Verordening van het algemeen bestuur van de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen houdende regels omtrent subsidie

Geldend van 26-02-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening van het algemeen bestuur van de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen houdende regels omtrent subsidie

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Dagelijks Bestuur: dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen;

  • b.

    Groene Metropool: gemeenschappelijke regeling Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen;

  • c.

    Social return: een aanpak om meer werkgelegenheid te creëren voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.

  • d.

    Diversiteit: de mate van variatie, m.b.t. culturele/etnische achtergrond, levensbeschouwing, sekse, leeftijd, genderidentiteit, seksuele geaardheid, beperking en/of chronische ziekte, in de groep mensen die deelneemt aan de activiteiten.

  • e.

    Inclusie: de mate waarin iedereen, ongeacht culturele/etnische achtergrond, levensbeschouwing, sekse, leeftijd, genderidentiteit, seksuele geaardheid, beperking en/of chronische ziekte, volwaardig, gelijkwaardig en zelfstandig mee kan doen aan activiteiten midden in de samenleving.

  • f.

    Wijksturing: de ambitie om vraaggericht te willen sturen vanuit de leefwereld van de inwoners, waardoor bewoners meer zeggenschap krijgen over hun directe leefomgeving.

  • g.

    Burgerparticipatie: activiteiten waarbij taken van de gemeente of maatschappelijke organisaties op initiatief van inwoners door inwoners zelf uitgevoerd worden.

  • h.

    Duurzaamheid: activiteiten op een manier organiseren zodat het milieu en de natuur zo min mogelijk belast worden en er CO2 reductie kan plaatsvinden.

  • i.

    Gezonde leefomgeving: de mate waarin de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden een gezonde leefstijl stimuleren en/of faciliteren.

  • j.

    Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid,107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld;

  • k.

    Subsidieregeling: nadere regeling;

  • l.

    Verdrag: Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.

  • m.

    de wet: de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2. Reikwijdte

Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van alle subsidies, zoals bedoeld in art. 4:23, eerste en derde lid, van de wet, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en voor zover er niet door het Dagelijks Bestuur van is afgeweken.

Artikel 3. Subsidieregelingen

Het Algemeen Bestuur kan conform art. 4:23, eerste lid, van de wet bij subsidieregeling vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.

Artikel 4. Bevoegd bestuursorgaan

Het Dagelijks Bestuur krijgt van het Algemeen Bestuur mandaat om over het al dan niet verlenen, vaststellen, wijzigen en intrekken van subsidies te besluiten.

Artikel 5. Europees steunkader

  • 1. Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het Algemeen Bestuur bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen.

  • 2. Bij subsidies waar een Europees steunkader op van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.

Artikel 6. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1. Het Algemeen Bestuur kan subsidieplafonds vaststellen bij vaststelling van subsidieregelingen

  • 2. Indien en voor zover het Algemeen Bestuur geen subsidieplafond heeft vastgesteld krijgt het Dagelijks Bestuur van het Algemeen Bestuur mandaat om subsidieplafonds vaststellen.

  • 3. Een subsidie of subsidieplafond ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend respectievelijk vastgesteld onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking respectievelijk het besluit waarbij het subsidieplafond wordt vastgesteld, wordt daarop gewezen.

Artikel 7. Aanvraag

  • 1. Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het Dagelijks Bestuur met gebruikmaking van een aanvraagformulier indien het Dagelijks Bestuur deze ter beschikking heeft gesteld.

  • 2. Bij de aanvraag legt de aanvrager de volgende gegevens over:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;

    • c.

      een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • d.

      als de aanvrager een onderneming is:

      • een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

      • een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening (de-minimisverklaring);

    • e.

      als het een subsidie betreft die per kalenderjaar aan een rechtspersoon wordt verstrekt, de stand van de reserves op het moment van de aanvraag;

  • 3. Het Dagelijks Bestuur kan een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, verzoeken om een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, een kopie van het laatste bankafschrift alsmede van het jaarverslag, de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar aan de aanvraag toe te voegen.

  • 4. Het Dagelijks Bestuur kan van de leden 1 en 2 afwijken.

Artikel 8. Aanvraagtermijn

  • 1. Een aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk 1 oktober voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Andere aanvragen om subsidie worden ingediend minimaal 13 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 3. Indien een aanvrager door bijzondere omstandigheden een aanvraag niet voor het verstrijken van de in de leden 1 en 2 genoemde aanvraagtermijnen kan indienen, kan de aanvrager om uitstel van indiening van de aanvraag verzoeken.

  • 4. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

Artikel 9. Beslistermijn

  • 1. Het Dagelijks Bestuur beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

  • 2. Het Dagelijks Bestuur beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, binnen 13 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.

  • 3. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

  • 4. Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

Artikel 10. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden

  • 1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb weigert het Dagelijks Bestuur de subsidie in ieder geval:

    • a.

      als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt.

    • b.

      als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

  • 2. Onverminderd het vorige lid kan het Dagelijks Bestuur de subsidie verder in ieder geval weigeren:

    • a.

      als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op een of meer aan de Groene Metropool deelnemende gemeenten of de ingezetenen of als ze onvoldoende hieraan ten goede komen;

    • b.

      als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

    • c.

      als niet is aangetoond dat de te subsidiëren activiteiten over voldoende kwaliteit beschikken;

    • d.

      als de aanvraag niet voldoet aan regels die bij wetten en regelgeving zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

    • e.

      als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;

    • f.

      als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;

    • g.

      in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen;

  • 3. Het Dagelijks Bestuur vordert een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger

  • 1. Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan of een bezoldiging, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel a., met een functionaris wordt overeengekomen, meldt de subsidieontvanger dat schriftelijk onverwijld aan het Dagelijks Bestuur.

  • 2. Een subsidieontvanger informeert het Dagelijks Bestuur onverwijld schriftelijk over onder meer:

    • a.

      beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • c.

      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zullen kunnen worden nagekomen;

    • d.

      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon.

Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

  • 1. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de wet worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

  • 2. Bij subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. In de toelichting bij de subsidieregeling wordt uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan.

  • 3. Aan een beschikking tot subsidieverlening kunnen verplichtingen worden verbonden met betrekking tot het beheer en gebruik van hetgeen met de subsidie tot stand is gebracht.

  • 4. Bij subsidies hoger dan € 50.000, verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar verlangd.

  • 5. Het Dagelijks Bestuur kan bepalen dat de subsidieontvanger toestemming behoeft voor het verrichten van de in artikel 4:71 eerste lid, van de wet genoemde handelingen.

  • 6. Het Dagelijks Bestuur kan bepalen dat de subsidieontvanger een egalisatiereserve vormt als bedoeld in artikel 4:72 van de wet.

  • 7. Het Dagelijks Bestuur kan bepalen dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het Dagelijks Bestuur een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voordoet. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.

  • 8. Het Dagelijks Bestuur kan de subsidieontvanger verplichtingen opleggen ter bevordering van:

    • a.

      Social return bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten;

    • b.

      Duurzaamheid bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten;

    • c.

      Inclusie bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten;

    • d.

      Diversiteit bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten;

    • e.

      De toegankelijkheid van gesubsidieerde activiteiten voor mensen met een beperking;

    • f.

      Wijkgericht werken en burgerparticipatie bij gesubsidieerde activiteiten;

    • g.

      Een gezonde leefomgeving bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten.

Artikel 13. Verantwoording

  • 1. Voor zover dit niet is bepaald bij subsidieregeling, wordt bij de verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.

  • 2. Indien een subsidieverstrekker aan de Groene Metropool eisen heeft gesteld aan de verantwoording van verleende subsidie aan de Groene Metropool die van invloed zijn op de eisen aan de verantwoording van de subsidieontvanger aan de Groene Metropool, worden deze eisen in de verleningsbeschikking vermeld. Hierbij kan worden afgeweken van de verantwoordingseisen zoals weergegeven in de artikelen 14 tot en met 16 uit deze regeling.

Artikel 14. Wijze van verstrekken subsidies tot en met € 10.000

  • 1. Subsidies tot en met € 10.000 kunnen door het Dagelijks Bestuur direct worden vastgesteld, tenzij de Groene Metropool de besteding van deze gelden moet verantwoorden naar derden toe.

  • 2. Bij de verlenings- en vaststellingsbeschikking kan de subsidieontvanger worden verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 3. Een voorschot wordt verstrekt ter hoogte van de verstrekte subsidie.

Artikel 15. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 10.000

  • 1. Bij subsidies van meer dan € 10.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in:

    • a.

      in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 1 april van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar;

    • b.

      in andere gevallen uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.

  • 2. De aanvraag bevat

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een financiële verantwoording met een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening).

  • 3. Bij subsidies van meer dan € 125.000 (of wanneer meerdere boekjaarsubsidies van de Groene Metropool aan één subsidieontvanger dit bedrag overstijgt) dient tevens een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant, te worden overgelegd.

  • 4. Het Dagelijks Bestuur kan andere termijnen vaststellen of andere gegevens verlangen.

Artikel 16. Subsidievaststelling subsidies meer dan € 10.000

  • 1. Het Dagelijks Bestuur stelt de subsidie vast binnen 13 weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij zij anders hebben bepaald.

  • 2. Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste 5 weken worden verdaagd.

  • 3. Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a of b, is ingediend, kan het Dagelijks Bestuur de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Wordt de aanvraag niet binnen deze termijn ingediend dan kan zij overgaan tot ambtshalve vaststelling.

Artikel 17 Voorschotten

  • 1. Het Dagelijks Bestuur kan voorschotten verlenen.

  • 2. De voorschotten bedragen in totaal ten hoogste 80% van de verleende subsidie.

  • 3. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan het Dagelijks Bestuur in afwijking van het tweede lid tot in totaal ten hoogste 95% van de verleende subsidie voorschotten verlenen.

Artikel 18. Hardheidsclausule

  • 1. Het Dagelijks Bestuur kan deze verordening, met uitzondering van de artikelen 2, 3 en 5, in individuele gevallen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover de toepassing van die bepalingen voor de subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen doelen.

  • 2. Toepassing van het vorige lid wordt gemotiveerd in het besluit.

  • 3. In een subsidieregeling kan worden bepaald dat door het Dagelijks Bestuur van de inhoud van die regeling kan worden afgeweken als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.

Artikel 19. Slotbepalingen

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen.

Ondertekening

Toelichting

Deze Algemene Subsidieverordening (ASV) geeft de algemene regels voor alle subsidieverstrekkingen door de GMR. De bevoegdheid tot het vaststellen van wettelijke voorschriften (subsidieregelingen) en het verstrekken van subsidies is bij gemeenschappelijke regeling gedelegeerd aan het Algemeen Bestuur van de GMR. Omdat het vaststellen van wettelijke voorschriften, zoals de ASV en subsidieregelingen, niet gemandateerd mag worden en de bevoegdheid om door te delegeren niet in de gemeenschappelijke regeling is opgenomen, stelt het Algemeen Bestuur deze wettelijke voorschriften vast.

De uitvoering van deze wettelijke voorschriften, de verlening van subsidies op grond van artikel 4:23 derde lid Awb en de vaststelling van subsidieplafonds, mogen wel worden gemandateerd. Dit is per mandaatbesluit geregeld.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Definities

Artikel 2. Reikwijdte

De ASV is op alle subsidies van toepassing, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is.

Artikel 3. Subsidieregelingen

Het Algemeen Bestuur heeft op grond van de gemeenschappelijke regeling Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen de bevoegdheid om in nadere regels, hier en verder subsidieregeling genoemd, de te subsidiëren activiteiten te bepalen. Voor zover het Algemeen Bestuur iets wenst te regelen met betrekking tot de doelgroepen die voor subsidie in aanmerking komen en de berekening van de subsidie, dient dit dan eveneens in de subsidieregeling te gebeuren.

Artikel 4. Bevoegd bestuursorgaan

Het Dagelijks Bestuur krijgt op grond van het mandaatbesluit van het Algemeen Bestuur de bevoegdheid toegewezen om te besluiten over al hetgeen volgt uit de Algemene wet bestuursrecht, de ASV of de subsidieregelingen.

Artikel 5. Europees steunkader

Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er afgeweken wordt van de ASV, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het Algemeen Bestuur daartoe bevoegd.

Artikel 6. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

Bij vaststelling van subsidieregelingen kan het Algemeen Bestuur subsidieplafonds vaststellen of bepalen dat het Dagelijks Bestuur dat doet. Bij mandaatbesluit is geregeld dat het Dagelijks Bestuur deze bevoegdheid mag uitoefenen namens het Algemeen Bestuur.

Het Algemeen Bestuur stelt uiteraard altijd de financiële kaders vast (in de begroting). Het is binnen die kaders dat het Dagelijks Bestuur vervolgens de subsidieplafonds kan vaststellen.

Het Dagelijks Bestuur, dat via artikel 4 en mandaatbesluit mandaat heeft gekregen om te besluiten over het verstrekken van subsidies, is verder verplicht – in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste lid, van de Awb – (in bepaalde gevallen) om bij het gebruik maken van deze overgedragen bevoegdheid een begrotingsvoorbehoud te maken (derde lid).

Artikel 7. Aanvraag

In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan en dat als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld, de aanvraag dan met gebruikmaking van dat formulier moet worden gedaan.. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits de digitale weg open is gesteld. In het tweede en derde lid is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag in elk geval overgelegd dienen te worden.

Bij een subsidie aan een onderneming moet voorkomen worden dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna VWEU). Daarom zijn een tweetal aanvraagvereisten opgenomen die specifiek voor ondernemingen gelden. Ten eerste, om ontoelaatbare cumulatie te voorkomen wordt een overzicht gevraagd van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd (tweede lid, onderdeel d, onder 1). Het gaat naast subsidie bijvoorbeeld om garanties, leningen, korting op de grondprijs, etc. Ten tweede, om subsidie onder de de-minimisverordening te kunnen verlenen moet de onderneming een de-minimisverordening gevraagd worden (tweede lid, onderdeel d, onder 2). Op basis van een ingeleverde de-minimisverklaring kan het Dagelijks Bestuur controleren of verlenen van de subsidie in overeenstemming is met de de-minimisverordening.

Bij subsidieregeling of subsidiebeschikking kan het Dagelijks Bestuur besluiten hiervan af te wijken (vierde lid).

Artikel 8. Aanvraagtermijn

De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar worden verstrekt en andersoortige subsidies. Bij subsidieregeling kan het Dagelijks Bestuur besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in het eerste tot en met derde lid (vijfde lid).

Artikel 9. Beslistermijn

Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het Dagelijks Bestuur gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies per kalenderjaar en andere. Bij subsidieregeling kan het Dagelijks Bestuur besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid (derde lid).

De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een eindebeslissing heeft genomen (vierde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en vervolgens teruggevorderd dient te worden.

Artikel 10. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden

In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld.

Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het Dagelijks Bestuur kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het Dagelijks Bestuur overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond onder a). In aanvulling daarop wordt met onderdeel b bepaald dat ondernemingen waartegen een terugvorderingsactie loopt niet in aanmerking komen voor subsidie.

In het tweede lid zijn nog enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het Dagelijks Bestuur kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht.

Onderdelen a, d en e spreken voor zichzelf. Onderdeel b geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt.

Onder f is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het Dagelijks Bestuur een aanvraag kan weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan dan nadat deze overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VWEU (de meldingsprocedure) is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking die in beginsel niet ongeoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan de-minimissteun. In deze gevallen kan het Dagelijks Bestuur óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te verkrijgen. Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een andere grond worden geweigerd.

Onderdeel g ten slotte geeft het Dagelijks Bestuur de bevoegdheid in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.

Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Het derde lid geeft het Dagelijks Bestuur de bevoegdheid om hier uitvoering aan te geven.

Artikel 12. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger

Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en informatieplicht (tweede lid) die voor alle subsidieontvangers geldt. Met 'schriftelijk' in het eerste lid wordt meer bedoeld dan 'op papier geschreven'. De melding kan ook digitaal worden gedaan als het Dagelijks Bestuur de digitale weg heeft opengesteld.

Artikel 13. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het Dagelijks Bestuur om aan de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb).

De artikelen 4:38 en 4:39 van de Awb maken het verder mogelijk om nog andere verplichtingen aan een subsidie te verbinden, als de verordening daarvoor een grondslag biedt. Die grondslag wordt hier gegeven.

De figuur van de egalisatiereserve is gebaseerd op artikel 4:72 van de Awb. Een egalisatiereserve is een reserve van de subsidieontvanger waaraan als bestemming het dekken van exploitatierisico’s is verbonden. De reserve wordt gevormd om tot een gelijkmatige verdeling van lasten te komen. Op grond van artikel 4:58 van de Awb is artikel 4:72 alleen van toepassing op per kalender- of boekjaar verstrekte subsidie aan een rechtspersoon en bovendien enkel als dat in de ASV, een subsidieregeling of bij de subsidieverlening is bepaald. De verplichting een egalisatiereserve te vormen als bedoeld in het eerste lid kan dus enkel aan rechtspersonen worden opgelegd, voor per kalender- of boekjaar verstrekte subsidies.

Het Dagelijks Bestuur kan bij een verleningsbeschikking voor een subsidie die per kalender- of boekjaar wordt verstrekt en die meer dan bijvoorbeeld € 50.000 bedraagt bepalen dat de subsidieontvanger een egalisatiereserve dient te vormen (eerste lid). In dat geval komt het verschil tussen het vastgestelde subsidiebedrag en de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve. De reserve wordt dus gevormd uit exploitatieoverschotten om eventuele toekomstige tekorten op te vangen.

In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan het bestuursorgaan. Het gaat daarbij om de volgende gevallen:

  • -

    als de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt;

  • -

    als de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;

  • -

    als de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd;

  • -

    als de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of

  • -

    de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.

Deze vergoedingsplicht echter geldt alleen als hierin is voorzien in de verordening of subsidieregeling, of – als deze ontbreken – in de subsidiebeschikking. Daarbij moet zijn bepaald hoe de hoogte van de vergoeding wordt berekend (dit hoeft geen volledige compensatie te betreffen). Met het vierde lid krijgt het Dagelijks Bestuur de bevoegdheid om hier uitvoering en invulling aan te geven. In de praktijk zal dit alleen aan de orde zijn bij rechtspersonen die jaarlijks subsidie ontvangen, maar het is ook mogelijk in andere gevallen.

Het achtste lid geeft de wettelijke grondslag voor verplichtingen die zien op social return, wijkgericht werken, burgerparticipatie, duurzaamheid, inclusie, diversiteit, toegankelijkheid van gesubsidieerde activiteiten voor mensen met een beperking.

Artikel 14. Wijze van vertrekken en eindverantwoording subsidies tot en met € 10.000

Kenmerkend voor subsidies tot en met € 10.000 is dat deze op basis van vertrouwen worden verleend; er wordt niet meer standaard om verantwoording gevraagd. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij niet nakoming van de voorwaarden (zie artikel 12). Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de subsidieontvanger.

Het tweede lid maakt mogelijk dat speciale rapportageverplichtingen worden opgelegd.

Verder wordt het voorschot in één termijn (lump sum) verstrekt en hoeft de subsidieontvanger geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard.

Artikel 15. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 10.000

In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie tussen € 10.000 en € 125.000 aan het Dagelijks Bestuur dienen te verantwoorden; er dient een aanvraag tot vaststelling ingediend te worden (eerste lid), deze bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht (tweede lid). Ingevolge artikel 11 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt.

Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enz. Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt.

Bij subsidies vanaf € 100.000 wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van subsidies; op basis van gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Dit wordt weergegeven in het derde lid.

Voorts kan het Dagelijks Bestuur, overeenkomstig het vierde lid, in een subsidiebeschikking of subsidieregeling aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen.

Artikel 16. Subsidievaststelling subsidies van meer dan € 10.000

Het eerste lid bevat – overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb – de termijn waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn – voor de duur van ten hoogste de in het tweede lid nader bepaalde termijn – biedt dan uitkomst. Een besluit tot verdaging is appellabel.

Artikel 18. Hardheidsclausule

In de hardheidsclausule is aangegeven op welke onderdelen van de regeling deze clausule van toepassing is.

Op grond van het derde lid kan het Dagelijks Bestuur bovendien in een subsidieregeling een hardheidsclausule opnemen.

Een te treffen voorziening, die niet in de verordening of subsidieregeling is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie te passen.