Verordening bedrijveninvesteringszone gebruikers De Julianabaan Voorburg 2026-2030

Geldend van 18-02-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening bedrijveninvesteringszone gebruikers De Julianabaan Voorburg 2026-2030

De raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg;

  • -

    gelezen het voorstel van 2 september 2025 (ibabs 4301) van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg;

  • -

    gelet op de Wet op de bedrijveninvesteringszones;

  • -

    gezien de uitvoeringsovereenkomst van 2 september 2025 met de Stichting BIZ De Julianabaan Voorburg;

Besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening bedrijveninvesteringszone gebruikers De Julianabaan Voorburg 2026-2030

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaat onder:

  • a.

    bedrijveninvesteringszone (BIZ): het op de als bijlage 1 bij deze verordening behorende gebiedskaart aangewezen gebied in gemeente Leidschendam-Voorburg, waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven;

  • b.

    BIZ-bijdrage: bestemmingsbelasting die op verzoek van gebruikers jaarlijks wordt geheven om met de opbrengst activiteiten te realiseren als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet;

  • c.

    BIZ-subsidie: de op basis van deze verordening en de wet te verlenen subsidie voor de bedrijveninvesteringszone;

  • d.

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg;

  • e.

    perceptiekosten: kosten voor heffing en invordering van de BIZ-bijdragen door gemeente Leidschendam-Voorburg;

  • f.

    uitvoeringsovereenkomst: overeenkomst tussen de gemeente en de Stichting BIZ De Julianabaan Voorburg op 2 september 2025 als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet (bijlage 2);

  • g.

    stichting: Stichting BIZ De Julianabaan Voorburg, als bedoeld in artikel 7 van de Wet;

  • h.

    wet: de Wet op de bedrijveninvesteringszones.

Hoofdstuk II Belastingbepalingen

Artikel 2. Belastbaar feit en aard van de belasting

  • 1. Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt gedurende een periode van maximaal 5 jaar jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de BIZ gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen.

  • 2. De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de BIZ of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de BIZ.

Artikel 3. Voorwerp van de belasting

  • 1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.

  • 2. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 4. Belastingplicht

  • 1. De BIZ-bijdrage wordt geheven van de gebruiker, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht een in de BIZ gelegen onroerende zaak gebruikt;

  • 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven.

Artikel 5. Heffingsgebied

De BIZ-bijdrage wordt geheven van de gebruiker van een onroerende zaak die is gelegen binnen het in bijlage 1 afgebakende BIZ-gebied.

Artikel 6. Maatstaf van heffing

  • 1. De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar 2025 en deze waarde geldt als grondslag voor de BIZ-bijdrage gedurende de gehele looptijd van de verordening.

  • 2. Indien met betrekking tot de onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met toepassing van artikel 7, alsmede met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 7. Vrijstellingen

In afwijking in zoverre van artikel 6 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:

  • a.

    onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

  • b.

    openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;

  • c.

    waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

  • d.

    werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

  • e.

    werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;

  • f.

    onroerende zaken die uitsluitend bestemd zijn voor en in gebruik zijn als straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;

  • g.

    onroerende zaken die uitsluitend bestemd zijn voor en in gebruik zijn als plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht;

  • h.

    onroerende zaken die naast delen die dienen tot woning uitsluitend bestemd zijn voor en in gebruik zijn als begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria;

  • i.

    onroerende zaken die uitsluitend bestemd zijn en in gebruik zijn voor het geven van onderwijs;

  • j.

    Onroerende zaken objecten die vanuit de WOZ-administratie zijn aangemerkt als opslag/distributie;

  • k.

    Onroerende zaken objecten die in aanbouw zijn.

Artikel 8. Tarief BIZ-bijdrage

  • 1. De BIZ-subsidie wordt bepaald op basis van een gedifferentieerd tarief per belastingobject. Het tarief van de BIZ-bijdrage wordt vastgesteld op basis van waardeklassen, zoals opgenomen in de bij dit artikel behorende tabel.

  • 2. Onder de WOZ-waarde wordt verstaan de voor de onroerende zaak vastgestelde waarde van de aanslag in het kalenderjaar 2025 (niet te indexeren).

  • 3. De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd met 5%. Deze indexatie is bedoeld om de stijgende kosten van activiteiten, materialen en dienstverlening op te vangen, en zo de waarde en uitvoerbaarheid van het activiteitenplan over de gehele looptijd van vijf jaar te waarborgen. De jaarlijkse verhoging zorgt voor financiële continuïteit zonder afhankelijk te zijn van incidentele verhogingen of aanvullende fondsen.

  • 4. Het tarief van de BIZ-bijdrage bedraagt:

     

    2026

    2027

    2028

    2029

    2030

    voor de gebruiker, bij een waarde van

     
     
     
     
     

    € 1 t/m € 450.000

    € 1.100

    € 1.155

    € 1.213

    € 1.274

    € 1.338

    € 450.001 t/m € 750.000

    € 2.600

    € 2.730

    € 2.867

    € 3.010

    € 3.161

    meer dan € 750.001

    € 3.500

    € 3.675

    € 3.859

    € 4.052

    € 4.255

Artikel 9. Wijze van heffing

De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven.

Artikel 10. Termijnen van betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 worden de aanslagen betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

  • 2. Indien wordt betaald via automatische incasso, geldt in afwijking van artikel 10, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 dat de aanslag wordt voldaan in zoveel gelijke maandelijkse termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar resteren, met een minimum van drie en een maximum van tien termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na dagtekening van het aanslagbiljet, de volgende telkens één maand later.

  • 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11. Looptijd belastingheffing

De BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van maximaal 5 jaar.

Hoofdstuk III Subsidiebepalingen

Artikel 12. Toepassing algemene subsidieverordening

Op de subsidie op grond van deze verordening is de Algemene Subsidieverordening van de gemeente Leidschendam - Voorburg van toepassing.

Artikel 13. Aanwijzing stichting

De BIZ-bijdrage wordt als subsidie verstrekt aan de bij deze verordening aangewezen Stichting BIZ De Julianabaan Voorburg. De Stichting BIZ De Julianabaan Voorburg wordt aangewezen als de stichting bedoeld in artikel 7 van de Wet, waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht is gesloten, waarin is bepaald dat de activiteiten waarvoor de BIZ-subsidie wordt verstrekt verplicht moeten worden verricht.

Artikel 14. Subsidieverlening

  • 1. De BIZ-subsidie wordt jaarlijks door het college verleend aan de stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst. De BIZ-subsidie wordt verleend op een daartoe gedane aanvraag, die vergezeld moet gaan van de in de uitvoeringsovereenkomst genoemde stukken.

  • 2. De BIZ-subsidie wordt bepaald op de jaarlijks ontvangen BIZ-bijdragen verminderd met de perceptiekosten voor de heffing en invordering van de BIZ-bijdragen zoals opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst. De door de gemeente in mindering te brengen perceptiekosten zijn vastgesteld op 5% per jaar.

Hoofdstuk IV Slotbepalingen

Artikel 15. Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag nadat het college heeft bekendgemaakt dat van voldoende steun als bedoeld in artikel 4 van de wet is gebleken.

  • 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 16. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening bedrijveninvesteringszone gebruikers De Julianabaan Voorburg 2026 - 2030

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de raad van de gemeente Leidschendam – Voorburg, d.d. 4 november 2025

de griffier,

R.G.R. Jeene

de voorzitter,

M.W. Vroom

Bijlage 1. Gebiedskaart BIZ gebruikers De Julianabaan Voorburg 2026–2030

afbeelding binnen de regeling

Toelichting op de Modelverordening bedrijveninvesteringszone

A. Algemeen

1. Inleiding

Van 2009 tot en met 2011 maakte de Experimentenwet bedrijveninvesteringszones het mogelijk dat ondernemers gezamenlijk investeren in een veilige en aantrekkelijke bedrijfsomgeving, waarbij alle ondernemers meebetalen. Het instrument hiervoor was een gebiedsgerichte heffing die door de gemeente op verzoek van een (nader bepaalde) meerderheid van de ondernemers kon worden ingesteld. Uit de evaluatie van deze experimentenwet is naar voren gekomen dat het opnieuw en permanent beschikbaar stellen van deze faciliteit gewenst was. Om die reden is 1 januari 2015 de Wet op de bedrijveninvesteringszones (Wet BIZ; Kamerstukken 33 917) in werking getreden (Stb. 2014, 506 en 507).

2. Doel van de Wet BIZ

Zowel ondernemers als gemeenten hebben belang bij investeringen in de bedrijfsomgeving. Voor het bedrijfsleven is de kwaliteit en veiligheid van de bedrijfsomgeving een belangrijke factor voor de aantrekkelijkheid van een onderneming voor klanten. Voor de lokale overheid is een veilige en leefbare openbare ruimte van belang om bedrijven (werkgelegenheid) en bezoekers aan te trekken. Een leefbare bedrijfsomgeving heeft invloed op de leefbaarheid van het omliggende gebied; burgers willen een veilige en leefbare omgeving om in te werken, te wonen en te winkelen. Het collectieve belang van de ondernemers valt op deze punten samen met het algemene belang van een kwalitatief hoogwaardige bedrijfsomgeving. Gezamenlijke investeringen liggen voor de hand omdat dit synergievoordelen oplevert en het effect van de investeringen groter wordt.

Gemeenten hebben met de Wet BIZ de bevoegdheid om een gebied aan te wijzen (de bedrijveninvesteringszone (BIZ)) waarbinnen een bestemmingsbelasting (de BIZ-bijdrage) mag worden geheven ter financiering van door een meerderheid van de bijdrageplichtigen gewenste extra voorzieningen. De voorzieningen dienen zowel het gezamenlijk belang van de ondernemers als het algemeen belang. De BIZ kan echter niet worden ingezet voor de financiering van concrete verantwoordelijkheden die de wetgeving exclusief aan de gemeente opdraagt. De BIZ is alleen bedoeld om een hogere kwaliteit aan voorzieningen tot stand te brengen die de gemeente op grond van een optimale verdeling van de beschikbare middelen zelf niet kan en hoeft te realiseren.

Hoewel de Wet BIZ evenals de Experimentenwet BIZ vooral bedoeld is om ondernemers te faciliteren, is de wettelijke opzet ruimer. Door de gekozen begrippen zijn alle gebruikers en/of eigenaren van niet-woningen in de bedrijveninvesteringszone onderworpen aan de BIZ-bijdrage. Naast ondernemers die commerciële activiteiten verrichten, kunnen dat ook maatschappelijke organisaties zonder winstoogmerk zijn zoals club- en buurthuizen, sportverenigingen, culturele instellingen, kerken of overheidsinstellingen. Ondanks deze nuancering zal hierna kortweg steeds over ondernemers worden gesproken.

3. Stappenplan

In de kern komt de opzet van de Wet BIZ erop neer dat de gemeente haar exclusieve recht om belastingen te heffen, inzet om initiatieven van een groep ondernemers te financieren. Om die reden is de Wet BIZ gebouwd op een groot aantal waarborgen tussen initiatief en uitvoering. Na een informele fase waarin eerst de ondernemers onderling en vervolgens met de gemeente de mogelijkheden voor een bedrijveninvesteringszone verkennen, volgt de formele fase die bestaat uit (1) de oprichting van een BIZ-organisatie, (2) de subsidieverlening onder vaststelling van een uitvoeringsovereenkomst (3) het vaststellen van een verordening (4) een draagvlakmeting en (5) inwerkingtreding van de verordening. Deze opzet leidt tot het volgende stappenplan.

Stap 1 - Ondernemersinitiatief

De bedrijveninvesteringszone is er voor en door ondernemers. Het is dus aan de ondernemers in een bepaald gebied om met elkaar te bekijken of zij in hun gebied activiteiten willen uitvoeren om de aantrekkelijkheid en veiligheid van dat gebied te verbeteren. De wetgever gaat ervan uit dat de initiatiefnemers de animo voor hun plannen bij de overige ondernemers in het gebied toetsen en vervolgens in onderling overleg de plannen uitwerken in een projectplan. Overigens bleek tijdens de experimentenwet dat ondernemers voor raad en advies vaak ook terechtkonden bij adviseurs van de Kamer van Koophandel en gemeentelijke gebiedsmanagers.

Aandachtspunten bij een projectplan zijn:

  • -

    Wat willen de ondernemers bereiken met de BIZ?

  • -

    Welke activiteiten willen zij daartoe gaan ontplooien?

  • -

    In welke periode willen zij dat bereiken (maximaal 5 jaar)?

  • -

    Wat zijn de kosten?

  • -

    Hoe moeten deze kosten worden verdeeld?

  • -

    Hoe groot is het gebied van de bedrijveninvesteringszone en hoe wordt de zone afgebakend?

  • -

    Hoe wordt de organisatie geregeld?

Maar ook:

  • -

    Wat gaat er gebeuren als er te weinig geld is, of juist te veel geld?

  • -

    Wat gebeurt er als een bedrijveninvesteringszone tussentijds wordt opgeheven?

De ervaring leert dat stap 1 een van de allerbelangrijkste fases is die tijd kost omdat de ondernemers onderling draagvlak voor de plannen moeten creëren.

Stap 2 - Overleg met gemeente

Zodra de initiatiefnemers een goed beeld hebben van de wensen en de mogelijke uitvoering ervan, start het overleg met de gemeente. De ondernemers en de gemeente bekijken samen de plannen. Passen de plannen wel binnen de kaders van de wet? In hoeverre voert de gemeente de activiteiten al uit? Is de gemeente bereid een deel extra bij te dragen?

Stap 1 en stap 2 lopen door elkaar heen. Eerst moeten ondernemers een goed beeld hebben van wat zij willen. Maar door in een vroeg stadium al met de gemeente te overleggen kunnen de ondernemers sneller tot een concreet eindplan komen en kunnen eventuele teleurstellingen worden voorkomen.

Stap 3 - Oprichten BIZ-organisatie

Als duidelijk is dat bij de ondernemers een breed draagvlak is voor hun plan en de gemeente bereidheid heeft getoond hieraan mee te werken, richten de ondernemers een vereniging of stichting op die de bedrijveninvesteringszone gaat uitvoeren. Artikel 7 Wet BIZ stelt speciale eisen aan de inhoud van de statuten van deze BIZ-organisatie. Zo mag de BIZ-organisatie zich alleen bezighouden met de uitvoering van de BIZ-activiteiten. Als de BIZ-organisatie een vereniging is, moeten daarnaast de betrokken ondernemers tegen betaling van een kleine contributie lid kunnen worden van die vereniging. Bij een stichting moeten de betrokken ondernemers in voldoende mate bij het bestuur betrokken zijn.

Stap 4 – Subsidieverlening en uitvoeringsovereenkomst

Voordat de gemeenteraad de BIZ-verordening vaststelt, moet het college met de BIZ-organisatie in het kader van de subsidieverlening een zogenoemde uitvoeringsovereenkomst hebben gesloten. Deze overeenkomst bevat de afspraken tussen de ondernemers en de gemeente. De meeste zaken kunnen direct overgenomen worden van het projectplan, zoals de doelstelling van BIZ, het tijdpad en dergelijke. Daarnaast kunnen afspraken worden vastgelegd over een eventuele extra subsidie van de gemeente, en over de verdeling van de perceptiekosten die de gemeente in rekening kan brengen.

Uit de Wet BIZ (en titel 4.2 van de Awb) kan worden opgemaakt dat de uitvoeringsovereenkomst in ieder geval het volgende moet regelen:

  • -

    de activiteiten die de BIZ-organisatie gaat uitvoeren gedurende de verschillende jaren van de BIZ;

  • -

    het minimale niveau van dienstverlening van de gemeente voor de periode van de BIZ-bijdrage (de zogenoemde service level agreement (SLA));

  • -

    de verplichting dat de BIZ-organisatie de activiteiten verricht waarvoor de subsidie wordt verstrekt;- het bepalen van het maximale (voorlopige) subsidiebedrag (bijvoorbeeld op basis van geraamde inkomsten en perceptiekosten) en daarbij regels op te nemen over de verrekening van meer- of minderopbrengsten;

  • -

    de (eventuele) wijze van bevoorschotting.

Stap 5 - BIZ-verordening

De gemeenteraad kan de BIZ-verordening vaststellen nadat de initiatieven voldoende zijn uitgewerkt en de afspraken zijn vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomst. De BIZ-verordening is tweeledig. Enerzijds regelt de verordening de noodzakelijke voorwaarden om de BIZ-bijdrage te kunnen heffen en invorderen. Anderzijds regelt de BIZ-verordening dat de belastingopbrengst als subsidie zal worden verstrekt aan de BIZ-organisatie.

Stap 6 - Draagvlakmeting

Als de gemeenteraad instemt met de BIZ-verordening kan de verordening pas in werking treden nadat een draagvlakmeting is gehouden. Uit de draagvlakmeting moet blijken of de bedrijveninvesteringszone op voldoende steun onder de ondernemers in het gebied kan rekenen. Van voldoende steun is sprake als aan de volgende vereisten is voldaan:

  • -

    De respons bij de draagvlakmeting is minimaal 50%.

  • -

    Van de respondenten is minimaal 2/3 voor.

  • -

    En bij een tarief afhankelijk van de WOZ-waarde: de voorstemmers vertegenwoordigen meer WOZ-waarde dan de tegenstemmers.

Als zowel eigenaren als gebruikers de BIZ-bijdrage moeten gaan betalen, vindt de hiervoor beschreven toets plaats voor alle belanghebbenden gezamenlijk. Aanvullend daarop moet er ook onder de eigenaren en onder de gebruikers voldoende draagvlak zijn. Dit zal moeten blijken uit de volgende aanvullende vereisten:

  • -

    De respons van de betrokken eigenaren bij de draagvlakmeting is minimaal 50%.

  • -

    De respons van de betrokken gebruikers bij de draagvlakmeting is minimaal 50%.

  • -

    Van de responderende eigenaren heeft ten minste 50% zich voor inwerkingtreding uitgesproken.

  • -

    Van de responderende gebruikers heeft ten minste 50% zich voor inwerkingtreding uitgesproken.

Zodra de gemeenteraad de BIZ-verordening heeft vastgesteld, organiseert de gemeente de draagvlakmeting. Deze wordt dus georganiseerd in de loop van het jaar (en niet op 1 januari). De draagvlakmeting vindt plaats onder de potentiële belastingplichtigen ten tijde van die draagvlakmeting. Dit vereiste brengt met zich dat de gemeente niet een-op-een de bestanden van de aanslagregeling in het jaar van de draagvlakmeting kan volgen, maar op zijn minst moet nagaan welke mutaties er hebben plaatsgevonden tot aan de draagvlakmeting.

Het college is verantwoordelijk voor de draagvlakmeting en moet ervoor zorgen dat alle bijdrageplichtigen zijn geïnformeerd over de strekking van de verordening. Daarnaast moet het college waarborgen dat de schriftelijke draagvlakmeting vertrouwelijk plaatsvindt. Omdat het college verantwoordelijk is voor de draagvlakmeting, zal hij ook de uitslag moeten vaststellen. Naast een (verkorte) weergave van de uitslag, kan dit collegebesluit ook de beslissing inhouden dat de verordening zal worden gepubliceerd op de daarvoor gebruikelijke wijze. Het collegebesluit over de vaststelling van de uitslag zal op grond van artikel 139 Gemeentewet bekend moeten worden gemaakt.

De eis van voldoende draagvlak staat los van de gebruikelijke regels voor de bekendmaking van de verordening. Zo moet de verordening worden opgenomen in de daartoe bestemde digitale registers en op internet raadpleegbaar zijn.

Stap 7 - Heffing, subsidie en uitvoering

Nadat de verordening in werking is getreden, kan de bedrijveninvesteringszone van start gaan. De gemeente zal zorgdragen voor de heffing en invordering van de BIZ-bijdrage en afdoening van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. De BIZ-organisatie zal de activiteiten uitvoeren en zorgdragen voor de verantwoording van de inkomsten en uitgaven.

Op afgesproken momenten (meestal jaarlijks) controleert de gemeente of de BIZ-organisatie nog steeds aan de subsidievoorwaarden voldoet. Dit zal het geval zijn als ondernemers hun afgesproken plan uitvoeren.

Stap 8 - Einde bedrijveninvesteringszone

De bedrijveninvesteringszone kan op twee manieren eindigen.

  • 1.

    De bedrijveninvesteringszone eindigt doordat de looptijd van de BIZ-verordening eindigt.

  • 2.

    De bedrijveninvesteringszone eindigt voortijdig omdat gaande weg het draagvlak wegvalt. Ondernemers kunnen tussentijds verzoeken om een hernieuwde draagvlakmeting met als doel de opheffing van de BIZ. Dit verzoek moet door minimaal 20% van de ondernemers worden ondersteund en kan pas na een jaar na de vorige draagvlakmeting worden ingediend. In afwijking van de voorwaarden bij eerste draagvlakmeting hoeft niet 2/3 maar 50% voor voortzetting van de draagvlakmeting te zijn.

4. Aandachtspunten gemeenteraad

De vaststelling van de bedrijveninvesteringszone door de gemeenteraad is een belangrijk moment bij de totstandkoming van de BIZ. Het is goed om te benadrukken dat de gemeenteraad een autonome positie heeft om de bedrijveninvesteringszone in te voeren. De gemeenteraad heeft dan ook de vrijheid om af te zien van het vaststellen van de verordening, of deze op punten anders in te richten. Het is aan de gemeenteraad om te besluiten dat zij het exclusieve recht om belastingen te heffen wil inzetten voor een groep ondernemers.

Naast de aandachtspunten die uit de Wet BIZ voortvloeien, is bij de parlementaire behandeling van de wet ook een aantal aandachtspunten meegegeven aan de gemeenteraad. Met het oog op een eventuele rechterlijke toetsing van de bedrijveninvesteringszone tijdens een beroepsprocedure tegen de BIZ-bijdrage, is het goed om deze aandachtspunten in de besluitvorming te betrekken. Dat kan door er aandacht aan te schenken in de begeleidende stukken. Het gaat hierbij om de volgende aandachtspunten:

  • -

    Statuten BIZ-organisatie: De gemeenteraad zal zich ervan moeten overtuigen dat de aan te wijzen BIZ-organisatie voldoet aan de wettelijke eisen van artikel 7, tweede lid, Wet BIZ. In het bijzonder vraagt de (beperkte) statutaire doelstelling en de samenstelling van het bestuur aandacht.

  • -

    Uitvoeringsovereenkomst: Deze overeenkomst moet de verplichting bevatten dat de activiteiten waarvoor de BIZ-subsidie wordt verstrekt ook daadwerkelijk worden uitgevoerd (de afdwingverplichting). Daarnaast is van belang dat de uitvoeringsovereenkomst alleen van toepassing is als de verordening uiteindelijk ook daadwerkelijk in werking treedt.

  • -

    Activiteiten: De gemeenteraad kan het initiatief van de ondernemers niet klakkeloos overnemen omdat de gemeenteraad dient te waken tegen instelling van een bedrijveninvesteringszone die leidt tot willekeurige of onredelijke belastingheffing. De gemeenteraad zal daarom elementen als tariefstelling, de verdeling van de lasten, de wijze waarop de grens van de bedrijveninvesteringszone is getrokken en het soort activiteiten zorgvuldig en in het licht van het algemeen belang moeten bezien. Wat de activiteiten betreft zal de gemeenteraad kenbaar moeten aangeven in hoeverre de afgesproken concrete activiteiten aansluiten op het abstracte begrip “activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone”. Zie over de mogelijke activiteiten ook de toelichting op artikel 2, tweede lid, modelverordening.

  • -

    Vastlegging basisserviceniveau: Op grond van artikel 7, vijfde lid, Wet BIZ moeten gemeenteraad en de BIZ-organisatie schriftelijke afspraken maken over het minimale niveau van de gemeentelijke dienstverlening voor de periode dat de BIZ-bijdrage wordt geheven. Uit de toelichting op de Wet BIZ (en de daaraan voorafgaande Experimentenwet waarin dezelfde bepaling was opgenomen) blijkt dat deze afspraken in de uitvoeringsovereenkomst kunnen worden vastgelegd (zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2007–2008, 31430, nr. 3, pag. 11). Omdat het college de uitvoeringsovereenkomst aangaat, is het kennelijk de bedoeling van de wetgever dat het college deze afspraken maakt. Met het vaststellen van de verordening bekrachtigt de gemeenteraad als het ware deze afspraken (zie aanhef en artikel 15, eerste lid). Ook is het raadzaam om in de uitvoeringsovereenkomst een bepaling op te nemen die de invloed op het afgesproken basisserviceniveau regelt van latere ingrijpende aanpassingen in de algemene gemeentelijke dienstverlening en activiteiten. Het basisserviceniveau geldt immers voor de looptijd van de BIZ-bijdrage (maximaal 5 jaar) en in die periode kunnen de (financiële) omstandigheden van de gemeente aanzienlijk wijzigen.

  • -

    Staatssteun: Door de systematiek van de bedrijveninvesteringszones kan volgens de wetgever de subsidie van de gemeente aan de BIZ-organisatie geen staatssteun zijn. Maar dat de subsidie van de gemeente aan de BIZ-organisatie niet leidt tot staatssteun laat onverlet dat gemeenten wel moeten nagaan in hoeverre het gerechtvaardigd is dat de perceptiekosten eventueel niet in mindering op de ontvangen BIZ-bijdragen wordt gebracht. Ook moeten gemeenten zich bewust zijn van staatssteunaspecten bij eventuele aanvullende bijdragen aan bedrijveninvesteringszones uit de algemene middelen.

5. Wettelijke basis

De modelverordening bedrijveninvesteringszone is gebaseerd op de Wet BIZ. Omdat aan het vaststellen van de verordening een aantal stappen voorafgaat, waaronder het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst waarin een afdwingverplichting is opgenomen, moet de raad ook kennis hebben genomen van deze overeenkomst. Dit is in de aanhef tot uitdrukking gebracht.

Gekozen is voor een zogenaamd ‘aangekleed model’, dat wil zeggen dat de tekst van hogere wettelijke regelingen, waar nodig voor de duidelijkheid, is overgenomen. Bij deze keuze speelt mee dat de gemeenteraad moet laten zien dat hij bij de invoering van de belasting alle essentiële elementen in ogenschouw heeft genomen. De meest voor de hand liggende manier waarop de gemeenteraad dat kan laten zien, is de tekst van de verordening. Die is immers bedoeld om de belastingschuldigen de omvang van de belastingschuld kenbaar te maken alsook de omstandigheden waaronder.

De wetgever heeft uit doelmatigheidsoverwegingen ervoor gekozen om voor de heffing zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bepalingen voor de onroerendezaakbelastingen in de Gemeentewet. Daardoor zijn naast de bepalingen in de Wet BIZ ook de artikelen 220a, 220b, eerste lid, 220d, 220e en 220h van de Gemeentewet voor de vormgeving van de modelverordening van belang.

6. Nadere regels, uitvoeringsregels en beleidsregels

Een toelichting op het vaststellen van nadere regels, uitvoeringsregels en beleidsregels is opgenomen in de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Nadere regels, uitvoeringsregels en beleidsregels.