Verordening individuele inkomenstoeslag Helmond 2026

Geldend van 27-02-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Verordening individuele inkomenstoeslag Helmond 2026

De raad van de gemeente Helmond;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 januari 2026;

gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de Participatiewet;

Overwegende dat de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen ten aanzien van het verlenen van de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet.

Besluit :

  • I.

    vast te stellen de Verordening individuele inkomenstoeslag Helmond 2026;

  • II.

    in te trekken de Verordening individuele inkomenstoeslag Helmond 2022.

Artikel 1 Begrippen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1.

    • a.

      inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand;

    • b.

      peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt of de datum waartegen de ambtshalve verstrekking plaatsvindt.

    • c.

      referteperiode: periode van vijf jaar voorafgaand aan de peildatum;

    • d.

      van toepassing zijnde bijstandsnorm: de in de referteperiode van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c van de Participatiewet, omgerekend naar een brutobedrag inclusief vakantiegeld en waarbij verlagingen op grond van artikel 22a en artikel 28 Participatiewet van de Participatiewet buiten toepassing blijven.

  • 2.

    Alle begrippen uit deze verordening die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als die in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet.

Artikel 2 Indienen verzoek

Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.

Artikel 3 Langdurig laag inkomen

  • 1. Een inwoner heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm;

  • 2. De norm voor een alleenstaande ouder wordt bepaald op 90% van de norm genoemd in artikel 21 onder b van de Participatiewet;

  • 3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid blijven buiten beschouwing: de tijdens de referteperiode ontvangen bruto-inkomsten per jaar boven 100 % van de bijstandsnorm tot een bedrag gelijk aan de maximale vrijwilligersvergoeding als bedoeld in artikel 31 lid 2 sub k van de Participatiewet van het betreffende kalenderjaar.

Artikel 4 Hoogte individuele inkomenstoeslag

  • 1. De individuele inkomenstoeslag bedraagt:

    • a.

      € 510,00 voor een alleenstaande;

    • b.

      € 650,00 voor een alleenstaande ouder;

    • c.

      € 730,00 voor gehuwden.

  • 2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

  • 3. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend.

  • 4. Om voor een individuele inkomenstoeslag voor gehuwden/samenwonenden in aanmerking te komen, moeten gehuwden/samenwonenden beiden aan de voorwaarden voldoen.

Artikel 5 Nadere uitvoeringsregels

  • 1. Het college kan bij uitvoeringsbesluit nadere regels stellen in het belang van een zorgvuldige uitvoering van deze verordening.

  • 2. Het college stelt in ieder geval beleidsregels vast die aangeven wanneer sprake is van “geen uitzicht op inkomensverbetering” waarbij rekening gehouden wordt met de krachten en bekwaamheden van de persoon en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

Artikel 6 Hardheidsclausule

  • 1. In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening indien strikte toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 7 Overgangsrecht

  • 1. Besluiten die genomen zijn krachtens de Verordening individuele inkomenstoeslag Helmond 2022 en die gelden op het moment van inwerkingtreding van deze verordening, blijven van kracht tot aan het moment dat zij van rechtswege vervallen, worden ingetrokken of beëindigd;

  • 2. Aanvragen die zijn ingediend vóór 1 januari 2026 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van onderhavige verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening individuele inkomenstoeslag Helmond 2022.

  • 3. Op een aanhangig bezwaarschrift tegen een besluit dat is genomen vóór de inwerkingtreding van deze verordening, wordt beslist met inachtneming van het bepaalde in de Verordening individuele inkomenstoeslag Helmond 2022.

Artikel 8 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026.

Artikel 9 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele inkomenstoeslag Helmond 2026

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december 2025

De raad voornoemd,

de voorzitter

de griffier

Toelichting

Verordening individuele inkomenstoeslag Helmond 2026

Algemeen

Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1 januari 2015 is met komst van de Participatiewet de langdurigheidstoeslag vervangen door de individuele inkomenstoeslag. Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor.

Het college heeft in beleidsregels aangeven welke groepen niet in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Bijvoorbeeld personen aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een schending van een arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting of aan personen die uit Rijks kas bekostigd onderwijs volgen.

Vast te leggen regels in verordening

De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten en is vrij besteedbaar. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag (met inachtneming van artikel 8 en artikel 36 van de Participatiewet). Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het college kan in (wet interpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:

  • de krachten en bekwaamheden van de persoon, en

  • de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

Wijziging leefvorm

De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.

Artikelsgewijze toelichting

Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.

Artikel 1 Begrippen

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.

Inkomen

Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag.

Peildatum

De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Bij een ambtshalve toekenning geldt deze regel niet. Een ambtshalve toekenning zal nooit plaats vinden voor 12 maanden na de laatste toegekende individuele inkomenstoeslag. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom voornoemd artikel 44.

Referteperiode

Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode van 60 maanden (vijf jaar) voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel 3 onder ‘Langdurig’.

Artikel 2 Indienen verzoek

Een individuele inkomenstoeslag wordt verleend op verzoek van een inwoner. Zo’n verzoek is een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 lid 3 van de Awb. Een aanvraag moet in beginsel schriftelijk worden ingediend (artikel 4:1 Awb). Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet.

In artikel 2 is nu ook opgenomen dat het college ambtshalve IIT kan verstrekken aan personen die gedurende de referteperiode of langer aaneengesloten een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangen en al eerder een IIT hebben ontvangen.

Artikel 3 Langdurig laag inkomen

Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan.

Langdurig

De door de gemeenteraad vastgestelde periode voorafgaand aan de peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld in artikel 1 van deze verordening.

Een referteperiode van 5 jaar zoals deze van oudsher in de wet was opgenomen wordt in deze verordening gehandhaafd.

Laag inkomen

In zijn algemeenheid hanteren we het uitgangspunt dat een inkomen laag is als het niet hoger is dan 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. In het geval van een alleenstaande ouder wordt dit van uitgangspunt afgeweken en wordt expliciet opgenomen wanneer wij het inkomen van deze groep als laag kwalificeren.

Om twee redenen is er voor gekozen om de toepasselijke bijstandsnorm vast te leggen gerelateerd aan de begrippen in de wet én het begrip alleenstaande ouder (artikel 4 b van de Participatiewet) met daarbij een aan voornoemd begrip gerelateerde norm.

De eerste reden is dat met ingang van 1-1-2015 de alleenstaande ouder norm is komen te vervallen. Het inkomen van alleenstaande ouders in de bijstand bestaat uit de norm alleenstaande plus een kindgebonden budget. Het kindgebonden budget wordt door de Belastingdienst uitgekeerd. Een laag inkomen sec uitdrukken in de vorm van de toepasselijke bijstandsnorm zou tot uitsluiting van de individuele inkomenstoeslag van alleenstaande ouders leiden.

De tweede reden is de uitvoerbaarheid.

Met ingang van 1-1-2015 is de systematiek van de kostendelersnorm ingevoerd. De kostendelersnorm is van toepassing op de bijstandsgerechtigde die met een of meerdere personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. De kostendelersnorm wordt berekend middels een formule:

afbeelding binnen de regeling

  • A:

    het totaal aantal personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en meetellen voor de kostendelersnorm.

  • B:

    de rekensom, ofwel de toepasselijke gehuwdennorm.

Uitvoering van deze systematiek voor het bepalen van een laag inkomen is administratief belastend voor de uitvoering.

Gelet op deze twee redenen is voor het expliciet benoemen van de toepasselijke bijstandsnorm ten behoeve van alleenstaande ouders gekozen.

De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger is dan het langdurig lage inkomen van 100% van de toepasselijke bijstandsnorm, zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld.

Een uitzondering geldt voor tijdens de referteperiode ontvangen bruto inkomsten per jaar boven 100% van de bijstandsnorm tot een bedrag gelijk aan de maximale vrijwilligersvergoeding (als bedoeld in artikel 31 lid 2 sub k Participatiewet) van het betreffende kalenderjaar.

De keuze voor deze definitie van ‘langdurig, laag inkomen” is gemaakt omdat een belanghebbende met een inkomen op het minimumniveau krachtens een andere regeling dan de Participatiewet toch in aanmerking kan komen voor het recht op een individuele inkomenstoeslag ook al zou ten gevolge van een iets andere berekeningssystematiek en/of afrondingsverschillen er netto een iets hogere uitkering worden ontvangen dan de bijstandsnorm. Het bedrag gelijk aan de maximale vrijwilligersvergoeding van het betreffende kalenderjaar dat per jaar boven de 100% van de bijstandsnorm gedurende de referentieperiode bijverdiend mag worden, vangt dit soort kleine verschillen op.

Een bedrag gelijk aan de wettelijke maximale vrijwilligersvergoeding van het betreffende kalenderjaar boven 100% van de bijstandsnorm voor de totale duur van de referteperiode, maakt ook dat iemand die wegens werkaanvaarding een korte periode een inkomen boven bijstandsniveau heeft gehad, niet zonder meer zijn recht op individuele inkomenstoeslag kwijt is. Een dergelijk gevolg zou namelijk een negatieve prikkel zijn bij het aanvaarden van werk. Dit geldt temeer als een belanghebbende geen of maar weinig zekerheid heeft over de duur van het werk.

Artikel 4 Hoogte individuele inkomenstoeslag

Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden.

Gehuwden

Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag1.

Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid.

Tot en met 2025 was de individuele inkomenstoeslag af te leiden van de bijstandsnormen. Per 1 januari 2026 is hoogte van de individuele inkomenstoeslag niet langer gekoppeld aan de bijstandsnorm. In deze verordening is overgegaan op vaste bedragen voor de drie gezinsvormen, alleenstaande, alleenstaande ouder en gehuwden.

Individuele inkomenstoeslag (peildatum normen 1-1-2026)

Gehuwden

€ 730,-

Alleenstaande ouders

€ 560,-

Alleenstaande

€ 510,-


Noot
1

CRvB 13-07-2010, nr. 08/2345 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2529.