Reglement organisatie Raadsdomein gemeente Kampen 2026

Geldend van 25-02-2026 t/m heden

Intitulé

Reglement organisatie Raadsdomein gemeente Kampen 2026

De raad van de gemeente Kampen;

gelezen het voorstel van het presidium van 2 februari 2026, kenmerk 7542-2026;

gelet op de artikelen 16, 82, 83, 84, 107 tot en met 107e en 156 van de Gemeentewet en afdeling 10.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit vast te stellen het volgende reglement:

Reglement organisatie Raadsdomein gemeente Kampen 2026

Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • -

    amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen;

  • -

    commissiegriffier: secretaris van een raadscommissie of diens vervanger;

  • -

    griffier: griffier van de raad of diens vervanger;

  • -

    initiatiefvoorstel: een voorstel voor een verordening of een ander voorstel;

  • -

    inwoner: ingezetene van de gemeente Kampen;

  • -

    motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken, of waar mee de raad wordt voorgesteld een besluit te nemen waarvoor een initiatiefvoorstel niet passend is;

  • -

    subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement, waarop het betrekking heeft;

  • -

    voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de vergadering;

  • -

    voorzitter: de voorzitter van de raad, raadscommissie of diens vervanger.

Hoofdstuk 2 Commissies voor de interne organisatie

Artikel 2 Het presidium

  • 1.

    Er is een commissie van advies aan de raad zoals bedoeld in artikel 84 van de Gemeentewet, genaamd het Presidium.

  • 2.

    Het presidium bestaat uit de plaatsvervangend raadsvoorzitter en de vaste commissievoorzitters. Het presidium wordt ondersteund door de griffier en een plaatsvervanger (secretariaat). De raadsvoorzitter heeft als adviseur van het presidium toegang tot alle vergaderingen.

  • 3.

    De plaatsvervangend voorzitter van de raad is de voorzitter van het presidium.

  • 4.

    De voorzitter van het presidium nodigt de gemeentesecretaris uit voor het presidium om indien nodig inbreng te leveren vanuit de ambtelijke organisatie en de directie.

  • 5.

    Een commissievoorzitter wordt bij zijn afwezigheid in het presidium vervangen door de plaatsvervangend commissievoorzitter.

  • 6.

    De voorzitter van het presidium en de commissievoorzitters hebben ieder één stem in het presidium.

  • 7.

    De vergaderingen van het presidium vinden achter gesloten deuren plaats en zijn niet openbaar.

Artikel 3 Taken en werkzaamheden presidium

Het presidium is belast met de volgende taken:

  • a.

    het voorbereiden van de raads- en commissieagenda’s, waaronder begrepen het voorlopig vaststellen van de agenda’s voor de raadsvergadering, de commissievergaderingen en beeldvormende commissiebijeenkomsten;

  • b.

    het voorbereiden van een jaaragenda van de raad;

  • c.

    het voorbereiden van voorstellen aan de raad over de werkwijzen van de raad en raadscommissies;

  • d.

    het opstellen van een vergaderrooster voor de raad, de raadscommissies en de beeldvormende bijeenkomsten voor de raadscommissies;

  • e.

    het voorbereiden van voorstellen aan de raad voor de begroting van de raad en de griffie;

  • f.

    het voorbereiden van de periodieke evaluatie van het samenwerkingsdualisme.

Artikel 4 Fractievoorzittersoverleg

  • 1.

    Er is een commissie van advies aan de raad zoals bedoeld in artikel 84 van de Gemeentewet, genaamd het Fractievoorzittersoverleg.

  • 2.

    Het fractievoorzittersoverleg bestaat uit de fractievoorzitters – of hun plaatsvervangers –, de plaatsvervangend raadsvoorzitter en wordt ondersteund door de griffier. De raadsvoorzitter is voorzitter van het fractievoorzittersoverleg.

  • 3.

    Op verzoek van de voorzitter of tenminste drie fractievoorzitters komt het fractievoorzittersoverleg bijeen.

  • 4.

    De vergaderingen van het fractievoorzittersoverleg vinden achter gesloten deuren plaats en zijn niet openbaar.

Artikel 4a Taken en werkzaamheden fractievoorzittersoverleg

Het fractievoorzittersoverleg heeft de volgende taken:

  • a.

    overleg over bijzondere aangelegenheden;

  • b.

    met het presidium regelmatig evalueren van de samenwerking tussen raad en college;

  • c.

    het stimuleren van een transparante bestuurscultuur in overeenstemming met gedragscodes;

  • d.

    het houden van klankbordgesprekken met de burgemeester.

Hoofdstuk 3 Commissie voor het werkgeverschap griffie(r)

Artikel 5 Instelling, taken en bevoegdheden werkgeverscommissie

  • 1.

    Er is een bestuurscommissie zoals bedoeld in artikel 83 van de Gemeentewet, genaamd de Werkgeverscommissie.

  • 2.

    Aan de in het eerste lid genoemde commissie worden de bevoegdheden gedelegeerd die rechtstreeks voortvloeien uit de Ambtenarenwet, de op deze wet gebaseerde en door de raad vastgestelde rechtspositionele voorschriften en de artikelen 107 tot en met 107e Gemeentewet.

  • 3.

    Uitzondering hierop is dat de bevoegdheden als bedoeld in artikel 107, 107a, tweede lid, 107d, eerste lid en 107 e, eerste lid van de Gemeentewet met betrekking tot aanwijzing, schorsing en ontslag griffier, de vaststelling van de instructie griffier, de vervanging van de griffier en de vaststelling van de organisatieverordening niet worden gedelegeerd.

  • 4.

    De werkgeverscommissie oefent het werkgeverschap uit ten aanzien van de griffier en de overige op de griffie werkzame ambtenaren, zoals die door de raad aan haar zijn gedelegeerd.

  • 5.

    Tot de bevoegdheid van de werkgeverscommissie behoren ook de voorbereiding en uitvoering van de overige tot het werkgeverschap van de raad behorende besluiten en regelingen.

  • 6.

    De werkgeverscommissie kan de aan haar overgedragen bevoegdheden ten aanzien van het griffiepersoneel mandateren aan de griffier.

Artikel 6 Samenstelling werkgeverscommissie

  • 1.

    De werkgeverscommissie bestaat uit een voorzitter, zijnde de plaatsvervangend voorzitter van de raad, en twee andere leden uit de raad, bij voorkeur afkomstig uit de coalitie en de oppositie.

  • 2.

    De plaatsvervangend voorzitter is vanuit zijn functie lid van de werkgeverscommissie.

  • 3.

    De twee andere leden van de werkgeverscommissie worden door de raad uit zijn midden benoemd voor de duur van de zittingsperiode van de raad.

  • 4.

    Het lidmaatschap van de werkgeverscommissie eindigt:

    • a.

      op eigen verzoek. Het lid doet daarvan schriftelijk mededeling aan de raad. Het ontslag gaat in als de opvolger door de raad is benoemd;

    • b.

      indien het lid aftreedt als lid van de raad;

    • c.

      indien de raad van oordeel is dat het lid niet langer geschikt is de functie van lid van de werkgeverscommissie te vervullen.

  • 5.

    De voorzitter van de raad kan worden uitgenodigd om in de vergadering van de werkgeverscommissie aanwezig te zijn en optreden als informant en/of adviseur.

Artikel 7 Taken voorzitter werkgeverscommissie

De voorzitter draagt in ieder geval zorg voor:

  • a.

    het tijdig en periodiek bijeenroepen van de werkgeverscommissie;

  • b.

    het leiden van de vergaderingen;

  • c.

    het doen naleven van dit Reglement;

  • d.

    het ondertekenen van de stukken en de besluiten die van deze commissie uitgaan, alsmede het zorg dragen voor de uitvoering van de besluiten van de werkgeverscommissie;

  • e.

    het fungeren als schakel tussen de werkgeverscommissie en de griffier als eerstverantwoordelijke voor de personele en organisatorische zaken van de griffie.

Artikel 8 Ondersteuning van de commissie

De griffier of een door deze aan te wijzen functionaris staat de werkgeverscommissie terzijde, draagt zorg voor het secretariaat en maakt met het college of de secretaris afspraken over ondersteuning.

Artikel 9 Besluitvorming

  • 1.

    Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen, uitgebracht door de leden zoals bedoeld in artikel 6.

  • 2.

    Besluiten worden alleen genomen indien in de vergadering meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is.

Artikel 10 Openbaarheid en verslaglegging

  • 1.

    De vergaderingen van de commissie vinden plaats achter gesloten deuren en zijn niet openbaar.

  • 2.

    De griffier draagt zorg voor het opstellen van een besluitenlijst van elke vergadering. De besluitenlijst wordt in de eerstvolgende vergadering van de werkgeverscommissie definitief vastgesteld.

Artikel 11 Vergaderfrequentie

  • 1.

    De werkgeverscommissie vergadert tenminste driemaal per jaar en voorts zo vaak als door de voorzitter of één van de leden nodig wordt geacht.

Artikel 12 Verantwoording

De werkgeverscommissie brengt jaarlijks verslag uit aan de raad van haar werkzaamheden en bevindingen.

Hoofdstuk 4 Auditcommissie

Artikel 13 De commissie en begripsbepalingen

  • 1.

    Er is een commissie van advies aan de raad zoals bedoeld in artikel 84 van de Gemeentewet, genaamd de Auditcommissie.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1, wordt in dit hoofdstuk verstaan:

    • a.

      accountant: de in de Controleverordening gemeente Kampen bedoelde accountant die belast is met de controle op de in artikel 197 van de Gemeentewet bedoelde jaarrekening;

    • b.

      college: het college van burgemeester en wethouders;

    • c.

      commissie: de auditcommissie;

    • d.

      controleprotocol: het controleprotocol voor de accountantscontrole op de jaarrekening;

    • e.

      controleverordening: controleverordening van de gemeente Kampen op grond van artikel 213 van de Gemeentewet;

    • f.

      onderzoeken van het college: de onderzoeken van het college op grond van artikel 213a van de Gemeentewet;

    • g.

      raadscommissie: de commissie Raadsbrede vraagstukken & Bestuur;

    • h.

      Rekenkamer: de Rekenkamer van de gemeente Kampen als bedoeld in artikel 81a van de Gemeentewet;

    • i.

      voorzitter: de voorzitter van de auditcommissie.

Artikel 14 Doel auditcommissie

De commissie is belast met advisering aan en overleg voeren namens de raad over alle activiteiten die van belang zijn voor een goede beheersing op het gebied van rechtmatigheid en doelmatigheid, alsmede het kunnen vervullen van diens toezichthoudende en controlerende bevoegdheid.

Artikel 15 Taken en bevoegdheden auditcommissie

Om het in artikel 14 geformuleerde doel te realiseren heeft de commissie in ieder geval de navolgende taken en bevoegdheden:

  • a.

    de commissie adviseert over het Programma van Eisen voor de aanbesteding van de accountantscontrole en bereidt het aanbestedingstraject voor van het contract met de accountant;

  • b.

    de commissie doet een voordracht aan de raad voor een aan te wijzen accountant;

  • c.

    voorafgaand aan de accountantscontrole vindt afstemmingsoverleg plaats tussen de commissie en de accountant met de mogelijkheid om specifieke aandacht te besteden aan bepaalde posten of organisatieonderdelen;

  • d.

    de commissie adviseert over het vast te stellen controleprotocol;

  • e.

    de commissie bespreekt met de accountant zijn rapport van bevindingen over de interim-controle en de controle van de jaarrekening en brengt hierover advies uit aan de raad;

  • f.

    de commissie evalueert de werkzaamheden van en met de accountant en adviseert hierover indien nodig de raad;

  • g.

    de commissie adviseert over de overige door de accountant ten behoeve van de raad uitgebrachte adviezen;

  • h.

    de commissie bevordert dat de raad inzicht krijgt in de wijze waarop door het college de aanbevelingen van de accountant voortvloeiend uit de jaarrekening- en de interim-controle worden uitgevoerd;

  • i.

    de commissie fungeert als klankbordgroep voor de Rekenkamer over de planning en uitvoering van haar werkzaamheden;

  • j.

    de commissie treft de voorbereidingen voor het doen van een voordracht aan de raad bij de vervulling van een vacature in de Rekenkamer. Haar werkzaamheden daartoe stemt zij af met de Rekenkamer;

  • k.

    de commissie bevordert dat de raad inzicht krijgt in de wijze waarop door het college de door de raad vastgestelde aanbevelingen van de Rekenkamer worden uitgevoerd;

  • l.

    de commissie voert overleg over de afstemming van de onderzoeken door de accountant, de Rekenkamer en het college;

  • m.

    de commissie adviseert de raad over de mogelijke verbetering van de planning- en control-instrumenten;

  • n.

    de commissie adviseert de raad over de verordeningen op grond van artikel 212, 213, 213a van de Gemeentewet, alsmede de daarin opgenomen periodieke beleidsproducten;

  • o.

    de commissie adviseert de raad over de verordening betreffende de Rekenkamer;

  • p.

    de commissie adviseert de raad over de teksten in dit reglement betreffende de Auditcommissie.

Artikel 16 Samenstelling auditcommissie

  • 1.

    De commissie wordt als volgt samengesteld:

    • a.

      de commissie bestaat uit tenminste vijf leden;

    • b.

      de (plaatsvervangende) leden zijn lid van de gemeenteraad of lid van de raadscommissie;

    • c.

      de fracties in de gemeenteraad kunnen elk één lid en één plaatsvervangend lid voordragen.

  • 2.

    De raad benoemt de leden en de plaatsvervangende leden van de commissie.

  • 3.

    De commissie benoemt uit haar midden een voorzitter.

  • 4.

    De griffier of een door de griffier aan te wijzen raadsadviseur is adviseur van de commissie en coördineert haar ondersteuning.

  • 5.

    De commissie kan interne en externe adviseurs verzoeken de vergadering bij te wonen en advies uit te brengen aan de commissie.

  • 6.

    De commissie kan andere raadsleden of leden van een raadscommissie uitnodigen de vergadering bij te wonen voor advies aan de commissie.

Artikel 17 Zittingsduur

  • 1.

    De benoeming geschiedt voor de zittingsperiode gelijk aan die van de leden van de raad. Dit geldt eveneens voor tussentijdse benoemingen.

  • 2.

    Het lidmaatschap van de commissie vervalt door het niet meer voldoen aan het vereiste in artikel 16 lid 1 sub b, door ontslagname of door een met redenen omkleed besluit van de raad.

Artikel 18 Taken van de voorzitter auditcommissie

De voorzitter draagt zorg voor het tijdig en periodiek bijeenroepen van de commissie, het leiden van de vergaderingen, het bewaken van de taken en bevoegdheden en het bevorderen van zorgvuldige advisering over commissieaangelegenheden. De voorzitter wordt daarbij ondersteund door de griffier of één van zijn plaatsvervangers.

Artikel 19 Vergaderingen, quorum, besluitvorming en verslaglegging

  • 1.

    De commissie vergadert minimaal vier maal per jaar of zo vaak als zij nodig acht, ter bespreking van de in artikel 15 genoemde taken.

  • 2.

    De vergadering van de commissie gaat door als bij aanvang tenminste de helft van de leden aanwezig is.

  • 3.

    De vergaderingen van de commissie vinden plaats achter gesloten deuren en zijn niet openbaar, tenzij de commissie anders bepaalt.

  • 4.

    In haar adviezen en voorstellen aan de raad streeft de commissie naar consensus. Indien er een minderheidsstandpunt is wordt daarvan (met redenen omkleed) melding gemaakt.

  • 5.

    Van iedere vergadering wordt een besluitenlijst gemaakt onder verantwoordelijkheid van de griffier. De besluitenlijst wordt vastgesteld door de commissie.

Artikel 20 Informatie en adviezen raad

De commissie informeert de raad periodiek via de raadscommissie over haar werkzaamheden. De adviezen van de commissie zijn gericht aan de raad en worden aangeboden aan de raadscommissie.

Hoofdstuk 5 Raadslid, wethouder en fractie

Artikel 21 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging

  • 1.

    Bij elke toelating tot de raad van een of meer nieuwe leden stelt de raad een commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken van nieuw benoemde leden en het proces-verbaal van het (centraal)stembureau.

  • 2.

    De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een minderheidsstandpunt.

  • 3.

    Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

  • 4.

    In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

Artikel 21a Benoeming wethouders

  • 1.

    Een kandidaat wethouder kan worden voorgedragen nadat zijn geloofsbrieven zijn onderzocht en de kandidaat in een besloten kennismaking door de raad is gehoord.

  • 2.

    Voor het geloofsbrievenonderzoek stelt de raad een commissie ‘Geloofsbrieven wethouders’ in, bestaande uit drie raadsleden.

  • 3.

    De commissie onderzoekt of de benoeming van de kandidaat-wethouder voldoet aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de wet.

  • 4.

    De commissie brengt advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. Indien de commissie niet unaniem is in zijn oordeel, wordt hiervan melding gemaakt in het advies.

  • 5.

    Voorafgaand aan de benoeming van een kandidaat-wethouder wordt een risicoanalyse integriteit uitgevoerd door een extern bureau.

  • 6.

    Het doel van de risicoanalyse integriteit is het inventariseren van de risico’s die de kandidaat-wethouder loopt op relationeel, financieel en functioneel gebied, zodat beheersmaatregelen getroffen kunnen worden.

  • 7.

    De gemeenteraad wijst de burgemeester aan als gedelegeerd opdrachtgever voor de risicoanalyse.

  • 8.

    De fractievoorzitters van de fracties die een kandidaat-wethouder voor benoeming willen voordragen, informeren de burgemeester hierover vertrouwelijk in een zo vroeg mogelijk stadium.

  • 9.

    De kandidaten ontvangen van het bureau informatie over de te doorlopen procedure en de wijze waarop het bureau met de gegevens van de kandidaat omgaat.

  • 10.

    De kandidaat wordt in de gelegenheid gesteld om te reageren op de concept-rapportage.

  • 11.

    Het bureau benoemt in de rapportage beheersmaatregelen, aandachtspunten en eventuele aanbevelingen.

  • 12.

    Het bureau deelt de definitieve rapportage met de kandidaat en met de burgemeester. Deze volledige rapportage wordt niet verder gedeeld.

  • 13.

    De burgemeester deelt de conclusies, beheersmaatregelen en aandachtspunten ten aanzien van de kandidaat-wethouders die voor benoeming worden voorgedragen onder geheimhouding met de gemeenteraad.

  • 14.

    Indien de kandidaat op basis van de risicoanalyse integriteit besluit zich terug te trekken, wordt er door de burgemeester, griffier en het bureau geen enkele informatie over de kandidaat gedeeld met de gemeenteraad.

  • 15.

    De rapportage van de risicoanalyse integriteit wordt gedurende de hele bestuursperiode bewaard door zowel bureau als burgemeester. Indien er sprake is van een (al dan niet tijdelijke) burgemeesterswissel, wordt de rapportage van de kandidaat gedeeld met de nieuwe burgemeester.

Artikel 22 Fractie

  • 1.

    De leden van de raad, die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zitting als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd.

  • 2.

    Wanneer boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Indien geen aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de fractie in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad wil voeren.

  • 3.

    Een naam van een fractie voldoet aan de eisen uit artikel G3 van de Kieswet.

  • 4.

    De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als diens plaatsvervanger optreden worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.

  • 5.

    Er wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter indien:

  • a.

    twee of meer fracties als één fractie gaan optreden;

  • b.

    één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie.

  • 6.

    Als dit leidt tot een naamswijziging van een fractie wordt de nieuwe naam schriftelijk aan de voorzitter meegedeeld. Het derde lid is daarbij van toepassing.

  • 7.

    Met de onder het vijfde en zesde lid beschreven veranderde situatie wordt rekening gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad na ontvangst van de mededeling daarvan.

Artikel 22a Zelfstandig lid of zelfstandige groep

  • 1.

    Er wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter indien:

    • a.

      één of meer leden van een fractie respectievelijk als zelfstandig lid of zelfstandige groep gaan optreden;

    • b.

      twee of meer zelfstandige leden als één zelfstandige groep gaan optreden;

    • c.

      één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een zelfstandig lid of zelfstandige groep.

  • 2.

    Een zelfstandig lid of zelfstandige groep bedoeld in het eerste lid, wordt aangeduid als:

    • a.

      lid, gevolgd door van de achternaam van het betreffende lid, indien het één lid van de raad betreft;

    • b.

      groep, gevolgd door achternamen van de betreffende leden van de raad, indien het meerdere leden betreft.

  • 3.

    Indien voor aanvang van de eerste zitting van de raad, als bedoeld in artikel 18 Gemeentewet, een schriftelijke mededeling wordt gedaan aan de voorzitter, als bedoeld in lid 1, wordt dit zelfstandig lid of deze zelfstandige groep beschouwd als een fractie als bedoeld in artikel 22 van dit reglement.

  • 4.

    Met de onder lid 1 beschreven veranderde situatie wordt rekening gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad na de mededeling daarvan.

Hoofdstuk 6 De raadscommissies

Artikel 23 Instelling raadscommissies

  • 1.

    De raad stelt de volgende raadscommissies, zoals bedoeld in artikel 82 van de Gemeentewet, in:

    • a.

      Samenleven;

    • b.

      Ruimte;

    • c.

      Raadsbrede vraagstukken en Bestuur.

  • 2.

    De sectorale raadscommissie Samenleven adviseert en overlegt over de volgende onderwerpen:

    • a.

      Sociaal domein;

    • b.

      Welzijnszaken;

    • c.

      Onderwijszaken;

    • d.

      Volksgezondheid;

    • e.

      Bewegen en sport;

    • f.

      Kunst en cultuur.

    • g.

      Openbare orde en veiligheid

  • 3.

    De sectorale raadscommissie Ruimte adviseert en overlegt over de volgende onderwerpen:

    • a.

      Ruimtelijke ordening, volkshuisvesting en milieu;

    • b.

      Duurzaamheidsopgave/energietransitie;

    • c.

      Economische zaken (incl. recreatie en toerisme);

    • d.

      Verkeer, water en wegen;

    • e.

      Grondzaken;

    • f.

      Groen en gebouwen;

    • g.

      Beheer en openbare ruimte.

  • 4.

    De raadscommissie Raadsbrede vraagstukken en Bestuur adviseert en overlegt over de volgende onderwerpen:

    • a.

      Planning & Control;

    • b.

      Regionale/lokale ontwikkeling:

      • -

        Strategische koersbepaling of herijking daarvan;

      • -

        Strategisch beleid met invloed op meerdere beleidsterreinen (bijv. woonopgave);

      • -

        Omgevingsvisie;

      • -

        Grote gebiedsvisies;

    • c.

      Doorontwikkeling bestuurlijke processen;

    • d.

      Participatie/inwonerbetrokkenheid;

    • e.

      Publiekszaken;

    • f.

      Bestuurlijke en juridische zaken;

    • g.

      Financieel technische zaken;

    • h.

      Personeel en organisatie.

  • 5.

    Indien onduidelijk is in welke commissie een onderwerp hoort of indien de vergaderplanning hierom vraagt, bepaalt het presidium welke raadscommissie het onderwerp behandelt.

Artikel 24 Taken

  • 1.

    Een raadscommissie heeft de volgende taken:

    • a.

      het uitbrengen van advies aan de raad over een voorstel ter voorbereiding van besluitvorming;

    • b.

      het uitbrengen van advies aan de raad uit eigener beweging;

    • c.

      het voeren van overleg met het college of de burgemeester over in ieder geval door het college of de burgemeester verstrekte inlichtingen en het gevoerde bestuur;

    • d.

      naar aanleiding van het genoemde in lid c, wensen en bedenkingen kenbaar maken aan het college of de burgemeester of aandachtspunten meegeven voor uitwerking van beleidsvoorstellen of voorbereiding van beslissingen door de raad.

  • 2.

    Voor een goede vervulling van haar taken kan een commissie in ieder geval:

    • a.

      oriënterende gesprekken voeren met de burgers, belangengroepen en instellingen over majeure onderwerpen;

    • b.

      beeldvormende (informatie) bijeenkomsten organiseren;

    • c.

      hoorzittingen houden;

    • d.

      werkbezoeken afleggen;

    • e.

      externe deskundigen inschakelen.

Artikel 25 Samenstelling

  • 1.

    Elke fractie neemt als volgt deel aan de vergaderingen van de drie raadscommissies:

    • a.

      fracties bestaande uit meer dan 5 leden: met maximaal 3 leden;

    • b.

      fracties bestaande uit 3 tot en met 5 leden: met maximaal 2 leden;

    • c.

      fracties bestaande uit 1 of 2 leden: met maximaal 1 lid.

  • 2.

    Per agendapunt is het voor fracties mogelijk om van vertegenwoordiging te wisselen.

  • 3.

    Alle raadsleden zijn lid van alle drie de commissies. Daarnaast kunnen in plaats van leden van de raad maximaal drie niet-raadsleden door een fractie worden voorgedragen als lid de raadscommissies.

  • 4.

    De artikelen 10, 11, 12, 13, 14 , 15 eerste lid en 28, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op een lid-niet-raadslid van een raadscommissie.

  • 5.

    Voor de commissieleden die geen raadslid zijn kan het fractievoorzittersoverleg, op voorstel van de raadsvoorzitter en de griffier, ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d van de wet. Het betreffende besluit van het fractievoorzittersoverleg wordt geplaatst op de lijst van ingekomen stukken van de eerstvolgende raadsvergadering.

Artikel 26 Voorzitter commissie

  • 1.

    De voorzitter en zijn plaatsvervanger worden door de raad uit zijn midden benoemd.

  • 2.

    Een voorzitter is, op het moment dat hij als voorzitter fungeert, geen lid van de raadscommissie.

  • 3.

    De voorzitter is belast met:

    • a.

      het leiden van de vergadering;

    • b.

      het handhaven van de orde;

    • c.

      het doen naleven van dit reglement

    • d.

      hetgeen dit reglement hem verder opdraagt.

  • 4.

    Als een voorzitter of zijn plaatsvervanger een vergadering (deels) niet kan voorzitten, beslist het presidium wie uit zijn midden de voorzitter vervangt.

Artikel 27 Zittingsduur en vacatures

  • 1.

    De zittingsperiode van een lid en de voorzitter eindigt in ieder geval aan het einde van de zittingsperiode van de raad.

  • 2.

    De raad installeert commissieleden niet zijnde raadsleden op voorstel van de voorzitter van de desbetreffende raadsfractie.

  • 3.

    Een lid houdt op lid te zijn van een raadscommissie indien hij niet meer voldoet aan de in artikel 25, vierde lid, gestelde eisen.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in het vorige lid, houdt het lidmaatschap van een commissielid niet zijnde raadslid op in de volgende gevallen:

    • a.

      door ontslagname in de vorm van een daartoe opgestelde brief aan de raadsvoorzitter;

    • b.

      door een ontslagbesluit van de raad op verzoek van de voorzitter van de desbetreffende raadsfractie;

    • c.

      als de betreffende fractie niet meer in de raad is vertegenwoordigd blijkens een schriftelijke verklaring aan de voorzitter van de raad. Dan vervalt het lidmaatschap van rechtswege.

    • d.

      De raad kan de voorzitter of zijn plaatsvervanger ontslaan.

  • 6.

    De voorzitter en zijn plaatsvervanger kunnen te allen tijde ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan de raad. Het ontslag gaat een maand na de schriftelijke mededeling in of zoveel eerder als hun opvolger is benoemd.

  • 7.

    Indien door overlijden of ontslag van de voorzitter of zijn plaatsvervanger een vacature ontstaat, beslist de raad zo spoedig mogelijk over de vervulling daarvan met inachtneming van artikel 26, eerste lid.

Artikel 28 Griffier en commissiegriffier

  • 1.

    De griffier wijst ter ondersteuning van iedere raadscommissie een medewerker van de griffie aan als commissiegriffier.

  • 2.

    De commissiegriffier is in iedere vergadering aanwezig.

  • 3.

    Bij verhindering van de commissiegriffier wijst de griffier een vervanger aan. Dit is en andere medewerker van de griffie of een, in samenspraak met de gemeentesecretaris gekozen, ambtenaar.

  • 4.

    De griffier kan in iedere vergadering aanwezig zijn.

  • 5.

    De commissievoorzitter kan de (commissie-)griffier uitnodigen aan de beraadslagingen deel te nemen.

Artikel 29 Aanwezigheid college, burgemeester en gemeentesecretaris

De voorzitter kan de burgemeester, één of meer wethouders en de gemeentesecretaris uitnodigen in de vergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslagingen deel te nemen.

Artikel 30 Vergaderdag en -frequentie

  • 1.

    In de regel vinden beeldvormende bijeenkomsten van alle raadscommissies plaats op de twee donderdagen voorafgaand aan de oordeelsvormende vergaderingen van de raadscommissies.

  • 2.

    In de regel vinden de oordeelsvormende vergaderingen van de raadscommissie:

    • a.

      Samenleven plaats op de dinsdag;

    • b.

      Ruimte plaats op de woensdag;

    • c.

      Raadsbrede vraagstukken & Bestuur plaats op de donderdag.

  • 3.

    De beeldvormende bijeenkomsten en oordeelsvormende vergaderingen van de raadscommissies beginnen om 19:30 uur. Oordeelsvormende vergaderingen vinden plaats in het gemeentehuis.

  • 4.

    Een raadscommissie vergadert voorts indien de voorzitter het nodig oordeelt of indien tenminste twee fracties schriftelijk met opgaaf van redenen daarom verzoeken bij het presidium.

  • 5.

    Het presidium kan in bijzondere gevallen een andere dag of aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hierover wordt overleg gevoerd met de griffier.

Artikel 31 Oproep

  • 1.

    De voorzitter zendt ten minste zes dagen voor een vergadering de leden een oproep onder vermelding van de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering.

  • 2.

    De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de stukken waarop een verplichting tot geheimhouding rust, worden tegelijkertijd met de oproep gepubliceerd op de gemeentelijke website.

  • 3.

    Indien een aanvullende agenda wordt vastgesteld als bedoeld in artikel 32, eerste lid, worden deze agenda en de daarop vermelde voorstellen of onderwerpen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang van de vergadering gepubliceerd op de gemeentelijke website.

Artikel 32 De agenda

  • 1.

    In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van de oproep tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van een vergadering een aanvullende agenda opstellen.

  • 2.

    Bij aanvang van de vergadering stelt de raadscommissie de agenda vast. Op voorstel van een lid of de voorzitter kan de raadscommissie bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of van de agenda afvoeren.

  • 3.

    Wanneer de raadscommissie een onderwerp of voorstel onvoldoende voor de beraadslaging voorbereid acht, kan zij aan het college of de burgemeester nadere inlichtingen of advies vragen. De raadscommissie bepaalt in welke vergadering het onderwerp of voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

  • 4.

    Op voorstel van een lid of de voorzitter kan de raadscommissie de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen.

Artikel 33 Publicatie en ter inzage leggen van stukken

  • 1.

    Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de oproep digitaal beschikbaar gesteld. Indien na het verzenden van de oproep stukken gepubliceerd worden, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden en zo mogelijk in een openbare kennisgeving.

  • 2.

    Een origineel van een aangeboden stuk wordt niet buiten het gemeentehuis gebracht.

  • 3.

    Indien voor stukken op grond van artikel 87 van de Gemeentewet een verplichting tot geheimhouding is opgelegd, berusten deze stukken in afwijking van het eerste lid, onder de griffie en verleent de griffie een lid van de commissie inzage.

Artikel 34 Openbare kennisgeving

  • 1.

    De vergadering wordt door aankondiging in één of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op de voor afkondigingen in de gemeente gebruikelijke wijze en door plaatsing op de gemeentelijke website openbaar gemaakt.

  • 2.

    De openbare kennisgeving vermeldt:

    • a.

      de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige agenda van de vergadering;

    • b.

      de wijze waarop en de plaats waar een ieder de agenda en de daarbij behorende stukken kan inzien;

    • c.

      de mogelijkheid tot het uitoefenen van het spreekrecht als bedoeld in artikel 36.

  • 3.

    Daarnaast worden de bij de voorlopige agenda behorende stukken, indien digitaal beschikbaar, op de website van de gemeente geplaatst.

Artikel 35 Opening vergadering

  • 1.

    De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is.

  • 2.

    Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter onder verwijzing naar dit artikel, na voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de volgende vergadering, op een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproep is gelegen.

  • 3.

    Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. De raadscommissie kan echter over andere aangelegenheden alleen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is.

Artikel 36 Spreekrecht inwoners

  • 1.

    Inwoners en vertegenwoordigers van in de gemeente Kampen gevestigde bedrijven, instellingen en verenigingen kunnen gezamenlijk gedurende maximaal dertig minuten het woord voeren over geagendeerde onderwerpen.

  • 2.

    Het woord kan niet gevoerd worden over:

    • a.

      een besluit van het gemeentebestuur waartegen beroep openstaat of heeft opengestaan;

    • b.

      benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen;

    • c.

      een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend.

  • 3.

    Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit uiterlijk om 12.00 uur op de dag van de vergadering aan de commissiegriffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, mailadres en telefoonnummer alsook het onderwerp en de strekking van de woordvoering. In bijzondere gevallen kan de voorzitter afwijken van de hiervoor genoemde termijn.

  • 4.

    Het spreekrecht wordt gekoppeld aan de behandeling van het onderwerp waarop wordt ingesproken. De commissie kan besluiten de onderwerpen waarvoor zich insprekers hebben gemeld, eerst te behandelen.

  • 5.

    De voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers als er meer dan zes sprekers zijn. De spreker wordt uitgenodigd in de vergaderkring plaats te nemen en krijgt maximaal vijf minuten het woord om zich tot de commissie te wenden. De voorzitter kan in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd. Zijn er meerdere insprekers voor hetzelfde onderwerp, dan is de volgorde van aanmelden bepalend.

  • 6.

    De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter kan de deelnemers aan de commissievergadering toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen, waarbij interrupties of vervolgvragen niet zijn toegestaan. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers van de vergadering.

Artikel 37 Digitaal verslag en besluitenlijst

  • 1.

    De commissiegriffier draagt zorg voor een digitale beeld- en geluidsopname van de oordeelsvormende commissievergadering. Hij maakt van het verhandelde tijdens de vergadering een besluitenlijst.

  • 2.

    Van beeldvormende bijeenkomsten wordt geen verslag gemaakt. Zo mogelijk worden wel digitale beeld- en geluidsopnamen gemaakt en worden deze samen met presentaties openbaar gemaakt op de gemeentelijke website.

  • 3.

    In het geval van technische calamiteiten draagt de commissiegriffier zorg voor een samenvattend verslag van de oordeelsvormende commissievergadering. Ook draagt hij er zorg voor dat een digitale geluidsopname in het archief wordt opgenomen.

  • 4.

    De digitale beeld- en geluidsopname is via de website te bekijken en te beluisteren. De besluitenlijst wordt zo spoedig mogelijk na de vergadering openbaar gemaakt op de gemeentelijke website.

  • 5.

    De besluitenlijst van de voorgaande vergadering wordt aan de leden van de raad toegezonden gelijktijdig met de oproep als beschreven in artikel 31.

  • 6.

    De leden, de voorzitter, de burgemeester en de wethouders hebben het recht een voorstel tot wijziging aan de raad te doen als de besluitenlijst onjuistheden bevat. Een voorstel tot wijziging dient voor 12.00 uur op de dag van de eerstvolgende commissievergadering bij de commissiegriffier te worden ingediend.

  • 7.

    De besluitenlijst bevat tenminste:

    • a.

      de namen van de voorzitter, de commissiegriffier, de ter vergadering aanwezige leden, de wethouders en de leden die afwezig waren; in het geval overige personen het woord hebben gevoerd (als omschreven in artikel 44), dan worden ook die namen vermeld;

    • b.

      een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest en de daarbij getrokken conclusies, de door burgemeester en wethouders gedane toezeggingen en de gemaakte afspraken;

    • c.

      de onderwerpen die tijdens de rondvraag aan de orde zijn gesteld.

  • 8.

    De besluitenlijst wordt in de eerstvolgende vergadering vastgesteld.

Artikel 38 Spreekregels en volgorde sprekers

  • 1.

    Per agendapunt wijst elke fractie één woordvoerder aan die namens de fractie het woord voert.

  • 2.

    Een lid, de voorzitter, de burgemeester, een wethouder en de gemeentesecretaris spreken vanaf hun plaats of het spreekgestoelte en richten zich tot de voorzitter.

  • 3.

    Een lid, de burgemeester, een wethouder of de gemeentesecretaris, voeren het woord na het aan de voorzitter gevraagd en van hem verkregen te hebben.

  • 4.

    De volgorde van sprekers kan worden gewijzigd, wanneer het woord wordt gevraagd over de orde van de vergadering.

  • 5.

    Bij bijzondere gelegenheden kan de voorzitter bepalen dat de in het eerste lid genoemde personen vanaf een andere plaats spreken.

Artikel 39 Aantal spreektermijnen

  • 1.

    De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raadscommissie anders beslist.

  • 2.

    Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.

  • 3.

    Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel.

  • 4.

    Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde en interrupties.

Artikel 40 Spreektijd

De raadscommissie kan op voorstel van de voorzitter of een lid besluiten over de spreektijd van de leden.

Artikel 41 Voorstellen van orde

  • 1.

    De voorzitter en ieder lid kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden toegelicht.

  • 2.

    Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering betreffen.

  • 3.

    Over een voorstel van orde beslist de raadscommissie terstond. Ieder commissielid heeft daarbij één stem.

Artikel 42 Handhaving orde; schorsing

  • 1.

    Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij:

    • a.

      de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren;

    • b.

      een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden.

  • 2.

    Indien een spreker zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, persoonlijke beschuldigingen uit, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien de spreker hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.

  • 3.

    De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en - indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering sluiten.

  • 4.

    De voorzitter kan een raadscommissie voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen.

  • 5.

    Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.

Artikel 43 Beraadslaging

  • 1.

    De raadscommissie kan op voorstel van de voorzitter of een lid beslissen over één of meer onderdelen van een onderwerp of voorstel afzonderlijk te beraadslagen.

  • 2.

    Op voorstel van een lid of de voorzitter kan de raadscommissie beslissen de beraadslaging voor een door hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of de leden de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode verstreken is.

Artikel 44 Deelname aan de beraadslaging door anderen

  • 1.

    De raadscommissie kan bepalen dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging.

  • 2.

    Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of een lid genomen alvorens met de beraadslaging ten aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt genomen.

Artikel 45 Advies aan raad

  • 1.

    Wanneer de voorzitter vaststelt, dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging, tenzij de raadscommissie anders beslist.

  • 2.

    Nadat de beraadslaging is gesloten, beslist de raadscommissie of er een advies aan de raad wordt uitgebracht.

  • 3.

    Indien de raadscommissie een advies aan de raad uitbrengt beslissen de leden op voorstel van de voorzitter over de inhoud van het advies.

  • 4.

    In het advies worden de standpunten van alle fracties opgenomen.

Artikel 46 Besloten vergadering algemeen

Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering.

Artikel 47 Verslaglegging besloten vergadering en besloten deel openbare vergadering

  • 1.

    Een besloten (deel van de) vergadering is niet via de website te bekijken en te beluisteren. Ook niet achteraf. Wel draagt de commissiegriffier er zorg voor dat een videoverslag aan het archief wordt aangeboden.

  • 2.

    Van dit besloten deel maakt de griffier een afzonderlijk beknopt schriftelijk verslag dat in principe afdoende moet zijn.

  • 3.

    Dit beknopt schriftelijk verslag ligt in de aanloop naar de volgende commissievergadering ter inzage bij de griffie. In de volgende vergadering wordt ook beknopt schriftelijk verslag van de besloten vergadering of van een besloten deel van de openbare vergadering vastgesteld. Desgewenst gebeurt dit opnieuw in beslotenheid.

  • 4.

    Op dit beknopt schriftelijk verslag is artikel 37, vijfde, zesde en zevende lid van toepassing.

Artikel 48 Geheimhouding en opheffing geheimhouding

  • 1.

    Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raadscommissie of de verplichting tot geheimhouding omtrent het verhandelde tijdens de besloten vergadering al dan niet wordt opgeheven.

  • 2.

    Indien de raad op grond van artikel 89, vierde lid, van de Gemeentewet voornemens is de verplichting tot geheimhouding op te heffen wordt daarover in een besloten vergadering met de raadscommissie overleg gevoerd. Dit overleg blijft uit als de raadscommissie te kennen heeft gegeven hier geen behoefte aan te hebben.

Artikel 49 Toehoorders en pers

  • 1.

    De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.

  • 2.

    Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is verboden.

  • 3.

    De voorzitter is bevoegd, toehoorders die op enigerlei wijze de orde van de vergadering verstoren en zo nodig andere toehoorders, te doen vertrekken. Toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren kan hij voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering ontzeggen.

Artikel 50 Geluid- en beeldregistraties

Degenen die in de vergaderzaal tijdens de vergadering geluid- dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen. Deze aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de vrijheid van pers aantasten.

Artikel 51 Gebruik mobiele telefoons en andere communicatiemiddelen

De aanwezigen in de vergaderzaal dienen tijdens de vergadering het geluid van hun mobiele communicatiemiddelen af te zetten. Meegebrachte communicatiemiddelen mogen ook geen andere geluiden produceren.

Hoofdstuk 7 De raadsvergadering

Artikel 51a De voorzitter

  • 1.

    De voorzitter is belast met:

    • a.

      het leiden van de vergadering;

    • b.

      het handhaven van de orde;

    • c.

      het doen naleven van het reglement van orde;

    • d.

      wat de wet of dit reglement hem verder opdraagt.

  • 2.

    De raad benoemt een eerste en tweede plaatsvervangend voorzitter uit zijn midden.

  • 3.

    Bij afwezigheid van zowel de voorzitter als de plaatsvervangend voorzitters wordt de raad voorgezeten door één van de leden die door de raad wordt gekozen als plaatsvervangend voorzitter.

Artikel 51b De griffier

  • 1.

    De griffier is elke raadsvergadering aanwezig.

  • 2.

    Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een door de raad daartoe aangewezen plaatsvervangend griffier.

  • 3.

    De griffier kan, als hij daartoe door de voorzitter wordt uitgenodigd, aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement deelnemen.

Artikel 52 Vergaderfrequentie

  • 1.

    De vergaderingen van de raad vinden in de regel eens in de vier weken plaats op donderdag, vangen aan om 19:30 uur en worden gehouden in het gemeentehuis.

  • 2.

    De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie, overleg in het presidium.

Artikel 53 Oproep

  • 1.

    De voorzitter zendt ten minste zes dagen voor een vergadering de leden van de raad een oproep onder vermelding van dag, tijdstip en plaats van de vergadering.

  • 2.

    De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de informatie waarop de verplichting tot geheimhouding berust, worden tegelijkertijd met de oproep aan de leden van de raad gepubliceerd op de gemeentelijke website.

Artikel 54 Agenda

  • 1.

    In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van de oproep tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van een vergadering een aanvullende agenda opstellen. Deze wordt met de daarbij behorende stukken openbaar gemaakt op de gemeentelijk website.

  • 2.

    Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op voorstel van een lid van de raad of de voorzitter kan de raad bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of van de agenda afvoeren. Tijdens de vergadering kan de raad in spoedeisende gevallen besluiten een onderwerp aan de agenda toe te voegen.

  • 3.

    Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare beraadslaging voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen naar een commissie of aan het college nadere inlichtingen of advies vragen.

  • 4.

    Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de raad de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen.

Artikel 55 Beschikbaar stellen van stukken

  • 1.

    Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep digitaal beschikbaar gesteld. Indien na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken worden toegevoegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk in een openbare kennisgeving.

  • 2.

    Een origineel van een aangeboden stuk wordt niet buiten het gemeentehuis gebracht.

  • 3.

    Indien omtrent stukken op grond van artikel 87 van de Gemeentewet een verplichting tot geheimhouding is opgelegd, berusten deze stukken in afwijking van het eerste lid, onder de griffie en verleent de griffie de leden van de raad inzage.

Artikel 56 Openbare kennisgeving

  • 1.

    De vergadering wordt door aankondiging in één of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op de voor afkondigingen in de gemeente gebruikelijke wijze en door plaatsing op de gemeentelijke website openbaar gemaakt.

  • 2.

    De openbare kennisgeving vermeldt:

    • a.

      de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige agenda van de vergadering;

    • b.

      de wijze waarop en de plaats waar een ieder de bij de vergadering behorende stukken kan inzien.

  • 3.

    De voorlopige agenda en de daarbij behorende raadsvoorstellen worden op de website van de gemeente geplaatst.

Artikel 57 Presentielijst

  • 1.

    Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad de presentielijst.

  • 2.

    Raadsleden die na aanvang van de vergadering binnenkomen of vóór sluiting de vergadering verlaten stellen de voorzitter daarvan in kennis.

  • 3.

    Aan het einde van elke vergadering wordt de presentielijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening vastgesteld.

Artikel 58 Zitplaatsen

  • 1.

    De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een vaste zitplaats in hetzij de binnenring hetzij de buitenring van de raadzaal. De voorzitter wijst de zitplaatsen aan na overleg in het presidium. Leden van de raad worden beurtelings ingedeeld op hun zitplaats in de binnenring en de buitenring.

  • 2.

    Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling herzien na overleg in het presidium.

  • 3.

    De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders, gemeentesecretaris en overige personen, die voor de vergadering zijn uitgenodigd.

Artikel 59 Opening vergadering; quorum

  • 1.

    Voorafgaand aan de vergadering spreekt de voorzitter of een raadslid het volgende formuliergebed uit: “Almachtige God, door U regeren de overheden. Wij bidden U, dat Gij ons, die Gij geroepen hebt tot het bestuur en de verzorging van deze gemeente Uw zegen wilt schenken. Geef ons wijsheid en voorzichtigheid, opdat onze besluiten mogen strekken tot Uw eer en tot welzijn onzer gemeente. Hoor ons om Jezus’ wil. Amen.“

  • 2.

    De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur, indien daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de raad blijkens de presentielijst aanwezig is.

  • 3.

    Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 lid 2 van de Gemeentewet.

Artikel 60 Primus bij hoofdelijke stemming

Alvorens tot hoofdelijke stemming wordt overgegaan deelt de voorzitter mede, bij welk lid van de raad, de hoofdelijke stemming zal beginnen. Daartoe wordt bij loting een volgnummer van de presentielijst aangewezen; bij het daar genoemde lid begint de hoofdelijke stemming.

Artikel 61 Beeld- en geluidsopname en besluitenlijst

  • 1.

    De griffier draagt zorg voor een digitale beeld- en geluidsopname en een korte besluitenlijst van de vergadering.

  • 2.

    In het geval van technische calamiteiten draagt de griffier zorg voor een samenvattend verslag. Ook draagt hij er zorg voor dat een digitale geluidsopname in het archief wordt opgenomen.

  • 3.

    De digitale opname is via de website te bekijken en te beluisteren. De besluitenlijst wordt zo spoedig mogelijk na de vergadering openbaar gemaakt op de gemeentelijke website. Daarvan wordt mededeling gedaan in het blad waarin de gemeente haar besluiten en mededelingen publiceert.

  • 4.

    De korte besluitenlijst van de voorgaande vergadering wordt aan de leden van de raad toegezonden gelijktijdig met de oproep als beschreven in artikel 53.

  • 5.

    De leden, de voorzitter, de wethouders, de griffier en de gemeentesecretaris hebben het recht een voorstel tot wijziging aan de raad te doen als de korte besluitenlijst onjuistheden bevat. Een voorstel tot verandering dient voor 12.00 uur op de dag van de eerstvolgende raadsvergadering bij de griffier te worden ingediend.

  • 6.

    De korte besluitenlijst bevat tenminste:

    • a.

      de namen van de voorzitter, de griffier, de ter vergadering aanwezige leden, de wethouders, de secretaris en de leden die afwezig waren; in het geval overige personen het woord hebben gevoerd (als omschreven in artikel 69), dan worden ook die namen vermeld;

    • b.

      een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest en de daaromtrent genomen besluiten;

    • c.

      de tekst van het dictum van de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties, amendementen en subamendementen;

    • d.

      de onderwerpen die in het vragenhalfuurtje aan de orde zijn gesteld;

    • e.

      en vermelding wanneer een raadslid op grond van artikel 28 van de Gemeentewet niet deel heeft genomen aan de beraadslaging en de stemming over een bepaald voorstel.

  • 7.

    De korte besluitenlijst wordt in de eerstvolgende vergadering vastgesteld, waarna die door de voorzitter en de griffier wordt ondertekend.

Artikel 62 Ingekomen stukken

  • 1.

    Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke mededelingen van het college aan de raad, worden op een lijst geplaatst. Deze lijst wordt aan de leden van de raad digitaal beschikbaar gesteld met een voorstel van de griffier voor de wijze van afdoening van de ingekomen stukken.

  • 2.

    Na de vaststelling van de besluitenlijst wordt de lijst ingekomen stukken op de agenda van de raadsvergadering geplaatst. Raadsleden hebben dan de gelegenheid een ander afdoeningsvoorstel te doen.

  • 3.

    Als een raadslid een ingekomen stuk wil agenderen voor een commissievergadering, dan dient hij een gemotiveerd agenderingsverzoek voor 12.00 uur op de dag van de raadsvergadering te sturen naar de griffie. Het presidium buigt zich in de eerstvolgende presidiumvergadering over de agenderingsverzoeken.

  • 4.

    Voor het overige stelt de raad de wijze van afdoening van de ingekomen stukken conform voorstel vast.

  • 5.

    De antwoordbrieven van het college, op ingekomen stukken die de raad ter afdoening in handen van het college heeft gesteld, worden op de lijst Ingekomen stukken geplaatst als daartoe vanuit de raad om is verzocht.

Artikel 63 Spreekregels

  • 1.

    De leden van de raad en overige aanwezigen spreken vanaf hun plaats of van de spreekplaats en richten zich tot de voorzitter.

  • 2.

    Bij bijzondere gelegenheden kan de voorzitter bepalen dat de leden van de raad en overige aanwezigen vanaf een andere plaats spreken.

Artikel 64 Volgorde sprekers

  • 1.

    De voorzitter bepaalt de volgorde van de sprekers.

  • 2.

    Een lid van de raad voert het woord na het aan de voorzitter gevraagd en van hem verkregen te hebben.

  • 3.

    De volgorde van sprekers kan worden gewijzigd wanneer een lid van de raad het woord vraagt over de orde van de vergadering.

Artikel 65 Aantal spreektermijnen

  • 1.

    De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist.

  • 2.

    Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.

  • 3.

    Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel.

  • 4.

    Het derde lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de rapporteur van een commissie;

    • b.

      het lid dat een (sub)amendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend, voor wat betreft dat amendement, die motie of dat voorstel.

  • 5.

    Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde en interrupties.

Artikel 66 Spreektijd

  • 1.

    De raad hanteert spreektijden die het presidium vaststelt na overleg met het fractievoorzittersoverleg.

  • 2.

    Het presidium kan besluiten voor sommige raadsvergaderingen – of delen daarvan – het hanteren van spreektijden achterwege te laten.

Artikel 67 Handhaving orde; schorsing

  • 1.

    Een spreker mag in zijn betoog in de eerste termijn niet worden geïnterrumpeerd. Wel kan de voorzitter het nodig oordelen hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren;

  • 2.

    Indien een spreker, zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, persoonlijke beschuldigingen uit, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien de betreffende spreker, hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.

  • 3.

    De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en - indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering sluiten.

Artikel 68 Beraadslaging

  • 1.

    In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in de besluitenlijst vragen, dat zij op grond van artikel 28 Gemeentewet niet deelnemen aan de beraadslaging.

  • 2.

    De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid van de raad beslissen over één of meer onderdelen van een onderwerp of voorstel afzonderlijk te beraadslagen.

  • 3.

    Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de voorzitter kan de raad besluiten de beraadslaging voor een door hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of de leden de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode verstreken is.

Artikel 69 Deelname aan de beraadslaging door anderen

  • 1.

    De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering aanwezige leden van de raad, de wethouder, de gemeentesecretaris, de griffier en de voorzitter deelnemen aan de beraadslaging.

  • 2.

    Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of één der leden van de raad genomen alvorens met de beraadslaging ten aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt genomen.

Artikel 70 Stemverklaring

Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, heeft ieder lid het recht zijn stemgedrag te motiveren. Een stemverklaring bevat slechts een korte toelichting op de uit te brengen stem.

Artikel 71 Beslissing

  • 1.

    Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging, tenzij de raad anders beslist.

  • 2.

    Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel over de te nemen eindbeslissing.

Artikel 72 Algemene bepalingen over stemming

  • 1.

    Wanneer geen stemming wordt gevraagd, stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen.

  • 2.

    In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in het verslag vragen, dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of zich op grond van artikel 28 Gemeentewet van stemming te hebben onthouden.

  • 3.

    Wanneer wel stemming plaatsvindt, gebeurt dit via een elektronische stemapplicatie, dan wel bij handopsteken.

  • 4.

    Bij stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming op grond van artikel 28 Gemeentewet moet onthouden verplicht zijn stem uit te brengen.

  • 5.

    Indien door een of meer leden hoofdelijke stemming wordt gevraagd, doet de voorzitter daarvan mededeling.

  • 6.

    De voorzitter (of de griffier) roept de leden van de raad bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het lid dat daarvoor overeenkomstig artikel 60 is aangewezen. Vervolgens geschiedt de oproeping naar de volgorde van de presentielijst.

  • 7.

    De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken, zonder enige toevoeging.

  • 8.

    Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist; in de uitslag van de stemming brengt dit echter geen verandering.

  • 9.

    De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit.

Artikel 73 Stemming over amendementen en moties

  • 1.

    Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt eerst over dat amendement gestemd.

  • 2.

    Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement.

  • 3.

    Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt de regel, dat het meest verstrekkende amendement of subamendement het eerst in stemming wordt gebracht.

  • 4.

    Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie.

Artikel 74 Stemming over personen

  • 1.

    Wanneer een stemming over personen voor het doen van een benoeming of het opstellen van een voordracht of aanbeveling moet plaatshebben, benoemt de voorzitter drie leden tot stembureau.

  • 2.

    Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van de Gemeentewet van stemming moet onthouden is verplicht een stembriefje in te leveren. De stembriefjes dienen identiek te zijn.

  • 3.

    Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje.

  • 4.

    Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwe stemming gehouden.

  • 5.

    Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in artikel 30 van de Gemeentewet worden geacht geen stem te hebben uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd. Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt verstaan:

    • a.

      een blanco ingevuld stembriefje;

    • b.

      een ondertekend stembriefje;

    • c.

      een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de stemming verschillende vacatures betreft;

    • d.

      een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op voordracht betreft, op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen;

    • e.

      een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan die waartoe de stemming is beperkt.

  • 6.

    In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad, op voorstel van de voorzitter.

  • 7.

    Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd.

Artikel 75 Herstemming over personen

  • 1.

    Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan.

  • 2.

    Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal plaatshebben.

  • 3.

    Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond het lot.

Artikel 76 Beslissing door het lot

  • 1.

    Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven.

  • 2.

    Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal gedeponeerd en omgeschud.

  • 3.

    Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen.

Artikel 77 Amendementen

  • 1.

    Ieder lid van de raad, dat zich niet van deelneming aan de beraadslaging op grond van artikel 28 van de Gemeentewet moet onthouden, kan tot het sluiten van de beraadslagingen amendementen indienen. Een amendement kan het voorstel inhouden om een geagendeerd voorstel in één of meer onderdelen te splitsen, waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Alleen beraadslaagd kan worden over amendementen die ingediend zijn door leden van de raad, die de presentielijst getekend hebben en in de vergadering aanwezig zijn.

  • 2.

    Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is en zich niet van deelneming aan de beraadslaging op grond van artikel 28 van de Gemeentewet moet onthouden, is bevoegd op het amendement dat door een lid is ingediend, een wijziging voor te stellen (subamendement).

  • 3.

    Elk (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter - met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde -oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan worden volstaan.

  • 4.

    De indiener(s), van het (sub)amendement is (zijn) bevoegd in het amendement veranderingen aan te brengen. De indiener(s) is (zijn) ook bevoegd het (sub)amendement in te trekken, tot het einde van de beraadslagingen

Artikel 78 Moties

  • 1.

    Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie indienen, voor zover het niet gaat over een onderwerp waar het raadslid zich op grond van artikel 28 van de Gemeentewet moet onthouden van deelneming aan de beraadslaging.

  • 2.

    Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.

  • 3.

    De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of voorstel vindt tegelijk met de beraadslaging over dat onderwerp of voorstel plaats.

  • 4.

    De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende bespreekstukken zijn behandeld.

  • 5.

    De indiener(s), van een motie is (zijn) bevoegd in motie veranderingen aan te brengen. De indiener(s) is (zijn) ook bevoegd de motie in te trekken, tot het einde van de beraadslagingen

Artikel 79 Voorstellen van orde

  • 1.

    De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden toegelicht.

  • 2.

    Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering betreffen.

  • 3.

    Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.

Artikel 80 Initiatiefvoorstel

  • 1.

    Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk of digitaal bij de griffier worden ingediend.

  • 2.

    De griffier zendt het initiatiefvoorstel terstond naar het college voor het ter kennis van de raad brengen van zijn wensen en bedenkingen. Het college krijgt hiervoor een termijn van vier weken.

  • 3.

    De voorzitter plaatst het voorstel op de ontwerpagenda van de eerstvolgende vergadering na ontvangst van de reactie van het college als bedoeld in het vorige lid dan wel na het verstrijken van de aan het college gestelde termijn van vier weken, tenzij de oproep hiervoor reeds verzonden is. In dit laatste geval wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende vergadering geplaatst.

  • 4.

    In afwijking van het vorige lid kan het presidium bepalen dat het initiatiefvoorstel eerst in de raadscommissie wordt besproken.

  • 5.

    De behandeling van het voorstel vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende voorstellen en onderwerpen zijn behandeld, tenzij de raad oordeelt dat:

    • a.

      het voorstel met het oog op de orde van de vergadering tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp dient te worden behandeld;

    • b.

      het voorstel eerst dient te worden behandeld in een raadscommissie;

    • c.

      het voorstel voor nader advies naar het college dient te worden gezonden. In dit geval bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

  • 6.

    De raad kan voorwaarden stellen aan de indiening en behandeling van een voorstel, niet zijnde een voorstel voor een verordening.

  • 7.

    Op een spoedeisend voorstel, inhoudende het ontslag van een wethouder, zijn de bepalingen van dit artikel niet van toepassing. Een dergelijk voorstel kan met toepassing van artikel 54 tweede lid terstond aan de agenda worden toegevoegd.

Artikel 81 Collegevoorstel

  • 1.

    Een voorstel van het college aan de raad, dat vermeld staat op de agenda van de raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder toestemming van de raad.

  • 2.

    Indien de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies terug aan het college moet worden gezonden, bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

Artikel 82 Interpellatie

  • 1.

    Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, ten minste 48 uur voor de aanvang van de vergadering schriftelijk bij de griffier ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen vragen.

  • 2.

    De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en de wethouders. Bij de vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering na indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht. De raad bepaalt op welk tijdstip tijdens de vergadering de interpellatie zal worden gehouden.

  • 3.

    De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige leden van de raad, de burgemeester en de wethouders niet meer dan eenmaal, tenzij de raad hun hiertoe verlof geeft.

Artikel 83 Schriftelijke vragen

  • 1.

    Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden voorzien. Bij de vragen wordt aangegeven, of schriftelijke of mondelinge beantwoording wordt verlangd.

  • 2.

    De vragen worden per mail bij de griffie ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en het college of de burgemeester worden gebracht.

  • 3.

    Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats door vermelding van het antwoord op de lijst ingekomen stukken, in ieder geval binnen dertig dagen, nadat de vragen zijn binnengekomen. Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende raadsvergadering. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan plaatsvinden, stelt het verantwoordelijk lid van het college of de burgemeester de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.

  • 4.

    De vragen en antwoorden van het college of de burgemeester worden gelijktijdig met de stukken als bedoeld in artikel 62 aan de leden van de raad toegezonden.

  • 5.

    De vragensteller kan, bij behandeling van de lijst ingekomen stukken tijdens de raadsvergadering, het presidium verzoeken het aan hem gegeven schriftelijke antwoord te agenderen in de desbetreffende raadscommissie.

Artikel 84 Vragenhalfuur

  • 1.

    Nadat de raad de agenda heeft vastgesteld, hebben de leden de gelegenheid om vragen te stellen aan het college. In bijzondere gevallen kan het presidium bepalen dat het vragenhalfuur op een ander tijdstip wordt gehouden. De voorzitter bepaalt op welk tijdstip het vragenhalfuur eindigt.

  • 2.

    Het lid van de raad dat tijdens het vragenhalfuur vragen wil stellen, stuurt die vraag of vragen uiterlijk vóór 12:00 uur op de dag van de vergadering naar de griffier. De voorzitter kan een vraag weigeren indien hij haar niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven of indien het onderwerp van de vraag later in dezelfde raadsvergadering aan de orde komt. Indien over hetzelfde onderwerp al schriftelijke vragen zijn ingediend, de vraag niet politiek urgent is, het om een individuele casus gaat of in behandeling is bij de rechter of bezwaarcommissie, weigert de voorzitter de vraag.

  • 3.

    De voorzitter bepaalt de volgorde, waarin aangemelde onderwerpen tijdens het vragenhalfuur aan de orde worden gesteld.

  • 4.

    De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de vragensteller, voor het college, voor de burgemeester en voor de overige leden van de raad.

  • 5.

    Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven.

  • 6.

    Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen.

  • 7.

    Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van de raad het woord verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.

8. Tijdens het vragenhalfuur kunnen geen moties worden ingediend en worden geen interrupties toegelaten.

Artikel 85 Inlichtingen

  • 1.

    Indien een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de Gemeentewet verlangt, wordt een verzoek daartoe, door tussenkomst van de griffier per mail ingediend bij het college of de burgemeester.

  • 2.

    De griffier draagt er zorg voor dat de overige leden van de raad een afschrift van dit verzoek krijgen.

  • 3.

    De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de eerstvolgende of in de daarop volgende vergadering gegeven.

  • 4.

    De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de vergadering, waarin de antwoorden zullen worden gegeven.

Artikel 86 Procedure begroting

Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding, het onderzoek, de behandeling en de vaststelling van de begroting volgens een procedure die het presidium vaststelt.

Artikel 87 Procedure jaarrekening

Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding en het onderzoek van de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede de vaststelling van de jaarrekening en van een eventueel indemniteitsbesluit volgens een procedure die het presidium vaststelt.

Artikel 88 Verslag en verantwoording

  • 1.

    Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de gemeentesecretaris, die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, heeft het recht (om in aansluiting op de behandeling van de lijst van ingekomen stukken of voor het sluiten van de vergadering) verslag te doen over zaken die in het algemeen bestuur als bedoeld aan de orde zijn. Door de raad gewenste bespreking van dit verslag kan de voorzitter verwijzen naar de desbetreffende commissie.

  • 2.

    Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste lid, schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 83, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan. De regels voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel 85, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties of instituties, waarin de raad één van zijn leden heeft benoemd.

Artikel 89 Besloten vergadering algemeen

Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering.

Artikel 90 Verslaglegging besloten vergadering en besloten deel openbare vergadering

  • 1.

    Een besloten (deel van de) vergadering is niet via de website te bekijken en te beluisteren. Ook niet achteraf. Wel draagt de griffier er zorg voor dat een videoverslag aan het archief wordt aangeboden.

  • 2.

    Van dit besloten deel maakt de griffier een afzonderlijk beknopt schriftelijk verslag, dat in principe afdoende moet zijn.

  • 3.

    Dit beknopt schriftelijk verslag ligt in de aanloop naar de volgende raadsvergadering vertrouwelijk ter inzage bij de griffie. In de volgende vergadering wordt ook dit beknopt schriftelijk verslag van de besloten vergadering of van een besloten deel van de openbare vergadering vastgesteld. Desgewenst gebeurt dit opnieuw in beslotenheid. Het beknopt schriftelijk verslag wordt ondertekend door de griffier en de voorzitter.

  • 4.

    Op dit beknopt schriftelijk verslag is verder artikel 61 vierde, vijfde en zesde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 91 Geheimhouding

Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raad of de verplichting tot geheimhouding als bedoeld in artikel 23, vierde lid van de Gemeentewet omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding wordt opgeheven.

Artikel 92 Opheffing geheimhouding

Indien de raad op grond van artikel 89, vierde lid, van de Gemeentewet voornemens is de verplichting tot geheimhouding op te heffen wordt, indien daarom wordt verzocht door het orgaan dat de verplichting tot geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.

Artikel 93 Toehoorders en pers

  • 1.

    De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.

  • 2.

    Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is verboden.

Artikel 94 Geluid- en beeldregistraties

Degenen die in de vergaderzaal tijdens een openbare raadsvergadering geluid- dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen. Deze aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de vrijheid van pers aantasten.

Artikel 95 Gebruik mobiele telefoons en andere communicatiemiddelen

De aanwezigen in de vergaderzaal dienen tijdens de vergadering het geluid van hun mobiele communicatiemiddelen af te zetten. Meegebrachte communicatiemiddelen mogen ook geen andere geluiden produceren.

Artikel 96 Uitleg reglement

In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de voorzitter.

Artikel 97 Inwerkingtreding

  • 1.

    Dit reglement wordt aangehaald als Reglement organisatie Raadsdomein gemeente Kampen 2026 en treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2.

    Met de inwerkingtreding van dit Reglement worden de volgende regelingen ingetrokken:

    • a.

      Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Kampen 2012;

    • b.

      Verordening op de raadscommissies 2012;

    • c.

      Verordening auditcommissie gemeente Kampen 2017;

    • d.

      Verordening werkgeverscommissie.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 februari 2026.

De raad van de gemeente Kampen,

M.E. Veldhoen, griffier

S. de Rouwe, voorzitter

Toelichting

Deze toelichting is geënt op diverse modeltoelichtingen van de VNG. De hoofdstukindeling en artikelnummering zijn aangepast aan het Reglement organisatie Raadsdomein van de gemeente Kampen. Teksten die betrekking hebben op onderwerpen die niet zijn overgenomen uit de modelverordening of zijn aangepast of weggelaten.

In de Gemeentewet wordt onderscheid gemaakt tussen raadscommissies, bestuurscommissies en andere commissies (resp. artikel 82, 83 en 84 Gemeentewet). Raadscommissies bereiden de besluitvorming in de raad voor en voeren overleg met het college en de burgemeester. Bestuurscommissies zijn commissies waaraan bevoegdheden van de raad, het college of de burgemeester worden overgedragen. Andere commissies kunnen alle mogelijke denkbare taken hebben. Er kan gedacht worden aan adviescommissies, ad hoc commissies en wijkraden.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1

In artikel 1 worden de begrippen uit dit reglement gedefinieerd. Voor wat betreft het begrip ‘voorzitter’ zij nog vermeld dat de burgemeester voorzitter is van de raad. Artikel 9 van de Gemeentewet schrijft dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, van de wet is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de wet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering. De omschrijving van de termen amendement en initiatiefvoorstel zijn gebaseerd op de artikelen 147a en 147b van de Gemeentewet.

Hoofdstuk 2 Commissies voor de interne organisatie

Artikel 2

Dit artikel handelt over de samenstelling van het presidium en sluit aan bij de huidige praktijk in de gemeente Kampen. Verder wordt aangegeven hoe de stemverhouding in het presidium is en de vervanging is geregeld.

De griffier is bij elke vergadering van het presidium aanwezig, omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hij moet weten hoe de agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden. De aanwezigheid van de gemeentesecretaris kan gewenst zijn, omdat de gemeentesecretaris aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die worden voorbereid door de ambtelijke organisatie.

Artikel 3

Het presidium heeft voornamelijk een procedurele rol (vaststellen voorlopige raadsagenda, uitnodigen externen, wijzigen vergadermomenten e.d.). Het presidium vervult een coördinerende rol bij de agendering van zaken in commissies. Het presidium stelt de agenda’s van de beeldvormende bijeenkomsten (zoals informatieavonden en werkbezoeken) en oordeelsvormende raadscommissies voorlopig vast. De definitieve vaststelling van de agenda van een raadscommissie geschiedt door de betreffende commissie bij de aanvang van de vergadering.

Diverse gemeenten hebben dit takenpakket uitgebreid met meer inhoudelijke taken. De VNG is van mening dat het presidium voor wat betreft de inhoudelijke aspecten van het raadswerk een ondergeschikte rol dient te vervullen omdat anders het gevaar bestaat dat er binnen de raad een nieuw bestuursorgaan wordt gecreëerd, hetgeen in strijd is met de Grondwet, die het primaat immers expliciet bij de raad legt (artikel 125 lid 1 Grondwet).

In dit artikel is als aanvullende taak opgenomen dat de raad aanbevelingen doet aan de raad over de organisatie van de werkzaamheden van de raad en zijn commissies. Hieronder vallen taken als: het initiëren van een aanpassing van het reglement van orde, het instrueren van de griffier en aanbevelingen doen aan de raad ter bevordering van het dualiseringsproces.

Artikel 4

Naast het presidium is er in Kampen een fractievoorzittersoverleg waaraan vertrouwelijke mededelingen kunnen worden gedaan c.q. waar politiek gevoelige zaken kunnen worden besproken.

In lid 2 staat vermeld wie aan het fractieoverleg deelnemen; in lid 4 wordt vermeld dat het fractievoorzittersoverleg niet openbaar is.

Artikel 4a

In dit artikel zijn de taken en werkzaamheden van het fractievoorzittersoverleg opgenomen en behoeft geen verdere toelichting.

Hoofdstuk 3 Commissie voor het werkgeverschap griffie(r)

Artikel 5

In het tweede en derde lid is beschreven welke bevoegdheden aan de commissie worden gedelegeerd.

De vaststelling van regelingen (algemeen verbindende voorschriften) blijft bij de raad, de te nemen personele besluiten en dergelijke worden gedelegeerd. Ook de aanwijzing, benoeming, schorsing en ontslag griffier, de vaststelling van de instructie griffier, de vervanging van de griffier en de vaststelling van de organisatieverordening blijven aan de raad.

Artikel 6 tot en met artikel 12

Deze artikelen behoeven geen toelichting.

Hoofdstuk 4 Auditcommissie

Artikel 13 tot en met artikel 20

Deze artikelen behoeven geen toelichting.

Hoofdstuk 5 Raadslid, wethouder en fractie

Artikel 21

In dit artikel worden de processtappen in het onderzoek naar de geloofsbrieven van nieuwe raadsleden toegelicht.

Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan het benoemde raadslid kennis van zijn benoeming (artikel V1 Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2 Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittrekstel uit de GBA met zijn woonplaats, geboorteplaats en –datum, en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, lid 2 Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk.

De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. Het onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt alleen in de eerste samenkomst van de nieuwe raad na verkiezingen. Het onderzoek van de geloofsbrief strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen.

Op grond van artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in zijn nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet vastgelegd.

Artikel 21a

In dit artikel worden de processtappen in het onderzoek naar de geloofsbrieven, de risicoanalyse integriteit, de benoeming en beëdiging van de wethouders toegelicht.

Dit artikel geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrieven onderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder – evenals de gedragscode die de raad heeft vastgesteld – maar niet op welk moment deze getoetst worden. De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (Gemeentewet artikel 36a, 36b, 41b en 41c).

Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, lid 2 Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raad een meerderheid heeft van één stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te nemen en een nieuw raadslid te benoemen. De beoogde wethouder mag immers niet meestemmen over zijn eigen benoeming. Het vooraf ontslag nemen als raadslid is wel een risico. Het kan immers gebeuren dat deze persoon of niet tot wethouder wordt benoemd of dat de geloofsbrieven niet worden goedgekeurd.

In lid 2 tot en met 4 is beschreven hoe het onderzoek naar de geloofsbrieven vorm krijgt. Lid 5 tot en met 15 gaan in op het proces van de risicoanalyse integriteit.

Voorafgaand aan de besluitvorming over de benoeming van de wethouders vindt een besloten kennismakingsbijeenkomst met de kandidaat-wethouder(s) plaats. Alle raadsleden worden daarvoor uitgenodigd om de betrokkenheid van de hele raad te bevorderen.

Artikel 22

In een aantal gevallen blijkt behoefte te betaan aan een regeling van wat onder een fractie moet worden verstaan. De Gemeentewet kent het begrip fractie niet. In artikel 33, tweede lid, van de Gemeentewet wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractieondersteuning). In veel gemeenten bestaan regelingen ten aanzien van vergoedingen aan fracties, faciliteiten voor fracties, fractie-assistentie, etc. In deze nadere regelingen kan worden aangesloten bij het in dit reglement opgenomen fractiebegrip.

Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd (eerste lid). De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee (tweede lid).

Het derde lid bepaalt dat de naam van de fractie getoetst dient te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde omdat deze toetsing immers ook plaats vindt wanneer een politieke groepering zich voor het eerst wil laten registreren. Op grond van artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet wordt de naam van de nieuwe fractie onder meer geweigerd als deze in strijd is met de openbare orde of als deze overeenkomt met of erg lijkt op de naam van een politieke groepering die al geregistreerd is voor de Tweede Kamer- of Statenverkiezingen, én daardoor verwarring te duchten is. Voor het overige is de nieuwe fractie vrij in het kiezen van een naam.

Het vierde lid spreekt voor zich; zodra de fracties hun voorzitters hebben gekozen worden de namen aan de voorzitter van de raad doorgegeven.

In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. Het beëindigen van de zitting in de raad kan verschillende oorzaken hebben. Raadsleden kunnen ongeneeslijk ziek zijn, een conflict met hun fractie hebben, te weinig tijd hebben voor het raadswerk en zo zijn er nog vele redenen denkbaar. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mee.

Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan zich dan aansluiten bij een andere fractie of zelfstandig verder gaan. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen (een kandidaat wordt door de voorzitter van het stembureau benoemd). De Kieswet gaat niet uit van politieke partijen, een zetel „hoort‟ dan ook niet bij een partij maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.

Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen of een fusie aangaan met een andere fractie. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie.

Artikel 22a

Met dit artikel wordt geregeld dat als één of meer raadsleden besluiten zelfstandig verder te gaan dat niet automatisch de hoedanigheid van “fractie” oplevert. Daardoor kunnen zij geen aanspraak maken op bij een fractie behorende faciliteiten zoals fractieondersteuning, fractievoorzittersvergoeding en het recht om commissieleden voor te dragen. Een zelfstandig lid of voorzitter van een zelfstandige groep wordt wel uitgenodigd voor het fractievoorzittersoverleg voor zover dit voor het functioneren als raadslid benodigd is.

Hoofdstuk 6 De raadscommissies

Op grond van artikel 82, eerste lid, kan de raad zoveel raadscommissies instellen als hij wenselijk acht. De raad regelt de taken, bevoegdheden, samenstelling en werkwijze van de raadscommissies en de wijze waarop de leden van een raadscommissie inzage hebben in stukken waar de verplichting tot geheimhouding op rust.

Artikel 23

De raad kiest of en hoeveel raadscommissies er worden ingesteld en welke onderwerpen zij behandelen. Als onduidelijk is welke commissie een bepaald onderwerp moet behandelen of zich knelpunten in de vergaderplanning voordoen is ervoor gekozen het presidium zeggenschap te geven over de agendering in een bepaalde commissie.

Artikel 24

De taken van de raadscommissies zijn vastgelegd in artikel 82, eerste lid, van de Gemeentewet. De raadscommissies bereiden de besluitvorming van de raad voor en overleggen met het college of de burgemeester.

De taak om de besluitvorming van de raad voor te bereiden komt tot uitdrukking in de taak advies uit te brengen over een voorstel of onderwerp. De raadscommissie kan ook uit eigener beweging advies aan de raad uitbrengen, ook dit advies kan aanleiding zijn voor besluitvorming in de raad. De taken van de raadscommissie zijn in essentie dezelfde als die van de raad, die van kaderstellend, controlerend en volksvertegenwoordigend orgaan.

De raadscommissie bepaalt evenals de raad zijn eigen agenda. Dit betekent dat niet het college maar (de voorzitter van) de raadscommissie bepaalt of een voorstel aan de raadscommissie wordt voorgelegd alvorens het in de raad wordt besproken. Hierover kan uiteraard ook overleg plaatsvinden in het presidium. Veelal zal het echter wel zo blijven dat een onderwerp eerst in een raadscommissie wordt besproken.

Tegenwoordig komen varianten van vergaderen voor die geen vaste samenstelling hebben. Te denken valt aan vergaderingen in sessies en vergadertafel. De wettelijke bepalingen omtrent de raadscommissies zijn, ondanks het feit dat er niet gesproken kan worden van een vaste samenstelling, op deze varianten van vergaderen van toepassing. Indien vergaderingen in het teken staan van de voorbereiding van besluitvorming van de raad en het overleg met het college of de burgemeester, is er sprake van een raadscommissie. Dergelijke voorbereiding van de besluitvorming van de raad is exclusief voorbehouden aan de raadscommissies en kan niet worden opgedragen aan overige commissies.

Artikel 25

De raad bepaalt de samenstelling van de raadscommissies. Wel schrijft artikel 82, derde lid, van de Gemeentewet voor dat de raad moet zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde politieke groeperingen. Om dit te bereiken schrijft het eerste lid van artikel 25 voor dat een raadscommissie bestaat uit ten minste een en maximaal drie leden per fractie naar evenredigheid van het aantal zetels in de raad. De verhoudingen in de raadscommissies hoeven overigens blijkens jurisprudentie niet exact overeen te komen met de verhoudingen in de raad. Om tot een evenwichtige verdeling te komen is gekozen voor een minimum en een maximum aantal leden gerelateerd aan de grootte van de fracties. Sommige gemeenten kiezen voor een maximum van twee leden per fractie.

Zoals ook uit het derde lid blijkt, hoeven de leden van een raadscommissie geen raadslid te zijn. Wel is er vanuit gegaan dat de fracties de in het eerste lid bedoelde leden aanmelden. In Kampen geldt de afspraak dat een fractie maximaal drie niet-raadsleden kan voordragen.

Op grond van het derde lid, onder c, moeten leden en buitengewone leden, evenals raadsleden, voldoen aan hetgeen is bepaald in de artikelen 10, 11, 12, 13, 14, 15 en 28 (lid 1 en 2) van de Gemeentewet. Dit betekent onder andere dat zij achttien jaar moeten zijn, over een geldige verblijfstitel moeten beschikken, hun nevenfuncties openbaar moeten maken, geen functie als bedoeld in artikel 13 mogen vervullen, niet in strijd mogen handelen met artikel 15 en niet mogen deelnemen aan beraadslagingen als er sprake is van persoonlijk belang.

Artikel 26

Artikel 82, vierde lid, van de Gemeentewet schrijft voor dat de voorzitter van een raadscommissie raadslid moet zijn. Om die reden bepaalt artikel 26, eerste lid, dat de raad de voorzitters en hun plaatsvervangers "uit zijn midden" benoemt. In deze bepaling is er voor gekozen om de voorzitters van de raadscommissies door de raad te laten benoemen.

Op basis van het tweede lid, is de (plaatsvervangend) voorzitter, als hij in functie is, geen lid van de raadscommissie. Dit is een bewuste keuze, op deze wijze kan de voorzitter zich concentreren op zijn taak als (technisch) voorzitter en zijn tijd en energie aanwenden voor het bewaken van de positie van de raadscommissie. Hij hoeft zich niet te bekommeren om de inbreng van zijn fractie in de raadscommissie.

Artikel 27

De zittingsperiode van de commissieleden, de voorzitters en hun plaatsvervangers is even lang als de zittingsperiode van de raadsleden, in principe dus vier jaar. De benoeming eindigt van rechtswege, de raad hoeft hen niet te ontslaan.

Er is in dit artikel niet voorzien in een ontslagregeling voor de commissieleden (behalve voor de (plaatsvervangend) voorzitter. Deze hebben in principe 4 jaar zitting, tenzij zij niet meer voldoen aan de in artikel 25, vierde lid, gestelde eisen, ontslag nemen of overlijden.

De (plaatsvervangend) voorzitter van een raadscommissie kan de raad ook zonder voorstel van een fractie ontslaan, bijvoorbeeld indien deze (plaatsvervangend) voorzitter niet meer het vertrouwen van de meerderheid van de raad bezit. Het zesde en zevende lid voorzien in de situatie van tussentijdse vacature, hetzij door ontslag het zij door overlijden.

Artikel 28

Iedere raadscommissie wordt ondersteund door een commissiegriffier. De vervanging van de commissiegriffiers wordt overgelaten aan de griffier. Wel bestaat de mogelijkheid om in samenspraak met de gemeentesecretaris een niet op de griffie werkzame ambtenaar aan te wijzen. In geval van calamiteit kan de commissie en de (plv) voorzitter in die zin ondersteund worden.

De commissiegriffier is altijd bij de vergaderingen van de raadscommissie aanwezig. In principe neemt hij geen deel aan de beraadslagingen, zij het dat de raadscommissie op grond van artikel 44 van dit reglement altijd de mogelijkheid heeft om anderen aan de beraadslagingen deel te laten nemen. Het kan ook zijn dat de griffier de taken van de commissiegriffier vervult, maar gelet op de overige taken die de griffier moet vervullen wordt dit minder wenselijk geacht.

Artikel 29

De commissie kan per vergadering beslissen of de aanwezigheid van college, burgemeester en/of gemeentesecretaris al dan niet gewenst is en of de genodigde aan de beraadslagingen mag deelnemen. Artikel 82, vijfde lid van de Gemeentewet dat artikel 21 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing verklaard, is hiervoor de grondslag. Dit geldt zowel voor besloten als voor niet besloten vergaderingen. In openbare vergaderingen kunnen collegeleden, de burgemeester en de gemeentesecretaris uiteraard altijd aanwezig zijn. Deelnemen aan de beraadslagingen kunnen zij echter alleen als de raadscommissie hiermee instemt. In de regel zal de portefeuillehouder veelal wel aanwezig zijn ten behoeve van het voeren van overleg en het uitoefenen van controle door de raadscommissie.

Om te komen tot een praktische regeling is er in deze bepaling voor gekozen om de voorzitter van de raadscommissie een voorlopige beslissing omtrent de aanwezigheid van de burgemeester of een wethouder en de deelname aan de beraadslagingen te laten nemen. Als de raadscommissie het niet met deze voorlopige beslissing van de voorzitter eens is, kan zij bij aanvang van de vergadering anders beslissen. Een expliciete beslissing bij iedere vergadering is niet nodig. Als de raadscommissie niet aangeeft dat de aanwezigheid van het college niet gewenst is, volstaat de beslissing van de commissievoorzitter.

Artikel 30

Veelal zullen de beeldvormende bijeenkomsten en oordeelsvormende vergaderingen van de raadscommissies plaatsvinden op een vaste dag en plaats voorafgaand aan de vergaderingen van de raad. Een raadscommissie vergadert vaker als de voorzitter het nodig oordeelt of indien ten minste twee fracties hierom vragen. Het presidium vervult hierin ook een rol. Indien een raadscommissie een hoorzitting of andere bijeenkomst wil houden, kan het presidium gebruik maken van het vijfde lid en een andere dag, aanvangsuur of plaats bepalen. Bepaald is dat het presidium hierover overleg voert met de griffier. Indien de commissiegriffier echter meer inhoudelijke taken vervult, is het ook denkbaar dat hierover overleg wordt gevoerd met de commissiegriffier.

Artikel 31

De leden van een raadscommissie ontvangen een oproep inclusief de agenda voor een vergadering en de stukken tenminste 6 dagen voor de vergadering. Indien in spoedeisende gevallen een aanvullende agenda wordt vastgesteld bedraagt deze termijn minimaal 48 uur voor een vergadering. Uiteraard kan ook voor andere termijnen worden gekozen. Wel zal de termijn uiteraard zodanig moeten zijn dat de leden van een raadscommissie in staat zijn om de stukken te lezen. De stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd worden niet toegezonden, maar kunnen bij de griffier worden ingezien (artikel 33, derde lid).

Artikel 32

Voor het verzenden van de oproep stelt het presidium de agenda voorlopig vast. Het versturen van de agenda is geregeld in artikel 31.

In dit artikel is allereerst een procedure voor spoedeisende zaken geregeld.

Uiteindelijk bepaalt een raadscommissie haar eigen agenda. De agenderende rol van een raadscommissie komt tot uitdrukking in het tweede, derde en vierde lid. Dit betekent onder andere dat een raadscommissie kan bepalen dat een onderwerp of voorstel onvoldoende voorbereid en voor inlichtingen of advies aan het college wordt gezonden. Een raadscommissie bepaalt vervolgens in welke vergadering het onderwerp of voorstel opnieuw geagendeerd wordt en niet het college. Uiteraard zal hierover wel overleg gevoerd moeten worden met het college of de gemeentesecretaris.

Artikel 33

Naast de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, worden stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen via internet aangeboden voor zover zij openbaar zijn. Raadsleden kunnen daarover ook via het door de gemeente verstrekte device beschikken. De niet-openbare stukken zijn voor raadsleden ‘achter de inlog’ toegankelijk (bijvoorbeeld stukken met persoonsgegevens).

Stukken waarop de verplichting geheimhouding is opgelegd, kunnen leden van raadscommissies bij de griffie inzien (lid 3).

Artikel 34

Op grond van artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet moet de voorzitter van een raadscommissie tegelijkertijd met de schriftelijke oproep de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering ter openbare kennis brengen. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden tegelijkertijd met de oproep en op een bij openbare kennisgeving aan te geven plaats gepubliceerd. Deze bepaling geeft hier een regeling voor.

Artikel 35

Artikel 20 van de Gemeentewet regelt het vergaderquorum van de raad. Voor de raadscommissies ontbreekt een dergelijke bepaling in de Gemeentewet. Artikel 35 voorziet hierin. Indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is, kan worden vergaderd.

Het derde lid voorziet in een regeling voor een nieuwe vergadering indien het quorum niet aanwezig is, anders zou de afwezigheid van leden van een raadscommissie de voortgang van werkzaamheden kunnen belemmeren. Uiteraard staat op het moment dat de voorzitter bepaalt op welke datum en tijdstip, nog niet vast op welk moment de schriftelijke oproep uitgaat. Indien er enkele dagen tussen de twee vergaderingen zit, mag er vanuit worden gegaan dat het mogelijk is om 24 uur van tevoren een oproep te versturen. Overigens ligt het in de rede dat de voorzitter overlegt met de raadscommissie over de datum van een nieuwe vergadering.

Artikel 36

Er is voor gekozen om geen spreekrecht in de raadsvergadering toe te kennen. Dit omdat de besluitvormingsproces in de raadsvergadering al zover gevorderd is dat aan het inspreken geen recht kan worden gedaan. Tijdens de commissievergaderingen zijn er meer mogelijkheden voor de inspreker om van gedachten te wisselen met de commissieleden en zo bij te dragen aan de uiteindelijke voorbereiding van de besluitvorming in de raad. Het spreekrecht van burgers kan bijdragen aan het vergroten van de betrokkenheid van de inwoners bij het lokaal bestuur.

Het spreekrecht is beperkt gehouden tot geagendeerde onderwerpen, omdat burgers op die manier een doeltreffende bijdrage kunnen leveren aan de beraadslagingen van een raadscommissie. Doordat het spreekrecht betrekking heeft op geagendeerde onderwerpen, kan een burger alleen inspreken over onderwerpen die een raadscommissie aangaan. Als een burger zich meldt voor een onderwerp dat een andere raadscommissie aangaat, ligt het voor de hand dat de griffier de betreffende persoon naar de juiste raadscommissie verwijst.

Naast het inspreken bij de vergaderingen voor de raadscommissies zijn er ook andere momenten voor inwoners en vertegenwoordigers van bedrijven, organisaties en verenigingen om bepaalde zaken onder de aandacht van de raadsleden/-fracties te brengen. Dit kan bij raadsspreekuren, bij fractievergaderingen en regelmatig tijdens beeldvormende bijeenkomsten.

Daarnaast is er nog het instrument van het burgerinitiatief voor inwoners om een niet-geagendeerd onderwerp op de agenda van de raad- of commissie te plaatsen. Dat instrument kent zijn eigen regels en procedures.

In het tweede lid zijn drie onderwerpen opgenomen, waar het spreekrecht niet voor geldt. Als een besluit van de raad of het college vatbaar is voor beroep en de inwoner belanghebbende is, kan de burger een beroepschrift indienen. Verder zijn de benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen van personen uitgesloten van het spreekrecht van inwoners. Omdat inspraak over de benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen - de belangen van - kandidaten al dan niet in de uitoefening van hun ambt of functie kan schaden, kunnen burgers hierover geen uitlatingen doen. Als laatste kunnen inwoners zich ook niet uitlaten over onderwerpen, waar zij op grond van artikel 9:2 Algemene wet bestuursrecht een klacht over kunnen indienen. Deze procedure gaat voor het spreekrecht van inwoners.

De inwoners die wensen in te spreken, moeten zich op de dag van de vergadering uiterlijk om 12.00 uur melden bij de commissiegriffier.

Het inspreken zelf wordt gekoppeld aan het onderwerp waarop wordt ingesproken. De inwoner neemt plaats in de kring en hij krijgt vijf minuten de gelegenheid om zich tot de commissie te richten; er vindt geen discussie plaats. Zijn er meer dan in totaal zes insprekers, dan kan de voorzitter de spreektijd inkorten.

Artikel 37

Dit artikel regelt de verslag leggende taak van de commissiegriffier en de wijze waarop verslag wordt gelegd en vastgesteld.

Er wordt gebruik gemaakt van de digitale beeld- en geluidsopnames die als verslaglegging gelden. In dit artikel wordt voorzien in de situatie dat er onverhoopt sprake mocht zijn van technisch malheur rond de digitale beeld- en geluidsopname. De commissiegriffier zorgt dan voor een samenvattend verslag. Verder draagt de commissiegriffier er zorg voor dat de geluidsopname aan het archief wordt aangeboden.

De commissiegriffier maakt een besluitenlijst op van de commissievergadering. In lid 7 staat welke onderdelen die lijst tenminste dient te bevatten. In lid 6 is aangegeven wie tot welk moment voorstellen tot wijziging van de besluitenlijst kunnen indienen. Ook staat vermeld dat dit bij de commissiegriffier dient te gebeuren.

De (concept) besluitenlijst wordt tegelijkertijd met de oproep verstuurd aan de leden en overige personen die het woord gevoerd hebben. Omdat wethouders, de burgemeester, de griffier en de gemeentesecretaris ook het woord kunnen voeren in de vergadering, kunnen zij tevens een voorstel tot verandering van de die lijst aan de commissie doen. Een voorstel tot verandering dient voorafgaand aan de vergadering schriftelijk te worden ingediend en wel voor 12.00 uur van de dag van de eerstvolgende commissievergadering. Het is ook mogelijk om te bepalen dat dit kan plaatsvinden tot het moment dat de besluitenlijst wordt vastgesteld. Er is hier gekozen om het voor de commissiegriffier zo praktisch mogelijk te regelen.

De commissiegriffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de commissie. Daarom is de commissiegriffier aangewezen om voorstellen tot wijzigingen van de besluitenlijst in ontvangst te nemen en de besluitenlijst op te stellen. Het is aan de commissie om te beslissen of een voorgestelde wijziging of aanvulling geaccepteerd wordt.

Een afwijzing van een dergelijk voorstel is niet vatbaar voor beroep (aldus de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State).

Als een gemeente de mogelijkheid aan inwoners biedt om burgerinitiatiefvoorstellen in te dienen, wordt daarvan ook melding gemaakt.

Artikel 38

In het belang van de handhaving van de vergaderorde is ervoor gekozen om de spreekregels expliciet op te nemen.

Artikel 39

Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten. Dit hoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste termijn. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren. Indien de raadscommissie van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten.

Artikel 40

Dit artikel strekt ertoe te benadrukken dat een raadscommissie op eigen initiatief regels kan stellen over de spreektijd van de leden. Hetzelfde geldt voor de spreektijd van overige sprekers. De voorzitter hoeft dit niet voor te stellen. De voorzitter kan in het kader van zijn taak om de orde tijdens de vergadering te handhaven wel voorstellen de spreektijd te beperken.

Artikel 41

Ieder lid heeft te allen tijde het recht een voorstel van orde te doen. De beslissing of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde is aan de betreffende raadscommissie. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door een raadscommissie. Ieder commissielid heeft daarbij één stem. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen, (artikel 32, vierde lid Gemeentewet is hierop niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een (overleg) pauze.

Artikel 42

Het eerste lid verzekert dat leden van een raadscommissie vrijelijk kunnen spreken. Wel zijn interrupties uiteraard toegestaan voor zover de voorzitter bij een overvloed aan interrupties of in het belang van de voortgang van de beraadslagingen niet bepaalt dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om te bevorderen dat leden van raadscommissies zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten bepaalt artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet bovendien dat artikel 22 van diezelfde wet van overeenkomstige toepassing is op leden van raadscommissies. Hierdoor zijn leden van raadscommissies niet in rechte te vervolgen, aan te spreken of verplicht getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. Dit geldt voor zowel raadsleden als niet-raadsleden.

Op basis van het tweede lid kunnen alle sprekers in bepaalde gevallen door de voorzitter tot de orde worden geroepen en kan hen zo nodig over het aanhangige onderwerp het woord ontzegd worden. Ook kan de voorzitter de vergadering schorsen en bij herhaling van de verstoring van de orde, kan hij de vergadering sluiten. In het uiterste geval kan hij een lid het verdere verblijf ontzeggen en hem uit de vergadering doen verwijderen. Indien een lid blijft volharden in zijn gedrag kan hem de toegang tot de vergadering voor ten hoogste drie maanden worden ontzegd. Het vierde lid is sluit aan bij artikel 26, derde lid, van de Gemeentewet, die een dergelijke regeling geeft ten aanzien van raadsleden.

Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed- of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Voor wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar artikel 49 van dit reglement.

Artikel 43

Om de duur van vergaderingen niet te beperken wordt over een voorstel dat in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel beraadslaagd. In het eerste lid is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen. Zowel de voorzitter als de leden hebben het recht om voor te stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Het eerste lid brengt daarmee tot uitdrukking dat een raadscommissie zijn eigen werkwijze bepaalt. Het recht wordt aan ieder individueel raadslid toegekend.

Dit past in het streven naar dualisering, aangezien dualisering versterking van de vertegenwoordigende en daarmee agenderende rol van een raadscommissie veronderstelt. Hiertoe dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties over adequate instrumenten te beschikken.

Indien de schorsing als bedoeld in het tweede lid aan het einde van de tweede termijn plaatsvindt, zijn er vervolgens twee mogelijkheden: de beraadslagingen worden gesloten (zie ook artikel 45) of aan de beraadslagingen wordt een derde termijn toegevoegd (zie artikel 41).

Artikel 44

Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 Gemeentewet geregelde verschoningsrecht, dat in artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op leden van raadscommissies en andere personen die aan de beraadslagingen deelnemen. Het is uiteraard ook mogelijk dat een raadscommissie bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen. Het gaat in deze bepaling om anderen dan de leden, de voorzitter, de burgemeester, de wethouders en de gemeentesecretaris. Deze hebben op grond van artikel 29 van dit reglement reeds het recht om aan de beraadslagingen deel te nemen. Uiteraard hebben deze andere sprekers niet dezelfde rechten als de leden. Een andere spreker heeft onder meer geen recht om een voorstel te doen tot wijziging van het verslag, een voorstel over de spreektijd of over de orde van de vergadering.

Artikel 45

De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij een raadscommissie anders beslist. Een raadscommissie neemt geen beslissingen, maar bereidt de besluitvorming in de raad voor en overlegt met het college en de burgemeester. Wel kan een raadscommissie gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen aan de raad. De leden beslissen over het advies (hamerstuk of bespreekstuk). Ten behoeve van het debat in de raad en om recht te doen aan de mening van alle fracties, inclusief minderheidsstandpunten, wordt de standpunten van alle fracties opgenomen. Bij bespreekstukken wordt aangegeven waarover het debat in de raad wordt gevoerd. Het ligt voor de hand dat indien een lid het niet eens is met het fractiestandpunt, dat hier afzonderlijk melding van wordt gemaakt in het advies aan de raad.

Artikel 46

Bij bepalingen die van overeenkomstige toepassing zijn kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het vergaderquorum en voorstellen van orde. De bepalingen van deze verordening zijn echter niet van toepassing, voor zover de toepassing van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden.

Artikel 47

De commissiegriffier is verantwoordelijk voor de verslaglegging van de commissievergadering. Dit geldt ook voor een besloten vergadering of een besloten deel van een openbare vergadering.

In dit artikel wordt aangegeven dat het maken van een beknopt schriftelijk verslag van de besloten vergadering of van het besloten deel van de vergadering in de regel afdoende is. Dit verslag ligt ter inzage bij de griffie. In het geval enkel het beknopt schriftelijk verslag onvoldoende wordt geacht, kan worden verzocht om het videoverslag.

Voor wat betreft de voorstellen tot wijziging van het beknopt schriftelijk verslag wordt aangesloten bij artikel 37 lid 6.

Artikel 48

Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raadscommissie of de verplichting tot geheimhouding omtrent het verhandelde in de vergadering al dan niet wordt opgeheven.

De verplichting tot geheimhouding kan door de raad, worden opgeheven (artikel 89, vierde lid, van de Gemeentewet). Wel bestaat er een overlegverplichting, waarmee recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.

Artikel 49

Artikel 26, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet regelen dat de voorzitter van de raad toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen. Voor raadscommissies ontbreekt een dergelijke bepaling in de Gemeentewet, het derde lid voorziet hierin.

Artikel 50

Aangezien de vergaderingen van een raadscommissie in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft.

Artikel 51

In deze tijd is het nauwelijks nog denkbaar om een verbod af te vaardigen op het gebruik van mobiele communicatiemiddelen. Immers mobiele (communicatie)middelen worden o.a. gebruikt om de vergaderstukken binnen te halen, aantekeningen te maken e.d. Daarom ziet dit artikel erop toe dat de gebruikers het geluid afzetten van de apparaten.

Hoofdstuk 7 De raadsvergadering

Artikel 51a

De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudst in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering.

Artikel 51b

De raad is verplicht een griffier aan te wijzen (artikel 100 en 107 Gemeentewet). De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen.

In verband met artikel 22 Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging. Rechtspositionele bepalingen omtrent de beëdiging, woonplaats etc. zijn niet in dit reglement opgenomen, aangezien dat beter geregeld kan worden in de ambtsinstructie voor de griffier, die de raad vaststelt. In de instructie voor de griffier zijn de taken van de griffier uitgewerkt.

Artikel 52

Op grond van artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe heeft besloten en verder als de burgemeester het nodig oordeelt of als ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. Het tweede lid brengt tot uitdrukking dat de voorzitter in het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur zoveel mogelijk overleg pleegt in het presidium. Op deze wijze houdt het presidium ook bij vergaderingen, die niet op het gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip en de plaats van de vergadering.

Het wijzigen van het aanvangsuur is van gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de raadsleden het raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde functie.

Artikel 53

In artikel 19, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.

Het eerste lid bepaalt dat de voorzitter ten minste zes dagen vóór een vergadering de leden een oproep stuurt, waarin de vergadering wordt aangekondigd. Gekozen is om dezelfde termijn te hanteren als voor de raadscommissies. De oproep vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de vergadering. Het tweede lid stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de stukken waarop de verplichting tot geheimhouding rust, tegelijkertijd met de oproep aan de leden worden verzonden. Als er stukken zijn waarop de verplichting tot geheimhouding rust wordt hier melding van gemaakt op de stukken. Uiteraard is het mogelijk, oproep en de stukken digitaal te versturen verspreiden.

Artikel 54

Het presidium bepaalt hoe de agenda eruit komt te zien (artikel 3 van dit reglement). Het versturen van de agenda en stukken is geregeld in artikel 53. Dit is echter een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om een week voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de „waan‟ van de dag. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen. Dit kan echter niet tot op het laatste moment, maar tot uiterlijk twee dagen voor de aanvang van de vergadering.

Het tweede lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Individuele raadsleden kunnen via het presidium onderwerpen voor de agenda voordragen. Zij kunnen echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.

Het derde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om de raad van voldoende informatie te voorzien. Als de raad niet voldoende op de hoogte is van de inhoud en strekking van een onderwerp, is het niet gewenst dat de raad zich over dit onderwerp uitspreekt. In een dergelijk geval heeft de raad de mogelijkheid, het onderwerp naar een commissie te verwijzen of aan het college nadere inlichtingen of advies te vragen.

Het vierde lid regelt dat de raad op verzoek van een lid of op voorstel van de voorzitter de volgorde van behandeling van de agendapunten kan wijzigen.

Voorstellen aan de raad kunnen van diverse actoren afkomstig zijn. In de eerste plaats zijn dit het college en de burgemeester. Daarnaast kunnen raadsleden initiatiefvoorstellen indienen. Het presidium kan voorstellen doen die te maken hebben met de organisatie en de werkzaamheden van de raad (zie artikel 3).

Artikel 55

In dit artikel gaat het om de zogenaamde „achterliggende‟ stukken waarvan vaak in de raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota's, etc.). Een agendapunt kan betrekking hebben op een grote hoeveelheid verschillende stukken.

Alle aangeboden openbare stukken zijn voor een ieder via internet beschikbaar voor zover zij openbaar zijn. Raadsleden kunnen daarover ook via het door de gemeente verstrekte device beschikken. De niet-openbare stukken zijn voor raadsleden ‘achter de inlog’ toegankelijk (bijvoorbeeld stukken met persoonsgegevens).

Een stuk is een „document‟ in de zin van de Wet Open Overheid (WOO). Een document houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s, notulen, en (concept)adviezen verkrijgen de status van document in de zin van de WOO.

De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Het ligt dan ook in de rede dat stukken, die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en waarop de verplichting tot geheimhouding rust, bij hem ter inzage worden gelegd. Op verzoek van de leden van de raad kan de griffie inzage aan hen verlenen.

Het is niet de bedoeling, dat een lid van de raad of een ander het originele stuk mee naar huis neemt. Dit zou betekenen dat andere raadsleden en geïnteresseerden niet meer de mogelijkheid hebben om het document in te zien.

Artikel 56

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht en is tevens de verplichting opgenomen de agenda en stukken ook op het internet te plaatsen. Vanuit het oogpunt van service aan de inwoner is dit gewenst. Dit is echter niet verplicht op grond van de Gemeentewet. In het reglement wordt aangegeven dat de aankondiging van de vergaderingen van de raad in een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad wordt geplaatst.

Artikel 57

De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen, dat het vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet.

De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom stelt hij samen met de voorzitter de presentielijst vast en ondertekent deze. Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was. Raadsleden die na aanvang van de vergadering binnenkomen of vóór de sluiting de vergadering verlaten geven daarvan kennis aan de voorzitter. In de besluitenlijst wordt daarvan aantekening gemaakt.

Artikel 58

De voorzitter en griffier zijn in elke vergadering aanwezig en hebben daarom een eigen zitplaats. Ook de leden van de raad, de leden van het college en gemeentesecretaris hebben een eigen zitplaats. De voorzitter kan na overleg in het presidium de indeling herzien, indien daartoe aanleiding bestaat. Ook andere personen kunnen uitgenodigd worden om ter vergadering aanwezig te zijn. De voorzitter is de aangewezen persoon om voor een zitplaats voor hen te zorgen.

Artikel 59

De vergadering kan beginnen, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende raadsleden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend. Artikel 20 van de Gemeentewet voorziet in een procedure voor een tweede vergadering indien het vereiste aantal leden niet op komt dagen.

Artikel 60

Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering, ook na een eventuele schorsing. Uiteraard is ook hier afwijking mogelijk, bijvoorbeeld door te bepalen dat pas op het moment van stemming de primus wordt bepaald. Zie ook artikel 72, zesde lid.

Artikel 61

Dit artikel regelt de verslag leggende taak van de griffier en de wijze waarop verslag wordt gelegd en vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting op een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, zesde lid Gemeentewet).

Naast de besluitenlijst wordt enkel gebruik gemaakt van de digitale beeld- en geluidsopnames die als verslaglegging gelden. In dit artikel wordt voorzien in de situatie dat er onverhoopt sprake mocht zijn van technisch malheur rond de digitale beeld- en geluidsopname. De griffier zorgt dan voor een samenvattend verslag. Verder draagt de griffier er zorg voor dat de geluidsopname aan het archief wordt aangeboden.

De griffier maakt een besluitenlijst op van de raadsvergadering. In lid 6 staat welke onderdelen die besluitenlijst tenminste dient te bevatten. In lid 5 is aangegeven wie tot welk moment voorstellen tot wijziging van de besluitenlijst kunnen indienen. Ook staat vermeld dat dit bij de griffier dient te gebeuren.

De (concept) besluitenlijst wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep verstuurd aan de leden en overige personen die het woord gevoerd hebben. Omdat wethouders, de burgemeester, de griffier en de gemeentesecretaris ook het woord kunnen voeren in de vergadering, kunnen zij tevens een voorstel tot verandering van de besluitenlijst aan de raad doen. Een voorstel tot verandering dient voorafgaand aan de vergadering schriftelijk te worden ingediend en wel voor 12.00 uur op de dag van de eerstvolgende raadsvergadering. Het is ook mogelijk om te bepalen dat dit kan plaatsvinden tot het moment dat de besluitenlijst wordt vastgesteld. Er is hier gekozen om het voor de griffier zo praktisch mogelijk te regelen.

De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom is de griffier aangewezen om voorstellen tot wijzigingen van de besluitenlijst in ontvangst te nemen, de besluitenlijst op te stellen en deze, tezamen met de voorzitter, te ondertekenen Het is aan de raad om te beslissen of een voorgestelde wijziging of aanvulling geaccepteerd wordt. Een afwijzing van een dergelijk voorstel is niet vatbaar voor beroep (uitspraak Afdeling Rechtspraak van de Raad van State).

De besluitenlijst moet op zo kort mogelijke termijn worden gepubliceerd. In de praktijk is dat geen probleem, aangezien de besluitenlijst „slechts‟ een overzicht geeft van (alle) door de raad genomen beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht maar ook bijvoorbeeld een afspraak om een werkbezoek af te leggen).

Andere vormen van verslaglegging zijn ook mogelijk. Bijvoorbeeld een geluidsopname van de raadsvergadering op een elektronische geluidsdrager met een overzicht van de sprekers, de onderwerpen -voorzien van tijdscodes- en een besluitenlijst. Aangezien de vergaderingen van de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft. Wel dient rekening gehouden te worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen hebben een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts vanaf een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat inwoners die inspreken niet gefilmd mogen worden, uiteraard in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met beeldregistraties.

Artikel 62

Omtrent de (aan de raad gerichte) ingekomen stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming, steunen, afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie, doorsturen naar het college etc.

Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid.

De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in principe ook bij de raad binnen. De mededelingen zijn dan ook een ingekomen stuk. Verder bewaakt de voorzitter de orde van de vergadering. De raad stelt op voorstel van de griffier de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. In eerdere versies van het reglement was deze taak bij het presidium gelegd. Het presidium buigt zich in praktijk alleen over de agenderingsverzoeken of aangepaste afdoeningsverzoeken.

Artikel 63

In het belang van de handhaving van de vergaderorde is ervoor gekozen om de spreekregels expliciet op te nemen.

Artikel 64

De voorzitter bepaalt de volgorde van de sprekers, waarbij een lid van de raad niet eerder het woord voert dan nadat de voorzitter dit hem heeft verleend. De volgorde van sprekers kan worden gewijzigd wanneer een lid van de raad het woord vraagt over de orde van de vergadering.

Artikel 65

Indien de raad van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste termijn.

Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren.

De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp.

Artikel 66

De raadsvergaderingen kennen al sinds april 2012 spreektijden voor de fracties en het college. Het presidium stelt die vast na overleg met het fractievoorzittersoverleg.

In het tweede lid wordt het mogelijk gemaakt om voor bepaalde raadsvergaderingen – of delen daarvan – geen spreektijden te hanteren. Daarbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de behandeling van de Perspectiefnota en de Programmabegroting.

Artikel 67

Het eerste lid verzekert dat raadsleden vrijelijk kunnen spreken. In het eerste lid is geregeld dat een spreker zijn betoog zonder interrupties afrondt. Om te bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten, is in artikel 22 Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte te vervolgd kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht zijn getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen.

Het tweede lid heeft naast de leden die het woord voeren, ook betrekking op de wethouders, de gemeentesecretaris, de griffier of andere personen, die het woord voeren. De voorzitter kan hen tot de orde roepen. Indien zij hieraan geen gehoor geven, kan hen het woord worden ontzegd.

De bevoegdheid die in het tweede lid aan de voorzitter wordt gegeven om een spreker over een aanhangig onderwerp het woord te ontzeggen, gaat minder ver dan de mogelijkheid die artikel 26, derde lid, van de Gemeentewet biedt om aan dat lid, dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, de toegang tot de vergadering te ontzeggen. De laatstgenoemde bevoegdheid van de voorzitter blijft echter onverlet. Artikel 67 is slechts een aanvulling op de Gemeentewet. Een besluit van de voorzitter om iemand het woord te ontnemen is een op feitelijk handelen gerichte beslissing met een intern karakter. Dit is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. (JB 9 (2002) 138).

Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed- of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Voor wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar de artikel 93 van dit reglement.

Artikel 68

Teneinde de vergaderduur niet te zeer te verlengen wordt over een voorstel dat in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel beraadslaagd. In het tweede lid is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen. Door de toevoeging „of een lid van de raad‟ wordt ook raadsleden het recht toegekend om voor te stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Dit brengt tot uitdrukking dat de raad zijn eigen werkwijze bepaalt. Het recht is aan ieder individueel raadslid toegekend. Dit past in het streven naar dualisering, aangezien dualisering versterking van de vertegenwoordigende en daarmee agenderende rol van de raad veronderstelt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties over adequate instrumenten te beschikken.

Indien de schorsing als bedoeld in het derde lid aan het einde van de tweede termijn plaatsvindt, zijn er vervolgens twee mogelijkheden: er wordt direct tot stemming overgegaan of aan de beraadslagingen wordt een derde termijn toegevoegd.

In het derde lid wordt onder meer gesproken over het college dat de mogelijkheid krijgt tot nader beraad. Dit is uiteraard alleen het geval indien het college bij de bespreking van het betreffende onderwerp vertegenwoordigd is.

Artikel 69

Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 Gemeentewet geregelde verschoningsrecht. Het gaat in deze bepaling om anderen dan de leden, de voorzitter, de burgemeester, de wethouders en de gemeentesecretaris. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen.

Deze andere sprekers niet dezelfde rechten als de leden. Een andere spreker heeft onder meer geen recht om een voorstel te doen tot wijziging van het verslag, een voorstel over de spreektijd of over de orde van de vergadering.

In het tweede lid wordt het begrip „beslissing‟ gebruikt. Het gaat hier namelijk niet om het besluitbegrip in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 70

Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden tot de stemming begint.

Artikel 71

De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing.

Artikel 72

Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet. Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid Gemeentewet, welke een hoofdelijke stemming verplicht.

De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van artikel 28 Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij wie de stemming begint, is geregeld in lid 6 van dit artikel.

Bij de toepassing van artikel 28 Gemeentewet is het aan een individueel raadslid zelf om te beslissen of hij zich onthoudt van beraadslaging of stemming; de raad heeft zelf geen instrumenten om een individueel raadslid van beraadslaging of stemming uit te sluiten. Om dit te verduidelijken, is artikel 2:4 Awb uitgezonderd. Die bepaling stelt dat een bestuursorgaan zijn taak vervult zonder vooringenomenheid en ervoor moet waken dat personen die deel uit maken van het bestuursorgaan of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en een persoonlijk belang hebben, de besluitvorming beïnvloeden. In artikel 2:4 Awb is echter geen rekening gehouden met een

bestuursorgaan dat bestaat uit democratisch gekozen leden, zoals de gemeenteraad. Het is ook niet wenselijk dat de raad als geheel verantwoordelijk is voor het voorkomen van belangenverstrengeling van individuele raadsleden.

Een ander onderscheid tussen beide bepalingen betreft het begrip 'persoonlijk belang'. Dit begrip heeft in artikel 2:4 Awb een veel ruimere betekenis dan hetzelfde begrip in artikel 28 Gemeentewet. In situaties dat een raadslid zich dient te onthouden van beraadslaging of stemming dient dit begrip strikt te worden geïnterpreteerd vanwege de inperking van het fundamentele recht van het raadslid om te beraadslagen en te stemmen. Om bovengenoemde redenen is in artikel 28 Gemeentewet expliciet opgenomen dat artikel 2:4 Awb niet van toepassing is. Artikel 28 Gemeentewet is volgens de wetgever een lex specialis ten opzichte van artikel 2:4 Awb.

Bij stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen dat een te nemen besluit aanvechtbaar zou kunnen zijn in een bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kader van een spontane vernietiging door de Kroon (artikel 268 van de Gemeentewet).

Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de wet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

In gemeenten kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden waarbij de openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond van de wet.

In het zesde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming. Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering.

Artikel 73

Voor meer informatie over een amendement of een motie (betekenis, indiening e.d.) wordt verwezen naar de artikelen 1, 77 en 78 van dit reglement. Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de beraadslagingen over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing.

Artikel 74

Dit reglement gaat vooralsnog uit van een stemming doormiddel van een behoorlijk ingevuld stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (MvT, 19 403, nr. 3 p. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld. In het vijfde lid is vermeld wat onder een behoorlijk stembriefje wordt verstaan

Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon aan in een bepaald ambt (raadslid, wethouder). Op het stembiljet wordt de naam van de te benoemen persoon (of personen in geval van meerdere vacatures) met daarachter de opties „voor‟ en „tegen‟ vermeld. Het gaat hier overigens niet over de benoeming tot raadslid, dit is een heel ander soort benoeming dat in artikel 21 van dit reglement wordt toegelicht. Onder voordracht wordt verstaan het als kandidaat voorstellen van een persoon voor een bepaald ambt. Een voordracht is voor de raad bindend, op de stembiljetten dienen de namen van de voorgedragen perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de opties „voor‟ en „tegen‟. Bij een aanbeveling wordt voorgesteld om bepaalde personen voor een bepaald ambt voor te dragen, de raad mag van de aanbevelingen afwijken. Het betreft hier een zogenaamde vrije stemming. Op de stembiljetten kunnen de namen van de aanbevolen personen te worden vermeld met daarachter de opties „voor‟ en „tegen‟ én een vrije ruimte waar een kandidaat van eigen keuze kan worden ingevuld.

Artikel 75

Het tweede lid strekt ertoe verwarring over de term „herstemming‟ in artikel 31, tweede lid, van de Gemeentewet te voorkomen.

Artikel 76

In dit artikel wordt een nadere uitwerking gegeven van hetgeen in artikel 31, derde lid van de Gemeentewet is voorgeschreven.

Artikel 77

Elk lid van de raad kan wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen ter behandeling in de raad, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel 65 van dit reglement).

Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in artikel 77 van dit reglement. Op basis van artikel 147b, tweede lid, juncto artikel 147a, tweede lid, van de wet is de raad verplicht een amendement te behandelen, overeenkomstig de door de raad vastgestelde regels. Uit de bewoordingen van artikel 147b, tweede lid, van de wet blijkt dat het recht om amendementen in te dienen aan elk individueel raadslid toekomt; drempelsteun is derhalve niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).

Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub)amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener. Daarom is bepaald dat er alleen wordt beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben (eerste lid).

Voor wat betreft de stemming over amendementen wordt verwezen naar artikel 73. Voorstel tot splitsing van een voorgesteld beslissing kan, indien aangenomen, meebrengen, dat één onderdeel van een besluit wel en een ander niet wordt aanvaard.

Artikel 78

In artikel 1 is de definitie van het begrip ‘motie’ gegeven. Een ‘motie’ is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke of procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom is het college formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken.

Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft (derde lid).

Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt na behandeling van de bespreekstukken plaats (vierde lid). Dergelijke moties benaderen de in artikel 80 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad.

In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt, namelijk in artikel 49. Dit betreft de “motie van wantrouwen” waarbij de raad uitspreekt het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.

Artikel 79

Zowel een lid van de raad als de voorzitter kan een voorstel van orde doen tijdens de vergadering. De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (omdat het ordevoorstel betrekking heeft op de lopende vergadering is artikel 32, vierde lid, van de wet hierop logischerwijs niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 80).

Artikel 80

Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen, maar de raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend.

In artikel 147a, eerste lid, van de wet is dit uitgewerkt. Hier is bepaald dat een lid van de raad een initiatiefvoorstel kan indienen; met deze formulering wordt tot uitdrukking gebracht dat dit recht aan elk individueel raadslid toekomt, drempelsteun is dus niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).

Het tweede en derde lid van artikel 147a van de wet bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld.

Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van de eis van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie.

De wet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet aanhangig worden gemaakt door het schriftelijk of digitaal aan de griffier te zenden (eerste lid). De verdere wijze van behandeling is in lid 2 tot en met 7 van dit artikel opgenomen (op welke wijze en onder welke voorwaarden). Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen.

In het vierde lid van artikel 147a van de wet is sinds 1 februari 2016 bepaald dat het college de gelegenheid moet krijgen om wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Het college moet immers de besluiten van de raad uitvoeren (artikel 160, eerste lid, onder b, van de wet). Deze zgn. voorhangregeling is uitgewerkt in het tweede lid van dit artikel. Het is in eerste instantie aan de indiener om te beslissen wat hij met die inbreng doet en uiteindelijk beslist de raad over het al dan niet gewijzigde voorstel (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33691, 3, p. 2-3).

Het derde lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst nadat het college in de gelegenheid is gesteld om zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Het college is vrij in het gebruiken van de mogelijkheid om een bestuurlijke reactie op het initiatiefvoorstel bij de raad onder de aandacht te brengen. Het is geen verplichting om een bestuurlijke reactie te geven. Het college kan ervoor kiezen deze reactie schriftelijk, als wel mondeling tijdens de behandeling van het voorstel in de raadsvergadering te geven.

Als de oproep voor die vergadering echter al verzonden is, dan plaatst de voorzitter het niet op de agenda van eerstvolgende, maar daaropvolgende raadsvergadering. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 54, tweede lid van dit reglement, voor te stellen het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Voor zover de in het tweede lid gestelde termijn dan nog niet verlopen is zal er echter niet over het voorstel besloten kunnen worden (artikel 147a, van de Gemeentewet, juncto tweede lid van artikel 30). Dit staat er weliswaar niet aan in de weg dat er al over wordt beraadslaagd in de raadsvergadering, maar de voorzitter van de raad zal dan vervolgens de stemming over het voorstel aan moeten houden totdat het college in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Ook kan nadere beraadslaging op dat moment wenselijk worden geacht.

Voor het overige is het aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt behandeld als het op de agenda staat. Indien de wensen of bedenkingen van het college daar aanleiding toe geven kan de indiener van het voorstel eventuele wijzigingen doorvoeren. Hij of zij is daartoe echter niet verplicht, omdat de wet alleen aangeeft dat het college de mogelijkheid moet hebben om een visie op het initiatiefvoorstel te hebben. Er is geen verplichting om de wensen of bedenkingen ook daadwerkelijk in het voorstel te verwerken. Dat kan ook met een afzonderlijke raadsbrief of collegememo.

Artikel 81

Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat het college een voorstel wil wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven (eerste lid).

Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw wordt behandeld. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan het presidium overlaten.

Artikel 82

Dit artikel stelt nadere regels bij artikel 155, tweede lid, van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht en is een zwaarder instrument. Het gaat om het recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig, omdat de vergaderorde wordt doorbroken.

Artikel 83

Het vragenrecht stelt de leden van de raad in staat informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. Deze dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het college of de burgemeester geeft daarom het schriftelijke antwoord. In de praktijk zal een schriftelijk antwoord van het college vaak door de desbetreffende portefeuillehouder gegeven worden (artikel 168 van de Gemeentewet).

De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is dat de verantwoordelijke portefeuillehouder of de burgemeester in de commissievergadering e.e.a. komt toelichten en nadere vragen komt beantwoorden. Om die reden is in het vijfde lid ingevoegd.

In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen.

Artikel 84

Deze bepaling vormt een invulling van artikel 155, eerste lid, van de Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht. Het is een facultatieve bepaling. Het is aan de raad om te bepalen of de instelling van een vragenhalfuur en daarmee het opnemen van een dergelijke bepaling in het reglement van orde wenselijk is. Wel kan het vragenhalfuur bijdragen aan een vergroting van de betrokkenheid van inwoners bij het bestuur: één van de doelstellingen van de dualisering.

Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenhalfuur. Veelal fungeert de rondvraag in de raadsvergadering als een mogelijkheid tot het stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is het echter niet meer vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die reden en omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten goede komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel om vragen te stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot. In het vragenhalfuur krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen.

Het karakter van het vragenhalfuur verschilt dan ook van het recht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt. Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur. Het vragenhalfuur kan bijvoorbeeld voorafgaand aan de raadsvergadering worden gehouden. Wel is het voor de herkenbaarheid voor de inwoners raadzaam om het vragenhalfuur op een vast tijdstip te houden.

In het tweede lid is een aanmeldingstermijn voor vragen opgenomen vanwege het feit dat de wethouders moeten worden uitgenodigd om antwoord te kunnen geven op de vragen van de raadsleden. Ook is aangegeven in welke gevallen de voorzitter de vragen kan of zelfs moet weigeren.

Artikel 85

In artikel 85 wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad.

Artikel 86 en artikel 87

In deze artikelen wordt de procedure voor de begroting en jaarrekening vastgelegd. De desbetreffende procedure kan jaarlijks of in zijn algemeenheid voor een langere periode worden bepaald. In de Handreiking voor de financiële verordeningen en controleverordeningen (artikel 212, 213, 213a Gemeentewet) (uitgave Vernieuwingsimpuls) wordt de inhoudelijke kant uitgewerkt.

Artikel 88

Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder of de gemeentesecretaris), die lid zijn van een algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling, verrichten daar hun taak zowel als leden van dat bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de wijze, waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling functioneren, zijn zij verantwoording verschuldigd aan de raad, die hen heeft aangewezen. Ook de gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten.

In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge verslaglegging (uiteraard kan ook een ander moment worden gekozen). En wordt aangegeven dat bespreking in een commissie kan plaatsvinden. In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke vragen aangegeven, overeenkomstig de regels, daarvoor gesteld in artikel 83.

Het derde lid bevat de procedure voor de ter verantwoording roeping, die aansluit bij de regels voor inlichtingen.

De bepalingen van dit artikel zijn ook van toepassing op andere organisaties, waarin de raad een of meer van zijn leden heeft benoemd (verbonden partijen). Hierbij valt te denken aan privaatrechtelijke rechtspersonen en vennootschappen, zoals een (raad van commissarissen van) een NV. Hierin voorziet het vierde lid.

Artikel 89

Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van orde van overeenkomstige toepassing voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering.

Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie en het maken van het verslag.

De bepalingen van dit reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden.

Artikel 90

De griffier is verantwoordelijk voor de verslaglegging van de raadsvergadering. Dit geldt ook voor een besloten vergadering of een besloten deel van een openbare vergadering.

In dit artikel wordt aangegeven dat het maken van een beknopt schriftelijk verslag van de besloten vergadering of van het besloten deel van de vergadering in de regel afdoende is. Dit verslag ligt ter inzage bij de griffie. In het geval enkel het beknopt schriftelijk verslag onvoldoende wordt geacht, kan worden verzocht om het videoverslag.

Voor wat betreft de voorstellen tot wijziging van het beknopt schriftelijk verslag wordt aangesloten bij artikel 61 lid 5.

Artikel 91

Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raad of de verplichting tot geheimhouding omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde in de vergadering al dan niet wordt opgeheven.

Artikel 92

De verplichting tot geheimhouding kan worden opgelegd door de raad, het college, de burgemeester en een commissie. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad verstrekte informatie vervalt, indien de raad de verplichting tot geheimhouding opheft (artikel 89, vierde lid, van de Gemeentewet). Wel bestaat er een overlegverplichting, waarmee recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.

Als de raad een opgelegde verplichting tot geheimhouding opheft, wil dat niet zeggen dat de desbetreffende informatie dan actief openbaar gemaakt moet worden.

Artikel 93

De hier aangeven procedurebepalingen zijn gebaseerd op de in artikel 26, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet gegeven bevoegdheid aan de voorzitter van de raad om toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang kan ontzeggen. Als de voorzitter dit nodig oordeelt, kan hij de raadsvergadering of het raadsoverleg voor een door hem te bepalen tijd schorsen ter handhaving van de openbare orde. Hij kan zo nodig de publieke tribune laten ontruimen.

Voorts geeft dit artikel de voorzitter de mogelijkheid om de raadzaal dan wel andere ruimten in het stadhuis zodanig in te richten dat zoveel mogelijk toehoorders de ruimte wordt gegeven de vergadering rechtstreeks te volgen.

Artikel 94

Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluids- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft.

Artikel 95

De aanwezigen in de vergaderzaal dienen tijdens de vergadering het geluid van hun mobiele telefoons af te zetten. Ook andere meegebrachte communicatiemiddelen dienen geen geluid te produceren dit alles om de vergaderingen niet te verstoren.

Artikel 96 en artikel 97

Deze artikelen behoeven geen toelichting.