Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757542
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757542/1
GLB-openstellingsbesluit Niet productieve investeringen op landbouwbedrijven provincie Gelderland 2026
Geldend van 24-02-2026 t/m heden
Intitulé
GLB-openstellingsbesluit Niet productieve investeringen op landbouwbedrijven provincie Gelderland 2026Gedeputeerde Staten van Gelderland
Gelet op artikel 1.2 en paragraaf 3 van hoofdstuk 2 uit de Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 provincie Gelderland (de Verordening);
Besluiten:
- I.
vast te stellen het GLB-openstellingsbesluit Niet productieve investeringen op landbouwbedrijven provincie Gelderland 2026 (openstellingsbesluit) als bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk 2 van de Verordening;
- II.
het subsidieplafond voor de openstellingsperiode vast te stellen op € 2.500.000,00, volledig afkomstig uit het Europees Fonds voor Plattelandsontwikkeling;
- III.
dat aanvragen kunnen worden ingediend van 26 februari 2026 9:00 uur tot en met 28 mei 2026 17:00 uur; en
- IV.
de navolgende, nadere regels vast te stellen:
Artikel 1 Subsidiabele activiteit
-
1. Subsidie wordt verstrekt voor niet-productieve investeringen op landbouwbedrijven.
-
2. In afwijking van artikel 2.3.1, tweede lid, van de Verordening wordt de subsidie bedoeld in het eerste lid, alleen verstrekt als de activiteit bijdraagt aan minimaal één van de volgende doelen:
- a.
bevorderen van duurzame ontwikkeling of efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen;
- b.
het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, versterking van ecosysteemdiensten of instandhouding van habitats of landschappen.
- a.
Artikel 2 Aanvrager
Subsidie wordt verstrekt aan:
- a.
een agrarische collectief als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Verordening;
- b.
een landbouwer;
- c.
een landbouworganisatie als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Verordening;
- d.
een organisatie voor landschapsbeheer bedoeld in artikel 2.3.2 van de Verordening; of
- e.
een samenwerkingsverband van landbouwers.
Artikel 3 Aanvraagvereisten
-
1. De aanvraagvereisten uit artikel 1.6 en artikel 2.3.3 van de Verordening zijn van toepassing op het openstellingsbesluit.
-
2. In aanvulling op het eerste lid bevat de aanvraag om subsidie:
- a.
een natuurvergunning voor de niet-productieve investering, die op het moment van indiening van de aanvraag niet ouder is dan één jaar; of
- b.
een onderbouwing waaruit blijkt dat een natuurvergunning niet nodig is voor de niet-productieve investering, bijvoorbeeld door een AERIUS 0,0 – berekening of een ecologische voortoets.
- a.
Artikel 4 Subsidiabele kosten
-
1. Kosten als bedoeld in artikel 1.8, onder a, b en e, van Verordening komen voor subsidie in aanmerking.
-
2. Subsidiabele kosten worden berekend conform artikel 1.9a of artikel 1.9b van de Verordening.
-
3. Indien de aanvrager voor de berekening van de subsidiabele kosten kiest voor toepassing van artikel 1.9a van de Verordening, zijn de tarieven uit artikel 1.9a, eerste lid, onder b, van de Verordening niet van toepassing.
Artikel 5 Niet subsidiabele kosten
In aanvulling op artikel 1.10 van de Verordening is artikel 2.3.6 van de Verordening van toepassing.
Artikel 6 Subsidiepercentage en hoogte subsidie
-
1. Artikel 2.3.7 van de Verordening is van toepassing.
-
2. De hoogte van de subsidie bedraagt minimaal € 50.000 en maximaal € 1.000.000.
Artikel 7 Selectie en rangschikking
-
1. Aanvragen die voor subsidie als bedoeld in artikel 1 in aanmerking komen worden door een onafhankelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 1.13 van de Verordening geselecteerd en gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria:
Selectiecriterium
Weging
Te behalen punten
Maximum per criterium
a.
Effectiviteit
4
0-5
20
b.
Haalbaarheid/ kans op succes
3
0-5
15
c.
Urgentie
3
0-5
15
d.
Efficiëntie
2
0-5
10
Maximumaantal te behalen punten voor de selectiecriteria
60
- 1.
Een aanvraag om subsidie wordt beoordeeld op basis van de in bijlage 1 bij dit openstellingsbesluit opgenomen beoordelingsaspecten per selectiecriterium dat is opgenomen in het eerste lid.
- 2.
Na beoordeling door een onafhankelijke adviescommissie krijgen in overeenstemming met artikel 2.3.8, derde lid, van de Verordening, landbouwers met een biologische bedrijfsvoering en landbouwers die omschakelen naar biologische landbouw een extra punt toegekend indien zij voldoen aan de voorwaarde opgenomen in artikel 2.3.8, vierde lid, van de Verordening.
- 3.
Indien de aanvraag om subsidie wordt gedaan door een samenwerkingsverband van landbouwers, wordt per samenwerkingsverband één extra punt toegekend wanneer één of meer landbouwers een biologische bedrijfsvoering hebben of omschakelen naar biologische landbouw, en daarbij voldoen aan de voorwaarden opgenomen in artikel 2.3.8, vierde lid, van de Verordening.
- 4.
Overeenkomstig artikel 1.12, vierde lid, van de Verordening wordt een aanvraag geweigerd indien de aanvraag minder dan 36 punten (60% van het maximumaantal te behalen punten op de selectiecriteria) heeft behaald.
Artikel 8 Verplichting
-
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.15 van de Verordening is de subsidieontvanger verplicht om de activiteit, bedoeld in artikel 1, eerste lid van dit openstellingsbesluit, uiterlijk 30 juni 2028 af te ronden.
-
2. Indien de activiteit wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden afgerond binnen de in het eerste lid genoemde termijn en de subsidieontvanger verlenging van die termijn wenselijk acht, kan hij uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek daartoe indienen bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten kunnen de termijn verlengen tot en met uiterlijk 31 december 2028.
Artikel 9 Voortgangsverslag, deelbetaling en inhoudelijk verslag
-
1. De subsidieontvanger is verplicht minimaal een keer per uitvoeringsjaar van het project te rapporteren over de voortgang waarin in ieder geval de tot dan toe bereikte resultaten worden vermeld.
-
2. Een verzoek om deelbetaling kan maximaal een keer per uitvoeringsjaar van het project worden ingediend.
-
3. Een voortgangsverslag of deelbetalingsverzoek bevat, in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 1.16 en 1.18 van de Verordening een opgave van de gerealiseerde resultaten tot dan toe.
-
4. Een inhoudelijk verslag bij vaststelling van de subsidie bevat, in aanvulling op het bepaalde in artikel 1.21 van de Verordening een opgave van de gerealiseerde resultaten van het project.
Artikel 10 Subsidie-arrangement
Op basis van artikel 1.7, vijfde lid, van de Verordening zijn de regels inzake subsidie op basis van arrangement 3 als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid onder c, in artikel 1.18, derde lid, en in artikel 1.21 van de Verordening van toepassing.
Artikel 11 Voorschot
Ambtshalve wordt een voorschot van 50% van de verleende subsidie verstrekt op basis van artikel 1.17 van de Verordening.
Artikel 12 Publicatie en inwerkingtreding
Dit besluit wordt geplaatst in het Provinciaal Blad en treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 13 Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: GLB-openstellingsbesluit Niet productieve investeringen op landbouwbedrijven provincie Gelderland 2026.
Ondertekening
Namens Gedeputeerde Staten van Gelderland,
Marjoos van den Berg
Teammanager Agrifood
Bijlage 1 – Beoordelingsaspecten bij selectiecriteria
Voor het bepalen van de rangschikking van projecten zijn vier selectiecriteria benoemd in artikel 7. Het bepalen van de scores van de selectiecriteria vindt als volgt plaats. Per selectiecriterium zijn diverse aspecten benoemd op basis waarvan een project wordt beoordeeld:
- a.
Mate van effectiviteit
Bij dit selectiecriterium gaat het om de bijdrage die het project, waarvoor subsidie wordt gevraagd, levert aan de GLB-doelen van de interventie en de beleidsdoelstellingen van dit openstellingsbesluit zoals bij algemeen zijn weergegeven. De twee Europese doelstellingen uit het GLB (EU-doelen) waarvoor gekozen is in deze openstelling zijn voor dit openstellingsbesluit gekoppeld aan de doelen van het provinciale Natuurbeheerplan 2026 over agrarische natuur (leefgebieden met open grasland en dooradering), water en klimaat/bodem. Het gaat om de volgende EU-doelen:
- 1.
bevorderen van duurzame ontwikkeling of efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen;
- 2.
het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, versterking van ecosysteemdiensten of instandhouding van habitats of landschappen.
Gelders Natuurbeheerplan 2026
Door met een aanvraag in het kader van deze openstelling bij te dragen aan de twee EU-doelen, wordt ook bijgedragen aan de hiervoor genoemde doelen uit het Natuurbeheerplan 2026 van provincie Gelderland. Het Gelderse Natuurbeheerplan is te vinden via Natuurbeheerplan 2026 (media.gelderland.nl/Natuurbeheerplan_2026_provincie_Gelderland_db8d61bb68.pdf).
Voor de onderbouwing op de bijdrage aan de EU-doelen wordt gebruik gemaakt van de doelen voor agrarische natuur en landschap, water en klimaat/bodem zoals die zijn opgenomen in het Natuurbeheerplan 2026. Het agrarisch natuur en landschapsbeheer (ANLb) is voor een belangrijk deel gericht op het verbeteren en optimaliseren van leefgebieden van diverse doelsoorten (zie bijlage 1 van het Natuurbeheerplan 2026 voor de soortenlijst). Deze doelsoorten zijn diersoorten waarvoor Nederland op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn een internationale verplichting heeft om de staat van instandhouding te verbeteren of te behouden. In het ANLb-stelsel kan subsidie worden aangevraagd voor drie leefgebieden die overeenkomen met de agrarische natuurtypen van de index Natuur en Landschap: open grasland, open akkerland en dooradering.
In Gelderland zijn er geen gebieden die voldoen aan de criteria voor open akkerland, dus er is alleen onderscheid tussen de twee leefgebieden open grasland en dooradering, aangevuld met de categorie water en klimaat, om ook de daaraan gekoppelde doelen te verbeteren met het ANLb. In hoofdstuk 4 van het Natuurbeheerplan zijn per leefgebied doelsoorten beschreven en wat hun behoeften zijn om succesvol te kunnen leven en voortplanten. Voor open grasland ligt de focus op het realiseren en in stand houden van duurzame brongebieden voor weidevogels (o.a. grutto, kievit, tureluur, scholekster). De behoeften van deze groep doelsoorten zijn bijvoorbeeld een open landschap van voldoende omvang (in verband met predatoren die hen bejagen vanuit bomen en begroeiing), geschikte broed- én opgroeilocaties, voldoende natte omstandigheden (plas-dras/hoogwaterpeil) in verband met het vinden van voedsel zoals wormen en insecten en voldoende rust, vooral tijdens het broedseizoen en in de opgroeifase.
In het leefgebied dooradering ligt de focus meer op landschapselementen en andere groenblauwe dooradering om op die manier een samenhangend netwerk te creëren dat functioneert op landschapsschaal en waarbij er connectiviteit wordt gecreëerd. Dit landschap bedient een veelheid aan doelsoorten en kent ook een grote diversiteit. Per gebied kan het accent daarom verschillen, afhankelijk van de daar voorkomende doelsoorten en de uitgangssituatie. Landschapselementen zijn bijvoorbeeld houtwallen, hagen, struweel, kruidenrijke randen en bermen, poelen, kleine wateren, ecologische verbindingen tussen natuurgebieden en agrarisch gebied.
Voor de categorie Water zijn de doelstellingen met name gericht op het bijdragen aan de KRW-waterkwaliteit, waterberging en sponswerking en aquatische biodiversiteit. Binnen de categorie Klimaat wordt gewerkt aan CO2-vastlegging in bodems en landschapselementen, het verminderen van broeikasgassen en klimaatadaptatie, zoals vernatten en droogtebuffering.
Opbouw puntenscore bij mate van effectiviteit
Niet productieve investeringen op landbouwgrond dienen ondersteunend aan het ANLb beheer te zijn.
De effectiviteit van de activiteit is afhankelijk van de, in dit openstellingsbesluit gespecificeerde, te bereiken doelen in een gebied en de mate waarin de activiteit beoogt aan het bereiken van die doelen bij te dragen. De hoogte van het gevraagde subsidiebedrag wordt hierbij in ogenschouw genomen. De mate van effectiviteit wordt bepaald op basis van het aantal doelen waaraan met het project wordt bijgedragen. Bij de beoordeling van de “effectiviteit” wordt daarnaast niet enkel gekeken naar de omvang en het bereik van het project. Dit om te voorkomen dat aan grotere projecten automatisch een hogere score toegekend moet worden dan aan kleinere projecten. Het effect blijft het leidende element. De punten worden als volgt toegekend:
- i.
0 punten: Zeer geringe bijdrage. Van een zeer geringe bijdrage is sprake als het project niet bijdraagt aan de doelen van dit openstellingsbesluit.
- ii.
1 punt: geringe bijdrage. Van een geringe bijdrage is sprake als het project een geringe bijdrage levert aan een van de doelen uit het openstellingsbesluit.
- iii.
2 punten: matige bijdrage. Van een matige bijdrage is sprake als enigszins een bijdrage wordt geleverd aan een van de doelen uit het openstellingsbesluit.
- iv.
3 punten: voldoende bijdrage. Van een voldoende bijdrage is sprake als overtuigend aan een van de doelen van dit openstellingsbesluit wordt bijgedragen.
- v.
4 punten: goede bijdrage. Van een goede bijdrage is bijvoorbeeld sprake als enigszins aan beide doelen van het openstellingsbesluit wordt bijgedragen.
- vi.
5 punten: zeer goede bijdrage. Van een zeer goede bijdrage is sprake als overtuigend aan beide doelen van het openstellingsbesluit wordt bijgedragen.
- b.
Mate van haalbaarheid/ kans op succes
Bij het criterium haalbaarheid wordt gekeken naar de kans dat het project succesvol uitgevoerd kan worden en/of succesvol zal zijn in het ‘verder gaan’. Of een project succesvol uitgevoerd kan worden hangt onder andere af of aan de randvoorwaarden is voldaan en of er een risicoanalyse is uitgevoerd en er passende beheermaatregelen getroffen kunnen worden.
Of een project haalbaar is, kan worden bepaald aan de hand van de kwaliteit van het projectplan en is mede afhankelijk van de concrete situatie/omstandigheden waar het project plaats zal vinden. Er wordt in samenhang gekeken naar de volgende aspecten:
- •
de in het plan opgenomen vereiste kwaliteit (deskundigheid, ervaring) van de projectleider;
- •
hoe realistisch is het plan (mate waarin het project al is voorbereid – bijvoorbeeld grond reeds is verworven en natschade is geregeld / snel in uitvoering kan worden genomen);
- •
zijn relevante partijen in voldoende mate bij de uitvoering van het plan betrokken / is voldoende aannemelijk dat rechthebbenden mee zullen werken;
- •
kent het project een realistische planning, opzet en begroting?
Op basis van bovenstaande aspecten wordt de haalbaarheid als volgt gekwalificeerd:
- i.
0 punten als de haalbaarheid zeer gering is. Er is geen vertrouwen dat de activiteit kan worden uitgevoerd;
- ii.
1 punt als de haalbaarheid gering is. Er is enig vertrouwen dat de activiteit kan worden uitgevoerd;
- iii.
2 punten als de haalbaarheid matig is. Om de activiteit te kunnen uitvoeren, moet nog aan een aantal voorwaarden (bijvoorbeeld vergunningen) worden voldaan, waarbij het nog onzeker is of aan de voorwaarden voldaan kan worden;
- iv.
3 punten als de haalbaarheid voldoende is. De activiteit kan worden uitgevoerd, de risico’s zijn inzichtelijk gemaakt, maar nog niet concreet beheersbaar gemaakt;
- v.
4 punten als de haalbaarheid goed is. De activiteit kan worden uitgevoerd, de risico’s zijn benoemd en beheersbaar gemaakt;
- vi.
5 punten als de haalbaarheid zeer goed is. De activiteit kan worden uitgevoerd, ook als er zich gedurende de uitvoering financiële tegenvallers voor doen.
- c.
De mate van urgentie
Bij dit criterium gaat het om de vraag in hoeverre de opgave(n) die aangepakt worden geïdentificeerd zijn als opgaven die noodzakelijk aangepakt dienen te worden en op welke termijn die aanpak noodzakelijk is. Zo zijn er provinciale doelstellingen die voor een bepaalde einddatum gerealiseerd dienen te zijn en waar het project aan bijdraagt of noodzakelijk voor is. Een en ander is daarmee gerelateerd aan het Natuurbeheerplan van de provincie Gelderland. Is langer wachten met het uitvoeren van de activiteit echt niet langer verantwoord, is er gelijk actie noodzakelijk (zeer dringende urgentie), dan worden er 5 punten toegekend;
- i.
5 punten worden toegekend als de activiteit gelijk noodzakelijk is (zeer dringende urgentie);
- ii.
4 punten worden toegekend als de activiteit op zeer korte termijn noodzakelijk is;
- iii.
3 punten worden toegekend als de activiteit op korte termijn noodzakelijk is;
- iv.
2 punten worden toegekend als de activiteit op de middellange termijn noodzakelijk is;
- v.
1 punt wordt toegekend als de activiteit niet op de middellange maar wel op de lange termijn noodzakelijk is;
- vi.
0 punten worden toegekend als de activiteit ook niet op de lange termijn noodzakelijk is.
- d.
De mate van efficiëntie
Bij dit criterium wordt beoordeeld of de input (geld, kennis, kunde en overige middelen) efficiënt wordt ingezet om de gewenste output te realiseren. Daarbij wordt bezien of de opgevoerde kosten passend zijn (worden de resultaten met de juiste middelen gehaald?), wordt gekeken in hoeverre de proceskosten die in het project gemaakt worden in verhouding staan tot de feitelijke projectkosten én wordt bezien of binnen het project op een goede manier gebruik gemaakt wordt van reeds bestaande kennis en kunde.
Op basis van de genoemde aspecten worden de volgende scores toegekend:
- i.
0 punten als de efficiëntie zeer gering is.
- ii.
1 punt als de efficiëntie gering is.
- iii.
2 punten als de efficiëntie matig is.
- iv.
3 punten als de efficiëntie voldoende is.
- v.
4 punten als de efficiëntie goed is.
- vi.
5 punten als de efficiëntie zeer goed is.
Wegingsfactoren
Na sluiting van de indieningstermijn worden alle tijdig ontvangen aanvragen door een onafhankelijke adviescommissie beoordeeld. Op basis van de in artikel 7 bedoelde selectiecriteria worden deze in rangorde op een lijst geplaatst. Het puntentotaal per project wordt samengesteld uit de te behalen punten op basis van deze methodiek. De behaalde punten per selectiecriterium worden vervolgens gewogen:
|
Selectiecriterium |
Weging |
Te behalen punten |
Maximum per criterium |
|
|
a. |
Effectiviteit |
4 |
0-5 |
20 |
|
b. |
Haalbaarheid/ kans op succes |
3 |
0-5 |
15 |
|
c. |
Urgentie |
3 |
0-5 |
15 |
|
d. |
Efficiëntie |
2 |
0-5 |
10 |
|
Maximumaantal te behalen punten voor de selectiecriteria |
60 |
|||
Het maximumaantal punten voor de selectiecriteria dat behaald kan worden is 60. Het project met het meest aantal punten krijgt de hoogste ranking. Toetsing vindt plaats door een onafhankelijk adviescommissie die Gedeputeerde Staten adviseert. Er worden maximaal 5 punten toegekend per criterium. Aan elk selectiecriterium is een wegingsfactor toegekend.
De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat de adviescommissie aan het project toekent. Voor elk project geldt dat een minimumaantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen (60% van het totaal aantal punten voor de vier selectiecriteria tezamen = minimaal 36 punten). Indien een aanvraag minder dan 36 punten behaalt op de selectiecriteria, wordt de aanvraag niet gehonoreerd. Het doel van deze systematiek is om alle projecten onderling te vergelijken en de beste projecten uit het totaalaanbod te kunnen selecteren.
Naast de punten die op basis van de selectiecriteria worden toegekend, wordt aan landbouwers met een biologische bedrijfsvoering en landbouwers die omschakelen naar biologische landbouw een extra punt toegekend. Indien de aanvraag wordt gedaan door een samenwerkingsverband met landbouwers wordt per samenwerkingsverband één extra punt toegekend wanneer een of meer landbouwers biologische bedrijfsvoering hebben of omschakelen naar biologische landbouw. Dit extra punt wordt opgeteld bij het puntenaantal na toetsing van de onafhankelijke adviescommissie.
Aanvragen worden op volgorde van de rangschikking gehonoreerd. Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben gekregen en de som van de aangevraagde bedragen dusdanig is dat het subsidieplafond wordt overschreden, dan vindt tussen hen een prioritering plaats op de afzonderlijke scores in de volgorde: 1. effectiviteit, 2. haalbaarheid/ kans op succes, 3. urgentie en 4. efficiëntie. Indien de aanvragen een gelijk aantal punten hebben behaald, wordt de rangschikking van de aanvragen bepaald door loting. Het toekennen van de scores en de rangschikking vindt plaats door een onafhankelijke adviescommissie
Toelichting bij het GLB-openstellingsbesluit Niet productieve investeringen op landbouwbedrijven provincie Gelderland 2026
|
LEESWIJZER Voorliggend openstellingsbesluit moet in samenhang gelezen worden met de Verordening Europese landbouwsubsidies 2023-2027 van de provincie Gelderland. Met dit openstellingsbesluit wordt paragraaf 3 uit hoofdstuk 2 van de Verordening – Niet productieve investeringen op landbouwbedrijven – opengesteld. De artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.8 van paragraaf 3 uit hoofdstuk 2 van de Verordening moeten tezamen gelezen worden met de artikelen in dit openstellingsbesluit. Daarnaast zijn de algemene en slotbepalingen uit de Verordening ook van toepassing op een aanvraag. |
- I.
Algemeen
Om het agrarisch gebied optimaal in te richten in het kader van biodiversiteit, klimaat, bodem en water zijn verschillende zaken nodig. De interventie ‘Niet-productieve investeringen voor landbouwbedrijven’ biedt de mogelijkheid hieraan gevolg te geven. Het Nationaal Strategisch Plan (NSP) schrijft er het volgende over:
“Met de maatregel niet productieve investeringen op landbouwbedrijven wordt ingezet op het ontwikkelen, benutten en beschermen van de natuur en biodiversiteit. Hierbij worden de natuurdoelen zoveel mogelijk gekoppeld aan de uitvoering van andere doelen, zoals water en landbouw, maar ook klimaat. Tevens wordt ingezet op het mitigeren van de effecten van de emissies van nitraat, fosfaat, gewasbeschermingsmiddelen en stikstof door een efficiënter gebruik van (natuurlijke) grondstoffen, herstel van verschillende habitats en cultuurlandschap.
Met niet productieve investeringen op een landbouwbedrijf kan na realisatie van de investering mogelijk een hoger niveau van de ecoregeling worden bereikt of kan deelgenomen worden aan maatregelen in het kader van agrarisch natuur- en landschapsbeheer.”
Provincie Gelderland staat positief tegenover over het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). De samenwerking met de collectieven is goed en er wordt in Gelderland fors ingezet op het verbeteren van leefgebieden van de doelsoorten uit het ANLb. Het ANLb is een goed instrument om de verschillende doelen die in het NSP benoemd staan, te behalen. De verschillende beheerpakketten zien toe op het verbeteren van biodiversiteit, water- en bodemkwaliteit en sinds 2023 ook op klimaatmitigatie en -adaptatie. Als EU-lidstaat heeft Nederland een grote verantwoordelijkheid als het gaat om een positieve staat van instandhouding van de doelsoorten, waaronder weidevogels, waarbij de grutto momenteel extra aandacht krijgt. De openstelling Niet productieve investeringen op landbouwbedrijven biedt een uitgelezen mogelijkheid om een aantal beleidsdoelen bij elkaar te brengen. In Gelderland wordt daarom ingezet op het versterken van weidevogelhabitats middels de subsidiëring van niet-productieve investeringen als plas-draspompen, grondbuizen, apparatuur voor de monitoring van weidevogels, maar ook predatie werende maatregelen.
Dit soort niet-productieve investeringen zijn ondersteunend aan goed agrarisch natuurbeheer. De complementariteit met het ANLb is duidelijk. Via het ANLb kan slechts beheer worden gesubsidieerd. De hierboven genoemde voorbeelden van niet-productieve investeringen zijn echter nodig om dit beheer te kunnen uitbreiden en optimaliseren. In het kader van de Vogel-Habitat Richtlijn (VHR)-opgaven wil Provincie Gelderland deze kans aangrijpen om te investeren ter versterking van het beheer van natuur en landschap.
Hierbij moet worden opgemerkt dat niet-productieve investeringen niet per definitie onder de beheerkosten via het ANLb gaan vallen. Daarnaast kunnen de investeringen leiden tot een verandering op percelen. Deze veranderingen dienen in het perceelsregister verwerkt te worden, vanwege mogelijke gevolgen voor de steun die op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 ontvangen wordt.
- II.
Artikelsgewijs
Hierna volgt een nadere toelichting bij de artikelen uit voorliggende openstellingsbesluit.
Artikel 1 Subsidiabele activiteit
De subsidie kan worden verstrekt voor niet-productieve investeringen op landbouwbedrijven die bijdragen aan een betere biodiversiteit in het agrarisch gebied en voor niet-productieve investeringen die een versterking voor het agrarisch natuurbeheer betekenen. Niet-productieve investeringen zijn investeringen die niet mogen leiden tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf of een andere onderneming.
Voorbeelden van investeringen die voor subsidie in aanmerking komen zijn (niet-limitatief):
- -
aanleg van groenblauwe dooradering zoals houtige elementen en poelen;
- -
plas-draspompen;
- -
wildcamera’s;
- -
drones met apparatuur voor monitoring;
- -
predatie werende maatregelen als vossenrasters die niet zijn bedoeld ter bescherming van vee.
Artikel 2 Aanvrager
De subsidie wordt in overeenstemming met artikel 2.3.2 van de Verordening verstrekt aan agrarische collectieven, landbouwers, landbouworganisaties, organisaties voor landschapsbeheer of samenwerkingsverbanden van landbouwers zoals omschreven in artikel 1.3 van de Verordening.
Artikel 3 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten opgenomen in artikel 1.6 en artikel 2.3.3 van de Verordening zijn van toepassing. Artikel 2.3.3 van de Verordening schrijft in aanvulling op artikel 1.6 van de Verordening voor dat:
- 1.
Een aanvrager met een biologische bedrijfsvoering, of wanneer de bedrijfsvoering in omschakeling is naar biologische landbouw, ter onderbouwing hiervan bij de aanvraag een erkend certificaat of kwaliteitskeurmerk voegt; en
- 2.
Een aanvrager die in omschakeling is naar biologische landbouw, ter onderbouwing hiervan bij de aanvraag het inschrijfnummer en documentatie van een certificerende instantie voegt.
Artikel 4 Subsidiabele kosten
Kosten die voor subsidie in aanmerking komen, de subsidiabele kosten, hebben betrekken op niet-productieve investeringen op een landbouwbedrijf.
Vereenvoudigde kostenopties
Subsidiabele kosten kunnen bestaan uit loonkosten (kosten voor de inzet van eigen personeel), kosten eigen arbeid (kosten voor de inzet van niet verloonde arbeid) en overige kosten (kosten bij derde partijen, ook wel kosten derden genoemd) ten behoeve van niet-productieve investeringen op een landbouwbedrijf.
De subsidiabele kosten kunnen worden berekend overeenkomstig artikel 1.9a of 1.9b van de Verordening. De begroting van een project kan op verschillende manieren tot stand komen. Hiervoor zijn voorwaarden opgenomen in artikel 1.9a en 1.9b van de Verordening. Hierna wordt hier verder op ingegaan:
- •
Wanneer gekozen wordt voor artikel 1.9a van de Verordening kan de begroting worden opgesteld op basis van werkelijke kosten. In dit geval moeten alle kosten worden verantwoord.
- •
Wanneer gekozen wordt voor artikel 1.9b van de Verordening kan de begroting vereenvoudigd opgesteld worden en geldt er een verlicht verantwoordingsregime, waarbij alleen de overige kosten hoeven te worden verantwoord op basis van facturen en betaalbewijzen. Dit houdt in dat de loonkosten en kosten eigen arbeid als bedoeld in artikel 1.8, onder a en b, van de Verordening worden berekend door de overige subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met 0,23.
De overige subsidiabele kosten worden vastgesteld op basis van een factuur of een document met gelijkwaardige bewijskracht (artikel 1.8, onder e, van de Verordening).
Artikel 5 Niet subsidiabele kosten
In dit artikel wordt omschreven welke kosten niet voor subsidie in aanmerking komen.
Investeringen in het watersysteem komen alleen voor subsidie in aanmerking wanneer het effect van de investering groter is dan alleen voor landbouwbedrijven. Een investering zoals een stuw of dam waardoor water alleen wordt vastgehouden voor een bedrijf of een investering in drainagepoelen, komt dus niet voor subsidie in aanmerking. Dit zijn investeringen als bedoeld in paragraaf 2 van de Verordening. Investeringen in het watersysteem die wel onder dit openstellingsbesluit en paragraaf 3 van de Verordening voor subsidie in aanmerking komen zijn bijvoorbeeld investeringen voor het vasthouden van water in natte periodes, zodat in droge periodes het watersysteem in het gehele gebied (dus ook dat wat buiten het landbouwbedrijf zelf valt) over voldoende water beschikt en daarmee jaarrond van goede waterkwaliteit blijft.
Artikel 6 Subsidiepercentage en hoogte subsidie
In dit artikel is beschreven op welke wijze de hoogte van de subsidie wordt berekend. Hierbij is van belang voor welk doel de kosten worden gemaakt. Is subsidie aangevraagd voor investeringen in watersystemen dan bedraagt de subsidie 70% van de subsidiabele kosten, in alle andere gevallen bedraagt de subsidie 100% van de subsidiabele kosten. In absolute zin moet de aangevraagde subsidie minimaal € 50.000 bedragen en mag deze maximaal € 1.000.000 bedragen.
Artikel 7 Selectie en rangschikking
Voor het bepalen van de rangschikking van projecten zijn in artikel 7 vier selectiecriteria benoemd. Per selectiecriterium zijn in bijlage 1 bij dit openstellingsbesluit diverse aspecten benoemd op basis waarvan een project wordt beoordeeld. De manier waarop de scores worden bepaald is eveneens vastgelegd in bijlage 1.
Artikel 8 Verplichtingen
Nadat de verleningsbeschikking is afgegeven moet een project uiterlijk 30 juni 2028 zijn afgerond. Indien hier onverhoopt door onvoorziene omstandigheden meer tijd voor nodig is, dan kan hiervoor een onderbouwd wijzigingsverzoek voor een langere looptijd voor het project worden ingediend.
Artikel 9 Voortgangsverslag, deelbetaling en inhoudelijk verslag
Bij voorgangsverslagen, verzoeken tot deelbetaling en vaststelling gelden rapportageverplichtingen. Deze verplichtingen worden opgelegd omdat de lidstaten verplicht zijn dergelijke gegevens aan te leveren bij de Europese Commissie. In eerste instantie dient men te rapporteren over de behaalde resultaten in het project.
Tijdens de voortgang van de uitvoering van het project blijft de provincie Gelderland graag een maal per jaar dat de uitvoering van het project loopt, op de hoogte van de tot dan toe bereikte resultaten.
Artikel 10 Subsidie-arrangement
Gezien de aard van de regeling vindt ongeacht de hoogte van het subsidiebedrag, de wijze van verantwoording van de verleende subsidie plaats op basis van arrangement 3. Arrangement 3 houdt in dat alle gemaakte en betaalde kosten verantwoord moeten worden aan de hand van een inhoudelijk en financieel verslag, zie voor de voorwaarden artikel 1.7, 1.18 en artikel 1.21 van de Verordening.
Artikel 11 Voorschot
Wanneer de verleningsbeschikking wordt afgegeven wordt direct (ambtshalve) een voorschot van 50% van het verleende subsidiebedrag uitbetaald. Het betreft een voorschot vooruitlopend op de realisatie en bedoeld als startkapitaal. Op basis van gerealiseerde kosten moet later tijdens de uitvoering van het project of in ieder geval na afronding van het project verantwoording worden overlegd. Een eventueel te veel ontvangen voorschot kan dan nog verrekend worden.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl