Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757384
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757384/1
Beleidsregels bijzondere bijstand 2025 gemeente Losser
Geldend van 20-02-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2025
Intitulé
Beleidsregels bijzondere bijstand 2025 gemeente LosserBurgemeester en wethouders van de gemeente Losser;
gelet op artikel 35 van de Participatiewet;
overwegende dat het college het noodzakelijk vindt om aan te geven in welke situaties en onder welke voorwaarden bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet kan worden verstrekt en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen:
besluiten vast te stellen de
Beleidsregels bijzondere bijstand 2025 gemeente Losser
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen
-
1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (wet) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
-
2. Daarnaast wordt in deze beleidsregels verstaan onder:
- a.
Het college: het college van burgemeester en wethouders van Losser;
- b.
Bijstand: algemene en bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 5 van de Participatiewet;
- c.
Algemene bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 5 onder b van de Participatiewet;
- d.
Bijstandsnorm: de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld als bedoeld in de artikelen 20, 21, 22, 23 en 24 van de Participatiewet, inclusief de verlaging van de norm op grond van artikel 27 of 28 van de Participatiewet; Voor de toepassing van artikel 35 van de Participatiewet wordt artikel 22a van de Participatiewet (kostendelersnorm) buiten beschouwing gelaten. Als op de aanvrager de kostendelersnorm van toepassing is of zou zijn, wordt bij de bepaling van de draagkracht de bijstandsnorm gehanteerd die van toepassing zou zijn alsof er geen sprake was van een kostendelersnorm.
- e.
Periodieke bijzondere bijstand: bijzondere bijstand die maandelijks wordt verstrekt voor noodzakelijke kosten die structureel, terugkerend of doorlopend zijn, en waarvoor bijzondere bijstand daarom maandelijks (periodiek) kan worden verstrekt.
- f.
Incidentele bijzondere bijstand: bijzondere bijstand voor eenmalige noodzakelijke uitgave die door bijzondere omstandigheden ontstaat.
- g.
Draagkracht: de mate waarin belanghebbende zelf geacht wordt uit het inkomen en vermogen bij te kunnen dragen in de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd. Deze bedraagt een percentage van het meer-inkomen als bedoeld onder g en een bedrag boven de vermogensgrens als genoemd in artikel 34 van de Participatiewet;
- h.
Inkomen: alle inkomsten die iemand ontvangt, zoals lonen, uitkeringen of andere betalingen, zoals bedoeld in artikelen 32 en 33 van de Participatiewet; ;
- i.
Middelen: alle vermogens- en inkomensbestandsdelen als bedoeld in artikel 31 van de Participatiewet;
- j.
Vermogen: alles wat iemand bezit en te gelde kan maken, zoals spaargeld, waarde van bezittingen of andere financiële middelen, zoals bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet;
- k.
Meer-inkomen: het inkomen inclusief vakantiegeld voor zover dit meer bedraagt dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag);
- l.
Algemeen noodzakelijke kosten: kosten die worden gerekend tot het, op minimumniveau, algemeen gangbare uitgavenpatroon;
- m.
Bijzondere noodzakelijke kosten: kosten die voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden waardoor iemand hogere kosten heeft dan waarin een inkomen op minimumniveau voorziet;
- n.
Bijzondere individuele omstandigheden: persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende die leiden tot noodzakelijke kosten die niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, het inkomen of het vermogen. Niet de aard van de kosten, maar de individuele situatie is bepalend.
- o.
Voorliggende voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet;
- p.
WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
- q.
WSF 2000: Wet studiefinanciering 2000;
- r.
WSNP: Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, zoals bedoeld in de Faillissementswet
- s.
Wlz: Wet langdurige zorg;
- t.
Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- u.
Wko: Wet kinderopvang;
- v.
Zvw: Zorgverzekeringswet;
- w.
Nibud: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting.
- a.
Hoofdstuk 2 De aanvraag
Artikel 2 Voorwaarden bijzondere bijstand
-
1. Bijzondere bijstand wordt op aanvraag ingediend.
-
2. Bij het beoordelen van het recht op bijzondere bijstand zijn de algemene voorwaarden voor bijstandsverlening van toepassing.
-
3. Na toepassing van lid 3, dient (indien nodig) de aanvraag om bijzondere bijstand te worden beoordeeld aan de hand van criteria zoals bedoeld in artikel 35 van de Participatiewet:
- a.
Doen de kosten zich voor?
- b.
Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk?
- c.
Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden?
- d.
Kunnen de kosten worden voldaan uit de eigen draagkracht?
- a.
-
4. Het college sluit aan bij de normbedragen van de meest actuele prijzengids van het Nibud, tenzij de inwoner met een lager bedrag in de kosten kan voorzien of als voor een bepaalde kostensoort anders is bepaald.
Artikel 3 Moment van aanvragen en duur van de bijstandsverlening
-
1. Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend, voordat of vlak nadat de kosten zijn gemaakt. Bijstand met terugwerkende kracht is, op grond van artikel 44 lid 1 van de Participatiewet in principe niet mogelijk.
-
2. In afwijking van het eerste lid is bijzondere bijstand mogelijk voor kosten die voorafgaand aan de aanvraag zijn gemaakt, als:
- a.
het college de noodzaak van deze kosten op het moment van de aanvraag nog kan vaststellen, en;
- b.
de aanvraag is ingediend binnen een termijn van één maand nadat de kosten zijn opgekomen. Bij kosten van medische aard wordt de factuurdatum gehanteerd als datum waarop de kosten opkomen.
- c.
In het geval van een eerste aanvraag bijzondere bijstand voor kosten van bewindvoering, mentorschap en curatele, kan deze nog gedaan worden binnen 6 maanden na datum uitspraak kantonrechter.
- a.
-
3. Periodieke bijzondere bijstand gaat in met ingang van het ontstaan van de kosten en maximaal met ingang van de 1e van de kalendermaand voorafgaand aan de datum van aanvraag (rekening houdend met aanwezige draagkracht).
-
4. Voor verlenging van de bijzondere bijstand voor periodieke kosten, is de ingangsdatum de dag nadat de eerder verleende periodieke bijstand is afgelopen, tenzij de aanvraag later wordt ingediend. Dan is de ingangsdatum de datum waarop de aanvraag is ingediend.
-
5. Het college kent periodieke bijzondere bijstand toe voor de periode van maximaal 12 kalendermaanden tot en met de laatste dag van de maand van de betreffende toekenningsperiode, tenzij in de beleidsregel van de kostensoort anders is bepaald.
-
6. Bij verlenging bijzondere bijstand van reeds bij de gemeente bekende cliënten kan worden volstaan met alleen aanvraagformulier en geen inlichtingenformulier.
-
7. In afwijking van dit artikel is voor bewindvoering, mentorschap en curatele artikel 14 van deze beleidsregels van toepassing.
Artikel 4 Voorliggende voorziening
-
1. Het college verleent geen bijzondere bijstand als de inwoner een beroep kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening of als de voorliggende voorziening de kosten als niet noodzakelijk aanmerkt als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet, tenzij in deze beleidsregels anders is bepaald.
-
2. Onder passende en toereikende voorliggende voorziening verstaat het college in ieder geval:
- a.
de Zorgverzekeringswet;
- b.
de Wet langdurige zorg;
- c.
de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- d.
de Jeugdwet;
- e.
een tegemoetkoming op grond van de WTOS;
- f.
studiefinanciering op grond van de WSF 2000.
- a.
Hoofdstuk 3 Draagkracht
Artikel 5 Algemene uitgangspunten bij draagkracht
-
1. Bij de bepaling van de draagkracht wordt uitgegaan van een inkomen inclusief vakantiegeld afgezet tegen de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld.
-
2. De van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt berekend zonder toepassing van het kostendelersprincipe.
-
3. Indien er sprake is van zowel draagkracht uit vermogen als uit inkomen, wordt eerst de draagkracht uit vermogen aangesproken.
Artikel 6 In aanmerking te nemen inkomen
-
1. De hoogte van het inkomen wordt vastgesteld met in achtneming van artikel 31 tot en met 33 van de Participatiewet.
-
2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen een verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing gelaten.
-
3. Als er sprake is van wisselende inkomsten dan wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen van de drie maanden voorafgaand aan de maand waarop de bijstandsverlening betrekking heeft.
Artikel 7 In aanmerking te nemen vermogen
-
1. Voor het bepalen van de hoogte van het in aanmerking te nemen vermogen worden alle vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin bij aanvang van de draagkrachtperiode beschikt of redelijkerwijs kan beschikken meegenomen, conform artikel 34 lid 1 en 2 van de Participatiewet.
-
2. Het vermogen dat is gebonden aan de zelf bewoonde eigen woning wordt in het kader van bijzondere bijstand niet gerekend tot de middelen waarover de inwoner redelijkerwijs kan beschikken.
-
3. Het vermogen in één auto/motor tot € 5.000,- wordt vrijgelaten, aangezien een auto/motor tot die waarde als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt.
Artikel 8 Draagkrachtpercentage
-
1. Voor zover het inkomen meer is dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag, is er sprake van meer-inkomen.
-
2. In afwijking van lid 1 wordt het volledige inkomen voor zover dat meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm gezien als draagkracht bij een aanvraag voor woonkostentoeslag, omdat deze kostensoort gerekend wordt tot de algemeen noodzakelijke kosten.
-
3. Het vermogen boven de vermogensgrens die van toepassing is op grond van artikel 34 van de Participatiewet wordt in zijn geheel aangemerkt als draagkracht.
Artikel 9 Draagkrachtperiode
-
1. De draagkracht wordt vastgesteld voor een periode van 12 maanden, beginnend op de eerste dag van de maand, waarin de aanvraag om bijstand is ingediend.
-
2. Als er sprake is van kosten die vóór de aanvraagdatum zijn gemaakt, dan wordt de draagkrachtperiode vastgesteld vanaf de eerste dag van de maand waarop de bijstandsverlening betrekking heeft.
-
3. In beginsel wordt de vastgestelde draagkracht gedurende de draagkrachtperiode niet meer gewijzigd.
-
4. Het college stelt de draagkrachtperiode voor een kortere periode dan 12 maanden vast als de bijzondere kosten zich periodiek voordoen, maar niet gedurende een heel jaar.
-
5. In afwijking van lid 3 herziet het college de vastgestelde draagkracht over het resterende deel van de periode als:
- a.
er een wijziging in de woon- en leefsituatie plaatsvindt die tot gevolg heeft dat op de inwoner een andere bijstandsnorm van toepassing is;
- b.
er een wijziging van het vermogen plaatsvindt, waardoor de vermogensgrens, zoals bedoeld in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet, wordt overschreden;
- c.
er een wijziging van het inkomen van 10 % of meer plaatsvindt.
- a.
-
6. Het college brengt bij de verstrekking van incidentele bijzondere bijstand de vastgestelde draagkracht ineens in mindering op de bijzondere bijstand.
-
7. Het college brengt bij de verstrekking van periodieke bijzondere bijstand de vastgestelde draagkracht over de draagkrachtperiode gelijkmatig in mindering op de maandelijkse bijzondere bijstand.
-
8. Het college brengt bij het gelijktijdig verlenen van incidentele en periodieke bijzondere bijstand de draagkracht eerst op de incidentele bijzondere bijstand in mindering en het (eventuele) restant draagkracht op de periodieke bijzondere bijstand.
Artikel 10 Hoogte noodzakelijke kosten
-
1. De bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de kosten van de goedkoopst adequate voorziening.
-
2. Er wordt niet afgeweken van de door het college vastgestelde richtprijzen als daarvoor geen noodzaak aanwezig is. Als in een individuele situatie de noodzaak is aangetoond van de meerkosten ten opzichte van de richtprijzen, dan kan van de richtprijzen worden afgeweken. Voor een aantal kostensoorten, zoals bijvoorbeeld duurzame gebruiksgoederen en inrichtingskosten hanteert het college richtprijzen voor het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand. Voor de hoogte van de richtprijzen wordt verwezen naar hoofdstuk 6 van deze beleidsregels.
Artikel 11 Drempelbedrag
Het college maakt geen gebruik van het drempelbedrag als bedoeld in artikel 35 tweede lid van de Participatiewet.
Hoofdstuk 4 Bijzondere bijstand jongeren
Artikel 12 Bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar
-
1. Een persoon van 18, 19 of 20 jaar kan slechts aanspraak maken op bijzondere bijstand voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan van de belanghebbende uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en voor deze kosten geen beroep gedaan kan worden op de ouders omdat de belanghebbende redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet ten gelde kan maken.
-
2. Van noodzakelijke bestaanskosten, die de toepasselijke bijstandsnorm te boven gaan, kan uitsluitend sprake zijn als de belanghebbende zelfstandige huisvesting heeft en deze huisvesting noodzakelijk is.
-
3. De bijzondere bijstand kan worden vastgesteld, rekening houdend met de individuele omstandigheden en bedraagt een aanvulling tot de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor een 21-jarige ingevolge de Participatiewet.
-
4. Het college maakt gebruik van haar bevoegdheid op grond van artikel 62 onderdeel c van de Participatiewet om de kosten van bijzondere bijstand te verhalen op de onderhoudsplichtige ouders van jongmeerderjarigen.
-
5. Met ingang van 1 januari 2026 wordt ondersteuning aan deze doelgroep niet langer via de bijzondere bijstand verstrekt. Vanaf deze datum vallen jongeren onder de algemene bijstand zoals uitgevoerd vanuit de Participatiewet in Balans, mits zij voldoen aan de voorwaarden van de Participatiewet.
Jongeren bij wie vóór 1 januari 2026 bijzondere bijstand is toegekend, behouden hun recht op deze aanvulling volgens deze regeling totdat zij 21 jaar worden of geen gebruik meer maken van de algemene bijstand.
Hoofdstuk 5 Juridische kosten
Artikel 13 Kosten rechtsbijstand, griffierecht en uittreksels
-
1. Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand indien deze op grond van een toevoeging krachtens de Participatiewet op de rechtsbijstand wordt verleend.
-
2. Indien wordt voldaan aan lid 1 kan bijzondere bijstand worden verleend voor de eigen bijdrage en de eventueel noodzakelijke kosten zoals griffierecht en uittreksels, voor zover deze niet verhaald kunnen worden op de wederpartij.
-
3. De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de eigen bijdrage en eventueel andere noodzakelijke kosten die verband houden met de eigen bijdrage.
Artikel 14 Kosten van bewindvoering, mentorschap en curatele
-
1. Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de kosten van een door de kantonrechter ingesteld beschermingsbewind, mentorschap of curatele.
-
2. Voor het vaststellen van de noodzaak van de bijzondere bijstand sluit het college aan bij de beschikking van de kantonrechter. Uit de beschikking blijkt welke bewindvoerder, mentor of curator er is benoemd en voor welke werkzaamheden kosten in rekening gebracht mogen worden.
-
3. Het college baseert de hoogte van de bijzondere bijstand op de beloning die door de kantonrechter bij de benoeming is vastgesteld overeenkomstig de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
-
4. Wettelijk gezien is periodieke bijzondere bijstand met terugwerkende kracht niet mogelijk. Een uitzondering wordt gemaakt voor de eerste aanvraag voor de kosten van bewindvoering, mentorschap en curatele. De ingangsdatum van de periodieke bijzondere bijstand afhankelijk van de datum uitspraak, de 1e of de 16e van de maand.
-
5. Het college kent periodieke bijzondere bijstand toe voor de periode van maximaal 12 kalendermaanden, tot en met de laatste dag van de maand van de betreffende toekenningsperiode, tenzij er op een eerder moment al geen recht meer bestaat op de bijzondere bijstand.
-
6. Als er sprake is van schuldenbewind kent het college bijzondere bijstand toe voor de periode dat de kantonrechter schuldenbewind heeft ingesteld, tot een maximale periode van 3 jaar. Na afloop van de drie jaar kan verlenging worden aangevraagd indien een schuldregelingstraject nog niet is afgerond.
-
7. Het college verleent geen bijzondere bijstand:
- a.
voor de kosten van beheer van een pgb als ook zorg in natura mogelijk is;
- b.
in afwijking van lid 2 van dit artikel voor de intakekosten en de kosten griffierecht als er geen noodzaak is tot het wisselen van bewindvoerder, curator en/of mentor.
- a.
-
8. Voor de kosten gemaakt na het overlijden van de inwoner bestaat geen recht meer op bijzondere bijstand. Deze kosten vallen in de boedel.
Hoofdstuk 6 Kosten in verband met wonen
Artikel 15 Duurzame gebruiksgoederen
-
1. Kosten voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Als uitgangspunt bestaat voor deze kosten geen recht op bijzondere bijstand. De inwoner dient zelf in deze kosten te voorzien door ervoor te sparen of een geldlening aan te gaan.
-
2. Als de inwoner niet zelf in deze kosten kan voorzien, ook niet door het aangaan van een lening, dan is bijstand mogelijk als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hebben van schulden wordt niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid.
-
3. Bijzondere omstandigheden kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een echtscheiding waarbij een inwoner een woning gedeeltelijk opnieuw moet inrichten. Als de inwoner niet in deze kosten kan voorzien door eigen middelen of het aangaan van een lening, dan is er bijzondere bijstand mogelijk. Op grond van de individuele situatie wordt beoordeeld welke duurzame gebruiksgoederen noodzakelijk zijn.
-
4. Bijzondere bijstand voor de kosten voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen worden toegekend in de vorm van een renteloze geldlening als bedoeld in artikel 51 van de Participatiewet.
Artikel 16 Volledige woninginrichting
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor volledige woninginrichting als er sprake is van bijzondere omstandigheden en de inwoner niet de mogelijkheid heeft gehad om voor deze kosten te reserveren.
-
2. Van bijzondere omstandigheden is sprake als bijvoorbeeld aan een statushouder een woning wordt toegewezen die nog volledig moet worden ingericht.
-
3. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de gezinssamenstelling. Hiervoor gelden maximum bedragen zoals genoemd in artikel 18 van deze beleidsregels.
-
4. De bijzondere bijstand wordt in principe verstrekt als lening. Als de lening niet binnen drie jaar kan worden afgelost, kan het meerdere om niet worden verstrekt.
-
5. Bijzondere bijstand die niet voor het doel wordt gebruikt waarvoor deze verstrekt is, wordt teruggevorderd en is direct opeisbaar. Als directe terugbetaling niet mogelijk is, wordt de aflossing vastgesteld op minimaal 5% van de bijstandsnorm met inachtneming van de beslagvrije voet. Kwijtschelding van bijstand die na 36 maanden nog niet is afgelost, is in dat geval niet meer mogelijk.
Artikel 17 Overige inrichtingskosten: opknapkosten en stoffering
-
1. Met overige inrichtingskosten worden de kosten bedoeld voor opknapkosten en stoffering van een woning. Als uitgangspunt bestaat voor deze kosten geen recht op bijzondere bijstand en dient men daar zelf in te voorzien. Alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden is er voor deze kosten bijzondere bijstand mogelijk.
-
2. De hoogte van de bijstand wordt afgestemd op de staat van de woning en vastgesteld aan de hand van de Nibud Prijzengids. Voor deze overige inrichtingskosten gelden maximum bedragen zoals genoemd in artikel 18 van deze beleidsregels
-
3. Bijzondere bijstand voor deze kosten wordt om niet verstrekt.
Artikel 18 Maximale bedragen
Het college hanteert voor opknapkosten, stoffering en woninginrichting maximumbedragen die afhankelijk zijn van de gezinssituatie van de belanghebbende. De volgende maximumbedragen worden gebruikt.
|
Leefsituatie |
Maximumbedrag voor opknapkosten |
Maximumbedrag voor stoffering |
Maximumbedrag voor woninginrichting |
|
1 persoon |
€ 300 |
€ 1.250 |
€ 2.500 |
|
2 personen |
€ 350 |
€ 1.450 |
€ 3.000 |
|
> 2 personen |
€ 350 + € 50 per persoon |
€ 1.450 + € 200 per persoon |
€ 3.000 + € 500 per persoon |
Artikel 19 Eerste maand huur
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor de eerste maand huur en administratiekosten als er sprake is van een noodzakelijke verhuizing en de belanghebbende niet de mogelijkheid heeft gehad om voor deze kosten te reserveren.
-
2. De hoogte van de eerste maand huur wordt gebaseerd op het huurcontract/de eerste verhuurnota.
-
3. De bijzondere bijstand voor de eerste maand huur en administratiekosten, minus te ontvangen huurtoeslag, wordt om niet verstrekt.
Artikel 20 Verhuiskosten
-
1. De kosten van een verhuizing worden aangemerkt als algemene kosten waarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verstrekt.
-
2. In afwijking van lid 1 kan het college bijzondere bijstand verlenen voor verhuiskosten als sprake is van een noodzakelijke verhuizing als gevolg van bijzondere omstandigheden waar men niet zelf in kan voorzien.
-
3. Voor de transportkosten van een verhuizing wordt maximaal een bedrag van € 135,00 verstrekt.
Artikel 21 Woonlasten tijdens verblijf in inrichting
-
1. Het college kan aan een inwoner zonder partner en/of (andere) medebewoners die tijdelijk in een instelling verblijft vanwege medische, psychische of sociale omstandigheden bijzondere bijstand verlenen voor de doorbetaling van de vaste lasten als het aanhouden van de woning noodzakelijk is.
-
2. Onder woonlasten als bedoeld in het eerste lid wordt o.a. verstaan:
- a.
huur dan wel hypotheek plus zakelijke lasten met aftrek van de huurtoeslag en/of teruggave van de belastingdienst;
- b.
gas, water en elektra;
- c.
onroerende zaakbelasting;
- d.
verzekeringen zoals inboedelverzekering.
- a.
Artikel 22 Woonlasten tijdens verblijf in detentie
-
1. In afwijking van artikel 13 lid 1 onder a van de Participatiewet kan het college voor doorbetaling van de woonlasten bijzondere bijstand verstrekken voor zover de inwoner die in detentie zit deze kosten aantoonbaar niet over de hele detentieperiode zelf kan betalen en er sprake is van zeer dringende redenen op grond waarvan het noodzakelijk is dat de woning wel wordt aangehouden.
-
2. Onder woonlasten als bedoeld in het eerste lid wordt o.a. verstaan:
- a.
huur dan wel hypotheek plus zakelijke lasten met aftrek van de huurtoeslag en/of teruggave van de belastingdienst;
- b.
gas, water en elektra;
- c.
onroerende zaakbelasting;
- d.
verzekeringen zoals inboedelverzekering.
- a.
-
3. Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt over de periode waarin de inwoner niet zelf in de kosten kan voorzien.
-
4. Als er bijzondere bijstand wordt verstrekt heeft deze de vorm van een geldlening op grond van artikel 48 lid 2 onder b van de Participatiewet.
-
5. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt:
- a.
als de detentieperiode korter duurt dan één maand;
- b.
als de detentieperiode langer duurt dan 6 maanden;
- c.
voor zover de inwoner zelf in de kosten kan voorzien;
- d.
het een boete betreft in plaats van detentie;
- e.
voor opslag van de inboedel.
- a.
Artikel 23 Woonkostentoeslag
Woonkosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en dienen uit de bijstandsnorm te worden voldaan, eventueel aangevuld met de ontvangen huurtoeslag. Voor woonkostentoeslag bestaat in beginsel geen recht op bijzondere bijstand. Alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden kan er recht op bijzondere bijstand voor woonkosten bestaan.
Artikel 24 Recht op woonkostentoeslag
-
1. In afwijking van artikel 23 kan er recht op bijzondere bijstand voor woonkosten bestaan als er sprake is van bijzondere omstandigheden.
-
2. Van bijzondere omstandigheden voor het recht op woonkostentoeslag is sprake als:
- a.
de inwoner een te dure woning huurt en door een inkomensdaling de huur niet meer kan betalen omdat geen of een lagere huurtoeslag wordt ontvangen. In dat geval kan tijdelijk bijzondere bijstand worden verleend. Ligt de huur boven de huurtoeslaggrens dan wordt de verplichting opgelegd om binnen een jaar te verhuizen naar een goedkopere woning. Als de inwoner daar, ondanks voldoende inspanning, niet in slaagt kan de bijstandsverlening met een maximum van één jaar worden verlengd;
- b.
de inwoner een eigen woning bewoont. In dat geval bestaat er geen recht op huurtoeslag. Blijven de woonlasten beneden de huurtoeslaggrens dan bestaat er recht op bijzondere bijstand zolang tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring in redelijkheid niet kan worden verlangd. Zijn de woonlasten hoger dan de huurtoeslaggrens en/of is er sprake van een forse overwaarde en kan tegeldemaking in redelijkheid worden verlangd, dan kan er bijzondere bijstand worden toegekend met de verplichting om de woning binnen 12 maanden te verkopen en te verhuizen naar goedkopere woonruimte.
- a.
Hoofdstuk 7 Diverse kosten
Artikel 25 Collectieve aanvullende verzekering
-
1. Het college maakt gebruik van de mogelijkheid die artikel 35 lid 3 van de Participatiewet biedt om bijzondere bijstand te verlenen, in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering voor minima (CZM).
-
2. Alle inwoners van 18 jaar of ouder met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum kunnen deelnemen aan de CZM, bestaande uit de pakketten Garant Aanvullend, Garant Verzorgd 1, 2 of 3.
-
3. Aan Garant Verzorgd 3 kunnen ook inwoners met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum deelnemen.
-
4. Voor deelname aan de CZM vindt geen vermogenstoets plaats als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.
-
5. Het college verstrekt een bijdrage in de kosten van deze CZM. Deze bijdrage wordt direct in mindering gebracht op de premie die de inwoner moet betalen.
Artikel 26 Meedoenregeling
-
1. De Meedoenregeling is bedoeld om deelname aan culturele en andere sociaal- maatschappelijke activiteiten van instellingen, verenigingen of andere aanbieders te bevorderen.
-
2. De activiteit moet bijdragen aan de maatschappelijke, sociale en culturele participatie van inwoners en moet plaatsvinden in de gemeente Losser.
-
3. Wanneer de activiteit of soortgelijke activiteit niet binnen de gemeente Losser wordt aangeboden of beschikbaar is, is vergoeding alleen mogelijk als geoordeeld wordt dat deelname aan de activiteit voor de aanvrager noodzakelijk is voor participatie.
-
4. Alle inwoners van 18 jaar of ouder met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum kunnen de Meedoenregeling aanvragen.
-
5. De inwoner kan de Meedoenregeling aanvragen in het jaar waarin deze van toepassing is.
-
6. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt 100% van de kosten die gepaard gaan met gebruikmaken van de Meedoenregeling tot een maximum van € 300,00 per kalenderjaar per persoon.
Artikel 27 Medische kosten
-
1. Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor medische kosten en eigen bijdragen die vallen onder de werkingssfeer van de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz) en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), omdat deze wetten als een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 Participatiewet) worden beschouwd.
-
2. Als binnen de voorliggende voorziening kosten niet worden vergoed, is bijzondere bijstand daarvoor niet mogelijk.
-
3. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor het verplicht en/of vrijwillig eigen risico.
-
4. Er is geen bijzondere bijstand mogelijk voor (eigen bijdragen van) medische kosten waarvoor iemand zich, gezien zijn medische situatie, aanvullend kan of had moeten verzekeren bijvoorbeeld via de door de gemeente aangeboden collectieve zorgverzekering van Menzis voor mensen met een laag inkomen.
-
5. Aan inwoners zonder adequate aanvullende verzekering, die niet deelnemen aan de gemeentelijke collectieve zorgverzekering, wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verstrekt voor kosten die in die collectieve zorgverzekering zijn opgenomen.
-
6. Als er bijzondere bijstand wordt aangevraagd voor medische kosten tot € 300,00 op jaarbasis, dan wordt in beginsel geen medisch advies aangevraagd over de noodzakelijkheid van deze kosten. Hierbij volstaat een verklaring van een huisarts, tandarts, medisch specialist of waarbij anderszins de noodzakelijkheid kan worden vastgesteld.
-
7. Voor medische kosten die meer bedragen dan € 300,00 op jaarbasis en de noodzakelijkheid kan niet aan de hand van verklaringen van huisarts, tandarts, medisch specialist of anderszins worden vastgesteld, wordt een medisch advies opgevraagd bij een door de gemeente gecontracteerde adviesinstantie.
Artikel 28 Extra energiekosten
-
1. Energiekosten behoren tot de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor extra energiekosten als deze, als gevolg van een (chronische) ziekte of handicap, hoger zijn dan normaal.
-
2. Als bijzondere bijstand wordt aangevraagd voor extra energiekosten als gevolg van een (chronische) ziekte of handicap, wordt een medisch advies opgevraagd bij een door het college gecontracteerde adviesinstantie.
Artikel 29 Dieetkosten
-
1. Het college verleent bijzondere bijstand voor de meerkosten van een dieet als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- a.
de meerkosten zijn ten opzichte van de kosten van normale voeding het gevolg van een medisch noodzakelijk te volgen dieet, en;
- b.
het dieet komt voor op de lijst van diëten die de Belastingdienst hanteert, en;
- c.
de meerkosten worden niet vergoed vanuit de voor de inwoner geldende adequate zorgverzekering.
- a.
-
2. Het college sluit voor de hoogte van de bijzondere bijstand voor de meerkosten van het dieet aan op de fiscale regels die gelden voor de belastingaftrek voor dieetkosten. Het college verstrekt geen bijzondere bijstand voor de meerkosten van een dieet die hoger zijn dan de bedragen die worden vermeld op de dieetlijst van de Belastingdienst. Het college merkt deze kosten aan als niet noodzakelijk. De belastingaftrek zorgkosten wordt in mindering gebracht op de bijzondere bijstand.
Artikel 30 Maaltijdvoorziening
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de meerkosten van een maaltijdvoorziening, als de inwoner zelf niet in staat is om een warme maaltijd te bereiden en noodzakelijkerwijs gebruik moet maken van een maaltijdvoorziening.
-
2. De bijzondere bijstand wordt verleend voor maximaal één warme maaltijd per dag, dus maximaal zeven warme maaltijden per week.
-
3. De noodzaak van het gebruik van een maaltijdvoorziening dient vastgesteld te worden door een hulp- en of zorgverlener (arts, thuiszorgorganisatie, ouderenwerk), voor zover dit niet bij het college bekend is, dan wel een op te vragen medisch advies bij een door de gemeente gecontracteerde adviesinstantie.
-
4. De maximumvergoeding is € 8,00 per dag per persoon minus de Nibudnorm voor een warme maaltijd.
Artikel 31 Meerkosten wassen en kledingslijtage
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor een inwoner vanaf 4 jaar die als gevolg van ziekte of handicap te maken heeft met extra kosten doordat er vaker gewassen moet worden dan gebruikelijk.
-
2. Het college vraagt onafhankelijk (deskundigen)advies als dat voor het vaststellen van het recht en/of de hoogte van de bijzondere bijstand noodzakelijk is.
-
3. Als de ziekte of handicap is vastgesteld en ook de noodzaak om vaker te wassen, worden voor de meerkosten de bedragen zoals opgenomen in de Nibud Prijzengids voor kleding- en bewassingskosten aangehouden.
-
4. Voor kinderen tot 4 jaar worden de kosten van incontinentie niet als extra kosten aangemerkt. Hiervoor verstrekt het college geen bijzondere bijstand.
Hoofdstuk 8 Reiskosten
Artikel 32 Reiskosten
-
1. Reiskosten behoren tot de algemene noodzakelijke kosten van bestaan. Reiskosten worden geacht uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm te worden betaald om in aanvaardbare mate deel te kunnen nemen aan het leven van alledag en sociale contacten te onderhouden.
-
2. Er kan recht op bijzondere bijstand bestaan voor noodzakelijke reiskosten als deze het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden.
-
3. De vergoeding wordt gebaseerd op de kosten van openbaar vervoer. Bij gebruik van de eigen auto geldt de actuele kilometervergoeding van de Belastingdienst. Vergoeding van deze kosten is alleen mogelijk als het gebruik van de eigen auto goedkoper is of als het openbaar vervoer geen optie biedt. Voor de berekening van het aantal kilometers geldt de routeplanner van de ANWB geldend voor de kortste route.
Hoofdstuk 9 Kinderopvang
Artikel 33 Kinderopvang
Voor de kosten van kinderopvang wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. Kinderopvangtoeslag op grond van de Participatiewet kinderopvang (Wko) geldt hiervoor als een toereikende voorliggende voorziening.
Artikel 34 Recht op bijzondere bijstand kinderopvang
-
1. In afwijking van artikel 33 kan het college een tegemoetkoming als aanvulling op de kinderopvang verstrekken aan inwoners die werken of studeren. Om aanspraak te kunnen maken op bijzondere bijstand dient sprake te zijn van geregistreerde opvang volgens de Wet kinderopvang.
-
2. Kinderopvang dient noodzakelijk te zijn op de dagdelen dat een inwoner de kinderopvang afneemt.
-
3. Het college vergoedt aan een rechthebbende inwoner het verschil in meerprijs tussen de maximale uurprijs van het Rijk en de opvanglocatie. Voor het gedeelte waarvoor kinderopvangtoeslag kan worden ontvangen, wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. Hiervoor geldt de Wet kinderopvang als voorliggende voorziening.
-
4. Voor de beoordeling van bijzondere bijstand is de draagkracht van een inwoner zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van deze beleidsregels bepalend.
-
5. Een vergoeding kinderopvang wordt toegekend voor een kalenderjaar, tot einde studiejaar of tot einde dienstverband.
Hoofdstuk 10 Uitvaartkosten (begrafenis- en crematiekosten)
Artikel 35 Uitvaartkosten
De kosten van een begrafenis of crematie van een overledene behoren tot de bijzondere bestaanskosten van de erfgenamen. Deze kunnen ieder voor zich en op persoonlijke titel bijzondere bijstand aanvragen, voor zover hun erfdeel ontoereikend is en het hen aan middelen ontbreekt om hun aandeel in de kosten te kunnen voldoen.
Artikel 36 Noodzakelijke uitvaartkosten
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken aan een inwoner voor de kosten van een begrafenis als deze persoon erfgenaam is en verantwoordelijk is voor (een deel van) de kosten.
-
2. Hetgeen vermeld in lid 1, is alleen van toepassing als er sprake is van een erfenis die is geaccepteerd.
-
3. Bij de bepaling van de hoogte van de bijstand wordt uitgegaan van noodzakelijke kosten voor een begrafenis of crematie.
-
4. Het college hanteert hierbij vaste richtbedragen vermeld in de Nibudlijst per kostenpost die passen bij een sobere begrafenis of crematie.
Artikel 37 Zelf bijdragen aan noodzakelijke uitvaartkosten
Op de door het college noodzakelijk geachte kosten worden in ieder geval de volgende middelen in mindering gebracht:
- a.
een uitkering in verband met een uitvaart-, levens-, ongevallenverzekering;
- b.
een uitkering in verband met lidmaatschap van een begrafenis/crematievereniging;
- c.
nalatenschap van de overledene;
- d.
een op een depositorekening gestort bedrag met als enige bestemming de betaling van de begrafenis- of crematiekosten;
- e.
de draagkracht als bedoeld in hoofdstuk 2 van deze beleidsregels.
Artikel 38 Uitvaartkosten in het buitenland
Volgens het territorialiteitsbeginsel, genoemd in artikel 11 van de Participatiewet verstrekt het college geen bijzondere bijstand voor begrafenis- of crematiekosten in het buitenland van een in Nederland of in het buitenland overleden persoon. Dit is ook niet mogelijk voor zowel een vreemdeling als een Nederlander die in het buitenland wordt begraven of gecremeerd.
Artikel 39 Hardheidsclausule
-
1. Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien onverkorte toepassing daarvan aanleiding geeft of zou leiden tot onredelijkheid of onbillijkheid van overwegende aard.
-
2. In gevallen waarin deze regeling niet voorzien, beslist het college.
Artikel 40 Slotbepalingen
-
1. Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na bekendmaking en werken terug tot 1 januari 2025.
-
2. Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels bijzondere bijstand 2025 Losser.
-
3. De beleidsregels bijzondere bijstand 2020 Losser worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2025.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van dd 10 februari 2026 van het college van burgemeester en wethouders van Losser
de secretaris,
A. Oortgiesen
de burgemeester,
J.B. Diepemaat
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl