Regels lozen van afvalwater

Geldend van 20-02-2026 t/m heden

Intitulé

Regels lozen van afvalwater

Te gebruiken begrippen:

Schoonwaterriool: voorziening voor de inzameling en transport van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een vuilwaterriool, in beheer bij de gemeente.

Vuilwaterriool: voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater, niet zijnde een schoonwaterriool, in beheer bij de gemeente.

Riool/riolering: het gescheiden rioolstelsel van de gemeente Zoetermeer bestaande uit het schoonwaterriool en het vuilwaterriool.

Huishoudelijk afvalwater: het afvalwater dat vrijkomt met het voeren van een huishouding zoals koken, afwassen en gebruik van toilet. Dit type afvalwater komt ook vrij bij bedrijven. Het gaat ook om afvalwater dat vrijkomt bij voedselbereiding met grootkeukenapparatuur zoals keukens van restaurants of hotels.

Inerte goederen: Goederen die geen bodembedreigende stoffen, gevaarlijke stoffen zijn. Afvalwater dat bij deze goederen vrijkomt, wordt beschouwd als afvalwater. Niet-inerte goederen zijn lekkende, uitlogende en vermestende goederen.

Normadressaat; verplichtingen die voortkomen uit een norm gelden niet voor iedereen maar slechts voor een (rechts)persoon met de door de norm omschreven kwaliteit, zijnde de normadressaat.

Flocculatieafscheider: een installatie waarmee gemengde substantie van elkaar wordt gescheiden door één van de stoffen te laten hechten aan vlokvormige stoffen

Hydraulisch: een aandrijftechniek voor machines waarbij gebruik gemaakt wordt van druk van een vloeistof.

Bijvoedermiddelen: plantaardige restproducten uit de landbouw en tuinbouw of plantaardige restproducten uit de voedselbereiding en voedselverwerking

Afkwetsrollen: rollen die gebruikt worden bij het ontwikkelen van fotografisch materiaal om te voorkomen dat chemicaliën in het volgende bad terecht komen.

Betonmortel: Betonmortel is de benaming voor fabrieksmatig vervaardigde betonspecie, het onverharde mengsel van cement, zand, grind en water

Baggerspecie: Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam.

Oppervlaktewaterlichaam: zichtbaar water in de bebouwde omgeving zoals sloten, kanalen en vijvers.

Bodemenergiesysteem: Een systeem voor het koelen en verwarmen van gebouwen door gebruik te maken van de warmte en koelte van ondergrondse waterlagen.

Boorspoelwater: water wat vrijkomt bij de aanleg (boren) van bodemenergiesystemen.

Kuilvoer: Kuilvoer is een type veevoer van gewassen wat onder druk wordt opgeslagen en door fermentatie zijn geconserveerd tot het punt van verzuring.

Nutsleidingen: leidingen ten behoeve van nutsvoorzieningen zoals water, gas en elektra.

Paragraaf 1 Aansluiting van een gebouw op het gemeentelijk rioolstelsel

Artikel 1.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op:

  • a.

    de aansluiting van gebouwen op het gemeentelijk rioolstelsel;

  • b.

    het beheer en onderhoud van riolering.

Artikel 1.2 Specifieke zorgplicht gebruik riolering

De specifieke zorgplicht houdt voor het gebruik van de riolering in ieder geval in dat:

  • a.

    Bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden aan een op het openbaar riool aangesloten perceel, door de rechthebbende zodanige voorzieningen aan het particulier riool moeten worden getroffen dat schade aan of verzanding of verstopping van het openbaar riool of de perceelaansluiting wordt voorkomen; en

  • b.

    Er geen stoffen mogen worden geloosd die vanwege hun aard en samenstelling verstoppingen in de aansluitleiding of het openbaar riool kunnen veroorzaken; en

  • c.

    Het afvalwater geen stoffen mag bevatten die door hun aard of concentratie de constructie van de perceelaansluitleiding of het openbaar riool kunnen aantasten.

Artikel 1.3 Algemene voorschriften bij aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

  • 1. Voor de aansluiting van een gebouw op het riool geldt dat:

    • a.

      elk gebouw waar huishoudelijk afvalwater ontstaat direct moet worden aangesloten op het gescheiden riool van de gemeente;

    • b.

      bij flatgebouwen per reeks van boven elkaar liggende woningen telkens twee aansluitingen voor vuilwater moeten worden gemaakt. De aansluiting voor vuilwater van de eerste woonlaag van ieder flatgebouw moet apart worden aangesloten. De daarboven gelegen woningen op de andere aansluiting.

  • 2. Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

  • 3. De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

  • 4. Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater of hemelwater wordt geleid:

    • a.

      heeft geen vernauwing in de stroomrichting;

    • b.

      heeft een vloeiend beloop;

    • c.

      is waterdicht;

    • d.

      heeft een uitwendige diameter van 125 mm;

    • e.

      bevat geen beer- of rottingput;

    • f.

      heeft in het geval van een leiding voor huishoudelijk afvalwater een bruine kleur; en

    • g.

      heeft in het geval van een leiding voor hemelwater een grijze kleur;

    • h.

      heeft in verband met andere nutsleidingen een minimale dekking van 0,70 – 0,80 meter ten opzichte van het (toekomstige) maaiveld;

    • i.

      wordt aangeboden bij het ontstoppingsstuk van de gemeente om daarop aangesloten te worden. Het ontstoppingsstuk bevindt zich 0,5 meter binnen de perceelsgrens of 0,5 meter buiten de perceelsgrens wanneer er gebouwd is op de perceelsgrens.

  • 5. Beer- en/of stapelputten mogen in het huisrioleringsstelsel niet voorkomen.

  • 6. Ligt het lozingstoestel (toilet, wastafel e.d.) lager dan 0,15 meter beneden straatniveau dan moet de eigenaar een pomp met een terugslagklep aanleggen (op eigen terrein).

  • 7. Drainages liggen dieper dan de huisaansluitingen en worden apart aangesloten op het schoonwaterriool.

  • 8. Bij maatwerkvoorschrift kan in ieder geval worden bepaald:

    • a.

      als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;

    • b.

      als voor de afvoer van hemelwater een openbaar schoonwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluiting bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;

    • c.

      of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 1.4 Verantwoordelijkheid aanleg, beheer en onderhoud riolering

  • 1. Aansluitingen in de openbare grond worden door de gemeente aangelegd.

  • 2. De eigenaar van het perceel waar het gebouw op staat is verantwoordelijk voor de aanleg van de riolering op het eigen perceel.

  • 3. Bij de aanleg van afvoerleidingen op particulier terrein moet vooraf de plaats van de aansluitingen op het gemeentelijke riool door de gemeente worden vastgesteld.

  • 4. Reparatie, onderhoud en vervanging van de perceelaansluitleiding tot aan het ontstoppingsput of perceelgrens, gerekend vanaf de zijde van het openbaar riool, is voor rekening van de beheerder.

  • 5. Schade en kosten door onjuist gebruik van de leiding zijn voor rekening van de eigenaar.

Paragraaf 2 Lozen van afvalwater

Subparagraaf 2.1 Lozen van afvalwater bij niet-industriële voedselbereiding

Artikel 2.1 Toepassingsbereik

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:

    • a.

      keukenapparatuur;

    • b.

      grootkeukenapparatuur;

    • c.

      bakkerijovens die chargegewijs worden beladen

    • d.

      bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing als de activiteit plaatsvindt binnen een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 2.2 Lozen van afvalwater bij niet-industriële voedselbereiding toegestaan

Het is toegestaan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen te lozen onder de volgende voorwaarden:

  • a.

    Het afvalwater wordt geloosd in een vuilwaterriool;

  • b.

    Vethoudend afvalwater wordt voordat het wordt vermengd met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd; of

    • c.

      in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Subparagraaf 2.2 Lozen van afvalwater afkomstig van onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken

Artikel 2.4 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigings-, conserverings- of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.

Artikel 2.5 Lozen van afvalwater afkomstig van periodieke reinigingswerkzaamheden aan bouwwerken toegestaan

Het is toegestaan afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd te lozen op het vuilwaterriool.

Artikel 2.6 Lozen van afvalwater afkomstig van onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken - verboden

Het is verboden afvalwater afkomstig van niet-periodieke reinigingswerkzaamheden of conserverings- of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken te lozen in het vuilwaterriool.

Subparagraaf 2.3 Lozen van afvalwater bij opslaan en overslaan van goederen

Artikel 2.7 Toepassingsbereik

  • 1. Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van inerte goederen.

  • 2. Voor de toepassing van deze subparagraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:

    • a.

      bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      A-hout en ongeshredderd B-hout;

    • d.

      snoeihout;

    • e.

      banden van voertuigen;

    • f.

      autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van

    • g.

      tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit

    • h.

      alle vloeistoffen zijn afgetapt;

    • i.

      straatmeubilair;

    • j.

      tuinmeubilair;

    • k.

      aluminium, ijzer en roestvrij staal;

    • l.

      kunststof anders dan lege, niet gereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf,

    • m.

      lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;

    • n.

      kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;

    • o.

      papier en karton;

    • p.

      textiel en tapijt;

    • q.

      vlakglas.

  • 3. Deze subparagraaf is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van inerte goederen bij wonen.

Artikel 2.8 Lozen van afvalwater bij opslaan en overslaan van goederen toegestaan

Het is toegestaan afvalwater bij het opslaan en overslaan van goederen te lozen onder de volgende voorwaarden:

  • a.

    Afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als lozen op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is;

  • b.

    Wanneer afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster, gemeten volgens de volgende meet- en rekenbepalingen:

    • a.

      op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing;

    • b.

      een monster is niet gefiltreerd;

    • c.

      op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing;

    • d.

      op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

  • c.

    Bij het bevochtigen van opgeslagen inerte goederen wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk gebruikt voor dit bevochtigen;

Artikel 2.9 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 2.8, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      De opgeslagen goederen;

    • b.

      De verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 2.4 Lozen afvalwater bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen

Artikel 2.10 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit.

Artikel 2.11 Lozen van afvalwater bij schoonmaken van drinkwaterleidingen toegestaan

Het is toegestaan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater te lozen onder de volgende voorwaarden:

  • a.

    Het afvalwater geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool;

  • b.

    Indien het afvalwater redelijkerwijs niet kan worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool, wordt het afvalwater geloosd in een vuilwaterriool;

  • c.

    Bij het lozen op of in de bodem mag geen wateroverlast ontstaan;

  • d.

    Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool mogen geen chemicaliën worden toegevoegd.

Subparagraaf 2.5 Lozen van afvalwater van open bodemenergiesystemen

Artikel 2.12 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op spoelwater (grondwater) dat bij de aanleg, ontwikkeling en onderhoud aan open bodemenergiesystemen (KWO-installaties) vrijkomt.

Artikel 2.13 Lozen van afvalwater van open bodemenergiesysteem - toegestaan

  • 1. Het is toegestaan om het water dat vrijkomt bij de aanleg (boren van de bronnen) van het bodemenergiesysteem, te lozen op het vuilwaterriool tot maximaal 5 m3 vrijkomend water per bron. Het water op te vangen in een gesloten systeem om lekwater te voorkomen.

  • 2. Het is toegestaan om grondwater wat gebruikt wordt bij het ontwikkelen van de bronnen van een bodemenergiesysteem terug te brengen in de bodem via een retourbron of retourfilter.

  • 3. Het is toegestaan om het boorspoelwater bij de aanleg van de retourbron op het vuilwaterriool te lozen met maximaal 5 m3 door middel van een gesloten opvang om lekwater te voorkomen.

  • 4. Het is toegestaan om voor het ontwikkelen van de bron gebruik te maken van een tweelingpomp met een filterunit. Het spoelwater voor het reinigen van het filter moet geloosd worden in de retourbron.

Artikel 2.14 Lozen van afvalwater van open bodemenergiesysteem - verboden

  • 1. Het is verboden het water dat vrijkomt bij het ontwikkelen en het onderhouden van een open bodemenergiesysteem te lozen op het vuilwaterriool.

  • 2. Het is verboden het water dat ontstaat bij de aanleg (boren) van de bronnen en niet voldoet aan de gestelde eisen aan de waterkwaliteit te lozen op het vuilwaterriool.

Subparagraaf 2.6 vervallen

Artikel 2.19 vervallen

Artikel 2.20 vervallen

Subparagraaf 2.7 Lozen afvalwater bij een calamiteitenoefening

Artikel 2.21 Toepassingsbereik

  • 1. Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening.

  • 2. Deze subparagraaf is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 2.22 Lozen van afvalwater bij een calamiteitenoefening toegestaan

Het is toegestaan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening te lozen in het vuilwaterriool.

Artikel 2.23 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 2.22, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      De aard en omvang van de activiteit;

    • b.

      De verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 2.8 Lozen afvalwater bij het maken van betonmortel

Artikel 2.24 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 2.25 Lozen afvalwater bij het maken van betonmortel toegestaan

  • 1. Het is toegestaan om, in aanvulling op artikel 4.140, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, te lozen onder de volgende voorwaarden:

    • a.

      Het afvalwater wordt geloosd in een vuilwaterriool;

    • b.

      De emissiewaarde van onopgeloste stoffen is niet meer dan 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 2. Bij het meten van het steekmonster als bedoeld in het eerste lid worden de volgende meet- en rekenbepalingen toegepast:

    • a.

      Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd;

    • b.

      Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing;

    • c.

      Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

      • i.

        Voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;

      • ii.

        Voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

Artikel 2.26 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 2.25, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      De lozingsroute;

    • b.

      De aard en omvang van de lozing;

    • c.

      De verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 2.9 Lozen afvalwater bij het uitwassen van beton

Artikel 2.27 Toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 2.28 Lozen afvalwater bij het uitwassen van beton toegestaan

  • 1. Het is toegestaan om, in aanvulling op artikel 4.158, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton, te lozen onder de volgende voorwaarden:

    • a.

      Het afvalwater wordt geloosd in een vuilwaterriool;

    • b.

      De emissiewaarde van onopgeloste stoffen is niet meer dan 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 2. Bij het meten van het steekmonster als bedoeld in het eerste lid worden de volgende meet- en rekenbepalingen toegepast:

    • a.

      Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd;

    • b.

      Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing;

    • c.

      Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 2.29 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 2.28, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      De lozingsroute;

    • b.

      De aard en omvang van de lozing;

    • c.

      De verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 2.10 Lozen afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Artikel 2.30 Toepassingsbereik

  • 1. Deze subparagraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal.

  • 2. Deze subparagraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      Digitale afdrukken;

    • b.

      Het ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal bij wonen.

Artikel 2.31 Lozen afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal toegestaan

  • 1. Het is toegestaan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal te lozen onder de volgende voorwaarden:

    • a.

      Het afvalwater wordt geloosd in het vuilwaterriool;

    • b.

      Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt;

    • c.

      Er wordt een doelmatige zilver terugwininstallatie toegepast;

    • d.

      De emissiewaarde voor zilver is niet meer dan 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid hoeft géén zilver terugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver.

  • 3. Voor een steekmonster als bedoeld in het eerste lid gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

    • a.

      op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd;

    • b.

      op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing;

    • c.

      op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

Artikel 2.32 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 2.31, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      De lozingsroute;

    • b.

      De aard en omvang van de lozing;

    • c.

      De verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 2.11 Lozen van koelwater

Artikel 2.33 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 2.34 Lozen van koelwater toegestaan

Het is toegestaan koelwater tot een maximum temperatuur van 25 graden Celsius te lozen onder de volgende voorwaarden:

  • a.

    Het koelwater wordt geloosd in het hemelwaterstelsel;

  • b.

    Indien het koelwater redelijkerwijs niet in een hemelwaterstelsel kan worden geloosd, mag het koelwater geloosd in een vuilwaterriool;

  • c.

    Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.

Artikel 2.35 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 2.34, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      De maximale warmtevracht;

    • b.

      De maximale temperatuur van het koelwater;

    • c.

      De aard en omvang van de lozing van het koelwater;

    • d.

      De verwachte datum van het begin van de activiteit;

    • e.

      Het tijdstip waarop het lozen of de verandering daarvan zal aanvangen en de duur van het lozen;

    • f.

      Een situatieschets, met een schaal van ten minste 1:1000 en voorzien van een noordpijl, waarop de ligging van de activiteit waarvan het lozen het gevolg is ten opzichte van de omgeving is aangegeven, met aanduiding van de lozingspunten en de ligging van de terreinriolering.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 2.12 Lozen van afvalwater bij het opslaan van vaste mest

Artikel 2.36 Toepassingsbereik

  • 1. Deze subparagraaf is van toepassing op het vrijkomen van afvalwater bij het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3.

  • 2. Deze subparagraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      Afvalwater bij het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op één plek;

    • b.

      Als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 2.37 Lozen van afvalwater bij het opslaan van vaste mest - toegestaan

Het is toegestaan vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest gelijkmatig te verspreiden over onverharde bodem.

Artikel 2.38 Lozen van afvalwater bij het opslaan van vaste mest – verboden

Het is verboden vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest te lozen in een vuilwaterriool of hemelwaterriool.

Subparagraaf 2.13 Lozen van afvalwater bij het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen

Artikel 2.39 Toepassingsbereik

  • 1. Deze subparagraaf is van toepassing op afvalwater dat vrijkomt bij het opslaan van:

    • a.

      Kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; of

    • b.

      Vaste bijvoermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2. Deze subparagraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      Afvalwater afkomstig van wonen; of

    • b.

      Als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Subparagraaf 2.13.1 Lozen van vrijkomende vloeistoffen bij het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

Artikel 2.40 Lozen van vrijkomende vloeistoffen bij het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen toegestaan

Het is toegestaan vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen gelijkmatig te verspreiden over onverharde bodem.

Artikel 2.41 Lozen van vrijkomende vloeistoffen bij het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen – verboden

Het is verboden vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen te lozen in een vuilwaterriool of hemelwaterriool.

Subparagraaf 2.13.2 Lozen van afvalwater afkomstig van bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen

Artikel 2.42 Lozen van afvalwater afkomstig van bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen toegestaan

Het is toegestaan afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen te lozen onder de volgende voorwaarden:

  • a.

    Het afvalwater wordt geloosd op of in de bodem;

  • b.

    Het afvalwater is niet in contact geweest met het kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen;

  • c.

    Het afvalwater is niet vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.

Artikel 2.43 Lozen van afvalwater afkomstig van bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen – verboden

Het is verboden afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen te lozen in een vuilwaterriool of schoonwaterriool.

Subparagraaf 2.14 Lozen van afvalwater afkomstig van het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels

Artikel 2.44 Toepassingsbereik

  • 1. Deze subparagraaf is van toepassing op afvalwater dat vrijkomt bij het reinigen en ontstemmen van een dierenverblijf met minimaal de volgende aantallen dieren:

    • a.

      10 schapen; of

    • b.

      5 paarden of pony’s; of

    • c.

      10 geiten; of

    • d.

      25 stuks pluimvee; of

    • e.

      25 konijnen; of

    • f.

      10 overige huisdieren.

  • 2. Deze subparagraaf is niet van toepassing:

    • a.

      op afvalwater afkomstig van wonen; of

    • b.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 2.45 Lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf toegestaan

Het is toegestaan afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf te lozen onder de volgende voorwaarden:

  • a.

    het afvalwater wordt geloosd in een vuilwaterriool;

  • b.

    het afvalwater bevat niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.

Artikel 2.46 Lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf – verboden

Het is verboden afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf te lozen in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

Subparagraaf 2.15 Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 2.47 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater.

Artikel 2.48 Lozen van huishoudelijk afvalwater toegestaan

  • 1. Het is toegestaan huishoudelijk afvalwater op of in de bodem te lozen onder de volgende voorwaarden:

    • a.

      Het afvalwater wordt geleid via een zuiveringsvoorziening; en

    • b.

      het lozen vindt plaats buiten de bebouwde kom; of

    • c.

      het lozen vindt plaats binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonersequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:

      • a)

        40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;

      • b)

        100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;

      • c)

        600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;

      • d)

        1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten;

      • e)

        3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten;

  • 2. Voor het afvalwater als bedoeld in lid 1 zijn de emmissiegrenswaarden:

  • Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatief etmaalmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    30 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    • g/l

  • 3. Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 4. De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt;

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  • 5. In afwijking van het vierde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

  • 6. In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 2.49 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.48, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater;

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3. Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 2.50 Lozen van huishoudelijk afvalwater voedselvermaling verboden

Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

Artikel 2.51 Meet- en rekenbepalingen

  • 1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

Paragraaf 2.16 Lozen vanuit gemeentelijke voorziening voor inzameling en transport van afvalwater

Artikel 2.52 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit:

  • a.

    een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel;

  • b.

    een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet.

Artikel 2.53 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

Het is toegestaan afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel, een openbaar ontwateringsstelsel of een ander systeem als bedoeld in artikel 2.16 derde lid van de Omgevingswet te lozen onder de volgende voorwaarden:

  • 1.

    Het afvalwater wordt geloosd op of in de bodem; en

  • 2.

    Het hemelwaterstelsel of ontwateringsstelsel komt voor op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16 eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Paragraaf 2.17 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen

Artikel 2.54 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 2.55 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen toegestaan

  • 1. In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2. Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3. Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 2.56 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit toegestaan

  • 1. In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2. Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3. Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute.

Artikel 2.57 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 2.58 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 2.59 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in de artikelen 2.55 en 2.56 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 2.60 Meet- en rekenbepalingen

  • 1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3. Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Paragraaf 2.18 Lozen van afvalwater bij recreatieve visvijvers

Artikel 2.61 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij een recreatieve visvijver.

Artikel 2.62 Lozen van afvalwater bij een recreatieve visvijver toegestaan

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. Het spuiwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

Artikel 2.63 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 2.71 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      Informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      Gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • I.

        de grenzen van het terrein; en

      • II.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      Een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      Gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Paragraaf 2.19 Lozen van afvalwater bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen

Artikel 2.64 Toepassingsbereik

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater bij:

    • a.

      het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten;

    • b.

      het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen;

    • c.

      het uitsnijden van vis; of

    • d.

      het uitsnijden en pekelen van organen.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing:

    • a.

      als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat;

    • b.

      op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 2.65 Lozen van afvalwater bij het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen toegestaan.

  • 1. Het is toegestaan afvalwater te lozen in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:

    • a.

      het bewerken van dierlijke bijproducten; of

    • b.

      het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in artikel 2.64 is uitgevoerd;

  • 2. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool;

  • 3. Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of

    • c.

      een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 4. In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in die normen vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

  • 5. Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

Artikel 2.66 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

  • 1. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.

Artikel 2.67 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 2.74 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • I.

        de grenzen van het terrein;

      • II.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • III.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • IV.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • V.

        de plaats van de lozingspunten; en

      • VI.

        e plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten;

    • c.

      Een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      Gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 2.20 Lozen van afvalwater bij activiteiten niet elders voorzien in dit omgevingsplan

Subparagraaf 2.20.1 Lozen van afvalwater op of in de bodem

Artikel 2.68 Toepassingsbereik

  • 1. Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater in of op de bodem voor zover daarin niet elders is voorzien in dit omgevingsplan.

  • 2. Deze subparagraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      wonen;

    • b.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld.

Artikel 2.69 Lozen van afvalwater op of in de bodem – aanwijzing omgevingsvergunningplicht

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalwater is een omgevingsvergunning vereist voor het lozen van afvalwater op of in de bodem, tenzij het lozen op of in de bodem op grond van dit omgevingsplan is toegestaan.

Artikel 2.70 Indieningsvereisten omgevingsvergunning

In aanvulling op de wettelijk geldende aanvraagvereisten bevat een aanvraag omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op of in de bodem, de volgende gegevens en documenten:

  • a.

    de maximale hoeveelheid afvalwater per uur;

  • b.

    het soort afvalwater.

Artikel 2.71 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning voor een activiteit genoemd in artikel 2.48 wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Subparagraaf 2.20.2 Lozen van afvalwater op of in een schoonwaterriool

Artikel 2.72 Toepassingsbereik

  • 1. Deze subparagraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater in een schoonwaterriool voor zover daarin niet elders is voorzien in dit omgevingsplan.

  • 2. Deze subparagraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      wonen;

    • b.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

Artikel 2.73 Lozen van afvalwater in een schoonwaterriool – aanwijzing omgevingsvergunningplicht

Met het oog op een doelmatig beheer van afvalwater is een omgevingsvergunning vereist voor het lozen van afvalwater in een schoonwaterriool, tenzij het lozen op of in de bodem op grond van dit omgevingsplan is toegestaan.

Artikel 2.74 Indieningsvereisten omgevingsvergunning

In aanvulling op de wettelijk geldende aanvraagvereisten bevat een aanvraag omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater in een schoonwaterriool, de volgende gegevens en documenten:

  • a.

    de maximale hoeveelheid afvalwater per uur;

  • b.

    het soort afvalwater.

Artikel 2.75 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning voor een activiteit genoemd in artikel 2.73 wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 3 Lozen van grondwater

Subparagraaf 3.1 Algemeen

Artikel 3.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het lozen van grondwater voor bestaande en nieuwe situaties als gevolg van:

  • a.

    ontwatering (drainage, bronnering);

  • b.

    sanering van vervuilde grond.

Artikel 3.2 Normadressaat

Aan de regels in deze paragraaf moet worden voldaan door de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein.

Artikel 3.3 Meet- en rekenbepalingen

Bij het lozen van grondwater gelden de volgende reken- en meetbepalingen:

  • a.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd;

  • b.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing;

  • c.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • 1.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    • 2.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • 3.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    • 4.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • 5.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • 6.

      voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • 7.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • 8.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

    • 9.

      voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;

    • 10.

      voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1;

    • 11.

      voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;

    • 12.

      voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;

    • 13.

      voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;

    • 14.

      voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;

    • 15.

      voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;

    • 16.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • 17.

      voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;

    • 18.

      voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;

    • 19.

      voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;

    • 20.

      voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523;

    • 21.

      voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

Subparagraaf 3.2 Lozen van grondwater bij ontwatering

Subsubparagraaf 3.2.1 Lozen van grondwater bij ontwatering toegestaan

Artikel 3.4 Lozen van grondwater bij ontwatering niet bij wonen toegestaan

  • 1. Het is toegestaan grondwater te lozen bij ontwatering onder de volgende voorwaarden:

    • a.

      het lozen duurt niet langer dan 48 uur;

    • b.

      het grondwater is niet afkomstig van ontwatering bij wonen; en

    • c.

      grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, wordt geloosd:

      • a.

        op of in de bodem of in een schoonwaterriool indien de emissiewaarde van onopgeloste stoffen minder is dan 50 mg/l of van ijzer minder is dan 5 mg/l, gemeten in een steekmonster; of

      • b.

        in een vuilwaterriool indien de emissiewaarde van onopgeloste stoffen hoger is dan 50 mg/l en lager is dan 300 mg/l, gemeten in een steekmonster; en

    • d.

      de geloosde hoeveelheid in een vuilwaterriool is ten hoogste 5 m3/u.

Artikel 3.5 Lozen van grondwater bij ontwatering bij wonen toegestaan

Het is toegestaan grondwater te lozen op of in de bodem of in een schoonwaterriool bij ontwatering bij wonen.

Subsubparagraaf 3.2.2 Lozen van grondwater bij ontwatering - meldingsplicht

Artikel 3.6 Aanwijzing meldingsplicht

Er geldt een meldingsplicht voor het lozen van grondwater bij ontwatering, als het lozen langer duurt dan 48 uur en het lozen niet plaatsvindt bij wonen. Het lozen moet worden gemeld aan het college van burgemeester en wethouders:

  • a.

    uiterlijk vijf werkdagen voor aanvang van de activiteit of wijziging van de activiteit als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken; of

  • b.

    uiterlijk vier weken voor aanvang van de activiteit of het wijzigen van de activiteit als het lozen langer duurt dan 8 weken.

Artikel 3.7 Lozen van grondwater bij ontwatering – voorwaarden meldingsplicht

Het lozen van grondwater bij ontwatering als bedoeld in artikel 3.6 moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    het grondwater is niet afkomstig van ontwatering bij wonen; en

  • b.

    het lozen duurt langer dan 48 uur; en

  • c.

    grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, wordt geloosd:

    • a.

      op of in de bodem of in een schoonwaterriool indien de emissiewaarde van onopgeloste stoffen minder is dan 50 mg/l of van ijzer minder is dan 5 mg/l, gemeten in een steekmonster; of

    • b.

      in een vuilwaterriool indien de emissiewaarde van onopgeloste stoffen hoger is dan 50 mg/l en lager is dan 300 mg/l, gemeten in een steekmonster; en

  • d.

    de geloosde hoeveelheid in een vuilwaterriool is ten hoogste 5 m3/u.

Artikel 3.8 Indieningsvereisten melding

Bij het doen van een melding voor een activiteit als bedoeld in artikel 3.6, moeten de volgende gegevens en documenten worden aangeleverd:

  • a.

    de aard en de omvang van de lozing; en

  • b.

    de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

  • c.

    het tijdstip waarop het lozen of de verandering daarna zal aanvangen; en

  • d.

    de duur van het lozen; en

  • e.

    een situatieschets, met een schaal van ten minste 1:1000 en voorzien van een noordpijl, waarop de ligging van de activiteit waarvan het lozen het gevolg is ten opzichte van de omgeving is aangegeven, met aanduiding van de lozingspunten en de ligging van de terreinriolering.

Subparagraaf 3.3 Lozen van grondwater bij sanering

Artikel 3.9 Lozen van grondwater bij sanering toegestaan

Het is toegestaan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering te lozen onder de volgende voorwaarden:

  • a.

    het grondwater wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool; en

  • b.

    er wordt bij het lozen van het grondwater op of in de bodem voldaan aan de emissiegrenswaarden als bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster; en

  • c.

    er wordt voor het lozen in het schoonwaterriool voldaan aan de volgende emissiegrenswaarden, gemeten in een steekmonster:

  • Stof

  • Emissiegrenswaarden

  • Naftaleen

  • 0,2 µg/l

  • PAK's

  • 1 µg/l

  • BTEK

  • 50 µg/l

  • Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor

  • 20 µg/l

  • Aromatische organohalogeen-verbindingen

  • 20 µg/l

  • Minerale olie

  • 500 µg/l

  • Cadmium

  • 4 µg/l

  • Kwik

  • 1 µg/l

  • Koper

  • 11 µg/l

  • Nikkel

  • 41 µg/l

  • Lood

  • 53 µg/l

  • Zink

  • 120 µg/l

  • Chroom

  • 24 µg/l

  • Onopgeloste stoffen

  • 50 mg/l

Artikel 3.10 Gegevens en bescheiden

  • 1. Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.9, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing;

    • b.

      de verwachte datum van het begin of verandering van het lozen;

    • c.

      de duur van de lozing;

    • d.

      een situatieschets, met een schaal van ten minste 1:1000 en voorzien van een noordpijl, waarop de ligging van de activiteit waarvan het lozen het gevolg is ten opzichte van de omgeving is aangegeven, met aanduiding van de lozingspunten en de ligging van de terreinriolering.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 3.4 Lozen van grondwater in overige gevallen

Subsubparagraaf 3.4.1 Lozen van grondwater in overige gevallen toegestaan

Artikel 3.11 Lozen van grondwater in overige gevallen toegestaan

Het is toegestaan grondwater, niet bedoeld grondwater bij ontwatering als bedoeld in subparagraaf 3.2 of sanering als bedoeld in subparagraaf 3.3, te lozen onder de volgende voorwaarden:

  • a.

    het grondwater wordt geloosd op het schoonwaterriool; of

  • b.

    het grondwater wordt geloosd in het oppervlaktewater.

Subsubparagraaf 3.4.2 Lozen van grondwater in overige gevallen - omgevingsvergunningplicht

Artikel 3.12 Aanwijzing omgevingsvergunningplicht

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater is een omgevingsvergunning vereist voor het lozen van grondwater in een vuilwaterriool, tenzij het lozen in een vuilwaterriool op grond van dit omgevingsplan is toegestaan.

Artikel 3.13 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning voor een activiteit genoemd in artikel 3.12 wordt alleen verleend als de eigenaar van het bouwwerk of het perceel redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van grondwater kan worden gevergd.

Artikel 3.14 Indieningsvereisten omgevingsvergunning

In aanvulling op de wettelijk geldende aanvraagvereisten bevat een aanvraag omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 3.12, de volgende gegevens en documenten:

  • a.

    onderbouwing waaruit blijkt dat andere afvoer van grondwater dan naar het vuilwaterriool niet mogelijk is; en

  • b.

    de hoeveelheid af te voeren grondwater m3/uur; en

  • c.

    de duur van de lozing.

Artikel 3.15 Voorschriften

Het college van burgemeester en wethouders kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.12 de volgende vergunningvoorschriften verbinden:

  • a.

    dat de omgevingsvergunning vervalt zodra het mogelijk is om te lozen op een openbare hemelwaterriolering of drainagestelsel.

Paragraaf 4 Lozen van hemelwater

Subparagraaf 4.1 Algemeen

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over bestaande en nieuwe lozingen van hemelwater.

Artikel 4.2 Normadressaat

Aan de regels in deze paragraaf moet worden voldaan door de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein.

Subparagraaf 4.2 Lozen van hemelwater toegestaan

Artikel 4.3 Lozen van hemelwater toegestaan

Het is toegestaan hemelwater te lozen onder de volgende voorwaarden:

  • a.

    het hemelwater wordt geloosd in het oppervlaktewater; of

  • b.

    het hemelwater wordt geloosd in een schoonwaterriool.

Subparagraaf 4.3 Lozen van afvloeiend hemelwater als gevolg van aanleg, reconstructie of wijziging van wegen – meldingsplicht

Artikel 4.4 Aanwijzing meldingsplicht

Er geldt een meldingsplicht voor het lozen van afvloeiend hemelwater als gevolg van de voorgenomen aanleg, reconstructie of ingrijpende wijziging van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken. Het lozen moet uiterlijk zes maanden voor de voorgenomen activiteit aan het college van burgemeester en wethouders worden gemeld.

Artikel 4.5 Lozen van afvloeiend hemelwater als gevolg van aanleg, reconstructie of wijziging van wegen – voorwaarden meldingsplicht

Het lozen van hemelwater als bedoeld in artikel 4.4 moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijks- en provinciale wegen wordt geloosd op of in de bodem; en

  • b.

    als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is, mag worden geloosd in een schoonwaterriool; of

  • c.

    bij het lozen vanuit een pompkelder, een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.

Artikel 4.6 Indieningsvereisten melding

Bij het doen van een melding voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.4, moeten de volgende gegevens en documenten worden aangeleverd:

  • a.

    de aard en de omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

  • b.

    de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

  • c.

    het tijdstip waarop het lozen of de verandering daarvan zal aanvangen;

  • d.

    de duur van de lozing; en

  • e.

    een situatieschets, met een schaal van ten minste 1:1.000 en voorzien van een noordpijl, waarop de ligging van de activiteit waarvan het lozen het gevolg is ten opzichte van de omgeving is aangegeven, met aanduiding van de lozingspunten en de ligging van de terreinriolering.

Subparagraaf 4.3 Lozen van hemelwater – omgevingsvergunningplicht

Artikel 4.7 Aanwijzing omgevingsvergunningplicht

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, beperken van wateroverlast en het beperken van verdroging is een omgevingsvergunning vereist voor het lozen van hemelwater in een vuilwaterriool.

Artikel 4.8 Beoordeling omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning voor een activiteit genoemd in artikel 4.7 wordt alleen verleend als:

  • a.

    de eigenaar van het bouwwerk of het perceel redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van hemelwater kan worden gevergd; en

  • b.

    het lozen van hemelwater op een andere wijze tot onevenredige grote nadelen voor de perceeleigenaar leidt; en

  • c.

    wordt voldaan aan de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 4.9 Indieningsvereisten omgevingsvergunning

In aanvulling op de wettelijk geldende aanvraagvereisten bevat een aanvraag omgevingsvergunning voor een activiteit bedoeld in artikel 4.7, de volgende gegevens en documenten:

  • a.

    de maximale hoeveelheid water per uur; en

  • b.

    het soort water.

Artikel 4.10 Voorschriften

Het college van burgemeester en wethouders kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.7 de volgende vergunningvoorschriften verbinden:

  • a.

    de periode waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft;

  • b.

    dat een (tijdelijke) alternatieve voorziening moet worden getroffen.