegeven aan betrokkene;

    • iii.

      degene die direct of indirect zeggenschap heeft of heeft gehad over betrokkene;

    • iv.

      degene die direct of indirect vermogen verschaft of heeft verschaft aan betrokkene;

    • v.

      degene die als leidinggevende, beheerder, bedrijfsleider of vervoersmanager is of zal worden vermeld op de beschikking die is aangevraagd of is gegeven;

    • vi.

      degene die redelijkerwijs met betrokkene gelijk kan worden gesteld op grond van zijn feitelijke invloed op de betrokkene;

  • b.

    opvragen artikel 11a van de Wet Bibob bericht bij het Bureau Bibob over de volgende personen;

    • i.

      de betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet Bibob;

    • ii.

      degene die direct of indirect leidinggeeft of heeft gegeven aan betrokkene;

    • iii.

      degene die direct of indirect zeggenschap heeft of heeft gehad over betrokkene;

    • iv.

      degene die direct of indirect vermogen verschaft of heeft verschaft aan betrokkene;

    • v.

      degene die als leidinggevende, beheerder, bedrijfsleider of vervoersmanager is of zal worden vermeld op de beschikking die is aangevraagd of is gegeven;

    • vi.

      degene die redelijkerwijs met betrokkene gelijk kan worden gesteld op grond van zijn feitelijke invloed op de betrokkene;

  • c.

    bevragen van politiegegevens ten aanzien van de betrokkene(n) op grond van artikel 4.3 onder L van het Besluit politiegegevens:

    • 1.

      de betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet Bibob;

    • 2.

      indien de betrokkene een rechtspersoon betreft: de gegevens van zowel de rechtspersoon als de bestuurders;

    • 3.

      indien een bestuurder een rechtspersoon is: eveneens de gegevens van deze rechtspersoon, alsmede de bestuurders daarvan;

    • 4.

      indien de betrokkene een maatschap of vennootschap onder firma is: de gegevens van de maten, dan wel de vennoten, uitgezonderd de gegevens betreffende de vennoot en commandite;

    • 5.

      indien de vennoten of maten rechtspersoonlijkheid bezitten: de gegevens van deze rechtspersonen, alsmede de bestuurders daarvan;

  • d.

    ondersteuning/advisering van het RIEC.

2.6 Ten aanzien van de financiering van het project/de activiteit geldt dat de financiering aannemelijk en transparant dient te zijn. Om de financiering aannemelijk en transparant te maken, gelden ten aanzien van de financiering nog de volgende bepalingen:

  • 2.6.1

    bij financiering door middel van eigen vermogen dient de aanwezigheid en de herkomst van dit eigen vermogen aangetoond te worden;

  • 2.6.2

    wanneer sprake is van financiering uit eigen vermogen door middel van contante gelden, dient de aanwezigheid en de herkomst van het contante geld aannemelijk en inzichtelijk te worden gemaakt door de betrokkene(n);

  • 2.6.3

    bij financiering door middel van vreemd vermogen dient altijd een (in het Nederlands dan wel vertaalde) leningsovereenkomst overlegd te worden waaruit de financiering blijkt en onder welke voorwaarden deze financiering is verstrekt;

  • 2.6.4

    bij financiering door middel van vreemd vermogen dient de identiteit van de vermogensverschaffer aangetoond te worden door middel van een geldig identiteitsbewijs, actuele adres- en woonplaatsgegevens en het BSN-nummer van de vermogensverschaffer. Bij financiering door rechtspersonen dienen de uiteindelijk natuurlijke personen (bestuurders en aandeelhouders) achter deze rechtspersonen inzichtelijk gemaakt te worden;

  • 2.6.5

    wanneer financiering van vreemd vermogen plaatsvindt door middel van contante gelden dient de geldstroom van de vermogensverschaffer naar betrokkene(n) volledig inzichtelijk en aannemelijk te worden gemaakt;

  • 2.6.6

    wanneer financiering van vreemd vermogen plaatsvindt door middel van crowdfunding dan wel vergelijkbare financiering, kan de gemeente het betreffende platform verplichten de identiteit van de uiteindelijke vermogensverschaffers kenbaar te maken aan de gemeente.

2.7 Wanneer het eigen onderzoek onvoldoende uitsluitsel geeft over de mate van gevaar, zoals vermeld in artikel 3 van de Wet Bibob, kan advies worden gevraagd bij het Bureau Bibob (artikel 9 van de Wet Bibob).

3. Informatieverstrekking door betrokkene

3.1 Als de gemeente besluit om een Bibob-toets uit te voeren bij een aangevraagde beschikking, (voorgenomen) vastgoedtransactie, of (gunning van) een overheidsopdracht moet betrokkene, naast de standaard aanvraagformulieren, ook het door de gemeente vastgestelde Bibob-vragenformulier volledig invullen en, voorzien van de benodigde bijlagen, bij de gemeente indienen.

3.2 Om een verleende beschikking te kunnen beoordelen, vult betrokkene het door de gemeente vastgestelde Bibob-vragenformulier volledig in en levert deze bij de gemeente in.

3.3 Wanneer het Bibob-vragenformulier niet volledig wordt ingevuld, dan wel de gegevens zoals genoemd onder 2.3 (financiering) niet volledig zijn verstrekt, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 Awb buiten behandeling gesteld, nadat aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door de gemeente gestelde termijn aan te vullen. Een weigering om gevraagde extra informatie aan te leveren dan wel onvolledig aan te leveren kan leiden tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag dan wel de mogelijkheid tot het intrekken van de verleende vergunning;

3.4 In het geval van een (voorgenomen) vastgoedtransactie zal geen overeenkomst tot stand komen, wanneer:

  • 3.4.1

    betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 7a van de Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door de gemeente zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door de gemeente gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden;

  • 3.4.2

    de wijze van financiering, zoals genoemd onder 2.3 (financiering) door de betrokkene(n) onvoldoende aannemelijk en inzichtelijk is gemaakt;

  • 3.4.3

    betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 12 Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het Bureau Bibob zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het Bureau Bibob gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden;

3.5 In het geval van een (voorgenomen) overheidsopdracht gunt de gemeente een overheidsopdracht niet, indien de betrokkene heeft nagelaten:

  • 3.5.1

    de op grond van artikel 7a van de Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door de gemeente zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door de gemeente gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden;

  • 3.5.2

    de wijze van financiering, zoals genoemd onder 2.3 (financiering) door de betrokkene(n) onvoldoende aannemelijk en inzichtelijk is gemaakt;

  • 3.5.3

    de op grond van artikel 12 van de Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het Bureau Bibob zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het Bureau Bibob gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden.

3.6 Er hoeft geen Bibob-vragenformulier ingediend te worden door betrokkene wanneer dit naar het oordeel van de gemeente niet noodzakelijk is voor het uitvoeren van het eigen onderzoek.

4. Ondersteuning door het Bureau Bibob

4.1 Aanvullend op het eigen onderzoek zoals benoemd in artikel 2 van deze bijlage, kan een advies bij het Bureau Bibob worden aangevraagd als:

  • 4.1.1

    na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of daarmee in verband te brengen betrokkenen, de financier van de betreffende activiteiten en/of onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming is gevestigd;

    • 4.1.1.

      na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager en/of daarmee in verband te brengen betrokkenen, de financier van de betreffende activiteiten en/of onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming is gevestigd;

    • 4.1.2.

      na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de bedrijfsstructuur van aan de uitvoering van de beschikking te verbinden onderneming(en);

    • 4.1.3.

      na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de financiering van de aan de betreffende beschikking te verbinden activiteiten;

    • 4.1.4.

      de officier van justitie de gemeente de tip geeft om in een bepaalde zaak een Bibob advies aan te vragen;

    • 4.1.5.

      het Bureau Bibob de gemeente adviseert om, ten aanzien van een betrokkene, advies aan te vragen, zoals bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob.

4.2 Een toetsing aan de Wet Bibob met behulp van een advies van het Bureau Bibob geldt als uiterst middel om de integriteit van een betrokken (rechts)persoon te controleren. Bij deze zware inbreuk op de privacy moet het bevoegd gezag de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht nemen. Deze eisen brengen mee dat het bevoegd gezag eerst gebruik moet maken van de eigen instrumenten (zoals uitgewerkt in artikel 2 van deze bijlage). Het vragen van een advies aan het Bureau Bibob moet evenredig zijn gelet op de mate van gevaar en de ernst van de strafbare feiten.

4.3 De adviesaanvraag bij het Bureau Bibob is geen beschikking in de zin van de Awb. Hiertegen staat geen bezwaar of beroep open. Wel is het de aanvrager van een vergunning altijd toegestaan de aanvraag in te trekken.

4.4 De gemeente kan een ontvangen advies van het Bureau Bibob vijf jaar lang gebruiken bij een andere beslissing.

5. Adviestermijn van het Bureau Bibob

5.1 Als de gemeente een advies aanvraagt bij het Bureau Bibob, wordt (op grond van artikel 31 van de Wet Bibob) de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking moet worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies door het Bureau Bibob in behandeling wordt genomen en eindigt op de dag waarop het advies is ontvangen. Deze opschorting duurt niet langer dan de termijn zoals genoemd in artikel 15, lid 1 van de Wet Bibob.

5.2 Wanneer het Bureau Bibob het advies niet binnen de in artikel 15, lid 1 van de Wet Bibob gestelde termijn kan geven, heeft het de mogelijkheid om op (grond van artikel 15, derde lid van de Wet Bibob), de termijn te verlengen. Deze verlenging is niet langer dan de termijn genoemd in artikel 15, lid 3 van de Wet Bibob.

5.3 Het bestuursorgaan informeert betrokkene direct over een verlenging zoals hierboven bedoeld.

5.4 De verlenging van de adviestermijn van het Bureau Bibob, en eventuele tijdelijke opschorting van de adviestermijn van het Bureau Bibob zoals bedoeld in artikel 15, lid 2 van de Wet, leiden tot een verdere opschorting van de wettelijke beslistermijn op de beschikking.

6. Informatieplicht naar betrokkene

6.1 De gemeente informeert betrokkene schriftelijk over een adviesaanvraag aan het Bureau Bibob. Betrokkene wordt daarbij gewezen op de opschorting van de beslistermijn (zoals bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Wet Bibob).

6.2 In geval een advies van het Bureau Bibob leidt tot:

  • Het voornemen om een gevraagde beschikking te weigeren;

  • Een eerder verleende beschikking in te trekken;

  • Om aan een aangevraagde of reeds verstrekte beschikking aanvullende voorschriften te verbinden;

  • Niet mee te werken aan een vastgoedtransactie, deze te ontbinden, of hier Voorwaarden aan te verbinden;

  • Of een gegadigde van een overheidsopdracht uit te sluiten, de overeenkomst te ontbinden of hieraan voorwaarden te verbinden;

wordt aan betrokkene de mogelijkheid geboden om een kopie van het adviesrapport te ontvangen.

6.3 In aanvulling op het tweede lid wordt betrokkene door de gemeente gewezen op zijn geheimhoudingsplicht (zoals bedoeld in artikel 28 van de Wet Bibob). Betrokkene ondertekent voor de ontvangst van een kopie van het adviesrapport een geheimhoudingsverklaring.

6.4 In het geval een derde wordt genoemd in het advies, dan wordt deze derde de mogelijkheid geboden om over een kopie van het onderdeel van het adviesrapport te beschikken, voor zover dit betrekking heeft op deze derde.

6.5 In aanvulling op het vierde lid wordt deze derde door de gemeente gewezen op zijn geheimhoudingsplicht (zoals bedoeld in artikel 28 van de Wet Bibob). De derde ondertekent voor de ontvangst van een kopie van het onderdeel van het adviesrapport dat op hem betrekking heeft een geheimhoudingsverklaring.

7. Weigering/intrekking

7.1 Als de gemeente op basis van het eigen onderzoek in het kader van de Wet Bibob genoeg aanwijzingen heeft om in redelijkheid te kunnen aantonen dat er sprake is van een ernstige of mindere mate van gevaar als bedoeld van de Wet Bibob, kan het de gevraagde beschikking weigeren, de verleende beschikking intrekken of extra voorwaarden stellen.

7.2 Als de gemeente op basis van het eigen onderzoek in het kader van de Wet Bibob genoeg aanwijzingen heeft om in redelijkheid te kunnen aantonen dat er sprake is van een ernstige of mindere mate van gevaar als bedoeld in deze wet, kan dit aanleiding zijn om de (voorgenomen) overheidsopdracht of vastgoedtransactie niet aan te gaan, de overeenkomst te ontbinden, op te schorten of extra voorwaarden te stellen.

7.3 De gemeente zal in beginsel bij vastgoedtransacties overgaan tot het afbreken van de onderhandelingen, indien uit het eigen onderzoek en/of een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau Bibob blijkt dat ten minste één van de onderstaande situaties zich voordoet:

  • er is sprake van ten minste een mindere mate van gevaar dat de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten;

  • er is sprake van ten minste een mindere mate van gevaar dat in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft, mede strafbare feiten zullen worden gepleegd;

  • er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot ernstige strafbare feiten die naar het oordeel van de gemeente een integriteitsrisico vormen (ongeacht de mate van gevaar);

  • er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd;

  • in de gevolgen van een Bibob-onderzoek dat is gestart nadat de vastgoedtransactie is aangegaan, wordt bij overeenkomst voorzien.

7.4 In geval van een inschrijving op een overheidsopdracht, kan de informatie uit het Bibobonderzoek dienen als onderbouwing van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2012.

7.5 Bij overeenkomsten als bedoeld in de Jeugdwet en/ of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 kan de informatie uit het Bibob-onderzoek aanleiding zijn om de overeenkomst niet aan te gaan, dan wel te ontbinden.

7.6 Als de gemeente van plan is een negatief besluit te nemen op de (aanvraag van de) beschikking, kan de betrokkene (en eventueel (een) derde(n)) daartegen een zienswijze inbrengen.

7.7 Na een negatief besluit kan de betrokkene in geval van een beschikking bezwaar of beroep instellen.

7.8 Het niet aangaan of ontbinden, opzeggen of vernietigen van een overeenkomst ten aanzien van een overheidsopdracht dan wel een vastgoedtransactie is geen besluit in de zin van de Awb. Hiertoe kan dan ook geen bezwaar of beroep worden ingesteld.

8. Weigering/intrekking andere vergunningen van dezelfde betrokkene en sluiting

8.1 Wanneer een advies wordt gevraagd ten aanzien van een betrokkene, dan heeft dit verzoek betrekking op alle aan de betrokkene binnen de gemeente verleende vergunningen, die onder de reikwijdte van de Wet Bibob vallen. Dat betekent dat in het geval dat de gemeente een negatief advies van het Bureau Bibob overneemt, in een keer de aanvraag wordt geweigerd en alle reeds verstrekte vergunningen worden ingetrokken.

8.2 Als een onderneming - van een betrokkene - die onder de reikwijdte van de Wet Bibob valt ten tijde van de weigering of intrekking nog geopend is, zal direct tot sluiting worden overgegaan tenzij zwaarwegende belangen aanwezig zijn die sluiting niet rechtvaardigen.

9. Informatie-uitwisseling met andere gemeenten en/of rechtspersonen

9.1 Indien sprake is van een zelfstandige gevaarsbeoordeling (zonder advies van het Bureau Bibob) of sprake is van een vermoeden dat de betrokkene(n) zich terugtrekt vanwege het Bibobonderzoek, dan zal de gemeente hiervan melding zoals bedoeld in artikel 7a lid 7 en lid 8 van de Wet Bibob (Bibob-register).

9.2 De gemeente zal indien hier aanleiding toe is gebruik maken van haar tipbevoegdheid als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob.

9.3 De gemeente zal op verzoek de informatie verkregen op grond van de Wet Bibob verstrekken aan andere gemeenten en/ of rechtspersonen zoals bedoeld en onder de voorwaarden als genoemd in artikel 28 lid 2 onder m van de Wet Bibob.

10. Bewaartermijn

10.1 Bevindingen vanuit het eigen onderzoek en de gegevens die daaraan ten grondslag liggen, kunnen vijf jaar gebruikt worden in verband met een andere beslissing. Hetzelfde geldt voor advies vanuit het LBB (artikel 29 Wet Bibob).

Toelichting Beleidsregel Bibob Midden-Delfland 2025

1. Doel van de Wet Bibob voor de gemeente

De Wet Bibob geeft de gemeente de mogelijkheid de achtergrond van een aanvrager van bijvoorbeeld een vergunning, subsidie of vastgoedtransactie met de gemeente te onderzoeken. Als gevaar dreigt dat een vergunning of subsidie wordt misbruikt voor criminele activiteiten of dat crimineel vermogen wordt geïnvesteerd, kan de gemeente de aanvraag weigeren, de afgegeven vergunning of subsidie intrekken of overheidsopdrachten of overeenkomsten ontbinden.

Doel van de Wet is om te voorkomen dat geld afkomstig uit criminele activiteiten gebruikt wordt of dat bijvoorbeeld een vergunning misbruikt wordt voor criminele activiteiten. Door toepassing van deze wet kan de gemeente voorkomen dat ze criminele activiteiten faciliteert door bijvoorbeeld het verlenen van een vergunning. Zo kan de gemeente bij een aanvraag van de Alcoholwetvergunning screenen op het strafrechtelijke verleden van de aanvrager en de leidinggevenden. De gemeente onderzoekt bij een Bibob-toets verder de financiering en de achtergrond van de onderneming.

2. Doel van de beleidsregel

De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet Bibob. Door het opnemen en implementeren van een beleidsregel biedt de gemeente meer structuur en zekerheid in haar werkwijze aan zowel medewerkers, inwoners, ondernemers en andere initiatiefnemers.

De beleidsregel is zo opgesteld, dat in een zo vroeg mogelijk stadium de Wet Bibob wordt ingezet. Wanneer er bijvoorbeeld plannen zijn om een nieuw hotel te realiseren, waarbij er sprake is van kavelverkoop, bouwactiviteiten en uiteindelijk ook een Alcoholwetvergunning wordt aangevraagd, dan zal eerst gekeken worden of bij de kavelverkoop een Bibob-toets zal worden gestart. Dit voorkomt dat een initiatiefnemer te maken krijgt met meerdere Bibobtoetsen en dat pas in een laat stadium de integriteit van de initiatiefnemer wordt getoetst. Belangrijk hierbij wel is dat inzichtelijk is wie (uiteindelijk) zeggenschap heeft over de activiteiten (eindgebruiker) en hoe de financiering van het volledige project gaat plaatsvinden. Wanneer de initiatiefnemer niet de uiteindelijk eindgebruiker/ betrokkene is, of wanneer de financiering nog niet (volledig) bekend is, kan het zijn dat er uiteindelijk meerdere toetsmomenten zijn. Bijvoorbeeld wanneer de eigenaar van het hotel die de vastgoedtransactie aangaat en het bouwwerk realiseert een andere partij is dan de gebruiker van het hotel die de alcoholwetvergunning aanvraagt, of wanneer projecten in delen worden verkocht waarbij vooraf niet alle kopers nog bekend zijn.

3. De zal- en de kan- bepaling

In de Bibob beleidsregel wordt onderscheid gemaakt tussen de zal- en kan- bepaling. De zal-bepaling (in deze beleidsregel omschreven als ‘de gemeente voert een Bibob-toets uit…’) houdt in dat de gemeente erop stuurt dat ten aanzien van dat onderdeel steeds aan de Wet Bibob wordt getoetst. Het niet toepassen van de beleidsregel dient nader te worden gemotiveerd. De zal-bepaling geeft een duidelijke lijn aan waardoor er geen willekeur ontstaat. Daarnaast heeft het een preventief karakter. Personen die een vergunning willen misbruiken voor criminele activiteiten zullen minder snel een vergunning aanvragen bij de gemeente wanneer zij zien dat de Wet Bibob actief toegepast wordt.

Niet alle toepassingsgebieden zijn in de gemeente even kwetsbaar voor criminaliteit. Het staat daarom niet in verhouding om bij alle aanvragen altijd een Bibob-toets te starten. Voor de toepassingsgebieden die onder de kan-bepaling vallen, geldt dat de gemeente in ieder geval de Wet Bibob kan toepassen als ze daartoe een tip krijgt van het OM of een signaal ontvangt van een van de partners binnen het RIEC-samenwerkingsverband. Dit is een meer reactieve toepassing van de Wet Bibob.

3.1 Toelichting per toepassingsgebied

Om te bepalen hoe de Wet Bibob toegepast wordt per toepassingsgebied is gekeken naar de Bibob beleidsregels van omliggende gemeenten. Daarnaast is gebruik gemaakt van het Ondermijningsbeeld van de gemeente Midden-Delfland, opgesteld door het RIEC in 2021. Uitgangspunt is om de Wet Bibob zo gericht mogelijk in te zetten. Om willekeur bij een kanbepaling zoveel mogelijk te voorkomen, zijn in het interne werkproces indicatoren opgenomen die een aanleiding kunnen geven voor de inzet van de Wet Bibob.

3.1.1. Zal-bepaling

Horeca & kansspelen

Verschillende elementen maken de horecabranche kwetsbaar voor ondermijnende criminaliteit 1 :

  • De sociale functie (bijvoorbeeld een ontmoetingsplek voor criminelen);

  • Financiële kenmerken (bijvoorbeeld gebruik voor witwassen);

  • Kwetsbaarheden rond wet- en regelgeving (denk aan vergunningsvrije horeca). Daarnaast hebben op één gemeente na alle omliggende gemeenten een zal-bepaling op de Alcoholwetvergunning.

Speelgelegenheden zijn kwetsbaar voor witwassen en als ontmoetingsplek voor criminelen2 . Op één gemeente na hebben alle omliggende gemeenten een zal-bepaling voor de vergunning van speelgelegenheden.

Seksinrichtingen

De prostitutiebranche is kwetsbaar voor mensenhandel3 . Daarnaast is deze branche kwetsbaar voor witwassen en drugshandel4 . Alle omliggende gemeenten hebben een zalbepaling voor de vergunning van seksinrichtingen.

Evenementen bij risicocategorieën

Uit onderzoek blijkt dat een deel van de vechtsportevenementen op verschillende wijze kwetsbaar is voor criminaliteit. Voorbeelden hiervan zijn financiering via illegaal gekregen geld en daarbij witwassen en (VIP) bezoekers met criminele antecedenten5 .

Criminele motorbendes, ook wel Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’s), zijn hiërarchisch georganiseerde motorclubs die door hun leden gebruikt worden voor (de afscherming van) criminele en ondermijnende activiteiten6 . Uit diverse onderzoeken blijkt dat de meerderheid van de leden van OMG’s een strafblad heeft. Wanneer zowel clubleden als clubleiders betrokken zijn bij crimineel gedrag, is dit een sterke aanwijzing een bepaalde outlaw motorclub gecategoriseerd kan worden als ‘criminele organisatie’7 .

Bouw & milieu bij risicocategorieën

Uit het ondermijningsbeeld blijkt dat de risico's in Midden-Delfland met name liggen bij bedrijventerreinen en het uitgestrekte buitengebied. Dit kan worden misbruikt voor de illegale

huisvesting van arbeidsmigranten, het opzetten van een drugslab of hennepkwekerij, illegale prostitutie en mensenhandel en witwassen. In deze gebieden worden met name omgevingsvergunningen aangevraagd. Het is niet proportioneel om bij alle omgevingsvergunningen een Bibob-toets te starten. Hierbij staat het doel (voorkomen van misbruik), niet in verhouding met de lasten voor de organisatie en de aanvrager. We starten alleen standaard een Bibob-toets bij de in Bijlage 1 genoemde risicocategorieën, omdat deze categorieën worden gezien als het meest kwetsbaar voor ondermijnende criminaliteit8 .

3.1.2. Kan-bepaling

Vastgoedtransacties

De gemeente heeft geen grote vastgoedportefeuille. Vastgoedaankopen en -verkopen waarbij de gemeente partij is, zijn meestal klein van omvang en aard.

Overheidsopdrachten

De Wet Bibob geeft de gemeente een extra instrument om de integriteit van een inschrijver te beoordelen. Omdat de Aanbestedingswet hier ook mogelijkheden voor biedt, is gekozen voor een kan-bepaling.

Subsidies

Vanwege het diffuse karakter van subsidies en de vaak relatief kleine bedragen, is gekozen om niet bij alle aanvragen standaard een Bibob-toets te doen.


Noot
1

Regionaal informatie- en expertisecentrum Midden-Nederland, april 2022. Horeca en georganiseerde ondermijnende criminaliteit.

Noot
2

CCV, geraadpleegd op 28-11-2022 via Kansspelen en illegaal gokken - Het CCV .

Noot
4

WODC, 10 december 2021. De Nederlandse seksbranche. Een onderzoek naar omvang en aard, beleid, toezicht en handhaving.

Noot
5

L. Loef en E. Lagendijk, 2015. Bad Boys network: Over de relatie tussen full contact vechtsport en criminaliteit. Politie & Wetenschap. 

Noot
7

A. Blokland, 3 maart 2017. Outlaw Motorcycle Gangs. Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving.

Noot
8

De risicocategorieën zijn overgenomen van het model Bibob-beleid vanuit het RIEC-LIEC.