Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang Stichtse Vecht 2026

Geldend van 19-02-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang Stichtse Vecht 2026

Burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht

Gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht;

Gelet op de artikelen 1.61 lid 1, 1.65 lid 1 en 4, 1.66 en 1.72 lid 1 Wet kinderopvang;

besluiten:

de ‘Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang Stichtse Vecht 2026’ vast te stellen.

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen/Definities

Begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving. Aanvullend wordt in deze beleidsregels verstaan onder:

Afwegingsmodel

In het Afwegingsmodel geeft het college aan welke bedragen en termijnen het uitgangspunt zijn bij de inzet van handhavingsmiddelen. Per overtreding zijn de maximale hersteltermijn waarbinnen deze moet zijn hersteld en de hoogte van financiële sancties opgenomen.

Boetebedrag

Bedrag van de op te leggen bestuurlijke boete, vastgesteld per overtreding in het bijgevoegde Afwegingsmodel.

College

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht.

GGD

Regionale gemeentelijke gezondheidsdienst. Voor de gemeente Stichtse Vecht is dit de GGD regio Utrecht.

Inspectieonderzoek

Een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid Wet kinderopvang.

Kinderopvangvoorziening

In deze beleidsregels wordt de term ‘kinderopvangvoorziening’ gebruikt voor de volgende vormen van opvang:

  • -

    Kinderdagverblijven;

  • -

    Buitenschoolse opvang;

  • -

    Ouderparticipatieopvang;

  • -

    Gastouderopvang;

  • -

    Gastouderbureau gevestigd in de gemeente.

LRK

Landelijk Register Kinderopvang.

Toezichthouder

De aangewezen toezichthouder van de GGD. De toezichthouder kinderopvang onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport.

Houder

De aanbieder van kinderopvang. In de Wet kinderopvang is de wettelijke definitie opgenomen.

Recidive

Dezelfde of een soortgelijke overtreding van een kwaliteitseis uit het Afwegingsmodel bij een kinderopvangvoorziening, begaan door dezelfde houder of gastouder binnen drie jaar.

Artikel 2 Visie op kinderopvang en handhaving

De eerste jaren van een kind hebben een grote invloed op de latere ontwikkeling. Daarom is verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang van groot belang. Onder kwalitatief goede kinderopvang verstaat de gemeente Stichtse Vecht kinderopvang die:

  • structureel voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen;

  • plaatsvindt in een veilige en gezonde omgeving;

  • wordt geboden door vaste en vertrouwde personen in vaste groepen; en

  • bijdraagt aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling van kinderen.

Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind in een veilige, stimulerende en vertrouwde omgeving achterlaten. Houders van een kinderopvangvoorziening zijn verantwoordelijk voor het aanbieden van kwalitatief goede kinderopvang in een veilige en gezonde omgeving. Het college verwacht dan ook van houders dat zij hier direct vanaf de start zorg voor dragen en structurele maatregelen nemen om incidentele overtredingen op te heffen en te voorkomen. Van houders met meerdere locaties verwacht het college dat zij maatregelen op alle locaties in de gemeente doorvoeren. Daarmee is gewaarborgd dat een vastgestelde overtreding ook niet wordt herhaald op een van de andere locaties.

Wanneer geconstateerd wordt dat een kwaliteitseis niet wordt nageleefd, grijpt het college in met een handhavingsmaatregel. Feiten en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan worden daarbij meegewogen. De gemeente hecht er waarde aan om de overwegingen van de houder goed te begrijpen. Dit draagt bij aan een zorgvuldige afweging bij de handhaving. In beginsel is het doel van het handhavend optreden om de overtreding te (laten) herstellen. Indien nodig worden overtredingen bestraft.

Artikel 3 Toepassing

Deze beleidsregels zijn van toepassing op de handhaving naar aanleiding van een overtreding van de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving. De beleidsregels hebben betrekking op alle kinderopvangvoorzieningen binnen de gemeente.

Artikel 4 Handhaving

  • 1. Het college heeft de mogelijkheid om zowel herstellend als bestraffend te handhaven. Herstellende handhaving is erop gericht dat een begane overtreding hersteld wordt en structureel hersteld blijft. In beginsel handhaaft het college altijd herstellend. Het doel is om de kwaliteit van de opvang zo snel mogelijk te herstellen. Bestraffende handhaving is gericht op het bestraffen van begane overtredingen, ongeacht of deze inmiddels hersteld zijn. Er kan altijd bestraffend gehandhaafd worden als het college dit nodig vindt. In de Algemene wet bestuursrecht wordt ook wel gesproken over leedtoevoeging.

  • 2. Bij het uitvoeren van het handhavingsbeleid heeft het college de volgende mogelijkheden:

    • a.

      een informeel middel zoals een waarschuwing;

    • b.

      een op herstel gericht handhavingsmiddel zoals een herstelsanctie; en

    • c.

      een bestraffende sanctie.

  • 3. Het college hanteert het bijgevoegde Afwegingsmodel bij het uitvoeren van handhavingsacties. Het Afwegingsmodel maakt integraal deel uit van deze beleidsregels.

  • 4. Het college kan gelijktijdig een herstelmaatregel en een bestuurlijke boete opleggen voor dezelfde overtreding.

  • 5. Als een overtreding niet in de beleidsregels is opgenomen, dan zoekt het college aansluiting bij vergelijkbare overtredingen in de beleidsregels.

Artikel 5 Kwaliteitseisen

  • 1. De kwaliteitseisen, waaraan voldaan moet worden, staan in de Wet kinderopvang en alle onderliggende regelgeving.

  • 2. In de Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang Stichtse Vecht 2026 wordt uitgegaan van deze kwaliteitseisen.

  • 3. De toezichthouder kinderopvang onderzoekt de naleving van deze kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport. De toezichthouder voert diverse onderzoeken uit, te weten:

    • a.

      onderzoeken voor registratie

    • b.

      onderzoeken na registratie

    • c.

      reguliere jaarlijkse inspectieonderzoeken

    • d.

      incidentele onderzoeken

    • e.

      nader onderzoek (na geconstateerde overtreding(en))

    • f.

      thema-onderzoeken.

  • 4. Voordat een kinderopvangvoorziening kinderen mag opvangen of een gastouderbureau haar werkzaamheden mag starten, is toestemming nodig van het college. Het college geeft alleen toestemming voor exploitatie als de toezichthouder van oordeel is dat een houder van een kinderopvangvoorziening vanaf de start kan voldoen aan de kwaliteitseisen en verantwoorde en kwalitatief goede opvang kan aanbieden. Deze werkwijze staat bekend als ‘Streng aan de poort’. Voor een gastouderbureau geldt dat deze direct vanaf de start de werkzaamheden zo moet kunnen uitvoeren dat zowel het gastouderbureau als de gastouders die zij begeleidt aan de kwaliteitseisen voldoen.

  • 5. In het Afwegingsmodel worden per domein de kwaliteitseisen geclusterd weergegeven en voorzien van de maximale hersteltermijn en bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete of dwangsom in geval van een overtreding.

Hoofdstuk 2 Handhavingsafwegingen

Artikel 6 Algemene afwegingen bij het handhaven

In beginsel is het college verplicht te handhaven wanneer de toezichthouder een overtreding van de kwaliteitseisen heeft vastgesteld. Gezien het algemene belang van handhaving ziet het college alleen in uitzonderlijke gevallen af van handhaving.

Handhaving is maatwerk. De omstandigheden bij iedere houder, locatie en overtreding zijn immers verschillend. Daarom kan ook de aanpak bij overtredingen verschillen.

Het college betrekt bij de voorbereiding van elk besluit alle feiten die bij haar bekend zijn. Daarbij wordt afgewogen welke handhavingsmaatregel geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken; kwalitatief goede kinderopvang. In iedere casus beoordeelt het college of evenredigheid bestaat tussen de ernst van een vastgestelde overtreding en de zwaarte van de op te leggen sanctie. Ook in hoeverre de kwaliteit van de opvang is beïnvloed door een tekortkoming wordt meegewogen in de handhavingsafweging. De beoordeling van de afwegingen kan leiden tot gemotiveerd afwijken van de reguliere escalatieladder.

Hoofdstuk 3 Herstellend traject

Artikel 7 Herstelmaatregel

  • 1. Indien is gebleken dat een houder van een kinderopvangvoorziening niet voldoet aan één of meer kwaliteitseis(en) van de Wet kinderopvang en alle onderliggende regelgeving, start het college in beginsel een herstellend handhavingstraject. Dit traject is gericht op beëindiging van de overtreding(en) en op voorkoming van herhaling van de overtreding(en).

  • 2. Voordat de eerste juridische stap van een aanwijzing wordt gezet, kan een schriftelijke waarschuwing worden gegeven om de houder te bewegen een overtreding binnen een gestelde termijn te herstellen. Een schriftelijke waarschuwing heeft geen juridische status en wordt niet gegeven bij ernstige overtredingen of als er sprake is van recidive.

  • 3. Bij het uitvoeren van een herstellend handhavingstraject hanteert het college de volgende stappen:

    • a)

      Stap 1: aanwijzing.

      Als een kinderopvangvoorziening de voorschriften bij of krachtens de Wet Kinderopvang (de ‘kwaliteitseisen’) niet of onvoldoende naleeft, dan kan de houder een schriftelijke aanwijzing ontvangen van het college. Hiermee zet het college in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden opgeheven, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw begaat. In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder, binnen welke termijn, moet nemen om de wettelijke voorwaarden na te leven. De duur van de hersteltermijn is opgenomen in het Afwegingsmodel. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie. De aanwijzing blijft geldig, ook nadat de overtreding van de kwaliteitseis is hersteld. De gemeente betrekt deze aanwijzing bij handhavingsbesluiten in de opvolgende 3 jaren.

    • b)

      Stap 2: last onder dwangsom/last onder bestuursdwang.

      • i.

        De last onder dwangsom is de best geschikte handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken na een aanwijzing, als sluiting van de opvang (nog) niet proportioneel is. Als de aanwijzing niet tot structureel herstel van de overtreding heeft geleid, dan legt de gemeente doorgaans een last onder dwangsom op. De gemeente kan ook direct een last onder dwangsom opleggen zonder dat eerst een aanwijzing is gegeven. De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom is een van de bestuursdwangbevoegdheid afgeleide bevoegdheid, zoals te vinden in artikel 5:32 van de Awb.

        Met een last onder dwangsom verplicht de gemeente de houder om maatregelen uit te voeren binnen een aangegeven termijn. Het college bepaalt hierbij wat een redelijke termijn is. Als een houder binnen de hersteltermijn de overtreding opheft en/of niet herhaalt, hoeft deze de dwangsom niet te betalen. Is vastgesteld dat een overtreding niet is opgeheven of is herhaald, dan moet de houder de dwangsom betalen. Met een last onder dwangsom kan op meerdere herhalingen worden gehandhaafd. Een last onder dwangsom kent daarvoor een maximumbedrag. Het college stelt de hoogte van de dwangsom vast op basis van het bedrag dat in het Afwegingsmodel is opgenomen. De dwangsom kan worden opgelegd als bedrag ineens, per constatering of per periode.

        De stap last onder dwangsom kan meerdere keren worden genomen voor een geconstateerde overtreding. Indien een eerste last onder dwangsom geen resultaat heeft gehad, kan worden overwogen een nieuwe, hogere last onder dwangsom op te leggen. Ook kan worden besloten tot een volgende stap in het herstellend handhavingstraject.

        De houder waaraan een last onder dwangsom is opgelegd, kan, indien een jaar nadat de last van kracht is geworden geen overtreding van de betreffende kwaliteitseis is geconstateerd, verzoeken om de last op te heffen.

      • ii.

        Bij een last onder bestuursdwang neemt het college bepaalde maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis op te heffen. Dit handhavingsmiddel is bijvoorbeeld geschikt om een kinderopvangvoorziening te sluiten en gesloten te houden bij overtreding van een exploitatieverbod. Alle kosten die gemaakt worden bij de last onder bestuursdwang zijn voor rekening van de houder. De last onder bestuursdwang is te vinden in paragraaf 5.3.1. van de Algemene wet bestuursrecht.

    • c)

      Stap 3: exploitatieverbod.

      Zodra er geen sprake (meer) is van verantwoorde kinderopvang sluit het college de kinderopvang tijdelijk. Wat onder verantwoorde kinderopvang wordt verstaan, is vastgelegd in artikel 1.49 van de Wet kinderopvang. Ook kan de kinderopvang gesloten worden zolang de houder een bevel van de toezichthouder of aanwijzing niet opvolgt. Daarnaast gaat het college over tot tijdelijke sluiting bij locaties waar de kwaliteit structureel ondermaats is, onderbouwd door inspectierapporten van de toezichthouder. Eerdere minder zware handhavingsmaatregelen hebben dan niet tot (structureel) herstel geleid.

      Bij deze tijdelijke sluiting moet de kinderopvang gesloten blijven zolang niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Pas als de houder aantoont dat de kwaliteit verbeterd is en blijft, mag de kinderopvang weer open. De toezichthouder beoordeelt dit tijdens een inspectieonderzoek.

      Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang weegt altijd zwaarder dan het belang van continuïteit van opvang of een financieel belang. Als het college een kinderopvanglocatie sluit, dan moet de houder de ouders zelf op de hoogte stellen van deze sluiting.

    • d)

      Stap 4: intrekken van de toestemming tot exploitatie en verwijdering van de registratie uit het Landelijk Register Kinderopvang.

      Er zijn verschillende gronden waarop het college, in het kader van handhaving, de toestemming tot exploitatie kan intrekken en de registratie van deze voorziening verwijdert uit het LRK, bijvoorbeeld:

      • -

        Als het de houder na sluiting van een locatie niet lukt om (binnen redelijke termijn) de overtredingen structureel op te heffen;

      • -

        Als een houder de kwaliteitseisen structureel niet naleeft, na verbetering opnieuw overtredingen begaat, veel en/of ernstige overtredingen begaat of overtredingen begaat die redelijkerwijs niet kunnen worden hersteld;

      • -

        Als niet langer wordt voldaan aan de definitie van kinderopvang, ouderparticipatieopvang, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau;

      • -

        Als is gebleken dat de houder niet langer de kinderopvangvoorziening exploiteert;

      • -

        Als 3 maanden na de registratie de exploitatie van de kinderopvangvoorziening niet daadwerkelijk is aangevangen.

    • Vanaf het moment dat voor een kinderopvangvoorziening de toestemming tot exploitatie is ingetrokken en de registratie van deze voorziening verwijderd is uit het LRK, is er geen sprake meer van kinderopvang in de zin van de wet. Voortzetten van de exploitatie leidt tot niet geregistreerde kinderopvang (illegale kinderopvang) en kan leiden tot een bestuurlijke boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van overtreding van de Wet op de Economische Delicten.

  • 4. De duur van de hersteltermijn is vastgelegd in het bijgevoegde Afwegingsmodel en is afhankelijk van de consequenties voor de kwaliteit van de opvang. Bij het geven van een aanwijzing gelden de hersteltermijnen zoals opgenomen in het Afwegingsmodel.

    Deze termijnen worden eveneens gehanteerd als begunstigingstermijn indien ervoor gekozen is om een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang in te zetten.

    Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken.

Hoofdstuk 4 Bestraffend traject

Artikel 8 Gebruik bevoegdheid opleggen bestuurlijke boete

  • 1. Het college kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtredingen zoals opgenomen in het Afwegingsmodel. Het opleggen van een bestuurlijke boete is een bevoegdheid van het college. Dit betekent dat het college een bestuurlijke boete op kan leggen, maar daartoe niet verplicht is. Indien het college overgaat tot het opleggen van een boete, is hetgeen in deze beleidsregels is bepaald onverkort van toepassing.

  • 2. Elke overtreding beoordeelt en bestraft het college afzonderlijk, ook als één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden. Indien één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden, beoordeelt het college of het totale boetebedrag dat kan worden opgelegd evenredig is met de ernst van de overtredingen en de mate waarin de kwaliteit van de opvang negatief werd beïnvloed.

  • 3. Het college kan een boete opleggen als een houder na het opleggen van een aanwijzing geen maatregelen heeft genomen om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen.

  • 4. Aan de veiligheid van kinderen komt zwaarwegend belang toe bij de afweging omtrent het opleggen van een bestuurlijke boete.

Artikel 9 Hoogte bestuurlijke boete

  • 1. Bij de berekening van de bestuurlijke boete wordt voor alle overtredingen het boetebedrag dat is vastgelegd in het Afwegingsmodel gehanteerd.

  • 2. In afwijking van het vorige lid, geldt voor gastouders en ouderparticipatieopvang dat het boetebedrag op 50% van het boetebedrag uit het Afwegingsmodel wordt vastgesteld. Het voorgaande laat onverlet dat het college op grond van de Algemene wet bestuursrecht gehouden is de hoogte van de bestuurlijke boete af te stemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, waarbij het college zo nodig rekening houdt met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

  • 3. Overige uitzonderingen op het Afwegingsmodel zijn:

    • a.

      In geval van overtreding van de artikelen 1.66 en 1.45 Wet kinderopvang is er sprake van economische delicten, gesanctioneerd in de Wet op de Economische Delicten. In artikel 1 en 6 van deze wet is bepaald dat deze overtredingen beboet worden met een boete van de vierde categorie. De boetebedragen in onderhavig beleid komen hiermee overeen.

    • b.

      Overtreding van artikel 5:20 Algemene wet bestuursrecht is een strafbaar feit; strafbaar gesteld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. Overtreding van de medewerkingsplicht (art. 5:20 Awb) is tevens strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht (art. 184), met maximaal drie maanden hechtenis of een geldboete van de tweede categorie. Ons boetebedrag is daarop afgestemd.

  • 4. Het is mogelijk meerdere boetes gelijktijdig op te leggen indien er sprake is van meerdere overtredingen.

  • 5. Bij overtredingen waarbij per inspectie meerdere bestuurlijke boetes kunnen worden opgelegd, beoordeelt het college of het totale boetebedrag evenredig is in verhouding tot de aard en ernst van de overtreding en de mate waarin de kwaliteit van de opvang is beïnvloed.

Artikel 10 Recidive

  • 1. Bij recidive treedt doorgaans strafverzwaring op. Bij de vaststelling van de boete wordt bij recidive in principe uitgegaan van:

    • a.

      1,5 maal het in het Afwegingsmodel bepaalde boetebedrag indien een door een bestuurlijke boete te handhaven overtreding plaatsvindt binnen een periode van drie jaar nadat een eerdere overtreding van dezelfde kwaliteitseis heeft plaatsgevonden waarvoor eveneens een bestuurlijke boete was opgelegd;

    • b.

      2 maal het in het Afwegingsmodel bepaalde boetebedrag indien er sprake is van een derde of volgende overtreding van dezelfde kwaliteitseis binnen een periode van drie jaar nadat de daaraan voorafgaande overtreding zich heeft voorgedaan waarvoor eveneens een bestuurlijke boete was opgelegd.

  • 2. Bij recidive wordt niet enkel meegewogen of de in het verleden gepleegde overtreding(en) al dan niet betrekking had(den) op dezelfde kinderopvangvoorziening waarvoor de nieuwe boete wordt opgelegd. Mede bepalend is of de overtreder als houder al eerder een boete is opgelegd.

Artikel 11 Matiging

  • 1. Het college kan besluiten om de bestuurlijke boete te matigen indien de aard en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en/of de belanghebbende aannemelijk maakt dat op grond van

    • a.

      de ernst van de overtreding;

    • b.

      de mate van verwijtbaarheid;

    • c.

      de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan; of

    • d.

      de omstandigheden waarin de overtreder verkeert,

    boeteoplegging volgens deze Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang onevenredig is.

  • 2. Van een situatie als bedoeld in het vorige lid kan in beginsel slechts sprake zijn, indien sprake is van bijzondere omstandigheden waarin bij de vaststelling van deze beleidsregels niet is voorzien.

Artikel 12 Samenloop

De totale bij boetebeschikking op te leggen boete bestaat, ingeval er sprake is van meerdere overtredingen, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen.

Hoofdstuk 5 Handhavingsbesluiten

Artikel 13 Uitgangspunten handhavingsbesluiten

  • 1. Het college stelt handhavingsbesluiten zo duidelijk en eenvoudig mogelijk op.

  • 2. Het college combineert zoveel mogelijk handhavingsbesluiten in één brief aan de houder met een duidelijke toelichting, zodat helder is wat het college verwacht van de ontvanger.

  • 3. Zodra een handhavingsbesluit wordt verstuurd, is het college van oordeel dat het onderzoek van de toezichthouder zorgvuldig is uitgevoerd.

Hoofdstuk 6 Invloed handhaving op starten en wijzigen kinderopvangvoorziening

Artikel 14 Toestemming

  • 1. Handhaving bij een andere voorziening van de houder kan aanleiding zijn om te besluiten dat een houder geen nieuwe opvang mag starten totdat alle overtredingen zijn hersteld.

  • 2. Handhaving kan aanleiding zijn om te besluiten dat een houder het aantal kindplaatsen niet mag verhogen totdat alle overtredingen op de betreffende voorziening zijn hersteld.

Hoofdstuk 7 Handhaving op kinderopvangvoorzieningen met voorschoolse educatie

Artikel 15 Voorschoolse educatie

Het college verstrekt subsidie aan kinderopvangvoorzieningen met voorschoolse educatie (VE) om een ander kwaliteitsniveau te realiseren. Als de toezichthouder een overtreding vaststelt van de wettelijke kwaliteitseisen voorschoolse educatie, dan zet het college de handhavingsmiddelen in die hiervoor zijn beschreven. Als een aanwijzing niet is opgevolgd of het college direct financiële consequenties aan een overtreding wil verbinden, dan treedt het college eerst op binnen de subsidierelatie. Overtredingen kunnen grond zijn voor het weigeren van een subsidieaanvraag of leiden tot een lagere subsidievaststelling.

Als sprake is van een overtreding van de wettelijke basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie, informeert de toezichthouder de Inspectie van het Onderwijs. Deze gebruikt de informatie als signaal in het eigen toezicht. De toezichthouder kan ook voor de VE-specifieke eisen een herstelaanbod doen.

Hoofdstuk 8 Handhaving bij een gastouderbureau dat gevestigd is buiten de gemeente

Artikel 16 Gastouderbureau gevestigd buiten de gemeente

De toezichthouder kan bij een onderzoek bij een voorziening voor gastouderopvang binnen de gemeente een overtreding vaststellen, begaan door een gastouderbureau gevestigd buiten de gemeente. Aan gastouderbureaus gevestigd buiten onze gemeente mag het college geen aanwijzing opleggen. Ook het opleggen van een last onder dwangsom is in dit geval geen geschikt handhavingsmiddel. Immers, het college is doorgaans niet zelf verantwoordelijk voor het toezicht op deze bureaus. Een last onder dwangsom is alleen een effectief handhavingsmiddel als deze ook wordt ingevorderd bij herhaling van een overtreding. Nu het college hierop buiten haar gemeentegrenzen geen toezicht kan houden, vervalt de effectiviteit van dit handhavingsmiddel. Het enige handhavingsmiddel dat geschikt, en daarmee noodzakelijk, is voor handhaving bij deze bureaus is het opleggen van een bestuurlijke boete.

Hoofdstuk 9 Publicatie van handhavingsbesluiten

Artikel 17 Publicatie

Het college maakt handhavingsbesluiten openbaar in het LRK zodra deze onherroepelijk zijn. Een handhavingsbesluit is onherroepelijk zodra alle bezwaar- en beroepsprocedures tegen het besluit zijn afgerond. In besluiten staat hoe in bezwaar en/of beroep gegaan kan worden.

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

Artikel 18 Overgangsrecht

Indien een aanwijzing wordt gegeven of een sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregels, blijft het beleid zoals dat gold op het moment van de overtreding, van toepassing.

Artikel 19 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang Stichtse Vecht 2026’.

Artikel 20 Intrekking oude regeling

De Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang Stichtse Vecht 2022 worden ingetrokken.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders d.d. 10 februari 2026,

Burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht,

De gemeentesecretaris,

drs. R.C.L. Heijdra

De burgemeester,

drs. A.J.H.T.H. Reinders

Afwegingsmodel Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang Stichtse Vecht 2026

Handhaving op basis van het Afwegingsmodel

Voor de overtredingen die zijn opgenomen in dit Afwegingsmodel kan een bestuurlijke boete en/of een last onder dwangsom worden opgelegd. Bij iedere overtreding beoordeelt het college, met inachtneming van de artikelen 3:2 en 3:4 Awb, of wordt volstaan met een herstelsanctie of dat tevens een bestraffende sanctie wordt opgelegd. In de beleidsregels is de reguliere escalatieladder voor de handhaving op kinderopvangvoorzieningen opgenomen. Hier kan beredeneerd van worden afgeweken. De afwegingen worden in elk handhavingsbesluit toegelicht. Het opleggen van een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom voor dezelfde overtreding vindt slechts plaats indien dit, gelet op aard en ernst van de overtreding, noodzakelijk en evenredig is. Het aantal overtredingen waarvoor het college een financiële sanctie oplegt is beperkt tot 4 overtredingen van hetzelfde voorschrift per inspectieonderzoek.

Bedragen en termijnen

Voor de bedragen sluit de gemeente aan bij de categorieën genoemd in artikel 23 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht. Indien van toepassing is de maximale hersteltermijn ook opgenomen. Voor elke overtreding beoordeelt het college welke sanctie en hersteltermijn passend en geboden zijn. In de onderstaande tabellen zijn richtbedragen en richttermijnen opgenomen, waarvan kan worden afgeweken indien het college dit passend acht. Hierbij houdt het college onder andere rekening met de ernst van de overtreding, de mate waarin de overtreding aan de overtreder kan worden verweten en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.

Voor de gastouderopvang en ouderparticipatieopvang gelden andere bedragen. Het maximum dwangsombedrag voor gastouderopvang is gelijk aan het bedrag genoemd bij de eerste categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan. Het maximum dwangsombedrag voor ouderparticipatieopvang is gelijk aan het bedrag genoemd bij de tweede categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan. Verder geldt voor deze vormen van opvang dat het boetebedrag wordt vastgesteld op 50% van het bedrag uit het Afwegingsmodel. Het voorgaande laat onverlet dat het college op grond van de Algemene wet bestuursrecht gehouden is de hoogte van de boete of dwangsom af te stemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, waarbij het college zo nodig rekening houdt met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Tabel 1 - Diversen m.b.t. naleving, registratie en wijzigingen

Wettelijke bepaling / kwaliteitseis

Maximale hersteltermijn

Bestuurlijke boete/last onder dwangsom

Start exploitatie voor ontvangst toestemming college of voor de datum waarop het college heeft bepaald dat de exploitatie mag aanvangen

n.v.t.

De vierde categorie

Aanbieden kinderopvang zonder schriftelijke overeenkomst

2 weken

De helft van de tweede categorie

Schenden medewerkingsplicht

2 weken

De tweede categorie

Houder geeft wijziging van in het LRK opgenomen gegevens niet (tijdig) door

2 weken

De helft van de tweede categorie

Niet opvolgen van een bevel

2 weken

De vierde categorie

Niet opvolgen van aanwijzing

2 weken

De tweede categorie

Overtreden van een exploitatieverbod

n.v.t.

De vierde categorie

Tabel 2 - Praktijk/uitvoering

Wettelijke bepaling / kwaliteitseis

Maximale hersteltermijn

Bestuurlijke boete / last onder dwangsom

De houder biedt geen verantwoorde opvang

2 weken

Derde categorie

De houder voldoet niet aan zijn informatieplicht richting ouders

2 weken

De helft van de tweede categorie

De houder zorgt er niet voor dat conform het beleid wordt gehandeld

2 weken

De helft van de tweede categorie

De houder voldoet niet aan de eisen gesteld aan veilige en gezonde kinderopvang (m.u.v. het niet handelen conform het beleid)

2 weken

De helft van de tweede categorie

De houder voldoet niet aan de eisen m.b.t. kwalificatie

2 weken

Tweede categorie

De houder voldoet niet aan de eisen m.b.t. stabiliteit (GO: groepsgrootte)

2 weken

De helft van de tweede categorie

De houder voldoet niet aan de eisen m.b.t. de VOG’s en het personenregister kinderopvang

2 weken

Tweede categorie per ontbrekende VOG of per ontbrekende inschrijving en/of koppeling

De houder voldoet niet aan de eisen m.b.t. de beroepskrachtkind-ratio (BKR)

2 weken

Tweede categorie per ontbrekende beroepskracht

Op de uren dat niet tenminste de helft van het conform de BKR benodigde aantal beroepskrachten is ingezet

n.v.t.

De helft van de tweede categorie

De houder voldoet niet aan de eis m.b.t. de voertaal, taaleis VE en taaleis BSO

2 weken

De helft van de tweede categorie

De houder voldoet niet aan het ouderadviesrecht/klachtrecht

2 maanden (oudercommissie), 6 maanden (klachtrecht)

De helft van de tweede categorie

De inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker voldoet niet

2 weken

De tweede categorie

De houder voldoet niet aan de urennorm voor VE

2 weken

De helft van de tweede categorie

De binnen- en/of buiten(speel)ruimtes voldoen niet aan de eisen. De VGO voldoet niet aan de eisen.

2 weken

De helft van de tweede categorie

Het gastouderbureau voldoet niet aan zijn zorgplicht (groepssamenstelling; veiligheid en gezondheid; eisen aan ruimtes), ziet onvoldoende toe op de uitvoering van het pedagogisch beleid/de kwaliteit van de opvang, of voert niet aantoonbaar de kassiersfunctie uit.

2 weken

Tweede categorie

Tabel 3 - Documenten

Wettelijke bepaling / kwaliteitseis

Maximale hersteltermijn

Bestuurlijke boete/last onder dwangsom

De houder heeft beleidsdocumenten die onvolledig zijn en/of niet alle verplicht te beschrijven onderwerpen bevatten en/of niet actueel zijn

2 maanden

De tweede categorie voor het ontbreken van een document, de eerste categorie voor iedere (sub)eis waaraan niet is voldaan

De administratie van de houder bevat niet alle verplicht op te nemen documenten en/of is op verzoek van de toezichthouder niet onverwijld te raadplegen

2 maanden

De tweede categorie per ontbrekend document

De houder gebruikt geen VE-programma dat voldoet aan de eisen

2 maanden

De helft van de tweede categorie