Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2026

Geldend van 17-02-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2026

De raad van de gemeente Súdwest-Fryslân;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 november 2025;

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4.a, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en artikel 147 en 149 van de Gemeentewet;

overwegende dat de gemeente op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 gehouden is om zo goed mogelijke ondersteuning en hulp aan volwassenen te bieden;

b e s l u i t :

vast te stellen de

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2026.

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      aanbieder: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren;

    • b.

      algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en gericht op maatschappelijke ondersteuning;

    • c.

      algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die:

      • niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

      • daadwerkelijk beschikbaar is;

      • een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid of participatie;

      • financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.

    • d.

      andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • e.

      besluit: uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (landelijk);

    • f.

      bovengebruikelijke hulp: hiervan is sprake als het hulp betreft bij chronische situaties. Het gaat hierbij om langdurige hulp waarbij naar verwachting de hulp langer dan drie maanden nodig zal zijn en die verder gaat dan de normale zorg die huisgenoten aan elkaar geven;

    • g.

      bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in de artikelen 2.1.4, eerste lid, en 2.1.4a van de wet;

    • h.

      brede vraagverheldering: een gesprek waarin de hulpvraag van de inwoner wordt verkend in samenhang met andere levensdomeinen zoals wonen, werk, gezondheid, sociale relaties en financiën;

    • i.

      centrumgemeente: Opvang en Beschermd Wonen zijn onder Wmo 2015 toebedeeld aan de centrumgemeenten, voor gemeente Súdwest-Fryslân is dat de gemeente Leeuwarden;

    • j.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân of diens vertegenwoordiger;

    • k.

      eigen kracht: het vermogen van de inwoner om zelf, of met behulp van anderen zoals het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of andere voorzieningen, te herkennen en erkennen dat problemen bestaan om vervolgens zelf te komen tot het treffen van maatregelen om deze problemen op te lossen en/of te verbeteren. Dit met het uiteindelijke doel om niet of zo min mogelijk aangewezen te raken op maatschappelijke ondersteuning;

    • l.

      enkelvoudige eenvoudige woningaanpassing: de woningaanpassingen die eenvoudig zijn te realiseren; een overzicht van deze aanpassingen is gepubliceerd op de website van de gemeente Súdwest-Fryslân;

    • m.

      formele hulp: ondersteuning die met een vergoeding vanuit het persoonsgebonden budget wordt geboden door een professional, niet zijnde een persoon uit het sociaal netwerk van de inwoner;

    • n.

      gebied: de gemeente Súdwest-Fryslân is onderverdeeld in vier gebieden. De gebieden die zijn aangewezen zijn Sneek Noord, Sneek Zuid, Bolsward en omgeving én Buitengebied. Hier kunnen inwoners terecht met hun hulpvraag;

    • o.

      gebruikelijke hulp: de hulp die huisgenoten (zoals partner, ouders of inwonende kinderen) elkaar normaal gesproken geven als onderdeel van de gezamenlijke huishouding. Het gaat om de dagelijkse zorg en huishoudelijke taken die redelijkerwijs van huisgenoten verwacht mogen worden, omdat zij samen verantwoordelijk zijn voor het huishouden;

    • p.

      hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

    • q.

      HHM-normenkader: de meest recente door het college vastgestelde versie van door bureau HHM opgesteld objectief normenkader aan de hand waarvan de aard en omvang voor de hulp bij het huishouden wordt vastgesteld;

    • r.

      informele hulp: ondersteuning die met een vergoeding vanuit het persoonsgebonden budget geboden wordt door een persoon die niet formele ondersteuning biedt, zoals een persoon uit het sociaal netwerk;

    • s.

      intakegesprek: gesprek in het kader van het onderzoek naar de behoefte aan hulp bij het huishouden van de bewoner;

    • t.

      inwoner: inwoner als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 die ingezetene is van de gemeente Súdwest-Fryslân;

    • u.

      leveringsplan: een document waarin de afspraken over de feitelijke levering van hulp bij het huishouden aan een inwoner worden vastgelegd;

    • v.

      onderzoek: het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet;

    • w.

      persoonlijk plan: een door de bewoner opgesteld plan met een omschrijving van de situatie en de mogelijkheden en onmogelijkheden die de bewoner heeft bij het oplossen van zijn beperking in zelfredzaamheid of participatie of problemen bij het zich handhaven in de samenleving;

    • x.

      PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

    • y.

      PGB-aanbieder: een derde die de inwoner heeft betrokken om ondersteuning bij in te kopen. Dit kan een professionele aanbieder of een informele hulp zijn;

    • z.

      PGB-beheerder: een persoon die de belangen van de inwoner behartigt en de aan een PGB verbonden taken uitvoert, als de inwoner ondersteuning heeft (of wenst te ontvangen) in de vorm van een PGB;

    • aa.

      professional: een persoon die beschikt over voor de functie noodzakelijke diploma’s c.q. opleiding én objectief en onafhankelijk kan handelen;

    • bb.

      Right to Challenge: het recht voor inwoners of maatschappelijke organisaties om de gemeente uit te dagen en taken over te nemen als zij denken dat ze die beter, slimmer of goedkoper kunnen uitvoeren;

    • cc.

      sociaal netwerk: personen uit huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt;

    • dd.

      voorliggende voorziening: een voorziening die geboden wordt op grond van andere wetgeving, zoals Zorgverzekeringswet, Wet langdurige zorg etcetera. Als een inwoner zijn beperking kan opheffen door daadwerkelijk aanspraak te maken op een andere wet is er voldoende eigen kracht;

    • ee.

      wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);

    • ff.

      Financieel besluit: bijlage I bij de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2026.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 1.2 Reikwijdte verordening

Deze verordening heeft betrekking op maatschappelijke ondersteuning ten behoeve van inwoners van de gemeente Súdwest-Fryslân.

Hoofdstuk 2 Vormen en inzet van voorzieningen

Artikel 2.1 Inzetten van voorzieningen

  • 1.

    Het inzetten van een collectieve voorziening, algemene voorziening en/of voorliggende voorziening gaat voor op de inzet van een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Het college treft geen maatwerkvoorziening als een collectieve, algemene en/of voorliggende voorziening de hulpvraag/problemen van de inwoner kan oplossen.

  • 3.

    Voor zover blijkt dat een algemene voorziening en/of voorliggende voorziening de hulpvraag van de inwoner niet geheel kan oplossen, kan aanvullend op deze voorziening een maatwerkvoorziening worden verstrekt.

  • 4.

    De inzet van een maatwerkvoorziening wordt afgestemd op inzet van andere collectieve voorzieningen, algemene en /of voorliggende voorzieningen om zo tot een doelmatige en efficiënte inzet van hulp te komen.

  • 5.

    Het college kan het aanbod van voorzieningen nader uitwerken.

Artikel 2.2 Toegang tot algemene voorzieningen

  • 1.

    Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk, zonder beschikking en zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de inwoner.

  • 2.

    Het college kan bepalen dat aan de toegang van een bepaalde algemene voorziening lichte voorwaarden zijn verbonden.

Hoofdstuk 3 Melding, onderzoek, aanvraag en beschikking

Artikel 3.1 Melding algemeen

  • 1.

    Een hulpvraag kan door of namens een inwoner bij het college worden gemeld.

  • 2.

    Een melding van een ondersteuningsbehoefte kan schriftelijk, digitaal, telefonisch of persoonlijk worden gedaan.

  • 3.

    Binnen twee werkdagen na ontvangst van de melding neemt het college contact op met de inwoner. Dit kan leiden tot het maken van een afspraak. De afspraak zal binnen 20 werkdagen na ontvangst van de melding plaatsvinden.

  • 4.

    Indien een afspraak wordt gemaakt, ontvangt de inwoner van het college desgewenst een afspraakbevestiging.

  • 5.

    Het college wijst de inwoner er op dat zij zich bij het onderzoek kan laten bijstaan door een onafhankelijke cliëntondersteuner.

Artikel 3.1.1 Taxipas, een enkelvoudige eenvoudige woningaanpassing

Bij een taxipas en een enkelvoudige eenvoudige woningaanpassing kan een melding worden gezien als een aanvraag.

Artikel 3.1.2 Hulp bij het huishouden

  • 1.

    Bij een aanvraag voor alleen hulp bij het huishouden meldt een inwoner zich bij de zorgaanbieder van het gebied waarin hij of zij woont.

  • 2.

    Deze melding kan telefonisch, via de website, via het meldingsformulier, per email of persoonlijk bij de zorgaanbieder in zijn of haar gebied worden gedaan.

  • 3.

    De zorgaanbieder neemt binnen twee werkdagen na ontvangst van de melding contact op met de inwoner om te bevestigen dat de melding is ontvangen.

  • 4.

    Binnen vijf werkdagen na ontvangst van de melding neemt de zorgaanbieder contact op met de inwoner voor het inplannen van een intakegesprek.

  • 5.

    Binnen 20 werkdagen na ontvangst van de melding dient het intakegesprek plaats te vinden.

Artikel 3.1.3 Spoedeisende gevallen

  • 1.

    In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.2.

  • 2.

    Spoedeisende ondersteuning kan niet ingezet worden in de vorm van een PGB.

Artikel 3.1.4 Persoonlijk plan

  • 1.

    Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan.

  • 2.

    Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.2 en artikel 2.3 van deze verordening.

Artikel 3.2 Onderzoek algemeen

  • 1.

    Om de ondersteuningsbehoefte vast te stellen vindt een gesprek plaats tussen het college en de inwoner.

  • 2.

    Ter voorbereiding op het gesprek verzamelt het college alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de inwoner en diens situatie.

  • 3.

    Het college onderzoekt naar aanleiding van de melding waar de behoefte en ondersteuning van de inwoner uit bestaat.

  • 4.

    De inwoner verschaft alle gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 5.

    Indien de inwoner en de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend zijn kan het college, in afwijking van het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de inwoner afzien van een onderzoek.

Artikel 3.2.1 Onderwerpen onderzoek

  • 1.

    Het college bespreekt met de inwoner de melding zo spoedig mogelijk.

  • 2.

    In het gesprek worden de volgende onderwerpen besproken:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren en het probleem of de hulpvraag van de inwoner;

    • b.

      het gewenste resultaat/doel van het verzoek om maatschappelijke ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden van de inwoner om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te behouden of te verbeteren;

    • d.

      de mogelijkheden van de inwoner om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner;

    • f.

      de mogelijkheden van de inwoner om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijke nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie;

    • g.

      de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen, de sociale omgeving, vrijwilligers, vrijwilligersorganisaties, instanties en het sociaal netwerk van een persoon te komen tot een zo goed mogelijke afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie;

    • h.

      de mogelijkheden om samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, zorgverzekeraar, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijke afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie;

    • i.

      de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken indien uit het onderzoek vast komt te staan dat inwoner niet de mogelijkheid heeft zijn zelfredzaamheid of participatie te behouden of te verbeteren op de wijze zoals bedoeld onder c, d, e, f, g en h van dit artikel.

  • 3.

    In het gesprek wordt ook:

    • a.

      informatie gegeven over bijdragen in de kosten die de inwoner verschuldigd zal zijn; en

    • b.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een PGB, waarbij inwoner in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 4.

    In het gesprek wordt rekening gehouden met het persoonlijk plan indien deze aanwezig is.

Artikel 3.2.2 Oproepen derden

  • 1.

    Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college de inwoner, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten oproepen voor een gesprek.

  • 2.

    Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen onafhankelijk professional om advies vragen.

Artikel 3.2.3 Onderzoek hulp bij het huishouden

  • 1.

    In afwijking van artikel 3.2 vindt het gesprek plaats tussen de zorgaanbieder en de inwoner indien uit de melding blijkt dat de ondersteuningsbehoefte alleen gericht is op hulp bij het huishouden in natura.

  • 2.

    De zorgaanbieder voert het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet uit. Bij dit onderzoek hanteert de zorgaanbieder de wettelijke kaders en het door het college vastgestelde HHM-normenkader.

  • 3.

    De zorgaanbieder verwerkt de onderzoeksgegevens in een leveringsplan en stuurt dit door de inwoner ondertekende plan, uiterlijk binnen 25 werkdagen na ontvangst van de melding, als advies door naar het college.

  • 4.

    Het college controleert of het onderzoek en het advies correct zijn uitgevoerd en beslist op de aanvraag.

Artikel 3.2.4 Ondersteuningsplan

  • 1.

    De inwoner ontvangt een schriftelijk verslag van de uitkomsten van het onderzoek in de vorm van een ondersteuningsplan, waarin ook het eventuele persoonlijk plan wordt verwerkt.

  • 2.

    Indien gebruik gemaakt is van een onafhankelijke professional, kan dit advies opgenomen worden in het ondersteuningsplan.

  • 3.

    Het college draagt zorg voor het opstellen van het ondersteuningsplan.

  • 4.

    Uiterlijk binnen 6 weken na de melding verstrekt het college aan de inwoner het ondersteuningsplan waarin de uitkomsten van het onderzoek zijn verwerkt.

  • 5.

    De inwoner ondertekent het ondersteuningsplan voor gezien of voor akkoord en stuurt een ondertekend exemplaar naar het college.

Artikel 3.2.4.1 Ondersteuningsplan een taxipas of een enkelvoudige, eenvoudige woningaanpassing

Wanneer het gaat om een taxipas of een enkelvoudige, eenvoudige woningaanpassing wordt het ingevulde en ondertekende aanvraagformulier gezien als het ondersteuningsplan.

Artikel 3.2.4.2 Ondersteuningsplan hulp bij het huishouden

In geval van hulp bij het Huishouden wordt het ingevulde en met de inwoner besproken leveringsplan gezien als het verslag van het onderzoek.

Artikel 3.3 Aanvraag

  • 1.

    Het college kan het ondertekende ondersteuningsplan aanmerken als aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Inwoner, zijn mantelzorger of wettelijke vertegenwoordiger kan nadat het onderzoek is uitgevoerd dan wel de wettelijke termijn van 6 weken is verstreken, een aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.

Artikel 3.4 Beschikking algemeen

Het college legt de beslissing omtrent het al dan niet verstrekken van een maatwerkvoorziening vast in een beschikking.

Artikel 3.4.1 Beschikking maatwerkvoorziening in natura

Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in ieder geval in de beschikking vastgelegd:

  • a.

    de voorziening naar aard en omvang;

  • b.

    het beoogde resultaat/doel;

  • c.

    de ingangsdatum en de verwachte duur van de verstrekking;

  • d.

    welke aanbieder de voorziening verstrekt, en indien van toepassing;

  • e.

    of er een eigen bijdrage betaald moet worden;

  • f.

    welke rechten en plichten er gelden;

  • g.

    hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

Artikel 3.4.2 Beschikking maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB

Bij het verstrekken van de maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB wordt in ieder geval in de beschikking vastgelegd:

  • a.

    de voorziening naar aard en omvang waarvoor PGB kan worden aangewend;

  • b.

    de aanbieder/zorgverlener bij wie het PGB wordt ingezet;

  • c.

    het beoogde resultaat/doel;

  • d.

    de kwaliteitseisen die voor de besteding van het PGB gelden;

  • e.

    de hoogte van het PGB en de berekening daarvan;

  • f.

    hoe de feitelijke betaling ten laste van het PGB plaatsvindt;

  • g.

    de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;

  • h.

    de wijze van verantwoording van de besteding van het PGB;

  • i.

    de voorwaarden die aan het PGB verbonden zijn;

  • j.

    of er een eigen bijdrage betaald moet worden;

  • k.

    welke rechten en plichten er gelden;

  • l.

    hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

Hoofdstuk 4 Eigen kracht en boven gebruikelijke hulp

Artikel 4.1 Afwegingscriteria eigen kracht

  • 1.

    Uitgangspunt is dat iedere inwoner eerst kijkt wat hij/zij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem/haar kan doen, en deze dan ook levert als dat mogelijk is, of wat hij/zij zelf voor een ander kan doen.

  • 2.

    In het onderzoek naar de hulpvraag wordt gekeken naar wat de inwoner nog wel kan of zelf kan organiseren eventueel met hulp van het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg, collectieve, algemene en/of voorliggende voorzieningen om zijn/haar zelfredzaamheid en participatie te vergroten (eigen kracht).

  • 3.

    Het college onderzoekt bij de beoordeling of er sprake is van eigen kracht de volgende factoren:

    • a.

      is de inwoner (eventueel met hulp uit het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of andere (bijvoorbeeld collectieve en/of algemene en/of voorliggende) voorzieningen) in staat om zijn hulpvraag te herkennen;

    • b.

      is de inwoner (eventueel met hulp uit het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of andere (bijvoorbeeld collectieve en/of algemene en/of voorliggende) voorzieningen) redelijkerwijs in staat om de noodzakelijke hulp te regelen om zijn hulpvraag op te lossen;

    • c.

      zo ja, komt de inwoner daardoor niet in de problemen.

  • 4.

    Als uit onderzoek blijkt dat de inwoner, eventueel met hulp uit het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg en/of andere (bijvoorbeeld collectieve en/of algemene en/of voorliggende) voorzieningen of technologieën, een oplossing kan vinden voor de hulpvraag dan is er sprake van voldoende eigen kracht.

  • 5.

    Als de inwoner een beroep kan doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp om daarmee zijn zelfredzaamheid en/of participatiemogelijkheden te vergroten, wordt van hem/haar verwacht dat hij/zij hier gebruik van maakt.

  • 6.

    De ondersteuning die het sociale netwerk normaliter biedt en/of redelijkerwijs bieden kan, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen maatwerkvoorziening.

  • 7.

    Het college kan het onderzoek naar de eigen kracht nader uitwerken in aanvullende regels.

Artikel 4.2 Afwegingscriteria boven-gebruikelijke hulp

  • 1.

    Het college moet in elke individuele situatie een afweging maken of daadwerkelijk sprake is van gebruikelijke hulp, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden en eigen mogelijkheden.

  • 2.

    Om vast te stellen welke hulp boven-gebruikelijk is, beoordeelt het college welke hulp uitgaat boven de hulp die een inwoner zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft.

  • 3.

    Bij de beoordeling welke hulp hier bovenuit gaat, betrekt het college de volgende factoren:

    • a.

      aard van de zorghandelingen;

    • b.

      frequentie en patroon van de zorghandelingen;

    • c.

      tijdsomvang van de zorghandelingen.

  • 4.

    Wanneer de hulpvraag groter is dan de gebruikelijke hulp, kan hulp en ondersteuning worden ingezet. Echter, dit is pas het geval als de benodigde boven-gebruikelijke hulp het eigen probleemoplossend vermogen (eigen kracht) overstijgt. Inwoners moeten gemotiveerd aangeven en beschrijven waarom en waardoor ze in de praktijk vastlopen. Het college voert een onderzoek uit.

  • 5.

    Wanneer de ouders/verzorgers/mantelzorgers overbelast zijn of dreigen te raken wordt van hen geen (boven)gebruikelijke hulp verwacht. Totdat deze (dreigende) overbelasting is opgeheven kan tijdelijk een individuele voorziening worden ingezet waarmee de hulp wordt uitgevoerd.

  • 6.

    Uitzondering op het genoemde in lid 5 is wanneer de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door het uitvoeren van maatschappelijke activiteiten buiten de (boven)gebruikelijke hulp om. Tegelijkertijd wordt verwacht om aan de slag te gaan met het verminderen/voorkomen van de situatie van (dreigende) overbelasting.

Hoofdstuk 5 Criteria voor een maatwerkvoorziening

Artikel 5.1 Algemene criteria

  • 1.

    Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      de inwoner ingezetene is van de gemeente Súdwest-Fryslân op grond van de wet;

    • b.

      de inwoner behoort tot de doelgroep van de Wmo;

    • c.

      de inwoner geen gebruik kan maken van de eigen kracht;

    • d.

      de inwoner geen gebruik kan maken van gebruikelijke hulp;

    • e.

      de inwoner geen hulp kan krijgen van mantelzorg of andere personen uit het sociaal netwerk;

    • f.

      de inwoner geen gebruik kan maken van collectieve of algemene of andere voorzieningen; en

    • g.

      de inwoner geen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen.

  • 2.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

Artikel 5.2 Aanvullende criteria

  • 1.

    Een inwoner komt alleen in aanmerking voor een maatwerkvoorziening indien:

    • a.

      de maatwerkvoorziening, gelet op de persoon, veilig is voor de inwoner en zijn omgeving en geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt;

    • b.

      de inwoner binnen zijn vermogen in voldoende mate meewerkt aan het opstellen en nakomen van het ondersteuningsplan (nakomen afspraken);

    • c.

      de inwoner de gemaakte afspraken met de zorgverlener (de feitelijke uitvoering van ondersteuning) nakomt en/of mogelijk maakt;

    • d.

      de noodzaak tot het verstrekken van een voorziening niet aan de inwoner te verwijten is.

  • 2.

    Het college kan een maatwerkvoorziening, anders dan in de vorm van dienstverlening, in bruikleen, financiële tegemoetkoming, PGB of in eigendom verstrekken.

Artikel 5.2 Aanvullende criteria zelfredzaamheid en participatie

Een inwoner komt alleen voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie in aanmerking als de noodzaak tot ondersteuning:

  • a.

    voor de inwoner redelijkerwijs niet vermijdbaar was;

  • b.

    voorzienbaar was, maar van de inwoner redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.

Artikel 5.3 Aanvullende criteria psychische of psychosociale problemen en veiligheid

Een inwoner met psychische of psychosociale problemen of een inwoner die de thuissituatie al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

  • a.

    als de problemen om zich te handhaven in de samenleving naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kunnen worden verminderd of weggenomen;

  • b.

    als de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen of opvang en aan een situatie waarin de inwoner weer op eigen kracht kan participeren in de samenleving.

Artikel 5.4 Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen

  • 1.

    Aanvullende criteria, zoals die in overleg met de centrumgemeente zijn vastgesteld en in de uitwerking van de Verordening Wmo 2015 (meest recente versie) van de centrumgemeente zijn opgenomen, worden voor wat betreft opvang en beschermd wonen gevolgd.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen inzake opvang en beschermd wonen. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de nadere regels van de centrumgemeente.

Artikel 5.5 Aanvullende criteria vervangen voorziening

Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening wordt deze alleen verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven:

  • a.

    tenzij de eerder verstrekte voorziening niet opzettelijk door eigen toedoen verloren is gegaan;

  • b.

    tenzij de veroorzaakte kosten worden betaald door de inwoner;

  • c.

    als de eerder verstrekte voorziening niet langer een adequate oplossing biedt in de ondersteuningsbehoefte.

Artikel 5.6 Aanvullende criteria vervoersvoorzieningen

  • 1.

    Vervoersvoorzieningen kunnen worden verstrekt om de volgende resultaten te bereiken:

    • a.

      het zelfstandig lokaal verplaatsen per vervoersmiddel;

    • b.

      het kunnen participeren in de samenleving;

    • c.

      het kunnen ontmoeten van mensen en het op basis daarvan aangaan van sociale contacten.

  • 2.

    Voor verstrekking van de individuele vervoersvoorzieningen gelden de volgende algemene criteria:

    • a.

      de inwoner is in staat op een verantwoorde wijze aan het verkeer deel te nemen;

    • b.

      de inwoner is in staat om op een veilige manier gebruik te maken van de vervoersvoorziening;

    • c.

      de inwoner heeft een frequente verplaatsingsbehoefte van minimaal 2 tot 3 keer per week om maatschappelijk te kunnen participeren en het onderhouden van sociale contacten in de directe woonomgeving;

    • d.

      er is geen andere aanvullende vervoersvoorziening verstrekt met hetzelfde gebruiksdoel;

    • e.

      de stalling moet mogelijk zijn;

    • f.

      de woonomgeving moet geschikt zijn voor gebruik van de vervoersvoorziening; en

    • g.

      de inwoner moet uit eigen kracht op de vervoersvoorziening kunnen gaan zitten en afstappen en in staat zijn zelfstandig het vervoermiddel te stallen.

  • 3.

    De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing bij taxivervoer.

  • 4.

    Een vervoersvoorziening wordt niet verstrekt indien deze primair de doelstelling heeft voor conditie/trainen/afvallen (therapeutisch).

Artikel 5.6.1 Aanvullende criteria scootmobiel

Voor verstrekking van een scootmobiel gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

  • a.

    er dient sprake te zijn van een balansprobleem, waardoor de inwoner ernstig beperkt is in zijn mobiliteit;

  • b.

    het lopen of staan is zodanig beperkt, dat inwoner zijn bestemmingsdoel niet kan bereiken met een taxi of autorit;

  • c.

    de inwoner kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 400 meter verplaatsen;

  • d.

    de beperkingen zijn langdurend van aard en de vervoersbehoefte is vrijwel dagelijks; en

  • e.

    de scootmobiel moet conform de geldende eisen veilig gestald kunnen worden.

Artikel 5.6.2 Aanvullende criteria rolstoel(en)

Om in aanmerking te komen voor een rolstoel gelden de volgende aanvullende criteria:

  • a.

    de inwoner ondervindt op medische gronden beperkingen in het zich verplaatsen in en om de woning en is niet in staat om zich gedurende vijf minuten met een loophulpmiddel zoals wandelstok of rollator te verplaatsen;

  • b.

    de inwoner kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan 100 meter verplaatsen; en

  • c.

    de beperkingen zijn langdurig van aard.

Artikel 5.6.3 Aanvullende criteria elektrische rolstoel

Om in aanmerking te komen voor een elektrische rolstoel gelden de volgende aanvullende criteria:

  • a.

    de inwoner ondervindt op medische gronden beperkingen in het zich verplaatsen in en om de woning en is permanent afhankelijk van een rolstoel; en

  • b.

    de inwoner is niet in staat om zich over een afstand van meer dan 10 meter of 1 minuut achtereen lopend te verplaatsen.

Artikel 5.6.4 Aanvullende criteria elektrische ondersteuning

Om in aanmerking te komen voor elektrische ondersteuning gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

  • a.

    ondersteuning op een handbewogen rolstoel (e-motion wielen) voor de zeer korte afstand:

    • alleen als de inwoner grotendeels rolstoelgebonden is en niet in staat is om zich zelfstandig hoepelend te verplaatsen vanwege te weinig kracht, een “duwtje in de rug” nodig heeft;

    • het is een aanpassing van de rolstoel en geen vervoersvoorziening.

  • b.

    ondersteuning op een handbewogen rolstoel (e-motion wielen) voor de zeer korte tot middellange afstand:

    • alleen als de inwoner grotendeels rolstoelgebonden is en niet in staat is om zich hoepelend te verplaatsen over afstanden meer dan 100 meter;

    • in dit geval zal de voorziening als een vervoermiddel worden gebruikt.

  • c.

    duwondersteuning op een rolstoel:

    • alleen als de inwoner grotendeels rolstoelgebonden is en niet in staat is om zich zelfstandig hoepelend te verplaatsen;

    • van anderen afhankelijk is voor zijn/haar verplaatsingen; en

    • diegene zelf ook niet zonder ondersteuning de rolstoel meer dan 400 meter kan duwen.

Artikel 5.6.5 Aanvullende criteria tandem/duofiets/elektrische fiets of een driewielfiets

Om in aanmerking te komen voor een tandem/duofiets/elektrische fiets of een driewielfiets gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

  • a.

    de inwoner ondervindt op medische gronden een mobiliteitsbeperking; en

  • b.

    er is sprake van een frequente verplaatsingsbehoefte van 2 á 3 keer per week in de directe woon- en leefomgeving.

Artikel 5.6.6 Aanvullende criteria handbike

Om in aanmerking te komen voor een handbike gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

  • a.

    de inwoner is aangewezen op een rolstoel en moet de handbike zelfstandig aan de rolstoel kunnen koppelen;

  • b.

    de inwoner is niet in staat zich met behulp van een handbewogen rolstoel over een redelijke afstand (meer dan 400 meter) binnen redelijke tijd te verplaatsen;

  • c.

    de inwoner heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte boven de 400 meter, die niet anderszins kan worden opgelost; en

  • d.

    de inwoner is redelijkerwijs in staat om met de handbike een middellange afstand af te leggen.

Artikel 5.6.7 Aanvullende criteria autoaanpassingen

Om in aanmerking te komen voor autoaanpassing gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

  • a.

    er is een medische indicatie voor individueel vervoer per eigen auto (elke vorm van taxivervoer is medisch niet verantwoord);

  • b.

    belanghebbende beschikt over een eigen auto die in beginsel niet ouder is dan 7 jaar en technisch inzetbaar is;

  • c.

    het gebruik van de eigen auto is verantwoord; en

  • d.

    de kosten van aanpassing zijn niet hoger dan de kosten die uitgegeven zouden worden aan een andere geschikte vorm van individueel vervoer gedurende één jaar.

Artikel 5.7 Weigeringsgronden maatwerkvoorziening

Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening:

  • a.

    indien de inwoner geen ingezetene is van de gemeente Súdwest-Fryslân;

  • b.

    indien het een algemeen gebruikelijke voorziening betreft;

  • c.

    als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner bij zijn keuze of handelen rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan;

  • d.

    indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 5.1 van deze verordening;

  • e.

    indien het een voorziening betreft die de inwoner na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

  • f.

    als deze niet langdurig noodzakelijk is.

Artikel 5.7.1 Criteria weigeringsgronden

Het college weigert een maatwerkvoorziening als:

  • a.

    niet voldaan wordt aan de voorwaarden, zoals bedoeld artikel 5.1 lid 1 van deze verordening;

  • b.

    uit de uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag blijkt dat inzet van een maatwerkvoorziening naar het oordeel van het college niet noodzakelijk wordt geacht;

  • c.

    de noodzaak tot ondersteuning vermijdbaar was;

  • d.

    de noodzaak tot ondersteuning voorzienbaar was en maatregelen konden worden getroffen om de hulpvraag overbodig te maken;

  • e.

    als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

  • f.

    de voorziening als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt;

  • g.

    een aanvraag voor een maatwerkvoorziening is gedaan op een zodanig moment dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning naar het oordeel van het college niet kan plaatsvinden;

  • h.

    de maatwerkvoorziening aantoonbaar niet effectief is voor de hulpvraag van de inwoner en of het gezinssysteem;

  • i.

    de maatwerkvoorziening niet van goede kwaliteit is als bedoeld in artikel 2.3.6 lid 2 onder c van de wet;

  • j.

    er ondersteuning is aangevraagd die zal worden verleend buiten Nederland, tenzij het college van oordeel is dat het inzetten van ondersteuning buiten de landsgrenzen een bijzondere bijdrage levert aan het behalen van het beoogde resultaat van de wet;

  • k.

    als de inwoner een maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB wenst en er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een PGB, dan is het niet toegestaan om dat PGB te besteden aan inzet van een (dreigende) overbelaste huisgenoot (gezinssysteem) en/of sociaal netwerk.

Artikel 5.7.2 Weigeringsgronden woonvoorziening

Het college verstrekt geen woonvoorziening:

  • a.

    voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

  • b.

    ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen;

  • c.

    voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;

  • d.

    indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

  • e.

    indien de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schríftelijk toestemming is verleend door het college.

Hoofdstuk 6 Kwaliteit

Artikel 6.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning in natura

  • 1.

    Het college draagt er zorg voor dat minimaal de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten met de aanbieders.

  • 2.

    De eisen als bedoeld in het eerste lid zijn in ieder geval zodanig dat:

    • a.

      de dienstverlening veilig, doeltreffend, doelmatig en inwonergericht wordt verstrekt;

    • b.

      de dienstverlening tijdig en conform afspraak wordt verstrekt;

    • c.

      de dienstverlening is afgestemd op de reële behoefte van de inwoner en op andere vormen van zorg of hulp die de inwoner ontvangt;

    • d.

      de dienstverlening verstrekt wordt met respect voor en inachtneming van de rechten van de inwoner;

    • e.

      de aanbieder van zorg een actieve signaleringsplicht heeft ten aanzien van veranderingen in de gezondheid (fysiek en psychisch), de sociale situatie en de behoefte van de inwoner aan meer, minder of andere zorg;

    • f.

      de ondersteuning wordt geleverd met gekwalificeerd personeel, passend bij de behoeften en persoonskenmerken van de inwoner;

    • g.

      de aanbieder zorg draagt voor scholing zodanig dat de medewerkers over kwalitatief verantwoorde kennis en kunde kunnen (blijven) beschikken;

    • h.

      medewerkers, indien van toepassing, geregistreerd zijn volgens de geldende beroepsregistratie;

    • i.

      personen die beroepsmatig dan wel vanuit een professioneel georganiseerde situatie in contact kunnen komen met inwoner, een geldige verklaring omtrent het bedrag (VOG) bezitten die niet eerder is afgegeven dan het tijdsstip waarop betrokkene voor de aanbieder ging werken;

    • j.

      de aanbieder zorg draagt voor het naleven van beroeps- en meldcodes door de medewerkers;

    • k.

      elke medewerker de Nederlandse taal spreekt en schrijft;

    • l.

      de Friese (Fryske) taal in woord kan verstaan.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze kwaliteitseisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks clientervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

  • 4.

    Het college kan bij nadere regels verdere eisen stellen aan de kwaliteit van de voorzieningen.

Artikel 6.2 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning PGB

  • 1.

    Aanbieders en zorgverleners op grond van een PGB zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de inwoner;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    • d.

      voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

  • 2.

    Het college kan vanuit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg steekproefsgewijs onderzoek doen naar de bestedingen en kwaliteit van inzet van maatwerkvoorziening van het PGB.

  • 3.

    Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten en de formele en informele zorgverleners op grond van een PGB.

Artikel 6.3 Borgen kwaliteit

  • 1.

    Om na te gaan of de kwaliteit van de ondersteuning voldoende geborgd is, wordt onder meer gekeken naar de volgende punten:

    • a.

      de professional beschikt over de juiste kwalificaties om de ondersteuning te kunnen leveren, dat wil zeggen relevante opleiding, kennis en ervaring. Indien van toepassing registratie in een relevant beroepsregister;

    • b.

      het type zorg sluit aan bij de ondersteuningsbehoefte;

    • c.

      de professional die cliëntgebonden hulp levert, dient een door de overheid erkende, afgeronde zorggerelateerde opleiding (gericht op mensen) te hebben afgerond. Dit, naar uitsluitend oordeel van de gemeente: De opleiding dient passend te zijn bij de te verrichten activiteiten en bij de persoonlijke kenmerken en omstandigheden, complexiteit en aard van de problematiek van de inwoner en het gezin en/of systeem;

    • d.

      bij indiensttreding dient de professional die de ondersteuning levert en de bestuurder(s) van een zorgorganisatie te beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) met screeningsprofiel 45 ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’. De VOG dient specifiek voor de betreffende functie die door de medewerker wordt uitgevoerd te zijn afgegeven. De VOG mag niet eerder zijn afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene bij de (PGB-)aanbieder in dienst is getreden en niet ouder te zijn dan drie jaar. Na indiensttreding zorgt de (PGB-)aanbieder ervoor dat er voor de medewerker per drie jaar een nieuwe VOG wordt aangevraagd en verkregen. Een VOG is niet nodig bij zorg door familie (eerste of tweedegraads) of partner;

    • e.

      dat de door de (PGB-)aanbieder ingeschakelde medewerkers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. Zij dienen te beschikken over een adequate opleiding en een recente VOG. De (PGB-)aanbieder draagt er zorg voor dat ingeschakelde vrijwilligers beschikken over een recente VOG;

    • f.

      de (PGB-)aanbieder dient adequaat verzekerd te zijn tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid en de verzekering biedt in voldoende mate dekking tegen schade, die kan ontstaan bij of als gevolg van de uitvoering van de werkzaamheden;

    • g.

      hoofdaanbieder is verantwoordelijk dat de onderaannemer voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen;

    • h.

      een verklaring van de Belastingdienst inzake betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen (VOFG), waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de verplichtingen tot het betalen van belasting en sociale zekerheidspremies, kan worden uitgevraagd;

    • i.

      de (PGB-)aanbieder dient financieel gezond te zijn en er dient aan financiële verplichtingen voldaan te worden, zodat de continuïteit van de zorg voor de cliënt voldoende gewaarborgd is. De (PGB-)aanbieder kan worden gevraagd de meest recente jaarrekening te overleggen. In het geval van een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid kan om een balans en resultatenrekening gevraagd worden, waaruit in ieder geval de gerealiseerde omzet en kosten gesplitst naar personele kosten en materiële kosten zijn opgenomen;

    • j.

      de (PGB-) aanbieder neemt de regels in acht van de Wet normering topinkomens en de regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg.

  • 2.

    Met een PGB bekostigde professioneel verleende hulp moet aan dezelfde kwaliteitseisen worden voldaan als gecontracteerde ondersteuning bij zorg in natura.

  • 3.

    Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van voortdurende wanprestatie kan het college een waarschuwing met een redelijke hersteltermijn geven of de (PGB-)aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een Pgb.

Hoofdstuk 7 Voorwaarden Persoonsgebonden budget

Artikel 7.1 Regels voor persoonsgebonden budget

  • 1.

    Het college verstrekt een PGB in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. Het gaat om de volgende voorwaarden:

    • a.

      de inwoner is naar het oordeel van het college in staat tot een redelijke waardering van belangen;

    • b.

      de inwoner kan de aan een PGB verbonden taken op verantwoorde wijze uitvoeren;

    • c.

      de inwoner dient gemotiveerd aan te geven dat hij/zij een PGB wenst; en

    • d.

      naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de ondersteuning die men met het PGB wil inkopen van goede kwaliteit is.

  • 2.

    Onverminderd het gestelde in lid 1 is een PGB alleen mogelijk indien er geen weigeringsgrond van toepassing is zoals benoemd in artikel 5.7 van deze verordening.

Artikel 7.2 Weigeren van een persoonsgebonden budget

  • 1.

    Het college weigert een PGB te verstrekken als:

    • a.

      de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura;

    • b.

      het college eerder een beslissing heeft herzien en/of heeft ingetrokken, omdat:

      • i.

        de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

      • ii.

        de inwoner niet heeft voldaan aan de aan de maatwerkvoorziening of het PGB verbonden voorwaarden;

    • c.

      de inwoner het PGB niet of voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor het is bestemd;

    • d.

      de inwoner een PGB wenst in te zetten voor vervoer voor dagbesteding en/of individuele begeleiding;

    • e.

      de inwoner een PGB wil inzetten voor bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het PGB of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de PGB -beheerder;

    • f.

      de inwoner een PGB wenst in te zetten voor een (PGB -)aanbieder waarbij misbruik en/of oneigenlijk gebruik is vastgesteld.

  • 2.

    Verstrekking in de vorm van PGB vindt kan niet of niet langer plaatsvinden als:

    • a.

      op grond van aanwijzingen die duidelijk maken dat het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een PGB;

    • b.

      uit onderzoek van het college blijkt dat de inwoner en/of de PGB-beheerder de aan het PGB verbonden taken onvoldoende uitvoert en/of kan uitvoeren;

    • c.

      er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een PGB in het verleden;

    • d.

      er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking.

  • 3.

    Het college kan voor de criteria voor een PGB nadere regels opstellen.

Artikel 7.3 Onderscheid professionele hulp en informele hulp

  • 1.

    Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de inwoner:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het PGB uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister, en die beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken;

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het PGB uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister en beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

  • 2.

    Als de hulp wordt verleend door een ander persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b is er sprake van informele hulp.

  • 3.

    Indien de hulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad of iemand uit het sociaal netwerk van de inwoner en/of het huishouden is er altijd sprake van informele hulp.

  • 4.

    Het college kan voor het onderscheid professionele en informele hulp nadere regels opstellen.

Artikel 7.4 Criteria informele hulp

  • 1.

    Alvorens de inwoner een aanvraag doet voor een voorziening, wordt van hem/haar verwacht dat hij/zij eerst een beroep doet op zijn/haar sociaal netwerk. Er wordt geen PGB verstrekt voor hulp waarvan het gebruikelijk is dat de activiteiten door het sociaal netwerk worden verricht, zoals:

    • a.

      (sociale) activiteiten ondernemen met de inwoner;

    • b.

      het doen van de boodschappen;

    • c.

      lichte huishoudelijke taken;

    • d.

      eenvoudige hulp bij de administratie;

    • e.

      het maken van afspraken en/of het meegaan naar afspraken met bijvoorbeeld specialisten, huisarts, kapper of fysiotherapeut;

    • f.

      vervoer naar afspraken met bijvoorbeeld specialisten, huisarts, kapper of fysiotherapeut.

  • 2.

    Het college kent, onverminderd het bepaalde in lid 1, een PGB voor informele hulp alleen toe als:

    • a.

      wordt gemotiveerd waarom de inzet van informele hulp leidt tot een gelijk of beter resultaat dan de inzet van professionele hulp;

    • b.

      de persoon die de informele hulp verleent, voldoet aan de minimale kwaliteitseisen die zijn opgenomen in artikel 6.2 van deze verordening;

    • c.

      de persoon die de informele hulp verleent, beschikt over de voor de hulpvraag benodigde competenties, kennis en vaardigheden om adequate hulp te bieden;

    • d.

      de persoon die de informele hulp verleent geen deel uitmaakt van de problematiek waarvoor de ondersteuning ingezet wordt;

    • e.

      er geen sprake is van het creëren of in stand houden van een afhankelijkheidsrelatie; en

    • f.

      de ondersteuning aan de inwoner niet leidt tot overbelasting bij de persoon die de informele hulp verleent.

  • 3.

    Het college kan voor de criteria voor informele hulp nadere regels opstellen.

Artikel 7.5.1 Hoogte PGB algemeen

De hoogte van een PGB:

  • a.

    wordt bij een nieuwe aanvraag vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgesteld plan over hoe hij het PGB gaat besteden;

  • b.

    wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het PGB toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering;

  • c.

    bedraagt niet meer dan de kostprijs van de goedkoopst adequate door de gemeente gecontracteerde beschikbare maatwerkvoorziening in natura; en

  • d.

    bedraagt niet minder dan het wettelijk minimumloon.

  • e.

    de hoogte van een PGB voor hulp bij het huishouden, individuele begeleiding, specialistische individuele begeleiding en specialistische persoonlijke verzorging wordt als volgt vastgesteld:

    • i.

      het PGB tarief wordt gebaseerd op de virtuele reële uurtarieven en categorieën zoals gebruikt voor het vaststellen van de aanbesteding Wmo Hulp bij het Huishouden en Begeleiding 2021;

    • ii.

      dit tarief wordt sinds 2022 ieder jaar geïndexeerd volgens de voorlopige Consumentenprijsindex (CPI) van de maand september voor het volgende kalenderjaar.

Artikel 7.5.2 Hoogte PGB hulp bij het huishouden

  • 1.

    Bedraagt bij formele hulp 80% van het uurtarief voor huishoudelijke hulp in natura zoals opgenomen in artikel 7.5.1 sub e.

  • 2.

    Bedraagt bij informele hulp het uurtarief voor huishoudelijke hulp in natura zoals opgenomen in het Financieel besluit.

  • 3.

    Bedraagt bij gebruik van de Regeling dienstverlening aan huis (Rdah) het uurtarief voor huishoudelijke hulp in natura zoals opgenomen in het Financieel besluit.

Artikel 7.5.3 Hoogte PGB individuele begeleiding

  • 1.

    Bedraagt bij formele hulp 80% van het uurtarief voor individuele begeleiding in natura zoals opgenomen in artikel 7.5.1 sub e.

  • 2.

    Bedraagt bij informele hulp het uurtarief voor individuele begeleiding in natura zoals opgenomen in het Financieel besluit.

  • 3.

    Bedraagt bij gebruik van de Regeling dienstverlening aan huis (Rdah) het uurtarief voor individuele begeleiding in natura zoals opgenomen in het Financieel besluit.

Artikel 7.5.4 Hoogte PGB specialistische individuele begeleiding

  • 1.

    Bedraagt bij formele hulp 80% van het uurtarief voor specialistische individuele begeleiding in natura zoals opgenomen in in artikel 7.5.1 sub e.

  • 2.

    Bedraagt bij informele hulp het uurtarief voor specialistische individuele begeleiding in natura zoals opgenomen in het Financieel besluit.

  • 3.

    Bedraagt bij gebruik van de Regeling dienstverlening aan huis (Rdah) het uurtarief voor specialistische individuele begeleiding in natura zoals opgenomen in het Financieel besluit.

Artikel 7.5.5 Hoogte PGB specialistische persoonlijke verzorging

  • 1.

    Bedraagt bij formele hulp 80% van het uurtarief voor persoonlijke verzorging in natura zoals opgenomen in artikel 7.5.1 sub e.

  • 2.

    Bedraagt bij informele hulp het uurtarief voor persoonlijke verzorging in natura zoals opgenomen in het Financieel besluit.

  • 3.

    Bedraagt bij gebruik van de Regeling dienstverlening aan huis (Rdah) het uurtarief voor persoonlijke verzorging in natura zoals opgenomen in het Financieel besluit.

Artikel 7.5.6 Hoogte PGB (rolstoel-) vervoer van en naar dagbesteding

De hoogte van een PGB voor (rolstoel-) vervoer van en naar de dagbesteding bedraagt maximaal het bedrag dat voor zorg in natura voor (rolstoel-)vervoer wordt verstrekt.

Artikel 7.5.7 Hoogte PGB overig

Een inwoner aan wie een PGB wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, die niet genoemd worden onder de artikelen 7.5.1 tot en met 7.5.6, onder voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als:

  • a.

    deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat 50% bedraagt van het toepasselijke tarief per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder;

  • b.

    tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het PGB worden betaald; en

  • c.

    is komen vast te staan dat deze persoon afkomstig uit het sociaal netwerk in staat is tot het verrichten van de hulp of zorg op kwalitatieve, doelmatige en veilige wijze.

Artikel 7.6 Besteding en verantwoording PGB

  • 1.

    De inwoner dient binnen 12 maanden na de datum van de toekenningsbeschikking een kopie van het aanschafbewijs (kopie factuur) in te leveren.

  • 2.

    Het PGB voor onderhoud, service en verzekering wordt eenmalig betaald gedurende de technische levensduur van de vervoersvoorziening en hoeft niet verantwoord te worden.

  • 3.

    Indien de vervoersvoorziening langer dan 3 maanden niet wordt gebruikt kan het college de toegekende voorziening intrekken of beëindigen.

  • 4.

    Het PGB bevat geen vrij besteedbaar deel.

  • 5.

    Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het PGB voor ten hoogste 13 weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als het vermoeden bestaat dat de inwoner het PGB in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

Hoofdstuk 8 Oneigenlijk gebruik

Artikel 8.1 Voorkoming en bestrijding van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet

  • 1.

    Het college informeert inwoner of diens vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of PGB zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een inwoner aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. Concreet betekent dit dat een cliënt het college actief moet informeren over onder meer:

    • a.

      een wijziging in zijn/haar beperking(en) die van invloed is op het gebruik van de voorziening;

    • b.

      een gewijzigde gezinssituatie in de gevallen waardoor er sprake is/kan zijn van eigen kracht;

    • c.

      verbetering in de (gezondheids-)situatie waardoor de voorziening niet langer of in mindere mate noodzakelijk is;

    • d.

      het niet ontvangen van kwalitatieve ondersteuning; Indien ondersteuning wordt ingezet voor een ander doel dan waarvoor deze wordt verleend;

    • e.

      indien zorg wordt gedeclareerd voor ondersteuning die niet (juist) is verleend;

    • f.

      als tijdelijk geen gebruik kan worden gemaakt van de voorziening door detentie, behandeling in een instelling of opname in een ziekenhuis, verpleegtehuis of revalidatiecentrum;

    • g.

      het wijzigen van zorgverlener;

    • h.

      het toe- of afnemen van verleende mantelzorg of hulp uit het sociaal netwerk;

    • i.

      een verhuizing;

    • j.

      een vakantie of verblijf in het buitenland van meer dan 4 weken;

    • k.

      het niet langer gebruikmaken van een voorziening.

  • 3.

    Het niet of niet volledig nakomen van de medewerkingsplicht kan leiden tot beëindiging, intrekking, opschorting of herziening van de maatwerkvoorziening.

  • 4.

    Het niet of niet volledig nakomen van de inlichtingenplicht kan leiden tot beëindiging, intrekking of herziening van een maatwerkvoorziening.

  • 5.

    Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan de op dat moment berekende restwaarde worden teruggevorderd.

Hoofdstuk 9 Eigen bijdrage

Artikel 9.1 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en PGB’s

  • 1.

    Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel PGB, zolang een inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het PGB wordt verstrekt.

  • 2.

    Ter uitwerking van het bepaalde in artikel 3.8 lid 1 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is de hoogte van de bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor vervoer € 0,24 per kilometer en wordt een starttarief van €1,00 per rit gehanteerd.

  • 3.

    De bedragen en percentages die gelden voor een bijdrage in de kosten zijn gelijk aan de bedragen en percentages opgenomen in het Besluit. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of PGB zijn gelijk aan het bedrag genoemd in artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet en voor wat betreft hulpmiddelen en woningaanpassingen niet hoger dan de kostprijs.

  • 4.

    Op grond van artikel 2.1.4b, eerste lid, van de wet worden de bijdragen als bedoeld in artikel 2.1.4a van de wet, voor een maatwerkvoorziening of PGB door het CAK vastgesteld en geïnd.

  • 5.

    De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of PGB ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een inwoner.

Artikel 9.2 Geen bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en PGB’s

In afwijking van artikel 9.1 is overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 kan geen of een lagere bijdrage opgelegd worden in de volgende situaties:

  • a.

    indien het college van oordeel is dat er voor de vast te stellen bijdragen (tijdelijk) onvoldoende betalingscapaciteit aanwezig is bij de inwoner;

  • b.

    indien het college van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstelling van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een inwoner die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente;

  • c.

    indien de inwoner of de echtgenoot van de inwoner een bijdrage als bedoeld in artikel 3.11 of 3.12 dan wel een bijdrage ingevolge de artikelen 3.3.2.1 of 3.3.2.2 van het Besluit langdurige zorg verschuldigd is;

  • d.

    indien de inwoner of zijn echtgenoot gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de maand in een instelling voor opvang verblijft;

  • e.

    indien het college, na advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk, de Raad voor de Kinderbescherming of Veilig Thuis, van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage kan leiden tot mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de op- voeding en ontwikkeling van een minderjarige door de ouder, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

  • f.

    voor een rolstoel;

  • g.

    voor een verhuiskostenvergoeding;

  • h.

    voor het bezoekbaar maken van een woning;

  • i.

    voor een autokostenvergoeding;

  • j.

    bij een inwoner die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, met uitzondering van een woningaanpassing voor zover bij verordening op grond van artikel 2.1.5 van de wet een ander de bijdrage verschuldigd is;

  • k.

    door de gehuwde inwoner of de gehuwde inwoner tezamen, waarvan ten minste een van beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt.

Hoofdstuk 10 Toezichthouders

Artikel 10.1 Toezichthouders

  • 1.

    Het college wijst toezichthoudende ambtenaren aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.

  • 2.

    De aangewezentoezichthouder is belast met:

    • a.

      controleren of de (PGB-)aanbieder de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking, de raamovereenkomst of uitvoeringsovereenkomst met het college naleeft;

    • b.

      ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de inwoner of de PGB-beheerder heeft gesloten of deze voldoen aan de bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie;

    • c.

      controleren of de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt uitgevoerd;

    • d.

      de bevoegdheid om (PGB-)aanbieders te screenen. Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.

Hoofdstuk 11 Incidenten, calamiteiten en geweld

Artikel 11.1 Meldingsregeling incidenten, calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van incidenten, calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2.

    Aanbieders melden ieder incident, calamiteit en geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar het incident, de calamiteiten en/of geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere incidenten, calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4.

    Het college kan de meldingsregels nader uitwerken.

Hoofdstuk 12 Klachten

Artikel 12.1 Klachtregeling

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van inwoners en ten aanzien van alle (maatwerk)voorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van:

    • a.

      de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders;

    • b.

      een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek;

    • c.

      een jaarlijks onderzoek met betrekking tot hulp bij het huishouden.

  • 3.

    Het college behandelt klachten van inwoner die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de klachtenregeling conform de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 13 Mantelzorg en Right to Challenge

Artikel 13.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Het college stelt nadere regels vast voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de (jonge) mantelzorgers van inwoners in de gemeente.

Artikel 13.2 Right to challenge

  • 1.

    Het college wijst ingezetenen actief op de mogelijkheid initiatieven te ontplooien die het uitvoeren van taken van het college op grond van de wet betreffen, zoals vastgelegd in artikel 2.6.7 van de wet.

  • 2.

    Het college biedt de inwoners de mogelijkheid tot het indienen van een challenge.

  • 3.

    Het college legt deze mogelijkheid vast in het inkoop- en aanbestedingsbeleid.

  • 4.

    Een challenge wordt schriftelijk als plan ingediend bij het college.

  • 5.

    Bij een aanvraag om een challenge kan het college de aanvrager verplichten tot het overleggen van de volgende gegevens:

    • a.

      een beschrijving van de taak/taken die de inwoners (deels) overnemen;

    • b.

      de resultaten die beoogd worden met de challenge;

    • c.

      op welke wijze de continuïteit wordt geborgd;

    • d.

      hoe aan de kwaliteitseisen wordt voldaan.

  • 6.

    Het college biedt inwoners die een challenge indienen de mogelijkheid tot:

    • a.

      ondersteuning bij het opstellen van een plan, zoals genoemd in lid 4;

    • b.

      ondersteuning bij de verantwoording aan het college van de realisatie van het plan, zoals bedoeld in lid 4.

  • 7.

    Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van artikel 2.6.7 van de wet.

Hoofdstuk 14 Inspraak

Artikel 14.1 Inspraak en medezeggenschap

  • 1.

    Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers:

    • a.

      vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen;

    • b.

      vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning; en

    • c.

      voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 2.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en voorziet van de informatie die nodig is voor een adequate deelname aan het overleg.

  • 3.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 15 Slotbepalingen

Artikel 15.1 Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt minimaal eenmaal per twee jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 15.2 Overgangsrecht

Aanvragen en bezwaarschriften waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld volgens deze verordening.

Artikel 15.3 Mogelijkheden om af te wijken

  • 1.

    In die gevallen waarin in deze verordening niet wordt voorzien, beslist het college.

  • 2.

    Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner met een vastgestelde ondersteuningsbehoefte afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 15.4 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 januari 2026, onder gelijktijdige intrekking van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2022.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van

29 januari 2026

mr. drs. J.A. de Vries , voorzitter

G.W. Stegenga , griffier

Bijlage 1: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2026

Hoofdstuk 1 Tarieven Persoonsgebonden budget (PGB)

Artikel 1.1 Hoogte PGB maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    De hoogte van een PGB bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. Onder de goedkoopste adequate maatwerkvoorziening wordt ook verstaan (gebruikte) hulpmiddelen die op het moment van de melding beschikbaar zijn bij de daartoe gecontracteerde aanbieder. Het betreft daarbij de maximale kostprijs.

  • 2.

    Het PGB wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het PGB toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering.

  • 3.

    De hoogte van het PGB, bij dienstverlening, wordt voor de professionele aanbieder bepaald op basis van 80% van het tarief voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. Het betreft een all-in tarief.

  • 4.

    De hoogte van het PGB, bij dienstverlening, wordt voor informele hulp bepaald op basis van 50% van het tarief voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura met een maximum van € 20,00. Het betreft een all-in tarief.

  • 5.

    Het PGB wordt door de SVB uitbetaald op basis van declaratie van het aantal geleverde uren, dagdelen of etmalen.

  • 6.

    Het PGB bevat geen vrij besteedbaar deel.

  • 7.

    Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het PGB voor ten hoogste 13 weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als het vermoeden bestaat dat de inwoner het PGB in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

Artikel 1.2 Hoogte PGB vervoersvoorzieningen

  • 1.

    De hoogte van het PGB voor aanschaf van een vervoersvoorziening is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening in natura.

  • 2.

    De goedkoopst adequate vervoersvoorziening blijkt uit een door het college goedgekeurde kostenbegroting, uit een door de gemeente met een gecontracteerde leverancier afgesloten overeenkomst, of de laagst geoffreerde aanschafprijs.

  • 3.

    Indien een PGB voor aanschaf van een vervoersvoorziening wordt verstrekt, kan zo nodig ook een PGB voor onderhoud, service en verzekering (instandhoudingskosten) worden toegekend.

  • 4.

    Het PGB voor onderhoud, service en verzekering wordt eenmalig toegekend gedurende de technische levensduur van de vervoersvoorziening.

  • 5.

    Indien de inwoner het PGB aanwendt voor het huren van een vervoersvoorziening ontvangt hij per kalenderjaar het in het eerste lid genoemde totaalbedrag, gedeeld door het aantal gebruiksjaren. Voor een vervoersvoorziening wordt een economische afschrijvingstermijn van 7 jaren gehanteerd.

  • 6.

    De vervoersvoorzieningen in natura worden in bruikleen verstrekt.

  • 7.

    Vervoersvoorzieningen verstrekt in de vorm van een PGB kunnen worden teruggevraagd bij overlijden van de inwoner, het niet adequaat zijn van de voorziening of indien er geen gebruik meer wordt gemaakt van de voorziening. De restwaarde van de vervoersvoorziening kan worden teruggevraagd en wordt als volgt bepaald:

    • a.

      eerste jaar: 60%;

    • b.

      tweede jaar: 50%;

    • c.

      derde jaar: 40%;

    • d.

      vierde jaar: 30%;

    • e.

      vijfde jaar: 20%;

    • f.

      zesde jaar: 10%;

    • g.

      zevende jaar: 0%.

  • 8.

    De hoogte van het PGB voor onderhoud, service en verzekering wordt bepaald aan de hand van een offerte.

Artikel 1.3 Hoogte PGB voor woonvoorzieningen

  • 1.

    De hoogte van het PGB voor aanschaf van een woonvoorziening is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst adequate woonvoorziening in natura.

  • 2.

    De goedkoopst adequate woonvoorziening blijkt uit door ten minste twee offertes van verschillende leveranciers.

  • 3.

    De vergoeding wordt door de gemeente aan de persoon die de facturen heeft betaald, uitbetaald, na overleg van de gereedmelding en facturen van de gerealiseerde aanpassingen.

  • 4.

    Als de inwoner een bouwkundige woningaanpassing in natura wenst, betaalt de gemeente de facturen aan de aannemer.

  • 5.

    Indien het college een woningaanpassing heeft verstrekt en de inwoner verhuist binnen 10 jaar, nadat de woningaanpassing is verstrekt, dan dient de meerwaarde van de woning door de woningaanpassing – onder verrekening van de voldane eigen bijdrage als bedoeld in artikel 9.1 - te worden terugbetaald aan het college tot maximaal de kostprijs van de woningaanpassing.

  • 6.

    Woonvoorzieningen verstrekt in de vorm van een PGB kunnen worden teruggevraagd bij overlijden van de inwoner, het niet meer adequaat zijn van de voorziening of bij verhuizen van de inwoner. De restwaarde van de woonvoorziening kan worden teruggevraagd en wordt als volgt bepaald:

    • a.

      eerste jaar: 60%;

    • b.

      tweede jaar: 50%;

    • c.

      derde jaar: 40%;

    • d.

      vierde jaar: 30%;

    • e.

      vijfde jaar: 20%;

    • f.

      zesde jaar: 10%;

    • g.

      zevende jaar: 0%.

Artikel 1.4 Hoogte verhuis– en herinrichtingskosten

  • 1.

    Het bedrag voor de verhuiskostenvergoeding bedraagt maximaal € 2.600,00.

  • 2.

    Het bedrag dat als maximum verstrekt wordt bij het bezoekbaar maken bedraagt maximaal € 2.600,00.

  • 3.

    Kosten van tijdelijke huisvesting worden in beginsel vergoed als eenmalig te verstrekken PGB met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de Huurtoeslag tot een periode van maximaal zes maanden.

Artikel 1.5 Autokostenvergoeding

Indien geen gebruik gemaakt kan worden van een van de andere vervoersoplossingen, waaronder de taxi, is een autokostenvergoeding van € 0,23 per kilometer mogelijk. Dit op basis van de vastgestelde vervoersbehoefte.

Hoofdstuk 2 Verantwoording en terugvordering vervoersvoorzieningen

Artikel 2.1 Verantwoording en terugvordering vervoersvoorzieningen

  • 1.

    De inwoner dient binnen 12 maanden na de datum van de toekenningsbeschikking een kopie van het aanschafbewijs (kopie factuur) in te leveren.

  • 2.

    Het PGB voor onderhoud, service en verzekering hoeft niet verantwoord te worden.

  • 3.

    Indien de vervoersvoorziening langer dan 3 maanden niet wordt gebruikt kan het college de toegekende voorziening intrekken of beëindigen.

Hoofdstuk 3 Eigen bijdrage

Artikel 3.1 Eigen bijdrage maatwerkvoorzieningen en vervoersvoorzieningen

  • 1.

    Voor een maatwerkvoorziening is de inwoner de maximale bijdrage in de kosten verschuldigd, zoals bepaald in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 2.

    Een bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening is verschuldigd zolang van deze voorziening gebruik wordt gemaakt of korter, bij een eenmalige PGB of verstrekking, als eerder het bedrag van de kostprijs is bereikt.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op rolstoelen en doventolk.

  • 4.

    Op grond van artikel 2.1.4b, eerste lid, van de wet worden de bijdragen als bedoeld in artikel 2.1.4a van de wet, voor een maatwerkvoorziening of PGB door het CAK vastgesteld en geïnd.

Artikel 3.2 Eigen ritbijdrage taxi

  • 1.

    Het vervoer per taxi van deur tot deur kan tot een straal van maximaal 25 kilometer vanaf het huisadres.

  • 2.

    Er geldt een starttarief en een eigen ritbijdrage welke vanaf 1 januari 2030 jaarlijks vastgesteld/geïndexeerd kan worden (het genoemde starttarief voor vervoer per Wmo-taxi van €1,00 wordt gedurende de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2029 niet geïndexeerd en niet verhoogd).

  • 3.

    Het starttarief en de ritbijdrage worden beschouwd als een besparingsmiddel ten aanzien van de onkosten die anders gemaakt zouden worden vanuit een eigen vervoersmiddel.

  • 4.

    Er wordt een starttarief van € 1,00 per rit gehanteerd.

  • 5.

    De eigen ritbijdrage wordt berekend op basis van het werkelijk aantal gereisde kilometers en bedraagt € 0,24 per kilometer.

  • 6.

    Het starttarief per rit en de eigen ritbijdrage moeten worden voldaan aan de vervoerder.

Artikel 3.4 Eigen bijdrage woonvoorzieningen volwassenen

  • 1.

    Voor een woonvoorziening is de inwoner de maximale bijdrage in de kosten, zoals bepaald in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015, verschuldigd.

  • 2.

    Een bijdrage in de kosten van een woonvoorziening is verschuldigd zolang van deze voorziening gebruik wordt gemaakt of korter, bij een eenmalige PGB of verstrekking, als eerder het bedrag van de kostprijs is bereikt.

Artikel 3.5 Eigen bijdrage woningaanpassingen jeugd

De bijdrage voor een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner is verschuldigd door:

  • a.

    de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen; of

  • b.

    degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een inwoner.

Artikel 3.6 Geen eigen bijdrage

Er wordt geen eigen bijdrage geheven over de kosten genoemd in artikel 2.4 en 2.5.

Artikel 3.7 Lagere eigen bijdrage

Er kan geen of een lagere bijdrage opgelegd worden in de volgende situaties:

  • a.

    indien het college van oordeel is dat er voor de vast te stellen bijdragen (tijdelijk) onvoldoende betalingscapaciteit aanwezig is bij de inwoner;

  • b.

    indien het college van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstelling van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een inwoner die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente;

  • c.

    indien de inwoner of de echtgenoot van de inwoner een bijdrage als bedoeld in artikel 3.11 of 3.12 dan wel een bijdrage ingevolge de artikelen 3.3.2.1 of 3.3.2.2 van het Besluit langdurige zorg verschuldigd is;

  • d.

    indien de inwoner of zijn echtgenoot gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de maand in een instelling voor opvang verblijft;

  • e.

    indien het college, na advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk, de Raad voor de Kinderbescherming of Veilig Thuis, van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage kan leiden tot mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de op- voeding en ontwikkeling van een minderjarige door de ouder, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

  • f.

    voor een inwoner die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, met uitzondering van een woningaanpassing voor zover bij verordening op grond van artikel 2.1.5 van de wet een ander de bijdrage verschuldigd is;

  • g.

    door de gehuwde inwoner of de gehuwde inwoner tezamen, waarvan ten minste een van beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt.

Artikel 3.8 Bepalen kostprijs voorziening

  • 1.

    De kostprijs van een maatwerkvoorziening die in de vorm van een PGB wordt verstrekt, is gelijk aan het bedrag van het PGB.

  • 2.

    De kostprijs van een voorziening die in natura wordt verstrekt is gelijk aan het bedrag dat de gemeente betaalt voor deze voorziening aan de aanbieder die door de gemeente gecontracteerd is.

  • 3.

    Voor hulpmiddelen (woon- en vervoersvoorzieningen) wordt uitgegaan van de kostenopgave van de door de gemeente gecontracteerde leverancier.

Hoofdstuk 4 Beëindigen voorzieningen

Artikel 4.1 Beëindigen voorzieningen

  • 1.

    Bij overlijden van de inwoner wordt de maatwerkvoorziening of het PGB tot de dag van overlijden beëindigd. Een verstrekte vervoers- of woonvoorziening zal door het college worden ingenomen.

  • 2.

    Bij verhuizen van de inwoner naar een andere gemeente wordt de maatwerkvoorziening of het PGB per datum verhuizing in het Basisregistratie Personen (BRP) beëindigd. Een verstrekte vervoers- of woonvoorziening zal door het college worden ingenomen.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 5.1 Evaluatie en indexering

  • 1.

    Het Financieel Besluit wordt jaarlijks geëvalueerd.

  • 2.

    De tarieven worden geïndexeerd op basis van de prijsindex voor de gezinsconsumptie (cpi), waarbij het voorlopige cijfer wordt gebruikt van de maand september van het lopende jaar, gerekend over een periode van de 12 voorafgaande maanden.

  • 3.

    Het bedrag genoemd in artikel 4.3 kan jaarlijks geïndexeerd worden aan de hand van de dan geldende belastingwetgeving.

Artikel 5.2 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen in dit Financieel besluit, indien toepassing daarvan zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 5.3 Citeertitel en inwerkingtreding

Dit Besluit wordt aangehaald als: 'Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2026' en treedt in werking op de dag na publicatie in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 januari 2026.