Beleidsregel Natuurinclusief bouwen Danninge Erve Zuid, fase 2, deelgebied 3

Geldend van 18-02-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel Natuurinclusief bouwen Danninge Erve Zuid, fase 2, deelgebied 3

1. Inleiding

In dit document is de beleidsregel Natuurinclusief bouwen opgenomen ter uitvoering van het TAM-Omgevingsplan Danninge Erve Zuid, fase II, deelgebied 3. In het Omgevingsplan is een geactualiseerde verkaveling opgenomen van het deelgebied en worden er maximaal 80 woningen mogelijk gemaakt.

De ambitie is om in het deelgebied natuurinclusief te bouwen. Hiervoor is een open norm in het TAM-Omgevingsplan opgenomen. Er dient natuurinclusief gebouwd te worden, maar hoe precies, dat is uitgewerkt in deze beleidsregel in hoofdstuk 2.

1.1 Toepassing beleidsregel wonen

De beleidsregel is bedoeld voor beoordeling van de in de planregels opgenomen ‘open norm’ en dient als beoordelingssystematiek. De beleidsregel maakt daardoor zelf geen deel uit van het TAM-Omgevingsplan. Dit maakt dat de beleidsregel gedurende de looptijd van het de ontwikkeling van het plangebied kan worden verbeterd of geactualiseerd op de dan bestaande situatie, zonder dat daarvoor TAM-Omgevingsplan zelf hoeft te worden aangepast. Het vaststellen van het TAM-Omgevingsplan is een bevoegdheid van de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders stelt de beleidsregels ter uitvoering van dit plan vast.

1.2 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is beschreven op welke wijze natuurinclusief bouwen kan plaatsvinden.

2. Natuurinclusief bouwen

2.1 Inleiding

In de kadernotitie “Zo Doen We Groen” is de ambitie genoemd om ‘aaibare natuur’ in de stedelijke omgeving te realiseren. Dit is typische stadsnatuur die gebonden is aan bomen, bebouwing, beplanting, water of ruige hoekjes. De aanwezigheid en het behoud van plant en dier zijn hierin van belang. Ook bebouwing kan een belangrijke bijdrage leveren aan de natuurwaarde in het stedelijk gebied. Door bij de planvorming hierover na te denken kan de bebouwing en/of het erf vaak vrij eenvoudig geschikt worden gemaakt voor natuur.

Voor alle bouwplannen geldt dat er sprake moet zijn van een mate van natuurinclusief bouwen. Hiermee wordt bedoeld: het zo goed mogelijk geschikt maken van een gebouw als onderdeel van het leefgebied voor stadssoorten. De waardering is gebaseerd op het verwachte positieve effect dat dit oplevert, en de beleving daarvan, die specifieke maatregelen in een plan met zich meebrengen. Daarbij beschouwen we het geschikt maken van bebouwing voor stadssoorten afzonderlijk van het creëren van natuurwaarde op het erf/terrein. Tevens wordt de grootte en aard van een bouwplan meegewogen bij de beoordeling.

Een individuele woning of ander hoofdgebouw mag uitsluitend gebouwd worden als in totaal minimaal 10 punten worden behaald voor natuurinclusief bouwen. Dit puntenaantal kan worden bereikt door maatregelen op gebouwniveau (paragraaf 2.2) te treffen. Voor projectmatig bouwplannen geldt dat er ook minimaal 10 punten per bebouwingseenheid behaald moeten worden, maar dat dit deels kan worden bereikt door ook maatregelen op gebiedsniveau (paragraaf 2.3) te treffen. Dit kan ook meer centraal worden uitgevoerd door bijvoorbeeld het realiseren van voorzieningen in het groen van het betreffende woongebied.

2.2 Bebouwing

Onderstaande onderdelen worden beoordeeld bij het natuurinclusief bouwen. Deze checklist houdt in dat er een lijst van suggesties is die toegepast kan worden. Elke suggestie heeft een bepaalde puntentoekenning. Een individuele woning of apart hoofdgebouw mag uitsluitend gebouwd worden indien in totaal minimaal 10 punten worden behaald. Projectmatige bouwplannen moeten minimaal 5 punten per bebouwingseenheid scoren mits dit wordt aangevuld met maatregelen voor erf/terreininrichting dat samen uitkomt op minimaal 10 punten voor natuurinclusief bouwen. Een bebouwingseenheid is een gebouw en kan daardoor gelijk zijn aan een vrijstaand woning, aangeschakelde woningen of een appartementencomplex.

Maatregelen bebouwing

Punten:

Toepassen van nestgelegenheid voor stadsvogels waarbij geldt:

  • Minimaal 2 nestgelegenheden voor huismussen met ingang op het noorden, oosten of noordoosten, hoger dan drie meter geplaatst en minimaal 60 cm. uit elkaar

5

  • Minimaal 2 nestgelegenheden voor gierzwaluwen met ingang op het noorden, oosten of noordoosten, hoger dan 6 meter geplaatst en minimaal 80 cm. uit elkaar. Er moet een vrije uitvliegmogelijkheid van 3 meter onder de verblijfplaats zijn

5

  • Een vogelvide in de plaats van een vogelschroot, bijvoorbeeld bij de onderste rij schuine dakpannen

5

  • Per ingebouwde of opgebouwde nestgelegenheid voor overige stadsvogels als huiszwaluw, spreeuw of zwarte roodstaart

5

Toepassen van vleermuiskasten, waarbij geldt:

  • Een inbouwvoorziening voor vleermuizen op de zuidwestzijde, hoger dan vier meter geplaatst. Bijvoorbeeld in de spouw, als inbouwkast of achter gevelbetimmering. De kast mag niet worden verlicht

7

Toepassen van een groen dak of gevel, waarbij geldt:

  • Groen dak voor het hoofdgebouw met streekeigen soorten

7

  • Groene gevel voor het hoofdgebouw met streekeigen soorten

5

  • Groen dak voor een aan-/bijgebouw (bijv. garage) met streekeigen soorten

5

  • Bruin dak met zand en stenen toepassen (bijv. scholekster)

3

Overige voorzieningen

  • Insectenvoorzieningen (50cm x 50cm) inbouwen in de gevel, aan de zuidwestzijde

3

  • Overige maatregelen die aantoonbaar (volgens ecologisch deskundigenoordeel) waarde hebben voor een stadssoort in Meppel

3

2.3 Erf/terrein

Voor projectmatige bouwplannen, waarbij meer dan één woning (en mogelijk openbaar gebied) wordt gerealiseerd, vragen we ook aandacht voor de natuurwaarde bij de inrichting van het erf/terrein. Hierbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar de natuurlijkheid van beplanting, de onderlinge verbondenheid, biodiversiteit van de toe te passen beplanting en de wijze waarop de natuur beleefd kan worden. Dit mag op de kavelniveau en in het openbaar gebied worden gerealiseerd. Deze punten kunnen bij de gescoorde punten voor de bebouwing (paragraaf 2.2) worden opgeteld.

Maatregelen erf/terrein (openbaar gebied)

Punten:

1. Het natuurlijke groen in het plangebied is onderling, of met ander natuurlijk groen in de omgeving, verbonden

1

2. Een groot deel van het groen binnen het plangebied is natuurlijk, zoals extensief gras, ruigte, water, natuurvriendelijke oevers en bosplantsoen

2

3. In het groen is sprake van afwisseling en overgangen in hoogte van beplanting en van maaiveld. Er is bijvoorbeeld sprake van de aanwezigheid van meerdere elementen als water, oever, reliëf, gras, ruigte, heesters of bomen

2

4. In het plan wordt voor typische stadssoorten in Meppel onderdelen van een compleet leefgebied gecreëerd (bijvoorbeeld nestgelegenheid, voedselaanbod, verblijf- en schuilplaatsen)

2

5. In het plan is sprake van beleefbare natuur waarin recreatieve meerwaarde is gecreëerd

2

6. Er is aandacht besteed aan een duurzame instandhouding van de natuurwaarde, of het door beheer verder uitbouwen hiervan (bijvoorbeeld met een beheerplan)

2

7. Overige maatregelen die aantoonbaar (volgens ecologisch deskundigenoordeel) waarde hebben voor een soort in Meppel

2

Ondertekening

9-12-2025