Verordening commissie Geloofsbrieven gemeente Hof van Twente 2026

Geldend van 26-02-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening commissie Geloofsbrieven gemeente Hof van Twente 2026

De raad van de gemeente Hof van Twente;

gelezen het voorstel van het seniorenconvent d.d. 22 januari 2026;

gelet op artikel 82 van de Gemeentewet;

gelet op artikel 5 en 6 van het Reglement van orde van de raad van Hof van Twente

houdende bepalingen over de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad 2025;

besluit:

vast te stellen de navolgende verordening overeenkomstig de volgende bepalingen: Verordening commissie geloofsbrieven gemeente Hof van Twente 2026

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • commissie: de commissie geloofsbrieven van de raad van de gemeente Hof van Twente,

ingesteld ex artikel 82 Gemeentewet;

  • centraal stembureau: het centraal stembureau van de gemeente Hof van Twente;

  • raad: de raad van de gemeente Hof van Twente;

  • kandidaat-raadslid: persoon die voorkomt op de kandidatenlijst voor de laatste

raadsverkiezingen en die voldoet aan de vereisten voor benoeming tot lid van de raad;

  • kandidaat-wethouder: persoon die door een fractie is voorgedragen als kandidaat voor

het wethouderschap of persoon die is voorgedragen als tegenkandidaat;

  • voorzitter: de voorzitter van de commissie geloofsbrieven;

  • college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van

Twente;

  • fractie: een politieke groepering in de raad;

  • seniorenconvent: het overleg van de gezamenlijke fractievoorzitters.

Hoofdstuk II Taken

Artikel 2. Bevoegdheden van de commissie

1. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven van de door de voorzitter van het centraal

stembureau benoemd verklaarde kandidaat-raadsleden en de daarbij behorende

stukken, alsmede de eventuele stukken die de raad heeft ontvangen met betrekking tot

de toelating van deze kandidaten, conform artikel V4 Kieswet en artikelen 10, 11, 12, en

13 van de Gemeentewet.

2. De commissie adviseert de raad ten aanzien van de toelaatbaarheid van nieuwe leden

van de raad.

3. De commissie onderzoekt conform artikel V4 van de Kieswet het verloop van de

gemeenteraadsverkiezingen op basis van het proces-verbaal van het centraal

stembureau en spreekt naar de raad een advies uit over de geldigheid van de

gemeenteraadsverkiezingen.

4. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven van kandidaat-wethouders en de daarbij

behorende stukken en toetst of de kandidaat-wethouder voldoet aan de wettelijke

vereisten, conform het gestelde in de artikelen 36a en 36b en van de Gemeentewet.

5. De kandidaat-wethouder overlegt op verzoek van de commissie een verklaring omtrent

het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

6. De commissie brengt vervolgens advies uit aan de raad over de benoeming tot

wethouder.

7. De burgemeester kan voor de aanvang van iedere ambtstermijn opdracht geven om de

kandidaat-wethouders aan een risicoanalyse integriteit te onderwerpen. De

burgemeester brengt over het eindresultaat daarvan verslag uit aan de raad.

8. In het geval dat de commissie moet beslissen inzake geschillen die met betrekking tot

de geloofsbrieven of de verkiezing zelf rijzen en de stemmen staken, is de stem van de

voorzitter doorslaggevend.

9. De commissie adviseert op zijn verzoek de burgemeester inzake integriteitsmeldingen

die conform het betreffende meldingenprotocol bij de burgemeester in behandeling zijn

10. Indien de commissie niet unaniem is in haar oordeel of de stemming, dan wordt hiervan

melding gemaakt in het advies. Dit advies is openbaar tenzij het naar oordeel van de

commissie in strijd is met het recht op privacy of anderszins op een onredelijke wijze de

belangen van de kandidaat, de gemeente of derden schaadt.

11. De commissie kan uit eigen beweging advies uitbrengen aan het raadspresidium en de

raad over onderwerpen die op haar werkterrein liggen.

Hoofdstuk III Samenstelling en vergaderingen

Artikel 3. Samenstelling, benoeming en voorzitterschap

1. De raad benoemt zo spoedig mogelijk na aanvang van een zittingsperiode uit zijn

midden drie leden van de commissie en minimaal één maar maximaal drie

plaatsvervangend lid/leden. Van elke fractie mag maximaal één lid een zetel in de

commissie bezetten. De benoeming geldt tot het einde van de zittingsperiode van de

raad. De raad voorziet zo spoedig mogelijk in tussentijdse vacatures.

2. De commissie wijst uit haar midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter

aan.

3. De griffier of plaatsvervangend griffier is secretaris van de commissie.

4. De commissie of haar voorzitter kan zich laten adviseren door interne en externe

deskundigen en hen uitnodigen om ter vergadering een en ander toe te lichten.

Artikel 4. Vergaderingen van de commissie

1. De commissie vergadert in openbaarheid.

2. De commissie vergadert op afroep, maar uiterlijk op de ochtend van de

raadsvergadering waarin de commissie haar bevindingen aan de raad kenbaar maakt

c.q. waarin de raad overgaat tot toelating, aanwijzing of benoeming. In het geval van

beoordeling van de geloofsbrieven van een gehele nieuwe raad vergadert de commissie

conform de Kieswet uiterlijk 1 dag voorafgaand aan de installatie van de nieuwe raad.

3. De voorzitter leidt de vergaderingen, bewaakt de uitgangspunten, treedt op als

woordvoerder namens de commissie en bevordert een zorgvuldige besluitvorming.

4. De secretaris is het eerste aanspreekpunt voor de voorzitter.

Hoofdstuk IV Overige bepalingen

Artikel 5. Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking op de dag na datum bekendmaking.

2. Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening commissie geloofsbrieven

gemeente Hof van Twente 2026’.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hof van Twente

d.d. 10 februari 2026.

De raad van de gemeente Hof van Twente,

de griffier, de voorzitter,

H.M. Meerman drs. H.A.M. Nauta-van Moorsel MPM

Toelichting verordening commissie geloofsbrieven

Artikel 2 lid 1 en lid 2

Op grond van de Kieswet beslist het centraal stembureau of een kandidaat-raadslid al dan

niet voldoet aan de wettelijke eisen van benoembaarheid. Tegelijk met de mededeling dat

het kandidaat-raadslid de benoeming aanneemt worden aan de raad stukken overlegd

waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te

worden. Dit omvat de volgende stukken:

  • een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt

  • een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en

-datum,

  • en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van

artikel 10, tweede lid, van de Gemeentewet.

De commissie Geloofsbrieven beoordeelt de toelaatbaarheid tot de raad aan de hand van de

Gemeentewet, door deze stukken te toetsen en te bekijken of de opgegeven hoofd- en

nevenfuncties de toelating tot de raad in de weg staan (artikel V4 kieswet: ‘Daarbij gaat het

na, of de benoemde aan de vereisten voor het lidmaatschap voldoet en geen met het

lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult, en beslist het de geschillen welke met

betrekking tot de geloofsbrief of de verkiezing zelf rijzen.’). Dit geldt zowel bij het aantreden

van een nieuwe raad als bij een tussentijdse benoeming. De commissie baseert zich hierbij

op artikelen 10, 11, 12 en 13 Gemeentewet.

Artikel 2 lid 3

De gemeenteraad heeft de taak om het verloop van de verkiezingen te onderzoeken. De

Kieswet stelt regels over het onderzoek van de geloofsbrieven en het onderzoek van het

proces-verbaal van het centraal stembureau (artikel V 4 Kieswet).

Artikel 2 lid 5 en lid 6

Het beoordelen van de benoembaarheid van kandidaat-wethouders is géén primaire taak

van de commissie Geloofsbrieven, maar – in het verlengde van de zorgplicht van de

burgemeester ex artikel 170 gemeentewet – van de bestuurlijke driehoek (burgemeester –

griffier – gemeentesecretaris) c.q. een eventuele commissie Integriteit. De raad is

verantwoordelijk voor het beoordelen voor de benoembaarheid van kandidaat-wethouders.

Daarom is het logisch dat de commissie Geloofsbrieven namens de raad de rapportage van

de bestuurlijke driehoek bespreekt en wel op basis van:

  • artikelen 35, 36a Gemeentewet (benoembaarheidsvereisten),

  • artikel 36b Gemeentewet (onverenigbare functies).

Artikel 2 lid 8

Uit artikel V4 lid 1 Kieswet volgt dat de commissie alleen een besluit neemt als uit de

geloofsbrieven of het proces-verbaal van het centraal stembureau geschillen voortkomen.

Het kan daarbij voorkomen dat de stemmen staken. In dat geval is de stem van de voorzitter

doorslaggevend voor de uitslag. Zoals in artikel 2 lid 3 staat, wordt van de uitslag melding

gemaakt in het advies aan de raad.

Artikel 2 lid 10

Omdat het advies c.q. het besluit van de commissie is gebaseerd op het gezamenlijke c.q.

individuele oordeel van de leden van de commissie, kan het zijn dat het advies c.q. het

besluit niet eensluidend is als de ledenverschillend van oordeel zijn. De raad zal uiteindelijk

besluiten tot toelating of benoeming en dient er dus vanop de hoogte te zijn als het oordeel

van de commissie niet unaniem is, teneinde een weloverwogen besluit te kunnen nemen.

Artikel 3 lid 1

Conform artikel 82 lid 1 Gemeentewet moet de commissie een afspiegeling vormen van de

verhoudingen in de gemeenteraad (‘Bij de samenstelling van een raadscommissie zorgt de

raad, voor zover het de benoeming betreft van leden van de raad, voor een evenwichtige

vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen.’). Voor een

beoordeling van de geloofsbrieven is het in de praktijk voldoende als de commissie met drie

leden bij elkaar komt. In het geval één van de vaste leden verhinderd is, moet die

‘evenwichtige vertegenwoordiging’ nog steeds opgeld doen. Daarom is het van belang dat er

bij de benoeming van de plaatsvervangende leden ook rekening wordt gehouden met die

evenwichtige vertegenwoordiging.

Artikel 3 lid 4

In voorkomende gevallen zal een toelichting op bijvoorbeeld hoofd- en nevenfuncties of

andere bescheidennodig zijn. De commissie moet dan kunnen beschikken over de

toegevoegde informatie van bijvoorbeeld iemand van het centraal stembureau of een andere

externe.

Artikel 4 lid 2

In de regel is het voldoende als beoordelen van de geloofsbrieven door de commissie

gebeurt op de dag voorafgaand aan of op de dag van de raadsvergadering waarin de

toelating, benoeming of aanwijzing plaatsvindt.

Uitzondering hier op is het aantreden van een nieuwe gemeenteraad. Volgens artikel V 4

Kieswet heeft de gemeenteraad de taak het verloop van de gemeenteraadsverkiezingen te

onderzoeken. Uit artikel C4 lid 2 van de Kieswet volgt dat de raad in de oude samenstelling

beide onderzoeken afrondt en besluit omtrent de toelating van de nieuw gekozen leden én

de geldigheid van de verkiezingsuitslag. In de praktijk betekent dit dat de oude raad de dag

voorafgaand aan het aftreden een laatste keer bij elkaar komt. Immers, volgens artikel 18

Gemeentewet komt de raad in nieuwe samenstelling voor de eerste keer bijeen op de

(donder)dag van het aftreden van de oude raad (= dag aantreden nieuwe raad). Het is dus

niet mogelijk dat de oude raad en de nieuwe raad op dezelfde dag bijeenkomen voor zowel

het geloofsbrievenonderzoek als de beëdiging.