Verordening jeugdhulp gemeente Nuenen 2026

Geldend van 19-02-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening jeugdhulp gemeente Nuenen 2026

De raad van de gemeente Nuenen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 december 2025;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet en artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Nuenen 2026.

Artikel 1. Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

andere voorziening:

voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, anders dan in het kader van de Jeugdwet.

individuele voorziening:

een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden, niet vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid, waarvoor het college een beschikking afgeeft. Wanneer het gaat om Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) of de verwijzing naar een individuele voorziening verloopt via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts is dit zonder ondersteuningsplan.

overige voorziening:

voorziening als bedoeld in artikel 2 eerste lid, waarvoor geen verleningsbeschikking van het college is vereist.

jeugdhulp:

hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de wet.

jeugdhulpaanbieder:

de persoon als bedoeld in artikel 1.1. van de wet.

jeugdige:

de persoon als bedoeld in artikel 1.1 van de wet en die woonachtig is in de gemeente Nuenen.

familiegroepsplan:

hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de jeugdige en zijn ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren.

gezin:

elk leefverband van één of meer volwassenen die verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van één of meer jeugdigen.

Centrum Maatschappelijke Deelname (CMD):

het CMD helpt inwoners (waaronder mantelzorgers, vrijwilligers en professionals) met alle vragen die betrekking hebben op het sociale domein. In het CMD wordt begeleiding/ ondersteuning geboden. De professionals in het CMD versterken en activeren het netwerk rondom een vrager, bieden zelf hulp en organiseren zorg. De professional van het CMD is het aanspreekpunt voor het gezin en coördineert de ondersteuning die wordt ingezet.

onderzoeksrapport:

rapportage die opgesteld wordt door het college in samenspraak met de jeugdige en /of zijn ouders en wanneer noodzakelijk samen met de bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. In de onderzoeksrapport staan de uitkomsten van het onderzoek, alle vormen van ondersteuning en hulp die ten behoeve van de jeugdige of zijn ouders worden ingezet en de doelen waaraan gewerkt wordt.

ouder:

gezaghebbende ouder, adoptief ouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder.

persoonsgebonden budget (pgb):

persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken.

second opinion:

Wanneer iemand twijfelt aan het besluit van het college kan er een tweede beoordeling plaatsvinden. Deze wordt kosteloos verricht door een onafhankelijke deskundige die door de gemeente is aangesteld.

sociaal netwerk:

een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige en/of ouder(s) een sociale relatie heeft.

verwijzer:

in het geval van een individuele voorziening zijn er verschillende verwijzers mogelijk: het CMD, de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts.

wet:

Jeugdwet.

Artikel 2. Vormen van jeugdhulp

  • 1. De volgende vormen van overige voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

    • Informatie, consultatie en (handelings)advies, waaronder opvoedondersteuning.

    • (Pedagogische) hulp.

  • 2. De gemeente biedt als individuele voorzieningen voor jeugdhulp in ieder geval alle producten die zijn opgenomen in de Producten Diensten Catalogus (PDC).

  • 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de jeugdhulpvoorzieningen als bedoeld in het eerste en tweede lid en de uitwerking daarvan.

Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder en legt dit vast in een beschikking.

  • 2. Vanwege een deskundige bepaling en het inzetten van de individuele voorziening door een aanbieder, stelt het college een protocol op waaraan de aanbieder gehouden is.

  • 3. Het protocol bevat een beschrijving van de stappen die de aanbieder met zorgvuldigheid en deskundigheid moet doorlopen. Deze stappen zijn in ieder geval de volgende:

    • a.

      Stel de hulpvraag van de jeugdige of de ouder vast.

    • b.

      Stel vast of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn.

    • c.

      Bepaal welke hulp naar aard en omvang nodig is.

    • d.

      Onderzoek of er mogelijkheden zijn om, geheel of gedeeltelijk:

      • Op eigen kracht, met algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing voor de hulpvraag te vinden.

      • Met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot een oplossing voor de hulpvraag.

      • Met gebruikmaking van een andere of overige voorziening te komen tot een oplossing voor de hulpvraag.

  • 4. Bij het bepalen van de aard en omvang van de voorziening hanteert de aanbieder het principe van de goedkoopst passende voorziening.

  • 5. In het protocol wordt de mogelijkheid en bevoegdheid van het college beschreven tot beoordeling door de gemeente (contra-expertise) van het correct toepassen van het protocol door de aanbieder en in het verlengde hiervan de aard en omvang van de zorginzet.

  • 6. Het protocol maakt onderdeel uit van de overeenkomst met de aanbieder waarbij de mogelijkheid bestaat om nadere werkafspraken te maken over de uitvoering.

Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1. Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk, digitaal, telefonisch of mondeling indienen bij het college. De datum van de aanvraag wordt geregistreerd. Op verzoek van de jeugdige of zijn ouders zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte.

  • 2. Het college geeft zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, de beschikking af. In spoedeisende gevallen beslist het college na een aanvraag zo snel mogelijk tot verstrekking van een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 5, of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.

Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

  • 1. Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college samen met de jeugdige of zijn ouders of wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit. In overleg met het college kunnen de jeugdige of zijn ouders de aanvraag tijdens het onderzoek wijzigen.

  • 2. De jeugdige of zijn ouders of zijn wettelijke vertegenwoordiger verschaffen het college de gegevens die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.

  • 3. Voordat het onderzoek start, kunnen de jeugdige of zijn ouders het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. Als de jeugdige of zijn ouders een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek.

  • 4. Het college wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

  • 5. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouders vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

  • 6. Het college onderzoekt:

    • a.

      De behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouders, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie.

    • b.

      Of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedings-problemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen en zo ja:

      • Welke problemen of stoornissen dat zijn.

      • Welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.

      • Of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden.

      • Voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg.

    • c.

      Hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.

    • d.

      Wanneer van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.

  • 7. Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. Hierbij wordt in begrijpelijke bewoordingen uitgelegd wat de gevolgen van die keuze zijn.

  • 8. Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

  • 9. De uitkomsten van het onderzoek worden schriftelijk vastgelegd in het onderzoeks-rapport. De jeugdige en/of ouders ontvangen hiervan een afschrift.

Artikel 6. Toekenning individuele voorziening

  • 1. Het college kent een individuele voorziening toe wanneer wordt vastgesteld dat:

    • a.

      De jeugdige op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden.

    • b.

      De jeugdige geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemene of overige voorziening.

  • 2. Wanneer sprake is van een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, zoals is vastgelegd in artikel 3. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening.

  • 3. Het college evalueert en monitort samen met de jeugdige en/of zijn ouders de uitvoering van de individuele voorziening en past dit wanneer nodig aan.

Artikel 7. Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht

  • 1. Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      Gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders.

    • b.

      Bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan.

    • c.

      De ondersteuning vanuit het sociale netwerk.

    • d.

      Het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.

  • 2. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van een van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.

  • 3. Het college beoordeelt of de benodigde hulp meer is dan wat een jeugdige van dezelfde leeftijd normaal gesproken nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:

    • a.

      De leeftijd van de jeugdige.

    • b.

      De mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft.

    • c.

      De aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige.

    • d.

      De mate van planbaarheid van de hulp.

    • e.

      De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.

  • 4. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

  • 5. Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:

    • -

      Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.

    • -

      Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

    Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 6. Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:

    • a.

      De aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige.

    • b.

      De mate van planbaarheid van de hulp.

    • c.

      Het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders.

    • d.

      De manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige.

    • e.

      Vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond).

    • f.

      Of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden.

    • g.

      Welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen.

    • h.

      Het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen.

    • i.

      De woonsituatie.

    • j.

      De samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet).

    • k.

      Is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen.

    • l.

      Overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht.

  • 7. Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

  • 8. Bij (dreigende) overbelasting van ouders geldt nog het volgende:

    • a.

      Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.

    • b.

      Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.

    • c.

      Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.

    • d.

      Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht. Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.

    • e.

      Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.

  • 9. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

  • 10. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.

  • 11. Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 8. Inhoud beschikking

  • 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      Wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan is.

    • b.

      Wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is.

    • c.

      Hoe de voorziening wordt verstrekt.

    • d.

      Wanneer van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      Voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend.

    • b.

      Welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb.

    • c.

      Wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen.

    • d.

      Welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn.

    • e.

      Wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld.

    • f.

      De wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

Artikel 9. Regels voor pgb

  • 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet en legt dit vast in een beschikking als bedoeld in artikel 8.

  • 2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen:

    • a.

      Personen die werkzaam zijn bij een organisatie met een aanbod dat past bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of de ouder(s) het pgb krijgen. De organisatie staat ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). De personen beschikken over de relevante diploma’s om de werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren.

    • b.

      Personen die als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) werkzaamheden uitvoeren die passen bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of ouder(s) het pgb krijgen. De zzp’er staat voor deze werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Ook beschikt de zzp’er over de relevante diploma’s of werkervaring die nodig zijn voor uitoefening van deze werkzaamheden.

    • c.

      Personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (SKJ-registratie).Van informele hulp is sprake als de hulp verleend wordt een andere persoon dan beschreven in lid 2 onder a, b of c.

  • 3. Als de jeugdhulp geboden wordt door een persoon uit het sociaal netwerk van de budgethouder is altijd sprake van informele hulp.

  • 4. De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura.

  • 5. Het pgb wordt berekend op basis van het tarief van de voorziening in natura en wie de zorginzet levert. Hierbij gelden de volgende tarieven en percentages:

    • a.

      Alleen familie of netwerk (ongeacht het beschikken over diploma’s): het wettelijk minimumloon. Indien van toepassing worden hier de werkgeverslasten aan toegevoegd.

    • b.

      Personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s en/of aantoonbare werkervaring die nodig is voor de uitoefening van de desbetreffende taken en niet behorend tot het sociaal netwerk: 75% van het tarief voor zorg in natura.

    • c.

      Gediplomeerde hulpverleners, in dienst van een zorgaanbieder: 90% van het tarief voor zorg in natura.

Artikel 10. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, opschorting, intrekking of terugvordering

  • 1. Het college informeert de jeugdige en zijn ouders of zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2. Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen de jeugdige of zijn ouders op verzoek of direct uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandig-heden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb.

  • 3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een besluit aangaande een individuele voorziening of pgb herzien, opschorten of intrekken wanneer het college vaststelt dat:

    • a.

      De jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid.

    • b.

      De jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen.

    • c.

      De individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten.

    • d.

      De jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb.

    • e.

      De jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

    • f.

      Het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 4. Als het college een besluit op grond van het tweede lid heeft ingetrokken, kan het college geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb terugvorderen van de jeugdige of zijn ouders.

  • 5. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

  • 6. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.

  • 7. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het zesde lid.

  • 8. Het college kan personen aanwijzen die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

Artikel 11. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven voor contractering of subsidiering van aanbieders van jeugdhulp of uitvoerders van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met:

  • a.

    De aard en omvang van de te verrichten taken.

  • b.

    De voor de sector toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie.

  • c.

    Een redelijke toeslag voor overheadkosten.

  • d.

    Een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg.

  • e.

    Kosten voor bijscholing van het personeel.

Artikel 12. Cliëntondersteuning

Het college zorgt ervoor en wijst erop dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op gratis onafhankelijke cliëntondersteuning.

Artikel 13. Klachtregeling

Het college draagt er zorg voor dat klachten behandeld worden conform de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening klachtbehandeling.

Artikel 14. Privacy

Het college zorgt ervoor dat wordt voldaan aan de Algemene verordening gegevensbescher-ming (AVG), de Uitvoeringswet AVG en de Verordening Privacy gemeente Nuenen c.a..

Artikel 15. Cliëntparticipatie

  • 1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente en de in de gemeente belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van het jeugdhulp beleid.

  • 2. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen in de gelegenheid voorstellen voor beleid te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen.

  • 3. Het college werkt hierbij volgens het participatiebeleid ‘Via beginspraak naar inspraak’ en de participatieverordening gemeente Nuenen 2025.

Artikel 16. Evaluatie

Het college evalueert minimaal eenmaal per vier jaar het gevoerde beleid. Het college informeert de gemeenteraad over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 17. Doorbraakmaatregel

  • 1. Naast de voorzieningen in deze verordening, waaronder ook andere en overige voorzieningen, is maatwerk mogelijk in de vorm van een doorbraakmaatregel. Dit is maatwerk dat niet past binnen het reguliere aanbod op basis van de Wmo, Jeugdwet of Participatiewet en andere wettelijke regelingen, maar wat een doorbraak kan forceren waardoor naar de mening van het college een adequate en/of goedkopere oplossing van de hulpvraag kan worden gevonden.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 18. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, wanneer toepassing van deze verordening of de hieruit voortvloeiende nadere regels, leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 19. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de dag nadat deze is gepubliceerd.

  • 2. Gelijktijdig wordt de Verordening jeugdhulp gemeente Nuenen 2023 ingetrokken.

  • 3. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Nuenen 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 5 februari 2026,

DE RAAD VOORNOEMD,

de griffier,

J. Oostdijk

de voorzitter,

F.G.F. van Genugten