Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757523
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757523/1
Beleidsregels leerlingenvervoer Altena 2026
Geldend van 25-02-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels leerlingenvervoer Altena 2026Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena,
Overwegende dat:
- •
De Verordening sociaal domein gemeente Altena 2022 is gewijzigd, waardoor actualisatie van de beleidsregel noodzakelijk is;
- •
De huidige beleidsregel leerlingenvervoer 2022 niet meer volledig aansluit op de geldende wettelijke eisen, recente jurisprudentie en de uitvoeringspraktijk;
- •
Er in de uitvoering knelpunten zijn geconstateerd die met deze aanpassing worden opgelost;
- •
De wijzigingen zorgen voor verduidelijking van procedures en criteria, en sluiten beter aan bij de dagelijkse praktijk;
- •
Het doel van de nieuwe beleidsregel is om de regels rond leerlingenvervoer te actualiseren en te verduidelijken, zodat deze voldoen aan de wettelijke kaders en uitvoerbaar zijn voor inwoners en gemeente.
Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 6 van de Verordening sociaal domein gemeente Altena 2022,
besluit:
- 1.
Vast te stellen de volgende beleidsregels: Beleidsregels leerlingenvervoer Altena 2026
Hoofdstuk 1
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- •
Aanvrager: Ouder(s), verzorger(s) of voogd(en) van de leerling welke in aanmerking wenst te komen voor leerlingenvervoer
- •
Buitenschoolse opvang: Voorziening die bestemd is voor schoolgaande kinderen van 4 tot en met 12 jaar en die alleen geopend is voor en/of na schooltijd en eventueel tussen de middag. Vaak ook op woensdagmiddag en tijdens de schoolvakanties.
- •
Medisch kinderdagverblijf (MKD): Een MKD biedt dagopvang voor kinderen van 0 tot 7 jaar met ernstige ontwikkelingsproblemen. Het MKD wordt ook wel dagbehandeling jonge kind (DJK) genoemd.
- •
Pleegouder: Pleegouders nemen een kind van andere ouders op in hun gezin tot ouders de zorg zelf weer aankunnen. Pleegzorg is voor kinderen van 0 tot 18 jaar die tijdelijk niet bij hun eigen ouders kunnen wonen.
- •
Verordening: Verordening sociaal domein gemeente Altena 2022.
Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet op primair onderwijs, de Wet op voortgezet onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening.
Artikel 2. Procedure
- •
Een ontvankelijke en volledige aanvraag wordt na binnenkomst in behandeling genomen. Binnen 8 weken na binnenkomst wordt een besluit genomen. De aanvrager wordt middels een beschikking op de hoogte gesteld van het besluit.
- •
De aanvraag wordt ingediend via het daarvoor bestemde formulier en voorzien van alle benodigde gegevens en bescheiden.
- •
De termijn voor het nemen van een besluit op een aanvraag volgt de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de toepasselijke verordening. Indien verlenging van de beslistermijn noodzakelijk is, wordt dit gemotiveerd en schriftelijk aan de aanvrager meegedeeld. De verlenging vindt uitsluitend plaats binnen de kaders van de Awb.
- •
Om er zeker van te zijn dat een beschikking voor aanvang in het nieuwe schooljaar wordt afgegeven is het van belang om de aanvraag vóór 1 juni in te dienen.
- •
De beschikking wordt toegekend voor de periode van 1 schooljaar. Het college kan in specifieke gevallen besluiten hiervan af te wijken.
- •
Ouders dienen wijzigingen in hun situatie in het lopende schooljaar door te geven.
- •
Wanneer onrechtmatig gebruik blijkt, kan het college besluiten een bedrag terug te vorderen.
- •
Een vergoeding kan niet met terugwerkende kracht worden verstrekt.
- •
Voor aanvragen die tijdens het lopende schooljaar worden ingediend, geldt de dag van besluit als ingangsdatum van vergoeding.
Artikel 3. Aanvraagformulieren
Aanvraagformulieren die onjuist of onvolledig zijn ingevuld, worden door de gemeente beschouwd als een niet ontvankelijke aanvraag. Ze worden naar de aanvrager teruggestuurd. De aanvrager wordt dan in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen twee weken te corrigeren of aan te vullen. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt dan kan de aanvraag buiten behandeling gesteld worden. De gemeente stelt de aanvrager hiervan op de hoogte.
Artikel 4. Adviezen van deskundigen
Wanneer onduidelijkheid bestaat over de mogelijkheid van de leerling om (eventueel met begeleiding) met het openbaar vervoer te reizen of de mogelijkheid van ouders/verzorgers om het kind te begeleiding in het openbaar vervoer kan het college besluiten om in eerste instantie medische informatie op te vragen bij:
- •
de aanvrager;
- •
het samenwerkingsverband;
- •
een medisch specialist;
- •
een orthopedagoog;
- •
een behandelend arts (niet zijnde de huisarts);
- •
een ambulant begeleider;
- •
Jeugdgezondheidsdienst;
- •
de commissie voor de begeleiding, cluster 3 en 4;
- •
de commissie van onderzoek, cluster 1 en 2.
De gemeente controleert of er een volledig beeld wordt gegeven over de mogelijkheden van zelfstandig reizen. Indien noodzakelijk kan de gemeente ook een onafhankelijk onderzoek instellen. Deze kosten zullen door de gemeente worden gedragen.
Artikel 5. Algemene weigeringsgronden
Tijdens de behandeling van de aanvraag onderzoekt het college of de leerling voldoet aan de criteria gesteld in de Verordening en Beleidsregels.
Weigeringsgronden zijn in ieder geval:
- •
tijdelijke beperking (< 3 maanden) zoals een gebroken been;
- •
vervoer voor andere doeleinden dan schoolonderwijs, zoals vervoer naar huiswerkbegeleiding, remedial teaching, jeugdhulp, ziekenhuis, tandarts e.d.;
- •
afwijkende schooltijden, bijvoorbeeld door lesuitval, schoolreisje, examenweken, presentatieweken, sportdag;
- •
vervoer tussen school en zwembad;
- •
vervoer naar logeerhuis;
- •
vervoer buiten de schooltijden.
Ouders zijn in dergelijke situaties zelf verantwoordelijk voor het vervoer van hun kind.
Hoofdstuk 2
Artikel 6. De rol van het samenwerkingsverband
Als een kind op school extra ondersteuning nodig heeft komt het samenwerkingsverband in beeld. Zij bezitten zowel de expertise als de middelen om extra ondersteuning te kunnen bieden aan de school. Wanneer het een school niet lukt om de leerling voldoende te ondersteunen kan het samenwerkingsverband de leerling toelaten tot een school voor (voortgezet) speciaal (basis-)onderwijs middels een toelaatbaarheidverklaring.
Het wisselen van school hangt vaak samen met de vraag om leerlingenvervoer.
Wanneer het samenwerkingsverband een toelaatbaarheidverklaring heeft afgegeven waarin een specifieke school of categorie scholen worden benoemd, of een advies heeft gegeven voor overstap naar een andere reguliere basisschool vanwege een specifiek onderwijsaanbod op die school waarop de leerling is aangewezen, kan gesteld worden dat de aangewezen school de dichtstbijzijnde toegankelijke school is.
Hoofdstuk 3
Artikel 7. Structurele of tijdelijke beperking
Een leerling met een tijdelijke beperking, zoals een gebroken been of arm, komt niet in aanmerking voor leerlingenvervoer. Alleen bij een structurele beperking wordt eventueel vervoer verleend. Echter, het kan voorkomen dat een leerling een zware operatie moet ondergaan of een meervoudige ledematenbreuk heeft opgelopen, met als gevolg dat hij of zij een groot gedeelte van het schooljaar afhankelijk is van rolstoel en/of krukken vanwege herstel of revalidatie. In dat geval kan een leerling bij een beperking die langer duurt dan 3 maanden eventueel wel een beroep doen op het leerlingenvervoer. Hiervoor moet wel een medische verklaring worden overlegd. Er kan een beschikking af worden gegeven voor de duur van het herstel en/of de revalidatie. Als de noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft de leerling geen recht meer op vervoer.
Hoofdstuk 4
Artikel 8. Opvangadres
-
1. Leerlingenvervoer betreft het vervoer tussen de woning en de onderwijslocatie. De woning is gedefinieerd als ‘de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft’. Het college staat vervoer van school naar een opvangadres na schooltijd, anders dan het woonadres toe indien voldaan wordt aan de onderstaande voorwaarden;
-
2. De leerling heeft een voorziening voor aangepast vervoer naar school;
-
3. Het opvangadres ligt binnen de gemeentegrens van Altena of het opvangadres ligt op de route van de taxi(bus): met andere woorden waarvoor door de taxi(bus) niet of in geringe mate hoeft te worden omgereden;
-
4. Er is één opvangadres naast het huisadres toegestaan. Een tweede opvangadres kan worden toegestaan zolang dit voor de vervoerder binnen de reguliere route van de leerling uitvoerbaar is;
-
5. Er is sprake van een vast patroon, dat wil zeggen één vast opvangadres alsook op vaste dagen per week.
-
6. Wanneer er sprake is van wijziging wordt dit tijdig aangekondigd. Een nieuw opvangadres wordt niet toegestaan als in de voorgaande drie maanden meer dan één wijziging van opvangadres heeft plaatsgevonden;
-
7. Het vervoer vindt plaats in aansluiting op de reguliere eindtijd van de school volgens de schoolgids. Vervoer vanaf het opvangadres naar het thuisadres behoort in geen enkel geval tot de mogelijkheden. Hiervoor zijn de ouders verantwoordelijk;
-
8. Een volwassene dient ter plekke aanwezig te zijn om de leerling op te vangen. De chauffeur moet de leerling aan de volwassene kunnen overdragen bij de taxi(bus). De gemeente draagt geen verantwoordelijkheid vanaf het moment dat de leerling de taxi(bus) heeft verlaten;
-
9. De vervoerder stemt in met vervoer naar het opvangadres en brengt hiervoor geen meerkosten bij ouders of gemeente in rekening. De vervoerder heeft aangegeven dat hij bereid is leerlingen af te zetten bij een opvangadres indien dit adres ongeveer op de route ligt van de taxi(bus), waarin de leerling wordt vervoerd. De route van de taxi(bus) is gebaseerd op de woon- en schooladressen van de leerlingen. Ook heeft de vervoerder de mogelijkheid genoemd dat een kind op de terugweg in een andere (taxi)bus terugrijdt dan op de heenweg;
-
10. De maximale individuele reistijd van de leerlingen die vervoerd worden op de aangepaste route niet mag worden overschreden;
-
11. Indien het vervoer naar het opvangadres leidt tot individueel vervoer of om andere redenen leidt tot hogere kosten dan het vervoer naar het woonadres wordt een opvangadres niet toegestaan;
-
12. Indien op basis van de jeugdhulp al een vergoeding voor vervoer bij begeleiding en behandeling wordt verkregen voor de opvang, dan zal er geen aanspraak mogelijk zijn vanuit het leerlingenvervoer. Er kan en mag geen sprake zijn van dubbele vergoeding.
Hoofdstuk 5. Bijzondere doelgroepen en reisdoelen
Artikel 9. Medisch kinderdagverblijf
Bij een medisch kinderdagverblijf staat onderzoek en behandeling voorop. Een team van verschillende deskundigen onderzoekt en behandelt het kind. Bijvoorbeeld een psycholoog, een orthopedagoog, een fysiotherapeut, een logopedist en groepsleid(st)ers. Wanneer het kind leerplichtig is behoord ook onderwijs tot de mogelijkheden.
De meeste medisch kinderdagverblijven (hierna: MKD) bieden ook onderwijs aan de kinderen vanaf 4 jaar. Dit gaat vaak met externe inzet van onderwijzers of doordat een MKD gevestigd is binnen een school. De meeste kinderen zijn vier of vijf jaar oud. De verblijfsduur varieert van één maand tot ongeveer anderhalf jaar. Het merendeel krijgt echter een behandeling van negen tot twaalf maanden en verblijft gemiddeld een schooljaar in het speciaal onderwijs. Na behandeling stromen de leerlingen uit naar het basisonderwijs, het speciaal basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs. In incidentele gevallen stroomt het kind uit naar een vorm van dagbesteding.
Het vervoer waarmee kinderen op een MKD komen is in beginsel de verantwoordelijkheid van ouders. Vanaf het 4e levensjaar kunnen ouders van een kind dat een MKD bezoekt een beroep doen op leerlingenvervoer wanneer hun kind daadwerkelijk onderwijs volgt op het MKD. Dit geldt alleen als het MKD een BRIN-nummer heeft (registratie als school). Zo niet, dan beschouwen we het bezoek van het MKD niet als onderwijs maar als een vorm van behandeling. Voor vervoer naar behandeling kan mogelijk een voorziening worden verstrekt op grond van de jeugdwet.
Wanneer er voor minder dan 50% van de tijd onderwijs wordt gegeven, beschouwen we het MKD als kinderopvang of zorglocatie en niet als onderwijs
Artikel 10. Vervoer voor hoogbegaafde kinderen
Elke basisschool heeft een aanbod voor hoogbegaafde leerlingen. Hierdoor bestaat er in principe geen recht op leerlingenvervoer voor deze leerlingen. Er zijn twee situaties waarin een hoogbegaafde leerling wel aanspraak kan maken op leerlingenvervoer. In beide gevallen moet eerst bepaald worden welke school voor de leerling de dichtstbijzijnde toegankelijke school is. Daarna wordt bepaald of er aanspraak is op een voorziening en zo ja welke.
Dichtstbijzijnde toegankelijke school
Welke school voor een hoogbegaafde leerling de dichtstbijzijnde toegankelijke school is, hangt af van de onderwijsbehoefte van de leerling en het onderwijsaanbod op de scholen in de omgeving.
Dit is een inhoudelijke vraag, waarbij ouders moeten onderbouwen dat door hen genoemde school de dichtstbijzijnde is die het aanbod heeft waar de leerling op is aangewezen. Dit houdt in:
- •
Dat de hoogbegaafdheid van de leerling op basis van onderzoek moet worden gestaafd;
- •
Daarnaast moet er een toelichting vanuit de dichtstbijzijnde school worden gegeven waarom er geen passend aanbod is voor de betreffende leerling;
- •
Dat uit de onderbouwing moet blijken dat alle dichterbij gelegen scholen dit aanbod niet hebben, tenzij het samenwerkingsverband een verklaring afgeeft dat de genoemde school de dichtstbijzijnde is die de betreffende leerling passend onderwijs kan geven;
- •
De hoogbegaafdheid van de leerling moet worden gestaafd. Indien het een keuze is van de ouders of verzorgers zelf en er een passend aanbod is op de dichtstbijzijnde toegankelijke school kan er geen aanspraak gedaan worden op leerlingenvervoer.
Beoordeling voorziening
Vervolgens komt de vraag aan de orde of er naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school aanspraak is op een voorziening. Dit is in beginsel niet anders dan bij andere leerlingen:
- •
Als de BO-school verder weg is dan 6 km is er aanspraak op bekostiging (6.5.1 lid 2);
- •
Als de leerling door een beperking niet zelfstandig naar de VO-school kan reizen (6.5.1 lid 1) is er aanspraak op bekostiging;
- •
In beide gevallen kan aangepast vervoer worden toegekend op grond van artikel 6.6.1 lid 2.
Artikel 10b. Taalonderwijs voor nieuwkomers
Zolang de leerling is aangewezen op taalonderwijs, is dit een criterium voor het bepalen van de dichtstbijzijnde toegankelijke school. De aanvraag wordt verder niet anders beoordeeld.
Artikel 10c. Combinatie vervoer naar school en naar jeugdhulp
Een voorziening voor leerlingenvervoer betreft uitsluitend het vervoer van woning naar school en terug (eventueel BSO in plaats van woning). De voorziening omvat niet:
- -
Vervoer van woning naar BSO en terug;
- -
Vervoer van en naar jeugdhulp
Als een leerling vervoer nodig heeft van de woning of de school naar jeugdhulp of andersom, kan hiervoor een melding worden gedaan op grond van de jeugdwet.
Hoofdstuk 6. Afstand en dichtstbijzijnde toegankelijke school
Artikel 11. Afstand berekenen
Om de afstand en reistijd tussen de woning en de school per auto of fiets te bepalen wordt de routeplanner van de ANWB gebruikt (www.anwb.nl). Om de reistijd tussen de woning en de school per openbaar vervoer te bepalen wordt de reisplanner van 9292 gebruikt (www.9292.nl). Bij de reistijd van een begeleider wordt 5 minuten per rit opgeteld voor de wachttijd bij de bushalte.
Artikel 11b. Dichtstbijzijnde toegankelijke school
-
1. Bij het bepalen van de dichtstbijzijnde toegankelijke school (dbts) dichtbij komen de volgende scholen in overweging:
- a.
Alleen scholen van de schoolsoort waarop de leerling is aangewezen komen in aanmerking. Binnen het voortgezet onderwijs worden Praktijkonderwijs (PrO), Vmbo, Havo en Vwo voor dit doel beschouwd als afzonderlijke schoolsoorten.
- b.
De school is voor de leerling fysiek toegankelijk en de school heeft een plaats voor de leerling, of kan deze plaats binnen afzienbare tijd vrijmaken.
- c.
Wanneer voor de leerling een toelaatbaarheidsverklaring (tlv) is afgegeven voor het SO, SBO, VSO of PrO, komen alleen scholen in aanmerking die passend onderwijs kunnen bieden zoals in de tlv omschreven.
- d.
Wanneer de leerling is toegelaten tot een school in cluster 1 of 2 van het SO of VSO, komen alleen scholen van dat cluster in aanmerking.
- e.
Wanneer de ouders aan het college genoegzaam aantonen dat de leerling een uitzonderlijke, specifieke en noodzakelijke behoefte heeft aan een onderwijsaanbod dat op dichterbij gelegen scholen niet geboden kan worden, is de dbts de dichtstbijzijnde school die dit aanbod biedt;
- a.
-
2. Van de scholen die voldoen aan de bovenstaande criteria wordt als de dbts de school die het dichtst bij is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.
-
3. Vervoer naar een andere school dan de dbts kan worden toegekend op basis van:
- a.
een verklaring van ouders dat zij op grond van hun levensbeschouwing kiezen voor het onderwijs van een bepaalde school. In dat geval is de richting van het onderwijs een aanvullend criterium voor het bepalen van de dbts.
- b.
lagere kosten voor de gemeente bij vervoer naar een andere school: wanneer het college dit voorstelt en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen;
- a.
Hoofdstuk 7. Soorten vervoer en vergoeding
Artikel 12. Vergoeding van de kosten voor openbaar vervoer
Wanneer er recht bestaat op een vergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer wordt allereerst bekeken of er begeleiding noodzakelijk is. Wanneer dit niet het geval is wordt uitgegaan van de kosten die de leerling maakt op de heen- en terugreis. Veerponten worden ook beschouwd als openbaar vervoer als het gaat om lopen of fietsen of reizen met openbaar vervoer.
Wanneer er begeleiding noodzakelijk is wordt uitgegaan van de kosten van de leerling (retour) en wordt voor de begeleider tweemaal retour gerekend. De begeleider brengt het kind ’s ochtends en gaat daarna weer naar huis. ’s Middags haalt de begeleider de leerling weer op. In totaal gaat het dan om driemaal retour.
Er wordt alleen een vergoeding voor begeleiding betaald wanneer er ook daadwerkelijk met begeleiding gereisd wordt in het openbaar vervoer. Dit dient men aan te tonen met een vervoersbewijs/uitdraai OV-chipkaart.
Wanneer er recht bestaat op een vergoeding op basis van openbaar vervoer en ouders kiezen er voor het kind zelf te brengen, dan bestaat er alleen voor het kind recht op een vergoeding en niet voor een begeleider.
Artikel 13. Ernstige benadeling
In artikel 6.6.1 lid 2 onder c staat dat aangepast vervoer nodig is in de volgende situatie: “Het kind heeft begeleiding nodig bij het reizen naar school, maar de ouders kunnen niet voorzien in deze begeleiding, of deze begeleiding heeft grote nadelen voor het gezin, en een andere oplossing is niet mogelijk.” Dit staat ook wel bekend als ‘ernstige benadeling.’ Het college past dit op de volgende wijze toe:
Begeleiding is primair een taak van de ouders/verzorgers. Als dat niet mogelijk is, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Als ouders/verzorgers er zelf niet in slagen de begeleiding te leveren, kunnen zij daarvoor bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of vrijwilligers inschakelen.
Ouders dienen aan te tonen dat zij er niet in zijn geslaagd om anderen in te schakelen.
In de volgende gevallen leidt begeleiding van de leerling tot een ernstige benadeling van het gezin:
- •
Chronische ziekte/handicap bij een of beide ouders aangetoond met een medische verklaring waardoor begeleiding van de leerling niet mogelijk is;
- •
Alleenstaande ouder met meerdere kinderen die nog niet zelfstandig naar school kunnen en begeleiding door anderen niet mogelijk is;
- •
Reistijd van begeleider van meer dan 3 uur per dag in het openbaar vervoer (ongeacht of ook daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van het OV om de leerling te begeleiden).
Er kunnen andere omstandigheden zijn die maken dat binnen een gezinssituatie dermate problemen ontstaan door het moeten brengen van een kind naar school, dat leerlingenvervoer een oplossing biedt.
De gezinssituatie moet hierbij altijd goed worden onderzocht.
Het hebben van betaalde werkzaamheden van één of beide ouders is in ieder geval geen reden om over te gaan tot toekenning van leerlingenvervoer.
Artikel 14. Vergoeding van de kosten voor openbaar vervoer
De aanvrager kan de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren, en aan de gemeente om een kilometervergoeding vragen op basis van de maximale onbelaste kilometervergoeding voor woon-werkverkeer van de Belastingdienst.
Woon-werkverkeer belastingdienst
Voor 2025 geldt op grond van deze regeling een bedrag van € 0,23 per kilometer. Het genoemde bedrag wordt uitgekeerd voor de kilometers die de ouder daadwerkelijk aflegt om zijn kind naar school te brengen en op te halen (tweemaal retour). Bijvoorbeeld als de afstand van de woning naar school 10 kilometer is, wordt 4 x 10 x € 0,23 vergoed. Dit geldt voor alle vormen van eigen vervoer: auto, fiets, elektrische fiets e.a. maar niet voor openbaar vervoer.
Het kan zijn dat de vergoeding voor eigen vervoer voor een bepaalde route die een veerpont voor auto’s omvat goedkoper is, ook als de kosten van de veerpont worden vergoed, dan eigen vervoer over een route zonder veerpont. In dat geval wordt de route met veerpont inclusief de kosten van de veerpont vergoed, ongeacht welke route de ouder feitelijk rijdt.
Het jaar heeft 200 schooldagen. De vergoeding voor eigen vervoer is nooit hoger dan de vergoeding voor openbaar vervoer (en/of de vergoeding voor openbaar met begeleiding.)
Artikel 15. Medisch advies
De gemeente heeft de mogelijkheid onafhankelijk medisch advies op te vragen onder andere bij de beoordeling of een leerling zelfstandig kan reizen of dat er sprake is van een structurele dan wel tijdelijk handicap. Bij een aanvraag voor individueel vervoer en voortgezet onderwijs kan onafhankelijk medisch advies worden opgevraagd door de gemeente. De kosten voor medisch advies zijn dan voor de gemeente.
Hoofdstuk 8. Financiële verplichtingen
Artikel 16. Drempelbedrag
In de verordening wordt aangegeven dat aan ouders een eigen bijdrage kan worden gevraagd als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan zes km bedraagt en het gezamenlijk inkomen hoger is dan € 26.100. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar, en afgerond op een veelvoud van € 450. Het college volgt hierbij het advies van de VNG.
Deze eigen bijdrage is het drempelbedrag. Bij de bepaling van het drempelbedrag wordt uitgegaan van de kosten van openbaar vervoer, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan.
Er wordt uitgegaan van de kilometerprijs zoals bepaald door de (streek)busvervoerder in de gemeente plus het geldende opstaptarief. Voor schooljaar 2024-2025 is het drempelbedrag € 583.
Artikel 17. Pleegouders en financiële verplichtingen
Volgens de VNG kunnen pleegouders als ‘ouders’ in de zin van de verordening worden aangemerkt. Aan pleegouders mogen dus eventuele financiële verplichtingen opgelegd worden zoals het drempelbedrag of een bedrag in het kader van financiële draagkracht. Voor pleegouders bestaat de mogelijkheid kinderbijslag te ontvangen, op voorwaarde dat aan de gestelde criteria door de SVB wordt voldaan.
Voogdijinstellingen worden ook als ‘ouder’ aangemerkt. Hen kan echter geen financiële verplichting opgelegd worden omdat zij geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting hebben. In tegenstelling tot wat de VNG voorschrijft wordt in de gemeente Altena aan pleegouders geen financiële verplichting opgelegd. Pleegouders krijgen een pleegvergoeding. Hiervan kunnen ze de basiskosten voor het pleegkind voldoen. De basisvergoeding is echter niet toereikend voor de kosten van leerlingenvervoer. Pleegouders kunnen kosten verhalen bij de onderhoudsplichtige ouders maar uit de praktijk blijkt dat deze ouders vaak een laag inkomen hebben.
Artikel 18. Uitbetaling vergoeding
Voor die ouders/verzorgers die een vergoeding op basis van openbaar vervoer of eigen vervoer krijgen geldt dat de vergoeding na overlegging van een rittendeclaratie of uitdraai van de OV-chipkaart wordt overgemaakt.
Hoofdstuk 9. Stage
Artikel 19. Onderdeel van onderwijs
Is de stage een onderdeel van het onderwijsprogramma (opgenomen in de schoolgids) en krijgt de leerling dagelijks leerlingenvervoer naar de school, dan bestaat in alle redelijkheid en billijkheid aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres.
Artikel 19a. Nabijheid
Het stageadres wordt voor de duur van de stage als school aangemerkt. Hier geldt echter ook het criterium van nabijheid: vervoer wordt bekostigd naar de dichtstbijzijnde toegankelijke stage. Stageplaatsen moeten zo veel mogelijk dicht bij het huis- of het schooladres liggen.
Als voor het stagebezoek aangepast vervoer wordt aangevraagd, gelden aanvullende eisen: de stagetijden moeten aansluiten op de reguliere schooltijden. Op die manier kan het stagevervoer worden gecombineerd met het reguliere schoolvervoeraangepast vervoer naar scholen; ook moet
- •
Het stageadres is gelegen binnen de gemeente Altena of de leerling kan met één van de bestaande routes aangepast vervoer naar en van het stageadres worden vervoerd;
- •
Stagevervoer wordt toegekend voor één adres voor de gehele stageperiode. Er kan geen sprake zijn van wisselende adressen.
Artikel 19b. Soorten stage
Voor het VSO geldt dat alleen stage vanuit het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs als stage gezien kan worden. Als uitzondering is ook voor de andere uitstroomprofielen aangepast vervoer mogelijk wanneer:
- 1.
de leerling ook voor het bezoeken van school recht heeft op aangepast vervoer;
- 2.
het vervoer inpasbaar is in het bestaande vervoer (tijden en locatie);
- 3.
er geen financiering mogelijk is van het vervoer vanuit voorliggende voorzieningen (zoals de Jeugdwet, Wlz en/of Wmo).
Artikel 19c. De aanvraag
In afwijking van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, kan een aanvraag voor stagevervoer bovendien door de school voor voortgezet speciaal onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs gedaan worden.
De gemeente kan het stagecontract opvragen als onderbouwing voor de aanvraag.
Hoofdstuk 10. Ontzegging
Artikel 20. Ontzegging van de toegang tot het leerlingenvervoer
Het college kan een leerling aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer is verstrekt, tijdelijk of voor de rest van het schooljaar de toegang tot dit vervoer ontzeggen indien bij herhaling is gebleken dat de leerling door agressief gedrag of anderszins de orde in de bus verstoort of de veiligheid van bus en inzittenden in gevaar brengt.
Hierbij worden de volgende stappen ondernomen:
- 1.
klachten worden in beginsel door de vervoerder opgelost;
- 2.
na de melding van een klacht door de vervoerder bij de gemeente Altena wordt een onderzoek gestart. In het kader van dat onderzoek spreekt de gemeente met vervoerder, chauffeur, ouders/verzorgers en/of school. Deze gesprekken zijn veelal telefonisch, maar kunnen indien nodig ook fysiek plaatsvinden. Indien na het onderzoek blijkt dat sprake is van verwijtbaar gedrag van de leerling volgt een eerste waarschuwingsbrief vanuit gemeente aan ouders/verzorgers. Waarschuwingen worden per email en per post verstuurd;
- 3.
bij een volgende klacht wordt stap 2 herhaald en volgt een tweede waarschuwingsbrief. Het college zorgt in deze fase voor een extra zitplaats in de taxi om begeleiding van de leerling door één van de ouders mogelijk te maken. Als er een begeleider meegaat, anders dan de ouder of verzorger en hier kosten aan zijn verbonden, zijn de kosten voor de ouder/verzorger;
- 4.
bij een volgende klacht kan een schorsing per direct volgen, voor een periode van één volle schoolweek. Er volgt een derde waarschuwingsbrief aan ouders/verzorgers;
- 5.
bij een volgende klacht volgt met een vierde brief totale uitsluiting van het vervoer tot het eind van het schooljaar met een minimum van drie maanden, exclusief vakanties
(schorsing aan het eind van het schooljaar kan dus doorlopen in het nieuwe schooljaar). Indien ouders na schorsing opnieuw gebruik willen maken van het leerlingenvervoer dan moet een nieuwe aanvraag worden ingediend.
Hoofdstuk 11. Andere passende voorziening
Artikel 21. Voorwaarden bij bekostiging van een vervoermiddel
- •
Bij het berekenen van de kosten van het vervoer waarop ouders anders aanspraak maken mag maximaal met een periode van drie jaar worden gerekend. Daarbij moet aannemelijk zijn dat gedurende deze periode daadwerkelijk aanspraak zou bestaan op een voorziening;
- •
De door de gemeente vergoede kosten bedragen nooit meer dan € 3.000 euro per leerling;
- •
De gemeente besteedt per schooljaar niet meer dan 30.000 euro aan vergoedingen onder deze regeling. *De gemeente kan ervoor kiezen om de voorziening niet te vergoeden maar te verstrekken.
- •
Bij inwoners met een inkomen boven het drempelbedrag wordt een eigen bijdrage toegepast conform artikel 6.6.2. De hoogte van het bedrag betreft de bijdrage voor één schooljaar en wordt ingehouden op de vergoeding.
Artikel 22. Eenmaligheid
De ouder maakt gedurende de looptijd van de beschikking voor de alternatieve voorziening geen aanspraak meer op een andere voorziening voor leerlingenvervoer voor de betreffende leerling;
Voor een leerling wordt een alternatieve voorziening in beginsel slechts eenmaal toegekend;
Als ouders voor een of meer leerlingen een alternatieve voorziening hebben ontvangen, wordt een alternatieve voorziening voor elke volgende leerling alleen toegekend als voor het college genoeglijk is aangetoond dat de reeds toegekende voorzieningen niet afdoende zijn;
Na toekenning hebben ouders voor de leerling drie jaar lang geen aanspraak meer op een andere voorziening;
Ouders die deze eerder bekostiging hebben ontvangen, krijgen geen eenmalige vergoeding voor e-bike voor een volgende leerling, tenzij ze kunnen aantonen dat zij de betreffende e-bike niet kunnen inzetten voor het vervoer van de volgende leerling;
Een uitzondering op eenmalige toekenning kan worden gemaakt als de situatie onverwacht zodanig gewijzigd is dat een andere vorm van vervoer noodzakelijk is geworden en een aanvraag hiervoor aan alle overige criteria voldoet en er in redelijkheid een verrekening plaatsvindt over de periode waarin de voorziening niet meer voor dit doel gebruikt zal worden;
In situaties die niet aan deze voorwaarden voldoen, kan eventueel een afwijkende afspraak overeengekomen worden, waarbij in principe geldt dat bij verkorting van de periode naar rato een lager toekenningsbedrag of een terugvordering van te veel ontvangen bedragen zal plaatsvinden.
Artikel 23. Spelregels specifiek voor de elektrische fiets
Wanneer de aanvraag voor een eenmalige voorziening betrekking heeft op een elektrische fiets, gelden de volgende voorwaarden in aanvulling op dan wel in afwijking van het bovenstaande:
De vergoeding bedraagt maximaal € 1.750 euro voor het schooljaar 2025-2026. Omdat de kosten van elektrische fietsen jaarlijks dalen wordt dit bedrag periodiek omlaag bijgesteld;
Ouders schaffen de elektrische fiets zelf aan. Zij worden eigenaar van de fiets en zijn daarmee verantwoordelijk en aansprakelijk voor de elektrische fiets. Dit omvat o.a. onderhoud, het tegen diefstal en beschadiging beschermen en verzekeren van fiets en accu en het mogelijk maken van opladen van de accu;
Ouders zijn verplicht een degelijke verzekering af te sluiten die de kosten van schade en diefstal dekt voor de fiets inclusief accu. De verzekeringspremie wordt voor de periode van aanspraak vooruit betaald door ouders;
De gemeente vergoedt niet de kosten van vervanging van accu’s, om welke reden dan ook.
Artikel 24. Spelregels overige alternatieve voorzieningen
Bij ‘overige alternatieve voorzieningen’ kan worden gedacht aan een bakfiets een elektrische bakfiets, een driewieler, een duofiets of een tandemfiets, maar ook aan een scootmobiel of elektrische rolstoel, wanneer deze niet worden vergoed vanuit de Wmo, Wlz of de Zvw.
De voorwaarden voor deze voorzieningen zijn in beginsel gelijk aan die voor de elektrische fiets, met uitzondering van de volgende zaken:
Het periodiek omlaag bijstellen van de vergoeding is in beginsel niet van toepassing op andere alternatieve voorzieningen, tenzij ook daarvoor aannemelijk is dat de kosten van het product jaarlijks dalen.
Spelregels die specifiek zijn voor het product waaruit de voorziening bestaat (zoals bij de elektrische fiets de voorwaarden rondom accu en verzekering) kunnen bij de beschikking op maat worden vastgesteld naar de aard van de alternatieve voorziening.
Artikel 25. Tabel kostennormen
In de tabel hieronder wordt in de rechterkolom aangegeven welke kosten de gemeente doorgaans maakt voor een bepaalde voorziening. Het gaat om een bedrag per leerling per jaar. Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met het aantal schooljaren dat de leerling (naar verwachting) recht zou hebben op deze voorziening. Dat levert de ‘verwachte driejaarskosten’ op.
De verwachte driejaarskosten worden gebruikt om te bepalen of een alternatieve voorziening zoals een elektrische fiets, in dezelfde periode, meer of minder kost dan het vervoer dat anders zou worden toegekend.
|
Vervoer |
Voorziening/normbedrag |
Bedrag per jaar Altena |
|
Openbaar vervoer |
Trein (evt. incl. bus) |
€ 1.300 |
|
Bus (incl. VEP) |
€ 1.000 |
|
|
Eigen vervoer |
Basis € 0,23 per kilometer |
Gebaseerd op de reisaftand |
|
Aangepast vervoer, gemiddeld |
Volledig (5 dagen) |
€ 6.166 |
|
Aangepast vervoer, ‘hoge kosten’ individueel of reistijd in voertuig rechtstreeks -> 60 min. |
Volledig (5 dagen) |
€ 7.250 |
De kosten zijn gebaseerd op tarieven van januari 2025
Hoofdstuk 12. Overige bepalingen
Artikel 26. Hardheidsclausule
De gemeente kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de Verordening. De gemeente past de zogenoemde hardheidsclausule toe. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid, van de WPO, artikel 4, tiende lid, van de WEC en artikel 4, zevende lid, van de WVO. Van een afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake zijn bij toekenning van bekostiging van openbaar vervoer voor een begeleider, toekenning van een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer, bekostiging van groepsvervoer dat is georganiseerd door de ouders, of toekenning van een vervoersvoorziening naar een verder weg gelegen school. De ouders dienen aan te tonen dat er sprake is van een bijzondere situatie.
Artikel 27. Intrekking
De beleidsregels leerlingenvervoer Altena 2022, vastgesteld op 21-12-2021, worden ingetrokken.
Artikel 28. Overgangsrecht
Aanvragen die vóór 1 januari 2026 zijn ingediend, worden afgehandeld volgens de Beleidsregels leerlingenvervoer Altena 2022. Aanvragen die op of na 1 januari 2026 worden ontvangen, vallen onder deze beleidsregels.
Artikel 29. Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Leerlingenvervoer Altena 2026.
Artikel 30. Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking op de dag na publicatie in het Digitale Gemeenteblad, doch niet eerder dan 1 januari 2026.
Ondertekening
Vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 16 december 2025.
de secretaris,
P.J.E Breukers
de burgemeester,
drs. E.B.A. Lichtenberg MCM
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl