Participatieverordening Zundert 2026

Geldend van 19-02-2026 t/m heden

Intitulé

Participatieverordening Zundert 2026

De gemeenteraad van de gemeente Zundert;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 16-12-2025;

gehoord het advies van de Ronde d.d. 21-01-2026;

gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet en de artikelen 10.7, 10,2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit;

besluit:

vast te stellen:

Participatieverordening Zundert 2026

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Definities

Deze verordening verstaat onder:

  • -

    beleid: gedragslijn, project, programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren;

  • -

    bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is, afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat de gemeenteraad, het college of de burgemeester;

  • -

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert;

  • -

    deelnemers: inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen die actief meedoen aan een participatietraject;

  • -

    inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan aan inwoners en belanghebbenden biedt om hun mening over beleid te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet;

  • -

    inwoners: ingezetenen als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet;

  • -

    inwonersparticipatie: op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid;

  • -

    maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen en andere organisaties zonder winstoogmerk die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de gemeente;

  • -

    ondernemers: bedrijven en instellingen die statutair binnen de gemeente zijn gevestigd of in hoofdzaak binnen de gemeente hun activiteiten verrichten;

  • -

    overheidsparticipatie: op initiatief van inwoners en maatschappelijke partijen betrekken van de gemeente bij ideeën en initiatieven;

  • -

    participatie: inwonersparticipatie, overheidsparticipatie en uitdaagrecht;

  • -

    uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet.

Hoofdstuk 2. Kaders en uitgangspunten bij participatie

Artikel 2. Doelstelling

Het doel van deze verordening is:

  • a.

    regelen hoe de gemeente inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen betrekt bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid;

  • b.

    regelen hoe de gemeente initiatieven van inwoners en maatschappelijke partijen ondersteunt of hieraan deelneemt;

  • c.

    experimenteren met nieuwe vormen van participatie en hier lessen van te leren;

  • d.

    kennis en ervaring met participatie vast te leggen en te delen; en

  • e.

    het gesprek tussen gemeente en inwoners en maatschappelijke partijen te bevorderen.

Artikel 3. Reikwijdte

  • 1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid, taken en bevoegdheden of participatie wordt toegepast.

  • 2. Er vindt geen participatie plaats als:

    • a.

      het om een ondergeschikte herziening van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen gaat;

    • b.

      participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift uitgesloten is;

    • c.

      de uitkomst van participatie vanwege spoedeisendheid niet kan worden afgewacht;

    • d.

      sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan naar oordeel van het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

    • e.

      het om interne organisatorische aangelegenheden van de gemeente gaat; of

    • f.

      het om de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet gaat.

Artikel 4. Omgevingswet

  • 1. Het bestuursorgaan past bij participatie bij het vaststellen of wijzigen van de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet, het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet of een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet, zoveel mogelijk deze verordening toe. Daarbij neemt het bestuursorgaan de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit in acht.

  • 2. Participatie over omgevingsvergunningen, waarbij de initiatiefnemer aan zet is voor het organiseren van participatie, vindt plaats volgens hetgeen bepaald is in de Omgevingswet en eventuele besluiten van de gemeenteraad over verplichte participatie, zoals bedoeld in artikel 16.55, lid 7 van de Omgevingswet.

  • 3. Het college ondersteunt initiatiefnemers die een omgevingsvergunning aanvragen bij het organiseren van participatie door een participatieleidraad ter beschikking te stellen.

Artikel 5. Inspraak

Als het bestuursorgaan in het kader van inwonersparticipatie voor inspraak kiest of inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander proces vaststelt.

Artikel 6. Rolverdeling tussen gemeenteraad en college

  • 1. Het college informeert en betrekt de gemeenteraad niet over de manier waarop participatie wordt vormgegeven in gevallen waarbij het college het bevoegd gezag is en volgt daarbij de door de gemeenteraad vastgestelde (beleids)kaders.

  • 2. Het college informeert en betrekt de gemeenteraad over de manier waarop participatie wordt vormgegeven in gevallen waar de gemeente zelf initiatiefnemer is en de gemeenteraad het bevoegd gezag is.

  • 3. Het college vraagt de gemeenteraad om specifieke kaders te stellen voor de participatieaanpak in gevallen met grote maatschappelijke of politieke impact, zoals gedefinieerd in het geldende participatiebeleid.

Artikel 7. Participatieparagraaf

Elk voorstel voor besluitvorming bevat een participatieparagraaf waarin keuzes ten aanzien van participatie worden verantwoord, opdat het bestuursorgaan participatie kan meewegen in de besluitvorming.

Hoofdstuk 3. Aanvullende bepalingen inwonersparticipatie

Artikel 8. Participatieaanpak

  • 1. Wanneer het bestuursorgaan inwonersparticipatie toepast, stelt het bestuursorgaan een participatieaanpak vast.

  • 2. De participatieaanpak bevat in ieder geval:

    • a.

      een omschrijving van het beleid dat voorbereid, uitgevoerd of geëvalueerd wordt;

    • b.

      het doel van de participatieaanpak, waarbij het bestuursorgaan kiest uit:

      • i.

        de invloed en betrokkenheid van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen vergroten;

      • ii.

        inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen meer verantwoordelijkheid geven;

      • iii.

        kennis en ervaring van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen toevoegen,

      • iv.

        een beter beeld krijgen van alle verschillende belangen en perspectieven;

      • v.

        inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen laten weten hoe een beslissing is genomen; of

      • vi.

        een combinatie van deze doelen.

    • c.

      de rolverdeling tussen gemeente en deelnemers aan het participatietraject, waarbij het bestuursorgaan kiest uit:

      • i.

        het bestuursorgaan informeert inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen alleen en haalt geen inbreng op;

      • ii.

        het bestuursorgaan vraagt deelnemers om hun mening;

      • iii.

        het bestuursorgaan vraagt deelnemers om advies;

      • iv.

        het bestuursorgaan voert zijn taak samen met deelnemers uit;

      • v.

        het bestuursorgaan beslist samen met deelnemers over het voorliggende vraagstuk; of

      • vi.

        een combinatie van deze rolverdelingen.

    • d.

      de doelgroepen van het participatietraject;

    • e.

      een beschrijving van de vraagstukken die aan deelnemers worden voorgelegd;

    • f.

      de participatiemiddelen die worden toegepast;

    • g.

      de wijze van communicatie;

    • h.

      het voorziene tijdspad; en

    • i.

      de wijze waarop uitkomsten van het participatietraject worden betrokken in de besluitvorming van het bestuursorgaan.

Artikel 9. Eindverslag inwonersparticipatie

  • 1. Nadat inwonersparticipatie heeft plaatsgevonden stelt het bestuursorgaan een eindverslag op en deelt dit ten minste met de deelnemers.

  • 2. Het eindverslag bevat in elk geval:

    • a.

      een beschrijving van het proces dat is gevolgd, op basis van de participatieaanpak;

    • b.

      de uitkomsten van het proces;

    • c.

      een reactie op die uitkomsten waarbij beargumenteerd is aangegeven hoe het beleid naar aanleiding daarvan is aangepast; en

    • d.

      een evaluatie van het proces dat is gevolgd.

Hoofdstuk 4. Aanvullende bepalingen overheidsparticipatie en uitdaagrecht

Artikel 10. Verzoek om overheidsparticipatie

  • 1. Inwoners en maatschappelijke partijen kunnen bij het college een verzoek om overheidsparticipatie indienen.

  • 2. Het verzoek bevat in elk geval:

    • a.

      een omschrijving van de overheidsparticipatie die de indiener voor ogen heeft;

    • b.

      de reden dat de indiener het verzoek indient;

    • c.

      argumentatie waarom de overheidsparticipatie bijdraagt aan doelstellingen in gemeentelijk beleid of op een andere wijze een positieve maatschappelijke bijdrage levert;

    • d.

      de gewenste ondersteuning van het bestuursorgaan; en

    • e.

      het resultaat dat de indiener beoogt.

  • 3. Het college kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen.

Artikel 11. Beoordeling verzoek overheidsparticipatie

  • 1. Het college zendt een ingediend verzoek door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het verzoek te reageren en informeert de indiener hierover.

  • 2. Als de gemeenteraad op het verzoek moet reageren, bereidt het college de reactie op het verzoek voor.

  • 3. Onverminderd artikel 3.2, wijst het bestuursorgaan een verzoek af als:

    • a.

      het verzoek ziet op een taak waarvan de aard zich tegen de toepassing van overheidsparticipatie verzet; of

    • b.

      het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid.

  • 4. Het bestuursorgaan reageert binnen zes weken op het verzoek. Het bestuursorgaan kan deze termijn met zes weken verdagen.

  • 5. Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en de onderbouwing binnen twee weken openbaar.

Artikel 12. Uitvoering overheidsparticipatie

Als het bestuursorgaan het verzoek om de toepassing van overheidsparticipatie toewijst, maakt het met de indiener in ieder geval schriftelijke afspraken over:

  • 1.

    het proces, het resultaat en de looptijd van de overheidsparticipatie;

  • 2.

    het budget en de financieringswijze van de overheidsparticipatie;

  • 3.

    het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende het proces van de overheidsparticipatie, waarbij het bestuursorgaan in overleg met de indiener kiest uit;

    • a.

      het bestuursorgaan neemt geen rol, de indiener van het verzoek voert dit zelfstandig uit;

    • b.

      het bestuursorgaan stimuleert de uitvoering van het verzoek door kennis en ervaring te delen;

    • c.

      het bestuursorgaan stelt kennis en/of middelen beschikbaar om de uitvoering van het verzoek mogelijk te maken;

    • d.

      het bestuursorgaan neemt de leiding om het verzoek uit te voeren;

    • e.

      het bestuursorgaan beslist over een aanpassing aan kaders om het verzoek mogelijk te maken; of

    • f.

      een combinatie van deze vormen van ondersteuning.

  • 4.

    de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het mogelijk tussentijds beëindigen van de overheidsparticipatie; en

  • 5.

    de evaluatie van de overheidsparticipatie.

Artikel 13. Verzoek om toepassing uitdaagrecht

  • 1. Inwoners en maatschappelijke partijen kunnen bij het college een verzoek om de toepassing van het uitdaagrecht indienen.

  • 2. Het verzoek bevat in elk geval:

    • a.

      een omschrijving van de gemeentelijke taak die de indiener wil overnemen;

    • b.

      de reden dat de indiener het verzoek indient;

    • c.

      informatie over de rechtsvorm van de indiener;

    • d.

      argumentatie waarom de toepassing van het uitdaagrecht bijdraagt aan doelstellingen in gemeentelijk beleid of op een andere wijze een positieve maatschappelijke bijdrage levert;

    • e.

      een beschrijving van het draagvlak onder belanghebbenden;

    • f.

      een beschrijving van de lokale betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener met de taak;

    • g.

      argumentatie hoe de indiener de kwaliteit en uitvoering van de taak op langere termijn kan waarborgen;

    • h.

      de verwachte kosten, waarbij het in de gemeentebegroting opgenomen budget voor de taak als uitgangspunt geldt;

    • i.

      de gewenste ondersteuning van en samenwerking met het bestuursorgaan; en

    • j.

      hoe de indiener andere inwoners betrekt.

  • 3. Het college kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen.

Artikel 14. Beoordeling verzoek toepassing uitdaagrecht

  • 1. Het college zendt een ingediend verzoek door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het verzoek te reageren en informeert de indiener hierover.

  • 2. Als de gemeenteraad op het verzoek moet reageren, bereidt het college de reactie op het verzoek voor.

  • 3. Onverminderd artikel 3.2, wijst het bestuursorgaan een verzoek af als:

    • a.

      het verzoek ziet op een taak waarvan de aard zich tegen de toepassing van het uitdaagrecht verzet;

    • b.

      het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid;

    • c.

      de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomt.

  • 4. Het bestuursorgaan reageert binnen zes weken op het verzoek. Het bestuursorgaan kan deze termijn met zes weken verdagen.

  • 5. Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en de onderbouwing binnen twee weken openbaar.

Artikel 15. Uitvoering uitdaagrecht

Als het bestuursorgaan het verzoek om de toepassing van het uitdaagrecht toewijst, maakt het met de indiener in ieder geval schriftelijke afspraken over:

  • 1.

    het proces, het resultaat en de looptijd van het uitdaagrecht;

  • 2.

    het budget en de financieringswijze van het uitdaagrecht;

  • 3.

    het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende het uitdaagrecht;

  • 4.

    de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het mogelijk tussentijds beëindigen van het uitdaagrecht; en

  • 5.

    de evaluatie van het uitdaagrecht.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 16. Evaluatie en monitoring

  • 1. Het college evalueert de uitvoering van deze verordening periodiek en brengt hierover verslag uit aan de gemeenteraad.

  • 2. Het verslag bevat in ieder geval informatie over:

    • a.

      het aantal toepassingen van inwonersparticipatie, overheidsparticipatie en het uitdaagrecht;

    • b.

      de vastgestelde doelen en rolverdelingen bij deze participatieprocessen;

    • c.

      succesfactoren en verbeterpunten naar aanleiding van de uitgevoerde participatieprocessen; en

    • d.

      voorstellen om deze succesfactoren en verbeterpunten te implementeren.

Artikel 17. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1. De Inspraakverordening gemeente Zundert 2016 wordt ingetrokken.

  • 2. De Inspraakverordening gemeente Zundert 2016 blijft van toepassing op beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds een inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart.

Artikel 18. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening Zundert 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 03-02-2026.

De raad voornoemd,

De griffier,

J.J.M. de Groot

De voorzitter,

J.G.P. Vermue