Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757289
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757289/1
Regeling bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen gemeente Nieuwegein 2026
Geldend van 19-02-2026 t/m heden
Intitulé
Regeling bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen gemeente Nieuwegein 2026Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein;
gelet op het bepaalde in artikel 4.17 van de Wet basisregistratie personen en titel 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht,
besluit:
vast te stellen de Regeling bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen gemeente Nieuwegein 2026.
Hoofdstuk 1
Artikel 1. Begrippen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a.
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein;
- b.
wet: Wet basisregistratie personen;
- c.
Awb: Algemene wet bestuursrecht;
- d.
ingeschrevene: de ingeschrevene als bedoeld in artikel 1.1 sub e van de wet;
- e.
boete: de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 4.17 van de wet;
- f.
overtreder: degene die verwijtbaar niet heeft voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 4.17 onder a van de wet dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan het bepaalde in artikel 4.17 onder b van de wet of een valse aangifte heeft gedaan;
- g.
gelegenheidsgever: de persoon als bedoeld in artikel 4.17 sub b van de wet;
- h.
toezichthouder BRP: door het college aangewezen ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen van betrokkenen in hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 5 van de wet.
Artikel 2. Algemene bepalingen
-
1. Het college kan de boete opleggen bij een overtreding genoemd in artikel 4.17 van de wet.
-
2. De boete als bedoeld in het eerste lid wordt alleen opgelegd als de overtreder vooraf is geïnformeerd over het risico van oplegging van een bestuurlijke boete bij het niet voldoen aan de verplichtingen als genoemd in de wet.
-
3. Per geconstateerde overtreding kan slechts één bestuurlijke boete worden opgelegd.
-
4. Een bestuurlijke boete wordt binnen drie jaar nadat het college de overtreding heeft geconstateerd, opgelegd.
-
5. In het geval de verplichtingen als bedoeld in de wet dienen te worden vervuld door een wettelijke vertegenwoordiger of curator, wordt de bestuurlijke boete in voorkomend geval opgelegd aan de wettelijk vertegenwoordiger of curator.
-
6. Indien de overtreder vóór inning van de opgelegde bestuurlijke boete komt te overlijden, vervalt deze op de datum van overlijden.
Artikel 3. Vastgestelde boetes voor verschillende overtredingen
-
1. De boete bedraagt € 325,– in de volgende gevallen:
- a.
als het aannemelijk is, dat de aangifteverplichting opgenomen in de artikelen 2.38, 2.39 en 2.43 van de wet, bewust niet is nagekomen;
- b.
als de overtreder eerder een overtreding heeft begaan, waarvoor de boete opgelegd kan worden;
- c.
als de overtreder aan te merken is als gelegenheidsgever in de zin van artikel 4.17 sub b van de wet;
- d.
als de overtreder een onjuiste aangifte heeft gedaan met valse documenten.
- a.
-
2. De boete bedraagt € 200,– in de volgende gevallen:
- a.
als de aangifteverplichting opgenomen in de artikelen 2.38, 2.39 en 2.43 van de wet niet is nagekomen en niet aannemelijk is gemaakt, dat hierbij sprake is van het bewust niet nakomen van deze verplichting;
- b.
als de overtreder geen informatie verstrekt, geschriften overlegt of in persoon verschijnt overeenkomstig het bepaalde in artikelen 2.44, 2.45 lid 1, 2.46, 2.47 en 2.51 van de wet;
- c.
als de overtreder niet voldoet aan de informatie- of zorgplicht jegens ingeschrevene of gemeente op grond van artikelen 2.40 vijfde lid, 2.45 leden 2 tot en met 5 en 2.50 van de wet;
- d.
bij het niet voldoen aan de identiteitsplicht zoals genoemd in artikel 2.52 van de wet.
- a.
Artikel 4. Verwijtbaarheid
Een bestuurlijke boete kan alleen opgelegd worden wanneer de persoon in kwestie een overtreding heeft begaan. Als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, wordt geen boete opgelegd.
Het ontbreken van verwijtbaarheid wordt in beginsel niet aangenomen, in de situaties waarin de overtreder:
- a.
al eerder eenzelfde overtreding in de zin van artikel 4.17 Wet BRP heeft begaan;
- b.
de inhoud van de correspondentie van de gemeente niet zegt te begrijpen, daaronder mede begrepen vanwege (vast) gestelde onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal;
- c.
stelt niet op de hoogte te zijn van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4.17 van de wet;
- d.
niet aantoonbaar stelt reeds in een eerder stadium aan de verplichting te hebben voldaan;
- e.
stelt langere tijd niet in staat te zijn geweest de eigen belangen te behartigen, doordat de overtreder tijdelijk niet op het adres zegt te wonen. Hieronder wordt ook begrepen tijdelijk verblijf in het buitenland, tijdelijk verblijf in instelling voor de gezondheidszorg, instelling op het gebied van kinderbescherming of penitentiaire instelling;
- f.
stelt door slechte postbezorging of gebreken aan of ontbreken van een brievenbus geen post te hebben ontvangen;
- g.
aangemerkt wordt als gelegenheidsgever, die een verklaring heeft getekend dat de andere persoon woont op het adres van de overtreder, terwijl vastgesteld is dat die persoon er niet woont;
- h.
aangemerkt wordt als gelegenheidsgever in de zin van sub g van dit artikel en stelt dat de andere persoon niet langer op het adres woont, terwijl de overtreder niet aantoont dat de andere persoon recentelijk verhuisd is naar een ander adres of vertrokken is naar het buitenland en daarvan nog niet binnen de wettelijke termijn als bedoeld in artikel 2.39 en 2.43 van de wet aangifte heeft gedaan.
Artikel 5. Valsheid in geschrifte
-
1. Indien een tot aangifte verplicht persoon een valse of vervalste aangifte doet, zich uitgeeft voor iemand anders dan wel valse of vervalste documenten overlegt met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken is er sprake van valsheid in geschrifte.
-
2. In geval van valsheid in geschrifte wordt hiervan aangifte bij de politie gedaan.
-
3. Er wordt geen bestuurlijke boete opgelegd in geval er strafvervolging plaatsvindt.
Hoofdstuk 2: Slotbepalingen
Artikel 6. Hardheidsclausule
Als vanwege bijzondere omstandigheden een strikte toepassing van het bepaalde in deze regeling zou leiden tot een onbillijkheid, kan door het college worden afgeweken van het bepaalde in deze regeling.
Artikel 7 Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op de eerste dag na publicatie.
Artikel 8. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen gemeente Nieuwegein 2026.
Ondertekening
Aldus vastgesteld op 10 februari 2026,
Ellie Liebregts
secretaris
Marijke van Beukering-Huijbregts
burgemeester
Bijlage 1
Overzicht van de volgens artikel 3 beboetbare overtredingen en de hoogte van de bestuurlijke boete.
|
Overtreding Migratie |
Boete |
Wetsartikelen |
|
Het niet doen van aangifte van inschrijving uit het buitenland |
€ 325,- |
Wet BRP 2.38, eerste, tweede en vierde lid |
|
Het niet doen van aangifte van emigratie |
€ 325,– |
Wet BRP 2.43 |
|
Het niet doen van aangifte nieuwe verblijfplaats binnen Nederland |
€ 325,– |
Wet BRP 2.39, eerste lid |
|
Ten onrechte adreswijziging naar een briefadres opgeven terwijl er sprake is van een woonadres |
€ 325,– |
Wet BRP 2.39 derde lid |
|
Gelegenheidsgever |
€ 325,– |
Wet BRP 4.17 onder b |
|
Overtreding brondocumenten/verstrekken informatie |
Boete |
Wetsartikelen |
|
Het niet overleggen van brondocumenten betreffende burgerlijke staat of nationaliteit in verband met vestiging uit het buitenland |
€ 200,– |
Wet BRP 2.38, derde lid |
|
Het niet overleggen van brondocumenten van feiten die zich buiten Nederland hebben voorgedaan en in de BRP opgenomen moeten worden |
€ 200,– |
Wet BRP 2.44 |
|
Het nalaten door de briefadresgever om inlichtingen te verstrekken op verzoek van het gemeentebestuur over de briefadreshouder |
€ 200,– |
Wet BRP 2.45 vierde lid |
|
Het niet voldoen aan informatie- of zorgplicht jegens ingeschrevene of gemeente |
€ 200,– |
Wet BRP 2.40 vijfde lid, 2.45 leden 2 t/m 5 en 2.50 |
|
Het niet verstrekken van inlichtingen over een mogelijke adreswijziging |
€ 200,– |
Wet BRP 2.47 |
|
Het niet overleggen van brondocumenten betreffende burgerlijke stand of nationaliteit op verzoek van het gemeentebestuur |
€ 200,– |
Wet BRP 2.46 |
|
Het niet overleggen van een buitenlandse overlijdensakte |
€ 200,– |
Wet BRP 2.51 |
|
Het niet voldoen aan de identiteitsplicht |
€ 200,– |
Wet BRP 2.52 |
|
Aangifte met valse documenten |
Boete |
Wetsartikelen |
|
Onjuiste aangifte met overlegging van valse documenten |
€ 325,– |
Wet BRP 2.38, 2.39 en 2.43 juncto 2.45 |
|
Overig |
||
|
Betrokkene heeft eerder een overtreding begaan waarvoor de boete opgelegd kan worden (recidive) |
€ 325,– |
Alle hierboven genoemde artikelen |
Toelichting
Algemeen deel
De basisregistratie personen vormt een essentiële voorziening voor een juiste en betrouwbare uitvoering van tal van publieke taken. Een actuele en juiste inschrijving van ingezetenen is noodzakelijk voor onder meer het kunnen nemen van besluiten in het sociaal domein, het verstrekken van reisdocumenten en voor een correcte uitvoering van landelijke en gemeentelijke regelgeving. Overtredingen van verplichtingen uit de Wet BRP kunnen de volledigheid, actualiteit en betrouwbaarheid van de basisregistratie aantasten. Het opleggen van bestuurlijke boetes draagt bij aan het stimuleren van naleving van deze verplichtingen en aan een zorgvuldig bijgehouden registratie.
Deze regeling geeft uitvoering aan de bevoegdheid van het college om bestuurlijke boetes op te leggen voor overtredingen van verplichtingen die voortvloeien uit de Wet basisregistratie personen (Wet BRP). Met deze regeling wordt beoogd duidelijkheid te bieden over de omstandigheden waaronder een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, de hoogte van de boete, de wijze waarop de gemeente tot boeteoplegging komt en de beoordelingsruimte die daarbij wordt gehanteerd. Daarnaast bevat de regeling duidelijke criteria voor de hoogte van de boete, gebaseerd op de aard en ernst van de overtreding en de omstandigheden van het geval. Door vooraf te waarschuwen en onderscheid te maken tussen verschillende overtredingscategorieën, wordt een proportionele en evenwichtige toepassing bevorderd.
Tot slot regelt de regeling wanneer van boeteoplegging wordt afgezien en hoe wordt omgegaan met situaties waarin mogelijk sprake is van strafrechtelijke feiten, zoals valsheid in geschrifte. Bijlage 1 biedt een overzicht van alle beboetbare overtredingen en de daarbij behorende boetehoogtes.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1
In dit artikel zijn de in de regeling gebruikte begrippen nader gedefinieerd en is aansluiting gezocht bij de wettelijke begripsomschrijvingen, die van toepassing zijn.
Artikel 2
In dit artikel wordt verwezen naar artikel 4.17 Wet BRP en de verplichtingen die volgen uit de Wet BRP. Hiermee wordt onder andere gedoeld op de in de Wet BRP vaste wettelijke termijnen. Deze termijnen bepalen het moment waarop een overtreding ontstaat. Zo moet bijvoorbeeld aangifte van verhuizing binnen vijf dagen worden gedaan (artikel 2.39 Wet BRP) en moeten opgevraagde brondocumenten binnen de door de gemeente gestelde en op de Wet BRP gebaseerde termijn worden overgelegd. Wanneer deze wettelijke termijnen zijn verstreken zonder dat betrokkene aan de verplichting heeft voldaan, is er sprake van een overtreding. Vanaf dat moment blijft de overtreding voortduren totdat alsnog aan de verplichting wordt voldaan.
Op grond van het bepaalde in artikel 5:43 van de Algemene wet bestuursrecht kan één overtreding slechts éénmaal worden beboet. Als betrokkene geen aangifte doet van adreswijziging en vervolgens niet verschijnt als het college daartoe verplicht, dan zijn er in feite twee overtredingen begaan. Het kan echter buiten proportie zijn om dan twee boetes op te leggen. Uitgangspunt is om in die gevallen ‘slechts’ één boete op te leggen.
De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt drie jaar nadat de overtreding is begaan (artikel 5:45 Algemene wet bestuursrecht). Het is dus van belang te bepalen op welke datum de overtreding van een verplichting op grond van de Wet basisregistratie personen is begaan. Uitgangspunt is, dat de overtreding wordt begaan op het moment, dat het college constateert, dat niet aan de wettelijke verplichtingen is voldaan. Na overtreding van de aangifteplicht bijvoorbeeld blijft de overtreding actueel. Elke dag dat betrokkene in gebreke blijft, wordt de wet overtreden. De termijn schuift daarmee dus ook op.
In het geval de verplichtingen van de Wet basisregistratie personen rusten op de wettelijke vertegenwoordigers van minderjarigen tot 16 jaar of onder een curatele gestelde, wordt de bestuurlijke boete opgelegd aan die wettelijk vertegenwoordiger(s) of de curator. De minderjarige bijvoorbeeld is niet bevoegd om zelf aangifte van verhuizing te doen, terwijl aan hem ook niet de verplichting tot het overleggen van (bron)documenten kan worden opgelegd. Die verplichtingen rusten op de wettelijk vertegenwoordiger of de curator, die op deze verantwoordelijkheid (middels oplegging van een bestuurlijke boete) kunnen worden aangesproken.
Een bestuurlijke boete kan niet worden opgelegd aan een overtreder die reeds is overleden. In artikel 5:42 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de opgelegde boete vervalt als deze bij leven van de overtreder is opgelegd, maar voor inning van het opgelegde boetebedrag komt te overlijden.
Artikel 3
In het bestuursrecht wordt onderscheid gemaakt tussen lage en hoge bestuurlijke boetes. Voor lage bestuurlijke boetes gelden minder voorschriften en administratieve regels dan voor hogere boetes. De grens ligt op € 340,–. Om onnodige administratieve lasten te voorkomen, heeft de wetgever voor het opleggen van boeten ingevolge de Wet basisregistratie personen gekozen voor een maximum boetebedrag van € 325,–.
Bij de vaststelling van de hoogte van de boete heeft de gemeente rekening gehouden met de soort overtreding, de ernst van de overtreding, de soort overtreder en het belang voor de BRP bij het nakomen van de verplichtingen. De hogere boete is vastgesteld voor gevallen die gezien één of meer van deze elementen als ernstiger worden aangemerkt. De standaard boete wordt opgelegd in overige gevallen.
Artikel 4
Een bestuurlijke boete kan alleen worden opgelegd als er sprake is van verwijtbaar gedrag. Het gaat hierbij om objectieve en subjectieve verwijtbaarheid.
Bij objectieve verwijtbaarheid gaat het om het handelen of nalaten van de overtreder. Heeft betrokkene feitelijk een wettelijke regel overtreden? Bepalend daarbij is of er op betrokkene een verplichting rustte op grond van de Wet BRP. Als uit een geheel van feiten omstandigheden blijkt dat op betrokkene geen verplichting rustte, is er geen reden tot opleggen van de boete.
Of er sprake is van objectief verwijtbaar gedrag blijkt uit het dossier op grond waarvan uiteindelijk een boete wordt opgelegd. Als kan worden vastgesteld dat betrokkene niet voldaan heeft aan de verplichting, wordt de verwijtbaarheid van de gedraging in beginsel aangenomen.
Bij subjectieve verwijtbaarheid gaat het om de persoon zelf: wist of kon de persoon in kwestie redelijkerwijs weten, dat er een verplichting nagekomen had moeten worden? Afhankelijk van de feiten en omstandigheden waarin betrokkene zich ten tijde van de verplichting bevond, bepaalt de gemeente en eventueel de rechter of er sprake is van een overmacht situatie, waardoor het betrokkene op subjectieve gronden niet verweten kan worden dat niet aan de verplichtingen is voldaan. Een voorbeeld daarvan kan zijn een spoedopname in een ziekenhuis, waardoor iemand niet tijdig aan de verplichting kan voldoen. Hierbij is het wel van belang dat betrokkene zo snel als mogelijk na ontslag uit het ziekenhuis alsnog aan de verplichting voldoet. Blijft betrokkene nalatig in het voldoen aan deze verplichting, dan is er immers nog steeds sprake van een overtreding, terwijl de subjectieve omstandigheden waardoor het nalaten niet verwijtbaar was, niet meer aanwezig zijn.
In het tweede lid is bepaald in welke situaties het ontbreken van verwijtbaarheid in beginsel niet aangenomen wordt. Dit is een niet-limitatieve lijst van omstandigheden. Dat betekent dat er ook andere omstandigheden kunnen worden aangevoerd, die niet leiden tot het ontbreken van verwijtbaarheid.
De omstandigheden leiden niet tot het ontbreken van verwijtbaarheid om de volgende redenen:
- •
de onder a genoemde omstandigheid geeft aan dat de persoon die eerder een overtreding die genoemd is in artikel 4.17 Wet BRP heeft begaan, verwijtbaar handelt als dit nogmaals gebeurt (recidive). Deze bepaling is opgenomen omdat de overtreder in dat geval wist of kon weten dat het college de bevoegdheid heeft om een boete op te leggen voor de overtreding. In geval van overtreding wordt de overtreder namelijk gewaarschuwd voor de mogelijkheid dat een boete kan worden opgelegd;
- •
de onder b genoemde omstandigheid heeft geen ontbreken van de verwijtbaarheid tot gevolg, omdat van elke inwoner in de gemeente verwacht mag worden dat deze ervoor zorgt dat correspondentie van de gemeente begrepen wordt, dan wel daarbij de hulp wordt ingeroepen van een ander, die zorgt dat betrokkene de inhoud van de correspondentie begrijpt. Dit geldt ook voor de situatie dat betrokkene de Nederlandse taal onvoldoende machtig is;
- •
de onder c genoemde omstandigheid leidt niet tot het ontbreken van de verwijtbaarheid, omdat betrokkene geacht wordt de wet te kennen. Daarnaast wordt betrokkene ook geïnformeerd over de op te leggen boete door middel van correspondentie voorafgaande aan het opleggen van de boete of mondelinge waarschuwingen in geval van boete oplegging op grond van een boeterapport. Het feit dat de overtreder deze correspondentie niet heeft gelezen of gezien, omdat de overtreder inmiddels niet meer woonachtig is op het adres waar deze volgens de basisregistratie personen (BRP) stond ingeschreven, zorgt niet voor het ontbreken van verwijtbaarheid. Zolang betrokkene namelijk niet de verhuizing doorgeeft overeenkomstig de verplichting, kan en mag de gemeente ervan uitgaan dat betrokkene bereikbaar is op het adres zoals is opgenomen in de BRP.
- •
de onder d genoemde omstandigheid dat betrokkene stelt eerder aan de verplichting voldaan te hebben, ontslaat de betrokkene niet van het ontbreken van verwijtbaarheid, als niet aantoont wordt dat de betrokkene eerder aan de verplichting heeft voldaan. Betrokkene zal moeten aantonen dat eerder aan de verplichting is voldaan, maar dat dit niet geleid heeft tot een aanpassing in de BRP. Betrokkene zal met schriftelijke bewijzen moeten komen dat vóór de datum van de constatering van de overtreding voldaan is aan de verplichting. Hierbij zal betrokkene moeten aantonen dat de aangifte of informatie inzake adres of het overleggen van de verzochte documenten is ontvangen bij de gemeente of dat betrokkene ervan uit mocht gaan dat dit het geval was. Mondelinge (getuige) verklaringen dat betrokkene aan de verplichting heeft voldaan zijn onvoldoende, omdat hieruit niet blijkt dat de gemeente kennis had kunnen nemen van het voldoen aan de verplichting. Het is onvoldoende dat betrokkene aangeeft de intentie gehad te hebben om aanzijn verplichting te voldoen. Betrokkene zal aannemelijk moeten maken dat de documenten vóór de datum van overtreding zijn verstuurd naar een correspondentieadres van de gemeente Nieuwegein. Het is onvoldoende dat betrokkene correspondentie, al dan niet per e-mail, toont dat gericht is aan een adres dat of geen adres van de gemeente Nieuwegein is, of wel een adres van de gemeente Nieuwegein is, maar dat niet leidt of kan leiden tot een verplichting tot doorzending van het bericht naar het daarvoor bevoegde onderdeel van de gemeente;
- •
de onder e genoemde omstandigheid dat betrokkene langere tijd elders op een adres verblijft, zorgt niet voor het ontbreken van verwijtbaarheid. Betrokkene wordt geacht bereikbaar te zijn op het adres waar betrokkene ingeschreven staat in de BRP. Indien betrokkene tijdelijk, ongeacht de reden, niet in staat is om de post te lezen, dan moet betrokkene ervoor zorgen dat een ander dit namens betrokkene doet;
- •
voor de onder f bedoelde omstandigheid geldt hetzelfde: Betrokkene wordt geacht bereikbaar te zijn op het adres waar betrokkene ingeschreven staat. Dat betekent ook dat betrokkene moet zorgen dat de aan betrokkene gerichte post kan ontvangen. Derhalve moet de brievenbus bereikbaar en aanwezig zijn. Ten aanzien van slechte postbezorging geldt dat betrokkene meerdere malen op de hoogte wordt gesteld van de mogelijkheid van het opleggen van de boete. Het is niet aannemelijk dat betrokkene beide brieven waarin de waarschuwing wordt vermeld niet ontvangt. Bovendien vloeien de verplichtingen en de oplegging van bestuurlijke boete voort uit de BRP. Op die gronden wordt betrokkene geacht te weten dat er aan de verplichting voldaan moet worden dat bij het nalaten daarvan een bestuurlijke boete opgelegd kan worden;
- •
uit de ondertekening van inwoning blijkt in geval van de onder g genoemde omstandigheid dat betrokkene verwijtbaar handelt door te verklaren dat een ander persoon woont op het adres en weet dat die andere persoon niet op dat adres woonachtig is;
- •
de onder h genoemde omstandigheid dat de gelegenheidsgever stelt dat de ingeschrevene er niet meer woont, ontslaat betrokkene niet van verwijtbaarheid, als niet aangetoond wordt dat de andere persoon recentelijk verhuisd is naar een ander adres of vertrokken is naar het buitenland en daarvan nog niet binnen de wettelijke termijn als bedoeld in de artikelen 2.39 en 2.43 van de wet aangifte heeft gedaan. De gelegenheidsgever zal moeten aantonen dat betrokkene tot de verhuisdatum daadwerkelijk gewoond heeft op het adres en dat binnen de wettelijke termijn voor de constatering van de overtreding is verhuisd naar een ander adres of is vertrokken naar het buitenland, waarvan geen aangifte is gedaan. Het gaat in dit geval om het toestemming geven voor een woonadres. De feitelijke bewoning van betrokkene zal dan ook bewezen moeten worden. Derhalve is het onvoldoende dat de gelegenheidsgever met post aangeeft dat de ander tot de datum van verhuizing gewoond heeft op het adres. Dit bewijst namelijk alleen dat de persoon in kwestie gebruik maakte van het adres als postadres.
Artikel 5
Er is sprake van valsheid in geschrifte wanneer iemand een geschrift, dat bestemd is om als bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken. Uit deze wettelijke definitie blijkt dat het om een schriftelijk document moet gaan, dat een bewijsbestemming heeft, dat valselijk is opgemaakt of vervalst met de intentie het als echt en onvervalst te gaan gebruiken. Ook het opzettelijk gebruiken van een door iemand anders valselijk opgemaakt of vervalst geschrift is valsheid in geschrifte.
Bij een valse aangifte als hier bedoeld kan een bestuurlijke boete worden opgelegd, vanwege overtreding van de aangifteplicht. Er dient dan wel rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 5:44 van de Algemene wet bestuursrecht. Als er naast het overtreden van de aangifteplicht tevens sprake is van valsheid in geschrifte, dient de zaak eerst aan het Openbaar Ministerie (OM) te worden voorgelegd.
Besluit het OM niet strafrechtelijk te vervolgen, dan kan alsnog een bestuurlijke boete worden opgelegd. Er dient in een dergelijk geval dus aangifte van valsheid in geschrifte bij de politie te worden gedaan. Daarna moet er met het OM worden overlegd: of strafvervolging of een gemeentelijke bestuurlijke boete. Op grond van genoemd artikel 5:44 van de Algemene wet bestuursrecht mogen voor hetzelfde feit niet beide sancties worden opgelegd.
Artikel 6
Van het opleggen van een boete kan worden afgezien, als er sprake is van bijzondere omstandigheden. De Algemene wet bestuursrecht eist dat alle bij een besluit betrokken belangen worden afgewogen, het toepassen van de hardheidsclausule maakt hiervan deel uit. Het gaat erom dat de regeling niet ‘automatisch’ wordt toegepast, zonder te kijken naar de specifieke omstandigheden van het geval. In afwijking van artikel 3 kan het college op verzoek een lagere of geen boete opleggen indien het college van oordeel is dat de vastgestelde boete redelijkerwijs niet of niet volledig ten laste van de overtreder behoort te blijven.
In beginsel legt het college de boete op zoals bepaald in artikel 3 van de regeling. Bij de toepassing van het opleggen van de boete moet het college rekening houden met het bepaalde in artikel 5:46 Awb. Dit artikel behandelt de evenredigheid van de boete die het bestuursorgaan in acht moet nemen bij niet wettelijk vastgelegde boetes.
Het college moet bij het opleggen van de boete, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
Indien vaststaat dat de overtreding is begaan, mag het college ervan uitgaan dat de boete zoals bepaald in artikel 3 van de regeling evenredig is. In dat geval staat verwijtbaarheid van de gedraging of het nalaten vast en kan de boete gezien de hoogte van het bedrag niet tot gevolg hebben dat betrokkene daardoor onevenredig getroffen wordt.
Ernst van de overtreding
In artikel 3 van de Regeling is aangegeven welke overtredingen het college ziet als ernstige overtredingen en welke overtredingen als minder ernstig worden gezien. Bij de oplegging van de boetes zal hier ook van uitgegaan worden.
Verwijtbaarheid
Indien er bijzondere omstandigheden zijn waaronder de overtreding is begaan, die tot gevolg hebben dat het de overtreder in dit geval minder verweten kan worden dat de overtreding is begaan, kan de boete op deze grond gematigd worden. Hierbij is onder meer bepalend wat er staat in artikel 4 van deze regeling en de toelichting daarop.
Draagkracht
Draagkracht kan een rol spelen bij het opleggen van de bestuurlijke boete. Van het college kan niet verwacht dat het steeds zelf onderzoek moet instellen naar de draagkracht van betrokkene.
In de meeste gevallen zal het college ervan uit mogen gaan dat de draagkracht geen beletsel vormt voor het opleggen van de boete. Als de overtreder aangeeft dat het opleggen van de boete wel onevenredige gevolgen heeft, dan zal de overtreder dit door middel van stukken aan moeten tonen. Onvoldoende is dat de overtreder in algemene zin aangeeft onevenredig getroffen te zijn.
In de meeste gevallen zal, gezien de hoogte van de boete, de mogelijkheid tot gespreide betaling niet leiden tot matiging ervan. Als er besloten wordt tot matiging, zal voorkomen moeten worden dat de matiging het sanctionerende karakter van de boete te niet doet. Daarom zal er door matiging niet een dermate lage boete opgelegd kunnen worden, dat de boete niet meer als sanctie werkt.
Artikel 7 en 8
Deze artikelen behoeven geen toelichting.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl