Participatieplan Omgevingsplan gemeente Alkmaar

Geldend van 17-02-2026 t/m heden

Intitulé

Participatieplan Omgevingsplan gemeente Alkmaar

Bekendmaking op grond van artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.

Burgemeester en wethouders van Alkmaar hebben op 20 januari 2026 besloten in te stemmen met het Participatieplan Omgevingsplan. Ook wordt medegedeeld dat een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Alkmaar wordt voorbereid.

Participatie verplicht onderdeel van kennisgeving

Participatie is een verplicht onderdeel van het proces om tot het nieuwe Omgevingsplan te komen. Op grond van artikel 16.29 Omgevingswet en artikel 10.2 Omgevingsbesluit moet van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen kennis worden gegeven in het Gemeenteblad. Bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.

Participatieplan Omgevingsplan

Voor de gehele transitie van de oude bestemmingsplannen naar het nieuwe Omgevingsplan, is een participatieplan opgesteld, het Participatieplan Omgevingsplan. In dit plan is omschreven op welke manier de Alkmaarse inwoners, ondernemers en organisaties worden betrokken bij het transitieproces van oude bestemmingsplannen naar het nieuwe Omgevingsplan.

Het Participatieplan Omgevingsplan biedt ruimte om per gebied maatwerk toe te passen bij onder meer de vorm die aan de participatie wordt gegeven. Hierbij kan gedacht worden aan fysieke bijeenkomsten in de dorpen en digitale middelen voor sommige stadswijken.

Participatieplan Omgevingsplan voldoet aan de kaders van de raad

Bij het opstellen van het Participatieplan zijn de door de raad vastgestelde visie op participatie “Alkmaar maken we samen” (november 2024) en de Verordening participatie gemeente Alkmaar (januari 2025) betrokken. In het Participatieplan is gewerkt met de uitgangspunten uit de visie en is onderbouwd voor welke mate van invloed wordt gekozen.

Beroep

Op grond van art. 8:3, eerste lid onder a Awb staat tegen dit besluit geen beroep open.

Participatieplan Omgevingsplan gemeente Alkmaar

Inleiding

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Deze wet en de daaraan verbonden regelgeving (Amvb’s en ministeriële regelingen) bundelen diverse wetten en regels op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu. Als gevolg van de Omgevingswet zijn alle bestaande bestemmingsplannen, samen met lokale ruimtelijke verordeningen en een set voormalige rijksregels, terechtgekomen in één gemeentelijk omgevingsplan. Dit is het zogeheten tijdelijk omgevingsplan. Gemeenten zijn nu aan zet om uiterlijk in 2032 dit tijdelijk omgevingsplan om te bouwen naar een nieuw Omgevingsplan, voor Alkmaar wordt dit het “Omgevingsplan gemeente Alkmaar”. Voor het leesgemak wordt in dit participatieplan gesproken van “Omgevingsplan.”

Het bestuurlijk uitgangspunt voor het Omgevingsplan is een beleidsneutrale omzetting: bestaande rechten worden gerespecteerd en uitsluitend beleid dat in de afgelopen jaren is vastgesteld, wordt verwerkt in het Omgevingsplan. Het Omgevingsplan maakt voor de bestaande stad en de bestaande dorpen dan ook geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Losse initiatieven, die vooral worden verwacht binnen de transformatiegebieden Alkmaars Kanaal en de stationsgebieden, volgen een eigen procedure en worden via een van de wijzigingsbesluiten voor het Omgevingsplan, toegevoegd aan het Omgevingsplan. Alle initiatieven worden uiteindelijk aan het Omgevingsplan toegevoegd, de transformatie-gebieden Alkmaars Kanaal en de stationsgebieden als laatste, om zoveel mogelijk initiatieven in die gebieden in de komende jaren de kans te bieden de eigen juridische procedure te volgen.

Participatie in Alkmaar

De Omgevingswet kent een belangrijke plek toe aan participatie: dit dient vroegtijdig in het proces plaats te vinden. Dit participatieplan beschrijft op welke manier de inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners en bestuurlijke ketenpartners van de gemeente Alkmaar worden betrokken bij de omzetting van het tijdelijk Omgevingsplan.

Participatie past zich aan de verschillende fasen van het proces aan en kan dus in verschillende vormen worden uitgevoerd. De nieuwe participatievisie “Alkmaar maken we samen”, is als onderlegger voor het onderhavige participatieplan gebruikt. Dit is onder meer te herkennen in de toepassing van de betrokkenheidstrap en het vinden van de juiste vorm van participatie voor het gehele project.

afbeelding binnen de regeling

In de participatievisie is daarnaast aangegeven dat binnen de participatie drie manieren van invloed zijn te onderscheiden:

afbeelding binnen de regeling

Hierna worden deze uitgangspunten toegepast op de transitie van het Omgevingsplan.

Uitgangspunten voor de participatie

In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten voor de participatie voor het Omgevingsplan besproken. De uitgangspunten worden in de hoofdstukken hierna vertaald in meer concrete uitvoeringsplannen.

Beleidsneutrale omzetting

Zoals in het vorige hoofdstuk al is aangegeven, wordt de omzetting van tijdelijk naar definitief Omgevingsplan beleidsneutraal uitgevoerd. Concreet betekent dit dat het Omgevingsplan in de kern geen veranderingen gaat brengen in de bestaande mogelijkheden, rechten en plichten: woongebieden blijven woongebieden, groen blijft groen en werkgebieden blijven werkgebieden. Eventuele aanpassingen van het beleid of plannen die in afwijking van het bestemmingsplan zijn vergund, worden waar nodig meegenomen in het Omgevingsplan. Daarover heeft immers al besluitvorming met bijbehorende participatie plaatsgevonden. Alle besluitvorming vindt plaats aan de hand van een integrale belangenafweging.

De omzetting vindt gebiedsgewijs plaats: de gemeente is in een aantal deelgebieden ingedeeld. Elk jaar wordt de procedure voor enkele deelgebieden gestart en doorlopen. De onderverdeling in deelgebieden is weergegeven op onderstaande afbeelding (een grotere versie is als bijlage opgenomen):

afbeelding binnen de regeling

Op bovenstaande afbeelding is te zien dat het Alkmaars Kanaal en de stationsgebieden niet in een deelgebied zijn ondergebracht. Omdat in deze gebieden diverse ontwikkelingen zijn voorzien en deels ten tijde van het opstellen van dit plan in procedure zijn, is ervoor gekozen deze gebieden als laatst op te nemen in het Omgevingsplan. Voor die gebieden geldt dan dat het beleidsuitgangspunt “neutraal” inhoud: in lijn met de stand van zaken van dat moment. Concreet betekent dit dat in deze gebieden een menging van de huidige activiteiten met de nieuwe ontwikkelingen wordt vastgelegd.

Volgorde omzetting

Voor de gebiedsgewijze transitie wordt de volgende volgorde aangehouden:

  • deelgebieden 2 (Koedijk/Daalmeer/Vroonermeer Noord) en 14 (Driehuizen/Grootschermer/Driehuizen/Eilandspolder en omliggend gebied);

  • deelgebieden 4 en 10 (Beverkoog en Boekelermeer);

  • deelgebieden 7 (Centrum), 8 (Oudorp woongebied) en 9 (Overdie woongebied);

  • deelgebieden 3 (De Mare/Huiswaard/Vroonermeer Zuid), 5 (Bergermeer/De Hoef) en 6 (Kooimeer/Zuid/De Hout);

  • deelgebieden 11 (Oterleek/Schermerhorn en omliggend gebied, 12 (Stompetoren en omliggend gebied), 13 (Zuidschermer en omliggend gebied) en 16 (Markenbinnen/Starnmeer en omliggend gebied);

  • deelgebieden 1 (Westrand/Olympiapark) en 15 (West-Graftdijk/Oost-Graftdijk/Graft/De Rijp/De Volger en omliggend gebied).

Voor deze volgorde is om een aantal redenen gekozen. In de eerste twee deelgebieden komen, met uitzondering van de centrumactiviteiten, alle elders in de gemeente voorkomende activiteiten en gebiedstypen voor. Deze combinatie zorgt daardoor voor een representatieve kennismaking met het Omgevingsplan, van voorbereiding tot en met besluitvorming. Mede om deze reden worden deze deelgebieden gevolgd door de bedrijventerreinen Beverkoog en Boekelermeer. De andere reden om deze bedrijventerreinen vroeg in het gehele transitieproces om te zetten, is gelegen in een aantal milieuregels waaruit volgt dat bepaalde zaken voor 2028 moeten zijn vastgelegd.

De volgorde van de overige gebieden hangt deels samen met de mate van complexiteit: de grote diversiteit aan activiteiten en aandachtsgebieden in en om het centrum vraagt een grotere voorbereidings- en verwerkingstijd dan relatief overzichtelijke gebieden als Zuidschermer en Stompetoren. Ook spelen in de laatste deelgebieden nog enkele ontwikkelingen die naar verwachting over enkele jaren zijn afgerond (onder meer Van der Valk in de Westrand en de herontwikkeling van locatie Baanbreker in Graft).

Manieren van invloed en betrokkenheid

Op basis van het uitgangspunt dat de transitie van het Omgevingsplan beleidsneutraal wordt uitgevoerd, kan worden vastgesteld dat participatie niet wordt ingezet voor het ontwikkelen van nieuwe inhoud, maar voor het informeren van alle betrokken, het bieden van transparante mogelijkheden om de feitelijke juistheid van het Omgevingsplan te controleren en voor het signaleren van onduidelijke of niet-werkende regels.

Gezien het feit dat het Omgevingsplan niet de insteek heeft om nieuwe ontwikkelingen toe te staan, is de impact van het Omgevingsplan op de bestaande leefomgeving beperkt: voor de inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners verandert er in de kern niets in de fysieke leefomgeving. Er hoeft niets nieuws te worden bedacht en er hoeft niet over een nieuwe ontwikkeling te worden besloten. Het ligt daarom niet voor de hand om betrokkenen te laten meebeslissen: er is al eerder een beslissing genomen en bij het voorbereiden van die beslissing, is al geparticipeerd.

Bij meedoen wordt in het algemeen ervan uitgegaan dat eventuele ideeën vanuit de omgeving worden overgenomen. Dat verdraagt zich niet met het uitgangspunt om beleidsneutraal te werken: dat veronderstelt dat volgens geldend beleid wordt omgezet.

Tot slot resteert nog de optie meedenken. Deze optie is de optie die het beste past bij het omzetten van de bestaande regels in het Omgevingsplan: alle betrokkenen worden meegenomen in wat precies de bedoeling is, zij krijgen de mogelijkheid om te controleren of alle informatie juist is onderzocht en verwerkt en kunnen eventuele fouten laten corrigeren. Daarmee is de keuze voor het niveau participatie vastgelegd op meedenken.

Wil de participatie succesvol zijn, dan is het nodig om voldoende betrokken inwoners en organisaties te laten deelnemen. Voor de individuele betrokkenheid zijn in dat geval ten minste betrokken en liefst zeer betrokken inwoners/ondernemers nodig. Voor de maatschappelijke betrokkenheid zijn deelnemers uit trede, dus van een beetje betrokken tot zeer betrokken, nodig om succesvol te kunnen participeren.

Doelen van de participatie

In dit hoofdstuk wordt besproken welke doelen met de participatie rondom het Omgevingsplan worden nagestreefd. Deze doelbepaling is mede van belang bij het maken van de juiste keuzes voor het participatieproces als geheel en het maken van toegesneden keuzes op deelgebied niveau.

Algemeen

In het algemeen kan worden vastgesteld dat ontwikkelingen in bestaand gebied als ingrijpend op de leefomgeving worden ervaren. Voor het verkrijgen van draagvlak, in de vorm van acceptatie, begrip en betrokkenheid, is participatie daarom een noodzakelijke en stevige inspanning. Ook in situaties waarin geen sprake is van een nieuwe ontwikkeling, maar juist de bestaande situatie wordt herbevestigd, zoals bij het Omgevingsplan het geval is, is het niet altijd eenvoudig om alle neuzen dezelfde kant op krijgen. De ervaring leert dat er altijd inwoners of ondernemers zijn die toch proberen een ontwikkeling of mogelijkheid te realiseren en de participatie aangrijpen om daarvoor (opnieuw) aandacht te vragen, ook als duidelijk is dat ontwikkelingen eerst een eigen procedure moeten doorlopen.

De omzetting van het Omgevingsplan is daarnaast een lang en complex proces. Dat vraagt om een zorgvuldige communicatie met alle betrokkenen binnen alle deelgebieden, zodat iedereen zo goed mogelijk is geïnformeerd, op de hoogte is van de noodzaak van de omzetting en weet wat er binnen de beleidsneutrale omzetting wel en niet mogelijk is. Met name dit laatste, kort vertaald als “niet alles kan en mag”, leidt in de praktijk nogal eens tot discussie en onbegrip. Juist door vroegtijdig in het gesprek te laten zien wat er wel kan en mag en welke gevolgen er buiten het directe blikveld kunnen optreden, ontstaat er meer begrip voor de voorgestelde keuzes.

Concrete doelen

Hiervoor is al aangegeven dat de invloed binnen het participatieproces, kan worden bereikt via meedoen en meedenken. De keuze hiervoor hangt samen met het feit dat er geen nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt, maar alleen de bestaande situatie wordt herbevestigd. Het belangrijkste doel van de participatie is dan ook niet om voldoende draagvlak voor een verandering in de leefomgeving te creëren. Wel worden de volgende doelen nagestreefd.

Ten eerste is het doel van de participatie om de inwoners, ondernemers en maatschappelijk partners bij het Omgevingsplan als zodanig en in het verlengde daarvan, de Omgevingswet met bijbehorende regelgeving, te betrekken. Dit is immers nieuw voor de meeste betrokkenen en eventuele beeldvorming erover kan sterk zijn gekleurd door bijvoorbeeld de berichtgeving over het herhaaldelijke uitstel van de wet en de technische problemen rondom het DSO. Het is dan zaak om eerst duidelijkheid te geven over wet- en regelgeving en het Omgevingsplan.

Het tweede doel van de participatie is om alle betrokkenen duidelijkheid en zekerheid te geven over de beleidsneutrale omzetting: het Omgevingsplan is niet bedoeld om bestaande rechten en plichten aan te tasten en is niet bedoeld om “via een achterdeur” ontwikkelingen mogelijk te maken. De ervaring leert dat er bij participatie in het ruimtelijk domein soms de nodige achterdocht is als “de gemeente de inwoners uitnodigt voor participatie.” Met dit doel wordt ingezet op het bereiken van het tegendeel: het versterken van het vertrouwen tussen betrokkenen en de gemeente.

Het derde doel is het verkrijgen van een duidelijker beeld van de feitelijke situatie in het gebied. Hoewel de gemeente in de voorbereiding zorgvuldig het nodige onderzoek uitvoert en daarmee tot een goede nulmeting komt, is het niet uitgesloten dat niet alle feiten direct duidelijk in beeld zijn. Goede input van betrokken inwoners en/of ondernemers helpt dan om aan de hand van de laatste details tot een volledig beeld te komen. Het kan dan gaan om relatief kleine zaken als een stukje sloot dat is gedempt of een uitbouw die nog niet was ingetekend, maar ook om meer in het oog springende situaties, zoals een beroep aan huis of een gewijzigde activiteit in een bepaald gebouw. De participatie krijgt daardoor ook een controlefunctie.

Het vierde doel is om alle betrokkenen de kans te bieden mee te denken met eventuele kansen voor het gebied. Zoals hiervoor al aangegeven, kan het zijn dat er onduidelijke of ongewenste situaties zijn. In het Omgevingsplan kunnen die situaties mogelijk worden opgelost, voor zover dat past binnen de beleidskaders, dan wel wanneer hiervoor politiek-bestuurlijk draagvlak is.

Samengevat zijn er vier concrete doelen voor de participatie:

  • het meenemen van alle betrokkenen bij de Omgevingswet en het Omgevingsplan;

  • het bieden van zekerheid en herbevestiging van de bestaande rechten en de bestaande situatie;

  • het mogelijk maken van een juist en volledig beeld van de situatie ter plaatse;

  • het in beeld brengen van kansen voor verbetering van de leefomgeving.

Betrokkenen bij de participatie

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de diverse betrokkenen bij de participatie en op hun precieze rol. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen externe betrokkenen (inwoners, ondernemers) en interne betrokkenen (organen en medewerkers binnen de gemeentelijke organisatie). De belangen tussen beide groepen betrokkenen kunnen immers uiteenlopen. Ook hebben niet alle betrokkenen dezelfde rollen in het participatieproces.

Externe betrokkenen

In dit participatieplan worden de volgende externe betrokkenen onderscheiden.

Ten eerste zijn er de inwoners van de deelgebieden. Zij zijn, samen met de ondernemers in het betreffende deelgebied, degenen die direct belang hebben bij de fysieke leefomgeving in het deelgebied. Zij worden door de gemeente meegenomen in het proces en kunnen bij de participatie al hun vragen stellen. Verder hebben de inwoners een adviserende rol bij situaties die nu niet goed gaan en waar het Omgevingsplan kan worden ingezet om tot verbetering te komen. Inwoners van buiten de deelgebieden kunnen zich eveneens betrokken voelen, zeker rondom de grenzen tussen deelgebieden. Al naar gelang de afstand van een inwoner tot een deelgebied, neemt de mate van invloed toe en af: een inwoner uit Stompetoren heeft meer invloed in en om Stompetoren, maar slechts in beperkte mate waar het gaat om bijvoorbeeld Koedijk. Dit uitgangspunt hangt samen met het belang dat iemand heeft: het belang van een inwoner neemt in de regel af, naarmate de afstand tot een locatie toeneemt.

Naast de inwoners zijn de ondernemers in het deelgebied aan te merken als betrokkenen, bijvoorbeeld agrarische ondernemers in de poldergebieden of de exploitant van een klein bedrijf of de uitbater van een winkel. Partijen als het Noordwest Ziekenhuis en AZ worden in hun deelgebieden ook onder deze categorie geschaard. Hun rol komt overeen met die van de inwoners in het betreffende deelgebied. Via bestaande netwerken van ondernemersverenigingen, bedrijvenverenigingen en winkeliersverenigingen wordt een zo groot mogelijk bereik nagestreefd.

Ondernemers die nu nog niet in het gebied actief zijn, bijvoorbeeld een ontwikkelaar die mogelijk in de toekomst initiatieven in een deelgebied wil ontplooien, krijgen niet dezelfde mate van invloed. Zij kunnen altijd inbreng leveren, maar die inbreng mag geen afbreuk doen aan de beleidsneutrale omzetting. Mochten zij concrete initiatieven hebben, dan kunnen zij deze via een eigen procedure, met een eigen participatietraject, laten beoordelen. Uiteindelijk wordt een dergelijk initiatief politiek-bestuurlijk afgewogen en aan de hand van deze afweging wel of niet goedgekeurd.

Een derde groep externe betrokkenen zijn de maatschappelijke partners. Hieronder worden niet alleen stichtingen en verenigingen die zich voor een specifiek doel inzetten, maar ook de in het deelgebied actieve woningcorporaties, onderwijs- en zorgpartners en wijk-/dorpsverenigingen/contactcommissies. De laatstgenoemde groep is qua rol gelijk te stellen met de inwoners en ondernemers in het gebied: zij verrichten activiteiten in het betreffende deelgebied en hebben direct belang bij de fysieke leefomgeving. Organisaties die meer gemeentebreed actief zijn en zich richten op een beperkt aantal aspecten in een deelgebied, krijgen een beperktere rol: zij kunnen hun visie op het gebied delen, maar hun specifieke belangen vormen een onderdeel van de te maken integrale belangenafweging, waarin naar meer dan alleen de nagestreefde belangen, wordt gekeken.

De laatste groep externe betrokkenen zijn de bestuurlijke ketenpartners. Daarmee worden partijen als de omliggende gemeenten, de provincie, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, de GGD, de Omgevingsdienst en de Veiligheidsregio bedoeld. Deze partijen hebben hun eigen belangen en kunnen in voorkomend geval aanvullingen op de voorgestelde regels aandragen, bijvoorbeeld voor de bescherming van een waterkering of de juiste beschermingszone rondom een buisleiding.

De ervaring leert dat de laatste groep betrokkenen in de regel grote betrokkenheid toont. Dit ligt voor de hand, gezien hun rol en hun belangen. De ervaring leert ook dat het een grotere uitdaging vormt om betrokkenen uit de eerste drie groepen voldoende mee te laten doen. Met duidelijke en vindbare informatie gaat worden ingezet op het vergroten van de betrokkenheid van deze groepen, allereerst om participatiebijeenkomsten te bezoeken en daarnaast om gedurende het proces betrokken te blijven.

Interne betrokkenen

Naast de externe betrokkenen, zijn er ook de interne betrokkenen te onderscheiden.

Ten eerste is de raad betrokken bij het participatieplan. De raad stelt het onderhavige participatieplan vast en wordt vervolgens op regelmatige basis geïnformeerd over de uitvoering, bijvoorbeeld via een raadsinformatiebrief. Verder stelt de raad in de komende jaren de diverse wijzigingen van het Omgevingsplan vast, waardoor de deelgebieden stapsgewijs in het Omgevingsplan worden opgenomen.

Naast de raad, is ook het college van B&W betrokkenen. B&W bieden het voorliggende participatieplan aan de raad aan en bereiden de komende jaren de benodigde besluiten voor om de genoemde wijzigingen op het Omgevingsplan vast te stellen. Verder informeren B&W, zoals hiervoor al aangegeven, de raad regelmatig over de uitvoering.

De derde en laatste groep interne betrokkenen zijn de diverse vakafdelingen binnen de gemeentelijke organisatie en betrokken partijen, zoals Stadswerk072 en Alkmaar Sport. Zij hebben de nodige kennis en expertise over specifieke onderwerpen die voor het Omgevingsplan en de participatie van belang kunnen zijn. Hun kennis en expertise worden bij de voorbereiding ingebracht en waar nodig, omgezet in kenbare belangenafwegingen en heldere regels.

Verder is er een duidelijke rol voor de gebiedsregisseurs: zij zijn de ogen en oren in de deelgebieden en zijn in de regel een bekender gezicht voor de inwoners/ondernemers dan de betrokken ambtenaren die aan het Omgevingsplan werken.

Wijze van participatie

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze de participatie wordt uitgevoerd. Daarbij wordt uitsluitend ingegaan op de participatie met de externe betrokkenen. Participatie met interne betrokkenen is door middel van het vastleggen van werkafspraken, geborgd in de organisatie, B&W en raad.

Fasering

De uitvoering van de participatie is uitgesplitst in meerdere fases. Deze fases hangen samen met de fase waarin het proces, dan wel de procedure zich bevindt. Zoals hiervoor aangegeven, is informeren een basisverplichting van de gemeente. In alle fases is dan ook sprake van een adequate informatievoorziening, zoveel als mogelijk op een begrijpelijk niveau. Uitzondering hierbij is het gebruik van wettelijke termen: deze termen worden wel uitgelegd, maar niet vervangen door begrijpelijkere taa;.

Fase 1 – voorbereiding

In de voorbereidingsfase wordt toegewerkt naar een ontwerpbesluit voor het wijzigen van het Omgevingsplan. Concreet betekent dit dat in deze fase het nodige onderzoek plaatsvindt, de feitelijke situatie wordt geanalyseerd en waar nodig wordt gekeken naar eventuele verschillen met het oude bestemmingsplan. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat via een omgevingsvergunning eerder toegestaan gebruik is gewijzigd, bijvoorbeeld een oud bedrijfspand dat nu wordt bewoond. Die informatie stond nog niet in het oude bestemmingsplan, maar wordt wel verwerkt in het Omgevingsplan. Het is ook mogelijk dat er niet-verklaarbare verschillen zijn. Daarnaar wordt dan verder onderzoek verricht.

Uiteindelijk volgt uit het eerste deel van de voorbereiding een conceptversie van de wijziging. Deze conceptversie wordt vervolgens tijdens de participatiebijeenkomsten gedeeld met de betrokken inwoners en ondernemers uit het betreffende deelgebied. Aan de hand van de gesprekken kunnen waar nodig, nog verbeteringen in de conceptversie worden aangebracht. Ook kunnen, zoals hiervoor aangegeven, situaties onder de aandacht worden gebracht waarvoor oplossingen nodig zijn. Na de participatiebijeenkomsten kan hieraan worden gewerkt.

De eerste fase wordt afgesloten met het aanbieden van een ontwerpbesluit tot wijziging van het Omgevingsplan aan B&W. Onderdeel van de stukken van het ontwerpbesluit is een verslag van de gehouden participatie. Alle stukken ter zake van het ontwerpbesluit worden na goedkeuring door B&W met de raad gedeeld, zodat de raad inzicht heeft in de uitkomsten van de participatie.

Fase 2 – ontwerpbesluit wijziging van het Omgevingsplan

De tweede fase begint met een positief besluit van B&W op het goedkeuren van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Omgevingsplan. De ontwerpwijziging wordt daarna gepubliceerd via Officiële Bekendmakingen en via de lokale kanalen. Daarna begint de terinzagelegging van het ontwerpbesluit en kan een ieder die dit wil, een zienswijze indienen. Na zes weken eindigt de terinzagelegging en worden de ingediende zienswijzen beoordeeld. Waar nodig, volgen aanpassingen aan de wijziging van het Omgevingsplan, bijvoorbeeld omdat een feitelijke situatie anders blijkt te zijn dan verondersteld.

De tweede fase wordt afgesloten met het goedkeuren van het raadsvoorstel tot wijziging van het Omgevingsplan door B&W en het aanbieden van het raadsvoorstel aan de raad. Onderdeel van deze stukken is het verslag van de participatie uit de eerste en tweede fase.

Fase 3 – vaststelling wijziging van het Omgevingsplan

De derde fase bestaat uit de raadsbehandeling van het raadsvoorstel tot wijziging van het Omgevings-plan. De raadsbehandeling kent twee stappen, te weten behandeling in de commissie Ruimte, waar nog kan worden ingesproken door betrokkenen en waar de politieke discussie wordt gevoerd, en besluitvormende behandeling tijdens de raadsvergadering.

Nadat de raad de wijziging van het Omgevingsplan heeft vastgesteld, publiceren B&W de vastgestelde wijziging, wederom eerst via Officiële Bekendmakingen en daarna via een mededeling in de lokale kanalen, vergelijkbaar met de manier waarop dat met bestemmingsplannen werd gedaan. Hierna is er opnieuw een terinzagelegging, nu van het vastgestelde besluit, voor de duur van zes weken. Tijdens deze terinzagelegging kan tegen het besluit beroep worden ingesteld. Het beroep wordt door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State beoordeeld. Dit onderdeel van de procedure valt daarom buiten de scope van het gemeentelijke participatieplan.

Uitvoering

Voor elk van de hiervoor beschreven fases wordt de participatie op een op maat gesneden wijze uitgevoerd, aansluitend bij de mate van invloed die bij de betreffende fase hoort. Per gebied wordt daarnaast gekeken naar passende vormen en middelen, zoals digitale ondersteuning.

Fase 1 – voorbereiding

Zoals hiervoor al aangegeven, vindt in de eerste fase de voorbereiding van de ontwerpwijziging van het Omgevingsplan plaats. In deze fase is sprake van een actieve vorm van participatie in de vorm van gespreksrondes met de partners uit de bestuurlijke keten en de maatschappelijke partners en in de vorm van bijeenkomsten voor inwoners en ondernemers uit het gebied.1 Tijdens deze bijeenkomsten worden de betrokkenen meegenomen in het hoe en wat van de Omgevingswet en het Omgevingsplan en wordt inzichtelijk gemaakt hoe de verschillende aspecten uit hun woon- en/of werkomgeving in het Omgevingsplan worden geregeld. De nadruk ligt daarbij op de beleidsneutrale omzetting van het Omgevingsplan: de regels krijgen een andere vorm, maar onder de streep mag nog altijd hetzelfde.

Het is goed denkbaar dat uit de diverse gespreksrondes en bijeenkomsten, vervolgstappen moeten worden gezet, bijvoorbeeld het benoemen van onderwerpen die tot dusver onvoldoende waren belicht of het corrigeren van onbedoelde onjuistheden. Waar nodig, worden de vervolgstappen met participatie omkleed, in de vorm van een nadere gespreksronde of persoonlijk contact.

Fase 2 – ontwerpbesluit wijziging van het Omgevingsplan

Nadat B&W het ontwerpbesluit tot wijziging van het Omgevingsplan hebben goedgekeurd, worden de betrokkenen uit de gespreksrondes en de betrokkenen die naar aanleiding van de buurtbijeenkomsten hebben aangegeven op de hoogte te willen blijven, geïnformeerd over dit besluit en over de manier waarop tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbesluit kan worden gereageerd.

Omdat in deze fase de wettelijke procedure is gestart, is participatie minder vormvrij: wanneer een betrokkene zich niet in de inhoud van het ontwerpbesluit kan vinden, kan deze betrokkene een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. Het initiatief daarvoor ligt echter niet meer bij de gemeente, maar bij de betrokkenen uit de omgeving. De ambtelijke organisatie draagt er zorg voor dat er via telefoon en e-mail contact kan worden opgenomen, zodat een afspraak kan worden gepland. Dat laat onverlet dat bezwaren of bedenkingen uiteindelijk via een zienswijze moeten worden kenbaar gemaakt.

Fase 3 – vaststelling wijziging van het Omgevingsplan

Nadat de terinzagelegging van het ontwerpbesluit is geëindigd, bereiden B&W het besluit tot vaststelling van de wijziging van het Omgevingsplan voor en leggen deze voor aan de raad. Nadat het raadsvoorstel aan de raad is doorgeleid, worden alle indieners van een zienswijze en alle betrokkenen die geen zienswijze hebben ingediend, maar wel hebben aangegeven op de hoogte te willen blijven, geïnformeerd. In deze fase is participatie vanuit de gemeente beperkt tot het verstrekken van informatie: het definitieve besluit ligt bij de raad en kan niet meer door B&W worden aangepast. Wel kunnen betrokkenen nog gebruik maken van hun spreekrecht bij commissie en raad.

Planning

Hiervoor is al beschreven in welke volgorde de transitie van tijdelijk naar definitief Omgevingsplan plaatsvindt. Deze volgorde is uitgezet in een planning. De planning koerst op afronding van de transitie in 2031. Daarbij wordt opgemerkt dat zich gaandeweg omstandigheden kunnen voordoen, die gevolgen hebben voor de planning. De hieronder weergegeven planning is om die reden, zeker naarmate de data verder in de toekomst liggen, te beschouwen als een indicatie.

Planning en fasering deelgebieden

In de onderstaande tabel is per tranche van deelgebieden aangegeven wanneer in welke fase de participatie kan plaatsvinden.

Deelgebieden

Fase 1

Fase 2

Fase 3

2 (Koedijk/Daalmeer/Vroonermeer Noord)

14 (Driehuizen/Grootschermer/Noordeinde/Eilandspolder)

Q1 2026

Q2 2026

Q3 2026

4 (Beverkoog)

10 (Boekelermeer)

Q4 2026

Q2 2027

Q4 2027

7 (Centrum)

8 (Oudorp – woongebied, incl. Schermereiland en Omval)

9 (Overdie – woongebied)

Q2 2027

Q4 2027

Q3 2028

3 (De Mare/Huiswaard/Vroonermeer Zuid)

5 (Bergermeer/De Hoef)

6 (Kooimeer/Zuid/De Hout)

Q2 2028

Q1 2029

Q3 2029

11 (Oterleek/Schermerhorn)

12 (Stompetoren)

13 (Zuidschermer)

16 (Markenbinnen/Starnmeer)

Q4 2028

Q3 2029

Q1 2030

1 (Westrand/Olympiapark)

15 (West-Graftdijk/Oost-Graftdijk/Graft/De Rijp/De Volger)

Q2 2029

Q1 2030

Q4 2030

Alkmaars Kanaal en Stationsgebieden (niet-herontwikkelde delen)

(Overdie mogelijk eerder)

2030

2030

2031

De start van de participatie voor de eerste deelgebieden lijkt relatief laat te beginnen, terwijl de overige tranches relatief snel daarop volgen. Dit heeft te maken met het opstellen van de basis van het Omgevingsplan, bestaande uit het casco (de hoofdstukindeling en de onderverdeling binnen de hoofdstukken) en de regelbibliotheek (waarin zoveel mogelijk geharmoniseerde en uniforme regels zijn opgenomen). Als deze basis op orde is, kunnen alle gebieden worden gekoppeld aan deze regels, waarbij uiteraard maatwerk mogelijk blijft. De basis is onderdeel van de eerste tranche (deelgebieden 2 en 14).

Monitoring en bijsturing

Zoals hiervoor al aangegeven, wordt na de eerste en tweede fase van het wijzigingsproces een verslag van de tot dan toe gehouden participatie bij de stukken gevoegd. Deze verslaglegging dient niet alleen als terugkoppeling van datgene wat heeft plaatsgevonden, maar is tegelijkertijd ook een instrument voor monitoring en, waar nodig, bijsturing.

Te beoordelen aspecten

Om te kunnen beoordelen of de participatie goed is verlopen, wordt in het participatieverslag een aantal aspecten belicht. Het gaat om de volgende aspecten, gerelateerd aan de eerder genoemde doelen:

  • samenstelling van de groep betrokkenen: de participatie richt zich op de in een gebied actieve maatschappelijke organisaties en de bewoners en ondernemers in een gebied. Als uit de te organiseren bijeenkomsten blijkt dat een of meerdere van deze groepen niet of nauwelijks is vertegenwoordigd, kan dit betekenen dat er meer aandacht nodig is om deze groepen te betrekken;

  • de vragen die na afloop van de bijeenkomsten worden gesteld: de bijeenkomsten zijn mede bedoeld om de ingewikkelde overgang van de oude naar de nieuwe wetgeving toe te lichten. Als na afloop van deze bijeenkomsten veel vragen kennelijk niet afdoende zijn beantwoord, dan kan dit zijn veroorzaakt door te onduidelijke/ingewikkelde/onvolledige informatie tijdens deze bijeenkomsten. In een dergelijke situatie is het nodig de informatievoorziening te verbeteren;

  • reacties over onzorgvuldigheden/gemiste aspecten in het conceptplan: als een groot deel van de reacties over tekortkomingen op de kaart/in de regels gaat, betekent dit dat in de verdere voorbereiding meer aandacht voor feitelijk onderzoek nodig is. Hoewel de voorbereiding mede is bedoeld om “storende fouten” vroegtijdig op te sporen, mag van de gemeente een zekere mate van zorgvuldigheid worden verwacht: teveel tekortkomingen zijn niet gewenst;

  • de aard en inhoud van ingediende zienswijzen: een goed participatietraject betekent niet noodzakelijkerwijs dat er geen zienswijzen worden ingediend. Het is voorstelbaar dat inwoners/ondernemers/organisaties via een zienswijze aandacht vragen voor een of meerdere onderdelen uit een wijzigingsbesluit. Het is echter niet gebruikelijk dat bij een beleidsneutrale omzetting, dus in een situatie waarin feitelijk niets verandert, een groot aantal zienswijzen over hetzelfde onderwerp gaat. Dat kan betekenen dat een onderwerp dat in een eerdere fase van de participatie is besproken, daarna niet of niet voldoende is onderzocht/doordacht.

Aan de hand van de verslaglegging en de gemonitorde aspecten kan worden beoordeeld of het onderhavige participatieplan bijsturing vereist. Is dat het geval, dan wordt een aangepast participatieplan via de gebruikelijke bestuurlijke besluitvorming vastgesteld.

Ondertekening


Noot
1

Het proces met de ketenpartners is geen participatie in de strikte zin van het woord, maar wettelijk vooroverleg. In het overleg met de ketenpartners ligt de focus op regels en beleid. Vanwege de gelijkenis met participatie, is ervoor gekozen dit onderdeel in het participatieplan op te nemen.