Algemene participatieverordening gemeente Smallingerland

Geldend van 28-02-2026 t/m heden

Intitulé

Algemene participatieverordening gemeente Smallingerland

De raad van de gemeente Smallingerland,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 13 januari 2026;

gelet op de Wet versterking participatie op decentraal niveau

besluit de volgende verordening vast te stellen:

Algemene participatieverordening gemeente Smallingerland

Hoofdstuk 1 - Inleidende bepalingen

Artikel 1. Definities

Deze verordening verstaat onder:

  • beleid: gedragslijn, project, programma of plan om een bepaald doel te realiseren;

  • bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is, afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat de gemeenteraad, het college of de burgemeester;

  • inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan inwoners en belanghebbenden biedt om hun mening te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet;

  • inwoners: ingezetenen als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet;

  • inwonersparticipatie: op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid;

  • maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités, ondernemingen zonder winstoogmerk en andere organisaties die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de gemeente;

  • ondernemers: bedrijven en instellingen die statutair binnen de gemeente zijn gevestigd of in hoofdzaak binnen de gemeente hun activiteiten verrichten;

  • overheidsparticipatie: op initiatief van inwoners en maatschappelijke partijen betrekken van de gemeente bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid, daaronder ook het uitdaagrecht begrepen;

  • participatie: de samenwerking tussen een bestuursorgaan en inwoners of maatschappelijke partijen, in welke vorm dan ook, daaronder ook inwonersparticipatie en overheidsparticipatie begrepen;

  • uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet.

Hoofdstuk 2 – Kaders en uitgangspunten

Artikel 2. Doelstelling

Het doel van deze verordening is:

  • a.

    Daar waar het moet én waar het kan, mogelijkheid bieden voor participatie.

  • b.

    We doen het goed.

  • c.

    We doen het samen.

  • d.

    We doen het juist

Artikel 3. Reikwijdte

  • 1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid of participatie plaatsvindt.

  • 2. Op participatie bij (wijziging van) de omgevingsvisie, een omgevingsprogramma en het omgevingsplan is hoofdstuk 2 van deze verordening van toepassing.

  • 3. Er vindt in ieder geval geen inwonersparticipatie of overheidsparticipatie plaats als:

    • a.

      het om een lopend uitvoerings- of evaluatietraject of een ondergeschikte herziening van die trajecten of het beleid gaat;

    • b.

      inwonersparticipatie of toepassing van het uitdaagrecht bij of krachtens wettelijk voorschrift uitgesloten is;

    • c.

      de uitkomst van de inwonersparticipatie of de toepassing van het uitdaagrecht vanwege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht;

    • d.

      de verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen;

    • e.

      sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

    • f.

      het om interne [organisatorische] aangelegenheden van de gemeente gaat;

    • g.

      het om de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet gaat; of

Artikel 4. Zorgplicht bestuursorgaan

Het bestuursorgaan zorgt ervoor dat:

  • a.

    partijen tijdig op de hoogte zijn wanneer ze worden betrokken;

  • b.

    inzichtelijk is hoe het proces van participatie eruitziet en welke vormen van participatie tijdens het proces mogelijk zijn;

  • c.

    de voor het proces van participatie benodigde stukken openbaar zijn;

  • d.

    tijdens het proces van participatie inzichtelijk is wat de stand van zaken is;

  • e.

    het proces van participatie zorgvuldig verloopt;

  • f.

    duidelijk is waar inwoners en maatschappelijke partijen terecht kunnen met vragen of klachten over het proces van participatie;

  • g.

    na afloop kenbaar is hoe het proces van participatie is verlopen, wat de uitkomsten waren en hoe deze uitkomsten een plaats hebben gekregen in de besluitvorming; en

Artikel 5. Participatiejaarverslag

Het college neemt elk jaar in de jaarstukken een paragraaf op waarin het college verslag doet van de uitvoering van deze verordening.

Hoofdstuk 3 Inwonersparticipatie

Artikel 6. Plan voor inwonersparticipatie

  • 1. Het bestuursorgaan stelt voorafgaand aan de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid een plan met het proces en de planning van de inwonersparticipatie op aan de hand van:

    • a.

      de Participatievisie Smallingerland;

    • b.

      het Participatiebeleid 1.0 Gemeente Smallingerland, inclusief Handreiking participatie Omgevingswet Smallingerland 2022

  • en maakt dit openbaar.

  • 2. Het plan bevat in elk geval:

    • a.

      een omschrijving van het beleid dat voorbereid, uitgevoerd of geëvalueerd wordt;

    • b.

      het oogmerk van het proces waarbij het bestuursorgaan een keuze maakt uit:

      • 1°.

        kwaliteit of effectiviteit van het beleid verbeteren;

      • 2°.

        draagvlak voor het beleid vergroten;

      • 3°.

        zorgen voor betere besluiten, vaardigheden of financiële voordelen;

      • 4°.

        democratische rechten en actief burgerschap bevorderen;

      • 5°.

        zeggenschap en medeverantwoordelijkheid creëren;

      • 6°.

        democratisch ideaal, legitimiteit of overbrugging van de politieke kloof nastreven;

      • 7°.

        een combinatie van deze oogmerken.

    • c.

      de vorm van participatie, waarbij het bestuursorgaan een keuze maakt uit:

      • 1°.

        informeren: participanten krijgen informatie;

      • 2°.

        raadplegen: participanten wordt gevraagd om hun mening of ervaring;

      • 3°.

        adviseren: het bestuursorgaan gaat in gesprek met participanten en betrekt hun adviezen bij het nemen van het besluit;

      • 4°.

        samenwerken: het bestuursorgaan maakt samen met inwoners en maatschappelijke partijen een plan en besluit daarover;

      • 5°.

        meebeslissen: het bestuursorgaan maakt samen met inwoners en maatschappelijke partijen een plan en zij besluiten daar samen over;

      • 6°.

        loslaten: het bestuursorgaan maakt samen met inwoners en maatschappelijke partijen een plan en participanten besluiten daarover;

      • 7°.

        een combinatie van deze vormen; en

    • d.

      informatie over de procedure en de planning van het proces waarbij in elk geval aandacht is voor de te betrekken doelgroepen en hoe die benaderd worden, de informatievoorziening aan die doelgroepen gedurende en na afloop van het proces en de ambtelijke en bestuurlijke besluitvorming over het beleid.

  • 3. Als het college de besluitvorming over beleid voor de gemeenteraad voorbereidt, stelt het college het plan op en informeert de gemeenteraad over de inhoud.

Artikel 7. Inspraak

Als een bestuursorgaan in het kader van de inwonersparticipatie voor inspraak kiest of inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander proces vaststelt.

Artikel 8. Eindverslag inwonersparticipatie

  • 1. Nadat inwonersparticipatie heeft plaatsgevonden stelt het bestuursorgaan een eindverslag van de inwonersparticipatie op en maakt dit openbaar.

  • 2. Het eindverslag bevat in elk geval:

    • a.

      een beschrijving van het proces dat is gevolgd;

    • b.

      de uitkomsten van het proces en de argumenten die naar voren zijn gebracht;

    • c.

      een onderbouwde reactie op die uitkomsten en argumenten waarbij is aangegeven hoe het beleid naar aanleiding daarvan is aangepast; en

    • d.

      een evaluatie van het proces dat is gevolgd.

  • 3. Als het college op grond van artikel 6, derde lid het plan voor de inwonersparticipatie heeft opgesteld, stelt het college ook het eindverslag op en informeert de gemeenteraad over de inhoud.

Hoofdstuk 4 Overheidsparticipatie

Artikel 9. Verzoek om overheidsparticipatie

  • 1. Inwoners en maatschappelijke partijen kunnen bij het college een verzoek om overheidsparticipatie indienen.

  • 2. Het verzoek bevat:

    • a.

      een omschrijving van de overheidsparticipatie die de indiener voor ogen heeft;

    • b.

      de reden dat de indiener het verzoek indient; en

    • c.

      het resultaat dat de indiener beoogt.

  • 3. De indiener van het verzoek geeft daarnaast in elk geval aan:

    • a.

      wat de relevante betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener is;

    • b.

      welke kosten of middelen er volgens de indiener aan het verzoek verbonden zijn;

    • c.

      bij een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht hoe de indiener de kwaliteit en de uitvoering van de taak wil waarborgen;

    • d.

      in hoeverre er draagvlak is bij inwoners en/of maatschappelijke partijen;

  • 4. De indiener maakt voor het verzoek gebruik van het door het college vastgestelde formulier.

  • 5. Het college kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen.

Artikel 10. Beoordeling verzoek overheidsparticipatie

  • 1. Het college zendt een ingediend verzoek door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het verzoek te reageren en informeert de indiener hierover.

  • 2. Als de gemeenteraad op het verzoek moet reageren, bereidt het college de reactie op het verzoek voor.

  • 3. Onverminderd artikel 3, derde lid, wijst het bestuursorgaan een verzoek af als:

    • a.

      het verzoek ziet op een taak waarvan de aard zich tegen toepassing van overheidsparticipatie verzet;

    • b.

      het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid;

    • c.

      het verzoek niet voldoet aan de in artikel 11 gestelde eisen;

    • d.

      het initiatief naar het oordeel van burgemeester en wethouders op financiële, juridische of praktische gronden niet haalbaar is; of

  • 4. In aanvulling op lid 3 kan het bestuursorgaan een verzoek op grond van het uitdaagrecht afwijzen als:

    • a.

      het bestuursorgaan van oordeel is dat de taak met de overheidsparticipatie niet beter wordt uitgevoerd of de kosten hoger zijn;

    • b.

      de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomt; of

  • 5. Als het bestuursorgaan voornemens is het verzoek af te wijzen wordt indiener vooraf in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven op het voornemen;

  • 6. Het bestuursorgaan reageert binnen een redelijke termijn, maar uiterlijk binnen 12 weken op het verzoek. Het bestuursorgaan kan deze termijn met vier weken verdagen.

  • 7. Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en de onderbouwing openbaar en bekend aan verzoeker.

Artikel 11. Uitvoering overheidsparticipatie

Als het bestuursorgaan het verzoek om overheidsparticipatie toewijst, maakt het met de indiener afspraken over:

  • a.

    het proces, het resultaat en de looptijd van de overheidsparticipatie;

  • b.

    het budget en de financieringswijze van de overheidsparticipatie;

  • c.

    het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende het proces van de overheidsparticipatie;

  • d.

    de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van de overheidsparticipatie;

  • e.

    de evaluatie van de overheidsparticipatie;

  • f.

    De participatie bij de uitwerking van het plan

Hoofdstuk 5 Burgerinitiatief

Artikel 12. Indiening burgerinitiatief

Een initiatiefgerechtigde kan een verzoek tot plaatsing van een burgerinitiatief op de agenda van de vergadering van de raad plaatsen.

Artikel 13. Geldig verzoek

  • 1. De raad plaatst een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van zijn vergadering indien daartoe door een initiatiefgerechtigde een geldig verzoek is ingediend.

  • 2. Geldig is het verzoek dat:

    • a.

      door ten minste 25 initiatiefgerechtigde ingezetenen van de gemeente Smallingerland wordt ondersteund;

    • b.

      niet een onderwerp bevat dat krachtens artikel 4 is uitgezonderd; en

    • c.

      voldoet aan de voorwaarden, gesteld in artikel 5.

Artikel 14. Initiatiefgerechtigden

  • 1. Initiatiefgerechtigd zijn degenen die kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de gemeenteraad in de gemeente Smallingerland of in enig andere gemeente, alsmede ingezetenen van de gemeente Smallingerland van zestien jaar en ouder die met uitzondering van hun leeftijd voldoen aan de vereisten voor het kiesrecht voor de leden van de gemeenteraad.

  • 2. Naast natuurlijke personen zijn ook rechtspersonen initiatiefgerechtigd.

  • 3. Voor de beoordeling of aan de vereisten voor initiatiefgerechtigheid is voldaan, is de toestand op de dag van indiening van het verzoek bepalend.

Artikel 15. Uitgesloten onderwerpen

Een burgerinitiatiefvoorstel houdt niet in:

  • a.

    een onderwerp dat niet behoort tot de bevoegdheid van de raad;

  • b.

    een vraag over het gemeentelijk beleid;

  • c.

    een klacht in de zin van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht over een gedraging van het gemeentebestuur;

  • d.

    een bezwaar in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht tegen een besluit van een bestuursorgaan van de gemeente; of

  • e.

    een onderwerp waarover in de lopende raadsperiode of korter dan twee jaar voor indiening van het burgerinitiatiefvoorstel door de raad een besluit is genomen.

Artikel 16. Verzoek burgerinitiatief

  • 1. Het verzoek ter plaatsing van een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van de vergadering van de raad wordt schriftelijk ingediend bij de voorzitter van de gemeenteraad.

  • 2. Het verzoek bevat ten minste:

    • a.

      een omschrijving van het burgerinitiatiefvoorstel;

    • b.

      een toelichting op het burgerinitiatiefvoorstel;

    • c.

      de achternaam, de voornamen, het adres, de geboortedatum en de handtekening van de verzoeker en zijn plaatsvervanger, en

    • d.

      een lijst met de voornamen, achternamen, adressen, geboortedata en handtekeningen van de initiatiefgerechtigden die het verzoek ondersteunen.

  • 3. Voor de indiening van het verzoek wordt gebruik gemaakt van een bij de griffie van de gemeenteraad te verkrijgen formulier.

Artikel 17. Beoordeling verzoek burgerinitiatief

  • 1. De raad beslist zo spoedig mogelijk na de datum van indiening van het verzoek of het burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van de vergadering van de raad wordt geplaatst, met dien verstande dat ten minste drie weken is gelegen tussen de dag van indiening van het verzoek en de dag van de vergadering waarin op het verzoek wordt beslist.

  • 2. Indien de raad het verzoek afwijst wegens strijd met artikel 4, onder a, zendt de raad het voorstel door aan burgemeester en wethouders of aan de burgemeester.

  • 3. Indien de raad het verzoek toewijst, dan agendeert hij het burgerinitiatiefvoorstel voor een volgende vergadering van de raad of de betreffende raadscommissie.

  • 4. De burgemeester nodigt de verzoeker en zijn plaatsvervanger schriftelijk uit voor de vergadering van de raad of de raadscommissie waarvoor het burgerinitiatiefvoorstel is geagendeerd. De verzoeker of zijn plaatsvervanger heeft tijdens deze vergadering de gelegenheid om zijn burgerinitiatiefvoorstel mondeling nader toe te lichten.

  • 5. Zo spoedig mogelijk nadat de raad over het burgerinitiatiefvoorstel een besluit heeft genomen wordt dit besluit bekendgemaakt door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.

  • 6. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van het besluit mededeling gedaan aan verzoeker en zijn plaatsvervanger.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 18. Nadere regels college

Het college kan nadere regels vaststellen.

Artikel 19. Hardheidsclausule

Het bestuursorgaan kan afwijken van de bepalingen in deze verordening voor zover toepassing ervan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het bestuursorgaan onderbouwt waarom het afwijkt.

Artikel 20. Intrekking oude verordening

  • 1. De Inspraakverordening Smallingerland 2004 wordt ingetrokken.

  • 2. De Verordening burgerinitiatief wordt ingetrokken.

Artikel 21. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening gemeente Smallingerland.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 17 februari 2026,

de griffier

Gert-Jan Fokkema

de voorzitter,

Fred Veenstra